Algemene douaneregeling

14 juli 2008

Nr. DV 2008-519 M

Directoraat-Generaal voor fiscale zaken, Directie Douane en verbruiksbelastingen

De Staatssecretaris van Financiën, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 1:3, eerste lid, onderdeel c, 1:19, tweede lid, 1:28, zesde lid, 1:35, 1:37, derde lid, 2:1, aanhef en onder a tot en met h, j, k en m, 6:1, eerste lid, 6:2, 6:3, 7:1, aanhef en onderdeel b, 7:6, vierde lid, 7:9, aanhef en onderdeel a tot en met c, 9:5, 10:11, 11:13, eerste lid, en artikel 11:14, eerste lid, van de Algemene douanewet en op de artikelen 1:5, vijfde lid, 2:1, eerste lid, 2:2, eerste en tweede lid, 3:2, derde lid, 3:3, aanhef en onderdeel c, 3:4, eerste lid, en 5:1, tweede en vierde lid, van het Algemeen douanebesluit;

Besluiten:

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Afdeling 1.1

Basisdefinities en overige inleidende bepalingen

Artikel 1:1

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 1:3, eerste lid, onderdeel c, 1:19, tweede lid, 1:28, zesde lid, 1:35, 1:37, derde lid, 2:1, aanhef en onder a tot en met h, j, k en m, 6:1, eerste lid, 6:2, 6:3, 7:1, aanhef en onderdeel b, 7:6, vierde lid, 7:9, aanhef en onderdeel a tot en met c, 9:5, 10:11, 11:13, eerste lid, en artikel 11:14, eerste lid, van de Algemene douanewet en op de artikelen 1:5, vijfde lid, 2:1, eerste lid, 2:2, eerste en tweede lid, 3:2, derde lid, 3:3, aanhef en onderdeel c, 3:4, eerste lid, en 5:1, tweede en vierde lid, van het Algemeen douanebesluit.

Artikel 1:2

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

a. wet: Algemene douanewet;

b. besluit: Algemeen douanebesluit;

c. binnenkomend schip: schip waarvoor de in de artikelen 40 en 43 van het Communautair douanewetboek bedoelde formaliteiten moeten worden vervuld;

d. binnenkomend luchtvaartuig: luchtvaartuig waarvoor de in de artikelen 40 en 43 van het Communautair douanewetboek bedoelde formaliteiten moeten worden vervuld;

e. Algemene Inspectiedienst: Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

f. productschap: productschap of hoofdproductschap dat in kolom 2 van bijlage VII is genoemd als bevoegd productschap ten aanzien van het goed, genoemd in kolom 1 van bijlage VII;

g. verordening 918/83: Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PbEG L 105);

h. verordening 376/2008: Verordening (EG) nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PbEU 2008, L 114);

i. verordening 800/99: Verordening (EG) nr. 800/99 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PbEU 1999, L 102);

j. de Post: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de Postwet;

k. brieven en postzendingen: brieven en postzendingen als bedoeld in artikel 1, onderdelen b en c, van de Postwet, voor zover zij vallen onder de verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van die wet;

l. bier: bier als bedoeld in artikel 6 van de Wet op de accijns;

m. minerale oliën: minerale oliën als bedoeld in de artikelen 25 en 26 van de Wet op de accijns;

n. tabaksproducten: tabaksproducten als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de accijns;

o. sigaretten: sigaretten als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de accijns;

p. sigaren: sigaren als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de accijns;

q. cigarillo’s: sigaren met een maximumgewicht van 3 gram per stuk;

r. rooktabak: rooktabak als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de accijns;

s. kanselarijbenodigdheden: officiële emblemen en documenten alsmede kantoormeubilair en kantoorbenodigdheden bestemd voor een kanselarij.

Artikel 1:3

Douanekantoren zijn gevestigd in de plaatsen genoemd in bijlage I.

Afdeling 1.2

Artikel 1:4

1. De voorzitters van de managementteams, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, zijn inspecteur en ontvanger als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet.

2. De directeur-generaal Belastingdienst is inspecteur en ontvanger als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet, voor zover het de belastingaangelegenheden betreft die verband houden met het Koninklijk Huis.

Artikel 1:5

1. De voorzitters van de managementteams, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003, zijn ambtenaar als bedoeld in artikel 11:7 van de wet (contactambtenaar).

2. De voorzitters van de managementteams van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdelen zijn op grond van artikel 1:28, zesde lid, van de wet bevoegd tot het geven van toestemming voor het vorderen van gehele ontkleding dan wel het onderzoek van het onderlichaam van degene die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen.

Artikel 1:6

De verplichtingen die ingevolge artikel 1:32 van de wet bestaan jegens de inspecteur en de ontvanger, gelden mede jegens de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD alsmede jegens de door deze voorzitter aangewezen ambtenaren van de Belastingdienst.

Artikel 1:7

1. De voorzitter van het productschap is inspecteur als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet.

2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor de toepassing van artikel 78, tweede lid, van het Communautair douanewetboek.

3. De voorzitter, bedoeld in het eerste lid, kan bij het uitoefenen van de hem bij dat lid opgedragen taken alleen de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:23, 1:24, 1:25, 1:27, 1:31 tot en met 1:34 van de wet, toepassen.

Artikel 1:8

1. De directeur van de Algemene Inspectiedienst is inspecteur als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet.

2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor de bij of krachtens in het derde lid bedoelde wettelijke voorschriften vastgestelde taken. Hierbij kunnen de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:23, 1:24, 1:25, 1:27, 1:31 tot en met 1:34 van de wet, worden toegepast.

3. De in het tweede lid bedoelde wettelijke voorschriften zijn de in de bijlage bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de wet, onder A, bedoelde voorschriften voor zover het voorschriften aangaande onderwerpen betreft die vallen onder de reikwijdte van de volgende wettelijke voorschriften en deze wettelijke voorschriften zelf, voor zover deze betrekking hebben op goederen en goederenverkeer:

– Bestrijdingsmiddelenwet 1962;

– Landbouwwet;

– Warenwet;

– Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen;

– hoofdstuk 3 van het besluit.

Artikel 1:9

De voorzitter van het productschap is ontvanger in de zin van artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet en artikel 3, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, voor zover het betreft restituties, subsidies dan wel waarborgsommen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het besluit.

Artikel 1:10

1. De voorzitter van het managementteam Belastingdienst/Douane Rotterdam is de bevoegde douaneadministratie, bedoeld in artikel 10 van de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake het gebruik van informatica op douanegebied (Trb. 1995, 225).

2. De in het eerste lid bedoelde douaneadministratie is gehouden uitvoering te geven aan onherroepelijke beslissingen van een rechtbank of een andere bevoegde autoriteit met betrekking tot kennisneming, verwijdering of verbetering van persoonsgegevens, als bedoeld in artikel 15, vierde lid, onder I, II en III, van de in het eerste lid genoemde overeenkomst.

Afdeling 1.3

Artikel 1:11

1. Voor het elektronisch verzenden van aangiften en berichten is een vergunning van de inspecteur vereist.

2. Aan de verplichting een bescheid te overleggen wordt voldaan door in een elektronische aangifte voor plaatsing van goederen onder een douaneregeling te vermelden dat deze in het bezit zijn van het subject van de regeling. De inspecteur kan nadere bepalingen vaststellen voor de wijze van toezending van de bescheiden of voor de wijze van archivering daarvan.

Afdeling 1.4

Artikel 1:12

Het tarief van de kosten die op grond van artikel 1:19, eerste lid, van de wet, door de belanghebbende aan het Rijk verschuldigd zijn, is:

a. indien het ambtelijke verrichtingen betreft: € 24 per half uur;

b. het bedrag, dat door derden aan de inspecteur in rekening is gebracht.

Afdeling 1.5

Artikel 1:13

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. certificaat van oorsprong: bewijsstuk inzake de niet-preferentiële oorsprong van goederen;

b. certificaat inzake goederenverkeer: certificaat EUR.1 of EUR-MED ten bewijze van de preferentiële oorsprong van goederen;

c. handelsregister: handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007;

d. kamer: kamer van koophandel en fabrieken als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997;

e. leveranciersverklaring: verklaring als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1207/2001 van de Raad van 11 juni 2001 betreffende procedures ter vergemakkelijking van de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1, de opstelling van factuurverklaringen en formulieren EUR.2 en de afgifte van bepaalde vergunningen ‘toegelaten exporteur’ in het kader van de bepalingen die voor het preferentiële handelsverkeer tussen de Europese Gemeenschap en sommige landen gelden en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3351/83 (PbEG L 165);

f. oorsprongsverklaring: verklaring inzake de preferentiële oorsprong van goederen, in gevallen dat de toepasselijke autonome preferentiële regeling of een handels- of associatieovereenkomst daarin voorziet;

g. commissie: adviescommissie voor de oorsprong;

h. NAK: Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen;

i. Naktuinbouw: Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw.

Artikel 1:14

1. Een aanvraag tot afgifte van een certificaat van oorsprong wordt ingediend:

a. bij de kamer waarbij de onderneming of rechtspersoon met toepassing van artikel 6 van de Handelsregisterwet 2007 in het handelsregister is ingeschreven; of

b. bij de kamer in het gebied waar de aanvrager woont, dan wel is gevestigd indien onderdeel a niet van toepassing is; of

c. bij de kamer in het gebied in Nederland waar de goederen zich bevinden in geval van een onderneming die in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd en waarvan de goederen via Nederland uitgaan.

2. De aanvraag bevat gegevens en bewijsstukken op basis waarvan de oorsprong van de in de aanvraag vermelde goederen kan worden vastgesteld.

3. Op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist door de kamer waarbij de aanvraag is ingediend. Het certificaat van oorsprong wordt door deze kamer voorzien van haar stempel en van de handtekening van de secretaris van de kamer.

Artikel 1:15

1. Indien de aanvraag, bedoeld in artikel 1:14, eerste lid, betrekking heeft op teeltmateriaal als bedoeld in artikel 1, aanhef, onderdeel f, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005, wordt bij de aanvraag als bewijsstuk als bedoeld in artikel 1:14, tweede lid, overlegd:

a. een officiële verklaring van de NAK, voor wat betreft teeltmateriaal van landbouwgewassen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel p, van het Besluit verhandeling teeltmateriaal;

b. een officiële verklaring van de Naktuinbouw, voor wat betreft teeltmateriaal van bosbouwgewassen en tuinbouwgewassen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef, respectievelijk onderdelen n en o, van het Besluit verhandeling teeltmateriaal, of

c. enig ander bewijsstuk dat kan dienen om de oorsprong van de in de aanvraag vermelde producten vast te stellen, dat door de Plantenziektekundige Dienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor het desbetreffende teeltmateriaal is afgegeven.

2. Indien de aanvraag, bedoeld in artikel 1:14, eerste lid, betrekking heeft op groente en fruit als bedoeld in artikel 1 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007, wordt bij de aanvraag overlegd als bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, een gewaarmerkt afschrift van het controlebewijs, bedoeld in artikel 13, onderdeel b, van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007.

3. Indien de producten, vermeld in de aanvraag, tegelijkertijd kunnen worden aangemerkt als teeltmateriaal als bedoeld in het eerste lid, en als groente en fruit als bedoeld in het tweede lid, wordt het eerste of het tweede lid toegepast afhankelijk van de bestemming die aan die producten wordt gegeven.

Artikel 1:16

1. Een aanvraag tot afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer wordt ingediend:

a. bij de kamer waarbij de onderneming of rechtspersoon met toepassing van artikel 6 van de Handelsregisterwet 1996 in het handelsregister is ingeschreven; of

b. bij de kamer in het gebied waar de aanvrager woont, dan wel is gevestigd indien onderdeel a niet van toepassing is; of

c. bij de kamer in het gebied in Nederland waar de goederen zich bevinden in geval van een onderneming die in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd en waarvan de goederen via Nederland uitgaan.

2. De aanvraag bevat gegevens en bewijsstukken op basis waarvan de oorsprong van de in de aanvraag vermelde goederen kan worden vastgesteld.

3. De kamer voorziet de aanvraag van haar bevindingen en maakt deze bekend aan de inspecteur.

Artikel 1:17

1. De commissie adviseert de Ministers van Economische Zaken, van Financiën en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en de gezamenlijke kamers over de afgifte van oorsprongsverklaringen.

2. De commissie stelt haar eigen werkwijze en samenstelling schriftelijk vast.

3. De Minister van Economische Zaken wijst de voorzitter van de commissie aan.

Afdeling 1.6

Artikel 1:18

De instellingen van apparatuur waarmee door kleding van personen wordt gekeken, zijn zodanig, dat de persoon, die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen, niet herkenbaar is op de beelden die door de apparatuur worden gegenereerd.

Afdeling 1.7

Artikel 1:19

Ingeval de gegevens voor de vaststelling van de douanewaarde zijn uitgedrukt in een munteenheid waarvoor de Europese Centrale Bank referentiekoersen publiceert, worden die referentiekoersen voor de vaststelling van die douanewaarde aangemerkt als de genoteerde koers, bedoeld in artikel 168, aanhef en onderdeel a, tweede gedachtestreepje, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek.

Artikel 1:20

1. Ingeval de gegevens voor de vaststelling van de douanewaarde zijn uitgedrukt in een munteenheid waarvoor de Europese Centrale Bank geen referentiekoersen publiceert, wordt voor de vaststelling van de douanewaarde gebruik gemaakt van de wisselkoers van die munteenheid ten opzichte van de euro zoals die wordt gepubliceerd op de voorlaatste maandag van de maand in de Financial Times Guide to World Currencies.

2. De wisselkoers, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende de kalendermaand die volgt op de in het eerste lid bedoelde publicatie in de Financial Times Guide to World Currencies.

3. Indien geen publicatie plaatsvindt op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, wordt de voor de betrokken munteenheid laatst in de Financial Times Guide to World Currencies gepubliceerde wisselkoers van die munteenheid ten opzichte van de euro geacht de op de voorlaatste maandag van de maand gepubliceerde wisselkoers te zijn.

4. Indien een munteenheid als bedoeld in het eerste lid revalueert of devalueert, waardoor de in de Financial Times Guide to World Currencies gepubliceerde wisselkoers vijf percent of meer afwijkt van de in het eerste lid bedoelde wisselkoers, wordt de gerevalueerde dan wel gedevalueerde wisselkoers als nieuwe wisselkoers gebruikt.

5. In het in artikel 172, eerste volzin, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek bedoeld geval, wordt één enkele wisselkoers toegepast, die geldt op de eerste dag van de periode waarop de aangifte betrekking heeft.

Artikel 1:21

1. De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde, bedoeld in artikel 178, eerste lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, kan achterwege blijven indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen wordt vastgesteld op een andere wijze dan met toepassing van artikel 29 van het Communautair douanewetboek.

2. Ingeval de in het eerste lid bedoelde aangifte achterwege blijft, verstrekt de aangever afzonderlijk de gegevens met behulp waarvan de aangegeven douanewaarde is berekend. Deze gegevens omvatten ten minste:

– de methode van de vaststelling van de douanewaarde, aan te duiden door vermelding van het desbetreffende artikel van het Communautair douanewetboek;

– een verwijzing naar een door de douane genomen beslissing voor zover de douanewaarde overeenkomstig een dergelijke beslissing is aangegeven; en

– een gedetailleerde opgave van de wijze van berekening.

3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de aangegeven douanewaarde rechtstreeks uit de factuur is afgeleid.

Artikel 1:22

De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde, die in een formulier D.V.1 als bedoeld in artikel 178, eerste lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek zijn opgenomen, wordt afzonderlijk opgenomen in de elektronische aangifte tot plaatsing van goederen onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen.

Hoofdstuk 2

Bepalingen die op de in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen van toepassing zijn tot deze een douanebestemming hebben gekregen

Afdeling 2.1

Artikel 2:1

1. Binnenkomende schepen en de daarmee vervoerde goederen worden langs in bijlage II opgenomen vaarwaters overgebracht naar een haven ressorterende onder een in bijlage III opgenomen douanekantoor alwaar zij worden aangebracht.

2. Binnenkomende luchtvaartuigen en de daarmee vervoerde goederen worden zonder tussenlanding overgebracht naar een internationale luchthaven ressorterende onder een in bijlage IV opgenomen douanekantoor alwaar zij worden aangebracht.

3. Een binnengekomen schip dan wel een binnengekomen luchtvaartuig vertrekt van de haven onderscheidenlijk de internationale luchthaven, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, niet zonder toestemming van de inspecteur.

4. In bijlage V zijn plaatsen opgenomen waar binnenkomende schepen en de daarmee vervoerde goederen eveneens kunnen worden aangebracht.

5. Op plaatsen, bedoeld in het vierde lid, vinden geen andere activiteiten plaats dan:

a. het innemen van provisie en scheepsbehoeften ten behoeve van de bemanning van het schip; of

b. het innemen van brandstoffen of smeermiddelen bestemd voor de aandrijving of smering van het schip; of

c. het aan boord nemen van goederen voor reparatie of vervanging van onderdelen van het schip, mits deze reparatie of vervanging noodzakelijk is om het schip zijn reis voort te kunnen laten zetten alsmede de daadwerkelijke reparatie of vervanging van deze onderdelen.

6. In voorkomend geval kan de inspecteur, rekening houdend met de aard van de goederen of met de douanebestemming die de goederen hebben gekregen dan wel zullen krijgen, andere plaatsen dan douanekantoren en de plaatsen, bedoeld in het vierde lid, aanmerken als plaats waar goederen kunnen worden aangebracht.

Artikel 2:2

1. Een binnenkomend schip wordt aangebracht door de inlevering bij aankomst van de generale verklaring (IMO/FAL 1).

2. In afwijking van het eerste lid wordt bij toepassing van artikel 2:1, vierde lid, een binnenkomend schip aangebracht door het doen van een mededeling aan de inspecteur van de aankomst op een in artikel 2:1, vierde lid, bedoelde plaats.

3. Een binnenkomend luchtvaartuig wordt geacht te zijn aangebracht door de plaatsing van het luchtvaartuig op het daarvoor aangewezen gedeelte van de internationale luchthaven.

Artikel 2:3

1. De artikelen 2:1, 2:2 en 2:5 zijn niet van toepassing op de volgende schepen en luchtvaartuigen:

a. oorlogsschepen en militaire luchtvaartuigen;

b. pleziervaartuigen;

c. vissersschepen welke van de visvangst komen en zijn voorzien van een aanduiding omtrent de haven waar zij thuishoren;

d. sleepboten;

e. vaartuigen voor het verrichten van loodsdiensten;

f. reddingsboten;

g. schepen en luchtvaartuigen van de Nederlandse Kustwacht.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

a. de laatste haven van vertrek van het schip dan wel luchtvaartuig gelegen is buiten het douanegebied van de Gemeenschap;

b. het schip dan wel luchtvaartuig goederen meevoert waarvoor bij het in het vrije verkeer brengen rechten bij invoer, accijns of omzetbelasting is verschuldigd;

c. het schip dan wel luchtvaartuig goederen meevoert waarop verboden of beperkingen van toepassing zijn of zouden zijn als bedoeld in artikel 1:1, vijfde lid, van de wet.

d. voor het verkrijgen van vrijstelling van rechten bij invoer of voor het plaatsen onder de desbetreffende douaneregeling voor het schip, het luchtvaartuig of voor de aan boord aanwezige goederen ingevolge wettelijke bepalingen de vervulling van bepaalde formaliteiten is vereist;

e. het schip dan wel luchtvaartuig niet in de Gemeenschap thuishoort; of

f. het schip dan wel luchtvaartuig niet overeenkomstig haar bestemming wordt gebezigd.

Artikel 2:4

1. Degene die aan de kust goederen heeft opgevist of gered, dan wel aldaar aangespoelde of gestrande goederen heeft geborgen, geeft daarvan onverwijld kennis aan de inspecteur. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder kust mede verstaan de wateren, stranden en oevers welke op grond van artikel 21 van de Wet op de strandvonderij worden beschouwd te behoren tot de zee en het zeestrand.

2. De goederen worden zonder toestemming van de inspecteur niet verder landinwaarts gebracht dan tot de eerste plaats waar zij tegen beschadiging door het zeewater zijn beveiligd.

3. Na de kennisgeving worden de goederen aangemerkt als binnengebrachte goederen in de zin van artikel 37, eerste lid, van het Communautair douanewetboek.

Afdeling 2.2

Artikel 2:5

1. De summiere aangifte wordt gedaan in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.

2. De summiere aangifte wordt ter zake van over zee binnengebrachte goederen gedaan door inlevering van:

a. één of meer volglijsten (Douane 11) behorend tot de generale verklaring (IMO/FAL 1); en

b. de scheepsvoorradenaangifte (IMO/FAL 3) voor de in het schip aanwezige provisie.

3. De summiere aangifte wordt ter zake van door de lucht binnengebrachte goederen gedaan door inlevering van een generale verklaring luchtvaart zoals is voorzien in bijlage IX van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, 165), met daarin vervat het manifest van de lading of door inlevering van alleen het manifest van de lading, zoals voorzien bij dat verdrag.

4. De in de volglijst (Douane 11) te vermelden gegevens mogen desgewenst worden vermeld in bij te voegen scheepvaartmanifesten welke zijn ingericht volgens het model ICS-STANDARD MANIFEST 1968. Op de voorzijde van de volglijst moet worden verwezen naar die scheepvaartmanifesten onder vermelding van hun aantal. De manifesten en alle in het manifest omschreven goederen worden doorlopend genummerd.

Afdeling 2.3

Artikel 2:6

De goedkeuring van een ruimte voor tijdelijke opslag, bedoeld in artikel 185, eerste lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, is gebonden aan een vergunning tot beheer van de desbetreffende ruimte.

Artikel 2:7

1. Een wijziging in de inrichting van een ruimte voor tijdelijke opslag wordt niet aangebracht dan na goedkeuring van de inspecteur.

2. De inspecteur kan de vergunning tot beheer van een ruimte voor tijdelijke opslag in ieder geval intrekken of wijzigen:

a. op verzoek van de houder van de desbetreffende vergunning;

b. indien de ruimte niet of niet meer in die mate gebruikt wordt dat handhaving van de vergunning gerechtvaardigd is.

Artikel 2:8

1. Een nadere aangifte als bedoeld in artikel 186 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek is vereist indien niet alle in de ingediende summiere aangifte omschreven goederen in één ruimte voor tijdelijke opslag worden geplaatst.

2. De nadere aangifte, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan op de wijze zoals in de Toelichting enig document, zoals opgenomen in bijlage VI, voor tijdelijke opslag is omschreven.

Afdeling 2.4

Artikel 2:9

De termijn, bedoeld in artikel 201, tweede lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, is zeven dagen na indiening van de aangifte. De plaats waar de goederen worden aangebracht wordt aan het douanekantoor schriftelijk of elektronisch gemeld.

Artikel 2:10

1. Een aangifte tot plaatsing van goederen onder een douaneregeling wordt gedaan in de Nederlandse taal.

2. In afwijking van het eerste lid kunnen de volgende aangiften eveneens worden gedaan in de Franse, Duitse of Engelse taal:

a. een aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling douanevervoer; en

b. een aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling met gebruikmaking van een handels- of administratief bescheid.

Artikel 2:11

1. De formulieren enig document worden ingevuld overeenkomstig het bepaalde in de Toelichting enig document, zoals opgenomen in bijlage VI.

2. De bij de invulling van de formulieren enig document te gebruiken codes zijn de codes opgenomen in het codeboek Sagitta en beschikbaar via internetadres www.douane.nl.

Artikel 2:12

1. In de gevallen waarin op grond van wettelijke bepalingen in een aangifte de goederencode van de desbetreffende goederen moet worden vermeld, is dat de code die voor die goederen is vastgesteld in het gebruikstarief.

2. Het in het eerste lid bedoelde gebruikstarief is de lijst van goederenomschrijvingen met bijbehorende codes en aanduiding van de voor de desbetreffende goederen van toepassing zijnde maatregelen bij in- of uitvoer, zoals die geldt ingevolge Verordeningen van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

3. Het in het eerste lid bedoelde gebruikstarief is beschikbaar via internetadres www.douane.nl.

Artikel 2:13

Indien door de inspecteur een vergunning wordt afgegeven voor het gebruik van de regeling douane-entrepots wordt in de vergunning bepaald dat, afhankelijk van de aard van de goederen die onder de regeling douane-entrepots worden geplaatst, de vergunninghouder en het Centraal Bureau voor de Statistiek overeenstemming bereiken over de afzonderlijke aanlevering van gegevens ten behoeve van de entrepotstatistiek.

Afdeling 2.5

Onderzoek van de goederen, bevindingen van het douanekantoor en andere door het douanekantoor te nemen maatregelen

Artikel 2:14

1. Monsterneming vindt in tweevoud plaats, tenzij de wijze en/of aard van het onderzoek ertoe noopt meerdere monsters te nemen, en de monsters worden ter plaatse verpakt en verzegeld.

2. Indien mogelijk wordt op verzoek van belanghebbende een extra monster genomen, dat ter plaatse wordt verpakt en verzegeld en in het bezit van belanghebbende blijft.

Artikel 2:15

1. De speling, bedoeld in artikel 1:35 van de wet, is, indien het een verschil betreft tussen de waarde of de hoeveelheid zoals in de aangifte is aangegeven, en de waarde of de hoeveelheid van hetgeen aanwezig is: een percent van de waarde of de hoeveelheid van hetgeen aanwezig is.

2. De speling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing:

a. indien het bevonden verschil niet is ontstaan ten gevolge van dwaling, onwillekeurig verzuim of natuurlijke verliezen;

b. indien het bevonden verschil van invloed is op de berekening van de douaneschuld;

c. op aantallen colli of losse voorwerpen.

Hoofdstuk 3

Landbouwproducten

Afdeling 3.1

Certificaten; algemene bepalingen

Artikel 3:1

Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften, genoemd in de artikelen 7, eerste tot en met derde lid, 8, eerste en tweede lid, 21, derde lid, 24, vierde lid, 25, eerste lid, 26, eerste lid, 34, tweede lid, vijfde alinea, 35, tiende lid, 38, tweede lid, 45, derde lid, 47, derde lid, tweede alinea, en vijfde lid, van verordening 376/2008.

Artikel 3:2

1. De bevoegdheid, bedoeld in art 3:2, tweede lid, van het besluit wordt overgedragen aan het productschap.

2. Het productschap wordt aangewezen als:

a. de instantie van afgifte, bedoeld in de artikelen 8, tweede lid, tweede alinea, en derde lid, 20, 21, 32, derde lid, 34, derde lid, 38, eerste lid, 40, vierde lid, 45, derde lid, 47, derde lid, tweede alinea, vijfde, achtste en negende lid, onder b, van verordening 376/2008;

b. de bevoegde instantie, bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, 14, tweede lid, 39, eerste lid, 40, eerste, tweede en vierde lid, 41, van verordening 376/2008, en

c. de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 12, tweede lid, 34, achtste lid, 35, tweede lid, tweede alinea, 36, tweede lid, 42, tweede lid, onder b, 46, tweede lid, 47, negende lid, onder b en c, van verordening 376/2008.

Artikel 3:3

Het Productschap Zuivel wordt aangewezen als de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2535/2001 van de Commissie van 14 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad voor de invoerregeling voor melk en zuivelproducten en houdende opening van tariefcontingenten (PbEU 2001, L341).

Artikel 3:4

Het productschap is bevoegd de voorschriften, bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede alinea, verordening 376/2008, vast te stellen.

Artikel 3:5

1. Het productschap is bevoegd een ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 4, derde lid, van verordening 376/2008.

2. Indien het productschap gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is het productschap tevens de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, derde lid, onder c, van verordening 376/2008.

Artikel 3:6

Het productschap is bevoegd de toestemming te verlenen, bedoeld in artikel 40, vijfde lid, van verordening 376/2008.

Artikel 3:7

De zekerheid, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van verordening 376/2008 wordt gesteld bij het productschap.

Artikel 3:8

1. Het productschap is bevoegd op verzoek van belanghebbende certificaten onder zich te houden, onderscheidenlijk in bewaring te nemen ten behoeve van de toepassing van artikel 24 van verordening 376/2008 op dat certificaat.

2. Indien het productschap gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, wordt het productschap aangemerkt als de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van verordening 376/2008.

Artikel 3:9

De certificaten, bedoeld in artikel 3:2, tweede lid, van het besluit, zijn in het Nederlands gesteld.

Artikel 3:10

1. Het productschap is bevoegd bepalingen vast te stellen omtrent het afgeven en het gebruik van elektronische certificaten, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van verordening 376/2008.

2. Indien het productschap toestaat dat aanvragen voor de certificaten, bedoeld in artikel 3:2, tweede lid, van het besluit, worden ingediend met behulp van systemen voor automatische gegevensverstrekking, stelt het productschap de regels vast, bedoeld in artikel 12, tweede lid, derde alinea, van verordening 376/2008.

Artikel 3:11

Het productschap is bevoegd een aanvullende termijn als bedoeld in artikel 34, negende lid, van verordening 376/2008 te verlenen.

Artikel 3:12

Het productschap wordt aangewezen als bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PbEU 2006, L 238).

Afdeling 3.2

Artikel 3:13

1. Het productschap geeft de invoercertificaten, bedoeld in artikel 3:1, onder d, van het besluit, of uittreksels daarvan voor ruwe hennep van post 53 02 10 00 van de gecombineerde nomenclatuur slechts af indien deze voldoet aan de voorwaarden van artikel 5bis van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PbEG L 160);

2. Het productschap geeft de invoercertificaten, bedoeld in artikel 3:1, onder d, van het besluit, of uittreksels daarvan voor zaaizaad bestemd voor de inzaai van henneprassen van post 1207 99 20 van de gecombineerde nomenclatuur slechts af indien deze vergezeld gaat van het bewijs dat het gehalte aan tetrahydrocannabinol niet hoger is dan het gehalte, bedoeld in artikel 5bis, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PbEG L 160);

3. Het productschap geeft de invoercertificaten, bedoeld in artikel 3:1, onder d, van het besluit, en uittreksels daarvan voor niet voor inzaai bestemd hennepzaad van de post 1207 99 91 van de gecombineerde nomenclatuur slechts af indien:

a. de importeur door het productschap is erkend;

b. de importeur zich ertoe verbindt zorg te dragen voor de verstrekking aan het productschap van de verklaringen, bedoeld in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 507/2008 van de Commissie van 6 juni 2008 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1673/2000 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vezelvlas en –hennep (PbEU 2008, L 149), binnen de aldaar gestelde termijn en onder de door het productschap gestelde voorwaarden;

c. de administratie van de importeur voldoet aan de door het productschap gestelde eisen;

d. de importeur toelaat dat wordt overgegaan tot controle op de naleving van hetgeen is bepaald bij of krachtens Verordening 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (PbEU 2007, L 299), en

e. de importeur zodanige maatregelen treft dat ook zijn afnemers aan het onder c en d gestelde voldoen.

Artikel 3:14

1. Van het verbod op het invoeren van landbouwproducten, bedoeld in artikel 3:2 van het besluit, wordt vrijstelling verleend voor pootaardappelen van post 0701 1000 van de gecombineerde nomenclatuur.

2. Van het verbod op het uitvoeren van landbouwproducten, bedoeld in artikel 3:2 van het besluit, wordt vrijstelling verleend voor pootaardappelen van post 0701 1000 van de gecombineerde nomenclatuur.

3. Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, is de voorwaarde verbonden dat de betrokken partij is voorzien van een etiket en een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13 van Richtlijn nr. 2002/56/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PbEU 2002, L 193).

4. Het etiket en het bewijsstuk, bedoeld in het derde lid, worden afgegeven door de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen.

Artikel 3:15

Het bewijs, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 2342/92 van de Commissie van 7 augustus 1992 betreffende de invoer van raszuivere fokrunderen uit derde landen en de toekenning van uitvoerrestituties voor deze dieren en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1544/79 (PbEG 1992, L 227) wordt geleverd door middel van een verklaring van het productschap.

Artikel 3:16

1. Indien ingevolge het bepaalde bij of krachtens Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (PbEU 2007, L 299) het bedrag van de aldaar bedoelde heffing voor jonge mannelijke runderen met een levend gewicht van ten hoogste 300 kg en voor landbouwproducten, vallend onder de posten 0202 2030 of 0202 30 van de gecombineerde nomenclatuur, afhankelijk is van de vervulling of nakoming van voorwaarden of bepalingen die ten aanzien van het betreffende goed in genoemde verordening of haar uitvoeringsvoorschriften zijn voorgeschreven, is de importeur van dat goed gehouden tot het naleven van de door het productschap met inachtneming van het bepaalde in die verordening en haar uitvoeringsvoorschriften, ter verzekering van die heffing gestelde regelen.

2. De in het vorige lid bedoelde regelen kunnen betrekking hebben op het trekken van monsters, het voeren van een administratie en het verstrekken van gegevens, nodig voor de oplegging van de heffing.

3. Het productschap stelt regelen volgens welke het vrijstelling verleent aan landbouwheffingen bij invoer, ten belopen van het jaarlijks door de Raad toegekende en aan Nederland toevallende aandeel in het in het kader van de Wereldhandelsorganisatie geopende tariefcontingent voor de invoer uit landen of gebieden die geen deel uitmaken van de Gemeenschap van bevroren rundvlees van post 0202 van de gecombineerde nomenclatuur.

4. Het productschap kan regels stellen op grond waarvan het vrijstelling verleent van de landbouwheffingen bij invoer in het kader van Verordening (EG) nr. 659/2007 van de Commissie van 14 juni 2007 betreffende de opening en de wijze van beheer van invoertariefcontingenten voor stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van bepaalde bergrassen.

Afdeling 3.3

Artikel 3:17

Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften, genoemd in de artikelen 15, 16ter, eerste lid, 52, eerste lid, van verordening 800/99.

Artikel 3:18

1. De bevoegdheden, bedoeld in artikel 3:3 van het besluit worden overgedragen aan het productschap.

2. Het productschap wordt aangewezen als:

a. de bevoegde instantie, bedoeld in artikel 7, vierde lid, 42, eerste lid, 49, eerste lid, onder b, van verordening 800/99;

b. de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 20, vierde lid, 25, eerste en tweede lid, van verordening 800/99.

4. Als bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5, zevende lid, onder b, en 7, derde lid, tweede alinea, van verordening 800/99 wordt aangewezen het douanekantoor, waar de aangifte ten uitvoer wordt ingediend.

Artikel 3:19

1. De toekenning van restitutie, bedoeld in verordening 800/99, vindt plaats door het productschap.

2. Ten behoeve van de uitvoering van het eerste lid, is het productschap bevoegd:

a. bewijzen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, tweede gedachtestreepje van verordening 800/99, te ontvangen;

b. aanvullende bewijzen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, derde alinea, van verordening 800/99, te vorderen;

c. verzoeken als bedoeld in artikel 21, eerste lid, vierde alinea, van verordening 800/99 te doen.

3. In de gevallen waarin het stellen van zekerheid op grond van een communautaire verplichting een voorwaarde is voor de toekenning van restitutie, wordt de zekerheid gesteld bij het productschap.

4. Het opleggen van administratieve sancties als bedoeld in artikel 51 van verordening 800/99, vindt plaats door het productschap.

5. Het opleggen van maatregelen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1469/95 van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1995 betreffende de maatregelen die moeten worden genomen ten aanzien van bepaalde begunstigden van uit het EOFGL, afdeling Garantie, gefinancierde verrichtingen (PbEU 1995, L 145) vindt plaats door het productschap.

Artikel 3:20

Het productschap is bevoegd te beslissen op een verzoek als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van verordening 800/99.

Artikel 3:21

1. Het productschap is bevoegd het ontslag te verlenen, bedoeld in artikel 17 van verordening 800/99.

2. Een verzoek als bedoeld in artikel 17, derde lid, verordening 800/99 wordt ingediend bij het productschap.

3. Het productschap is bevoegd de beslissingen, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van verordening 800/99 te nemen.

Artikel 3:22

1. De voorzitter van het Hoofdproductschap Akkerbouw verleent de erkenning, bedoeld in artikel 16bis, eerste lid, van verordening 800/99.

2. De voorzitter van het Hoofdproductschap Akkerbouw kan een erkenning als bedoeld in het eerste lid schorsen of intrekken in de gevallen, bedoeld in artikel 16ter, eerste lid, en 16quinquies, eerste en derde lid, van verordening 800/99.

Afdeling 3.4

Artikel 3:23

1. Het Hoofdproductschap Akkerbouw is bevoegd tot verlening van de toestemming als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van verordening 800/99.

2. Een belanghebbende dient een schriftelijke aanvraag om de toestemming, bedoeld in het eerste lid, in bij het Hoofdproductschap Akkerbouw.

3. De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt verleend indien de belanghebbende:

a. gespecialiseerd is in scheepsproviandering;

b. een administratie voert die inzichtelijk maakt dat de landbouwproducten de bestemming hebben bereikt, en

c. een controleregister bijhoudt als bedoeld in artikel 37, vierde lid, eerste en tweede alinea, van verordening 800/99, of de bij iedere leverantie gebruikte documenten overlegt waarop de douaneautoriteiten de datum hebben vermeld waarop de producten aan boord zijn gebracht.

4. Het Hoofdproductschap Akkerbouw is bevoegd tot intrekking van de toestemming indien de belanghebbende niet langer voldoet aan de in het derde lid bedoelde eisen of aan de eisen, bedoeld in artikel 37 van verordening 800/99.

5. De Algemene Inspectiedienst gaat, voorafgaand aan de verlening van de toestemming, bedoeld in het eerste lid, na of aan de in het derde lid bedoelde vereisten is voldaan en doet van zijn bevindingen verslag aan het Hoofdproductschap Akkerbouw.

Artikel 3:24

1. Een belanghebbende aan wie de toestemming, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid, is verleend, geeft overeenkomstig een bij het productschap op te vragen maandstaat, uiterlijk vóór het eind van de kalendermaand volgend op de maand waarin de landbouwproducten ten uitvoer zijn aangegeven, alle in laatstbedoelde maand aangegeven landbouwproducten op bij het productschap.

2. De in het eerste lid bedoelde opgave van landbouwproducten zijn gespecificeerd naar GN-code en, indien van toepassing, de restitutiecode.

Artikel 3:25

1. Het productschap is bevoegd tot betaling van de restitutie, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van verordening 800/99.

2. De aanvraag om betaling van restitutie wordt ingediend bij het productschap.

3. In geval van levering van landbouwproducten in een andere lidstaat legt de belanghebbende tevens het terugontvangen T5-formulier over.

4. In geval van levering van landbouwproducten aan boor- en productieplatforms en marine- en hulpschepen legt de belanghebbende tevens het leverantiebewijs over.

Artikel 3:26

1. Het Hoofdproductschap Akkerbouw is bevoegd tot verlening van een erkenning van de houder van onder douanetoezicht staande bevoorradingsruimten, als bedoeld in artikel 40, tweede lid, en artikel 43, tweede lid, tweede alinea van verordening 800/99.

2. Een belanghebbende dient een aanvraag om erkenning als bedoeld in het eerste lid, in bij het Hoofdproductschap Akkerbouw.

3. De erkenning, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van verordening 800/99.

4. Het Hoofdproductschap Akkerbouw is bevoegd tot intrekking van de erkenning indien uit onderzoek van de Algemene Inspectiedienst is gebleken dat de erkenninghouder niet langer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3:27

1. Het productschap is bevoegd een voorschot op de restitutie te verlenen, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 40 van verordening 800/99.

2. Een belanghebbende dient een aanvraag om het voorschot, bedoeld in het eerste lid, in bij het productschap.

Artikel 3:28

De verlening van restitutie voor proviandering van zeeschepen, waaronder ook begrepen al dan niet zelf aangedreven werkschepen, kan in het kader van deze paragraaf alleen plaatsvinden indien het schip binnen tien dagen na proviandering de haven verlaat met een bestemming die niet dichterbij is gelegen dat het gebied, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder a, van verordening 800/99.

Artikel 3:29

1. Als bevoegde instantie, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van verordening 800/99, wordt aangewezen de Algemene Inspectiedienst.

2. Als bevoegde instantie, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van verordening 800/99, wordt aangewezen het Productschap Zuivel. Een belanghebbende kan een aanvraag om landbouwproducten over te brengen naar een tweede bevoorradingsdepot indienen bij dat productschap.

Artikel 3:30

1. Levering aan boor- en productieplatforms geschiedt uitsluitend door een door het Hoofdproductschap Akkerbouw erkende bevoorradingsschip of bevoorradingshelikopter.

2. Een belanghebbende dient een aanvraag om erkenning als bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in bij het Hoofdproductschap Akkerbouw.

3. De Algemene Inspectiedienst toetst de aanvraag aan de criteria, bedoeld in artikel 44, tweede lid, onder b, tweede streepje, van verordening 800/99, en doet hiervan verslag aan het Hoofdproductschap Akkerbouw.

4. Het Hoofdproductschap Akkerbouw is bevoegd tot intrekking van een erkenning indien de belanghebbende niet langer voldoet aan de criteria, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3:31

1. De bewijsstukken als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van verordening 800/99 worden ingediend bij de Algemene Inspectiedienst. Het bewijs als bedoeld in artikel 39, derde lid, eerste alinea, van verordening 800/99, wordt ingediend bij de productschappen. Het bewijs als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, en artikel 45, tweede lid, van verordening 800/99 wordt ingediend bij het Productschap Zuivel.

2. Het bewijs, bedoeld in artikel 41, tweede lid, eerste alinea, en artikel 43, derde lid, eerste alinea, van verordening 800/99, wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de aangifte ten uitvoer is gedaan.

3. Op verzoek van een belanghebbende kan het productschap ermee instemmen dat het bewijs, bedoeld in artikel 45, derde lid, onder a of b, tweede streepje, van verordening 800/99, wordt geleverd met een door de scheepskapitein of een andere scheepsofficier van dienst ondertekend certificaat van ontvangst dat van het scheepsstempel is voorzien.

