Regeling financiën hoger onderwijs

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juni 2008, nr. HO&S/CBV/2008/5214, houdende vaststelling van nadere regels vanwege financiering in het hoger onderwijs (Regeling financiën hoger onderwijs)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op de artikelen 4.9, vierde lid, 4.10, 4.17, derde lid, 4.19, 4.20, vierde lid, 4.23, eerste en tweede lid, 4,25, vierde lid, 4.26, vijfde lid en 4.27, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, artikel 7 van het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming academische ziekenhuizen en de artikelen 3.3, tweede lid, 7.43, vierde lid, 7.50, tweede lid, 7.51, zevende lid en 7.52, vijfde lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

Besluit:

Paragraaf 1

Algemene bepalingen

Artikel 1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. besluit: het Uitvoeringsbesluit WHW 2008;

b. wet: de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

c. Minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

d. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar;

e. CRI-HO: het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, genoemd in artikel 7.52 van de wet;

f. Informatie Beheer Groep: Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank.

Paragraaf 2

Onderwijs

Artikel 2

Bedragen en factoren onderwijs

1. Het bedrag waarmee het aantal te bekostigen graden wordt vermenigvuldigd, bedoeld in artikel 4.9, vierde lid, van het besluit, is € 18.575,98;

2. De factoren waarmee de onderwijsvraag van de door de desbetreffende hogescholen verzorgde opleidingen wordt vermenigvuldigd, bedoeld in artikel 4.12, vierde lid, van het besluit, worden vastgesteld overeenkomstig bijlage 1 bij deze regeling.

3. Wat wordt verstaan onder ‘de opleiding of dezelfde opleiding aan een andere hogeschool’, bedoeld in artikel 4.17, derde lid van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 2 bij deze regeling.

4. Indien een hogeschool is ontstaan uit een fusie van twee of meer hogescholen die voor het begin van het begrotingsjaar, maar na de peildatum heeft plaatsgevonden, is de instelling-gewogen onderwijsvraag, bedoeld in artikel 4.12, vierde lid, van het besluit, gelijk aan de som van de instelling-gewogen onderwijsvraag van de op de peildatum bestaande hogescholen.

Artikel 3

Onderwijsopslag

1. De onderwijsopslag van een universiteit, bedoeld in artikel 4.10 van het besluit, bestaat uit:

a. het bedrag, bedoeld in artikel 4.10, onderdeel a, dat voor de desbetreffende universiteit is opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling, en

b. het percentage, bedoeld in artikel 4.10, onderdeel b, dat voor de desbetreffende universiteit is opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.

2. De onderwijsopslag van een hogeschool, bedoeld in artikel 4.19 van het besluit, bestaat uit:

a. het bedrag, bedoeld in artikel 4.19, onderdeel a, dat voor de desbetreffende hogeschool is opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling, en

b. het percentage, bedoeld in artikel 4.19, onderdeel b, dat voor de desbetreffende hogeschool is opgenomen in bijlage 6 bij deze regeling.

3. Indien in een begrotingsjaar een onderwijsdeel wo of hbo, bedoeld in artikel 4.2, derde of vierde lid, van het besluit wordt verhoogd vanwege loon- en prijsbijstelling, wordt het met de verhoging gemoeide bedrag verdeeld over de instellingen evenredig met de verdeling van de landelijk beschikbare bijdrage zoals bepaald zonder deze verhoging, en toegevoegd aan de onderwijsopslag van de instelling.

Paragraaf 3

Onderzoek

Artikel 4

Bedragen onderzoek

1. Het bedrag waarmee het aantal te bekostigde graden wordt vermenigvuldigd, bedoeld in artikel 4.20, vierde lid, van het besluit is € 2.892,56.

2. De bedragen bedoeld in artikel 4.23, eerste lid, van het besluit, worden vastgesteld overeenkomstig bijlage 7 bij deze regeling.

3. De verdeling bedoeld in artikel 4.23, tweede lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 8 bij deze regeling.

Paragraaf 4

Academische ziekenhuizen

Artikel 5

Rentepercentage

1. Het rentepercentage bedoeld in artikel 4.25, vierde lid, van het besluit voor investeringen in de begrotingsjaren 1997 en 2007 is 4,25 procent.