4. In voorkomend geval kan het productschap op verzoek van een belanghebbende ermee instemmen dat het bewijs, bedoeld in artikel 45, derde lid, onder b, tweede streepje, van verordening 800/99, wordt geleverd met een door een beambte van de luchtvaartmaatschappij ondertekend certificaat van ontvangst dat van het stempel van de maatschappij is voorzien.

Afdeling 3.5

Artikel 3:32

1. Het productschap is bevoegd een toestemming als bedoeld in artikel 76 van het Communautair douanewetboek in samenhang met artikel 282 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek te verlenen.

2. De toestemming, bedoeld in het eerste lid, kan slechts betrekking hebben op het achterwege laten bij de aangifte ten uitvoer van de vermelding van gehalte, samenstelling of hoedanigheid van uit te voeren landbouwproducten.

3. Het productschap kan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, onder voorwaarden en beperkingen verlenen.

4. Het productschap verleent een toestemming in overeenstemming met de Algemene Inspectiedienst.

5. Het productschap kan een toestemming intrekken, wanneer blijkt dat de voorwaarden en de beperkingen waaronder de toestemming is verleend, niet zijn nageleefd.

6. De Algemene Inspectiedienst houdt toezicht op de naleving van de voorwaarden en beperkingen, bedoeld in het derde lid.

Hoofdstuk 4

De douanebestemmingen

Afdeling 4.1

Artikel 4:1

Voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur, zoals vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG L 256), worden verstaan onder:

a. fokpaarden van zuiver ras: de geregistreerde paarden, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder b en c, van Richtlijn 90/427/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen (PbEG L 224), met uitzondering van ruinen;

b. fokvarkens van zuiver ras: de ingeschreven of geregistreerde varkens, zoals gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 88/661/EEG van de Raad van 19 december 1988 betreffende de zoötechnische normen die gelden voor fokvarkens (PbEG L 382).

Artikel 4:2

De in artikel 4:1, aanhef en onder a, bedoelde dieren mogen alleen als fokpaarden van zuiver ras in het vrije verkeer worden gebracht indien:

a. zij vergezeld gaan van een stamboek- en fokkerijcertificaat zoals vastgesteld bij Beschikking 93/623/EEG van de Commissie van 20 oktober 1993 tot vaststelling van het identificatiedocument (paspoort) dat geregistreerde paardachtigen moet vergezellen (PbEG L 298);

b. zij vergezeld gaan van een document volgens het in bijlage VIII opgenomen model, waaruit blijkt dat zij in een stamboek of register van de Gemeenschap zullen worden ingeschreven of geregistreerd.

Artikel 4:3

De in artikel 4:1, aanhef en onder b, bedoelde dieren mogen alleen worden ingevoerd indien:

a. zij vergezeld gaan van een stamboek- en fokkerijcertificaat, voor zover dit certificaat is ondertekend door een erkende instantie zoals vastgesteld bij beschikking 2006/139/EG van de Commissie van 7 februari 2006 ter uitvoering van Richtlijn 94/28/EG wat betreft een lijst van erkende instanties in derde landen voor het bijhouden van een stamboek of register voor bepaalde dieren (PbEG L 54);

b. zij vergezeld gaan van een document volgens het in bijlage VIII opgenomen model, waaruit blijkt dat zij in een stamboek of register van de Gemeenschap zullen worden ingeschreven of geregistreerd.

Artikel 4:4

Wanneer goederen tussen twee in de Benelux gevestigde vergunninghouders worden overgedragen, kunnen de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van de overdragende vergunninghouder toestaan dat dit geschiedt zonder dat van het controle-exemplaar T5 gebruik wordt gemaakt. In dat geval zijn het vijfde en het zesde lid van artikel 296 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek van toepassing.

Artikel 4:5

Het is verboden:

a. onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken of te doen verstrekken waarvan het gevolg zou kunnen zijn dat ten onrechte een gunstige tariefregeling wordt toegepast;

b. een handeling te verrichten of medewerking te weigeren in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de verordeningen van de Raad of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen inzake de toepassing van een gunstige tariefregeling in verband met de bijzondere bestemming, aard of eigenschappen van in het vrije verkeer te brengen goederen.

Afdeling 4.2

Artikel 4:6

Aan accijns onderworpen communautaire goederen kunnen slechts in de ruimten van een douane-entrepot worden opgeslagen voor zover de Wet op de accijns in deze opslag voorziet en onder de bij of krachtens de Wet op de accijns gestelde voorwaarden en beperkingen.

Artikel 4:7

Als waarborg voor de betaling van de douaneschuld die kan ontstaan ten aanzien van goederen die onder het stelsel van douane-entrepots zijn geplaatst, wordt zekerheid gesteld als bedoeld in artikel 88 van het Communautair douanewetboek.

Artikel 4:8

1. De regeling tijdelijke invoer wordt toegestaan voor vervoermiddelen waarvoor hier te lande een kentekenbewijs wordt afgegeven dat is voorzien van de letters CD, CDJ dan wel de letters BN of GN in combinatie met twee cijfergroepen van elk twee cijfers.

2. De in het eerste lid bedoelde vervoermiddelen kunnen onder de regeling worden geplaatst zonder schriftelijke aanvraag of vergunning.

Artikel 4:9

1. Met inachtneming van artikel van 561, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, wordt toegestaan dat vervoermiddelen welke worden betrokken uit een douane-entrepot of een ruimte voor tijdelijke opslag onder de regeling tijdelijke invoer worden geplaatst.

2. Voor vervoermiddelen die in overeenstemming met het eerste lid onder de regeling zijn geplaatst, wordt een kentekenbewijs afgegeven dat is voorzien van de letters BN of GN in combinatie met twee cijfergroepen van elk twee cijfers en een verticale rode balk met daarin de vermelding van het jaar waarin de vrijstelling eindigt en waarop voorkomt de aanduiding: ’Vrijstelling van rechten bij invoer en/of omzetbelasting en belasting van personenauto’s en motorrijwielen onder voorwaarde van wederuitvoer’.

3. Het kentekenbewijs heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden in de gevallen als bedoeld in artikel van 561, eerste lid, onderdeel a, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek.

Afdeling 4.3

Artikel 4:10

Als vrije zones controletype II is aangewezen het volgende geografische gebied:

Schiphol, waartoe wordt aangewezen het gebied dat beginnend aan de zuidzijde en gaande via de oost- en noordzijde naar de westzijde als volgt wordt begrensd: door de Kruisweg (N-201) tot aan de kruising met de Aalsmeerderdijk, vandaar de Aalsmeerderdijk in noordelijke richting die ter hoogte van de gemeente Oude Meer overgaat in de Schipholdijk tot aan de kruising met de A-9, vandaar in westelijke richting het gedeelte van de A-9 tot aan de A-4, vandaar in zuidelijke richting het gedeelte van de A-4 tot aan de kruising met de Schipholweg, vandaar in westelijke richting de Schipholweg tot aan de kruising met de Amsterdamse Baan, vandaar in noordelijke richting de Amsterdamse Baan tot aan de kruising met de Hoofdweg bij het gemaal Lijnden, vandaar in zuidelijke richting de Hoofdweg Oostzijde tot aan de Weg om de Noord, vandaar oostwaarts de Weg om de Noord die overgaat in de Kruisweg (N-201).

Artikel 4:11

Als plaatsen waar een vrij entrepot kan worden gevestigd, worden aangewezen de plaatsen, genoemd in bijlage I.

Artikel 4:12

De beheerder, bedoeld in artikel 5:1, derde lid, van het Algemeen douanebesluit, maakt aan de inspecteur kenbaar wie de belanghebbenden, bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, zijn die werkzaam zullen zijn in de vrije zone of het vrije entrepot.

Artikel 4:13

1. Bij zijn aanvraag tot verlening van een vergunning voor gebruik van een vrije zone of een vrij entrepot vraagt de belanghebbende, bedoeld in bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, goedkeuring aan de inspecteur voor:

a. de door hem gevoerde administratie;

b. de inrichting van het gebouw dat voor werkzaamheden gebruikt gaat worden.

2. De in het eerste lid bedoelde belanghebbende onderwerpt een voorgenomen wijziging in de door hem gevoerde administratie, of de inrichting van het gebouw dat voor werkzaamheden gebruikt gaat worden, aan de goedkeuring van de inspecteur, indien door deze wijziging de wijze waarop toezicht kan worden uitgeoefend, wordt beïnvloed.

3. Een wijziging als bedoeld in het tweede lid, wordt niet aangebracht dan nadat van de inspecteur goedkeuring is verkregen en de beheerder van die goedkeuring op de hoogte is.

Artikel 4:14

1. De beheerder van een vrije zone controletype II, bedoeld in artikel 5:1, derde lid, van het Algemeen douanebesluit, zorgt ervoor dat:

a. goederen tijdens hun verblijf in de vrije zone controletype II niet aan het douanetoezicht worden onttrokken;

b. wordt voldaan aan de bijzondere voorwaarden die in de vergunning zijn vastgesteld.

2. De belanghebbende, bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, die werkzaam is in de vrije zone controletype II, is verantwoordelijk voor het nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit de plaatsing van de goederen in de vrije zone controletype II.

3. In afwijking van het eerste lid kan in de vergunning tot beheer van een vrije zone of een vrij entrepot worden bepaald dat de verplichtingen, bedoeld in onderdeel a van dat lid, uitsluitend berusten bij de belanghebbende, bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, die werkzaam is in de vrije zone of het vrije entrepot.

4. De inspecteur kan van de beheerder of van de belanghebbende, bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, die werkzaam is in de vrije zone of het vrije entrepot, verlangen dat zekerheid wordt gesteld met betrekking tot de door hen na te komen verplichtingen.

Artikel 4:15

1. Vrije zones controletype I en vrije entrepots worden, wanneer daar niet wordt gewerkt, ambtelijk gesloten.

2. Buiten de kantooruren van de inspecteur mag in de vrije zones controletype I en vrije entrepots alleen worden gewerkt met toestemming van de inspecteur.

Artikel 4:16

Aan accijns onderworpen goederen kunnen slechts in een vrij entrepot worden opgeslagen, voor zover de Wet op de accijns in deze opslag voorziet en onder de daarbij gestelde voorwaarden en beperkingen.

Artikel 4:17

1. Voor de plaatsing in een vrij entrepot worden per goederensoort de volgende minimumhoeveelheden vastgesteld:

a. bier op fust: 5 hectoliter;

b. bier in flessen of in andere verpakkingen: 3 hectoliter;

c. de minerale oliën lichte olie en gasolie: 250 liter;

d. de minerale olie halfzware olie: 500 liter;

e. de minerale olie zware stookolie en andere minerale oliën: 2000 kilogram.

2. Voor de uitslag uit een vrij entrepot worden per goederensoort de volgende minimumhoeveelheden vastgesteld:

a. aan accijns onderworpen goederen: 500 kilogram nettogewicht;

b. voor tabaksproducten: 4 kilogram nettogewicht;

c. de minerale oliën lichte olie en gasolie: 250 liter;

d. de minerale olie halfzware olie: 500 liter;

e. de minerale olie zware stookolie en andere minerale oliën: 2000 kilogram.

3. In afwijking van het tweede lid geldt geen minimumhoeveelheid bij de uitslag van tabaksproducten uit een vrij entrepot bij het brengen in het vrije verkeer met betaling van de verschuldigde rechten bij invoer.

4. In afwijking van het tweede lid worden voor de uitslag uit een vrij entrepot per goederensoort in de volgende situaties de volgende minimumhoeveelheden vastgesteld:

a. voor alcoholhoudende extracten, essences, tincturen, parfumerieën, toiletartikelen en cosmetische producten, welke ten uitvoer worden uitgeslagen, indien het betreft:

1°. vloeistoffen: 5 liter;

2°. andere producten: 5 kilogram nettogewicht;

b. voor overige alcoholhoudende producten ter aflevering als provisie aan boord van uitgaande schepen en luchtvaartuigen of aan diplomaten, indien het betreft:

1°. vloeistoffen: 5 liter;

2°. andere producten: 5 kilogram nettogewicht;

c. voor tabaksproducten ter aflevering als provisie aan boord van uitgaande schepen en luchtvaartuigen of aan diplomaten: 1 kilogram nettogewicht.

5. De inspecteur is bevoegd toe te staan dat kleinere hoeveelheden dan de minimumhoeveelheden genoemd in de voorgaande leden in een vrij entrepot worden geplaatst of worden uitgeslagen.

Afdeling 4.4

Artikel 4:18

Het in kennis stellen van de inspecteur voorafgaand aan de wederuitvoer vindt plaats door inlevering van de generale verklaring (IMO/FAL 1).

Hoofdstuk 5

Verboden en beperkingen

Afdeling 5.1

Artikel 5.1

1. Het aangifteformulier, bedoeld in artikel 3:2, derde lid, onderdeel a, van de wet, wordt vastgesteld overeenkomstig het model in bijlage VIII.

2. Met betrekking tot de in aanmerking te nemen wisselkoers, bedoeld in artikel 3:2, derde lid, onderdeel b, onder 1°, van de wet, zijn de artikelen 1:19 en 1:20 van overeenkomstige toepassing.

3. De in aanmerking te nemen waarde van verhandelbare instrumenten aan toonder, bedoeld in artikel 3:2, derde lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet, is de waarde die het desbetreffende instrument heeft op de meest gerede financiële markt waarop het verhandeld wordt of bij het ontbreken daarvan, de intrinsieke waarde.

Afdeling 5.2

Artikel 5:2

1. Het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten als bedoeld in bijlage 1 van Verordening (EG) nr.76/2002 van de Commissie van 17 januari 2002 tot instelling van voorafgaand communautair toezicht op de invoer van bepaalde onder het EGKS-Verdrag en het EG-Verdrag vallende ijzer- en staalproducten, van oorsprong uit bepaalde derde landen, (PbEG L 16) zonder vergunning van de Minister van Economische Zaken is verboden.

2. Het eerste lid is niet van toepassing voor het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten:

a. waarvoor een geldige invoervergunning, afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie wordt overgelegd,

b. die zijn onderworpen aan een tussen een derde land en de EG gesloten overeenkomst inzake toezicht door middel van dubbele controle, waarop de voorwaarden van die overeenkomst van toepassing zijn, of

c. die in het vrije verkeer worden gebracht na 31 december 2009.

Artikel 5:3

1. Het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten, van oorsprong uit de Russische Federatie, genoemd in bijlage 1 van Verordening (EG) nr.1342/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 betreffende het beheer van bepaalde beperkingen op de invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten uit de Russische Federatie (PbEG L 300), zonder vergunning van de Minister van Economische Zaken is verboden.

2. Het eerste lid is niet van toepassing voor het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten waarvoor een geldige invoervergunning, afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie wordt overgelegd.

3. Het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten als bedoeld in het eerste lid, zonder een certificaat van oorsprong is verboden.

4. Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten na 31 december 2008.

Artikel 5:4

1 Het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten, van oorsprong uit de Republiek Kazachstan, genoemd in bijlage 1 van Verordening (EG) nr.1531/2007 van de Raad van 10 december 2007 betreffende de handel in bepaalde ijzer- en staalproducten tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kazachstan (PbEG L 337), zonder vergunning van de Minister van Economische Zaken is verboden.

2. Het eerste lid is niet van toepassing voor het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten waarvoor een geldige invoervergunning, afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, wordt overgelegd.

3. Het in het vrije verkeer brengen van ijzer- en staalproducten als bedoeld in het eerste lid zonder een certificaat van oorsprong is verboden.

Artikel 5:5

1. Het in het vrije verkeer brengen van textiel- en kledingproducten, van oorsprong uit Noord-Korea, genoemd in de bijlagen IIIB en IV bij Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere, communautaire regeling, (PbEG L 67), zonder vergunning van de Minister van Economische Zaken is verboden.

2. Het eerste lid geldt niet indien bij het in het vrije verkeer brengen een geldige invoervergunning wordt overgelegd, afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 5:6

1. Het in het vrije verkeer brengen van textiel- en kledingproducten, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, bedoeld in artikel 13, tweede lid, bis, van Verordening (EG) nr. 3030/93 van de Raad van 12 oktober 1993 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen (PbEG L 275), zonder vergunning van de Minister van Economische Zaken is verboden.

2. Het eerste lid geldt niet, indien bij het in het vrije verkeer brengen een geldige invoervergunning wordt overgelegd, afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 5:7

1. Het in het vrije verkeer brengen van textiel- en kledingproducten, van oorsprong uit de Republiek Wit-Rusland, bedoeld in bijlage 1 bij de Overeenkomst tussen de Republiek Wit-Rusland en de EG in de vorm van een briefwisseling van 10 december 2007 (PbEG L 337), zonder vergunning van de Minister van Economische Zaken is verboden.

2. Het eerste lid geldt niet, indien bij het in het vrije verkeer brengen een geldige invoervergunning, afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, wordt overgelegd.

3. Het eerste lid geldt evenmin voor textiel- en kledingproducten die worden ingevoerd na 31 december 2008.

4. Het in het vrije verkeer brengen van textiel- en kledingproducten als bedoeld in het eerste lid zonder een certificaat van oorsprong is verboden.

Artikel 5:8

1. Het in het vrije verkeer brengen van textiel- en kledingproducten, genoemd in de bijlagen van Verordening (EG) nr. 3030/93 van de Raad van 12 oktober 1993 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen, zonder vergunning van de Minister van Economische Zaken is verboden.

2. Het in het vrije verkeer brengen van textiel- en kledingproducten, genoemd in bijlage 1 van Verordening (EG) nr. 3030/93 van de Raad van 12 oktober 1993 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen, zonder een certificaat van oorsprong is verboden.

3. De in het vorige lid bedoeld bewijsstukken inzake de oorsprong worden aanvaard met inachtneming van de voorwaarden, gesteld in Verordening (EG) nr.1541/98 van de Raad van 13 juli 1998 betreffende de bewijsstukken inzake de oorsprong van bepaalde, in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebrachte textielproducten van afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur en betreffende de voorwaarden waaronder die bewijsstukken kunnen worden aanvaard (PbEG L 202).

Artikel 5:9

1. Het is verboden om de goederen die vermeld staan in bijlage II van Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PbEU L 200), in- en uit te voeren.

2. Het is verboden om in de gevallen waar op grond van artikel 5 van de verordening, genoemd in het eerste lid, voor de uitvoer een vergunning is vereist, uit te voeren zonder vergunning.

Artikel 5:10

1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2 van Verordening (EG) nr. 953/2003 ter voorkoming van verlegging van het handelsverkeer in bepaalde belangrijke geneesmiddelen naar de Europese Unie (PbEU L 135).

2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 8 en 9 van de verordening, genoemd in het eerste lid, is de Minister van Economische Zaken.

Hoofdstuk 6

Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten

Artikel 6:1

1. Als douanekantoor van uitgang voor goederen die over zee het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, worden aangewezen de douanekantoren, opgenomen in bijlage III.

2. Als douanekantoor van uitgang voor goederen die door de lucht het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, worden aangewezen de douanekantoren, opgenomen in bijlage IV.

Artikel 6:2

1. Van een schip of luchtvaartuig dat het douanegebied van de Gemeenschap over zee of door de lucht zal verlaten, wordt een aangifte ten uitklaring gedaan van het schip of het luchtvaartuig en alle bij het douanekantoor van uitgang aangebrachte goederen.

2. De in het eerste lid bedoelde aangifte tot uitklaring wordt van goederen die over zee het douanegebied van de Gemeenschap verlaten gedaan door inlevering van de bij de goederen behorende douaneaangiften dan wel de ten geleide van de goederen dienende documenten, alsmede door de inlevering bij vertrek van de generale verklaring (IMO/FAL 1).

3. De in het eerste lid bedoelde aangifte tot uitklaring wordt van goederen die door de lucht het douanegebied van de Gemeenschap verlaten gedaan door inlevering van de bij de goederen behorende douaneaangiften dan wel de ten geleide van de goederen dienende documenten, alsmede door de inlevering bij vertrek van de generale verklaring luchtvaart, zoals is voorzien bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, 165), met daarin vervat het manifest van lading, of van alleen een manifest van lading, zoals is voorzien bij dat verdrag.

Artikel 6:3

1. Als vaarwaters waarlangs schepen en de daarin of daarop aanwezige goederen het douanegebied van de Gemeenschap rechtstreeks verlaten, worden aangewezen de vaarwaters, opgenomen in bijlage II.

2. In afwijking van het eerste lid wordt toegestaan dat goederen die over zee het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten, worden overgeladen in een schip dat het douanegebied van de Gemeenschap zal verlaten.

3. De toestemming, bedoeld in het tweede lid, wordt slechts verleend voor het overladen van:

a. provisie of scheepsbehoeften ten behoeve van de bemanning van het schip;

b. brandstoffen of smeermiddelen bestemd voor de aandrijving of smering van het schip;

c. goederen welke nodig zijn voor reparatie of vervanging van onderdelen van het schip, mits deze reparatie of vervanging noodzakelijk is om het schip zijn reis te kunnen laten voortzetten.

4. Voor het overladen, bedoeld in het tweede lid, is een vergunning van de inspecteur vereist.

Artikel 6:4

1. De in artikel 2:3 bedoelde schepen en luchtvaartuigen, alsmede schepen die over zee van de ene in Nederland gelegen haven naar de andere gaan, hoeven bij het verlaten van het douanegebied van de Gemeenschap niet te worden aangebracht bij een douanekantoor van uitgang.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op schepen en luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 2:3 indien ter zake van de uitvoer, wederuitvoer, dan wel met het oog op de verkrijging van kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer aan het douanekantoor van uitgang formaliteiten moeten worden vervuld.

Artikel 6:5

Een schip dan wel een luchtvaartuig dat het douanegebied van de Gemeenschap zal verlaten, vertrekt van de haven onderscheidenlijk de internationale luchthaven, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, van artikel 2:1, niet zonder toestemming van de inspecteur.

Hoofdstuk 7

Bijzondere regelingen

Afdeling 7.1

Preferentiële oorsprong

In afwijking van het forfaitair douanerecht dat wordt toegepast op grond van bijlage I, Eerste Deel, Titel II, punt D.1 bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG L 256) (de gecombineerde nomenclatuur) worden zonder heffing van rechten bij invoer toegelaten goederen, die in kleine zendingen of door reizigers als bagage worden vervoerd, van oorsprong uit:

– Andorra, voor zover de goederen vallen onder de hoofdstukken 1 tot en met 24 van de gecombineerde nomenclatuur;

– de ACS-staten, die vallen onder Verordening (EG) Nr. 1528/2007 van de Raad tot toepassing van de regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde staten behorende tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), die zijn opgenomen in overeenkomsten tot instelling van, of leidende tot instelling van, een economische partnerschapsovereenkomst van 20 december 2007 (PbEU 2007, L 348);

– Albanië, Algerije, Gebieden onder Palestijnse autoriteit, de begunstigde landen in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS), Bosnië-Herzegovina, Ceuta, Chili, de Europese Economische Ruimte, Egypte, Faeröer, Israël, Jordanië, Kosovo, Kroatië, de Landen en Gebieden Overzee, Libanon, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Marokko, Melilla, Mexico, Moldavië, Montenegro, Servië, Syrië, Tunesië, Zuid-Afrika of Zwitserland;

– Turkije, voor zover de goederen vallen onder Protocol nr. 1 bij het Besluit van de Commissie over de sluiting van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en Turkije betreffende de handel in producten waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing is van 29 februari 1996 (PbEG 1996, L 227) en Protocol nr. 3 bij het Besluit 1/98 van de Associatieraad EG-Turkije betreffende de handelsregeling voor landbouwproducten van 25 februari 1998 (PbEG van 20 maart 1998, L 86).

Afdeling 7.2

Artikel 7:2

1. Voor het brengen in het vrije verkeer met vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 2, 11, eerste lid, 16, 19, 20, 25, 32, 38, 51, 52, 53, 59 bis, 60, 63 bis, 63 quater, 65, 71, 72, 79, en 100 van Verordening 918/83, is een vergunning van de inspecteur vereist met dien verstande dat voor de vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 71 en 72 van Verordening 918/83, een vergunning slechts is vereist indien de goederen in het vrije verkeer worden gebracht door een instelling of organisatie.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de goederen in het vrije verkeer worden gebracht door een instelling of organisatie, genoemd in artikel 7:4 of in de bijlagen X tot en met XIX.

Artikel 7:3

1. Een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 2, 11, 16, 19, 20, 25, 32 en 38 van Verordening 918/83 wordt slechts verleend indien een door belanghebbende ondertekende lijst wordt overgelegd met een beschrijving van alle goederen waarvoor aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt.

2. De vrijstelling van rechten bij invoer, bedoeld in artikel 11 van Verordening 918/83, wordt voorts slechts verleend indien belanghebbende aantoont dat zijn huwelijk heeft plaatsgehad of dat de eerste officiële stappen met het oog op zijn huwelijk zijn gezet.

3. Een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 16 en 19 van Verordening 918/83 wordt voorts slechts verleend indien een door een notaris of vergelijkbare functionaris in het land van uitvoer afgegeven verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat de goederen door vererving zijn verkregen.

4. De termijn van twaalf maanden, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van Verordening 918/83, wordt niet verlengd.

5. Voor het verlenen van een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 71 en 72 van Verordening 918/83 kan de inspecteur een medische verklaring vragen aan een natuurlijke persoon die de goederen voor zijn eigen gebruik in het vrije verkeer brengt.

Artikel 7:4

1. Als instellingen en organisaties als bedoeld in artikel 51, tweede gedachtestreepje, van Verordening 918/83 worden aangewezen de instellingen en organisaties, genoemd in bijlage X.

2. Als instellingen als bedoeld in artikel 52, tweede lid, tweede gedachtestreepje, van Verordening 918/83 worden aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XI.

3. Als instellingen met zetel in de Gemeenschap als bedoeld in artikel 59 bis, tweede lid, onderdeel a, van Verordening 918/83 worden aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XII.

4. Als instellingen als bedoeld in artikel 60, tweede lid, tweede gedachtestreepje, van Verordening 918/83 worden aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XIII.

5. Als instelling als bedoeld in artikel 62, onderdeel a, van Verordening 918/83 wordt aangewezen: Stichting Sanquin Bloedvoorziening.

6. Als instellingen als bedoeld in artikel 63 bis, eerste lid, van Verordening 918/83 worden aangewezen de ziekenhuizen, gezondheidsinstellingen en dergelijke instellingen welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bezighouden met medisch onderzoek, medische diagnose of medische behandeling.

7. Als geadresseerden als bedoeld in artikel 63quater van Verordening 918/83 worden aangewezen de geadresseerden, genoemd in bijlage XIV.

8. Als instellingen met een liefdadig en filantropisch karakter als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel a, en artikel 79, eerste lid, van Verordening 918/83 worden aangewezen:

– Vereniging het Nederlandse Rode Kruis;

– Stichting Leger des Heils Dienstverlening.

9. Als instellingen en organisaties als bedoeld in de artikelen 71 en 72, eerste lid, van Verordening 918/83 worden aangewezen de instellingen en organisaties, genoemd in bijlage XV.

10. Als organisaties als bedoeld in artikel 117 van Verordening 918/83 worden aangewezen de organisaties, genoemd in bijlage XVI.

Artikel 7:5

De vrijstelling van rechten bij invoer, bedoeld in artikel 45 van Verordening 918/83, wordt, voor personeel van vervoermiddelen die in het verkeer tussen derde landen en de Gemeenschap worden gebruikt, voor zover het de hierna vermelde goederen betreft, beperkt tot de volgende hoeveelheden:

a. tabaksproducten:

sigaretten: 40 stuks

of

cigarillo’s: 20 stuks

of

sigaren: 10 stuks

of

rooktabak: 50 gram;

b. alcoholhoudende dranken:

gedistilleerde en alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte van meer dan 22 volumepercenten: 1 liter

of

gedistilleerde en alcoholhoudende dranken, aperitieven op basis van wijn of alcohol, met een alcoholgehalte van ten hoogste 22 volumepercenten, mousserende wijnen, likeurwijnen: 1 liter

en

niet-mousserende wijnen: 1 liter.

Artikel 7:6

Voor de beoordeling van de vraag of monsters en stalen als bedoeld in artikel 91 van Verordening 918/83 een onbeduidende waarde hebben, wordt de gezamenlijke waarde van alle monsters en stalen die van eenzelfde zending deel uitmaken, in aanmerking genomen. De waarden van de zendingen die door dezelfde afzender aan verschillende geadresseerden zijn verzonden, worden niet samengeteld.

Artikel 7:7

De vrijstelling van rechten bij invoer, bedoeld in artikel 118 van Verordening 918/83, voor zover deze betrekking heeft op lijkkisten of urnen, wordt slechts verleend indien een laissez passer voor lijken, een lijkenpas of een overeenkomstige verklaring wordt overgelegd.

Artikel 7:8

1. Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van diplomatieke en consulaire ambtenaren van in bijlage XVII genoemde diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen in Nederland.

2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien de desbetreffende ambtenaar Nederlander is, duurzaam in Nederland verblijft dan wel honorair consul is.

3. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is, voor zover het motorrijtuigen betreft, beperkt tot twee personenvoertuigen per ambtenaar.

4. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op internationale ambtenaren van de in lid 1 bedoelde organisaties, indien met de organisaties is overeengekomen dat aan de internationale ambtenaren de voorrechten worden verleend die in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer 1961 worden toegekend aan diplomatieke ambtenaren.

Artikel 7:9

1. Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van leden van het administratief, technisch en bedienend personeel van in bijlage XVII genoemde diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen in Nederland.

2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien het desbetreffende personeelslid Nederlander is, duurzaam in Nederland verblijft, dan wel dat er op het moment van het in het vrije verkeer brengen sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland meer dan 10 jaren zijn verstreken.

3. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is, voor zover het motorrijtuigen betreft, beperkt tot twee personenvoertuigen per personeelslid.

4. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op internationale ambtenaren van de aldaar bedoelde organisaties, indien met de organisaties is overeengekomen dat aan de internationale ambtenaren de voorrechten worden verleend die in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer 1961 worden toegekend aan de in het eerste lid bedoelde personeelsleden.

Artikel 7:10

1. Het verzoek tot het verlenen van een vrijstelling, bedoeld in artikel 7:8 en artikel 7:9, wordt gedaan door het overleggen van de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer. Deze aangifte wordt gedaan bij de inspecteur door het overleggen van een door het hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging ondertekende aangifte Douane 39.

2. De vrijstelling wordt slechts verleend indien alle douane-exemplaren van eerder gedane aangiften ten behoeve van eenzelfde belanghebbende, voorzien van een door hem en het hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging voor gezien getekende ontvangstbevestiging, binnen drie dagen na het verstrijken van de geldigheidsduur van de volgens het eerste lid gedane aangifte door de inspecteur zijn terugontvangen.

3. Voor een motorvoertuig waarvoor vrijstelling van rechten bij invoer is verleend, wordt een geldig Nederlands kentekenbewijs afgegeven dat is voorzien van de aanduiding ‘vrijstelling van rechten bij invoer en/of omzetbelasting en/of belasting van personenauto’s en motorrijwielen; vervalt bij vervreemding; kentekenbewijs niet overdraagbaar’. De motorvoertuigen worden zonder een dergelijke kentekenbewijs niet gebruikt.

4. Het is verboden om de overeenkomstig de artikelen 7:8 en 7:9 met vrijstelling in het vrije verkeer gebrachte goederen:

– uit te lenen, te verpanden, te verhuren, onder bezwarende titel of om niet over te dragen, zonder dat daartoe toestemming is verkregen van de inspecteur die de vrijstelling heeft verleend; en

– te gebruiken op een wijze of voor doeleinden waarvoor de vrijstelling niet geldt.

Artikel 7:11

1. Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor officieel gebruik – bouwen en herstellen daaronder begrepen – van een diplomatieke of beroepsconsulaire vertegenwoordiging in Nederland, genoemd in bijlage XVII.

2. Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de diplomatieke of beroepsconsulaire vertegenwoordiging in een schriftelijke verklaring bevestigt dat de goederen voor het officiële gebruik van de vertegenwoordiging bestemd zijn.

Artikel 7:12

1. Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van kanselarijbenodigdheden die bestemd zijn voor het officiële gebruik van een honorair consulaire vertegenwoordiging in Nederland, genoemd in bijlage XVII.

2. Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de honorair consulaire vertegenwoordiging in een schriftelijke verklaring bevestigt dat de goederen voor het officiële gebruik van de vertegenwoordiging bestemd zijn.

Artikel 7:13

1. Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het verrichten van de officiële werkzaamheden door een internationale organisatie in Nederland, genoemd in bijlage XVIII.

2. Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de internationale organisatie in een schriftelijke verklaring bevestigt dat de goederen voor het officiële gebruik van de internationale organisatie bestemd zijn.

Artikel 7:14

1. Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van personenvoertuigen die bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van personen in dienst bij een internationale organisatie genoemd in bijlage XIX.

2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien het desbetreffende personeelslid Nederlander is, duurzaam in Nederland verblijft, dan wel dat er op het moment van het in het vrije verkeer brengen sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland meer dan 10 jaren zijn verstreken.

3. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is beperkt tot één personenvoertuig per persoon in dienst bij de aldaar bedoelde internationale organisatie.

4. Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de internationale organisatie in een schriftelijke verklaring bevestigt dat de persoon die gebruik wenst te maken van de in het eerste lid bedoelde vrijstelling in dienst is bij die internationale organisatie, geen Nederlander is en niet duurzaam in Nederland verblijft. Voorts vermeldt de verklaring de normale verblijfplaats van de persoon op het moment van aanwerving en de datum van tewerkstelling in Nederland.

Artikel 7:15

1. Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het in het vrije verkeer brengen van gronduitrusting door buiten de Benelux gevestigde luchtvaartondernemingen om op een douaneluchtvaartterrein te worden gebruikt voor de inrichting of exploitatie van een internationale luchtdienst door die onderneming.

2. Voor het brengen in het vrije verkeer met vrijstelling van rechten bij invoer is een vergunning van de inspecteur vereist.

3. Indien de luchtvaartonderneming tegelijkertijd goederen van twee of meer soorten in het vrije verkeer brengt, mag worden volstaan met één aangifte voor het brengen in het vrije verkeer, mits de aangifte is aangevuld met een lijst waarop de gegevens van de goederen zijn vermeld.

Artikel 7:16

1. Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van:

a. provisie en scheepsbehoeften aan boord van binnenkomende schepen, geen woonschepen zijnde;

b. provisie aanwezig in luchtvaartuigen in internationaal verkeer;

c. brandstoffen en smeermiddelen aanwezig in binnenkomende schepen en luchtvaartuigen en bestemd voor de aandrijving of smering daarvan.

2. De vrijstelling voor de goederen, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verleend voor de hoeveelheden, welke redelijkerwijs noodzakelijk worden geacht voor het verbruik of gebruik aan boord.

3. Het is verboden de goederen uit de vervoermiddelen te verwijderen.

Afdeling 7.3

Artikel 7:17

Voor goederen, vermeld in onderstaande lijst, die in kleine zendingen of door reizigers als bagage worden vervoerd, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 7:1, een forfaitaire accijns geheven overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die gelden voor het douanerecht. De accijns wordt berekend naar de bij die goederen vermelde tarieven.

Omschrijving

Grondslag

Tarief

a. overige alcoholhoudende producten als bedoeld in artikel 12 van de Wet op de accijns:

liter

€ 5,72

b. rooktabak

kleinhandelsprijs van

soortgelijke producten

51,6%

c. sigaretten

kleinhandelsprijs van

soortgelijke producten

58,5%

Artikel 7:18

Op de accijnzen, de omzetbelasting en de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten zijn de artikelen 29 tot en met 31 van Verordening 918/83 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

a. de vrijstelling voor alcoholhoudende dranken als bedoeld in artikel 31, onderdeel b, eerste en tweede gedachtestreepje, van Verordening 918/83, is beperkt tot één fles van het gebruikelijke type met een maximum van 1 liter;

b. de vrijstelling voor de hierna genoemde goederen is beperkt tot de volgende hoeveelheden:

1°. koffie: 500 gram;

2°. koffie-extracten en koffie-essences: 200 gram;

3°. thee: 100 gram;

4°. thee-extracten en thee-essences: 40 gram.

Artikel 7:19

Op de omzetbelasting zijn de artikelen 32 tot en met 38 van Verordening 918/83, alsmede de artikelen 7:2 en 7:3 van overeenkomstige toepassing voor zover de voor het vrije verkeer aangegeven goederen niet zijn bestemd voor de uitoefening van een activiteit die op grond van artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968 is vrijgesteld.

Artikel 7:20

Op de accijnzen, de omzetbelasting en de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten zijn de artikelen 45 tot en met 49 van Verordening 918/83, alsmede artikel 7:5, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

a. het bepaalde met betrekking tot een proportioneel assortiment als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdelen a en b, van Verordening 918/83, niet van toepassing is;

b. de vrijstelling voor de hierna genoemde goederen is beperkt tot de volgende hoeveelheden:

1°. koffie: 500 gram;

2°. koffie-extracten en koffie-essences: 200 gram;

3°. thee: 100 gram;

4°. thee-extracten en thee-essences: 40 gram.

Artikel 7:21

Op de omzetbelasting is artikel 50 van Verordening 918/83 alsmede artikel 7:2 van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft goederen, genoemd in bijlage I, onderdeel B, van Verordening 918/83.

Artikel 7:22

Op de omzetbelasting is artikel 51 van Verordening 918/83 alsmede de artikelen 7:2 en 7:4, van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft goederen, genoemd in bijlage II, onderdeel B, van Verordening 918/83, mits de aan de aangifte voor het vrije verkeer ten grondslag liggende levering om niet geschiedt, of, indien zij onder bezwarende titel plaatsheeft, de goederen worden geleverd door een ander dan een ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel 7:23

Op de accijnzen en de omzetbelasting is artikel 60 van Verordening 918/83 alsmede de artikelen 7:2 en 7:4 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor dieren die voor laboratoriumgebruik zijn gefokt, de vrijstelling uitsluitend van toepassing is indien die dieren om niet aan laboratoria worden afgestaan.

Artikel 7:24

1. Op de omzetbelasting zijn de artikelen 71 en 72 van Verordening 918/83, alsmede de artikelen 7:2 en 7:4 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

a. de vrijstelling kan worden verleend voor alle goederen die speciaal zijn ontworpen voor onderwijs aan en tewerkstelling of verbetering van de maatschappelijke positie van geestelijk gehandicapten, blinden en andere lichamelijk gehandicapten;

b. geen vrijstelling wordt verleend indien de goederen door geestelijk gehandicapten, blinden en andere lichamelijk gehandicapten voor hun eigen gebruik worden ingevoerd;

c. geen vrijstelling wordt verleend indien de goederen met enige commerciële bijbedoeling van de gever of niet om niet aan een in bijlage XV aangewezen instelling of organisatie worden gezonden.

Artikel 7:25

Op de omzetbelasting is artikel 109 van Verordening 918/83 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat geen vrijstelling wordt verleend voor belastingzegels als bedoeld in artikel 109, onderdeel q, van de Verordening 918/83.

Artikel 7:26

1. Op de accijnzen en de omzetbelasting zijn de artikelen 185 tot en met 187 van het Communautair douanewetboek, de artikelen 844 tot en met 856 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek alsmede artikel 7:28 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de bepalingen inzake het inlichtingenblad INF 3 slechts van toepassing zijn voor zover gelijktijdig aanspraak op vrijstelling van rechten bij invoer wordt gemaakt.

2. Vrijstelling van omzetbelasting voor terugkerende goederen als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend, indien wordt aangetoond dat op de terugkerende goederen omzetbelasting drukt.

3. Vrijstelling van accijns voor terugkerende goederen als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend, indien wordt aangetoond dat de voorafgaande uitvoer van deze goederen niet heeft plaatsgevonden uit een accijnsgoederenplaats dan wel met teruggaaf van accijns.

Artikel 7:27

1. Op de accijnzen zijn de artikelen 2 tot en met 19, 27, 28, 63 quater, 79 tot en met 85, 90, 91, 100 tot en met 106 en 112 tot en met 117 van Verordening 918/83 alsmede de artikelen 7:2 tot en met 7:13, 7:15 en 7:16 van overeenkomstige toepassing.

2. Op de omzetbelasting zijn de artikelen 2 tot en met 19, 25, 27, 28, 61 tot en met 63, 63 quater tot en met 69, 79, tot en met 108 en 110 tot en met 118 van Verordening 918/83, alsmede de artikelen 7:2 tot en met 7:16 van overeenkomstige toepassing.

3. Op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten zijn de artikelen 2 tot en met 19, 27, 28, 63 quater, 79 tot en met 85, 90, 91, 95 tot en met 106 en 112 tot en met 117 van Verordening 918/83 alsmede de artikelen 7:2 tot en met 7:13, 7:15 en 7:16 van overeenkomstige toepassing.

4. Op de omzetbelasting is de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van rechten bij invoer bij het in het vrije verkeer brengen van goederen, die overeenkomstig de douaneregeling passieve veredeling tijdelijk zijn uitgevoerd, van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 7.4

Artikel 7:28

1. De documenten, bedoeld in artikel 848, eerste lid, onder a en b, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek zijn, behoudens in de gevallen waarin de goederen in het kader van de regeling passieve veredeling zijn uitgevoerd, niet vereist indien het de volgende goederen betreft:

a. motorrijtuigen alsmede kleine aanhangwagens die zijn bestemd voor het vervoer van reisbenodigdheden, duidelijk sporen van gebruik vertonen en samen met de motorrijtuigen worden ingevoerd, indien bij de motorrijtuigen een geldig kentekenbewijs aanwezig is en zij, alsmede de aanhangwagens, het in dat bewijs vermelde kenteken voeren, voor zover daaruit blijkt dat zij in het vrije verkeer zijn;

b. aanhangwagens, andere dan die zijn bedoeld in onderdeel a en opleggers, voor zover uit de overgelegde bescheiden dan wel op andere wijze blijkt dat zij in het vrije verkeer zijn;

c. luchtvaartuigen die in één der lidstaten van de Europese Unie zijn ingeschreven;

d. locomotieven en ander rollend spoorwegmaterieel, die zijn ingeschreven in het wagenpark van een in één der lidstaten gevestigde spoorweg- of andere onderneming, indien wordt aangetoond dat zij tevoren uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd;

e. andere vervoermiddelen, indien wordt aangetoond dat zij tevoren uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd;

f. containers, met inbegrip van het normale toebehoren en de normale uitrusting daarvan, verpakkingsmiddelen en andere voorwerpen, vervaardigd en ingericht voor het vervoer van goederen, alsmede dekkleden en stuwmateriaal ten aanzien waarvan bij wederinvoer, gelet op de aard, de bijzondere kenmerken en de gebruiksvoorwaarden, aannemelijk is dat zij tevoren uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd;

g. goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en die tevoren uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd; de inspecteur kan vorderen dat de herkomst uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Gemeenschap wordt aangetoond door middel van een schriftelijk bewijsstuk.

2. Wanneer de inspecteur twijfelt of vervoermiddelen voldoen aan de voorwaarden voor de vrijstelling van rechten bij invoer, kunnen de vervoermiddelen worden ingevoerd nadat zekerheid is gesteld voor de rechten bij invoer die voor die vervoermiddelen verschuldigd zijn. De belanghebbende kan binnen drie maanden bij de inspecteur een verzoek indienen om voor de goederen alsnog vrijstelling van rechten bij invoer te verlenen, mits hij daarbij aantoont dat aan de voorwaarden voor de vrijstelling van rechten bij invoer is voldaan.

3. Het is verboden om aanspraak gemaakt op vrijstelling van rechten bij invoer voor een motorrijtuig waarvan het chassis- of framenummer is gewijzigd of verwijderd zonder dat daartoe door de inspecteur toestemming is verleend.

Afdeling 7.5

Artikel 7:29

1. Binnengebrachte postzendingen als bedoeld in artikel 237, eerste lid, onderdeel A, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, welke niet rechtstreeks naar een plaats buiten Nederland zullen worden gevoerd, worden gebracht naar een sorteerplaats van de Post of naar een bergplaats van de Post.

2. Vanaf de sorteerplaats kunnen postzendingen als bedoeld in artikel 237, derde lid, onderdeel a, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek zonder verdere formaliteiten ter beschikking worden gesteld aan de geadresseerde. Andere postzendingen worden zonder verdere formaliteiten hetzij buiten Nederland gevoerd, hetzij overgebracht naar een bergplaats van de Post.

Artikel 7:30

De plaatsen waar sorteerplaatsen en bergplaatsen voor binnengebrachte postzendingen zijn gelegen, worden door de Minister van Financiën in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken vastgesteld.

Hoofdstuk 8

Douaneschuld

Afdeling 8.1

Zekerheidstelling

Artikel 8:1

Een hypotheek wordt als zekerheidstelling aanvaard indien:

a. de waarde van de desbetreffende onroerende zaak voldoende is om als onderpand dienst te kunnen doen;

b. de onroerende zaak verzekerd is tegen brand en de Staat der Nederlanden in de verzekeringspolis is aangewezen als begunstigde van de uitkering;

c. de hypotheekgever een zogenoemde hypothecair-belangverzekering heeft afgesloten dan wel de hypotheekakte een zogenoemde Kramer-verklaring bevat;

d. in de akte een huurbeding als bedoeld in artikel 264 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen;

e. in de hypotheekakte een beding als bedoeld in artikel 265 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen;

f. in de hypotheekakte de bedingen, bedoeld in artikel 267 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, zijn opgenomen.

Afdeling 8.2

Artikel 8:2

Het aanslagbiljet bevat in ieder geval de volgende gegevens:

– naam, adres en woonplaats van de schuldenaar of belanghebbende;

– kenmerk en datum van de beschikking;

– bedrag aan rechten, compensatierente dan wel compenserende rente, kosten of bestuurlijke boete;

– bezwaarclausule.

Afdeling 8.3

Artikel 8:3

1. Voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen en retributies wordt een bedrag dat dient als grondslag voor die berekening zodanig afgerond dat een gedeelte van een euro rekenkundig wordt afgerond op hele euro’s.

2. Voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen en retributies wordt een hoeveelheid die dient als grondslag voor die berekening, zodanig afgerond dat een gedeelte van een kilogram, van een liter of van een meter in aanmerking wordt genomen als een heel kilogram, een hele liter of een hele meter.

3. Indien de eenheid waarover het bedrag aan rechten moet worden berekend minder is dan een kilogram, een liter of een meter, wordt, in afwijking van het tweede lid, een hoeveelheid die dient als grondslag voor de berekening, bedoeld in het tweede lid, zodanig afgerond dat een gedeelte van 100 gram, van een deciliter of van een decimeter in aanmerking wordt genomen als 100 gram, een hele deciliter of een hele decimeter.

4. Voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen en retributies wordt een volumepercentage ethylalcohol die dient als grondslag voor die berekening, naar beneden afgerond op tiende percent absolute ethylalcohol.

Artikel 8:4

Indien de hoeveelheid van de goederen kleiner is dan de hoeveelheid waarin het douanetarief is uitgedrukt, wordt het bedrag aan rechten naar evenredigheid berekend.

Artikel 8:5

1. Het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen, retributies, renten, interesten of kosten van ambtelijke werkzaamheden wordt rekenkundig afgerond op eurocenten.

2. Indien de berekening van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, geschiedt aan de hand van een aangifte, wordt elk onderdeel van de aangifte overeenkomstig het eerste lid afgerond.

Hoofdstuk 9

Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of de rechten bij uitvoer

Artikel 9:1

1. Terugbetaling of kwijtschelding van accijnzen, omzetbelasting en de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en enkele andere producten wordt verleend in de gevallen waarin bij of krachtens het Communautair douanewetboek aanspraak op terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer bestaat of zou bestaan.

2. De door het Comité genomen beschikking, bedoeld in artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het Communautair douanewetboek en de ter uitvoering van dat artikel vastgestelde bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding voor zover het tevens betrekking heeft op accijnzen, omzetbelasting en de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten.

Hoofdstuk 10

Bestuurlijke boeten

Artikel 10:1

Het drukken van formulieren van certificaten inzake goederenverkeer zonder een vergunning van de Minister van Financiën en het drukken van certificaten van oorsprong zonder vergunning van de Minister van Economische Zaken vormen verzuimen ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 150.

Artikel 10:2

Het opstellen van een verklaring omtrent de preferentiële oorsprong op de factuur of op een ander handelsbescheid op basis van onvolledige of onjuiste gegevens of zonder dat het bewijs daarvoor in de administratie aanwezig is vormt een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 150.

Artikel 10:3

Indien wijziging in de inrichting van een ruimte voor tijdelijke opslag wordt aangebracht zonder goedkeuring van de inspecteur, vormt dit een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 150.

Hoofdstuk 11

Strafrechtelijke bepalingen

Artikel 11:1

Degene die onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, of handelingen verricht, welke leiden of kunnen leiden tot een onjuiste terugbetaling van rechten bij invoer, of kwijtschelding van rechten bij invoer, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 11:2

Degene die onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, waardoor ten onrechte een vrijstelling wordt genoten of zou kunnen worden genoten, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 11:3

Degene die een der in deze regeling omschreven verboden overtreedt, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 11:4

Hij die geen bijstand verleent of niet alle nodige bescheiden en inlichtingen verstrekt binnen de eventueel vastgestelde termijn zoals bedoeld in artikel 14 CDW maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 11:5

Hij die zonder de ingevolge wettelijke bepalingen vereiste toestemming goederen lost, laadt, inslaat of uitslaat maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 11:6

Hij die in strijd met wettelijke bepalingen verandering brengt in de staat waarin binnengebrachte goederen of goederen die het douanegebied zullen verlaten zijn aangebracht maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 11:7

Hij die in strijd met de wettelijke bepalingen een aanvullende aangifte zoals bedoeld in artikel 76, lid 2 CDW achterwege laat of niet tijdig doet, pleegt een strafbaar feit.

Hoofdstuk 12

Algemene bepalingen van strafvordering

Artikel 12:1

1. Van de inbeslagneming van goederen, ter zake van het begaan van bij wettelijke bepalingen strafbaar gesteld feiten door onbekende personen, wordt mededeling gedaan in één of meer door de inspecteur aan te wijzen dag- of nieuwsbladen, met vermelding van een omschrijving van de goederen en van de voor de goederen gebezigde verpakking.

2. Indien de goederen een spoedige, aanmerkelijke waardevermindering onderhevig zijn of indien de bewaring of het onderhoud ervan een gevaar oplevert dan wel hoge kosten met zich meebrengt, wordt, in afwijking van het eerste lid, van de inbeslagneming op door inspecteur te bepalen wijze, naar plaatselijk gebruik, in het openbaar mededeling gedaan.

3. De vorige leden vinden overeenkomstige toepassing bij de inbeslagneming op onbekende personen van vervoermiddelen en voorwerpen, bedoeld in artikel 1:37, eerste lid, van de wet, met dien verstande dat tevens de gronden tot die inbeslagneming worden vermeld.

Artikel 12:2

Onder de voorwaarden voor het vrijgeven van goederen welke ter zake van het begaan van bij wettelijke bepalingen strafbaar gestelde feiten in beslag zijn genomen, wordt ten minste gesteld dat ten kantore van een door de inspecteur aangewezen ontvanger zekerheid wordt gesteld tot verzekering van de uitlevering van de goederen of de voldoening van de waarde daarvan.

Artikel 12:3

1. Bij de inbewaringneming van goederen is, indien de belanghebbende bij die goederen niet bekend is, Artikel 12:1, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

2. De verkoop van de in bewaring genomen goederen vindt niet eerder plaats dan nadat aan het voornemen daartoe in de een of meerdere, door de inspecteur aan te wijzen, dag- of nieuwsbladen bekendheid is gegeven.

3. Indien de goederen een spoedige, aanmerkelijke waardevermindering onderhevig zijn of indien de bewaring of het onderhoud ervan een gevaar oplevert dan wel hoge kosten met zich meebrengt, vindt, in afwijking van het tweede lid, de verkoop plaats nadat van het voornemen op door de inspecteur te bepalen wijze in het openbaar kenbaarheid is gegeven.

4. De verkoop van de in bewaring genomen goederen geschiedt in het openbaar en volgens plaatselijke gebruiken.

5. In afwijking van het bepaalde in de vorige leden, kan de verkoop met volmacht van de inspecteur onderhands geschieden indien het vermoeden bestaat dat uit de opbrengst van de goederen de aan een openbare verkoop verbonden kosten niet kunnen worden bestreden of indien het de verkoop van in het derde lid bedoelde goederen betreft.

Hoofdstuk 13

Slotbepalingen

Artikel 13:1

Deze regeling wordt aangehaald als: Algemene douaneregeling

Artikel 13:2

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Algemene douanewet in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 14 juli 2008.
De Staatssecretaris van Financiën, J.C. de Jager.De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G. Verburg.De Staatssecretaris van Economische Zaken, F. Heemskerk.

BIJLAGE I

Plaatsen van vestiging van douanekantoren als bedoeld in artikel 60 van het Communautair douanewetboek en artikel 1:3 van de Algemene douaneregeling.

Maastricht-Aachen Airport

Brunssum (Afnorth)

Duiven

Groningen Airport Eelde

Eemshaven

Eindhoven Airport

Hazeldonk

Leeuwarden

Moerdijk

De Lutte

Rotterdam

Rotterdam Airport

Schiphol

Veendam

Venlo

Vlissingen

BIJLAGE II

Vaarwaters voor binnenkomst (artikel 2:1 Algemene douaneregeling) onderscheidenlijk voor uitgang (artikel 6:3 Algemene douaneregeling)

Als vaarwaters voor uit zee binnenkomende onderscheidenlijk naar zee uitgaande schepen worden aangewezen de grootscheepse vaarwaters van de Noordzee vice versa:

1. via de Eems naar Delfzijl;

2. via het zeegat tussen Ameland en Schiermonnikoog naar Lauwersoog;

3. via het zeegat tussen Vlieland en Terschelling naar Oost-Vlieland of West-Terschelling;

4. via het zeegat tussen Vlieland en Terschelling, dan wel via het zeegat tussen Noord-Holland en Texel, naar Harlingen;

5. via het zeegat tussen Noord-Holland en Texel naar Texel en Den Helder;

6. via het Noordzeekanaal naar Amsterdam, Beverwijk, Velsen, IJmuiden of naar Zaandam;

7. naar de Scheveningse haven;

8.

a. via de Maasmond en de Nieuwe Waterweg dan wel via de Maasmond en het Calandkanaal naar Rotterdam;

b. via de Maasmond en de Nieuwe Waterweg naar Dordrecht of Zwijndrecht;

c. via de Maasmond, de Nieuwe Waterweg, de Oude Maas, de Dordtse Kil en het Hollands Diep naar Moerdijk;

9. via de Westerschelde naar Breskens, Hansweert, Terneuzen of Vlissingen;

10. via het zeegat tussen Noord-Holland en Texel naar Oudeschild;

11. naar de haven van Stellendam;

12. naar de Roompotsluis.

BIJLAGE III

Douanekantoren als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene douaneregeling en douanekantoren van uitgang als bedoeld in artikel 6:1, eerste lid, van de Algemene douaneregeling

1. In de volgende plaatsen zijn douanekantoren gevestigd voor het aanbrengen en aangeven van uit zee binnengebrachte goederen, onderscheidenlijk voor goederen die over zee zullen uitgaan:

* Douane Noord, douanekantoor Eemshaven:

– voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Delfzijl, Eemshaven en Lauwersoog;

* Douane Noord, douanekantoor Leeuwarden:

– voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Oost-Vlieland, West-Terschelling en Harlingen;

* Douane Zuid, douanekantoor Moerdijk:

– voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Dordrecht en Moerdijk;

* Douane Zuid, douanekantoor Vlissingen:

– voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Breskens, Hansweert, Stellendam, Terneuzen, Veere-Roompotsluis en Vlissingen;

* Douane West, douanekantoor Schiphol, locatie Amsterdam:

– voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Amsterdam, Beverwijk, Den Helder, Scheveningen, Oudeschild, IJmuiden, Velsen-Noord, en Zaandam;

* Douane Rotterdam, douanekantoor Reeweg:

– voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Heijplaat, Hoek van Holland, Rozenburg, Schiedam, Vlaardingen en Zwijndrecht.

– voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Rotterdam welke zich, gezien vanaf het douanekantoor Rotterdam Reeweg, bevinden tot en met het Beerkanaal.

* Douane Rotterdam, douanekantoor Maasvlakte:

– voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Rotterdam welke zich, gezien vanaf het douanekantoor Rotterdam Maasvlakte, bevinden tot aan het Beerkanaal.

2. In de havens van Oost-Vlieland, West-Terschelling, Oudeschild, Stellendam en Veere (Roompotsluis) mogen slechts schepen worden aangebracht bij het desbetreffende douanekantoor met goederen die mondeling dan wel door enige andere handeling kunnen worden aangegeven. De totale waarde van de door een persoon meegevoerde goederen die mondeling kunnen worden aangegeven mag in dit geval niet hoger zijn dan € 1000.

BIJLAGE IV

Internationale luchthavens als bedoeld in artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene douaneregeling, douanekantoren als bedoeld in artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene douaneregeling, alsmede douanekantoren van uitgang als bedoeld in artikel 6:1, tweede lid, van de Algemene douaneregeling

1. In de volgende plaatsen zijn ten behoeve van de genoemde internationale luchthavens douanekantoren gevestigd voor het aanbrengen en aangeven op de van door de lucht binnengebrachte goederen, onderscheidenlijk voor goederen die door de lucht zullen uitgaan:

* Douane Noord, douanekantoor Duiven:

– voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthavens van Hilversum, Lelystad, Soesterberg en Teuge;

* Douane Noord, douanekantoor De Lutte:

– voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthaven van Twente;

* Douane Noord, douanekantoor Eelde Airport:

– voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthaven van Eelde Airport;

* Douane Zuid, douanekantoor Maastricht-Aachen Airport:

– voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthaven van Maastricht-Aachen Airport;

* Douane Zuid, douanekantoor Moerdijk:

– voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthavens van Seppe en Woensdrecht;

* Douane Zuid, douanekantoor Vlissingen:

– voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthaven van Midden-Zeeland;

* Douane Zuid, douanekantoor Eindhoven Airport:

– voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthavens van Budel en Eindhoven Airport;

* Douane Zuid, douanekantoor Hazeldonk:

– voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthaven van Gilze-Rijen;

* Douane West, douanekantoor Rotterdam Airport:

– voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthaven van Rotterdam Airport.

* Douane West, douanekantoor Schiphol:

– voor luchtvaartuigen met bestemming de internationale luchthavens van Den Helder, Schiphol, Texel en Valkenburg.

2. De aanwijzing van Gilze-Rijen en Soesterberg geldt slechts voor militaire luchtvaartuigen.

3. De aanwijzing van Eindhoven Airport, Twente en Valkenburg geldt slechts voor militaire luchtvaartuigen alsmede burgerluchtvaartuigen waarvoor de Minister van Defensie toestemming heeft gegeven tot gebruik van de luchthaven.

4. De aanwijzing van Hilversum, Midden-Zeeland, Seppe, Teuge en Texel geldt slechts voor goederen welke mondeling dan wel door enige andere handeling kunnen worden aangegeven. De totale waarde van de door een persoon meegevoerde goederen die mondeling kunnen worden aangegeven mag in dit geval niet hoger zijn dan € 1000.

BIJLAGE V

Plaatsen waar schepen en de daarmee vervoerde goederen eveneens kunnen worden aangebracht

De plaatsen, bedoeld in artikel 2:1, vierde lid, van de Algemene douaneregeling, zijn:

– Eemshaven rede en Oterdum rede;

– Ankerplaatsen Den Helder A t/m Q (Adm. chart 1546);

– IJmuiden deep draft area en recommended anchor area;

– Ankerplaats Scheveningen;

– Deepdraft 1 en 2;

– Maas outer 3 – Maas West 4 en Maas Noord 5;

– Wielingen-Noord bewesten de W8;

– Wielingen-Zuid beoosten de W8;

– Wielingen-Zuid bewesten het haventje van Nieuwe Sluis;

– Rede van Vlissingen incl. oostelijk deel Springergeul, Merlemon, Everingen A t/m E;

– Put van Terneuzen A t/m C.

BIJLAGE VI

Toelichting Enig document

Inleiding

In artikel 205 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (CDW) is bepaald dat het Enig Document het officiële model is voor de schriftelijke douaneaangifte van goederen in het kader van de normale procedure met het oog op hun plaatsing onder een douaneregeling (in het vrije verkeer brengen, douanevervoer, douane-entrepot, actieve veredeling, behandeling onder douanetoezicht, tijdelijke invoer, passieve veredeling, uitvoer) of bij wederuitvoer ter beëindiging van een economische douaneregeling.

De invulling van het formulier Enig document wordt toegelicht in Bijlage 37 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek (TVo.CDW) terwijl in Bijlage 38 van dezelfde verordening de te gebruiken communautaire codes voor het invullen staan vermeld. Op grond van artikel 212, derde lid, TVo.CDW is het aan de douaneadministratie van de Lidstaten toegestaan de communautaire toelichting nader aan te vullen. Nederland heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door in artikel 18 van het Douanebesluit vast te leggen dat dit kan geschieden bij Ministeriële regeling. Deze Toelichting Enig document is de uitwerking daarvan en vormt een integraal onderdeel van de Douaneregeling.

Artikel 222 TVo.CDW bepaalt voorts dat indien de aangiften worden gedaan met behulp van systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking de in Bijlage 37 bedoelde gegevens moeten overeenstemmen met de voor de schriftelijke aangifte vereiste gegevens.

De Toelichting bestaat uit drie titels, waarvan een algemeen gedeelte, Titel I, waarin een matrix is opgenomen op basis waarvan kan worden bepaald welke vakken ingevuld dienen te worden bij een bepaalde douaneprocedure. In Titel II wordt een beschrijving van de afzonderlijke vakken gegeven voor de formaliteiten bij uitvoer, douanevervoer en invoer. Titel III bevat informatie voor het invullen van aanvullende formulieren Enig document. De bij de invulling te gebruiken codes zijn afzonderlijk opgenomen in het codeboek Sagitta. In artikel 29 van de Douaneregeling is bepaald dat het codeboek Sagitta beschikbaar is via het Internetadres www.douane.nl.

Teneinde de gebruiker een compleet overzicht te kunnen geven van alle formaliteiten, die van belang zijn voor de juiste invulling van het Enig document, bevat de Toelichting zowel de communautaire aanwijzingen uit Bijlage 37 als de nationale aanvullingen. In het codeboek Sagitta zijn daartoe zowel de communautaire codes uit Bijlage 38 als de codes die nationaal zijn vastgesteld opgenomen.

Titel I. Algemene opmerkingen

A. Algemeen

Wanneer de aangifte voor een douaneregeling wordt gedaan met gebruik van geautomatiseerde systemen (Sagitta-Invoer, Sagitta-Uitvoer en NCTS) zijn de onderstaande bepalingen betreffende de schriftelijke aangifte mutatis mutandis van toepassing.

De formulieren en aanvullende formulieren worden gebruikt:

a. wanneer volgens de communautaire wetgeving aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling of tot wederuitvoer moet worden gedaan;

b. indien nodig, tijdens de in een toetredingsakte bepaalde overgangsperiode, in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar samenstelling voor de toetreding en de nieuwe lidstaten, enerzijds, en tussen deze laatste onderling, anderzijds, voor goederen waarvoor alle douanerechten en heffingen van gelijke werking nog niet geheel zijn opgeheven of waarvoor nog andere in de toetredingsakte vastgestelde maatregelen gelden;

c. wanneer de communautaire wetgeving daar uitdrukkelijk in voorziet.

De aldus te gebruiken formulieren en aanvullende formulieren bestaan uit de exemplaren die nodig zijn voor het vervullen van de formaliteiten voor een of meer douaneregelingen en worden gekozen uit een set van acht exemplaren:

– exemplaar 1 te bewaren door de autoriteiten van de lidstaat waar de formaliteiten bij uitvoer (eventueel verzending) of communautair douanevervoer worden vervuld,

– exemplaar 2 bestemd voor de statistiek van de lidstaat van uitvoer; dit exemplaar kan eveneens worden gebruikt voor de statistiek van de lidstaat van verzending in het geval van handelsverkeer tussen delen van het douanegebied van de Gemeenschap met verschillende belastingstelsels,

– exemplaar 3 bestemd voor de exporteur, na visering door de douane,

– exemplaar 4 te bewaren door het kantoor van bestemming bij communautair douanevervoer of te gebruiken als bewijs van de communautaire status van de goederen,

– exemplaar 5 terugzendingsexemplaar van de regeling communautair douanevervoer,

– exemplaar 6 te bewaren door de autoriteiten van de lidstaat waar de formaliteiten bij invoer worden vervuld,

– exemplaar 7 bestemd voor de statistiek van de lidstaat van invoer. Dit exemplaar kan eveneens voor de statistiek van deze lidstaat worden gebruikt wanneer het gaat om handelsverkeer tussen delen van het douanegebied van de Gemeenschap met verschillende belastingstelsels.

– exemplaar 8 bestemd voor de geadresseerde.

Verschillende combinaties van exemplaren zijn dus mogelijk, bijvoorbeeld:

– uitvoer, passieve veredeling of wederuitvoer: exemplaren 1, 2 en 3,

– communautair douanevervoer: exemplaren 1, 4 en 5,

– douaneregelingen bij invoer: exemplaren 6, 7 en 8.

Bovendien moet in bepaalde gevallen het communautaire karakter van de goederen op de plaats van bestemming worden aangetoond. In dergelijke gevallen kan het exemplaar nr. 4 als T2L document worden gebruikt.

Dit betekent dat belanghebbenden de sets kunnen laten drukken die overeenkomen met de door hen gemaakte keuze, voor zover het gebruikte formulier in overeenstemming is met het officiële model.

Iedere set moet zodanig zijn samengesteld dat wanneer voor de betrokken lidstaten eenzelfde gegeven moet worden ingevuld, dit door de exporteur of de aangever rechtstreeks op exemplaar nr. 1 wordt vermeld en als gevolg van de chemische behandeling die het papier heeft ondergaan op alle exemplaren wordt doorgeschreven. Wanneer daarentegen om een of andere reden (met name wanneer naar gelang de fase waarin de goederenbeweging zich bevindt andere gegevens moeten worden ingevuld) een gegeven niet van de ene lidstaat naar de andere dient te worden doorgegeven, mag dit gegeven uitsluitend op de betrokken exemplaren worden doorgeschreven.

Bij gebruikmaking van een systeem van geautomatiseerde aangiftebehandeling, bestaat de mogelijkheid sets te gebruiken waarvan elk exemplaar een dubbele bestemming heeft: 1/6, 2/7, 3/8 en 4/5.

In dit geval worden op elke gebruikte set de nummers van de overeenkomstige exemplaren vermeld, terwijl de niet van toepassing zijnde nummers worden doorgehaald.

Deze sets zijn zo samengesteld dat de op de verschillende exemplaren te vermelden gegevens dankzij de chemische behandeling van het papier worden doorgeschreven.

Wanneer overeenkomstig artikel 205, lid 3, TVo.CDW aangiften tot plaatsing onder een douaneregeling of tot wederuitvoer of documenten waarmee het communautaire karakter wordt aangetoond van goederen die niet onder de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd, met behulp van openbare of particuliere systemen voor automatische gegevensverwerking op blanco papier worden gesteld, moet aan alle vormvereisten van het CDW of van de onderhavige verordening zijn voldaan, ook wat de ommezijde van het formulier betreft (voor de in het kader van de regeling communautair douanevervoer gebruikte exemplaren), met uitzondering van:

– de kleur van de drukinkt,

– het gebruik van cursief gedrukte tekst,

– de onderdruk van de vakken die betrekking hebben op communautair douanevervoer.

De aangifte voor douanevervoer wordt in een enkel exemplaar ingediend bij het kantoor van vertrek wanneer dit kantoor de aangifte met behulp van een systeem voor de automatische gegevensverwerking (NCTS) verwerkt.

Het hier te lande vervaardigen van formulieren Enig document is slechts toegestaan onder voorwaarde dat de formulieren geheel identiek zijn aan de officiële uitgaven opgenomen in de bijlagen 31 tot en met 34 TVo.CDW.

Formulieren die in een andere lidstaat door de douane zijn aanvaard, worden hier te lande geaccepteerd.

Extra exemplaren van de formulieren Enig document worden gebruikt:

– bij communautair douanevervoer naar of via Zwitserland dient aan het Zwitserse kantoor van binnenkomst een extra exemplaar dat identiek is aan het exemplaar nr. 4 te worden afgegeven (zie artikel 12 van de overeenkomst tussen de EEG en de EVA-landen1 ) betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer).

– indien goederen onder een douaneregeling worden geplaatst met gebruikmaking van het formulier Enig document, dienen in de hierna omschreven gevallen één, twee of drie extra exemplaren van het formulier Enig document te worden ingediend. Daartoe is nationaal een exemplaar 0/0 ontwikkeld. De aangever kan voor het extra exemplaar echter ook een fotokopie van het formulier Enig document gebruiken. Achter de verticaal gedrukte aanduidingen van het extra exemplaar komen letters en een lettercombinatie voor. De aangever kan door omcirkeling van een letter of lettercombinatie aanduiden voor welk doel het extra exemplaar wordt ingediend.

• Extra exemplaar (A): Wanneer een aangifte ten uitvoer of voor communautair douanevervoer wordt gedaan, kunnen één of meer exemplaren (A) zijn vereist, ingevolge de bepalingen inzake vrijstelling of teruggaaf van rechten bij uitvoer of inzake landbouwrestitutie.

• Extra exemplaar (W): Wanneer een aangifte voor een douaneregeling wordt gedaan waarbij een exemplaar noodzakelijk is om de goederen weg te mogen voeren, kan een extra exemplaar (W) worden ingediend.

• Extra exemplaar (D-W): Wanneer een exemplaar van het Enig document als vervoersopdracht wordt gebruikt op grond van de Wet op de accijns of de Wet op de verbruiksbelasting, kan een extra exemplaar (D-W) worden ingediend.

• Extra exemplaar (Z): Een extra exemplaar (Z) moet worden ingediend indien het betreft goederen waarvoor in de vrijstellingsvergunning is bepaald dat een vrijstellingsregeling wordt gehouden.

B. Te vermelden gegevens

De invulling van de vakken en deelvakken wordt beheerst door de communautaire matrix van Bijlage 37 TVo.CDW. In de nationale matrix, die hierna is opgenomen, is de communautaire matrix verwerkt en zijn eveneens de nationaal verplicht gestelde vakken opgenomen. Deze nationale matrix bepaalt voor elke douaneregeling of -bestemming, bewijs communautair karakter van de goederen en tijdelijke opslag of een vak of deelvak moet of mag worden gebruikt volgens de kolommen A tot en met L.

Voorzover van toepassing zijn daarbij ook vermeld de codes van de gevraagde regelingen als bedoeld voor het eerste deelvak van vak 37:

Opschriften van de kolommen in de nationale matrix

In het eerste deelvak van vak 37 te gebruiken codes

A: Uitvoer/verzending

10, 11, 23

B: Opslag in douane-entrepot van voor uitvoer bestemde goederen met voorfinanciering

76, 77

C: Wederuitvoer na plaatsing onder een economische douaneregeling andere dan het stelsel van douane-entrepots (actieve veredeling, tijdelijke invoer, behandeling onder douanetoezicht)

31

D: Wederuitvoer na opslag in douane-entrepot

31

E: Passieve veredeling

21, 22

F: Douanevervoer

 

G: Communautair karakter van de goederen

 

H: In het vrije verkeer brengen

01, 02, 07, 40 41, 42, 43, 45, 48, 49, 61, 63, 68

I: Plaatsing onder een economische douaneregeling andere dan passieve veredeling en douane-entrepot (actieve veredeling (schorsingssysteem), tijdelijke invoer, behandeling onder douanetoezicht)

51, 53, 54(a), 91, 92(a)

(a) verwijst uitsluitend naar de voorafgaande regeling.

J: Opslag in douane-entrepot van het type A, B, C, E of F1

71, 78

K: Opslag in douane-entrepot van het type D2, 3

71, 78

L: Tijdelijke opslag

 

1 De kolom J heeft eveneens betrekking op de binnenkomst van goederen in vrije zones van het controle type II.

2 Deze kolom geldt eveneens voor de gevallen bedoeld in artikel 525, lid 3, TVo.CDW. )

3 De kolom K heeft eveneens betrekking op de binnenkomst van goederen in vrije zones die aan controles van het type II zijn onderworpen.

Slechts een gedeelte van de vakken wordt ingevuld, naar gelang de gevraagde douaneregeling(en).

Onverminderd de toepassing van vereenvoudigde procedures zijn de voor elke regeling in te vullen vakken in de onderstaande tabel aangegeven. De specifieke bepalingen betreffende elk vak in titel II doen geen afbreuk aan de status van de in de tabel vermelde vakken.

Verklaring van de symbolen in de vakken van de nationale matrix

X

Verplicht voor de aangever.

X*

Facultatief voor de aangever: gegevens die de aangevers vrijwillig kunnen verstrekken.

X* [1, enz.]

Facultatief voor de aangever: gegevens die de aangevers vrijwillig kunnen verstrekken, tenzij voetnoot van toepassing is dan voetnoot verplicht volgen.

Opgemerkt zij dat indien een vak verplicht is voor de aangever (X), dit geen afbreuk doet aan het feit dat de opgave van bepaalde gegevens, wegens hun aard, enkel wordt verlangd wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen. Zo wordt bijvoorbeeld de opgave van de bijzondere maatstaf in vak 41 enkel verlangd wanneer Taric daarin voorziet.

Nationale matrix

Vak nr.

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

11

X

X

X

X

X

  

X

X

X

X

X

1 2

X

X

X

X

X

  

X

X

X

X

X

13

     

X

X

     

2

X25

X25

X25

X25

X25

 

X25

     

2 (No)

X

X

X

X

X

 

X

     

3

X2, 3

X2, 3

X2, 3

X2, 3

X2, 3

X2, 3

X2, 3

X2, 3

X2, 3

X2, 3

X2, 3

X2, 3

4

      

X

    

X

5

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

6

     

X4

      

7

X*

X*

X*

X*

X*

X5

 

X*

X*

X*

X*

X*

8

X1

X

   

X6

 

X25

X25

X25

X25

 

8 (No)

       

X

X

X

X

 

14

X25

X25

X25

X25

X25

 

X25

X25

X25

X25

X25

X25

14 (No)

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

X

15

     

X2

      

15a

X

X

X

X

X

X5

 

X

X

X

X

 

17

     

X2

      

17a

X

X

X

X

X

X5

 

X

X

   

18 (Identiteit)

X17

 

X7

 

X7

X7

 

X7

X7

  

X

18 (Nationaliteit)

     

X8

      

19

X

X

X

X

X

X4

 

X

X

X

X

X

20

X10

 

X10

 

X10

  

X10

X10

 

X10

 

21 (Identiteit)

X1

    

X8

      

21 (Nationaliteit)

X8

 

X8

 

X8

X8

 

X8

X8

   

22 (Valuta)

X

 

X

 

X

  

X

X

   

22 (Bedrag)

X

 

X

 

X

  

X*

X*

   

23

       

X11, 26

X11, 26

   

24

X

 

X

 

X

  

X

X

   

25

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

26

X12

X12

X12

X12

X12

  

X13

X13

  

X

27

     

X

      

29

X

X

X

X

X

       

30

X

X

X

X

X

X14

 

X

X

X

X

X

31

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

32

X3

X3

X3

X3

X3

X3

X3

X3

X3

X3

X3

X3

331

X

X

X

X15

X

X16

X17

X

X

X

X

 

332

       

X

X

X

X

 

333

X

X

     

X

X

X

X

 

334

X

X

     

X

X

X

X

 

335

X

X

X

X

X

  

X

X

X

X

 

34a

X*1

X

X*

X*

X*

  

X

X

X

X

 

35

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

36

       

X

X17

   

371

X

X

X

X

X

  

X

X

X

X

 

372

X

X

X

X

X

  

X

X

X

X

 

38

X

X

X

X

X

X17

X17

X

X

X

X

 

39

       

X

X

   

40

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

41

X

X

X

X

X

  

X

X

X

X

 

42

       

X

X

 

X

 

43

       

X26

X26

 

X26

 

44

X

X

X

X

X

X4

X

X

X

X

X

X

45

       

X26

X26

 

X26

 

46

X

X

X

X

X

  

X

X

X

X

 

47 (Type)

       

X

X

 

X

 

47 (Maatstaf heffing)

       

X

X

 

X

 

47 (Heffingsvoet)

       

X

X

   

47 (Bedrag)

       

X

X

   

47 (WB)

       

X

X

   

47 (Totaal)

       

X

X

   

49

X23, 24

X

X23

X

X23

  

X23

X23

X

X

 

50

X*

 

X*

 

X*

X

      

51

     

X4

      

52

     

X

      

53

     

X

      

54

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

X

55

     

X

      

56

     

X

      

1 Dit gegeven is verplicht voor landbouwproducten die voor uitvoerrestituties in aanmerking komen.

2 Dit gegeven mag enkel in het kader van niet-geautomatiseerde procedures worden gevraagd.

3 Wanneer de aangifte slechts op één enkel artikel betrekking heeft wordt dit vak niet ingevuld.

4 Dit vak is verplicht voor het NCTS (nieuw geautomatiseerd systeem voor douanevervoer) overeenkomstig het bepaalde in bijlage 37 bis TVo.CDW.

5 Dit gegeven mag enkel in het kader van geautomatiseerde procedures worden gevraagd.

6 Dit vak behoeft niet te worden ingevuld wanneer de geadresseerde noch in de EU, noch in een EVA-land gevestigd is.

7 Niet gebruiken in geval van verzending met de post of door vaste installaties.

8 Niet gebruiken bij verzending met de post, door vaste installaties of per spoor.

9 Niet van toepassing in NL.

10 Het 3e deelvak niet invullen.

11 Dit gegeven uitsluitend invullen in gevallen waarbij een uitzondering wordt gemaakt op de in titel V, hoofdstuk 6, neergelegde regels inzake de maandelijkse vaststelling van de wisselkoersen.

12 Dit vak wordt niet ingevuld wanneer de uitvoerformaliteiten op de plaats van uitgang uit de Gemeenschap worden vervuld.

13 Dit vak wordt niet ingevuld wanneer de invoerformaliteiten op de plaats van binnenkomst in de Gemeenschap worden vervuld.

14 Dit vak kan in het kader van het NCTS-systeem worden gebruikt volgens de bepalingen van bijlage 37bis TVo.CDW.

15 Verplicht bij wederuitvoer na opslag in een entrepot van het type D

16 Dit deelvak moet worden ingevuld:

– wanneer de aangifte voor douanevervoer door dezelfde persoon wordt opgesteld samen met of volgend op een douaneaangifte waarop de goederencode is vermeld, of

– wanneer de aangifte voor douanevervoer betrekking heeft op goederen die in bijlage 44 quater TVo.CDW zijn vermeld, of

– wanneer de communautaire wetgeving daarin voorziet.

17 Enkel in te vullen wanneer de communautaire wetgeving daarin voorziet.

18 Niet van toepassing in NL.

19 Niet van toepassing in NL.

20 Niet van toepassing in NL.

21 Niet van toepassing in NL.

22 Niet van toepassing in NL.

23 Dit vak moet worden ingevuld wanneer de aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling ten doel heeft het stelsel van douane-entrepots aan te zuiveren.

24 Dit vak moet worden ingevuld bij inslag in een Bevoorradingsdepot

25 Indien een aangifte via geautomatiseerde wijze wordt aangeleverd is de vermelding van de naam, adres, woonplaats gegevens uitsluitend toegestaan indien geen identificatienummer is vermeld.

26 Alleen van toepassing bij de aanvullende aangifte in het kader van de vereenvoudigde procedures als bedoeld in artikel 76, 1, letters b en c CDW.

C. Gebruiksaanwijzing van het formulier

Wanneer de gebruikte set minstens één exemplaar bevat dat in een andere lidstaat zal worden gebruikt, dienen de formulieren met de schrijfmachine of door middel van een mechanografisch of soortgelijk procédé te worden ingevuld. Ter vereenvoudiging van het invullen met de schrijfmachine, moet het formulier zo worden ingevoerd dat de eerste letter van het in vak 2 in te vullen gegeven in het daarvoor bestemde positievakje in de linkerbovenhoek komt te staan.

Wanneer alle exemplaren van de gebruikte set bestemd zijn om in dezelfde lidstaat te worden gebruikt, mogen zij, voor zover deze lidstaat dit toestaat, eveneens op duidelijk leesbare wijze met de hand, met inkt en in blokletters worden ingevuld. Dit geldt eveneens voor de gegevens die worden vermeld op de exemplaren die bij de toepassing van de regeling communautair douanevervoer worden gebruikt.

In de formulieren mogen geen raderingen noch overschrijvingen voorkomen. Wijzigingen worden aangebracht door doorhaling van de onjuiste gegevens en, in voorkomend geval, toevoeging van de gewenste gegevens. Elke aldus aangebrachte wijziging dient te worden goedgekeurd door degene die deze heeft aangebracht en moet uitdrukkelijk door de bevoegde autoriteiten worden geviseerd. Deze kunnen eisen dat een nieuwe aangifte wordt ingediend.

Voorts is het toegestaan dat de formulieren met behulp van een reproductietechniek, in plaats van met de bovenomschreven technieken, worden ingevuld. Zij mogen eveneens met behulp van een reproductietechniek worden vervaardigd en ingevuld, mits aan de vereisten inzake model en afmetingen, te gebruiken taal, leesbaarheid en aanbrengen van wijzigingen wordt voldaan en het verbod inzake raderingen en overschrijvingen in acht wordt genomen.

Slechts de genummerde vakken worden, indien van toepassing, door de belanghebbenden ingevuld, alsmede vak A. De overige met een hoofdletter aangeduide vakken zijn uitsluitend voor intern gebruik door de administraties bestemd.

Op de exemplaren die in het kantoor van uitvoer (of eventueel van verzending) of van vertrek blijven, moet de originele handtekening van de belanghebbende voorkomen, onverminderd het bepaalde in artikel 205 TVo.CDW.

Door het indienen van een door hem ondertekende aangifte bij een douanekantoor geeft de aangever of zijn vertegenwoordiger de wens te kennen de goederen voor de gevraagde regeling aan te geven. Onverminderd de eventuele toepassing van strafbepalingen verbindt hij zich hierdoor ten aanzien van:

– de juistheid van de in de aangifte voorkomende gegevens,

– de echtheid van de bijgevoegde documenten, en

– de naleving van alle verplichtingen in verband met de plaatsing van de betrokken goederen onder de gevraagde regeling.

Bij communautair douanevervoer bindt de handtekening van de aangever of, in voorkomend geval, zijn gemachtigde vertegenwoordiger, hem ter zake van alle elementen in verband met het communautair douanevervoer die voortvloeien uit de toepassing van de bepalingen inzake communautair douanevervoer die in het CDW en TVo.CDW zijn vervat en zoals hiervoor onder B zijn omschreven.

Bij het vervullen van de formaliteiten van de regeling communautair douanevervoer en ter bestemming heeft de betrokkene er belang bij de inhoud van zijn aangifte te controleren alvorens deze te ondertekenen en bij het douanekantoor in te dienen. Indien de reeds op het formulier voorkomende gegevens niet met de aan te geven goederen overeenstemmen, dient hij dit onmiddellijk aan de douane mede te delen. In dit geval wordt op nieuwe formulieren een nieuwe aangifte opgesteld.