2. Het rentepercentage bedoeld in artikel 4.26, vijfde lid, van het besluit, voor investeringen in de begrotingsjaren 1998 en 2008 is 4,5 procent.

Artikel 6

Bedragen academische ziekenhuizen

Het bedrag, bedoeld in artikel 4.27, eerste lid, onderdeel d, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 9 bij deze regeling.

Artikel 7

Toelage raad van toezicht academische ziekenhuizen

1. Aan de voorzitter van de raad van toezicht van een academisch ziekenhuis wordt een tegemoetkoming toegekend ter hoogte van € 14.521,– per kalenderjaar.

2. Aan de leden van de raad van toezicht van een academisch ziekenhuis wordt een tegemoetkoming toegekend van € 7.261,– per kalenderjaar.

Paragraaf 5

Collegegeld

Artikel 8

Consumentenprijsindex

Onder consumentenprijsindex, als bedoeld in artikel 7.43, vierde lid, van de wet wordt verstaan de consumentenprijsindex ‘reeks alle huishoudens’, zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Artikel 9

Vaststelling collegegeld

1. De bedragen, genoemd in artikel 7.43, eerste en tweede lid, van de wet, worden voor het studiejaar 2007–2008 aan de hand van de consumentenprijsindex, bedoeld in artikel 8, vastgesteld op € 1.538,–.

2. De bedragen, genoemd in artikel 7.43, eerste en tweede lid, van de wet worden voor het studiejaar 2008–2009 aan de hand van de consumentenprijsindex, bedoeld in artikel 8, vastgesteld op € 1.565,–.

Paragraaf 6

Financiële ondersteuning

Artikel 10

Organisaties

1. Studentenorganisaties als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid van de wet, zijn voor de werking van deze regeling Interstedelijk Studenten Overleg en Landelijke Studenten Vakbond, beide te Utrecht.

2. Organisaties kunnen tussen 1 april en 1 juni voorafgaande aan het desbetreffende studiejaar een verzoek indienen bij de Minister om te worden aangewezen als politieke jongerenorganisatie of een landelijke organisatie als bedoeld in artikel 7.51, zevende lid van de wet. Bij dat verzoek dienen te worden bijgevoegd:

a. de statuten of reglementen van de organisatie;

b. een verklaring van een accountant waaruit blijkt dat de organisatie ten minste tweehonderd vijftig betalende leden, contribuanten of donateurs omvat, dan wel uit een samenwerkingsverband bestaat van instellingen, organisaties of rechtspersonen die samen ten minste tweehonderd vijftig betalende leden, contribuanten of donateurs omvatten;

c. in het geval van een politieke jongerenorganisatie: de schriftelijke verklaring van de politieke partij, vertegenwoordigd in de beide Kamers der Staten Generaal, waaruit blijkt dat de desbetreffende organisatie met die politieke partij is gelieerd.

3. Een organisatie, genoemd in het tweede lid, die aansluitend op een eerdere toekenning een verzoek indient, informeert de Minister slechts over wijzigingen in de desbetreffende bescheiden.

4. De Minister stelt de organisatie, bedoeld in het tweede lid uiterlijk op 15 juli voorafgaande aan het desbetreffende studiejaar in kennis van zijn beslissing.

Artikel 11

Vertegenwoordigers

1. Het bestuur van een organisatie, bedoeld in artikel 10, wijst de vertegenwoordiger of vertegenwoordigers aan die voor de financiële ondersteuning tijdens een studiejaar in aanmerking komen. Van die aanwijzing doet dat bestuur mededeling aan de Minister vóór 1 november van het desbetreffende studiejaar.

2. Financiële ondersteuning wordt gegeven tot ten hoogste het bedrag voor het gehele studiejaar voor vijf vertegenwoordigers van een organisatie, bedoeld in artikel 10, eerste lid, en voor een vertegenwoordiger van een organisatie bedoeld in artikel 10, tweede lid.

3. Indien is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid en financiële ondersteuning wordt toegekend, maakt de Minister deze beslissing aan de desbetreffende organisaties bekend en zendt van die bekendmaking een afschrift aan de vertegenwoordiger.

4. Het bestuur van een organisatie kan, in afwijking van het eerste lid, tussentijds de aanwijzing van een vertegenwoordiger intrekken. Van deze intrekking maakt het bestuur melding aan de Minister.