Behoudens het bepaalde in titel III mag in een vak dat niet behoeft te worden ingevuld, geen enkele vermelding of teken voorkomen.

Titel II. Aanwijzingen voor het invullen van de vakken

De in de vakken te vermelden communautaire- en nationale codes zijn opgenomen in het Codeboek Sagitta, beschikbaar via Internetadres http://www.douane.nl. Eventuele toelichtingen op het gebruik van de codes zijn door middel van een noot bij het betreffende vak opgenomen in deel D van Titel II.

Deel A. Formaliteiten bij uitvoer/verzending, opslag in douane-entrepot met voorfinanciering met het oog op uitvoer, wederuitvoer, passieve veredeling, communautair douanevervoer en/of in verband met het bewijs van het communautair karakter van goederen

Vak A. Kantoor van Verzending/Uitvoer

Dit vak behoeft niet te worden ingevuld indien het formulier uitsluitend wordt gebruikt bij communautair douanevervoer.

Een aangever aan wie door de douane een douanenummer is toegekend, dient in dit vak de aangifte-identificatie te vermelden. Deze bestaat uit drie bestanddelen:

– het douanenummer, bestaande uit 11 cijfers;

– de laatste twee cijfers van het lopende kalenderjaar.

– het aangiftevolgnummer, dit is een uniek nummer bestaande uit ten hoogste acht cijfers naar eigen keuze van de aangever. Het mag niet hetzelfde zijn als een nummer dat eerder in hetzelfde jaar door dezelfde aangever aan een aangifte is toegekend. Het nummer van een buiten werking gestelde aangifte mag niet opnieuw worden gebruikt.

De drie bestanddelen dienen in bovenstaande volgorde te worden vermeld op één regel onderling van elkaar gescheiden door spaties of in drie regels onder elkaar.

Een aangever aan wie geen douanenummer is toegekend, vermeldt niets in dit vak.

Vak 1: Aangifte

In het eerste deelvak het aangiftesymbool vermelden volgensde desbetreffende communautaire code (zie codeboek Sagitta, onderdeel uitvoer, tabel A03).

In het tweede deelvak het type aangifte vermelden volgens de desbetreffende communautaire code (zie codeboek Sagitta, onderdeel uitvoer, tabel A04).

In het derde deelvak de desbetreffende communautaire code vermelden (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel 031).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 2: Afzender/exporteur

Bij ‘Nr.’ het douanenummer vermelden dat door de douane aan de afzender/exporteur is toegekend, voorafgegaan door de landcode NL. Indien de belanghebbende niet over een douanenummer beschikt, wordt bij ‘Nr.’ niets vermeld.

De naam en voornaam of de handelsnaam en het adres van de belanghebbende vermelden.

Bij groepagezendingen wordt in dit vak het woord ‘diverse’ vermeld, gevolgd door de desbetreffende communautaire code voor bijzondere vermeldingen (zie codeboek Sagitta, onderdeel uitvoer, tabel A12). Tevens wordt de lijst van afzenders/exporteurs bij de aangifte gevoegd.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 3: Formulieren

Het volgnummer van de set in het totale aantal gebruikte sets (formulieren en aanvullende formulieren samen) vermelden. Bijvoorbeeld: wanneer één EX-formulier en twee EX/c-formulieren worden ingediend, op het EX-formulier 1/3, op het eerste EX/c-formulier 2/3 en op het tweede EX/c-formulier 3/3 invullen.

Wanneer voor de aangifte twee sets van vier exemplaren in plaats van één set van acht exemplaren worden gebruikt, worden deze geacht, wat het aantal formulieren betreft, slechts één set te vormen.

Vak 4: Ladingslijsten

In cijfers het aantal eventueel bijgevoegde ladingslijsten of door de bevoegde autoriteiten toegelaten lijsten van commerciële aard vermelden waarin de goederen zijn omschreven.

Vak 5: Artikelen

In cijfers het totale aantal artikelen vermelden dat door de belanghebbende met alle gebruikte formulieren en aanvullende formulieren (of ladingslijsten of lijsten van commerciële aard) wordt aangegeven. Het aantal artikelen stemt overeen met het aantal vakken 31 dat moet worden ingevuld.

Vak 6: Totaal colli

In cijfers het totale aantal colli vermelden waaruit de zending is samengesteld.

Vak 7: Referentienummer

Dit is het commerciële referentienummer dat door belanghebbende aan de betrokken zending is toegekend. Naar keuze in te vullen door belanghebbende.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de referentie, zie deel D van Titel II.)

Vak 8: Geadresseerde

Naam en voornaam of handelsnaam en adres vermelden van de persoon of personen bij wie de goederen zullen worden afgeleverd. Voor goederen met voorfinanciering die met bestemming uitvoer in een douane-entrepot worden opgeslagen is de geadresseerde verantwoordelijk voor de voorfinanciering of voor het entrepot waar de goederen worden opgeslagen.

Bij groepagezendingen wordt in dit vak het woord ‘diverse’ vermeld, gevolgd door de betreffende communautaire code voor bijzondere vermeldingen (zie codeboek Sagitta, onderdeel uitvoer, tabel A12). Tevens wordt de lijst van geadresseerden bij de aangifte gevoegd.

Vak 14: Aangever/vertegenwoordiger

Voorafgaand aan de naam van de aangever/vertegenwoordiger moet de code van diens status worden vermeld (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A81).

Indien de aangever tevens de exporteur is, de tekst ‘exporteur’ vermelden, alsmede de desbetreffende communautaire code voor bijzondere vermeldingen (zie codeboek Sagitta, onderdeel uitvoer, tabel A12).

Aangifte op eigen naam en voor eigen rekening:

Bij Nr. vermelden: het douanenummer van de aangever, zoals dat deel uitmaakt van de aangifte-identificatie in vak A, voorafgegaan door NL als landencode.

De naam en voornaam of de handelsnaam en volledige adres van de aangever vermelden.

Aangifte op basis van directe vertegenwoordiging, als bedoeld in artikel 5, tweede lid van het Communautair Douanewetboek:

Bij Nr. vermelden: het douanenummer van de vertegenwoordiger zoals dat deel uitmaakt van de aangifte-identificatie in vak A, voorafgegaan door NL als landencode.

De naam en voornaam of de handelsnaam en volledige adres van de vertegenwoordiger vermelden.

Tevens vermelden het douanenummer van de vertegenwoordigde indien dit door de douane aan de vertegenwoordigde is toegekend, voorafgegaan door NL als landencode.

De naam en voornaam of de handelsnaam en het volledige adres van de vertegenwoordigde vermelden. In geval van een niet-geautomatiseerde aangifte kunnen de gegevens van de vertegenwoordigde worden vermeld in vak 9.

Aangifte op basis van indirecte vertegenwoordiging, als bedoeld in artikel 5, tweede lid van het Communautair Douanewetboek:

Bij Nr. vermelden: het douanenummer van de aangever, zoals dat deel uitmaakt van de aangifte-identificatie in vak A, voorafgegaan door NL als landencode.

De naam en voornaam of de handelsnaam en volledige adres van de aangever vermelden.

Tevens vermelden het douanenummer van de vertegenwoordigde indien dit door de douane aan de vertegenwoordigde is toegekend, voorafgegaan door NL als landencode.

De naam en voornaam of de handelsnaam en het volledige adres van de vertegenwoordigde vermelden. In geval van een niet-geautomatiseerde aangifte kunnen de gegevens van de vertegenwoordigde worden vermeld in vak 9.

Vak 15: Land van verzending/uitvoer

Ten behoeve van de formaliteiten bij uitvoer wordt onder ‘werkelijke lidstaat van uitvoer’ verstaan de lidstaat waaruit de goederen aanvankelijk met het oog op de uitvoer werden verzonden wanneer de exporteur niet in de lidstaat van uitvoer is gevestigd. De lidstaat van uitvoer is identiek aan de werkelijke lidstaat van uitvoer wanneer geen enkele andere lidstaat bij de transactie is betrokken.

Bij douanevervoer in vak 15 de lidstaat van waaruit de goederen zijn verzonden vermelden.

In vak 15a volgens de desbetreffende communautaire code de lidstaat vermelden waaruit de goederen worden uitgevoerd/verzonden (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S01).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 17: Land van bestemming

Bij douanevervoer in vak 17 het land van bestemming vermelden waarnaar de goederen worden gezonden.

In vak 17a de betreffende communautaire code vermelden van het laatste land van bestemming dat op het tijdstip van uitvoer bekend is waarnaar de goederen dienen te worden uitgevoerd (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S01).

Wanneer goederen met prefinanciering onder het stelsel van douane-entrepots worden geplaatst, wordt in dit vak het land vermeld waarvoor de goederen zijn bestemd.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 18: Identiteit en nationaliteit van het vervoermiddel bij vertrek

De identiteit vermelden van het voertuig waarin de goederen rechtstreeks zijn geladen op het tijdstip waarop de formaliteiten bij uitvoer of voor douanevervoer worden vervuld, gevolgd door de nationaliteit volgens de desbetreffende communautaire code van het vervoermiddel (of van het vervoermiddel waarmee het geheel wordt voortbewogen indien er meerdere vervoermiddelen zijn). Wanneer een trekker en een aanhangwagen verschillende registratienummers hebben, zowel het registratienummer van de trekker als dat van de aanhangwagen en de nationaliteit van de trekker vermelden (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S01).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Naargelang het gebruikte vervoermiddel worden ter identificatie de volgende vermeldingen aangebracht:

Vervoermiddel

Wijze van identificatie

Vervoer over zee en per binnenschip

Naam van het vaartuig

Vervoer door de lucht

Nummer en datum van de vlucht (indien er geen vluchtnummer is het registratienummer van het luchtvaartuig vermelden)

Vervoer over de weg

Kentekenplaat van het voertuig

Vervoer per spoor

Nummer van de wagon

Vak 19: Container (Ctr)

Volgens de desbetreffende communautaire code de voorziene situatie bij het overschrijden van de buitengrens van de Gemeenschap vermelden zoals deze bekend is op het tijdstip waarop de formaliteiten bij uitvoer of voor douanevervoer worden vervuld.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 20: Leveringsvoorwaarden

Door middel van de desbetreffende communautaire codes de relevante clausules van het handelscontract opgeven, alsmede de plaatsnaam c.q. de contractvoorwaarde (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A14).

Vak 21: Identiteit en nationaliteit van het grensoverschrijdende actieve vervoermiddel

Volgens de desbetreffende communautaire code de nationaliteit vermelden van het actieve vervoermiddel waarmee de buitengrens van de Gemeenschap wordt overschreden, zoals deze bij het vervullen van de formaliteiten bij uitvoer of voor douanevervoer bekend is (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S01).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Bij gecombineerd vervoer of wanneer het vervoer met meer dan een vervoermiddel geschiedt, is het voertuig dat het geheel voortbeweegt het actieve vervoermiddel. Bijvoorbeeld, bij vrachtwagen op schip is het schip het actieve vervoermiddel, bij trekker en aanhangwagen is dit de trekker.

Naargelang het vervoermiddel, worden wat de identiteit betreft, de volgende vermeldingen aangebracht:

Vervoermiddel

Wijze van identificatie

Vervoer over zee en per binnenschip

Naam van het vaartuig

Vervoer door de lucht

Nummer en datum van de vlucht (indien er geen vluchtnummer is het registratienummer van het luchtvaartuig vermelden)

Vervoer over de weg

Kentekenplaat van het voertuig

Vervoer per spoor

Nummer van de wagon

Vak 22: Valuta en totaal gefactureerd bedrag

In het eerste deelvak, volgens de desbetreffende communautaire code de valuta van de factuur vermelden (zie codeboek, Sagitta onderdeel, algemeen tabel S10).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

In het tweede deelvak het gefactureerde bedrag vermelden voor alle aangegeven goederen.

Vak 24: Aard van de transactie

In het eerste deelvak, door middel van de desbetreffende communautaire codes en indeling de gegevens vermelden waaruit blijkt om welk type contract het in dit geval gaat (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A22)

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Het tweede deelvak behoeft niet te worden ingevuld.

Vak 25: Vervoerwijze aan de grens

Volgens de desbetreffende communautaire code de wijze van vervoer vermelden die overeenstemt met het actieve vervoermiddel waarop of waarin de goederen het douanegebied van de Gemeenschap naar verwachting zullen verlaten (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A27).

Vak 26: Binnenlandse vervoerwijze

Volgens de desbetreffende communautaire code de wijze van vervoer bij vertrek vermelden (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A27). (Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 27: Plaats van lading

In dit vak wordt de plaats, zoals bekend bij het vervullen van de formaliteiten voor douanevervoer, vermeld waar de goederen worden geladen op of in het actieve vervoermiddel waarmee zij de grens van de Gemeenschap zullen overschrijden.

Vak 29: Kantoor van uitgang

Volgens de desbetreffende communautaire code het douanekantoor vermelden via hetwelk de goederen het douanegebied van de Gemeenschap vermoedelijk zullen verlaten (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S20).

(voor toelichting gebruik code, zie deel D van Titel II.)

Vak 30: Plaats waar de goederen zich bevinden

Een nauwkeurige vermelding van de plaats, bestaande uit de postcode aangevuld met huisnummer, waar de goederen kunnen worden onderzocht.

Vak 31: Colli en omschrijving van de goederen; merken en nummers – containernummer(s) – aantal en soort

1. In dit vak de merken en nummers, het aantal en de soort van de colli vermelden, of voor onverpakte goederen het aantal voorwerpen, evenals de voor de identificatie van de goederen vereiste gegevens. Als omschrijving van de goederen kan met de gebruikelijke handelsbenaming worden volstaan. Wanneer vak 33 ‘goederencode’ moet worden ingevuld, moet deze handelsbenaming dermate duidelijk zijn dat de goederen aan de hand daarvan kunnen worden ingedeeld. In dit vak worden eveneens de bij bijzondere voorschriften vereiste gegevens vermeld (bijvoorbeeld inzake accijns, omzetbelasting, landbouw enz.). De aard van de colli wordt volgens de desbetreffende communautaire code vermeld (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A25).

Indien de goederen die in dit vak worden omschreven een gedeelte vormen van de inhoud van één collo, dient te worden vermeld: deel van collo nr. .... (in te vullen het nummer van het collo of, als het geen nummer heeft, de identiteitsgegevens). Deze vermelding laat onverlet de verplichting om merk, nummer, aantal en soort van het collo te vermelden.

Indien containers worden gebruikt, dienen in dit vak bovendien de merktekens daarvan te worden vermeld.

2. Voor halfzware olie en gasolie de aantekening ‘onvermengd’ of ‘voorzien van herkenningsmiddelen’ plaatsen, gevolgd door de desbetreffende nationale code voor bijzondere vermeldingen (zie codeboek Sagitta onderdeel uitvoer tabel A12).

3. In de gevallen waarin ingevolge de Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen de productschapsgoederencode moet worden vermeld, deze code vermelden voorafgegaan door de vermelding ‘PGC’.

4. In de gevallen waarin volgens artikel 5, vierde lid, van de Verordening (EG) 800/1999 houdende gemeenschappelijke bepalingen van het stelsel van restitutie bij uitvoer van landbouwproducten (Pb EG L 102 van 17 maart 1999), de samenstelling moet worden opgegeven, deze vermelden met toepassing van maatstafcodes en maatstafhoeveelheden. (zie codeboek Sagitta onderdeel uitvoer tabel T08).

Indien de samenstelling achterwege mag blijven op grond van een toestemming van de productschappen volgens artikel 20 van de Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen, hier het toestemmingsnummer vermelden.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 32: Artikelnummer

Indien sprake is van meer dan één artikel, in dit vak het volgnummer van het betrokken artikel vermelden in het totale aantal artikelen, opgegeven in vak 5, dat in de formulieren en aanvullende formulieren is aangegeven.

Vak 33: Goederencode

De goederencode van het betrokken artikel vermelden.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 34: Code land van oorsprong

In vak 34a, volgens de desbetreffende communautaire code het land van oorsprong als bedoeld in Titel II van het CDW vermelden (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S01).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 35: Brutomassa (kg)

De brutomassa (kg) vermelden van de in vak 31 omschreven goederen. De brutomassa is de massa van de goederen vermeerderd met de massa van al hun verpakkingen, met uitzondering van het transportmaterieel en met name van de containers.

Wanneer een aangifte voor douanevervoer op meerdere soorten goederen betrekking heeft, kan ermee worden volstaan de totale brutomassa in het eerste vak 35 te vermelden, terwijl de andere vakken 35 niet worden ingevuld.

Wanneer de brutomassa meer dan 1 kg bedraagt en een fractie van een eenheid (kg) omvat, mag de volgende afronding worden toegepast:

– van 0,001 tot 0,499: afronding op de lagere eenheid (kg),

– van 0,5 tot 0,999: afronding op de hogere eenheid (kg).

Wanneer de brutomassa minder dan 1 kg bedraagt, verdient het aanbeveling deze in de vorm ‘0,xyz’ te vermelden (bijvoorbeeld: ‘0,654’ is gelijk aan 654 gram).

Vak 37: Regeling

Volgens de desbetreffende communautaire- en nationale codes de regeling vermelden waarvoor de goederen zijn aangegeven (zie codeboek Sagitta, onderdeel uitvoer, tabel A35 voor het eerste deelvak en tabel A29 voor het tweede deelvak).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 38: Nettomassa (kg)

De nettomassa (kg) vermelden van de in vak 31 omschreven goederen. De nettomassa is de eigen massa van de goederen zonder verpakking.

Vak 40: Summiere aangifte/voorafgaand document

Volgens de desbetreffende communautaire codes de referenties vermelden van de documenten die voorafgingen aan de uitvoer naar een derde land/verzending naar een andere lidstaat. (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A80 voor het documenttype en tabel A28 voor het soort voorafgaand document)

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Wanneer de aangifte betrekking heeft op goederen die na de zuivering van het stelsel van douane-entrepots type B wederuitgevoerd worden, het referentienummer van de aangifte tot plaatsing van de goederen onder deze regeling vermelden.

Wanneer het een aangifte voor de regeling communautair douanevervoer betreft, de voorafgaande douanebestemming of het referentienummer van de desbetreffende douanedocumenten vermelden. Indien, in het kader van niet-geautomatiseerde douanevervoerprocedures, meer dan een referentienummer moet worden vermeld, kan in dit vak het woord ‘diverse’ worden vermeld, gevolgd door de desbetreffende communautaire code voor bijzondere vermeldingen (zie codeboek Sagitta, onderdeel uitvoer, tabel A12). Tevens wordt de lijst van referentienummers bij de aangifte voor douanevervoer gevoegd.

Vak 41: Aanvullende eenheden (bijzondere maatstaf)

In voorkomend geval voor het betrokken artikel de hoeveelheid vermelden in de eenheid die in het gebruikstarief is aangegeven. De eenheid zelf niet vermelden.

Vak 44: Bijzondere vermeldingen; voorgelegde stukken; certificaten en vergunningen

In dit vak, met gebruikmaking van de desbetreffende communautaire- of nationale codes de mogelijkerwijze door specifieke verordeningen voorgeschreven vermeldingen aanbrengen samen met de referentienummmers van de tot staving van de aangifte overgelegde stukken, met inbegrip van, in voorkomend geval, de controle-exemplaren T5.

Bij de vermeldingen in dit vak onderscheid maken naar:

1. Bijzondere vermeldingen; (zie codeboek Sagitta, onderdeel uitvoer tabel A12);

2. Bescheiden, voorgelegde stukken; certificaten en vergunningen (zie codeboek Sagitta, onderdeel uitvoer, tabel T03);

3. Overig/Lopende procedures (zie codeboek Sagitta, onderdeel uitvoer, tabel. A15).

1. Bijzondere vermeldingen

a. In geval van aangifte ten uitvoer met terugbetaling dient te worden vermeld: ‘verzoek om terugbetaling CDW’, alsmede de betreffende nationale code voor bijzondere vermeldingen

b. Wanneer aangifte ten uitvoer plaatsvindt voor uit het vrije verkeer afkomstige accijnsgoederen c.q. verbruiksbelastinggoederen waarvoor teruggaaf van de accijnzen/verbruiksbelasting wordt verlangd dient te worden vermeld: ‘verzoek om terugbetaling van accijns/verbruiksbelasting’, alsmede de betreffende nationale code voor bijzondere vermeldingen.

c. Indien het formulier wordt gebruikt bij communautair douanevervoer dient ter voldoening aan artikel 843 lid 2 TVo.CDW in voorkomend geval te worden vermeld ‘Verlaten van Gemeenschap aan beperkingen onderworpen’ c.q. ‘Verlaten van de Gemeenschap aan belastingheffing onderworpen’, alsmede de nationale code voor bijzondere vermeldingen.

d. Wanneer de aangifte tot wederuitvoer ter aanzuivering van het stelsel van douane-entrepots bij een ander douanekantoor dan het controlekantoor wordt ingediend, vermelding van de naam en het adres van het controlekantoor, alsmede de betreffende nationale code voor bijzondere vermeldingen

e. Indien de aanvraag van een vergunning op de aangifte wordt gedaan voor een economische douaneregeling op basis van artikel 497, lid 3 TVo.CDW dient te worden vermeld: ‘Vereenvoudigde vergunning’, alsmede de desbetreffende communautaire code voor bijzondere vermeldingen.

f. In het geval van een aangifte ten uitvoer, waarbij gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid het exemplaar nr.3 aan een tussenpersoon terug te geven, de vermelding ‘RET/EXP’ vermelden, alsmede de desbetreffende communautaire code voor bijzondere vermeldingen. Zonodig kan in vak 50 de naam en het adres worden vermeld van de persoon aan wie het exemplaar nr. 3 kan worden teruggegeven.

2. Bescheiden (voorgelegde stukken; certificaten en vergunningen)

a. Alle over te leggen bescheiden dienen door de aangever te worden voorzien van de aangifte-identificatie die in vak A is vermeld. Deze nummering dient op de bescheiden te worden aangebracht rechtsboven of, als dat niet mogelijk is, zo dicht mogelijk bij die plaats of in een daartoe bestemd vak. In de gevallen waarin op de aangifte geen aangifte-identificatie is vermeld, blijft de nummering van de bescheiden achterwege.

b. Wanneer aangifte ten uitvoer plaatsvindt voor accijnsgoederen en tevens een administratief geleide document (AGD) wordt opgemaakt, dan wordt het referentienummer uit vak 3 van het AGD vermeld.

3. Overige/lopende procedures

Indien de aangever weet dat voor dezelfde soort goederen door hem ten behoeve van zichzelf of ten behoeve van dezelfde exporteur, een aangifte is gedaan ten aanzien waarvan de verificatie nog niet is geëindigd, in afwachting van het resultaat een code voor lopende procedures vermelden.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 46: Statistische waarde

De statistische waarde in Euro vermelden overeenkomstig de ter zake geldende communautaire voorschriften.

In het algemeen komt de statistische waarde neer op de prijs, eventueel verminderd met de ter zake van de uitvoer aftrekbare belastingen, maar vermeerderd met onder andere de vracht- en verzekeringskosten tot de Nederlandse grens, voor zover deze niet reeds in de prijs zijn begrepen.

Vak 49: Identificatie van het entrepot

In dit vak het entrepot vermelden volgens de desbetreffende communautaire code (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A30 voor het soort entrepot en tabel S01 voor de landencode).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 50: Aangever

Naam en voornaam of handelsnaam en adres van de aangever. In voorkomend geval de naam en voornaam of handelsnaam vermelden van de gevolmachtigde vertegenwoordiger die namens de aangever ondertekent.

Bij ‘Nr.’ het aan de aangever toegekende douanenummer vermelden. Een aangever aan wie geen douanenummer is toegekend vermeldt niets bij ‘Nr.’.

Behoudens nog vast te stellen bijzondere bepalingen betreffende het gebruik van informatica, moet op het door het kantoor van vertrek te bewaren exemplaar (nr.1) de originele handtekening van de betrokkene voorkomen. Wanneer deze een rechtspersoon is, dient de handtekening gevolgd te worden door de naam, voornaam en functie van de ondertekenaar.

In geval van uitvoer en indien in vak 44 de vermelding RET/EXP, gevolgd door de bijbehorende code voor bijzondere vermelding is vermeld, kan de aangever of zijn vertegenwoordiger de naam en het adres van een in het ambtsgebied van het kantoor van uitgang gevestigde tussenpersoon vermelden. Het door dit kantoor afgetekende exemplaar nr. 3 kan aan deze tussenpersoon worden teruggegeven.

Vak 51: Voorziene kantoren en landen van doorgang

In dit vak de code van het voorziene kantoor van binnenkomst in elk EVA-land vermelden over het grondgebied waarvan de goederen zullen worden vervoerd, evenals het kantoor van binnenkomst waar de goederen het douanegebied van de Gemeenschap opnieuw binnenkomen na over het grondgebied van een EVA-land te zijn vervoerd of, indien het vervoer over een ander grondgebied dan dat van de Gemeenschap en van een EVA-land zal plaatsvinden, het kantoor van uitgang waar de zending de Gemeenschap verlaat en het kantoor van binnenkomst waar de zending de Gemeenschap weer binnenkomt.

De betrokken douanekantoren vermelden volgens de desbetreffende communautaire code. (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S20)

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 52: Zekerheid

Volgens de desbetreffende communautaire codes in het tweede deelvak het type zekerheid opgeven of vermelden dat ontheffing van zekerheidstelling is verleend, alsmede, in voorkomend geval, het nummer van het certificaat van doorlopende zekerheidstelling of van ontheffing van zekerheidstelling of het nummer van het bewijs van zekerheidstelling per aangifte en het kantoor van zekerheidstelling opgeven (zie codeboek Sagitta. onderdeel transit, tabel 051).

Indien de doorlopende zekerheid, de ontheffing van zekerheidstelling of de zekerheid per aangifte niet voor alle EVA-landen geldig is, na de woorden ‘zekerheid niet geldig voor’ het of de betrokken EVA-land(en) vermelden volgens de desbetreffende communautaire codes (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S01).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 53: Kantoor van bestemming (en land)

Volgens de desbetreffende communautaire code het kantoor vermelden waar de goederen moeten worden aangebracht om het communautair douanevervoer te beëindigen (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S20).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 54: Plaats en datum, handtekening en naam van de aangever/vertegenwoordiger

De plaats en de datum vermelden waarop de aangifte werd opgesteld.

Behoudens nog vast te stellen bijzondere bepalingen betreffende het gebruik van informatica, dient het voor het kantoor van uitvoer/verzending bestemde exemplaar (nr.1) de originele handtekening van de betrokkene te bevatten, gevolgd door diens naam en voornaam. Wanneer het een rechtspersoon betreft, dient de handtekening te worden gevolgd door de naam, voornaam en functie van degene die heeft ondertekend.

Deel B. Formaliteiten tijdens het vervoer

Het is mogelijk dat tussen het tijdstip waarop de goederen het kantoor van uitvoer en/of vertrek verlaten en het tijdstip waarop zij bij het kantoor van bestemming aankomen bepaalde gegevens dienen te worden vermeld op de exemplaren die de goederen vergezellen. Deze gegevens hebben betrekking op het vervoer en dienen, wanneer zich bepaalde gebeurtenissen voordoen tijdens het vervoer, op het document te worden ingevuld door de vervoerder die verantwoordelijk is voor het vervoermiddel waarop of waarin de goederen rechtstreeks zijn geladen. Wanneer deze gegevens met de hand worden aangebracht, moet dit op duidelijk leesbare wijze, met inkt en blokletters geschieden.

Deze gegevens worden uitsluitend op de exemplaren 4 en 5 vermeld en hebben betrekking op de hierna volgende gevallen:

– Overlading: Vak 55 invullen.

Vak 55: Overlading

De eerste drie regels van dit vak worden door de vervoerder ingevuld wanneer de goederen tijdens het vervoer op of in een ander vervoermiddel of in een andere container worden overgeladen.

De vervoerder mag de goederen eerst overladen nadat hij hiervoor toestemming heeft verkregen van de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de overlading plaatsvindt.

Indien deze autoriteiten van oordeel zijn dat het douanevervoer op de normale wijze kan worden voortgezet, viseren zij, na eventueel de nodige maatregelen te hebben genomen, de exemplaren 4 en 5 van de aangifte voor douanevervoer.

– Andere voorvallen: Vak 56 invullen.

Vak 56: Andere voorvallen tijdens het vervoer

In te vullen overeenkomstig de voorschriften inzake communautair douanevervoer.

Wanneer tijdens het vervoer van goederen die in of op een oplegger zijn geladen, de oplegger aan een ander trekkend voertuig wordt gekoppeld (en de goederen daarbij niet worden behandeld of overgeladen), wordt in dit vak het registratienummer van de nieuwe trekker vermeld. In dit geval is visering door de bevoegde autoriteiten niet vereist.

Deel C. Formaliteiten bij in het vrije verkeer brengen, plaatsing onder de regeling actieve veredeling, tijdelijke invoer, behandeling onder douanetoezicht, opslag in douane-entrepot, binnenbrengen van goederen in vrije zones die aan controles van het type ii zijn onderworpen en tijdelijke opslag

Vak A: Kantoor van bestemming

Een aangever dient in dit vak de aangifte-identificatie te vermelden.

De aangifte-identificatie bestaat uit drie bestanddelen:

– het douanenummer bestaande uit 11 cijfers.

– de laatste twee cijfers van het lopende kalenderjaar.

– het aangiftevolgnummer. Dit is een uniek nummer bestaande uit ten hoogste acht cijfers naar eigen keuze van de aangever. Het mag niet hetzelfde zijn als een nummer dat eerder in hetzelfde jaar door dezelfde aangever aan een aangifte is toegekend. Het nummer van een buiten werking gestelde aangifte mag niet opnieuw worden gebruikt.

De drie bestanddelen dienen in bovenstaande volgorde te worden vermeld op één regel, onderling van elkaar gescheiden, door spaties of in drie regels onder elkaar.

Een aangever die niet is geregistreerd bij de douane, vermeldt niets in dit vak.

Indien bij het doen van een schriftelijke aangifte contant wordt betaald, wordt geen aangifte-identificatie vermeld.

Vak 1: Aangifte

In het eerste deelvak van het aangiftesymbool de desbetreffende communautaire code vermelden (zie codeboek Sagitta, onderdeel invoer, tabel A03).

In het tweede deelvak het type aangifte vermelden volgens de desbetreffende communautaire- of nationale code (zie codeboek Sagitta, onderdeel invoer, tabel A04).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 3: Formulieren

Het volgnummer van de set in het totale aantal gebruikte sets vermelden (zowel gewone als aanvullende formulieren). Bijvoorbeeld wanneer een IM formulier en 2 IM/c formulieren worden overgelegd, op het IM formulier 1/3, op het eerste IM/c formulier 2/3 en op het tweede IM/c formulier 3/3 invullen.

Vak 4: Ladingslijsten

In cijfers het eventueel bijgevoegde aantal ladingslijsten vermelden of het aantal beschrijvende commerciële lijsten waarvoor de bevoegde autoriteit toestemming heeft verleend.

Vak 5: Artikelen

In cijfers het totale aantal artikelen vermelden dat door de belanghebbende op al de formulieren en aanvullende formulieren (of ladingslijsten of commerciële lijsten) is aangegeven. Het aantal artikelen stemt overeen met het aantal vakken 31 dat moet worden ingevuld.

Vak 7: Referentienummer

Dit is het commerciële referentienummer dat de belanghebbende aan de zending heeft toegekend. Naar keuze in te vullen door belanghebbende.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de referentie, zie deel D van Titel II.)

Vak 8: Geadresseerde

Bij Nr. vermelden:

– Indien de aangifte betrekking heeft op de invoer van goederen als bedoeld in artikel 18 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en de goederen zijn bestemd voor een geadresseerde met een Nederlands btw-identificatienummer, het btw-identificatienummer van deze geadresseerde vermelden voorafgegaan door NL als landencode.

– Maakt de geadresseerde deel uit van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting en is de gehele fiscale eenheid aangewezen op de voet van artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968, het btw-identificatienummer van de fiscale eenheid vermelden voorafgegaan door NL als landencode.

– Als de goederen bestemd zijn voor een buitenlandse geadresseerde die gebruik maakt van een (beperkt) fiscaal vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 33a van de Wet op de omzetbelasting 1968, het btw-identificatienummer van de (beperkt) fiscaal vertegenwoordiger vermelden voorafgegaan door NL als landencode.

De naam en voornaam of de handelsnaam en het volledige adres van de geadresseerde vermelden.

Wanneer de goederen met toepassing van het stelsel van douane-entrepots in een particulier entrepot (type C, D of E) worden opgeslagen, de naam en het volledige adres vermelden van de entrepositaris indien deze niet tevens de aangever is.

Bij groepagezendingen wordt in dit vak het woord ‘diverse’ vermeld, gevolgd door de desbetreffende communautaire code voor bijzondere vermeldingen (zie codeboek Sagitta, onderdeel invoer, tabel A12). Een lijst van geadresseerden wordt bij de aangifte gevoegd.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie onderdeel D van deze Titel)

Vak 14: Aangever/vertegenwoordiger

Voorafgaand aan de naam van de aangever/vertegenwoordiger moet de code van diens status worden vermeld (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A81).

Bij een vergunningaanvraag op de aangifte de tekst ‘wijze van zekerheidstelling’ vermelden, alsmede de desbetreffende communautaire code (zie codeboek Sagitta, onderdeel invoer, tabel S09).

Indien de aangever tevens de geadresseerde is, de tekst ‘geadresseerde’ vermelden, alsmede de desbetreffende communautaire code voor bijzondere vermeldingen (zie codeboek Sagitta, onderdeel invoer, tabel A12).

Aangifte op eigen naam en voor eigen rekening:

Bij Nr. vermelden: het douanenummer van de aangever, zoals dat deel uitmaakt van de aangifte-identificatie in vak A, voorafgegaan door NL als landencode.

De naam en voornaam of de handelsnaam en volledige adres van de aangever vermelden.

Aangifte op basis van directe vertegenwoordiging, als bedoeld in artikel 5, tweede lid van het Communautair Douanewetboek:

Bij Nr. vermelden: het douanenummer van de vertegenwoordiger zoals dat deel uitmaakt van de aangifte-identificatie in vak A, voorafgegaan door NL als landencode.

De naam en voornaam of de handelsnaam en volledige adres van de vertegenwoordiger vermelden.

In geval van vertegenwoordiging de tekst ‘betaling door’ vermelden, alsmede de desbetreffende nationale code (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A84).

Tevens vermelden het douanenummer van de vertegenwoordigde indien dit door de douane aan de vertegenwoordigde is toegekend, voorafgegaan door NL als landencode.

De naam en voornaam of de handelsnaam en het volledige adres van de vertegenwoordigde vermelden.

In geval van een niet-geautomatiseerde aangifte kunnen de gegevens van de vertegenwoordigde worden vermeld in vak 9.

Vak 15: Land van verzending/uitvoer

In vak 15a, door middel van de desbetreffende communautaire code het land vermelden waaruit de goederen oorspronkelijk naar de invoerende lidstaat werden verzonden, zonder oponthoud of niet aan het vervoer inherente juridische handeling in een tussenliggend land. Indien een dergelijk oponthoud of een dergelijke handeling heeft plaatsgevonden, wordt het laatste tussenliggende land als land van verzending/uitvoer beschouwd. (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S01).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 17: Land van bestemming

In vak 17a de desbetreffende communautaire code vermelden van de op het tijdstip van invoer bekende lidstaat waarvoor de goederen uiteindelijk bestemd zijn (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S01).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 18: Identiteit en nationaliteit van het vervoermiddel bij aankomst

De identiteit van het (of de) vervoermiddel(en) vermelden waarin/waarop de goederen rechtstreeks zijn geladen wanneer zij worden aangebracht bij het douanekantoor waar de formaliteiten voor de bestemming worden vervuld. Wanneer het trekkende voertuig en de oplegger een verschillend kenteken hebben, zowel het kenteken van het trekkende voertuig als dat van de oplegger vermelden.

Naargelang het gebruikte vervoermiddel, worden ter identificatie de volgende vermeldingen aangebracht:

Vervoermiddel

Identificatie

Vervoer over zee en per binnenschip

Naam van het vaartuig

Vervoer door de lucht

Nummer en datum van de vlucht (indien er geen vluchtnummer is, het registratienummer van het luchtvaartuig vermelden)

Vervoer over de weg

Kentekenplaat van het voertuig

Vervoer per spoor

Nummer van de wagon

Vak 19: Container (Ctr)

Door middel van de desbetreffende communautaire code de situatie bij het overschrijden van de buitengrens van de Gemeenschap aangeven.

(voor toelichting gebruik code, zie deel D van Titel II.)

Vak 20: Leveringsvoorwaarden

Door middel van de desbetreffende communautaire codes de relevante clausules van het handelscontract opgeven, alsmede de plaatsnaam c.q. de contractvoorwaarde (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A14).

Vak 21: Identiteit en nationaliteit van het grensoverschrijdende actieve vervoermiddel

Door middel van de desbetreffende communautaire code in het tweede deelvak de nationaliteit vermelden van het actieve vervoermiddel waarmee de buitengrens van de Gemeenschap wordt overschreden (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S01).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Bij gecombineerd vervoer of wanneer meerdere vervoermiddelen worden gebruikt, is het actieve vervoermiddel datgene waarmee het geheel wordt voortbewogen. Bijvoorbeeld bij vrachtwagen op zeeschip is het actieve vervoermiddel het schip; bij trekker en oplegger is het actieve vervoermiddel de trekker.

Vak 22: Valuta en totaal gefactureerd bedrag

In het eerste deelvak de valuta van de factuur vermelden volgens de desbetreffende communautaire code (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S10).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

In het tweede deelvak het gefactureerde bedrag voor alle aangegeven goederen vermelden.

Vak 23: Wisselkoers

In dit vak wordt de koers vermeld waartegen de factuurvaluta in de valuta van de betrokken lidstaat wordt omgerekend.

Vak 24: Aard van de transactie

In het eerste deelvak, door middel van de desbetreffende communautaire codes en indeling de gegevens vermelden waaruit blijkt om welk type contract het in dit geval gaat (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A22).

Het tweede deelvak behoeft niet te worden ingevuld.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 25: Vervoerwijze aan de grens

Door middel van de desbetreffende communautaire code de vervoerwijze vermelden waartoe het actieve vervoermiddel behoort waarop of waarin de goederen het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengekomen (zie codeboek Sagitta onderdeel algemeen tabel A27).

Vak 26: Binnenlandse vervoerwijze

Door middel van de desbetreffende communautaire code de wijze van vervoer bij aankomst vermelden (zie codeboek Sagitta onderdeel algemeen tabel A27).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 30: Plaats waar de goederen zich bevinden

In dit vak de juiste plaats, bestaande uit de postcode aangevuld met huisnummer, vermelden waar de goederen kunnen worden onderzocht.

Vak 31: Colli en omschrijving van de goederen; merken en nummers – containernummer(s) – aantal en soort

1. In dit vak de merken en nummers, het aantal en de aard van de colli of, bij onverpakte goederen, het aantal voorwerpen vermelden, evenals de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens. De aard van de colli wordt vermeld volgens de desbetreffende communautaire code (zie codeboek Sagitta onderdeel algemeen tabel A25).

Indien de goederen die in dit vak worden omschreven een gedeelte vormen van de inhoud van één collo, dient te worden vermeld: deel van collo nr. ... (in te vullen het nummer van het collo of, als het geen nummer heeft, het merk). Deze vermelding laat onverlet de verplichting om merk, nummer, aantal en soort van het collo te vermelden.

Indien containers worden gebruikt, dienen in dit vak bovendien de merktekens daarvan te worden ingevuld.

2. Onder omschrijving van de goederen wordt de gebruikelijke handelsbenaming verstaan. Behalve voor niet communautaire goederen die in een entrepot van het type B, C, of E onder het stelsel van douane-entrepots worden geplaatst, dient deze benaming dermate duidelijk te zijn dat de goederen op basis daarvan kunnen worden geïdentificeerd en onmiddellijk en met zekerheid kunnen worden ingedeeld in het gebruikstarief.

3. In dit vak worden eveneens de krachtens bijzondere voorschriften vereiste gegevens vermeld (omzetbelasting, accijnzen, enz.).

4. In de gevallen waarin ingevolge de In- en uitvoerbeschikking landbouwgoederen 1981 de productschapsgoederencode moet worden vermeld, deze code vermelden voorafgegaan door de vermelding ‘PGC’.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 32: Artikelnummer

Indien sprake is van meer dan één artikel, in dit vak het volgnummer van het betrokken artikel vermelden in het totale aantal artikelen, opgegeven in vak 5, dat in de gebruikte formulieren en aanvullende formulieren is aangegeven.

Vak 33: Goederencode

De goederencode van het betrokken artikel invullen.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 34: Code land van oorsprong

In vak 34a wordt volgens de desbetreffende communautaire code het land van oorsprong zoals vastgesteld in titel II van het Communautair douanewetboek vermeld (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel S01).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de code, zie deel D van Titel II.)

Vak 35: Brutomassa (kg)

De brutomassa (kg) vermelden van de in vak 31 omschreven goederen. De brutomassa is de massa van de goederen vermeerderd met de massa van al hun verpakkingen, met uitzondering van het transportmaterieel en met name van de containers.

Wanneer de brutomassa meer dan 1 kg bedraagt en een fractie van een eenheid (kg) omvat, mag deze als volgt worden afgerond:

– van 0,001 tot 0,499: afronding op de lagere eenheid (kg),

– van 0,5 tot 0,999: afronding op de hogere eenheid (kg).

Wanneer de brutomassa minder dan 1 kg bedraagt, verdient het aanbeveling deze in de vorm ‘0,xyz’ te vermelden (bijvoorbeeld ‘0,654’ = 654 gram).

Vak 36: Preferentie

Dit vak bevat informatie betreffende de tariefbehandeling van de goederen. Ook invullen indien geen tariefpreferentie wordt gevraagd. Dit vak behoeft echter niet te worden ingevuld voor handelsverkeer tussen delen van het douanegebied van de Gemeenschap waarop Richtlijn 77/388/EEG van toepassing is en delen van dit douanegebied waarop deze richtlijn niet van toepassing is of in het kader van het handelsverkeer tussen delen van dit douanegebied waarop die richtlijn niet van toepassing is. De desbetreffende communautaire code vermelden (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel T17 voor de codes voor communautaire preferenties en voor de toegestane combinaties met de nationale preferenties).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 37: Regeling

Volgens de desbetreffende communautaire- of nationale codes de regeling vermelden waarvoor de goederen zijn aangegeven (zie codeboek Sagitta, onderdeel invoer, tabel A35 voor het eerste deelvak en tabel A29 voor het tweede deelvak).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 38: Nettomassa (kg)

De nettomassa (kg) vermelden van de in vak 31 omschreven goederen. De nettomassa is de massa van de goederen zonder enige verpakking.

Vak 39: Contingent

Het volgnummer van het gevraagde tariefcontingent vermelden.

Vermelding van de nationaal in het gebruikstarief vastgestelde codes van de aanspraak op niet-heffing, verlaagde heffing of vooraf gefixeerde heffing van rechten bij invoer. Echter geen code vermelden indien geen douaneschuld ontstaat. Opgemerkt wordt dat een 0-recht als douaneschuld wordt aangemerkt (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel T12 voor codes nationale preferenties en tabel T17 voor de toegestane combinaties met de communautaire preferenties).

Vak 40: Summiere aangifte/voorafgaand document

In dit vak, volgens de desbetreffende communautaire codes de referenties van de eventueel in de lidstaat van invoer gebruikte summiere aangifte of van de eventuele voorafgaande documenten vermelden (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A80 voor documenttype en tabel A28 voor soort document).

Wanneer de aangifte ter aanzuivering dient van het stelsel van douane-entrepots type B het referentienummer van de aangifte tot plaatsing van de goederen onder deze regeling vermelden.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 41: Aanvullende eenheden (bijzondere maatstaf)

In voorkomend geval voor het betrokken artikel de hoeveelheid vermelden in de eenheid die in de goederennomenclatuur is vastgesteld. De eenheid zelf niet vermelden.

Vak 42: Prijs van de goederen

De prijs van de betreffende goederen vermelden.

Vermelding van het deel van de in vak 22 genoemde factuurprijs die op het goed betrekking heeft.

Vak 43: Code MW

De desbetreffende communautaire code vermelden van de methode die gebruikt is voor het bepalen van de douanewaarde (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A83).

Vak 44: Bijzondere vermeldingen/voorgelegde stukken/certificaten en vergunningen

In dit vak, door middel van de desbetreffende communautaire- en nationale code de eventueel in bepaalde specifieke verordeningen voorgeschreven vermeldingen aanbrengen samen met de referenties van de tot staving van de aangifte overgelegde stukken, met inbegrip van, in voorkomend geval, de controle-exemplaren T5.

Bij de vermeldingen in dit vak onderscheid maken naar:

1. Bijzondere vermeldingen (zie codeboek Sagitta, onderdeel invoer, tabel A12);

2. Bescheiden (voorgelegde stukken; certificaten en vergunningen) (zie codeboek Sagitta, onderdeel invoer, tabel T03);

3. Overig/Lopende procedures.

1. Bijzondere vermeldingen

a. Wanneer de aangifte tot plaatsing van goederen onder het stelsel van douane-entrepots bij een ander douanekantoor dan het controlekantoor wordt overgelegd, de naam en het adres van het controlekantoor vermelden, alsmede de desbetreffende nationale code voor bijzondere vermeldingen.

b. Indien de aanvraag van een vergunning op aangifte wordt gedaan voor een:

– bijzondere bestemming op basis van artikel 292, lid 3, Tvo.CDW;

– economische douaneregeling op basis van artikel 497, lid 3 TVo.CDW, dient te worden vermeld: ‘Vereenvoudigde vergunning’, alsmede de desbetreffende communautaire code voor bijzondere vermeldingen.

c. In geval van aangifte ten invoer tot verbruik, inzake de bevoorrading van vervoermiddelen als is bedoeld in artikel 24a van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 vermelden: ‘art. 24a Uitv. besl. o.b. 1968’, alsmede de desbetreffende nationale code voor bijzondere vermeldingen.

2. Bescheiden (voorgelegde stukken/certificaten en vergunningen)

Ongeacht of de bescheiden al dan niet een eigen referentienummer dragen, dienen alle over te leggen bescheiden door de aangever te worden voorzien van de aangifte-identificatie die in vak A is vermeld. Deze nummering dient op de bescheiden te worden aangebracht rechtsboven of, als dat niet mogelijk is, zo dicht mogelijk bij die plaats of in een daartoe bestemd vak.

3. Overige/Lopende procedures

a. Indien de aangever een onvolledige aangifte doet in het deelvak rechts onderaan een van de nationaal vastgestelde codes vermelden(zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A17). Op de aanvullende formulieren mag de code achterwege blijven.

b. In geval van aangifte voor textielproducten van oorsprong uit ontwikkelingslanden en -gebieden waarvoor de heffing van invoerrecht in het kader van algemene tariefpreferenties geheel is geschorst, het nummer van de categorie waartoe de producten behoren volgens de bepalingen inzake de algemene tariefpreferenties vermelden, voorafgegaan door de vermelding: ‘cat’.

c. In geval van een aangifte voor het vrije verkeer voor goederen waarvoor om aanspraak te maken op regelingen, preferenties of vrijstellingen, meerdere preferentiecodes van toepassing zijn, wordt in dit vak die betreffende codering vermeld, voorafgegaan door de vermelding ‘preferentiecode’.

d. Indien de aangever weet dat voor dezelfde soort goederen door hem ten behoeve van zichzelf of ten behoeve van dezelfde geadresseerde, een aangifte is gedaan ten aanzien waarvan de verificatie nog niet is geëindigd, in afwachting van het resultaat een nationale code voor lopende procedures vermelden (zie codeboek Sagitta, onderdeel invoer, tabel A15).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 45: Aanpassing

Dit vak bevat informatie betreffende eventuele aanpassingen die plaatsvinden wanneer tot staving van de aangifte geen DV1 document wordt overgelegd. De eventueel in dit vak vermelde bedragen worden uitgedrukt in Euro.

Vak 46: Statistische waarde

De statistische waarde vermelden in Euro overeenkomstig de communautaire voorschriften terzake.

Voor niet-communautaire goederen is de douanewaarde de basis voor de statistische waarde. Bij het ontbreken van een douanewaarde is de statistische waarde de terzake van de levering betaalde of te betalen prijs vermeerderd met onder andere de vervoer- en verzekeringskosten, echter zonder de verschuldigde rechten bij invoer.

Voor communautaire goederen is het de door de koper ter zake van de levering betaalde of te betalen prijs, eventueel verminderd met de hier te lande betaalde belastingen en met de vracht- en verzekeringskosten hier te lande.

Vak 47: Berekening van de belastingen

De maatstaf van heffing (waarde, gewicht of andere) is de basis voor de berekening van de belastingen. Voor zover van toepassing op elke regel de volgende gegevens vermelden, zo nodig volgens de desbetreffende communautaire- en nationale codes.

1. type belasting (douanerechten, omzetbelasting, enz.) (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A16);

2. maatstaf van heffing (zie codeboek Sagitta, onderdeel invoer, tabel T08);

3. heffingsvoet;

4. bedrag van de verschuldigde belasting;

5. gekozen wijze van betaling (WB). (zie codeboek Sagitta, onderdeel invoer, tabel S09);

6. totaal bedrag.

In dit vak slechts in de volgende gevallen de daarbij aangeduide gegevens vermelden:

1. Aangifte waarbij voor de berekening van de rechten bij invoer andere maatstaven dan douanewaarde, brutogewicht of nettogewicht noodzakelijk zijn: (2) maatstaf van heffing, zowel in code als in hoeveelheid.

2. Aangifte voor goederen die zijn onderworpen aan het douanerecht op landbouwproducten of aanvullende rechten waarvoor de aangever als wijze van betaling kiest voor de afboeking op zekerheid gesteld bij productschap:

(1) type van belasting;

(2) maatstaf van heffing zowel in code als in hoeveelheid;

(3) wijze van betaling.

De derde kolom (heffingsvoet) en de vierde kolom (bedrag) en zesde (totaalbedrag) behoeven niet te worden ingevuld. Voor zover deze kolommen wel worden ingevuld, zijn bij foutieve vermelding daaraan geen administratieve of strafrechtelijke gevolgen verbonden.

De in dit vak in te vullen bedragen worden uitgedrukt in Euro's.

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 49: Identificatie van het entrepot

In dit vak het entrepot vermelden volgens de desbetreffende communautaire code (zie codeboek Sagitta, onderdeel algemeen, tabel A30 voor het soort entrepot en tabel S01 voor de landencode).

(Voor een nadere toelichting op het gebruik van de codes, zie deel D van Titel II.)

Vak 54: Plaats en datum, handtekening en naam van de aangever/vertegenwoordiger

In dit vak plaats en datum van de aangifte vermelden.

Behoudens nog vast te stellen bijzondere bepalingen betreffende het gebruik van informatica, wordt op het door het kantoor van invoer bewaarde exemplaar (nr. 6) de originele handtekening van de betrokkene aangebracht, gevolgd door diens naam en voornaam. Wanneer het een rechtspersoon betreft, dient de handtekening te worden gevolgd door de naam, de voornaam en de functie van de ondertekenaar.

Deel D. Toelichting bij de te gebruiken Communautaire- en Nationale Codes op de formulieren van het enig document

I. Algemene opmerkingen

Deze toelichting heeft uitsluitend betrekking op de bijzondere basisvereisten die gelden wanneer formulieren worden gebruikt. Wanneer de formaliteiten in verband met het douanevervoer door de uitwisseling van EDI berichten worden vervuld, geldt het bepaalde in deze bijlage behoudens andersluidende bepalingen in de bijlagen 37bis of 37quater.

In bepaalde gevallen worden aanwijzingen gegeven betreffende het type en de lengte van de gegevens. De codes betreffende het type gegeven zijn:

a (alfabetisch)

n (numeriek)

an (alfanumeriek)

Het na de code vermelde getal geeft de toegestane lengte van het gegeven aan. De twee punten die in sommige gevallen aan de aanduiding van de lengte voorafgaan, betekenen dat het gegeven geen vaste lengte heeft, maar uit maximaal het aangegeven aantal tekens kan bestaan.

Onder ‘uitvoer’, ‘wederuitvoer’, ‘invoer’ en ‘wederinvoer’ worden in deze toelichting eveneens verstaan de verzending, de wederverzending, het binnenbrengen en het opnieuw binnenbrengen van goederen.

De in vak 29 vermelde codes gebruiken.

II. Toelichting op de codes

Vak 1: Aangifte

Eerste deelvak

(a2)

Tweede deelvak

(a1)

Voor tijdelijke opslag wordt de nationale code ‘t’ vermeld.

Derde deelvak

(an..5)

Vak 2: Afzender/exporteur

De landencodes: De communautaire alfabetische codificering van de landen en gebieden is gebaseerd op de ISO alpha 2 (a2) norm, voorzover deze verenigbaar is met het Gemeenschapsrecht. De rechtsgrondslag van deze codificering is verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad van 22 mei 1995 betreffende de statistieken van het goederenverkeer van de Gemeenschap en haar lidstaten met derde landen (PB L 118 van 25.5.1995). Een geactualiseerde lijst van landencodes wordt op gezette tijden bij verordening van de Commissie bekendgemaakt.

Vak 7: Referentienummer

(an..35)

Dit nummer kan de vorm hebben van het Unique Consignment Reference Number (UCRN)2 ).

Vak 14: Aangever/vertegenwoordiger

In geval van een niet-geautomatiseerde aangifte wordt de code voor de status van de aangever, voorafgaand aan de naam van de aangever, tussen vierkante haken geplaatst, bijvoorbeeld: [1].

Vak 15a: Code land van verzending/uitvoer

Gebruik de in vak 2 vermelde landencodes.

Vak 17a: Code land van bestemming

Gebruik de in vak 2 vermelde landencodes.

Vak 18: Nationaliteit van het vervoermiddel bij vertrek

Gebruik de in vak 2 vermelde landencodes.

Vak 19: Container

De te gebruiken codes (n1) zijn:

0

niet in containers vervoerde goederen.

1

in containers vervoerde goederen.

Vak 21: Nationaliteit van het grensoverschrijdende actieve vervoermiddel

Gebruik de in vak 2 vermelde landencodes.

Vak 22: Valuta factuur

De valuta van de factuur wordt door middel van de ISO alpha-3-code muntcode (Code ISO 4217-valuta's en fondsen) aangegeven. Bij het gebruik van het geautomatiseerd systeem Sagitta-Invoer is een beperkte lijst van muntsoorten, volgens het wisselkoersen bestand, van toepassing.

Vak 24: Aard van de transactie

Bij de volgende te gebruiken codes behoren de volgende toelichtingen:

Code 1: (Transacties die gepaard gaan met een feitelijke of voorziene eigendomsoverdracht onder bezwarende titel (financiële of andere tegenprestatie) met uitzondering van de onder de codes 2, 7 en 8 te registreren transacties)

Deze code bestrijkt het grootste deel van de in- en uitvoer, namelijk de transacties waarbij:

– een eigendomsoverdracht tussen een ingezetene en een niet-ingezetene plaatsvindt, en

– een financiële tegenprestatie of een tegenprestatie in natura (ruilhandel) plaatsvindt of zal plaatsvinden.

Opgemerkt zij dat dit ook geldt voor goederenbewegingen tussen eenheden van een zelfde onderneming of groep van ondernemingen en voor bewegingen van en naar distributiecentra, tenzij voor deze transacties geen betaling of tegenprestatie plaatsvindt (in welk geval zij onder code 3 vallen).

Inclusief vervanging tegen betaling van reserveonderdelen of andere goederen.

Inclusief financiële leasing (huurkoop): de huur wordt zodanig berekend dat de waarde van de goederen volledig of bijna volledig wordt gedekt. De risico's en winsten in verband met het bezit van de goederen gaan over op de huurder. Aan het einde van de overeenkomst wordt de huurder de feitelijke eigenaar van de goederen.

Code 2: (Retourzendingen na registratie van de oorspronkelijke transactie onder code 1; gratis vervanging van goederen)

Bij retourzendingen en vervangende goederen die oorspronkelijk met de codes 3 tot en met 9 werden geregistreerd, worden de desbetreffende codes wederom gebruikt.

Code 4 en 5: (Verrichtingen met het oog op loonveredeling, na loonveredeling of reparatie (met uitzondering van de onder code 7 te registreren verrichtingen))

Loonveredeling wordt met code 4 of 5 geregistreerd, ongeacht of deze al dan niet onder douanetoezicht plaatsvindt. Veredeling voor eigen rekening valt niet onder deze codes, maar moet onder code 1 worden ondergebracht.

Reparatie van een goed betekent het herstel van de oorspronkelijke functie ervan. Dit kan reconstructie- en verbeteringswerkzaamheden omvatten.

Met uitzondering van de met code 7 te registreren verrichtingen.

Code 6: (Transacties zonder eigendomsoverdracht, namelijk verhuur, bruikleen, operationele leasing en ander tijdelijk gebruik met uitzondering van loonveredeling en reparaties (levering en retourzending))

Operationele leasing: elke huurovereenkomst met uitzondering van financiële leasing als bedoeld onder code 3.

Deze code heeft betrekking op goederen die worden uitgevoerd/ingevoerd met het oogmerk van wederinvoer of wederuitvoer zonder eigendomsoverdracht.

Code 8: (Levering van bouwmaterialen en bouwmaterieel in het kader van een algemene overeenkomst)

Voor de met code 8 te registreren transacties mogen de goederen niet afzonderlijk worden gefactureerd, maar moeten de werkzaamheden in hun geheel in rekening worden gebracht. Indien dit niet het geval is, worden de transacties met code 1 geregistreerd.

Vak 26: Binnenlandse vervoerwijze

De voor vak 25 vastgestelde codes gebruiken.

Vak 29: Kantoor van uitgang/binnenkomst

De te gebruiken codes (an8) hebben de volgende structuur:

– de eerste twee tekens (a2) identificeren het land door middel van de in vak 2 vermelde landencodes.

– de zes volgende tekens (an6) identificeren het betrokken douanekantoor in dit land. Hiervoor geldt de volgende structuur:

De eerste drie tekens (a3) zijn de UN/LOCODE gevolgd door een nationale alfanumerieke onderverdeling (an3). Indien deze onderverdeling niet wordt gebruikt, dan ‘000’ te vermelden.

Voorbeeld: NLRTM291: NL = ISO 3166 voor Nederland, RTM = UN/LOCODE voor de stad Rotterdam, en 291 voor het betreffende douanekantoor.

Vak 31: Colli en omschrijving van de goederen; merken en nummers – containernummer(s) – aantal en soort

Aard van de colli

(an2)

Te gebruiken code voor verpakkingsmiddelen volgens UN/ECE aanbeveling nr. 21/rev. 4, mei 2002.

Productschapsgoederencode

De productschapsgoederencode is opgenomen in bijlage V van het gebruikstarief.

Vak 33: Goederencode

In te vullen overeenkomstig het gebruikstarief.

Eerste deelvak (8 cijfers)

Wordt het formulier ten behoeve van de regeling communautair douanevervoer gebruikt, dan worden in dit deelvak tenminste de eerste zes cijfers van de goederencode vermeld. Indien de wetgeving van de Gemeenschap dit voorschrijft, wordt de gehele goederen code van het gebruikstarief gebruikt.

Tweede deelvak (2 tekens)

In te vullen overeenkomstig Taric (2 tekens voor de toepassing van specifieke communautaire maatregelen ter vervulling van de formaliteiten op de plaats van bestemming).

Derde deelvak (4 tekens)

In te vullen overeenkomstig Taric (eerste aanvullende code).

Vierde deelvak (4 tekens)

In te vullen overeenkomstig Taric (tweede aanvullende code).

Vijfde deelvak (4 tekens)

De nationale codes vermelden.

De nationale code bestaat uit een code van 2 tekens, zonodig aangevuld met de nationale accijnscode van 2 tekens.

Indien in vak 31 met toepassing van artikel 38, vijfde lid, van de Douaneregeling is vermeld ‘scheepsprovisie’ of ‘scheepsbehoeften’, vermelden 9930.24.0000 (indien het betreft uitsluitend of hoofdzakelijk goederen van de hoofdstukken 1–24) of 9930.99.0000 (indien het betreft uitsluitend of hoofdzakelijk goederen van andere hoofdstukken).

Deze goederencodes worden verder niet gebruikt, ook niet bij invoer.

Voor een samenstelling van goederen van diverse soorten waarvoor is toegestaan dat als omschrijving een algemene aanduiding wordt vermeld (zoals ‘Verhuisgoed’, ‘Huwelijksgoederen’), als goederencode vermelden 9990 99 0200.

Bij plaatsing onder het stelsel van douane-entrepot van de typen B en C, de vermelding van de goederencode 9990.99.0200, indien op grond van de vergunning van het douane-entrepot de vermelding van de goederencode niet is vereist.

Vak 34a: Code land van oorsprong

Gebruik de in vak 2 vermelde landencode.

Vak 36: Preferentie

De in dit vak aan te brengen codes zijn driecijfercodes bestaande uit een element van één cijfer gevolgd door een element van twee cijfers.

De Commissie zal in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie op gezette tijden de lijst van combinaties van codes bekendmaken, vergezeld van de nodige voorbeelden en een toelichting.

Vak 37: Regeling

A. Eerste deelvak

De in dit deelvak in te vullen codes zijn viercijfercodes waarvan de eerste twee de gevraagde regeling en de laatste twee de voorafgaande regeling weergeven.

Onder voorafgaande regeling wordt verstaan de regeling waaronder de goederen zich bevonden alvorens onder de gevraagde regeling te worden geplaatst.

Indien de goederen voordien onder een entrepotstelsel of een regeling tijdelijke invoer waren geplaatst of uit een vrije zone herkomstig zijn, wordt de desbetreffende code slechts gebruikt indien de goederen niet onder een economische douaneregeling (actieve/passieve veredeling, behandeling onder douanetoezicht) waren geplaatst.

Voorbeeld: wederuitvoer van in het kader van de regeling actieve veredeling (schorsingssysteem) ingevoerde en vervolgens onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen = 3151 (en niet 3171) (eerste verrichting = 5100; tweede verrichting = 7151; wederuitvoer = 3151).

Op dezelfde wijze wordt de plaatsing van goederen onder één van de vorengenoemde opschortende regelingen bij wederinvoer na tijdelijke uitvoer als een gewone invoer onder dat stelsel beschouwd. De wederinvoer wordt pas bij het in het vrije verkeer brengen van de goederen in aanmerking genomen.

Voorbeeld: gelijktijdige aangifte tot verbruik en voor het vrije verkeer van goederen die in het kader van de regeling passieve veredeling werden uitgevoerd en bij wederinvoer onder het stelsel van douane-entrepots worden geplaatst = 6121 (en niet 6171) (eerste verrichting = tijdelijke uitvoer voor passieve veredeling = 2100; tweede verrichting = plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots = 7121; derde verrichting = aangifte tot verbruik + in het vrije verkeer brengen = 6121).

De met de letter (a) aangemerkte codes (54 en 92) mogen niet worden gebruikt als eerste element van de code die de regeling aangeeft, doch verwijzen naar de voorafgaande regeling.

Bijvoorbeeld: 4054 = aangifte voor het vrije verkeer en tot verbruik van goederen die voordien in een andere lidstaat onder de regeling AV – schorsingssysteem waren geplaatst.

Deze basiselementen worden twee per twee tot een viercijfercode gecombineerd.

Bij de te gebruiken codes worden de volgende toelichtingen en voorbeelden gegeven:

Let op: De codes uit de serie 0 hebben uitsluitend betrekking op de betaling van communautaire middelen (vrij verkeer brengen) en niet de nationale middelen zoals omzetbelasting en accijns.

Code 01: (In het vrije verkeer brengen van goederen met gelijktijdige wederverzending in het handelsverkeer tussen delen van het douanegebied van de Gemeenschap waar richtlijn 77/388/EEG van de Raad (PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1) van toepassing is en delen van dit gebied waar deze richtlijn niet van toepassing is, dan wel in het handelsverkeer tussen delen van dit gebied waar deze richtlijn niet van toepassing is. In het vrije verkeer brengen van goederen met gelijktijdige wederverzending in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en landen waarmee deze een douane-unie heeft opgericht)

Voorbeeld: Uit een derde land herkomstige goederen die in Nederland in het vrije verkeer worden gebracht en verder worden vervoerd met bijvoorbeeld de bestemming de Kanaaleilanden.

Code 02: (Goederen die in het vrije verkeer worden gebracht teneinde onder de regeling actieve veredeling (terugbetalingssysteem) te worden geplaatst)

Toelichting: Actieve veredeling (terugbetalingssysteem) overeenkomstig artikel 114, lid 1, onder b), van het CDW.

Code 07: (In het vrije verkeer brengen en gelijktijdige plaatsing onder een andere entrepotregeling dan een douane-entrepotregeling)

Toelichting: Deze code wordt gebruikt bij het uitsluitend in het vrije verkeer brengen van goederen waarvoor de omzetbelasting, en in voorkomend geval, de accijns niet is voldaan.

Voorbeelden: Ingevoerde machines worden in het vrije verkeer gebracht zonder dat de omzetbelasting is voldaan. Tijdens het verblijf van de goederen in een belastingentrepot of – fiscaal goedgekeurde ruimte is de omzetbelasting geschorst.

Ingevoerde sigaretten worden in het vrije verkeer gebracht zonder dat de omzetbelasting en de accijnzen worden voldaan. Tijdens het verblijf in een belastingentrepot of fiscaal goedgekeurde ruimte zijn de omzetbelasting en de accijnzen geschorst.

Code 10: Definitieve uitvoer

Voorbeeld: Normale uitvoer van communautaire goederen naar een derde land, alsmede uitvoer/verzending van communautaire goederen naar delen van het douanegebied van de Gemeenschap waar richtlijn 77/388/EEG (PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1) niet van toepassing is.

Code 11: (Uitvoer van uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten in het kader van de regeling actieve veredeling (schorsingssysteem) voordat de invoergoederen onder de regeling worden geplaatst)

Toelichting: Voorafgaande uitvoer (EX-IM) overeenkomstig artikel 115, lid 1, onder b) van het CDW.

Voorbeeld: Uitvoer van sigaretten vervaardigd van tabaksbladeren die de status hebben van communautaire goederen, alvorens uit derde landen herkomstige tabaksbladeren onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst.

Code 21: (Tijdelijke uitvoer in het kader van de regeling passieve veredeling)

Toelichting: Regeling passieve veredeling overeenkomstig de artikelen 145 tot 160 van het CDW. Zie eveneens code 22.

Code 22: (Tijdelijke uitvoer andere dan bedoeld onder code 21)

Voorbeeld: Gelijktijdige toepassing van de regelingen passieve veredeling en economische passieve veredeling voor textielproducten (Verordening nr. 3036/94 van de Raad).

Code 23: (Tijdelijke uitvoer met het oog op latere terugkeer in ongewijzigde staat)

Voorbeeld: Tijdelijke uitvoer van voorwerpen voor tentoonstellingen, monsters, materieel voor beroepsdoeleinden enz.

Code 31: (Wederuitvoer)

Toelichting: Wederuitvoer van niet-communautaire goederen volgende op een opschortende economische douaneregeling.

Voorbeeld: Aangifte van goederen tot opslag in douane-entrepot gevolgd door aangifte tot wederuitvoer.

Code 40: (Gelijktijdige aangifte voor het vrije verkeer en tot verbruik van goederen die niet met vrijstelling van omzetbelasting worden geleverd)

Voorbeeld: Uit een derde land herkomstige goederen waarvoor de douanerechten en de omzetbelasting worden betaald.

Code 41: (Gelijktijdige aangifte voor het vrije verkeer en tot verbruik van onder de regeling actieve veredeling (terugbetalingssysteem) geplaatste goederen)

Voorbeeld: Regeling actieve veredeling met betaling van douanerechten en nationale heffingen bij invoer zoals omzetbelasting en accijns.

Code 42: (Gelijktijdige aangifte voor het vrije verkeer en tot verbruik van goederen met vrijstelling van omzetbelasting voor levering in een andere lidstaat)

Voorbeeld: Invoer met vrijstelling van omzetbelasting door tussenkomst van een fiscaal vertegenwoordiger.

Code 43: (Gelijktijdige aangifte voor het vrije verkeer en tot verbruik van goederen krachtens bijzondere maatregelen in verband met de invordering van bepaalde bedragen die gedurende een overgangsperiode na de toetreding van nieuwe lidstaten van toepassing zijn)

Voorbeeld: In het vrije verkeer brengen van landbouwproducten in het kader van de toepassing, gedurende een specifieke overgangsperiode na de toetreding van nieuwe lidstaten, van een tussen de nieuwe lidstaten en de rest van de Gemeenschap toepasselijke bijzondere douaneregeling of bijzondere maatregelen van het type dat destijds ten aanzien van Spanje en Portugal van kracht was.

Code 45: (Aangifte voor het vrije verkeer en tot verbruik met vrijstelling van, hetzij omzetbelasting, hetzij accijnzen, en plaatsing onder een fiscale entrepotregeling)

Toelichting: Vrijstelling van omzetbelasting of accijnzen bij de plaatsing van goederen onder een fiscale entrepotregeling.

Voorbeelden: Uit een derde land ingevoerde sigaretten worden in het vrije verkeer gebracht en de omzetbelasting wordt betaald. Tijdens het verblijf van de goederen in een belastingentrepot of fiscaal goedgekeurde ruimte is de accijns geschorst.

Uit een derde land ingevoerde sigaretten worden in het vrije verkeer gebracht en de accijns wordt betaald. Tijdens het verblijf in een belastingentrepot of fiscaal goedgekeurde ruimte is de omzetbelasting geschorst.

Code 48: (Gelijktijdige aangifte voor het vrije verkeer en tot verbruik van vervangingsproducten in het kader van de regeling passieve veredeling, voorafgaand aan de uitvoer van tijdelijk uit te voeren goederen)

Toelichting: Regeling equivalentieverkeer (IM-EX), voorafgaande invoer overeenkomstig artikel 154, lid 4, van het CDW.

Code 49: (Aangifte tot verbruik van communautaire goederen in het handelsverkeer tussen delen van het douanegebied van de Gemeenschap waar richtlijn 77/388/EEG van toepassing is en delen van dit gebied waar deze richtlijn niet van toepassing is, dan wel in het kader van het handelsverkeer tussen delen van dit gebied waar de genoemde richtlijn niet van toepassing is)

Toelichting: Invoer met aangifte tot verbruik van goederen herkomstig uit delen van de EU waar de Richtlijn 77/388/EG (omzetbelasting) niet van toepassing is. Aanwijzingen betreffende het gebruik van het Enig document zijn in artikel 206 TVo.CDW opgenomen.

Voorbeelden: Goederen van herkomst uit Martinique die in België tot verbruik worden aangegeven.

Goederen van herkomst uit Turkije die in Duitsland tot verbruik worden aangegeven.

Code 51: (Plaatsing onder de regeling actieve veredeling (schorsingssysteem))

Toelichting: Actieve veredeling (schorsingssysteem) overeenkomstig artikel 114, lid 1, onder a), en lid 2, onder a), van het CDW.

Code 53: (Invoer in het kader van de regeling tijdelijke invoer)

Voorbeeld: Tijdelijke invoer, bijvoorbeeld voor een tentoonstelling.

Code 54: (Actieve veredeling (schorsingssysteem) in een ander lidstaat (zonder dat de goederen aldaar in het vrije verkeer zijn gebracht). (a))

Toelichting: Deze code dient ter registratie van de transactie in de statistiek van de intracommunautaire handel.

Voorbeeld: Uit een derde land herkomstige goederen worden in België voor de regeling actieve veredeling aangegeven (5100). Na actieve veredeling worden zij naar Duitsland verzonden teneinde aldaar in het vrije verkeer te worden gebracht (4054) of aanvullende veredelingshandelingen te ondergaan (5154).

Code 63: ( Wederinvoer met gelijktijdige aangifte tot verbruik voor het vrije verkeer van goederen met vrijstelling van omzetbelasting die in een andere lidstaat worden geleverd)

Voorbeeld: Wederinvoer na passieve veredeling of tijdelijke uitvoer waarbij de eventuele omzetbelastingschuld ten laste komt van een fiscaal vertegenwoordiger.

Code 68 : (Wederinvoer met gelijktijdige partiële aangifte tot verbruik en aangifte voor het vrije verkeer en plaatsing onder een entrepotregeling andere dan het stelsel van douane-entrepots)

Voorbeeld: Verwerkte alcoholische dranken die wederingevoerd worden en in een accijnsentrepot worden opgeslagen.

Code 71: (Plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots)

Toelichting: Plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots. Dit vormt geen beletsel voor de gelijktijdige opslag in, bijvoorbeeld, een accijns- of omzetbelastingentrepot.

Code 76: (Plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots of in een vrije zone met voorfinanciering van producten of goederen die bestemd zijn om in ongewijzigde staat wederuitgevoerd te worden)

Voorbeeld: Opslag van voor uitvoer bestemde goederen met voorfinanciering (artikel 5, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwproducten (PB L 62 van 7.3.1980, blz. 5)).

Code 77: (Opslag in douane-entrepot, vrije zone of vrij entrepot met voorfinanciering van verwerkte producten of goederen die bestemd zijn om na behandeling te worden uitgevoerd)

Voorbeeld: Opslag van voor uitvoer bestemde verwerkte producten en uit basisproducten verkregen goederen met voorfinanciering (artikel 4, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 565/80)).

Code 92: (Behandeling onder douanetoezicht in een andere lidstaat (zonder dat de goederen aldaar in het vrije verkeer zijn gebracht)(a))

Toelichting: Deze code dient voor de registratie van de transactie in de statistiek van de intracommunautaire handel.

Voorbeeld: Uit een derde land herkomstige goederen ondergaan in België een behandeling onder douanetoezicht (9100), waarna zij naar Duitsland worden verzonden teneinde aldaar in het vrije verkeer te worden gebracht (4092) of een aanvullende behandeling te ondergaan (9192).

B. Tweede deelvak

1. Wanneer in dit vak een communautaire regeling wordt vermeld, dan wordt een communautaire code bestaande uit een letterteken gevolgd door twee alfanumerieke tekens gebruikt, waarbij het eerste teken een van de volgende categorieën maatregelen aangeeft:

Actieve veredeling

Axx

Passieve veredeling

Bxx

Vrijstellingen

Cxx

Tijdelijke invoer

Dxx

Landbouwproducten

Exx

Diverse

Fxx

2. Nationale codes bestaan uit een numeriek teken gevolgd door twee (alfa)numerieke tekens.

Vrijstelling douaneregeling:

001–099

Aanvullingen onderdeel vrijstellingen (c):

100–199

Aanvullingen onderdeel actieve veredeling (a):

200–299

Aanvullingen onderdeel passieve veredeling (b):

300–399

Aanvullingen onderdeel tijdelijke invoer (d):

400–499

Aanvullingen onderdeel landbouwproducten (e):

500–599

Aanvullingen onderdeel diverse (f):

600–699

Bij de te gebruiken codes worden de volgende toelichtingen en voorbeelden gegeven:

Gevraagde regeling 01

Voorafgaande regeling 00

Verbijzondering regeling E02

Combinatie code 0100E02

Omschrijving: In het vrije verkeer brengen van goederen met gelijktijdig wederverzending naar bijvoorbeeld de Kanaaleilanden voor groenten en fruitproducten met toepassing van de forfaitaire invoerwaarde. Er is geen voorafgaande regeling van toepassing.

Gevraagde regeling 40

Voorafgaande regeling 41

Verbijzondering regeling F43

Combinatie code 4041F43

Omschrijving: In het vrije verkeer brengen en tot verbruik aangeven van goederen die ter beëindiging van de onder de regeling actieve veredeling terugbetaling geplaatste goederen met het oog op wederuitvoer in een douane-entrepot (art 128, lid 1, 2e gedachtestreepje CDW) waren geplaatst waarbij geen compenserende rente is verschuldigd (artikel 519, lid 4, TVo.CDW).

Gevraagde regeling 63

Voorafgaande regeling 21

Verbijzondering regeling B02

Combinatie code 6321B02

Omschrijving: Wederinvoer met gelijktijdige aangifte tot verbruik voor het vrije verkeer van goederen met vrijstelling van omzetbelasting die in een andere lidstaat worden geleverd na passieve veredeling, (eventueel met tussentijds entrepotopslag voorafgaande aan de wederinvoer) bij wijze van herstelling onder garantie, van terugkerende veredelingsproducten.

Gevraagde regeling 53

Voorafgaande regeling 71

Verbijzondering regeling D51

Combinatie code 5371D51

Omschrijving: Invoer in het kader van de regeling tijdelijke invoer na douane-entrepot opslag. Het betreft hier tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van artikel 142 CDW. De wettelijke bepalingen inzake de omzetbelasting voorzien niet in een vrijstelling waardoor de omzetbelasting is verschuldigd.

Gevraagde regeling 11

Voorafgaande regeling 00

Verbijzondering regeling ---

Combinatie code 1100

Omschrijving: Voorafgaande uitvoer bij actieve verdeling. Er is geen voorafgaande regeling en verbijzondering van de regeling van toepassing.

Gevraagde regeling 21

Voorafgaande regeling 51

Verbijzondering regeling B51

Combinatie code 2151B51

Omschrijving: Goederen die onder de regeling passieve veredeling worden uitgevoerd die zich op dat moment bevinden onder de regeling actieve veredeling schorsing. De goederen worden in het kader van herstelling onder de regeling passieve veredeling geplaatst.

Vak 40: Summiere aangifte/voorafgaand document

De in dit vak te vermelden codes zijn alfanumeriek (an..31) Elke code bestaat uit drie verschillende elementen die van elkaar worden gescheiden door een (-).

Het eerste element (a1), dat uit drie verschillende letters bestaat, dient om een onderscheid te maken tussen de drie soorten aangiften.

Het tweede element (an..3), bestaande uit cijfers of letters of een combinatie van cijfers en letters, geeft de aard van het document aan.

In tabel A28 komt onder meer de code ‘CLE’ voor die betekent ‘Datum en kenmerk van inschrijving van de goederen in de administratie’ (artikel 76, lid 1, onder c van het CDW). De datum wordt als volgt gecodeerd: jjjjmmdd.

Het derde element (an..25) bevat de identificatie van het document, hetzij het identificatienummer (bestaande uit het voorafgaand artikelnummer (an..4), indien van toepassing, en het nummer van het document (an..21)), hetzij een ander kenmerk.

Voorbeelden:

– Het voorafgaande document is een document voor douanevervoer T1 en het door het kantoor van bestemming toegekende nummer is ‘238544’. De code is dan ‘Z-821-238544’. (‘Z’ voor het voorafgaand document, ‘821’ voor de regeling douanevervoer en ‘238544’ voor het registratienummer van het document (of MRN voor NCTS-transacties).

– Een goederenmanifest met het nummer ‘2222’ wordt als summiere aangifte gebruikt. De code is dan ‘X-785-2222’. (‘X’ voor de summiere aangifte, ‘785’ voor het goederenmanifest en ‘2222’ voor het identificatienummer van het goederenmanifest).

– De goederen zijn op 14 februari 2002 in de administratie ingeschreven. De code is dan: ‘Y-CLE-20020214-5’ (‘Y’ om aan te geven dat er een oorspronkelijke aangifte is, ‘CLE’ voor ‘inschrijving in de administratie’, ‘20020214’ voor de datum van registratie, dat wil zeggen het jaar ‘2002’, de maand ‘02’ en de dag ‘14’, en ‘5’ voor de referentie van de inschrijving.

Indien het voorafgaand document op basis van het Enig document is opgesteld, bestaat de afkorting van het document uit de voor vak 1, eerste deelvak, voorgeschreven codes. (IM, EX, CO en EU).

Vak 44: Bijzondere vermeldingen/voorgelegde stukken/certificaten en vergunningen

1. Bijzondere vermeldingen

De bijzondere vermeldingen op douanegebied worden gecodeerd door middel van een code van vijf cijfers. Deze code wordt na de betrokken vermelding ingevuld, tenzij de communautaire wetgeving voorschrijft dat deze code de tekst vervangt.

De codes voor bijzondere communautaire vermeldingen zijn als volgt ingedeeld:

Algemene categorie

Code 0xxxx

Bij invoer

Code 1xxxx

Bij uitvoer

Code 3xxxx

Voorbeeld: Bij de vereenvoudigde aangifte ten uitvoer moet het exemplaar 3 van de vermelding ‘vereenvoudigde uitvoer’ zijn voorzien (artikel 280, lid 3). In dit geval wordt in vak 44: ‘Vereenvoudigde uitvoer – 30100’ ingevuld.

De communautaire wetgeving schrijft voor dat in andere vakken dan vak 44 bepaalde bijzondere vermeldingen moeten worden aangebracht. Deze worden evenwel volgens dezelfde regels gecodificeerd als de vermeldingen die specifiek in vak 44 moeten worden aangebracht. Wanneer in de communautaire wetgeving niet is bepaald in welke vakken een vermelding dient voor te komen, dient deze eveneens in vak 44 te worden aangebracht.

De codes voor bijzondere nationale vermeldingen zijn als volgt ingedeeld:

Bij invoer

Code: 90xxx

Bij uitvoer

Code: 95xxx

Algemene categorie

Code: 97xxx

2. Overgelegde documenten, certificaten en vergunningen

a. De tot staving van de aangifte overgelegde documenten, certificaten en communautaire of internationale vergunningen worden opgegeven door middel van een code bestaande uit 4 alfanumerieke tekens gevolgd door, hetzij een identificatienummer, hetzij een ander kenmerk. De lijst van documenten, certificaten en vergunningen en de overeenkomstige codes zijn in de TARIC-databank opgenomen. Deze lijst is beschikbaar via de Internet website van de douane: www.douane.nl/taric-nl.

Omschrijving

1e positie

Verschillende types van echtheidcertificaten

A

Andere certificaten/documenten dan bedoeld onder de andere categorieën hiervoor en hierna.

C

Antidumping documenten

D

Exportcertificaten/documenten afgegeven door een derde land

E

Handilooms certificaten

H

Surveillance certificaten/documenten

I

Invoercertificaten/documenten

L

Codes door Verenigde Naties vastgesteld voor verschillende documenten/certificaten in het Enig Document

N

Oorsprongscertificaten met bijzondere vermeldingen

U

Exportcertificaten/documenten afgegeven door een lidstaat

X

b. De tot staving van de aangifte overgelegde nationale documenten, certificaten en vergunningen worden vermeld in de vorm van een code bestaande uit een numeriek teken gevolgd door 3 alfanumerieke tekens (bijvoorbeeld 2123, 34d5…), eventueel gevolgd door, hetzij een identificatienummer, hetzij een ander kenmerk.

Omschrijving

1e positie

Bescheid t.b.v. invoer

0

Fictieve bescheiden voor in- en uitvoer

1

Bescheid t.b.v. invoer

2

Bescheid t.b.v. uitvoer

8

Bescheid t.b.v. in- en uitvoer

9

Vak 46: Statistische waarde

Bij plaatsing onder het stelsel van douane-entrepot van de typen B en C, de vermelding van de waarde van ‘1’ indien op grond van de vergunning van het douane-entrepot de vermelding van de statistische waarde niet is vereist.