5. Na een intrekking als bedoeld in het vierde lid, kan het bestuur van een organisatie in plaats van de vertegenwoordiger van wie de aanwijzing is ingetrokken, een nieuwe vertegenwoordiger aanwijzen. De aanwijzing van de nieuwe vertegenwoordiger geldt voor het resterende gedeelte van het desbetreffende studiejaar.

Artikel 12

Aanspraak

1. De vertegenwoordiger heeft, behoudens het tweede lid, gedurende het tijdvak waarvoor de in artikel 12 bedoelde aanwijzing geldt, aanspraak op financiële ondersteuning.

2. Indien het bestuur van een organisatie na intrekking van de eerste aanwijzing een andere vertegenwoordiger aanwijst, heeft deze met ingang van de eerste volle maand na zijn aanwijzing aanspraak op financiële ondersteuning.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid heeft de vertegenwoordiger, wanneer hij te kennen heeft gegeven dat hij gedurende het tijdvak waarvoor zijn aanwijzing geldt van zijn aanspraak op financiële ondersteuning geen gebruik maakt, aanspraak op financiële ondersteuning gedurende een even groot tijdvak dat direct aansluit op de periode, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet studiefinanciering 2000, waarin studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs is genoten.

4. De vertegenwoordiger die van zijn aanspraak gebruik wenst te maken dan wel toepassing wenst van het derde lid, meldt dit aan de Minister voor de aanvang van het tijdvak waarvoor de aanwijzing geldt.

5. De vertegenwoordiger die toepassing wenst van het derde lid, dient gedurende het tijdvak waarvoor hij voor financiële ondersteuning in aanmerking wenst te komen, als student te zijn ingeschreven.

Artikel 13

Hoogte van de aanspraak

1. De financiële ondersteuning is gelijk 115% van het brutominimumloon voor een werknemer van 23 jaar of ouder bij een volledig dienstverband per maand.

2. De toekenning van de financiële ondersteuning vindt plaats per maand.

3. In geval van toepassing van artikel 12, derde lid, wordt het in het eerste lid vermelde bedrag aangepast naar de maatstaven die gelden op het tijdstip van toekenning.

Artikel 14

Grensbedrag vrijstellingsregeling Open Universiteit

Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt een regeling vast, bedoeld in artikel 7.50 van de wet, waarin een voorziening in de vorm van een verlaging van het cursusgeld, voor studenten van wie het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste tot en met vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, blijkens door de student te leveren bewijsstukken, minder dan 110% van het belastbaar minimumloon bedraagt. De hoogte van de verlaging is in elk geval afhankelijk van het inkomen van de betrokkene.

Paragraaf 7

Centraal register inschrijvingen hoger onderwijs

Artikel 15

Gegevens

1. Het CRI-HO bevat gegevens over de inschrijving als student of extraneus.

2. Instellingsbesturen verstrekken bij de mededeling van hun beslissingen als bedoeld in artikel 7.52, vijfde lid, van de wet de gegevens conform bijlage 10.

3. In afwijking van het tweede lid worden de gegevens, bedoeld in bijlage 10, onderdelen c. tot en met g., onderdeel o. en onderdelen v. tot en met x., door de gemeente uit de basisadministratie persoonsgegevens verstrekt. Deze verstrekking geschiedt binnen vier weken na de dag van verzending van het verzoek om inlichtingen door Informatie Beheer Groep. Informatie Beheer Groep kan bij het verzoek om inlichtingen aangeven hoe de overdracht van informatie moet plaatsvinden.

4. Indien de gemeente de gegevens, bedoeld in het derde lid niet kan verstrekken, verzoekt Informatie Beheer Groep het instellingsbestuur deze gegevens te verstrekken. Deze verstrekking geschiedt binnen vier weken na de dag van verzending van het verzoek om inlichtingen door Informatie Beheer Groep.

Artikel 16

Tijdstip en wijze levering gegevens

1. Het instellingsbestuur brengt een beslissing als bedoeld in artikel 7.52, vijfde lid, van de wet op een door Informatie Beheer Groep te bepalen wijze ter kennis van Informatie Beheer Groep binnen acht weken nadat die beslissing is genomen, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4 van het besluit.