Vak 47 (1) Type belasting

Type belasting (middelcode)

De communautair vastgestelde codes (an3) bestaan uit 1 letter (1e positie) plus 2 twee tekens (2e en 3e positie).

Omschrijving

1e positie

Communautaire rechten bij invoer

A

Omzetbelasting

B

Communautaire rechten bij uitvoer

C

Communautaire renten

D

Voor andere lidstaten geheven rechten

E

De nationaal vastgestelde codes (an3) bestaan uit 1 cijfer (1e positie) plus 2 twee tekens (2e en 3e positie).

Omschrijving

1e positie

Nationale rechten m.b.t. aangiften

0

Vak 49: Identificatie van het entrepot

De te vermelden code bestaat uit drie elementen en heeft de volgende structuur:

– een letter ter aanduiding van het soort entrepot (a1):

– de letter die het type entrepot (B, C, D en E) aangeeft volgens de omschrijving in artikel 525 TVo.CDW.

– Voor andere dan de in artikel 525 vermelde entrepots het volgende vermelden:

a:. voor een entrepot dat geen douane-entrepot is: Y (waaronder bijvoorbeeld het bevoorradingsdepot of een accijnsgoederenplaats);

b:. voor een vrije zone of een vrij entrepot: Z.

– het door de lidstaat bij de afgifte van de vergunning toegekende identificatienummer. (an..20).

– de landencode van de lidstaat die de vergunning heeft afgegeven, zoals vermeld in vak 2 (a2).

Vak 51: Voorziene kantoren van doorgang (en land)

De in vak 29 vermelde codes gebruiken.

Vak 52: Zekerheid

Vermelding van landen in de rubriek ‘niet geldig voor’:

De in vak 2 vermelde landencodes gebruiken.

Vak 53: Kantoor van bestemming (en land)

De in vak 29 vermelde codes gebruiken.

III. Overzicht van de te gebruiken tabellen

Vak

Rubrieknaam

Tabel

Codeboek Sagitta/Opmerking

1a

Aangiftesymbool

A03

invoer

  

A03

uitvoer

1b

Aangiftetype

A04

invoer

  

A04

uitvoer

1c

Douanestatus

031

algemeen

2

Afzender/Exporteur ‘landcode NL’

S01

algemeen

 

Afzender/Exporteur ‘code diverse’

A12

uitvoer1

3

Formulieren

nvt

 

4

Ladingslijsten

nvt

 

5

Artikelen

nvt

 

6

Totaal aantal colli

nvt

 

7

Referentienummer

nvt

 

8

Geadresseerde ‘landcode NL’

S01

algemeen

 

Geadresseerde ‘code diverse’

A12

invoer1

  

A12

uitvoer1

9

Financieel verantwoordelijke ‘vertegenwoordigde landcode NL’

S01

algemeen

14

Aangever/vertegenwoordiger ‘status vertegenwoordiging’

A81

algemeen

 

Aangever/vertegenwoordiger ‘landcode NL’

S01

algemeen

 

Aangever/vertegenwoordiger ‘code exp-afzender’

A12

uitvoer1

 

Aangever/vertegenwoordiger ‘code geadresseerde’

A12

invoer1

 

Aangever/vertegenwoordiger ‘betaling door’

A84

algemeen

 

Aangever/vertegenwoordiger ‘wijze zekerheidstelling’

S09

invoer

15a

Land van Verzending/Uitvoer

S01

algemeen

17a

Land van Bestemming

S01

algemeen

18a

Identiteit vervoermiddel bij vertrek/aankomst

nvt

 

18b

Nationaliteit vervoermiddel bij vertrek/aankomst

S01

algemeen

19

Container (indicatie)

nvt

0 of 1

20

Leveringsvoorwaarden

A14

algemeen

21a

Identiteit actieve vervoermiddel grensoverschrijding

nvt

 

21b

Nationaliteit actieve vervoermiddel grensoverschrijding

S01

algemeen

22

Valuta en Totaal gefactureerd bedrag

S10

algemeen

23

Wisselkoers (alleen voor Aanvullende Aangiften)

nvt

 

24

Aard van de transactie

A22

algemeen

25

Vervoerwijze aan de grens

A27

algemeen

26

Binnenlandse vervoerwijze

A27

algemeen

27

Plaats van lading/lossing

nvt

 

29

Kantoor van Uitgang

Kantoor van binnenkomst (DV1 gegeven bij invoer)

S20

UN lijst

algemeen

UN/Locode ‘plus’

30

Plaats van de goederen

nvt

postcode/huisnummer

31

Colli en omschrijving van de goederen

  
 

– ‘soort colli’

A25

algemeen

 

– ‘vermeldingen vanuit de accijnswetgeving’

A12

uitvoer

 

– ‘samenstelling van de goederen Vo 800/1999’

T08

uitvoer

32

Artikelnummer

nvt

 

33

Goederencode

nvt

HBI II2

34a

Land van Oorsprong

S01

algemeen

35

Brutomassa

nvt

 

36

Preferentie (communautaire)

T17

algemeen

37a

Gevraagde- en voorafgaande regeling

A35

invoer

  

A35

uitvoer

37b

Verbijzondering regeling

A29

invoer

  

A29

uitvoer

38

Nettomassa

nvt

 

39

Contingent

T12

algemeen

 

(combinaties met communautaire preferenties vak 36)

T17

algemeen

40

Summiere aangifte/voorafgaande document ‘type’

A80

algemeen

 

Summiere aangifte/voorafgaande document ‘soort’

A28

algemeen

41

Aanvullende eenheden

nvt

 

42

Prijs van de goederen

nvt

 

43

Code M/W (alleen voor Aanvullende Aangiften)

A83

algemeen

44 (1)

Bijzondere vermeldingen

A12

invoer

  

A12

uitvoer

44 (2)

Voorgelegde stukken/certificaten/vergunningen

T03

invoer

  

T03

uitvoer

44 (3)

Overig/lopende procedures

A15

invoer

  

A15

uitvoer

45

Aanpassing

nvt

 

46

Statistische/douanewaarde

nvt

 

47 (1)

Berekeningsgegevens ‘type belasting’

A16

algemeen

47 (2)

Berekeningsgegevens ‘code maatstaf van heffing’

T08

invoer

(voor uitvoer: zie vak 31)

47 (5)

Berekeningsgegevens ‘wijze van betaling’

S09

invoer

49

Identificatie entrepot ‘type’

A30

algemeen

 

Identificatie entrepot ‘land’

S01

algemeen

50

Aangever communautair Douanevervoer

nvt

 

51

Voorziene Kantoor van Doorgang

UN lijst

UN/Locode)

52

Zekerheid ‘type’

051

transit

 

Zekerheid ‘niet geldig voor’

S01

algemeen

53

Kantoor van Bestemming

UN lijst

UN/Locode)

54

Plaats en datum

nvt

 

55

Overlading

nvt

 

56

Andere gebeurtenissen tijdens vervoer

nvt

 

1 Uitsluitend in geval van een niet-geautomatiseerde aangifte.

2 Beschikbaar op www.douane.nl.

Titel III. Toelichting op de aanvullende formulieren

A. Aanvullende formulieren mogen slechts worden gebruikt wanneer de aangifte op meerdere artikelen betrekking heeft (zie vak 5) en moeten tezamen met een IM, EX, EU (of, eventueel, CO) formulier worden overgelegd.

B. De aanwijzingen in de titels I en II zijn eveneens van toepassing op de aanvullende formulieren.

Hierbij wordt echter het volgende opgemerkt:

– in het eerste deelvak van vak 1 wordt de afkorting ‘IM/c’, ‘EX/c’ of ‘EU/c’ (of eventueel ‘CO/c’) aangebracht; deze afkortingen worden echter niet vermeld:

– wanneer het formulier uitsluitend voor communautair douanevervoer wordt gebruikt, in welk geval in het derde deelvak ‘T1bis’, ‘T2bis’, ‘T2Fbis of T2SMbis’ wordt vermeld, al naar gelang de regeling communautair douanevervoer die op de goederen van toepassing is;

– wanneer het formulier uitsluitend wordt gebruikt om het communautaire karakter van de goederen aan te tonen, in welk geval in het derde deelvak, naar gelang de douanestatus van de goederen, ‘T2Lbis’, ‘T2LFbis of T2LSMbis’ wordt ingevuld.

– de lidstaten kunnen bepalen dat vak 2/8 niet wordt ingevuld of uitsluitend de naam, de voornaam en het eventuele identificatienummer van de betrokkene mag bevatten,

– het gedeelte ‘samenvatting’ van vak 47 is bestemd voor de definitieve samenvatting van alle artikelen waarop de gebruikte IM en IM/c of EX en EX/c of EU en EU/c (eventueel CO en CO/c) formulieren betrekking hebben. Dit vak wordt dus uitsluitend ingevuld op het laatste formulier van de bij een IM, EX of EU (eventueel CO) document gevoegde IM/c, EX/c of EU/c (eventueel CO/c) formulieren. Op deze plaats worden het totaal per type belasting en het totaalgeneraal (TG) van de verschuldigde belastingen vermeld.

C. Wanneer aanvullende formulieren worden gebruikt:

– worden de niet-ingevulde vakken 31 (Colli en omschrijving van de goederen) van het aanvullend formulier doorgehaald zodat het niet mogelijk is daar later iets toe te voegen;

– wanneer in het derde deelvak van vak 1 de afkorting ‘T’ is vermeld, worden de vakken 32 ‘Artikelnummer’, 33 ‘Goederencode’, 35 ‘Brutomassa (kg)’, 38 ‘Nettomassa (kg)’, 40 ‘Summiere aangifte/voorafgaand document’, en 44 ‘Bijzondere vermeldingen/voorgelegde stukken/certificaten en vergunningen’ van het eerste artikel op de aangifte voor douanevervoer doorgehaald en mogen de merken, nummers, aantal en soort van de colli en de omschrijving van de goederen niet in het eerste vak 31 ‘Colli en omschrijving van de goederen’ van het document worden vermeld. In het eerste vak 31 van dit document wordt het aantal aanvullende formulieren ingevuld waarop het teken T1bis, T2bis, T2Fbis of T2LSMbis voorkomt.

1

Onder ‘EVA’ wordt in deze bijlage niet enkel verstaan de landen van de EVA, doch eveneens de andere partijen bij de overeenkomsten ‘Gemeenschappelijk douanevervoer’ en ‘Vereenvoudiging van de formaliteiten in het goederenverkeer’, met uitzondering van de Gemeenschap.

2

Aanbeveling van de Internationale Douaneraad (Wereld Douane Organisatie) betreffende het voor douanedoeleinden te gebruiken Unique Consignment Reference Number (UCRN) (30 juni 2001).

BIJLAGE VII

Bij de Algemene Douaneregeling

Opsomming van:

– diverse Verordeningen ((E)EG), houdende marktordeningen voor diverse landbouwproducten;

– bevoegde Productschappen;

– goederen onderworpen aan de overlegging van een Formulier L voor diverse douaneregelingen.

 

Goederen vallende onder Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007, houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening); (PbEG L 299)

Bevoegd Product-

schap

Goederen onderworpen aan de overlegging van een formulier L bij invoer,

– het in het vrije verkeer brengen

– het plaatsen onder een regeling actieve veredeling

Goederen onderworpen aan de overlegging van een formulier L bij uitvoer,

– uitvoer

– het plaatsen van goederen onder de regeling passieve veredeling

I

a

Producten genoemd in bijlage I, deel I: Granen

Hoofdproductschap Akkerbouw

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel I

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel I

b

vervallen

   

c

Producten genoemd in bijlage I, deel II: Rijst

Hoofdproductschap Akkerbouw

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel II

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel II

d

Producten genoemd in bijlage I, deel III: Suiker

Hoofdproductschap Akkerbouw

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel III, m.u.v. de posten 2303 2010 en 2203 2090, bietentulp, uitgeperst suikerriet (ampas) en andere afvallen van de suikerindustrie

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel III, m.u.v. de posten 1212 9120 en 1212 9180, suikerbieten, vers, gedroogd of in poeder en 1212 99, suikerriet, en 2303 2010 en 2303 2090.

    

bietenpulp, uitgeperst suikerriet (ampas) en andere afvallen van de suikerindustrie

e

vervallen

   

f

Verordening (EG) no. 1493/1999 de Raad van 17 mei 1999, houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, met uitzondering van de post 0806 1090 (PbEg L179)

Hoofdproductschap Akkerbouw

Alle goederen die vallen onder Verordening (EG) no. 1493/1999, met uitzondering van de post 0806 1090, alsmede druivenmost andere dan bedoeld bij 2009 61 en 2009 69

22.04. Wijn van druiven, wijn waaraan alcohol is toegevoegd daar onder begrepen, alsmede druivenmost andere dan bedoeld bij 2009 61 en 2009 69, met uitzondering van de post 2204 3010 en producten waarvoor geen restitutie wordt gevraagd.

g

Producten genoemd in bijlage I, deel VIII: Vezelvlas en -hennep

Hoofdproductschap Akkerbouw

  

h

Producten genoemd in bijlage I, deel VI: Hop

Hoofdproductschap Akkerbouw

  

i

Producten genoemd in bijlage I, deel V: Zaaizaad

Hoofdproductschap Akkerbouw

De posten 1005 1011 t/m 1005 1019, maïshybriden voor zaaidoeleinden (*) en

1007 0010, sorgohybriden voor zaaidoeleinden (*)

 

j

Producten genoemd in bijlage I, deel IV: Gedroogde voedergewassen

Hoofdproductschap Akkerbouw

  

k

Vervallen

   

l

Verordening (EG) no. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen; (PbEG L 318)

Hoofdproductschap Akkerbouw, tenzij het Productschap Zuivel bevoegd is

De goederen opgenomen in de bijlage Verordening (EEG) nr. 3448/93 met uitzondering van:

– de posten 3501 1010 t/m 3501 1090 en de post 3501 9090 caseïnaten en andere derivaten van caseïne, indien vervaardigd uit ondermelk waarvoor steun is verleend ingevolge Verordening (EEG) nr. 2921/90;

De goederen opgenomen in de bijlage Verordening (EEG) nr. 3448/93 met uitzondering van:

– de posten 3501 1010 t/m de post 3501 9090, caseïne, caseïnaten en andere derivaten van caseïne, indien vervaardigd uit ondermelk waarvoor steun is verleend ingevolge Verordening (EEG) nr. 2924/90;

   

– mengsels in de zin van artikel 4, vijfde lid, van Verordening (EEG no. 2921/90 die vallen onder de posten 1901, 2106, 3501 en 3504 en bij de vervaardiging waarvan de onder het eerste streepje bedoelde producten zijn gebruikt: uitsluitend bij het Productschap Zuivel

– mengsels in de zin van artikel 4, vijfde lid van Verordening (EEG) no. 2921/90 die vallen onder de posten 1901, 3501 en 3504 en bij de vervaardiging waarvan de onder het eerste streepje bedoelde producten zijn gebruikt: uitsluitend bij het Productschap Zuivel

m

Verordening (EG) no. 1043/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 houdende de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad met betrekking tot de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en van bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd

Hoofdproductschap Akkerbouw

 

De niet-bijlage I-producten bedoeld in artikel I, eerste lid van Verordening (EG) no. 1043/2005 (*)

 

in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het verdrag vallen, en de criteria voor de vaststelling van de restitutiebedragen (PbEG L 177)

   

n

Producten genoemd in bijlage I, deel XXI : Andere producten, voorzover het de producten betreft die zijn opgenomen onder A van het aanhangsel bij deze bijlage

Hoofdproductschap Akkerbouw

  
     

II

a

Producten genoemd in bijlage I, deel XVII: Varkensvlees

Productschap voor Vee en Vlees

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel XVII: Varkensvlees

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel XVII: Varkensvlees

b

Producten genoemd in bijlage I, deel XV: Rundvlees

Productschap voor Vee en Vlees

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel XV: Rundvlees

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel XV: Rundvlees

c

Producten genoemd in bijlage I, deel XVIII: Schapen- en geitenvlees

Productschap voor Vee en Vlees

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel XVIII: Schapen- en geitenvlees

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel XVIII: Schapen- en geitenvlees

d

Producten genoemd in bijlage I, deel XXI : Andere producten, voorzover het de producten betreft die zijn opgenomen onder B en D van het aanhangsel van deze bijlage

Productschap voor Vee en Vlees

  
     

III

a

Producten genoemd in bijlage I, deel XIX: Eieren

Productschap voor Pluimvee en Eieren

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel XIX: Eieren

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel XIX: Eieren

b

Producten genoemd in bijlage I, deel XX: Slachtpluimvee

Productschap voor Pluimvee en Eieren

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel XX: Slachtpluimvee

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel XX: Slachtpluimvee

c

Verordening (EEG) no. 2783/75 van de Raad van 29 oktober 1975, betreffende een gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer voor ovoalbumine en lactoalbumine; (PbEG L 282)

Productschap voor Pluimvee en Eieren

Alle goederen die vallen onder Verordening (EEG) no. 2783/75

 

d

Producten genoemd in bijlage I, deel XXI: Andere producten, voor zover het de producten betreft die zijn opgenoemd onder C van het aanhangsel bij deze bijlage

Productschap voor Pluimvee en Eieren

  
     

IV

a

Producten genoemd in bijlage I, deel XVI: Melk en zuivelproducten

Productschap Zuivel, doch voor de onder deel XVI van bijlage I vallende goederen van post 2309 10 11 t/m 2309 10 70 en 2309 90 31 t/m 2309 90 70 het HPA

 

Alle goederen die vallen onder bijlage I, deel XVI: Melk en zuivelproducten

b

Verordening (EEG) no. 2730/75 van de Raad van 29 oktober 1975, betreffende glucose en lactose (PbEG L 281)

Productschap Zuivel

1702 11 00 en 1702 19 00 lactose (melksuiker) en melksuikerstroop, bevattende 99 of meer gewichtspercenten lactose (melksuiker), uitgedrukt in kristalvrije lactose, berekend op de droge stof.

1702 11 00 en 1702 19 00 lactose (melksuiker) en melksuikerstroop, bevattende 99 of meer gewichtspercenten lactose (melksuiker), uitgedrukt in kristalvrije lactose, berekend op de droge stof.

c

Vervallen (opgenomen bij d)

   

d

Verordening (EG) nr. 2535/2001 van de Commissie van 14 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad voor de invoerregeling voor melk en zuivelproducten inhoudende opening van tariefcontingenten.

Productschap Zuivel

  

e

Besluit van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de LGO met de Europese Gemeenschap (2001/822/EG) (PbEG L 314)

Productschap Zuivel

  

f

Vervallen

   

g

Vervallen

   
     

V

a

Producten genoemd in bijlage I, deel VII: Sector olijfolie en tafelolijven

Hoofdproductschap Akkerbouw,

0709 9031 olijven, bestemd voor andere doeleinden dan het vervaardigen van olie

0709 9039 andere olijven, vers of gekoeld

1509 1010 en 1509 1090, olijfolie en fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd.

   

0711 2010 olijven, bestemd voor andere doeleinden dan het vervaardigen van olie-

1510 0010 en 1510 0090, andere olie en fracties daarvan, uitsluitend verkregen uit

   

0711 2090 olijven in water, waaraan voor het voorlopig verduurzamen zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd, doch niet speciaal bereid voor dagelijkse consumptie, bestemd voor het vervaardigen van olie

olijven, ook indien geraffineerd toch niet chemisch gewijzigd, mengsels daarvan of olijfolie of fracties daarvan, bedoeld bij post 1509, daaronder begrepen.

   

1509 1010, 1509 1090 en 1509 9000, olijfolie en fracties daarvan, doch niet chemisch gewijzigd,

 
   

1510 0010 en 1510 0090, andere olie en fracties daarvan, uitsluitend verkregen uit olijven ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd,

 
   

mengsels of fracties daarvan, uitsluitend verkregen uit olijven, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd, mengsels of fracties daarvan, bedoeld bij post 1509, daaronder begrepen

 
   

2306 9019 perskoeken van olijven en andere bij de winning van olijfolie verkregen afvallen.

 

b

Producten genoemd in bijlage I, deel XXI : Andere producten

Productschap voor Vee en Vlees

  
     

VI

a

Verordening (EG) no. 2200/96 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit; (PbEG L 297)

Productschap Tuinbouw

Alle goederen genoemd in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2200/96

Alle goederen genoemd in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2200/96

b

Producten genoemd in bijlage I, deel XI: Bananen

Productschap Tuinbouw

ex 0803 Bananen, met uitzondering van ‘plantains’ vers (*)

 

c

Verordening (EG) no. 2201/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit (PbEG L 279)

Productschap Tuinbouw

De goederen genoemd in artikel 1, tweede lid, letters a en b, van Verordening (EG) no. 2201/96 (*)

De goederen genoemd in artikel 1, tweede lid, letter b van Verordening (EE) no. 2201/96 (*)

d

Verordening (EG) no. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999, houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, met uitzondering van de posten 0806 1093, 0806 1095 en 0806 1097 alsmede 2009 6011 t/m 2009 6090; (PbEG L 179)

Productschap Tuinbouw

De post 0806 1090 druiven, andere dan voor tafelgebruik; de posten 2009 61 en 2009 69 ongegist druivensap (met inbegrip van druivenmost) zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker

De posten 2009 61 en 2009 69 druivensap (met inbegrip van druivenmost) zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker

e

Producten genoemd in bijlage I, deel XXI: Andere producten, voorzover het de producten betreft die zijn opgenomen onder E van het aanhangsel bij deze bijlage

Productschap Tuinbouw

  
     

VII

a

Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur; (PbEG L 17)

Productschap Vis

De goederen genoemd in artikel 29, derde lid, onder a van Verordening (EG) nr. 104/2000 (*)

De goederen genoemd in artikel 29, van Verordening (EG) nr. 104/2000 (*)

b

Producten genoemd in bijlage I, deel XXI: Andere producten, voorzover het de producten betreft die zijn opgenomen onder F van het aanhangsel van deze bijlage

Productschap Vis

  
     

VIII

a

Producten genoemd in bijlage I, deel XIII: Levende planten en producten van de bloementeelt

Productschap Tuinbouw

  
     

IX

a

Goederen die niet vallen onder de hierboven genoemde verordeningen en /of die niet zijn opgenomen in de hierboven staande kolommen 3 of 4, en die worden in- of uitgevoerd ter zuivering van een verleende vrijstelling van een uitvoer- of invoerheffing

Het productschap dat de vrijstelling van de in kolom 1 bedoelde heffing heeft verleend

De goederen die met toepassing van het gestelde onder kolom 1 worden ingevoerd

De goederen die met toepassing van het gestelde onder kolom 1 worden uitgevoerd.

Aanhangsel bij bijlage VII

GN-code

Omschrijving

A (Hoofdproductschap Akkerbouw)

ex 0713

Gedroogde zaden van peulgroenten, ook indien gepeld (bij voorbeeld spliterwten), andere dan bestemd voor zaaidoeleinden

0714

Maniokwortel, arrowroot (pijlwortel), salepwortel, aardperen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke wortels en knollen met een hoog gehalte aan zetmeel of aan inuline, vers, gekoeld, bevroren of gedroogd, ook indien in stukken of in pellets; merg van de sagopalm:

0714 20

Bataten (zoete aardappelen)

0714 90

– andere

0714 90 90

– – andere

0902

Thee

1106

Meel, gries en poeder, van gedroogde zaden van peulgroenten bedoelde bij post 0713, van sago en van wortels of knollen bedoeld bij post 0714 en van vruchten bedoeld bij hoofdstuk 8;

1106 10 00

– gedroogde zaden van peulgroenten bedoelde bij post 0713

1108

Zetmeel en inuline:

1108 20 00

– inuline

1213 00 00

Stro en kaf van graangewassen, onbewerkt, ook indien gehakt. Gemalen. Geperst of in pellets

1214

Koolrapen, voederbieten, voederwortels, hooi, luzerne, klaver, hanenkammetjes (esparcette), mengkool, lupine, wikke en dergelijke voerdergewassen, ook indien in pellets

ex 1214 10 00

– luzernemeel en luzerne in pellets

1214 90

– andere:

1214 90 10

– – mengwortels (voederbieten), voederrapen en andere voederwortels

ex 1214 90 99

– – andere

1801 00 00

Cacaobonen, ook indien gebroken, al dan niet gebrand

1802 00 00

Cacaodoppen, cacaoschillen, cacaovliezen en andere afvallen van cacao

2301

Meel, poeder en pellets van vlees, van slachtafvallen, van vis, van schaaldieren, van weekdieren of van andere ongewervelde waterdieren, ongeschikt voor menselijk consumptie; kanen:

2301 10 00

– meel, poeder en pellets van vlees of andere slachtafvallen; kanen

2302

Zemelen, slijpsel en andere resten van zeven, van het malen of van andere bewerkingen van granen of van peulvruchten, ook indien in pellets:

2302 50 00

– van peulvruchten

2303

Afvallen van zetmeelfabrieken en dergelijke afvallen, bietenpulp, uitgeperst suikerriet (ampas) en andere afvallen van de suikerindustrie, bostel (brouwerijafval), afvallen van branderijen, ook indien pellets

2303 10

– afvallen van zetmeelfabrieken en dergelijke afvallen:

– – afvallen van maïszetmeelfabrieken (met uitzondering van ingedikt zwelwater), met een gehalte aan proteïne, berekend op de droge stof:

2303 10 19

– – – van niet meer dan 40 gewichtspercenten

2303 10 90

– – andere

2303 30 00

– borstel (brouwerijafval) en afvallen van branderijen

2307 00

Wijnmoer; ruwe wijnsteen

2308

Plantaardige zelfstandigheden en plantaardig afval, plantaardige residuen en bijproducten, ook indien in pellets, van de soort gebruikt voor het voederen van dieren, elders genoemd noch elders onder begrepen:

2308 00 40

– eikels en wilde kastanjes, draf (droesem) van vruchten, andere dan druiven

2308 00 90

– andere:

2309

Bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren

2309 10 90

– – andere

2309 90

– andere

2309 90 10

– – visperswater en perswater van zeezoogdieren (‘solubles’)

 

– – andere

 

– – – andere

2309 90 99

– – – andere, met uitzondering van eiwitconcentraten

 

– verkregen uit sap van luzerne en gras

 

B (Productschap voor Vee en Vlees)

Ex 0101

Levende paarden, ezels, muildieren en muilezels:

0101 10

– fokdieren van zuiver ras:

0101 10 10

– – paarden

0101 10 90

– – andere

0101 90

– andere:

– – paarden

0101 90 11

– – – slachtpaarden

0101 90 19

– – – andere

0101 90 30

– – ezels

0101 90 90

– – muildieren en muilezels

0102

Levende runderen

0102 90

– andere dan fokdieren van zuiver ras:

0102 90 90

– – andere dan huisdieren

0103

Levende varkens:

0103 10 00

– fokdieren van zuiver ras

– andere

ex 0103 91

– – met een gewicht van minder dan 50 kg

0103 91 90

– – – andere dan huisdieren

ex 0103 92

– – met een gewicht van 50 kg of meer:

0103 92 11

 

0103 92 90

– – – andere dan huisdieren

0106

Andere levende dieren

ex 0203

Vlees van varkens, vers, gekoeld of bevroren:

– vers of gekoeld:

ex 0203 11

– – hele en halve dieren:

0203 11 90

– – – ander dan van huisdieren

ex 0203 12

– – hammen en schouders, alsmede delen daarvan, met been:

0203 12 90

– – – ander dan van huisdieren

ex 0203 19

– – ander:

0203 19 90

– – – ander

– bevroren:

ex 0203 21

– – hele en halve dieren:

0203 21 90

– – – andere dan van huisdieren

ex 0203 22

– – hammen en schouders, alsmede delen daarvan, met been:

0203 22 90

– – – andere dan van huisdieren

ex 0203 29

– – andere:

0203 29 90

– – – andere dan van huisdieren

0205 00

Vlees van paarden, van ezels, van muildieren of van muilezels, vers, gekoeld of bevroren

0206

Eetbare slachtafvallen van runderen, van varkens, van schapen, van geiten, van paarden, van ezels, van muildieren of van muilezels, vers, gekoeld of bevroren:

0206 10

– van runderen, vers of gekoeld:

0206 10 10

– – bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten

ex 0206 29

– – andere:

0206 29 10

– – – bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten

 

– van varkens, bevroren:

0206 49 00

– – andere:

ex 0206 80

– anders, vers of gekoeld:

0206 80 10

– – bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten

– – andere:

0206 80 91

– – – van paarden, van ezels, van muildieren en van muilezels

ex 0206 90

– andere, bevroren:

0206 90 10

– – bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten

– – andere:

0206 90 91

– – – van paarden, van ezels, van muildieren en van muilezels

0208

Ander vlees en andere eetbare slachtafvallen, vers, gekoeld of bevroren

0210

Vlees en eetbare slachtafvallen, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt; meel en poeder van vlees of van slachtafvallen, geschikt voor menselijke consumptie:

– vlees van varkens:

ex 0210 11

– – hammen en schouders, alsmede delen daarvan, met been:

0210 11 90

– – – andere dan van varkens (huisdieren)

ex 0210 12

– – buiken (buikspek) en delen daarvan:

0210 12 90

– – – andere dan van varkens (huisdieren)

ex 0210 19

– – ander:

0210 19 90

– – – ander dan van varkens (huisdieren)

 

– ander, meel en poeder van vlees of van slachtafvallen, geschikt voor menselijke consumptie, daaronder begrepen:

0210 91 00

– – van primaten

0210 92 00

– – van walvissen, van dolfijnen of van bruinvissen (zoogdieren van de orde Cetacea); van lamantijnen of van doejongs (zoogdieren van de orde Sirenia)

0210 93 00

– – van reptielen (slangen en zeeschildpadden daaronder begrepen)

ex 0210 99 00

– – andere:

– – – vlees:

0210 99 10

– – – – van paarden, gezouten, gepekeld of gedroogd

0210 99 31

– – – – van rendieren

0201 99 39

– – – – ander

0410 00 00

Eetbare producten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen

0504 00 00

Darmen, blazen en magen van dieren (andere dan die van vissen), in hun geheel of in stukken, vers, gekoeld, bevroren, gezouten, gepekeld gedroogd of gerookt

0511 10 00

– rundersperma

ex 0511 99

– – andere:

0511 99 85

– – – andere dan pezen en zenen, snippers en dergelijk afval van ongelooide huiden of vellen

ex 1602

Andere bereidingen en conserven, van vlees, van slachtafvallen of van bloed:

– van varkens:

ex 1602 41

– – hammen en delen daarvan:

1602 41 90

– – – andere dan van varkens (huisdieren)

ex 1602 42

– – schouders en delen daarvan:

1602 42 90

– – – andere dan van varkens (huisdieren)

ex 1602 49

– – andere, mengsels daaronder begrepen:

1602 49 90

– – – andere dan van varkens (huisdieren)

ex 1602 90

– andere, bereidingen van bloed van dieren van alle soorten daaronder begrepen:

 

– – andere dan bereidingen van bloed van dieren van alle soorten:

1602 90 31

– – – van wild of van konijn

1602 90 41

– – – van rendieren

 

– – – andere:

 

– – – – andere dan vlees of slachtafvallen van varkens (huisdieren) bevattend:

 

– – – – – andere dan vlees of slachtafvallen van runderen bevattend:

1602 90 99

– – – – – – andere dan van schapen of van geiten

ex 1603 00

Extracten en sappen van vlees:

 

C (Productschap voor Pluimvee en Eieren)

0210

Vlees en eetbare slachtafvallen, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt; meel en poeder van vlees of van slachtafvallen, geschikt voor menselijke consumptie:

– ander, meel en poeder van vlees of van slachtafvallen, geschikt voor menselijke consumptie, daaronder begrepen:

ex 0210 99

– – andere:

– – – vlees:

– – – slachtafvallen:

– – – – andere dan van varkens (huisdieren), runderen, schapen en geiten

– – – – – levers van pluimvee:

0210 99 80

– – – – – andere dan levers van pluimvee

0407 00

Vogeleieren in de schaal, vers, verduurzaamd of gekookt:

0407 00 90

– andere dan van pluimvee

0408

Vogeleieren uit de schaal en eigeel, vers, gedroogd, gestoomd of in water gekookt, in een bepaalde vorm gebracht, bevroren of op andere wijze verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen:

– eigeel

ex 0408 11

– – gedroogd:

0408 11 20

– – – ongeschikt voor menselijke consumptie

ex 0408 19

– – ander:

0408 19 20

– – – ongeschikt voor menselijke consumptie

 

– ander:

ex 0408 91

– – gedroogd:

0408 91 20

– – – ongeschikt voor menselijke consumptie

ex 0408 99

– – andere:

0408 99 20

– – – ongeschikt voor menselijke consumptie

 

D ( Productschap voor Vee en Vlees)

ex 1502 00

Rund-, schapen- of geitenvet, ander dan bedoeld bij post 1503:

ex 1502 00 10

– bestemd voor ander industrieel gebruik dan voor de vervaardiging van producten voor menselijke consumptie

1503 00

Varkensstearine, spekolie, oleostearine, oleomargarine en talkolie, niet geëmulgeerd, niet vermengd, noch op andere wijze bereid:

 

E (Productschap Tuinbouw)

0801

Kokosnoten, paranoten en cashewnoten, vers of gedroogd, ook zonder dop of schaal

0802

Andere noten, vers of gedroogd, ook zonder dop of schaal, al dan niet gepeld:

0802 90

– andere:

0802 90 20

– – arecanoten (of betelnoten), colanoten en pecannoten

0804

Dadels, vijgen, ananassen, advocaten (avocado’s), guaves, manga’s en manggistans, vers of gedroogd:

0804 10 00

– dadels

0804 40 00

– advocaten (avocado’s)

0804 50 00

– guaves, manga’s en manggistans

0904 t/m 0910

Specerijen

1106 30

– meel, gries en poeder van vruchten bedoeld bij hoofdstuk 8

1202 10 90

Grondnoten, niet gebrand of op andere wijze door verhitting bereid, in de dop, andere dan voor zaaidoeleinden

1202 20 00

Grondnoten, niet gebrand of op andere wijze door verhitting bereid, gedopt, ook indie gebroken

ex 1211

Planten, plantdelen, zaden en vruchten, vers of gedroogd, ook indien gesneden, gebroken of in poedervorm, welke al dan niet na be- of verwerking bestemd zijn voor menselijke consumptie

1212

Sint-jansbrood, zeewier en andere algen, suikerbieten en suikerriet, vers of gedroogd, ook indien in poedervorm; vruchtenpitten, ook indien in de steen en andere plantaardige producten (ongebrande cichoreiwortels van de variteit ‘Chicoriom intybus sativum’ daaronder begrepen) hoofdzakelijk gebruikt voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

1212 10

– sint-jansbrood, sint-jansbroodpitten daaronder begrepen zeewier en andere algen

1212 20 00

– zeewier en andere algen

1212 30 00

– pitten van abrikozen, van perziken (nectarines daaronder begrepen) of van pruimen, ook indien in de steen

– andere:

1212 99

– – andere:

1212 99 90

– – – andere

2206 00

2206 00 31

Andere gegiste dranken (bijvoorbeeld appelwijn, perenwijn, honingdrank):

– andere:

– – mousserend

2206 00 51

– – niet mousserend, in verpakking inhoudende:

– – – niet meer dan 2 l

– – – – appelwijn en perenwijn

2206 00 59

– – – andere

2206 00 81

– – – meer dan 2 l

– – – – appelwijn en perenwijn

2206 00 89

– – – andere

 

F (Productschap Vis)

ex 1603 00

Extracten en sappen, van vis, van schaaldieren, van weekdieren of van andere ongewervelde waterdieren

BIJLAGE VIII

Verklaring als bedoeld in artikelen 4:2 en 4:3 van de Algemene douaneregeling

stcrt-2008-145-p9-SC86954-1.gif

BIJLAGE IX

Model van het aangifteformulier, bedoeld in artikel 5:1, eerste lid van de Algemene douaneregeling

stcrt-2008-145-p9-SC86954-2.gif

BIJLAGE X

Instellingen en organisaties als bedoeld in artikel 51, tweede streepje van de Verordening 918/83:

– Algemeen Pedagogisch studiecentrum, Amsterdam

– Avans Hogeschool, locatie Breda, Breda

– Avans Hogeschool, locatie Den Bosch, ’s-Hertogenbosch

– Avans Hogeschool, locatie Tilburg, Tilburg

– Center Applied Research, Tilburg

– Codarts Hogeschool voor de Kunsten, Rotterdam

– Conservatorium van Amsterdam, Amsterdam

– Constantijn Huygens Instituut, ’s-Gravenhage

– De Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie, Amsterdam

– Fontys Hogescholen, Maastricht

– Fontys Hogescholen, Venlo

– Fontys Hogeschool, Eindhoven

– Fontys Hogeschool, Eindhoven

– Fontys Hogeschool, Sittard

– Fryske Akademy, Leeuwarden

– Het Nederlandse Rode Kruis, ’s-Gravenhage

– Hogeschool Enschede, Enschede

– Hogeschool Haarlem, Haarlem

– Institute of Social Studies, ’s-Gravenhage

– Instituut voor lerarenopleiding, Amsterdam

– Internationaal Agrarisch Centrum, Wageningen

– Internationaal instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam

– Koningin Wilhelminafonds, Amsterdam

– Koninklijk Instituut voor Taal-Land-en Volkenkunde, Leiden

– Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden

– Museum Koninklijke Marechaussee, Buren

– Nationaal Fonds Geestelijke Volksgezondheid, Utrecht

– Nederlands Audiovisueel Archief, Hilversum

– Nederlands Bijbelgenootschap, Haarlem

– Nederlands Economisch Historisch Archief, Amsterdam

– Nederlands Filmmuseum, Amsterdam

– Nederlandse Hartstichting, ’s-Gravenhage

– NOS Radio & Televisie, Hilversum

– Rotary Administratie Nederland, Amsterdam

– Secretariaat Rooms Katholieke Kerkgenootschap, Utrecht

– Stichting Nederlandse Ontwikkelingsorganisatie (SNV), ’s-Gravenhage

– Stichting Afasietherapie Amsterdam, Amsterdam

– Stichting Centrale opleidingscursussen voor middelbare akten (COCMA), Utrecht

– Stichting Filmcentrum, Hilversum

– Stichting Hanzehogeschool, Groningen

– Stichting het Veiligheids Instituut, Amsterdam

– Stichting Leerplan Ontwikkeling, Enschede

– Stichting Natuur en Milieu, Utrecht

– Stichting vrienden van het Mauritshuis, ’s-Gravenhage

– Stichting Youth for Christ Nederland, Driebergen

– Stichting Vroege Vogels, Amsterdam

– Theater Instituut Nederland, Amsterdam

– Theologische Universiteit, Kampen

– Toneel Academie Maastricht, Maastricht

– Universiteit Nyenrode, Breukelen

– Vrienden van de Hartstichting, ’s-Gravenhage

– Wereld Esperanto-Vereniging (UEA), Rotterdam

– Wereld Natuurfonds, Zeist

BIJLAGE XI

Instellingen als bedoeld in artikel 52, tweede lid, tweede streepje van de Verordening 918/83:

– Academie Jan van Eyck, Maastricht

– Centraal Bureau voor Schimmelcultures, Utrecht

– Erasmus MC-Daniël den Hoed, Rotterdam

– Europees Instituut voor Bestuurskunde, Maastricht

– FOM-Instituut voor Atoom en Molecuulfysica, Amsterdam

– FOM-Instituut voor Plasmafysica, Nieuwegein

– Hubrecht Laboratorium, Utrecht

– Instituut Collectie Nederland, Amsterdam

– Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Groningen

– Instituut voor Doven, Schijndel

– Integraal Kankercentrum Noord-Nederland, Groningen

– Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland, Utrecht

– J.A. Cohen Instituut Interuniversitair Onderzoeksinstituut voor Radiopathologieën Stralenbescherming/Universiteit Leiden, Leiden

– Koninklijk Instituut voor de Tropen, Amsterdam

– Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der zee, Den Burg

– Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, De Bilt

– Koninklijke Militaire Academie, Breda

– Koninklijke Nederlandse Akademie van wetenschappen, Amsterdam

– Laboratorium van de Vereniging Natura Docet, Denekamp

– Laboratorium voor de Volksgezondheid Friesland, Leeuwarden

– Leids Sterrewachtfonds, Leiden

– Mathematisch Centrum, Amsterdam

– Nationaal Instituut voor Kernfysica en Hoge-energiefysica sectie K, Amsterdam

– Nationaal Instituut voor Kernfysica en Hoge-energiefysica, sectie Hoge-energiefysica, Amsterdam

– Nationaal Lucht en Ruimtevaartlaboratorium, Amsterdam

– Nederlands Instituut voor Ecologie, Heteren

– Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek, Amsterdam

– Nederlands Kankerinstituut, Amsterdam

– Nederlandse Instituut voor Ecologie, Yerseke

– Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, ’s-Gravenhage

– Nederlandse Rode Kruis Centraal Laboratorium Bloedtransfusiedienst, Amsterdam

– Plantenziektenkundige Dienst, Wageningen

– Radbout Universiteit Nijmegen, Nijmegen

– Stichting Academisch Rekencentrum, Amsterdam

– Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland/ECN, Petten

– Stichting Internationaal Instituut voor Luchtkartering en Aardkunde (ITC), Enschede

– Stichting Netherlands Institute for Metals Research, Delft

– Stichting voor Diergeneeskundig Onderzoek, Lelystad

– Stichting voor Fundamenteel Onderzoek Materie, Utrecht

– Stichting voor Internationaal Vlamonderzoek, Velsen-Noord

– Stichting voor Isotopengeologisch Onderzoek, Amsterdam

– Stichting Waterbouwkundig Laboratorium, Delft

– Stichting Wetenschappelijk onderzoek Sophia Kinderziekenhuis, Rotterdam

– Stichting wetenschappelijk Onderzoek Tropen, ’s-Gravenhage

– Technische Universiteit Delft, Delft

– Technische Universiteit Eindhoven, Eindhoven

– TNO ’s-Gravenhage, ’s-Gravenhage

– Universiteit Twente, Enschede

– Universiteit van Amsterdam, Amsterdam

– Universiteit van Tilburg, Tilburg

– Vereniging Simon Stevin, Hoeven

– Vrije Universiteit Amsterdam, Amsterdam

– Wageningen Universiteit Researchcentrum, Wageningen

Algemene aantekening:

Onder de universiteiten worden mede begrepen de academische ziekenhuizen.