2. Het instellingsbestuur verstrekt de gegevens over het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitende examen op een door Informatie Beheer Groep te bepalen wijze aan Informatie Beheer Groep binnen acht weken na het afleggen van het afsluitende examen, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4 van het besluit.

Artikel 17

Beheer

1. De in het CRI-HO opgenomen gegevens worden gedurende vijftig jaren bewaard. Na het verstrijken van deze termijn worden zij uit het CRI-HO verwijderd. Indien aan Informatie Beheer Groep bekend is geworden dat de geregistreerde persoon is overleden, worden de gegevens, bedoeld in bijlage 10, onderdelen c en g, verwijderd binnen twee jaren na het bekend worden van het overlijden.

2. Ter uitvoering van artikel 7.52, eerste lid, onderdeel c, en artikel 2.10 van de wet worden uit het CRI-HO gegevens verstrekt aan de accountant die door de Minister is belast met de taken, bedoeld in die artikelen.

Paragraaf 8

Slotbepalingen

Artikel 18

Intrekking andere regelingen

De volgende regelingen worden ingetrokken:

a. de Regeling vaststelling collegegeld studiejaar 2006–2007,

b. de Regeling vaststelling collegegeld voltijdse opleidingen studiejaar 2007–2008,

c. de Regeling vaststelling collegegeld voltijdse opleidingen studiejaar 2008–2009,

d. de Regeling financiële ondersteuning Studentenkamer WHW,

e. de Regeling administratieve bepalingen landelijke afstudeersteun hoger onderwijs,

f. de Regeling vaststelling grensbedrag vrijstellingsregeling Open Universiteit,

g. de Regeling toelage Raad van Toezicht academische ziekenhuizen, en

h. de Regeling CRI-HO 1996.

Artikel 19

Inwerkingtreding

1. Deze regeling treedt, met uitzondering van artikel 13, eerste lid, artikel 18, onderdelen d en f, en bijlage 10, onderdelen g, voor zover het betreft de vermelding van de Duitse bondsstaat, q, r en w, in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt, met uitzondering van artikel 5, eerste lid, terug tot en met 1 januari 2008.

2. Artikel 5, eerste lid, werkt terug tot en met 1 januari 2007.

3. Artikel 13, eerste lid treedt in werking met ingang van 1 september 2008.

4. Artikel 18, onderdelen d en f, treedt in werking met ingang van 1 september 2008.

5. Bijlage 10, onderdelen g, voor zover het betreft de vermelding van de Duitse bondsstaat, q, r en w, treedt in werking met ingang van 1 oktober 2009.

Artikel 20

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling financiën hoger onderwijs.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.H.A. Plasterk.

Bijlage 1 (behorend bij artikel 2, tweede lid)

Factoren als bedoeld in artikel 4.12, vierde lid, van het besluit van hogescholen met opleidingen op andere gebieden dan landbouw en natuurlijke omgeving

code

hogeschool

factor

00BH

Saxion Hogeschool IJselland

6,6165

00IC

Katholieke PABO Zwolle

4,4072

00MF

Hogeschool voor de Kunsten Utrecht

11,1299

01VU

Christelijke Hogeschool Windesheim

5,9702

02BY

Gerrit Rietveld Academie

12,5930

02NR

Hotelschool Den Haag

7,1350

02NT

Design Academy Eindhoven

12,0814

04CS

Hogeschool Helicon

8,0735

07GR

Avans Hogeschool Breda/Tilburg

6,5604

08OK

Hogeschool De Kempel

5,6651

08YJ

Hogeschool Edith Stein

5,4611

09OR

Hogeschool Domstad

5,4458

09OT

Iselinge Hogeschool

5,8508

10IZ

Marnix Academie

5,5784

10KK

Fontys PABO Eindhoven

7,1341

14NI

Codarts, Hogeschool voor de Kunsten

11,1696

15BK

Christelijke Hogeschool Driestar

5,2085

15CL

Fontys Hogescholen Eindhoven

6,4853

17XA

Fontys PABO Limburg

4,5684

21IY

Stenden Hogeschool (Emmen)

7,2023

21MI

Hogeschool Zeeland

7,5451

21QA

Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

13,5264

21QL

Avans Hogeschool ’s-Hertogenbosch

6,5724

21RI

Hogeschool Leiden

5,4234

21UG

Hogeschool IPABO

4,3179

21UI

NHTV internationale hogeschool Breda

5,1267

21WN

Noordelijke Hogeschool Leeuwarden

6,3735

21WO

Fontys Hogescholen Venlo

7,5214

22BO

Fontys Hogescholen Tilburg

5,8868

22BP

Fontys PABO ’s-Hertogenbosch

5,2485

22BQ

Fontys Hogescholen Sittard

6,5528

22EX

Stenden Hogeschool (Leeuwarden)

5,9524

22HH

Gereformeerde Hogeschool voor Beroepsonderwijs

5,1929

22JA

Fontys Pedagogisch Technische Hogeschool

7,5408

22OJ

Hogeschool Rotterdam

5,7881

23AH

Saxion Hogeschool Enschede

7,0292

23KJ

Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans Den Haag

14,0787

25BA

Christelijke Hogeschool Ede

4,5211

25BE

Hanzehogeschool Groningen

7,0446

25DW

Hogeschool Utrecht

5,6439

25JX

Hogeschool Zuyd

6,7388

25KB

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

6,1231

27NF

ArtEZ hogeschool

14,0175

27PZ

Hogeschool INHOLLAND

5,0175

27UM

Haagse Hogeschool

6,5922

28DN

Hogeschool van Amsterdam

(21QW)

6,1587

  

(21HR)

4,2727

Factoren als bedoeld in artikel 4.12, vierde lid, van het besluit van hogescholen met opleidingen op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving

code

hogeschool

factor

01DZ

STOAS Hogeschool

9,7483

01MY

CAH Dronten

9,4971

21CW

HAS Den Bosch

10,7939

22ND

Internationale Agrarische Hogeschool Larenstein

9,8906

24LE

Van Hall Instituut

9,9719

27PZ

Hogeschool INHOLLAND

8,0411

Bijlage 2 bij artikel 2, derde lid

Opleidingen of dezelfde opleiding aan een andere hogeschool bedoeld in artikel 4.17, derde lid, van het besluit

opleiding

andere opleidingen die worden beschouwd als ‘de opleiding of dezelfde opleiding bij een andere hogeschool’

    

code

naam

code

naam

39110

autonome beeldende kunst

04699

beeldende kunst en vormgeving

39111

vormgeving

04699

beeldende kunst en vormgeving

  

04711

proped. jaar beeldende kunst

  

04712

algemene industriële vormgeving

  

04716

architectonische vormgeving

  

04718

fotografische vormgeving

  

04719

keramische vormgeving

  

04720

modevormgeving

  

04721

monumentale vormgeving

  

04722

plastische vormgeving

  

04723

publ.- c.q. grafische vormgeving

  

04724

schilderkundige vormgeving

  

04725

textiele vormgeving

  

04726

vormg. in metalen en kunststoffen

39100

docent beeldende kunst

04943

handvaardigheid b

 

en vormgeving

04950

prop. docent beeldende kunst

  

05081

tekenen 1e gr

  

05082

handvaardigheid 1e gr

  

05083

textiele werkvormen 1e gr

  

05084

tekenen 1e gr

  

05085

handvaardigheid 1e gr

  

05086

textiele werkvormen 1e gr

  

05150

handvaardigheid 2e gr

  

05179

tekenen 2e gr

  

05181

textiele werkvormen 2e gr

  

05249

textiele werkvormen 3e gr

  

05322

tekenen 2e gr

  

05342

handvaardigheid 2e gr

  

05362

textiele werkvormen 2e gr

  

05512

beeldende vorming 2e gr

34739

muziek

04739

muziek

  

04748

praktijkdiploma kerkmuziek

  

04754

directie koor, orkest, of hafa

  

04764

compositie of -/elektronische muziek

  

04770

uitvoerend musicus

  

04789

praktijkdiploma orkest-/ensembleleiding

  

04793

praktijkdiploma koordirectie

  

04966

muziekregistratie

  

04794

praktijkdiploma directie harmonie/fanfare

  

04795

praktijkdiploma beiaard

  

04820

docerend musicus

  

04862

theorie der muziek

  

04961

praktijkdiploma orgel

  

04965

muziekdramatische opleiding

39112

docent muziek

04841

algemene muzikale vorming

  

04863

schoolmuziek

39206

muziektherapie

geen

 