BIJLAGE XII

Gereserveerd

BIJLAGE XIII

Instellingen en organisaties als bedoeld in artikel 60, tweede lid, tweede streepje van de Verordening 918/83.

– Erasmus M.C., Rotterdam

– Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO), Delft

BIJLAGE XIV

Geadresseerden als bedoeld in artikel 63quater van de Verordening 918/83:

1. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven.

2. Houders van een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (Wet van 28 juli 1958, Stb. 408), te onderscheiden in:

– fabrikanten (artikel 2 van het Besluit bereiding en aflevering van farmaceutische produkten, Stb. 1977, 538);

– importeurs (artikel 29 van voornoemd besluit, voor zover zij overeenkomstig artikel 32, eerste lid, van dat besluit controles verrichten);

– parallel importeurs (artikel 42 van voornoemd besluit voor zover deze toestemming hebben van de Hoofdinspecteur van Volksgezondheid om zelf (geheel of ten dele) controles te verrichten).

3. Controlelaboratoria welke ingevolge artikel 5, vierde lid, van het Besluit bereiding en aflevering van farmaceutische producten zijn erkend.

BIJLAGE XV

Instellingen en organisaties als bedoeld in artikelen 71 en 72, eerste lid, van de Verordening 918/83.

– Bartiméus Onderwijs, Zeist

– Bartiméus Vereniging, Doorn

– Bibliotheek voor Blinden en Slechtzienden (CBB), Ermelo

– Blindenbibliotheek ‘Le Sage ten Broek’, Nijmegen

– Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers, Doorn

– Harry Bacon Club, Amsterdam

– Nederlandse Blindenbibliotheek, ’s-Gravenhage

– Nederlandse Schaakvereniging voor Visueel Gehandicapten, Bovensmilde

– Nederlandse Vereniging Sarcoidose, Amsterdam

– Nederlandse Vereniging voor Blinden en Slechtzienden (NVBS), Utrecht

– Sensis Nijmegen, Nijmegen

– Sonneheerdt voor Slechtzienden en Blinden, Ermelo

– Stichting Adriaan Moonen Licht en Liefde verzorgingshuis voor visueel gehandicapten, Maastricht

– Stichting Bralectah, Zwolle

– Stichting Federatie Nederlandse Blinden bibliotheek Grave, Grave/Utrecht

– Stichting Fokus exploitatie, Groningen

– Stichting Het Loo Erf, Apeldoorn

– Stichting voor Blinden en Slechtzienden, ’s-Gravenhage

– Stichting Vriendenkring Le Sage ten Broek, Utrecht

– Vereniging Anders Lezen, Grave

– Vereniging spierziekten Nederland, Baarn

BIJLAGE XVI

The American Battle Monuments Commission

The Commonwealth War Graves Commission

Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge e.v. (uitsluitend voor zover betreft accijnzen en omzetbelasting

BIJLAGE XVII

De diplomatieke of beroepsconsulaire dan wel honorair consulaire vertegenwoordigingen in Nederland, bedoeld in artikelen 7:8, 7:9, 7:11 7:12 van de Algemene douaneregeling zijn:

– Consulaat van Afghanistan (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Islamitische Republiek Afghanistan (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Albanië (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Albanië (Amsterdam)

– Ambassade van de Democratische Volksrepubliek Algerije (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Angola (Rotterdam)

– Ambassade van de Republiek Argentinië (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Armenië (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Armenië (Hilversum)

– Ambassade van het Gemenebest Australië (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Azerbaijan (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Volksrepubliek Bangladesh (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Volksrepubliek Bangladesh (Amsterdam)

– Consulaat van Barbados (’s-Gravenhage)

– Ambassade van het Koninkrijk België (’s-Gravenhage)

– Consulaat van het Koninkrijk België (Rotterdam)

– Consulaat van het Koninkrijk België (Winsum)

– Consulaat van het Koninkrijk België (Roosendaal)

– Consulaat van het Koninkrijk België (Vlissingen)

– Consulaat van het Koninkrijk België (Nijmegen)

– Consulaat van het Koninkrijk België (Maastricht)

– Consulaat van het Koninkrijk België (Amsterdam)

– Consulaat van het Koninkrijk België (Terneuzen)

– Consulaat van Belize (Amsterdam)

– Consulaat van de Republiek Benin (Amsterdam)

– Consulaat van het Koninkrijk Bhutan (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Bolivia (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Bosnië-Herzegovina (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Botswana (Amsterdam)

– Ambassade van de Federale Republiek Brazilië (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Federale Republiek Brazilië (Amsterdam)

– Consulaat-Generaal van de Federale Republiek Brazilië (Rotterdam)

– Ambassade van de Republiek Bulgarije (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Burkina Faso (Rotterdam)

– Ambassade van Canada (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Centraal-Afrikaanse Republiek (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek Chili (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Chili (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Chili (Amsterdam)

– Ambassade van de Volksrepubliek China (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Colombia (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Colombia (Rotterdam)

– Consulaat van de Republiek Colombia (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Colombia (Amsterdam)

– Ambassade van de Democratische Republiek Congo (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Costa Rica (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Cuba (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Cuba (Rotterdam)

– Ambassade van de Republiek Cyprus (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Cyprus (Rotterdam)

– Ambassade van het Koninkrijk Denemarken (’s-Gravenhage)

– Consulaat van het Koninkrijk Denemarken (Groningen)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Djibouti (Gorinchem)

– Ambassade van de Dominicaanse Republiek (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Dominicaanse Republiek (Amstelveen)

– Ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Bondsrepubliek Duitsland (Arnhem)

– Consulaat van de Bondsrepubliek Duitsland (Maastricht)

– Consulaat van de Bondsrepubliek Duitsland (Noord-Beveland)

– Consulaat van de Bondsrepubliek Duitsland (Leeuwarden)

– Consulaat van de Bondsrepubliek Duitsland (Groningen)

– Consulaat van de Bondsrepubliek Duitsland (Enschede)

– Consulaat van de Bondsrepubliek Duitsland (Eindhoven)

– Consulaat-Generaal van de Bondsrepubliek Duitsland (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van de Bondsrepubliek Duitsland (Amsterdam)

– Ambassade van Ecuador (’s-Gravenhage)

– Consulaat van Ecuador (Ridderkerk)

– Ambassade van de Arabische Republiek Egypte (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek El Salvador (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek El Salvador (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Equatoriaal-Guinee (Rotterdam)

– Ambassade van de Staat Eritrea (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Estland (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Estland (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Estland (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek der Filipijnen (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Republiek der Filipijnen (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van de Republiek der Filipijnen (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek Finland (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Finland (Terneuzen)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Finland (Amsterdam)

– Ambassade van de Franse Republiek (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Franse Republiek (Haarlem)

– Consulaat van de Franse Republiek (Zeist)

– Consulaat van de Franse Republiek (Valkenburg aan de Geul)

– Consulaat van de Franse Republiek (Haren)

– Consulaat van de Franse Republiek (Terneuzen)

– Consulaat van de Franse Republiek (Rotterdam)

– Consulaat van de Franse Republiek (Vlissingen)

– Consulaat van de Franse Republiek (Nijmegen)

– Consulaat van de Franse Republiek (’s-Hertogenbosch)

– Consulaat van de Republiek Frankrijk (Groningen)

– Consulaat-Generaal van de Franse Republiek (Amsterdam)

– Consulaat van de Republiek Gabon (Rotterdam)

– Consulaat van de Republiek Gambia (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Gambia (Amsterdam)

– Ambassade van Georgië (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Ghana (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van Grenada (Amsterdam)

– Ambassade van Griekenland (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van Griekenland (Rotterdam)

– Ambassade van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek Guatemala (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Guatemala (Amsterdam)

– Consulaat van de Republiek Guatemala (Rotterdam)

– Consulaat van de Republiek Guinee Bissau (Barendrecht)

– Consulaat van de Republiek Haïti (Rotterdam)

– Consulaat van de Republiek Haïti (Amsterdam)

– Apostolische Nuntiatuur (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Honduras (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Honduras (Rijswijk)

– Ambassade van de Republiek Hongarije (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Hongarije (Arnhem)

– Consulaat van de Republiek Hongarije (’s-Hertogenbosch)

– Consulaat van de Republiek Hongarije (Winsum)

– Consulaat van de Republiek Hongarije (Amsterdam)

– Consulaat van de Republiek Hongarije (Bloemendaal)

– Ambassade van Ierland (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van Ierland (Albrandswaard)

– Consulaat van de Republiek IJsland (Leeuwarden)

– Consulaat van de Republiek IJsland (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van de Republiek IJsland (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek India (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Indonesië (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Irak (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Islamitische Republiek Iran (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Staat Israël (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Italiaanse Republiek (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Italiaanse Republiek (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek Ivoorkust (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Ivoorkust (Amsterdam)

– Consulaat van Jamaica (Amsterdam)

– Ambassade van Japan (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van Japan (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van Japan (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek Jemen (’s-Gravenhage)

– Ambassade van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Kaapverdië (Rotterdam)

– Ambassade van de Republiek Kameroen (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Kazachstan (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Kenya (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Kirgizstan (Leidschendam-Voorburg)

– Ambassade van de Staat Koeweit (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Korea (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van Republiek Korea (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van Republiek Korea (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek Kroatië (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Lesotho (Nijmegen)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Lesotho (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Letland (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Letland (Noordwijk)

– Ambassade van de Republiek Libanon (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Libanon (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek Litouwen (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Litouwen (Eindhoven)

– Ambassade van het Groothertogdom Luxemburg (’s-Gravenhage)

– Consulaat van het Groothertogdom Luxemburg (Rotterdam)

– Consulaat van het Groothertogdom Luxemburg (Maastricht)

– Consulaat-Generaal van het Groothertogdom Luxemburg (Amsterdam)

– Ambassade van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Madagaskar (Rotterdam)

– Consulaat van de Republiek Malawi (Amsterdam)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Malawi (Wassenaar)

– Ambassade van Maleisië (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Mali (Rotterdam)

– Consulaat van de Republiek Mali (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek Malta (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Malta (Amsterdam)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Malta (Breda)

– Ambassade van het Koninkrijk Marokko (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Marokko (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Marokko (Utrecht)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Marokko (Amsterdam)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Marokko (’s-Hertogenbosch)

– Consulaat-Generaal van de Islamitische Republiek Mauritanië (Rotterdam)

– Consulaat van de Republiek Mauritius (Amsterdam)

– Ambassade van de Verenigde Mexicaanse Staten (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Verenigde Mexicaanse Staten (Lelystad)

– Consulaat van de Verenigde Mexicaanse Staten (Gorinchem)

– Consulaat van de Verenigde Mexicaanse Staten (Amsterdam)

– Consulaat van de Verenigde Mexicaanse Staten (Wassenaar)

– Consulaat-Generaal van het Vorstendom Monaco (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van het Vorstendom Monaco (Amsterdam)

– Consulaat-Generaal van het Vorstendom Monaco (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van de Unie van Myanmar (Breda)

– Consulaat van de Republiek Namibië (Gorinchem)

– Consulaat van de Republiek Namibië (Woerden)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Nepal (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek Nicaragua (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Nicaragua (’s-Gravenhage)

– Ambassade van Nieuw-Zeeland (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Niger (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Federale Republiek Nigeria (’s-Gravenhage)

– Ambassade van het Koninkrijk Noorwegen (’s-Gravenhage)

– Consulaat van het Koninkrijk Noorwegen (Groningen)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Noorwegen (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Noorwegen (Amsterdam)

– Ambassade van Oekraïne (’s-Gravenhage)

– Ambassade van het Sultanaat Oman (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Oostenrijk (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Oostenrijk (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Oostenrijk (Amsterdam)

– Ambassade van de Islamitische Republiek Pakistan (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Islamitische Republiek Pakistan (Albrandswaard)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Palau (Heiloo)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Panama (Rotterdam)

– Ambassade van Onafhankelijke Staat Papoea-Nieuw-Guinea

– Consulaat van Onafhankelijke Staat Papoea-Nieuw-Guinea (Wassenaar)

– Ambassade van de Republiek Peru (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Peru (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek Polen (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Polen (Amsterdam)

– Consulaat van de Republiek Polen (Apeldoorn)

– Ambassade van de Portugese Republiek (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Portugese Republiek (Rotterdam)

– Ambassade van de Staat Qatar (’s-Gravenhage)

– Ambassade van Roemenië (’s-Gravenhage)

– Consulaat van Roemenië (Amsterdam)

– Consulaat van Roemenië (Sint-Michielsgestel)

– Consulaat-Generaal van Roemenië (Borsele)

– Ambassade van de Russische Federatie (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Rwanda (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek San Marino (Hilversum)

– Consulaat van de Democratische Republiek Sao Tomé en Príncipe (Amsterdam)

– Ambassade van het Koninkrijk Saudi-Arabië (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Senegal (Papendrecht)

– Ambassade van de Republiek Servië (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek der Seychellen (Rijswijk)

– Consulaat van de Republiek Sierra Leone (Hilversum)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Singapore (Rotterdam)

– Ambassade van de Republiek Slovenië (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Slowaakse Republiek (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Slowaakse Republiek (Meppel)

– Consulaat van de Slowaakse Republiek (Amsterdam)

– Consulaat van de Slowaakse Republiek (Eindhoven)

– Consulaat van de Slowaakse Republiek (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van de Democratische Republiek Somalië (Nijmegen)

– Ambassade van het Koninkrijk Spanje (’s-Gravenhage)

– Consulaat van het Koninkrijk Spanje (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Spanje (Amsterdam)

– Ambassade van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Sudan (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Suriname (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Suriname (Amsterdam)

– Consulaat van het Koninkrijk Swaziland (Rotterdam)

– Consulaat van de Syrische Arabische Republiek (Albrandswaard)

– Consulaat van de Syrische Arabische Republiek (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Tadzjikistan (Rotterdam)

– Consulaat van de Verenigde Republiek Tanzania (Nieuwerkerk aan den IJssel)

– Consulaat van de Verenigde Republiek Tanzania (Amstelveen)

– Ambassade van het Koninkrijk Thailand (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Thailand (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Thailand (Amsterdam)

– Consulaat van de Republiek Togo (Rotterdam)

– Consulaat van de Republiek Togo (Hengelo)

– Consulaat van de Republiek Togo (Almere)

– Consulaat van de Republiek Tsjaad (Nuenen, Gerwen en Nederwetten)

– Ambassade van de Tsjechische Republiek (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Tsjechische Republiek (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek Tunesië (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Tunesië (Rotterdam)

– Ambassade van de Republiek Turkije (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Turkije (Amsterdam)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Turkije (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van de Republiek Turkije (Deventer)

– Consulaat van de Republiek Uganda (Blaricum)

– Consulaat van de Republiek Uganda (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek ten Oosten van de Uruguay (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek ten Oosten van de Uruguay (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van de Republiek ten Oosten van de Uruguay (Rotterdam)

– Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van de Verenigde Staten van Amerika te Amsterdam (Amsterdam)

– Ambassade van de Bolivariaanse Republiek Venezuela (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Verenigde Arabische Emiraten (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Socialistische Republiek Vietnam (’s-Gravenhage)

– Ambassade van de Republiek Belarus (’s-Gravenhage)

– Consulaat van de Republiek Belarus (Hoogeveen)

– Consulaat van de Republiek Belarus (Eindhoven)

– Consulaat van de Republiek Belarus (Amsterdam)

– Ambassade van de Republiek Zuid-Afrika (’s-Gravenhage)

– Ambassade van het Koninkrijk Zweden (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Zweden (Rotterdam)

– Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Zweden (Amsterdam)

– Ambassade van de Zwitserse Bondsstaat (’s-Gravenhage)

– Consulaat-Generaal bij de Zwitserse Bondsstaat (Wassenaar)

BIJLAGE XVIII

Internationale organisaties als bedoeld in artikel 7:13, eerste lid, van de Algemene douaneregeling.

– African Management Services Company B.V., Amsterdam

– Coördinatiekantoor van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, ’s-Gravenhage

– European Centre for Environment and Health, van de Wereld Gezondheidsorganisatie, Bilthoven

– Europees Octrooibureau (EOB), Rijswijk (ZH)

– Europees Ruimte Agentschap en Europees Centrum voor Ruimtevaarttechniek, Noordwijk (ZH)

– Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), Maastricht

– Europese school, Bergen (NH)

– Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek, Petten

– Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen (Common Fund for Commodities), Amsterdam

– Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, ’s-Gravenhage

– Instituut voor Nieuwe Technologieën van de universiteit van de Verenigde Naties, Maastricht

– Internationaal Gerechtshof, ’s-Gravenhage

– Internationaal VN Tribunaal inzake het voormalige Joegoslavië, ’s-Gravenhage

– Internationale Dienst voor Nationaal Landbouwkundig Onderzoek (ISNAR), ’s-Gravenhage

– Internationale Nikkel Studie Groep, ’s-Gravenhage

– Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), ’s-Gravenhage

– Iran – United States Claims Tribunal, ’s-Gravenhage

– Nederlandse Taalunie, ’s-Gravenhage

– Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons (OPCW), ’s-Gravenhage

– Permanent Hof van Arbitrage, ’s-Gravenhage

BIJLAGE XIX

Internationale organisaties als bedoeld in artikel 7:14, eerste lid, van de Algemene douaneregeling.

– Coördinatiekantoor van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, ’s-Gravenhage

– European Centre for Environment and Health, van de Wereld Gezondheidsorganisatie, Bilthoven

– Europees Octrooibureau (EOB), Rijswijk (ZH)

– Europees Ruimte Agentschap en Europees Centrum voor Ruimtevaarttechniek, Noordwijk (ZH)

– Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), Maastricht

– Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek, Petten

– Instituut voor Nieuwe Technologieën van de Universiteit van de Verenigde Naties, Maastricht

– Internationaal VN Tribunaal inzake het voormalige Joegoslavië, ’s-Gravenhage

– Internationale Dienst voor Nationaal Landbouwkundig Onderzoek (ISNAR), ’s-Gravenhage

– Internationale Nikkel Studie Groep, ’s-Gravenhage

– Iran – United States Claims Tribunal, ’s-Gravenhage

– Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons (OPCW), ’s-Gravenhage

Toelichting

Algemeen

De Algemene douaneregeling maakt deel uit van de algehele herziening van de nationale douanewetgeving die is ingezet met de Algemene douanewet (hierna: de wet) (Stb. 2008, 111). Voor de doelstellingen van de herziening wordt kortheidshalve verwezen naar de Inleiding van de memorie van toelichting van het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2005/06, 30 580, nr. 3).

Door intrekking van de Douanewet komen het Douanebesluit en de Douaneregeling van rechtswege te vervallen. Een deel van de in het Douanebesluit opgenomen materie wordt vanwege de delegatiebepalingen die in de wet zijn opgenomen, niet meer bij algemene maatregel van bestuur, maar bij Ministeriële regeling vastgesteld.

Zoals is aangegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Aanpassingswet Algemene douanewet (Kamerstukken II 2006/07, 30 979, nr. 3) hebben de wet en de Aanpassingswet geen effecten voor de administratieve lasten zoals deze in de nulmetingen zijn opgenomen. Dit strookt met de gemaakte inschatting dat er met de inwerkingtreding van de wet en de daarbij behorende lagere regelgeving geen wezenlijke wijzigingen zullen optreden in de wijze waarop de douane zijn bevoegdheden op grond van de van toepassing zijnde wettelijke regelingen zal effectueren. Een en ander neemt niet weg dat met de inwerkingtreding van de wet en de daarbij behorende lagere regelgeving op het punt van kenbaarheid van bevoegdheden en inzichtelijkheid van regelgeving wel degelijk verbeteringen zullen optreden die ook voor het bedrijfsleven waarneembaar zullen zijn. Deze effecten laten zich echter niet uitdrukken in administratieve lastentermen.

Aan deze regeling zijn geen budgettaire gevolgen of uitvoeringskosten verbonden. Voor de goede orde wordt verwezen naar de paragrafen 7 en 8 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Aldaar wordt nader ingegaan op de bedrijfseffecten en de aspecten van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

Artikelsgewijs

Afdeling 1.2 Aanwijzing inspecteur en ontvanger

Artikel 1:4

Als inspecteur en ontvanger, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet, worden in artikel 1:4 van deze regeling de voorzitters van de managementteams aangewezen van de organisatieonderdelen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b en c.1, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (hierna: UrBD 2003). Deze voorzitters zijn, op grond van deze aanwijzing en in het licht van artikel 1:3, eerste lid, onderdeel d, van de wet, aangewezen als de douaneautoriteit, bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Communautair douanewetboek. Zodoende beschikken de functionarissen die werkzaam zijn bij de Belastingdienst, niet alleen over bevoegdheden die samenhangen met verplichtingen ten dienste van de heffing van rijksbelastingen, maar ook over de bevoegdheden, bedoeld in het Communautair douanewetboek en de wet, waarvan de toepassing onder andere nodig is voor de heffing en invordering van douanerechten. Voor zover het de rijksbelastingen betreft, zijn de voorzitters van de managementteams van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b en c1, genoemde organisatieonderdelen van de Belastingdienst in artikel 5, eerste lid, van de UrBD 2003 aangewezen als inspecteur en ontvanger in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990, terwijl deze functionarissen in artikel 1:4 van deze regeling zijn aangewezen als inspecteur en ontvanger in de zin van de Algemene douanewet. De genoemde voorzitters zijn daarmee allen aangewezen voor de desbetreffende wetgeving. Ingevolge artikel 1:4, tweede lid, van deze regeling geschiedt de heffing en invordering van douanerechten bij leden van het Koninklijk Huis door de directeur-generaal Belastingdienst. De vergelijkbare bepaling voor de heffing en invordering van rijksbelastingen is terug te vinden in artikel 5, tweede lid, van de UrBD 2003.

Artikel 1:5

Artikel 11:7 van de Algemene douanewet maakt noodzakelijk dat een contactambtenaar wordt aangewezen. Het eerste lid van het onderhavige artikel wijst dezelfde voorzitters aan als contactambtenaar voor douanedelicten als voor fiscale delicten.

Met het oog op grensoverschrijdend goederenverkeer kan het nodig zijn iemand aan lijfsvisitatie te onderwerpen. Ingevolge het tweede lid van artikel 1:5 van deze regeling is de bevoegdheid, bedoeld in artikel 1:28, zesde lid, van de wet, belegd bij de voorzitters van de managementteams van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdelen.

Artikel 1:6

Artikel 1:32 van de wet regelt in aanvulling op artikel 14 van het Communautair douanewetboek verplichtingen waarvan de nakoming noodzakelijk is voor een juiste heffing en invordering van douanerechten. In artikel 10 van de UrBD 2003 is aan voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD alsmede jegens de door deze voorzitter aangewezen ambtenaren van de Belastingdienst met het oog op de opsporing van fiscale delicten de bevoegdheid verleend nakoming te vorderen van bepaalde verplichtingen. Artikel 1:6 van de regeling regelt iets soortgelijks voor de douanedelicten.

Artikel 1:7

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet zijn slechts die functionarissen inspecteur of ontvanger indien zij zijn aangewezen bij Ministeriële regeling. Onderhavige bepaling strekt ertoe de voorzitters van de genoemde productschappen, naast de inspecteurs die ressorteren onder de rijksbelastingdienst, aan te wijzen als inspecteur in de zin van de wet. De reikwijdte van deze aanwijzing wordt op meerdere wijzen beperkt. De eerste beperking is dat de aanwijzing is beperkt tot die taken die ingevolge de algemene maatregelen van bestuur die zorg dragen voor de instelling van genoemde productschappen, zijn toegekend aan die productschappen. Een tweede beperking wordt gegeven in het tweede lid van het onderhavige artikel. Aldaar wordt bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor de taken die worden uitgevoerd in het kader van artikel 78, tweede lid, van het Communautair douanewetboek. Deze taak betreft de controle achteraf van de aangifte en zal meestal de vorm aannemen van een administratieve controle. De voor deze controle benodigde bevoegdheden zijn de bij het derde lid toegekende bevoegdheden uit de wet. De controle van de goederen en de gedane aangifte op het moment dat de betreffende goederen zijn aangebracht bij de douane geschiedt door de inspecteur die ressorteert onder de rijksbelastingdienst. De hiervoor genoemde beperkingen zijn mogelijk ingevolge artikel 1:3, tweede lid, van de wet. Voorts worden in artikel 1:3, derde en vierde lid, van de wet de bevoegdheden beperkt die mogen worden aangewend bij de uitvoering van bedoelde taken. De overige bepalingen van de wet die geen bevoegdheden inhouden, zijn uiteraard onverkort van toepassing.

Opgemerkt wordt nog dat afbakening van de taken tussen de in deze bepaling aangewezen inspecteurs en de inspecteurs die ressorteren onder de rijksbelastingdienst, zal worden bepaald in daartoe ingevolge artikel 1:3, vijfde lid, van de wet af te sluiten convenanten.

Artikel 1:8

Voor de aanwijzing van de directeur van de Algemene Inspectie Dienst als inspecteur geldt mutatis mutandis hetzelfde als hetgeen hiervoor bij de toelichting op artikel 1:7 is gesteld ten aanzien van de voorzitters van de productschappen. De aanwijzing als inspecteur in de zin van de wet geldt slechts voor die taken die Europese beleidsterreinen betreffen voor zover die vallen onder de reikwijdte van de nationale regelgeving genoemd in het derde lid en voor die taken die bij of krachtens die nationale regelgeving zijn geregeld. De bevoegdheden die uitgeoefend kunnen worden bij de uitvoering van deze taken worden beperkt ingevolge artikel 1:3, tweede tot en met vierde lid, van de wet. De overige bepalingen die geen bevoegdheden inhouden, zijn uiteraard onverkort van toepassing. Ook hier geldt – evenals gesteld in de toelichting op artikel 1:7 hiervoor – dat afbakening van de taken tussen de in deze bepaling aangewezen inspecteurs en de inspecteurs die ressorteren onder de rijksbelastingdienst, zal worden bepaald in daartoe ingevolge artikel 1:3, vijfde lid, van de wet af te sluiten convenanten.

Artikel 1:9

In artikel 1:9 worden de voorzitters van het hoofdproductschap en de productschappen die in bijlage VII zijn genoemd, eveneens aangewezen als ontvanger in de zin van de wet en artikel 3, eerste lid, van de Invorderingswet 1990. Deze aanwijzing blijft beperkt tot ontvangerstaken met betrekking tot restituties, subsidies dan wel waarborgsommen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het besluit.

Afdeling 1.3 Elektronisch berichtenverkeer

Artikel 1:11

De Algemene wet bestuursrecht bepaalt in artikel 2:15 dat zodra een bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat aan het elektronisch verzenden van aangiftes en berichten eisen kunnen worden gesteld. In het eerste lid van het onderhavige artikel wordt daaraan invulling gegeven door het elektronische berichtenverkeer te koppelen aan een vergunning.

Het Communautair douanewetboek geeft in artikel 77 de mogelijkheid om bij gebruikmaking van automatische gegevensverwerking toe te staan dat bescheiden die op grond van artikel 62 van het Communautair douanewetboek bij de aangifte zouden moeten worden overgelegd, niet worden overgelegd, maar ter beschikking van de douaneautoriteiten worden gehouden. Het onderhavige artikel geeft in het tweede lid aan dat de desbetreffende bescheiden in de aangifte worden vermeld.

Afdeling 1.4 Kosten ambtelijke werkzaamheden

Artikel 1:12

Artikel 1:19 van de wet bepaalt dat in bepaalde gevallen kosten in rekening kunnen worden gebracht bij belanghebbenden. In artikel 1:3 van het besluit zijn deze gevallen vastgesteld. Het tarief van de kosten wordt vastgesteld bij het onderhavige artikel. Hierbij is het toetsingskader voor de doorberekening van toelatings- en handhavingskosten ‘Maat houden’ (Stcrt. 2000, 90 en Kamerstukken II 1996/97, 24 036, nr. 64) in acht genomen. In het onderhavige artikel, aanhef en onder a, is bepaald dat het tarief voor ambtelijke verrichtingen per half uur wordt berekend. Hierdoor sluiten de doorberekende kosten goed aan bij de werkelijk gemaakte kosten. Het tarief per half uur is vastgesteld op € 24. Er is bewust voor gekozen om, anders dan in de Douaneregeling het geval was, de reistijd van de ambtenaar niet mede in aanmerking te nemen bij de berekening van de duur van de ambtelijke verrichtingen. Reden voor deze keuze is het feit dat er in de afgelopen jaren diverse douanekantoren zijn gesloten, waardoor de afstanden en daarmee de reistijd voor de ambtenaren steeds groter werd. Dit heeft er tevens onder meer toe geleid dat er mobiele teams worden ingezet. Het toerekenen van de reisduur van de ambtenaren aan bepaalde werkzaamheden is daarmee niet goed mogelijk geworden.

Naast een tarief per half uur is onder b bepaald dat kosten die door derden in rekening zijn gebracht één op één worden doorberekend aan de belanghebbende.

Afdeling 1.5 Oorsprong van goederen

Artikel 1:14

Op grond van artikel 28, onderdeel a, van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 is de Kamer van Koophandel (verder: de kamer) verantwoordelijk voor de afgifte van niet-preferentiële oorsprongsbewijzen, de certificaten van oorsprong. Dit komt overeen met de praktijk in andere Europese lidstaten. Er zijn veel derde landen die bij invoer van producten uit de Europese Gemeenschap (verder: de EG) een certificaat van oorsprong vereisen. Soms gebeurt dat uit douanerechtelijke of handelspolitieke overwegingen, zoals de toepassing van anti-dumpingrechten of soms op politieke gronden. Daarnaast komt het voor dat private instellingen, zoals banken, in het kader van het verstrekken van een letter of credit het overleggen van een certificaat van oorsprong vereisen. Ook worden geregeld handtekeninglegalisaties gevraagd van de handtekening van de aanvrager van het certificaat van oorsprong of van de functionaris van de kamer die de handtekening van de aanvrager heeft gelegaliseerd. Deze tweede legalisatie geschiedt dan door de Minister van Buitenlandse Zaken of een ambassade van het importerende land.

Artikel 1:16

Preferentiële oorsprong houdt in dat goederen die van oorsprong zijn uit een land waarmee een vrijhandels- of associatieovereenkomst is gesloten in de EG, kunnen worden ingevoerd tegen een verlaagd invoerrecht (dikwijls zelfs nul procent). Omgekeerd kunnen goederen die van oorsprong zijn uit de EG, ook tegen verlaagde douanerechten in die landen worden ingevoerd. Als bewijs dat de goederen werkelijk van oorsprong zijn uit de EG, geven bestuursorganen in de EG, in het algemeen de douane, daarvoor op aanvraag een certificaat inzake goederenverkeer af. In dit artikel wordt bepaald dat de inspecteur het certificaat afgeeft op advies van de kamer. Deze adviesfunctie is ingesteld omdat de kamer een goed inzicht heeft in de ondernemingen en hun productiemethoden in haar regio en vertrouwd is met de afgifte van oorsprongsverklaringen.

Naast het certificaat EUR.1 of EUR-MED kan de preferentiële oorsprong tevens worden bewezen door preferentiële verklaringen opgesteld door een ‘toegelaten exporteur’ zonder tussenkomst van de douane. De inspecteur kan een exporteur toestemming verlenen om dergelijke verklaringen op te stellen. De exporteur moet hiervoor voldoende waarborgen bieden voor de controle op de oorsprong. Hiervoor stelt artikel 90 van de toepassingsverordening van het Communautair douanewetboek (Verordening 2454/93 van 2 juli 1993) regels.

Artikel 1:17

Dit artikel treedt in de plaats van het Besluit instelling adviescommissie voor de oorsprong 1976 en voorziet in het handhaven van de adviescommissie voor de oorsprong. Deze commissie geeft bindend beleidsadvies en houdt toezicht over het door de Kamers van Koophandel en door de Belastingdienst gevoerde beleid. De commissie besluit op beleidsvragen die uit de dagelijkse praktijk afkomstig zijn. De beslissingen van de commissie zijn leidend in toekomstige interpretatiekwesties. De werkwijze en samenstelling van deze commissie zal door het orgaan zelf schriftelijk worden vastgesteld, om op deze wijze zoveel mogelijk aan te passen bij de frequentie, omvang en complexiteit van de vragen die worden voorgelegd aan de commissie door de gezamenlijke kamers en de Belastingdienst.

Afdeling 1.6 Lijfsvisitatie

Artikel 1:18

Het vijfde lid van artikel 1:5 van het besluit geeft de mogelijkheid om bepalingen op te nemen met betrekking tot de apparatuur waarmee door kleding van personen wordt gekeken en het gebruik van die apparatuur. De onderhavige bepaling schrijft ten behoeve van de privacy voor dat de persoon die aan de virtuele lijfsvisitatie wordt onderworpen niet herkend kan worden door de persoon die de beelden analyseert. Dit kan bijvoorbeeld worden bewerkstelligd door de software van de apparatuur zo in te stellen dat het gezicht op de beelden wordt afgeschermd.

Afdeling 1.7 Douanewaarde

Artikel 1:19

Artikel 168, onderdeel a, tweede gedachtestreepje, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek biedt lidstaten voor de vaststelling van de douanewaarde de mogelijkheid een andere wisselkoers dan de verkoopkoers als de te gebruiken koers voor te schrijven. In het onderhavige artikel is van die mogelijkheid gebruik gemaakt en wordt bepaald dat de door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoersen aangemerkt worden als de genoteerde koers, bedoeld in artikel 168, onderdeel a, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek. De Europese Centrale Bank publiceert voor een aantal vreemde munteenheden referentiekoersen ten opzichte van de euro. De referentiekoersen worden gebruikt als officiële periodieke wisselkoersen voor het berekenen van de douanewaarde. De tekst van het onderhave artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 149 van de Douaneregeling.

Artikel 1:20

Er zijn situaties waarin bepaalde wisselkoersen zelden of nooit worden genoteerd, bijvoorbeeld omdat de vraag naar de betrokken munteenheid op de valutamarkt gering is. In dergelijke situaties wordt aan een lidstaat overgelaten de te gebruiken wisselkoers vast te stellen op de wijze die hij het meest geschikt acht. Het eerste lid bepaalt dat in de gevallen waarin de Europese Centrale Bank geen referentiekoersen publiceert, gebruik wordt gemaakt van de wisselkoers van de desbetreffende munteenheid ten opzichte van de euro zoals die wordt gepubliceerd in de Financial Times Guide to World Currencies. Het tweede lid dient om ervoor te zorgen dat de bij de vaststelling van de douanewaarde te gebruiken wisselkoersen gedurende een maand ongewijzigd blijven. Het derde lid is van belang wanneer bijvoorbeeld de gebruikelijke dag van publicatie een officiële feestdag is of andere omstandigheden in het spel zijn die de publicatie hebben verhinderd. Het vierde lid beoogt ervoor te zorgen dat de bij de vaststelling van de douanewaarde te gebruiken wisselkoersen binnen een redelijke marge van de laatst op de valutamarkt genoteerde wisselkoersen blijven. Het vijfde lid strekt ertoe de aangever in staat te stellen één enkele wisselkoers te gebruiken gedurende de gehele periode waarvoor hij toestemming heeft gekregen om gebruik te maken van de vereenvoudigde procedure voor de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen. De tekst van artikel 1:20 komt overigens inhoudelijk grotendeels overeen met artikel 150 van de Douaneregeling.

Artikel 1:21

Artikel 178 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek schrijft voor dat, als de douanewaarde moet worden vastgesteld, de gegevens inzake de douanewaarde op een formulier D.V.1 bij de aangifte worden gevoegd. Het derde lid van artikel 178 geeft aan dat daarvan kan worden afgeweken. In het onderhavige artikel is dit uitgewerkt. Artikel 1:21 komt inhoudelijk grotendeels overeen met artikel 151 van de Douaneregeling.

Artikel 1:22

Artikel 180 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek geeft de lidstaten de mogelijkheid om af te wijken van de eis dat de gegevens voor de vaststelling van de douanewaarde in een bepaalde vorm worden verstrekt. In het onderhavige artikel wordt van die mogelijkheid gebruik gemaakt ingeval systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking worden gebruikt.

Hoofdstuk 2 Bepalingen die op de in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen van toepassing zijn tot deze een douanebestemming hebben gekregen

Afdeling 2.1 Formaliteiten met betrekking tot het binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Gemeenschap

Artikel 2:1

In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen die zowel zien op het binnenbrengen van goederen over zee als het binnenbrengen van goederen door de lucht. De bepalingen zijn een uitwerking van artikel 2:1, aanhef en onderdeel a, van de wet. Artikel 38 van het Communautair douanewetboek bepaalt onder meer dat goederen het douanegebied van de Gemeenschap moeten binnenkomen langs de door de autoriteiten aangegeven weg en op de aangegeven wijze naar aangewezen douanekantoren of goedgekeurde plaatsen moeten worden gebracht. Het onderhavige artikel bevat bepalingen omtrent het binnenbrengen en aanbrengen van goederen in het douanegebied die schepen en luchtvaartuigen in acht moeten nemen en komt inhoudelijk nagenoeg geheel overeen met de artikelen 4, 5, vierde lid, en 10 van het Douanebesluit alsmede de artikelen 10, 11, 11a, 17 en 25, tweede lid, van de Douaneregeling.

Artikel 2:2

Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen moeten op grond van artikel 40 van het Communautair douanewetboek bij de douane worden aangebracht. Het onderhavige artikel bepaalt op welke wijze schepen en luchtvaartuigen moeten worden aangebracht. Schepen die een aangewezen haven binnenlopen leveren op grond van het eerste lid daartoe bij aankomst de zogenoemde generale verklaring (IMO/FAL 1), al dan niet elektronisch, in bij de douane. Het gebruik van deze generale verklaring wordt voorgeschreven door Richtlijn nr. 2002/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 februari 2002 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten van de Gemeenschap (PbEG, L 67).

Het tweede lid geeft een afwijkend voorschrift indien het schip niet wordt aangebracht in een haven, maar op een daartoe aangewezen plaats. In het derde lid wordt bepaald dat een luchtvaartuig wordt aangebracht door een handeling, namelijk het plaatsen van het luchtvaartuig op een aangewezen plek.

Artikel 2:3

Het onderhavige artikel geeft aan voor welke schepen en luchtvaartuigen de voorschriften omtrent binnenbrengen, aanbrengen en het indienen van een summiere aangifte niet gelden. Het gaat bijvoorbeeld om visserschepen en pleziervaartuigen die als vorige haven een haven in het douanegebied van de Gemeenschap hebben aangedaan en geen goederen vervoeren waarvoor rechten bij invoer, accijns of omzetbelasting zijn verschuldigd. Een dergelijke uitzonderingsbepaling is nodig omdat goederen (daaronder begrepen de schepen en luchtvaartuigen zelf) die over zee of door de lucht ons land binnenkomen, worden geacht een niet-communautaire status te hebben tenzij het tegendeel is bewezen. Op grond van die fictie zouden bijvoorbeeld alle visserschepen en pleziervaartuigen zonder uitzonderingsbepaling moeten worden aangebracht bij de douane zodra ze weer een Nederlandse haven aandoen. Dat is uit pragmatisch oogpunt ongewenst als het schip of het luchtvaartuig niet buiten het douanegebied van de Gemeenschap is geweest en geen goederen aan boord heeft genomen.

Artikel 2:4

Op het strand aangespoelde goederen worden, net als goederen die over zee worden aangevoerd met een schip, geacht een niet-communautaire status te hebben tenzij het tegendeel is bewezen. De bepalingen die gelden voor op schepen binnengebrachte goederen, zijn ook van toepassing op aangespoelde goederen. Het onderhavige artikel geeft aan hoe moet worden gehandeld door degene die de goederen heeft gevonden. Het artikel komt overeen met artikel 9 van het Douanebesluit.

Afdeling 2.2 Summiere aangifte

Artikel 2:5

Op grond van artikel 43 van het Communautair douanewetboek moet van goederen die bij de douane zijn aangebracht, een summiere aangifte worden gedaan. Artikel 44 van het Communautair douanewetboek geeft aan dat de douaneautoriteiten kunnen aangeven hoe een summiere aangifte eruit ziet. Artikel 2:5 geeft hiervoor nadere regels. Het eerste lid geeft aan in welke taal de summiere aangifte moet worden gedaan, namelijk de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal. In het tweede, derde en vierde lid is opgenomen welke bescheiden kunnen worden gebruikt als summiere aangifte en aan welke eisen die bescheiden moeten voldoen. Op grond van artikel 1:11 kan de summiere aangifte elektronisch worden gedaan.

Afdeling 2.3 Tijdelijke opslag

Artikel 2:6

Plaatsen die permanent zijn goedgekeurd voor de tijdelijke opslag van goederen worden op grond van het eerste lid van artikel 185 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek ruimten voor tijdelijke opslag genoemd.

Artikel 2:1, aanhef en onderdeel f, van de wet maakt het mogelijk bij Ministeriële regeling randvoorwaarden vast te stellen voor de goedkeuring van de plaatsen. Het onderhavige artikel strekt daartoe. Het artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 13 van het Douanebesluit.