34860

theater

04752

proped. jaar dans en theater

  

04860

theater

  

04741

uitvoerende beoefening v.h. drama

  

04743

uitvoerende beoefening v.d. kleinkunst

  

04744

uitvoerende beoefening v.d. mime

34745

docent drama

04745

docent drama

  

04941

docent mime

  

04691

expressie door woord en gebaar

  

04698

expressie door woord en gebaar

  

34941

docent mime

34941

docent mime

34745

docent drama

  

04745

docent drama

  

04941

docent mime

  

04691

expressie door woord en gebaar

  

04698

expressie door woord en gebaar

34128

circus arts

geen

 

34798

dans

04798

uitvoerende beoefening v.d. dans

  

04752

proped. jaar dans en theater

  

04860

theater

  

34940

docent dans

  

04940

docent dans

34940

docent dans

04940

docent dans

  

04752

proped. jaar dans en theater

  

04798

uitvoerende beoefening v.d. dans

  

34798

dans

  

04860

theater

34733

film en televisie

04699

beeldende kunst en vormgeving

  

04733

film en televisie / film- en tv-vormgeving

Bijlage 3 bij artikel 3, eerste lid, onderdeel a

Bedragen onderwijsopslag universiteiten, bedoeld in artikel 4.10, van het besluit

universiteit

kwaliteit

kwetsbare opleidingen

bijzondere voorzieningen

totaalbedrag

21PB

Universiteit Leiden

€ 1.094.980

€ 17.656.988

€ 232.000

€ 18.983.969

21PC

Universiteit Groningen

€ 1.434.672

€ 26.024.581

€ 0

€ 27.459.253

21PD

Universiteit Utrecht

€ 2.018.990

€ 45.023.000

€ 250.000

€ 47.291.990

21PE

Erasmus Universiteit Rotterdam

€ 944.574

€ 21.055.124

€ 7.704.800

€ 29.704.498

21PF

Technische Universiteit Delft

€ 1.093.953

€ 0

€ 5.858.400

€ 6.952.353

21PG

Technische Universiteit Eindhoven

€ 673.021

€ 0

€ 0

€ 673.021

21PH

Universiteit Twente (Enschede)

€ 609.374

€ 9.497.378

€ 13.771.200

€ 23.877.952

21PJ

Universiteit Maastricht

€ 1.036.084

€ 18.977.722

€ 2.493.000

€ 22.506.806

21PK

Universiteit van Amsterdam

€ 1.536.917

€ 21.947.859

€ 306.000

€ 23.790.776

21PL

Vrije Universiteit Amsterdam

€ 1.156.105

€ 21.286.834

€ 1.069.000

€ 23.511.940

21PM

Radboud Universiteit Nijmegen

€ 1.068.371

€ 23.773.985

€ 1.390.212

€ 26.232.568

21PN

Universiteit van Tilburg

€ 710.883

€ 0

€ 2.764.516

€ 3.475.399

22NC

Open Universiteit

€ 0

€ 0

€ 22.911.698

€ 22.911.698

00DV

Protestantse Theologische Universiteit

€ 0

€ 0

€ 4.889.000

€ 4.889.000

21QO

Theologische Universiteit Apeldoorn

€ 0

€ 0

€ 934.500

€ 934.500

23BF

Universiteit voor Humanistiek

€ 0

€ 0

€ 2.615.400

€ 2.615.400

Bijlage 4 bij artikel 3, eerste lid, onderdeel b

Percentages onderwijsopslag universiteiten, bedoeld in artikel 4.10 van het besluit

universiteit

percentage

21PB

Universiteit Leiden

8,52025%

21PC

Universiteit Groningen

9,74017%

21PD

Universiteit Utrecht

13,08295%

21PE

Erasmus Universiteit Rotterdam

5,23818%

21PF

Technische Universiteit Delft

12,73542%

21PG

Technische Universiteit Eindhoven

7,22438%

21PH

Universiteit Twente (Enschede)