Artikel 2:7

Het eerste lid van artikel 2:7 komt overeen met het eerste lid van artikel 22 van de Douaneregeling en komt erop neer dat voor een wijziging in de inrichting van een ruimte voor tijdelijke opslag goedkeuring van de inspecteur nodig is.

Het derde lid bepaalt in welke gevallen een inspecteur een vergunning in ieder geval kan intrekken. Daarnaast kan de inspecteur ook in andere gevallen besluiten een vergunning in te trekken. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan gevallen waarin misbruik wordt gemaakt van de vergunning.

De aanvraag van een vergunning om een ruimte voor tijdelijke opslag te mogen beheren moet op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk worden ingediend bij de inspecteur. Een overeenkomstige bepaling is in de onderhavige regeling dan ook niet meer nodig.

Artikel 2:8

Dit artikel komt inhoudelijk overeen met een deel van artikel 23 van de Douaneregeling. De voorheen opgenomen verplichting dat voor het plaatsen van goederen in een ruimte voor tijdelijke opslag zekerheid moet worden gesteld, is komen te vervallen. De inspecteur behoudt echter de bevoegdheid om te eisen dat zekerheid wordt gesteld op grond van artikel 51, tweede lid, van het Communautair douanewetboek.

Het eerste lid van het onderhavige artikel geeft aan in welke gevallen voor het plaatsen van goederen in een ruimte voor tijdelijke opslag een nadere aangifte wordt ingediend als bedoeld in artikel 186 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek. Het tweede lid geeft aan op welke wijze de nadere aangifte moet worden gedaan.

Afdeling 2.4 Douaneaangifte

Artikel 2:9

Het tweede lid van artikel 201 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek geeft de douaneautoriteiten de mogelijkheid om toestemming te geven dat de douaneaangifte wordt ingediend nog voordat de goederen zijn aangebracht. Daartoe mag een termijn worden vastgesteld waarbinnen de goederen alsnog moeten worden aangebracht of ter beschikking worden gesteld. Het onderhavige artikel voorziet hierin en komt inhoudelijk overeen met het eerste lid van artikel 31 van de Douaneregeling.

Artikel 2:10

Artikel 211 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek geeft aan in welke taal de aangifte moet worden gesteld. De lidstaten mogen daartoe meerdere talen toestaan. Het onderhavige artikel strekt hier toe.

Artikel 2:11

Op grond van artikel 205 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek is het officiële model voor de douaneaangifte het zogenoemde ‘enig document’. Artikel 212 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek schrijft voor dat de invulling van het enig document moet gebeuren overeenkomstig de toelichting zoals die is opgenomen in bijlage 37 bij de toepassingsverordening Communautair douanewetboek met eventuele toevoegingen door de douaneautoriteiten. De Nederlandse versie van deze toelichting is opgenomen bij de onderhavige regeling in bijlage VI. Het tweede lid geeft aan welke codes bij het invullen moeten worden gebruikt en de vindplaats van deze codes.

Artikel 2:12

In het zogenoemde ‘gebruikstarief’ zijn de in artikel 2:10 bedoelde codes opgenomen alsmede de financiële en niet-financiële maatregelen die daarbij horen. Het gebruikstarief bevat het tarief van invoerrechten en (overzichten van) andere regelingen betreffende de in- en uitvoer van goederen, voor zover deze betrekking hebben op belastingen, landbouwheffingen en -restituties en/of zijn afgestemd op de onderscheidingen van de naamlijst van goederen van het tarief. Op www.douane.nl wordt de lijst elke werkdag geactualiseerd.

Artikel 2:13

In Verordening nr. 1172/95 van 22 mei 1995 betreffende de statistieken van het goederenverkeer van de Gemeenschap en haar Lidstaten met derde landen is in de artikelen 16 en 18 bepaald dat de samenstelling van een entrepotstatistiek facultatief is voor de lidstaten. Doordat de bepalingen van de Statistiekwet 1950 zijn geïncorporeerd in de Algemene douanewet komt ook het Besluit Handelsstatistiek 1978 te vervallen. In dit besluit is een artikel opgenomen dat onder meer ziet op de aanlevering van gegevens voor de entrepotstatistiek. Het onderhavige artikel voorziet in de bepaling dat bij de afgifte van een vergunning voor de regeling douane-entrepot afspraken met het Centraal Bureau voor de Statistiek moeten worden gemaakt over de rechtstreekse aanlevering van gegevens. Binnen de huidige geautomatiseerde omgeving van de douane is het niet mogelijk om deze gegevens elektronisch aan het CBS aan te leveren. De te verstrekken gegevens komen overeen met de gegevens die ook aan de douane worden verstrekt in het kader van de regeling douane-entrepot.

Afdeling 2.5 Onderzoek van de goederen, bevindingen van het douanekantoor en andere door het douanekantoor te nemen maatregelen

Artikel 2:14

Op grond van artikel 68, aanhef en onder b, van het Communautair douanewetboek en artikel 1:24 van de wet kunnen goederen worden onderzocht en kunnen monsters van deze goederen voor analyse of grondige controle worden genomen. Artikel 2:1, aanhef en onder h, van de wet maakt het mogelijk bepalingen vast te stellen omtrent de wijze waarop een onderzoek van goederen of van bepaalde hoedanigheden van goederen moet geschieden. Voorts maakt deze bepaling het mogelijk voor te schrijven dat meerdere monsters moeten worden genomen teneinde rekening te houden met de mogelijkheid dat de belanghebbende bij de goederen zich niet kan verenigen met de resultaten van de analyse of grondige controle van de monsters in het kader van het onderzoek van de goederen. Het onderhavige artikel strekt hier toe.

Artikel 2:15

Indien door de inspecteur wordt overgegaan tot onderzoek van de goederen kunnen er verschillen worden gevonden tussen het resultaat van dat onderzoek en de gegevens op de aangifte. Artikel 1:35 van de wet geeft uit efficiencyoverwegingen de mogelijkheid om kleine verschillen te verwaarlozen. Het onderhavige artikel strekt ertoe de in artikel 1:35 bedoelde spelingen vast te stellen en komt inhoudelijk grotendeels overeen met het eerste lid van artikel 34 van de Douaneregeling.

Hoofdstuk 3 Landbouwproducten

Afdeling 3.1 Certificaten: Algemene bepalingen

Artikel 3:1 tot en met 3:12

De invoer of uitvoer van landbouwproducten zonder certificaat is verboden, indien de overlegging van een invoer- of uitvoercertificaat krachtens Europese regelgeving wordt vereist. In het kader van de marktordening van bepaalde landbouwproducten is de overlegging van een certificaat verplicht gesteld. Verordening (EG) nr. 376/20081 bevat algemene bepalingen omtrent het verlenen van de certificaten door de lidstaten. Deze verordening is op 1 juli 2008 in werking getreden en codificeert verordening (EG) nr. 1291/20002 en alle wijzigingen die in die verordening zijn aangebracht.

In verordening (EG) nr. 376/2008 staan regels over de wijze van aanvragen en afgifte van certificaten en uittreksels daarvan, het stellen van zekerheid en het gebruik van de certificaten bij de aangifte ten invoer of uitvoer. Dit zijn de algemene uitvoeringsbepalingen. Daarnaast staan er specifieke aanvullende voorschriften in een aantal andere uitvoeringsverordeningen van de marktordeningen. Voorbeelden zijn de erkenningsplicht bedoeld in artikel 7 van verordening (EG) 2535/2001, of de bepalingen over te nemen maatregelen als bedoeld in verordening (EG) nr. 1301/2006.

De bepalingen in afdeling 3.1 van deze regeling geven uitvoering aan verordening (EG) nr. 376/2008 en de aanvullende voorschriften. Europese verordeningen hebben rechtstreekse werking in het Nederlandse rechtstelsel. De meeste bepalingen behoeven daarom geen implementatie in de nationale regelgeving. Een deel van de artikelen die voorheen in de Regeling in- en uitvoer landbouwproducten stonden, is om die reden niet meer terug te vinden in deze regeling.

De bepalingen in afdeling 3.1 strekken tot het aanwijzen van strafbare feiten, het aanwijzen van de bevoegde instanties, verantwoordelijk voor uitvoering, en de invulling van de ruimte in de uitvoering die verordening (EG) nr. 376/2008 aan de lidstaten laat.

Ingevolge artikel 3:2 is het handelen in strijd met de voorschriften van verordening (EG) nr. 376/2008 verboden. Vervolging van strafbare feiten op grond van dit artikel geschiedt via artikel 10:11 van de wet. De strafbaarstelling heeft slechts een beperkte betekenis. Op grond van de verordening leidt het overtreden van de voorschriften namelijk veelal tot het verbeuren van een deel van de zekerheid. Niet-naleving wordt via deze administratieve weg gesanctioneerd, waardoor vervolging via het strafrecht niet meer nodig is.

In de artikelen 3:3 tot en met 3:12 zijn de productschappen aangewezen als bevoegde autoriteit voor de uitvoering van de taken omtrent de certificatie. Het betreft hier niet alle productschappen. In artikel 1:2 wordt de term productschap voor de werking van deze regeling beperkt tot de productschappen genoemd in kolom 2 van Bijlage VII. De genoemde productschappen zijn het Hoofdsproductschap Akkerbouw, het Productschap Zuivel, het Productschap voor Vee en Vlees, het Productschap voor Pluimvee en Eieren en het Productschap Tuinbouw.

De uitvoering van de taken is voor een groot gedeelte dwingend vastgelegd, maar op een aantal punten hebben de lidstaten beleidsvrijheid. De productschappen zijn bevoegd te beslissen over het gebruik van deze vrijheid. Via onderling overleg zorgen de productschappen voor de uniforme uitvoering van de Europese regels.

In deze toelichting wordt nog apart de depotregeling genoemd, welke is opgenomen in artikel 3:8. De depotregeling berust op de mogelijkheden die artikel 25 van verordening (EG) nr. 376/2008 biedt. Wanneer iemand landbouwproducten uitvoert, overlegt hij het uitvoercertificaat in beginsel bij de aangifte ten uitvoer aan de Douane. De Douane maakt op het certificaat aantekening van de aangifte en van de daarbij behorende hoeveelheid uitgevoerd product (het wordt zogenaamd afgeschreven van het certificaat). Op grond van de depotregeling kan de belanghebbende het productschap verzoeken om zijn certificaat in bewaring te houden. Bij de aangifte ten uitvoer verwijst de aangever dan voor het certificaat naar het productschap. De productschappen bevestigen op verzoek van de douaneautoriteiten het bestaan van het certificaat, en zij schrijven na de aanvaarding door de douane, de aangifte af op het certificaat.

Afdeling 3.2 Certificaten: bijzondere bepalingen

Artikelen 3:13 tot en met 3:16

De bepalingen in afdeling 3.2 van deze regeling bevatten de uitvoeringsbepalingen ten behoeve van het verlenen van certificaten voor landbouwproducten, waarvoor aparte tariefcontingenten zijn ingesteld of waarvoor op basis van Europese regelgeving onder voorwaarden vrijstelling is verleend van de verplichting om een certificaat te overleggen. Deze voorschriften vloeien voort uit aparte uitvoeringsverordeningen, gebaseerd op de marktordening. Ze gelden als extra eis naast de algemene bepalingen van verordening (EG) nr. 376/2008.

Afdeling 3.3 Restitutie

Artikelen 3:17 tot en met 3:22

Voor de uitvoer van bepaalde landbouwproducten kan op grond van de Europese marktordening van landbouwproducten restitutie worden verkregen. De algemene voorschriften inzake de toekenning van restituties voor landbouwproducten zijn opgenomen in verordening (EG) nr. 800/99.3 Het gaat daarbij om de wijze van aanvragen en toekennen van restitutie, het vaststellen van de hoogte, het verlenen van een voorschot en het opleggen van administratieve sancties, alsmede de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen. Voor de werking van verordening (EG) nr. 800/99 wordt de levering van proviand aan schepen of aan boor- of productieplatforms gelijk gesteld aan uitvoer naar buiten de gemeenschap. Voor de toekenning van restituties bij proviandering zijn in de verordening specifieke voorschriften vastgesteld.

Verordening (EG) nr. 800/99 werkt rechtstreeks door in het Nederlandse recht. In afdeling 3.3 van deze regeling zijn de bepalingen opgenomen ten behoeve van de uitvoering van het toekennen van restitutie en daarmee verband houdende bevoegdheden. Wat betreft proviandering zijn in afdeling 3.4 uitvoeringsbepalingen opgenomen.

Het handelen in strijd met verordening (EG) nr. 800/99 is een overtreding, waartegen op grond van artikel 3:17 van deze regeling in samenhang met artikel 10:11 van de wet kan worden opgetreden. De strafbaarstelling is van beperkte betekenis. Op grond van verordening (EG) nr. 800/99 leggen lidstaten administratieve sancties op tegen overtredingen van de verordeningen (artikel 51 van verordening (EG) nr. 800/99). De meeste overtredingen zullen via deze administratieve weg worden afgedaan.

De productschappen zijn bevoegd tot het toekennen en intrekken van het recht op restitutie, alsmede ten aanzien van het opleggen van eventuele administratieve sancties en maatregelen. De uitvoering van deze taken is grotendeels dwingend vastgelegd in verordening (EG) nr. 800/99. Op een aantal punten laat de verordening echter keuzevrijheid aan de lidstaten. Er is voor gekozen ook de productschappen bevoegd te maken voor de beslissing tot het gebruik van deze vrijheid.

De lidstaten hebben bijvoorbeeld de vrijheid om bepaalde voorschriften of het opleggen van sancties in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten. Te denken valt aan het niet verlenen van een voorschot op het restitutiebedrag wanneer het totale restitutiebedrag kleiner of gelijk is aan € 2000,00. De productschappen worden geacht zelf een beslissing te kunnen nemen over het gebruik van deze bevoegdheden. Ze zijn ten algemene bevoegd een restitutie te verlenen of een sanctie op te leggen. Dan zijn ze ook bevoegd om geen gebruik te maken van die bevoegdheid indien verordening (EG) nr. 800/99 daartoe de ruimte laat.

Afdeling 3.4 Proviandering

Artikelen 3:23 tot en met 3:31

Met betrekking tot de toekenning van restituties is de levering van proviand aan schepen op zee en aan boor- of productieplatforms gelijkgesteld aan uitvoer buiten de Gemeenschap. Voor deze zogenaamde proviandering kan restitutie worden toegekend. Vanwege het eigen karakter van dit soort leveringen bevat Titel III van verordening (EG) nr. 800/99 een aparte regeling voor de toekenning van restitutie bij deze vorm van uitvoer. De bepalingen ter uitvoering van deze titel zijn opgenomen in afdeling 3.4 van deze regeling.

Afdeling 3.5 Regels ter uitvoering van overige Europese verordeningen

Artikel 3:32

Ingevolge artikel 76 van het Communautair douanewetboek in samenhang met artikel 282 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek kan een lidstaat toestaan dat bij de aangifte ten uitvoer de opgaaf van bepaalde gegevens achterwege blijft. Op grond van artikel 3:32 van deze regeling kan het productschap een dergelijke toestemming verlenen wat betreft de vermelding van het gehalte, de samenstelling of de hoedanigheid van uit te voeren landbouwproducten.

Hoofdstuk 4 De douanebestemmingen

Afdeling 4.1 In het vrije verkeer brengen – bijzondere bestemming

Artikel 4:1 tot en met artikel 4:3

In een aantal gevallen is het mogelijk goederen in het vrije verkeer te brengen met toepassing van een verlaagd recht of een nulrecht. Dit is het geval als die goederen een bepaalde (bijzondere) bestemming wordt gegeven of als de goederen een bepaalde aard of eigenschap bezitten. Hiervoor zijn communautaire bepalingen vastgesteld. Zo moet degene die deze goederen in het vrije verkeer brengt in het bezit zijn van een vergunning (art. 21 van het Communautair douanewetboek en de artikelen 291 e.v. van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek). Daarnaast zijn er communautaire formaliteiten vastgesteld die ervoor zorgen dat aan de betreffende goederen de voorgeschreven bestemming wordt gegeven. Voor het in het vrije verkeer brengen met een bijzondere bestemming van goederen is het gebruik van het controle-exemplaar T5 voorgeschreven (artt. 912 bis e.v. toepassingsverordening Communautair douanewetboek).

Artikel 912 bis, vijfde lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek bepaalt dat elke lidstaat kan bepalen dat het bewijs dat de goederen op de voorgeschreven wijze zijn gebruikt en/of de voorgeschreven bestemming hebben gekregen, wordt geleverd volgens een nationale procedure. De onderhavige artikelen bevatten bepalingen voor deze nationale procedure.

Artikel 4:4

Artikel 1 bis van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek geeft aan dat voor de toepassing van de artikelen 291 tot en met 300 de landen van de Benelux samen als één lidstaat worden aangemerkt. De overdracht van goederen tussen vergunninghouders binnen de Benelux wordt dan ook beschouwd als de overdracht binnen één lidstaat. Op grond van artikel 296, vierde lid, zijn op de overdracht van goederen tussen twee in dezelfde lidstaat gevestigde vergunninghouders de nationale bepalingen van toepassing. In het onderhavige artikel zijn die nationale bepalingen opgenomen. Daardoor geschiedt de overdracht binnen Nederland op dezelfde wijze als tussen andere lidstaten (of binnen de Benelux) d.m.v. een T5 of, indien de douaneautoriteiten van de verschillende betrokken lidstaten daarover overeenstemming bereiken, op een vereenvoudigde wijze zoals beschreven in artikel 296, derde lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek.

Afdeling 4.2 De economische douaneregelingen

Artikel 4:6

Op grond van artikel 98, eerste lid, onderdeel b, van het Communautair douanewetboek kunnen bepaalde communautaire goederen in een douane-entrepot worden opgeslagen onder het stelsel van douane-entrepots. Op grond van artikel 106 van het Communautair douanewetboek kunnen douaneautoriteiten toestaan dat ook andere goederen dan die bedoeld in artikel 98 in de ruimten van een douane-entrepot worden opgeslagen. Het tweede lid van artikel 106 geeft aan dat deze goederen zich dan niet onder het stelsel van douane-entrepots bevinden. Het onderhavige artikel strekt ertoe gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 106 van het Communautair douanewetboek biedt en staat onder voorwaarden toe dat aan accijns onderworpen communautaire goederen in de ruimten van een douane-entrepot worden opgeslagen.

Artikel 4:7

Op grond van de artikelen 88 en 104 van het Communautair douanewetboek kunnen de douaneautoriteiten eisen dat zekerheid wordt gesteld. Het onderhavige artikel schrijft voor dat zekerheid wordt gesteld als waarborg voor de betaling van de douaneschuld voor goederen die onder het stelsel van douane-entrepots zijn geplaatst.

Artikelen 4:8 en 4:9

Deze artikelen bevatten nadere bepalingen die zien op de regeling tijdelijke invoer met vrijstelling van rechten bij invoer voor vervoermiddelen bestemd voor het gebruik in Nederland door bepaalde internationale ambtenaren en vertegenwoordigingen of vervoermiddelen die zijn opgeslagen in een douane-entrepot of een ruimte voor tijdelijke opslag en die worden wederuitgevoerd. De bepalingen zijn is een uitwerking van artikel 6:1 van de Algemene douanewet, alsmede van artikel 561, eerste lid, letter a en b van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek voor artikel 4:9. De toedeling van de verschillende kentekenseries is vastgesteld in het Kentekenreglement, de Regeling kentekens en kentekenplaten en de Regeling BN- en GN-kentekens en -kentekenbewijzen. Deze artikelen komen inhoudelijk overeen met de artikelen 62 en 63 van de Douaneregeling.

Afdeling 4.3 Vrije zones en entrepots

Artikel 4:10

Een vrije zone dient ingevolge artikel 167, eerste lid, van het Communautair douanewetboek en vanwege artikel 5:1, tweede lid, van het besluit te zijn ingesteld bij Ministeriële regeling. Artikel 4:10 van deze regeling maakt het mogelijk in en om Schiphol werkzaam te zijn in een vrije zone van het controletype II. In Nederland kennen we geen vrije zone van het controletype I.

Artikel 4:11

De keuze die inherent is aan de afweging tot de mogelijkheid tot oprichting van een vrij entrepot, kan worden gemaakt op een moment dat er een aanvraag is gedaan op de voet van artikel 5:1, eerste lid, van het besluit. Artikel 4:11 van deze regeling is de weergave van deze keuze door vooraf geografische gebieden in Nederland aan te wijzen waar de oprichting van vrije entrepots is toegestaan.

Artikel 4:12

Bij de aanvraag tot afgifte van een vergunning tot beheer van een vrije zone of een vrij entrepot dient de beoogd beheerder ingevolge artikel 5:1, vijfde lid, van het besluit kenbaar te maken wie de belanghebbenden zijn die werkzaamheden zullen verrichten in die vrije zone of dat vrije entrepot. Na afgifte van de vergunning tot beheer is de beheerder ingevolge artikel 4:12 gehouden de inspecteur in kennis te stellen van diegenen die werkzaam zullen zijn in de vrije zone of het vrije entrepot. Om deze werkzaamheden te kunnen verrichten is de belanghebbende, bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, gehouden een vergunning tot gebruik aan te vragen.

Artikel 4:13

Om in een vrije zone of een vrij entrepot werkzaam te kunnen zijn dient de belanghebbende, bedoeld in artikel 799, onderdeel c, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, te beschikken over een vergunning tot gebruik. Voorwaarde voor verkrijging van die vergunning is goedkeuring van de administratie alsmede goedkeuring van de inrichting van het gebouw waarin de werkzaamheden zullen worden verricht. Na verkregen goedkeuring mag een wijziging in de gevoerde administratie of de inrichting van het gebouw slechts worden doorgevoerd na daartoe verkregen toestemming van de inspecteur, en onder de voorwaarde dat de beheerder op de hoogte is. Het op de hoogte brengen van de beheerder kan ook geschieden door hem als vertegenwoordiger te laten optreden voor de aanvraag tot wijziging.

Artikel 4:14

Artikel 46b van het vervallen Douanebesluit en artikel 74c van de vervallen Douaneregeling keert terug in artikel 4:14 van deze regeling. De betekenis verandert dus niet ten opzichte van de vervallen bepalingen. Zodoende heeft bij het vierde lid hetzij de beheerder hetzij de belanghebbende zekerheid te stellen, terwijl ieder voor zich een eigen verantwoordelijkheid heeft.

Artikel 4:15

De douanecontrole op een vrije zone van het controletype I en vrij entrepot is voornamelijk gebaseerd op fysiek toezicht. Ten behoeve van dit toezicht bepaalt artikel 4:15, eerste lid, dat als niet wordt gewerkt in een vrije zone van het controletype I of een vrij entrepot, deze ambtelijk worden gesloten. De onderhavige bepaling was in het vervallen Douanebesluit te vinden in artikel 46. Het betreft hier een regel die de werking van het vrije entrepot betreft, net als in het tweede lid. In het tweede lid wordt de mogelijkheid gegeven dat in vrije entrepots kan worden gewerkt buiten de normale openingstijden. Deze mogelijkheid bestaat alleen indien de inspecteur daarvoor toestemming heeft gegeven.

Artikel 4:16

Artikel 43 van het vervallen Douanebesluit keert terug in artikel 4:16 van deze regeling. Het betreft hier een regel die de werking van het vrije entrepot betreft.

Artikel 4:17

Artikel 74 van de vervallen Douaneregeling keert terug in artikel 4:17 van deze regeling. Het betreft hier een regel die de werking van het vrije entrepot betreft.

Afdeling 4.4

Wederuitvoer, vernietiging en afstand van goederen

Artikel 4:18

Op grond van artikel 2:1, aanhef en onderdeel m, van de wet kan bij Ministeriële regeling worden vastgesteld op welke wijze het in kennis stellen van de inspecteur van de wederuitvoer als bedoeld in het derde lid van artikel 182 van het Communautair douanewetboek moet plaatsvinden. Het onderhavige artikel strekt daartoe en bepaalt dat dit gebeurt door inlevering van de generale verklaring (IMO/FAL 1).

Hoofdstuk 5 Verboden en beperkingen

Afdeling 5.1 Liquide middelen

Artikel 5:1

In het eerste lid wordt het in Nederland te bezigen aangifteformulier ten behoeve van de liquide middelencontrole in de zin van Verordening (EG) nr. 1889/2005 4 vastgesteld. Het formulier zoals opgenomen in bijlage IX is door de Europese Commissie in samenwerking met de lidstaten tot stand gebracht. Aangezien Nederland niet verplicht is dit formulier te gebruiken, maar het gebruik ervan in verband met uniformiteit wel wenselijk is, is uitdrukkelijke vaststelling van het formulier vereist. Het tweede lid verklaart met betrekking tot de in aanmerking te nemen wisselkoers de standaardregels hiervoor van overeenkomstige toepassing. De in aanmerking te nemen waarde van verhandelbare instrumenten aan toonder wordt in het derde lid vastgesteld op de waarde die het desbetreffende instrument heeft op de meest gerede financiële markt waarop het verhandeld wordt. Ontbreekt een financiële markt, dan wordt de waarde vastgesteld overeenkomstig de intrinsieke waarde van het verhandelbare instrument aan toonder.

Afdeling 5.2 Non-tarifaire handelspolitieke maatregelen

Het Algemeen douanebesluit bevat een aantal delegatiebepalingen ten behoeve van de uitvoering van enkele gemeenschappelijke invoerregelingen op het terrein van de non-tarifaire handelspolitiek. Meer in het bijzonder hebben deze regelingen betrekking op de invoer van ijzer- en staalproducten en van textiel- en kledingproducten uit derde landen en enkele andere onderwerpen als folterwerktuigen en gedifferentieerd geprijsde geneesmiddelen.

Artikel 5:2

Sedert de jongste ijzer- en staalcrisis, gepaard gaande met vrijwaringsmaatregelen, heeft de Europese Commissie besloten tot het instellen van toezicht door middel van invoervergunningen op de invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten uit derde landen. Deze vergunningen worden in beginsel zonder beperkingen afgegeven. De in het geding zijnde goederen vielen voorheen onder de werking van het inmiddels verlopen EGKS-Verdrag.

Artikelen 5:3 en 5:4

Voor de invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten die van oorsprong zijn uit de Russische Federatie respectievelijk Kazachstan, zijn kwantitatieve maxima vastgesteld bij conventionele of autonome handelspolitieke maatregelen van de EG. Deze maxima worden beheerd met behulp van invoervergunningen, terwijl in sommige gevallen bij invoer eveneens een bewijsstuk inzake de oorsprong is vereist. Deze selectieve invoermaatregelen vinden hun grondslag in de omstandigheid dat beide landen (nog) geen lid zijn van de Wereld Handels Organisatie (hierna: WTO).

Artikel 5:5

Ook ten aanzien van Noord-Korea geldt dat dit land geen lid is van de WTO. Bovendien heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn Resolutie 1718 (2006) beperkende maatregelen ingesteld met betrekking tot de Democratische Volksrepubliek Noord-Korea. Deze zijn door de Europese Unie geïmplementeerd in het kader van het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbesluit. Opheffing van de reeds bestaande kwantitatieve maxima voor de invoer van bepaalde textiel- en kledingproducten uit Noord-Korea ligt dan ook niet voor de hand. Ook deze maxima worden beheerd met behulp van invoervergunningen.

Artikel 5:6

De overgangsbepalingen die zijn overeengekomen ter gelegenheid van de Chinese toetreding tot de WTO maken het mogelijk om tijdens de periode die eindigt op 31 december 2008, specifieke vrijwaringsmaatregelen te nemen ter zake van de invoer in de EG van bepaalde textiel- en kledingproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China indien deze invoer (kan) leiden tot marktverstoring. Hoewel zodanige vrijwaringsmaatregelen die eerder van kracht waren, inmiddels zijn verlopen, is op de invoer van bepaalde textiel- en kledingproducten uit China thans een stelsel van voorafgaand toezicht van kracht. Dit toezicht wordt tot eind 2008 uitgeoefend met behulp van invoervergunningen. Of dit toezicht, al dan niet bij wijze van toezicht achteraf, na eind 2008 zal worden voortgezet is nog ongewis.

Artikel 5:7

Met Wit-Rusland, eveneens een land dat geen lid is van de WTO, heeft de Europese Gemeenschap eind 2007 door middel van een briefwisseling een overeenkomst gesloten. Belangrijkste onderdeel van deze overeenkomst behelst de handhaving bij invoer in de EG van kwantitatieve maxima bij invoer van bepaalde textiel- en kledingproducten uit Wit-Rusland ook gedurende het jaar 2008. Zoals te doen gebruikelijk worden deze maxima beheerd met behulp van invoervergunningen voor de goederen die aan deze maxima zijn onderworpen. Met de voortzetting van deze maxima ook na eind 2008 moet rekening worden gehouden, maar dit is thans nog niet zeker.

Artikel 5:8

Uit de hiervoor gegeven toelichting moge blijken dat sedert de oprichting van de WTO nog slechts kwantitatieve maxima van toepassing zijn op de invoer van bepaalde textielproducten uit niet-WTO-landen als Wit-Rusland en Noord-Korea. Desalniettemin, en ondanks bezwaren van onder meer Nederland, heeft de Raad van de Europese Unie zijn stelsel van bewijsstukken inzake de oorsprong van een groot aantal categorieën kleding- en textielproducten ongewijzigd in stand gehouden. Invoer uit landen die geen lid zijn van de EU, zonder het overleggen van een zodanig bewijsstuk is dan ook nog steeds niet toegestaan.

Artikel 5:9

Aan Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PbEU L 200) wordt in artikel 5:9 van deze regeling uitvoering gegeven.

Artikel 5:10

Door middel van Verordening (EG) nr. 953/2003 ter voorkoming van verlegging van het handelsverkeer in bepaalde belangrijke geneesmiddelen naar de Europese Unie (PbEU L 135) (hierna: de Verordening wederinvoer medicijnen) is een regeling tot stand gekomen die moet verhinderen dat gedifferentieerd geprijsde geneesmiddelen voor de voorkoming van onder meer HIV/Aids, tuberculose en malaria ten behoeve van de armste ontwikkelingslanden op de communautaire markt worden heringevoerd. Voorkomen dient te worden dat het handelsverkeer in goedkope farmaceutische producten die voor andere markten bestemd zijn, wordt verlegd, zodat prijserosie op markten in ontwikkelde landen zal worden veroorzaakt. Daartoe wordt het handelen in strijd met de betreffende bepaling uit de Verordening in artikel 5:10 van deze regeling verboden. Betrokken leveranciers van medicijnen kunnen met een beroep op de regeling de douanecontrole laten uitoefenen op de invoer van de betreffende geneesmiddelen. Om aan de Verordening wederinvoer medicijnen uitvoering te geven, wordt in deze regeling de Minister van Economische Zaken als bevoegde autoriteit in de zin van deze verordening aangewezen.

Hoofdstuk 6 Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten

Artikel 6:1

Artikel 6:1 bepaalt welke douanekantoren douanekantoren van uitgang zijn en komt inhoudelijk overeen met artikel 70 van de Douaneregeling.

Artikel 6:2

Artikel 6:2 bepaalt op welke wijze de aangifte tot uitklaring van goederen moet worden gedaan en komt inhoudelijk overeen met artikel 32 van het Douanebesluit en artikel 71 van de Douaneregeling met dien verstande dat de bepaling dat de aangifte ook elektronisch kan worden gedaan, is opgenomen in artikel 1:11.

Artikel 6:3

Artikel 183 van het Communautair douanewetboek bepaalt dat goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, zijn onderworpen aan douanetoezicht en aan controle kunnen worden onderworpen. Zij moeten het douanegebied van de Gemeenschap verlaten langs de weg die door de douaneautoriteiten is vastgesteld en op de door de douaneautoriteiten bepaalde wijze. Het onderhavige artikel strekt hiertoe en komt inhoudelijk overeen met artikel 35 van het Douanebesluit en de artikelen 11b en 72 van de Douaneregeling.

Artikel 6:4

Voor schepen en luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 2:3 zijn de bepalingen over het aanbrengen bij het douanekantoor van uitgang niet van toepassing. Voor een toelichting op de reden hiervan wordt kortheidshalve verwezen naar de toelichting op het desbetreffende artikel.

Hoofdstuk 7 Bijzondere regelingen

Afdeling 7.1 Preferentiële oorsprong

Artikel 7:1

In alle preferentiële regelingen is voorgeschreven op welke wijze het bewijs van de oorsprong in de zin van die regeling geleverd moet worden. Bewijzen van oorsprong worden bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend in overeenstemming met de aldaar geldende procedures. Het bewijs dat goederen van oorsprong zijn uit een bepaald begunstigd land of partnerland kan slechts worden geleverd op vertoon van een geldig oorsprongsdocument, zoals dat in de desbetreffende preferentiële regeling is voorgeschreven. Andere documenten kunnen onder geen enkele voorwaarde worden aanvaard.

In alle preferentiële regelingen komen bepalingen voor over producten die in kleine zendingen door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers. Binnen bepaalde waardegrenzen kunnen die producten als producten van oorsprong worden toegelaten en de preferentie worden verleend zonder dat een formeel bewijs van oorsprong behoeft te worden overgelegd. Voorwaarden daarbij zijn dat het om producten gaat zonder een handelskarakter en dat aan de voorwaarden van de betreffende oorsprongsprotocollen wordt voldaan en dat aan de mondelinge verklaring van de belanghebbende niet wordt getwijfeld.

Afdeling 7.2 Vrijstellingen

Artikel 7:2 t/m 7:7

Artikel 6:1 van de wet geeft de mogelijkheid om bij Ministeriële regeling bepalingen op te nemen ter uitwerking van Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PbEG L 105) (Verordening 918/83). De artikelen 7:2 tot en met 7:7 strekken daartoe. Het kan dan gaan om voorwaarden en beperkingen die aan de toepassing van een bepaalde vrijstelling worden gesteld. De bepalingen komen inhoudelijk overeen met de artikelen 76, 79, 80 en 82 van de Douaneregeling met dien verstande dat de artikelen en de bijlagen actueel zijn gemaakt.

Artikel 7:8 tot en met 7:14

Deze artikelen bevatten bepalingen die zien op de vrijstellingen van rechten bij invoer voor bepaalde internationale ambtenaren, vertegenwoordigingen en organisaties. De bepalingen zijn een uitwerking van hoofdstuk 6 van de Algemene douanewet en komen inhoudelijk overeen met de artikelen 84 tot en met 88 van de Douaneregeling met dien verstande dat er voortaan geen vergunning meer vereist is voor de in deze artikelen beschreven vrijstellingen. Nieuw is verder het opnemen van lijsten met vertegenwoordigingen en organisaties in de bijlagen van de regeling. De in onderliggende artikelen bedoelde vrijstellingen worden slechts verleend indien het gaat om in de bijlagen opgenomen vertegenwoordigingen en organisaties.

Artikel 7:15 en 7:16

De artikelen 6:1, 6:2 en 6:3 geven de nationale basis voor de bevoegdheid en soms zelfs de plicht om bepalingen vast te stellen ter uitwerking van Verordening 918/83 en multilaterale en bilaterale overeenkomsten. In de onderhavige artikelen is van deze bevoegdheid gebruik gemaakt waar het gaat om bevoorrading van schepen en luchtvaartuigen alsmede om gronduitrusting van luchtvaartondernemingen.

Afdeling 7.3 Omzetbelasting en accijns

Artikel 7:17

Artikel 63 van de Wet op de accijns geeft de mogelijkheid om bij Ministeriële regeling te regelen dat de heffing van accijns van bepaalde goederen, die deel uitmaken van kleine zendingen en reizigersbagage, plaatsvindt volgens forfaitaire tarieven. Het onderhavige artikel strekt daartoe en komt inhoudelijk overeen met artikel 153 van de Douaneregeling.

Artikel 7:18 t/m Artikel 7:27

Een aantal vrijstellingen voor bepaalde goederen die volgen uit onder meer de Verordening 918/83 zijn eveneens van toepassing op de accijnzen, de omzetbelasting en de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten. Om welke vrijstellingen het gaat en de voorwaarden die daarvoor gelden is in de onderhavige artikelen geregeld. Deze artikelen komen inhoudelijk overeen met de artikelen 67, tweede lid, en 92 tot en met 101 van de Douaneregeling.

Afdeling 7.4 Terugkerende goederen

Artikel 7:28

Op grond van artikel 185 van het Communautair douanewetboek worden communautaire goederen die zijn uitgevoerd en terugkeren in het vrije verkeer, onder voorwaarden vrijgesteld van rechten bij invoer. Artikel 848 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek geeft daartoe aan welke goederen als zogenoemde terugkerende goederen worden aangemerkt en onder welke voorwaarden. Het onderhavige artikel strekt ertoe aan te geven in welke gevallen de in artikel 848, eerste lid, onder a en b, bedoelde documenten niet hoeven te worden overgelegd.

Afdeling 7.5 Postverkeer

Algemeen

Artikel 2:1, aanhef en onder c, geeft de mogelijkheid om bij Ministeriële regeling bepalingen vast te stellen met betrekking tot toeristisch- en reizigersverkeer, postverkeer en verkeer van te verwaarlozen economisch belang. Deze mogelijkheid wordt geboden door artikel 38, vierde lid, 41, aanhef en onder a, 36 bis, vierde lid, 91, tweede lid, aanhef en onder f, en 163, tweede lid, aanhef en onder f, van het Communautair douanewetboek. In de onderhavige artikelen is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Artikel 7:29

Alle postzendingen komen binnen op een sorteerplaats. Daar wordt gesorteerd op wel/geen vrijstellingen, wel/geen douaneaangifte nodig, etc. Bij ontbreken van pre-arrival informatie bij postzendingen wordt pas op de sorteerplaats duidelijk wat de inhoud van de postzendingen is. Er zijn in Nederland momenteel drie sorteerplaatsen.

Alle postzendingen die niet direct (zonder aangifte) naar de geadresseerden doorgezonden kunnen worden, worden opgeslagen in een bergplaats. Deze bergplaats is te vergelijken met een douane-entrepot. Een bergplaats kent een voor postzendingen specifieke entrepotvergunning (vergelijkbaar met een entrepot type B) en heeft daarnaast een entrepotvergunning voor express mail service (vergelijkbaar met koeriersdiensten). De douane controleert de bergplaats zoals dat bij de overige entrepots gebeurt, conform de vergunningen. Er is momenteel één bergplaats (die tevens sorteerplaats is): Schiphol/Hoofddorp. Dit is tevens het aangiftepunt.

Hoofdstuk 8 Douaneschuld

Afdeling 8.1 Zekerheidstelling

Artikel 8:1

Artikel 193 van het Communautair douanewetboek bepaalt op welke wijzen zekerheid kan worden gesteld, namelijk storting van contant geld en borgstelling. Artikel 197 van het Communautair douanewetboek en 857 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek geven de mogelijkheid om ook andere wijzen van zekerheidstelling te aanvaarden en daaraan voorwaarden te verbinden. De voornaamste eis die in de douanewetgeving aan zekerheidstelling wordt gesteld is dat de gestelde zekerheid voldoende waarborgen biedt dat de douaneschuld binnen de gestelde termijn zal worden betaald. De artikelen 2:1, aanhef en onder j, en 7:1 van de wet geven de mogelijkheid om bij Ministeriële regeling nadere voorschriften en randvoorwaarden vast te stellen ter zake van de in de douanewetgeving voorziene zekerheidstelling. Het onderhavige artikel strekt ertoe voorwaarden te stellen indien de zekerheidstelling een hypotheek betreft.

Afdeling 8.2 Invordering van het bedrag van de douaneschuld

Artikel 8:3

Artikel 7:9, aanhef en onder a en b, van de wet bepaalt dat bij Ministeriële regeling bepalingen worden opgesteld voor de afronding van bepaalde bedragen en hoeveelheden. Het onderhavige artikel strekt daartoe. De bepaling komt inhoudelijk overeen met artikel 55 en het eerste tot en met derde lid van artikel 56 van het Douanebesluit.

Afdeling 8.3 Berekening en afronding

Artikel 8:4

Artikel 7:9, aanhef en onderdeel b, van de wet bepaalt dat bij Ministeriële regeling bepalingen worden opgesteld voor de berekening van het bedrag aan rechten ingeval de hoeveelheid goederen kleiner is dan de hoeveelheid waarin het douanetarief is uitgedrukt. Het onderhavige artikel strekt daartoe en komt inhoudelijk overeen met het vierde lid van artikel 56 van het Douanebesluit.

Hoofdstuk 9 Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of de rechten bij uitvoer

Artikel 9:1

Het onderhavige artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 110a van de Douaneregeling.

Hoofdstukken 10, 11 en 12 Bestuurlijke boeten en strafrechtelijke bepalingen en bepalingen van strafvordering

Algemene opmerking vooraf:

Zoals reeds in de toelichting bij de wet is gezegd, wordt het sanctie-instrumentarium op dit moment nog niet ingrijpend gewijzigd en behoeft om die reden op een aantal punten geen nadere toelichting.

Artikelen 10:1 tot en met 10:3

Artikel 9:5 van de wet bepaalt onder meer dat het overtreden van een krachtens de wet vastgestelde Ministeriële regeling bij die regeling kan worden aangemerkt als een verzuim waarvoor de inspecteur een boete kan opleggen van ten hoogste het in die regeling vermeldde bedrag. Dit bedrag mag maximaal € 150 zijn. In de onderhavige artikelen worden hiertoe een aantal verzuimen beschreven.

Artikelen 11:1 tot en met 11:7

Artikel 10:11 van de wet bepaalt dat overtreding van krachtens de wet bij Ministeriële regeling vastgestelde bepalingen gestraft worden met een geldboete van de tweede categorie (€ 3700), voor zover die overtreding in de Ministeriële regeling is aangemerkt als een strafbaar feit. De onderhavige artikelen strekken ertoe de strafbare feiten te benoemen.

De Staatssecretaris van Financiën,

J.C. de Jager

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

F. Heemskerk

Naar boven