6,20197%

21PJ

Universiteit Maastricht

5,32883%

21PK

Universiteit van Amsterdam

11,63778%

21PL

Vrije Universiteit Amsterdam

8,34177%

21PM

Radboud Universiteit Nijmegen

8,55065%

21PN

Universiteit van Tilburg

3,39764%

22NC

Open Universiteit

0%

00DV

Protestantse Theologische Universiteit

0%

21QO

Theologische Universiteit Apeldoorn

0%

23BF

Universiteit voor Humanistiek

0%

Bijlage 5 bij artikel 3, tweede lid, onderdeel a

Bedragen onderwijsopslag hogescholen, bedoeld in artikel 4.19 van het besluit

hogeschool

kwaliteit

kwetsbare opleidingen

bijzondere voorzieningen

totaalbedrag

00BH

Saxion Hogeschool IJselland

€ 1.189.694

€ 45.380

€ 0

€ 1.235.074

00IC

Katholieke PABO Zwolle

€ 143.572

€ 0

€ 0

€ 143.572

00MF

Hogeschool voor de Kunsten Utrecht

€ 1.255.898

€ 0

€ 31.000

€ 1.286.898

01VU

Christelijke Hogeschool Windesheim

€ 3.427.491

€ 294.970

€ 0

€ 3.722.461

02BY

Gerrit Rietveld Academie

€ 350.234

€ 0

€ 56.000

€ 406.234

02NR

Hotelschool Den Haag

€ 430.421

€ 0

€ 46.000

€ 476.421

02NT

Design Academy Eindhoven

€ 202.005

€ 0

€ 26.000

€ 228.005

04CS

Hogeschool Helicon

€ 131.541

€ 4.538

€ 7.000

€ 143.079

07GR

Avans Hogeschool Breda/Tilburg

€ 2.386.606

€ 77.146

€ 0

€ 2.463.752

08OK

Hogeschool De Kempel

€ 208.300

€ 0

€ 0

€ 208.300

08YJ

Hogeschool Edith Stein

€ 251.786

€ 0

€ 0

€ 251.786

09OR

Hogeschool Domstad

€ 282.180

€ 0

€ 0

€ 282.180

09OT

Iselinge Hogeschool

€ 149.609

€ 0

€ 0

€ 149.609

10IZ

Marnix Academie

€ 324.975

€ 0

€ 0

€ 324.975

10KK

Fontys PABO Eindhoven

€ 300.046

€ 0

€ 0

€ 300.046

14NI

Codarts, Hogeschool voor de Kunsten

€ 650.632

€ 0

€ 97.000

€ 747.632

15BK

Christelijke Hogeschool Driestar

€ 314.392

€ 0

€ 0

€ 314.392

15CL

Fontys Hogescholen Eindhoven

€ 3.123.006

€ 351.389

€ 0

€ 3.474.395

17XA

Fontys PABO Limburg

€ 198.805

€ 0

€ 0

€ 198.805

21IY

Stenden Hogeschool (Emmen)

€ 485.897

€ 18.152

€ 70.000

€ 574.049

21MI

Hogeschool Zeeland

€ 922.611

€ 0

€ 35.000

€ 957.611

21QA

Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

€ 1.721.683

€ 0

€ 111.000

€ 1.832.683

21QL

Avans Hogeschool

’s-Hertogenbosch

€ 1.417.101

€ 0

€ 0

€ 1.417.101

21RI

Hogeschool Leiden

€ 1.226.626

€ 576.571

€ 0

€ 1.803.197

21UG

Hogeschool IPABO

€ 433.703

€ 0

€ 0

€ 433.703

21UI

NHTV internationale hogeschool Breda

€ 1.406.020

€ 0

€ 44.000

€ 1.450.020

21WN

Noordelijke Hogeschool

Leeuwarden

€ 1.911.436

€ 721.542

€ 1.622.265

€ 4.255.243

21WO

Fontys Hogescholen Venlo

€ 505.516

€ 0

€ 450.000

€ 955.516

22BO

Fontys Hogescholen Tilburg

€ 3.634.865

€ 862.220

€ 0

€ 4.497.085

22BP

Fontys PABO ’s-Hertogenbosch

€ 154.121

€ 0

€ 0

€ 154.121

22BQ

Fontys Hogescholen Sittard

€ 201.747

€ 122.526

€ 0

€ 324.273

22EX

Stenden Hogeschool

(Leeuwarden)

€ 1.400.975

€ 58.994

€ 35.000

€ 1.494.969

22HH

Gereformeerde Hogeschool voor Beroepsonderwijs

€ 300.150

€ 13.614

€ 0

€ 313.764

22JA

Fontys Pedagogisch Technische Hogeschool

€ 143.277

€ 40.842

€ 0

€ 184.119

22OJ

Hogeschool Rotterdam

€ 5.280.872

€ 2.758.176

€ 0

€ 8.039.048

23AH

Saxion Hogeschool Enschede

€ 2.701.206

€ 337.077

€ 249.000

€ 3.287.283

23KJ

Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans Den Haag

€ 770.724

€ 0

€ 2.758.310

€ 3.529.034

25BA

Christelijke Hogeschool Ede

€ 804.015

€ 31.766

€ 0

€ 835.781

25BE

Hanzehogeschool Groningen

€ 4.603.004

€ 2.326.454

€ 180.000

€ 7.109.458

25DW

Hogeschool Utrecht

€ 6.611.705

€ 4.328.555

€ 0

€ 10.940.260

25JX

Hogeschool Zuyd

€ 3.269.694

€ 1.662.699

€ 413.000

€ 5.345.393

25KB

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

€ 5.418.702

€ 2.350.804

€ 206.000

€ 7.975.506

27NF

ArtEZ hogeschool

€ 1.402.115

€ 0

€ 137.000

€ 1.539.115

27PZ

Hogeschool INHOLLAND

€ 6.619.453

€ 5.839.022

€ 0

€ 12.458.475

27UM

Haagse Hogeschool

€ 3.551.368

€ 131.602

€ 0

€ 3.682.970

28DN

Hogeschool van Amsterdam

€ 6.710.602

€ 562.712

€ 0

€ 7.273.314

Bedragen onderwijsopslag van hogescholen met opleidingen op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, bedoeld in artikel 4.19 van het besluit

hogeschool

kwaliteit

kwetsbare opleidingen

bijzondere voorzieningen

totaalbedrag

01DZ

STOAS Hogeschool

€ 184.740

€ 13.614

€ 0

€ 198.354

01MY

CAH Dronten

€ 276.657

€ 0

€ 91.000

€ 367.657

21CW

HAS Den Bosch

€ 404.755

€ 0

€ 0

€ 404.755

22ND

Internationale Agrarische Hogeschool Larenstein

€ 470.191

€ 0

€ 18.000

€ 488.191

24LE

Van Hall Instituut

€ 436.342

€ 0

€ 23.000

€ 459.342

27PZ

Hogeschool INHOLLAND

€ 170.315

€ 0

€ 0

€ 170.315

Bijlage 6 bij artikel 3, tweede lid, onderdeel b

Percentages onderwijsopslag hogescholen, bedoeld in artikel 4.19 van het besluit

code

hogeschool

percentage

00BH

Saxion Hogeschool IJselland

0,3609%

00IC

Katholieke PABO Zwolle

0,2920%

00MF

Hogeschool voor de Kunsten Utrecht

7,9776%

01VU

Christelijke Hogeschool Windesheim

0,4054%

02BY

Gerrit Rietveld Academie

1,8116%

02NR

Hotelschool Den Haag

0%

02NT

Design Academy Eindhoven

0,7765%

04CS

Hogeschool Helicon

1,3715%

07GR

Avans Hogeschool Breda/Tilburg

1,1923%

08OK

Hogeschool De Kempel

0,4236%

08YJ

Hogeschool Edith Stein

0,5120%

09OR

Hogeschool Domstad

0,5738%

09OT

Iselinge Hogeschool

0,3042%

10IZ

Marnix Academie

0,6609%

10KK

Fontys PABO Eindhoven

0,6102%

14NI

Codarts, Hogeschool voor de Kunsten

8,2333%

15BK

Christelijke Hogeschool Driestar

0,5325%

15CL

Fontys Hogescholen Eindhoven

1,4816%

17XA

Fontys PABO Limburg

0,4043%

21IY

Stenden Hogeschool (Emmen)

0,4950%

21MI

Hogeschool Zeeland

0,2933%

21QA

Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

20,9621%

21QL

Avans Hogeschool ’s-Hertogenbosch

0,2643%

21RI

Hogeschool Leiden

0,6817%

21UG

Hogeschool IPABO

0,8820%

21UI

NHTV internationale hogeschool Breda

0%

21WN

Noordelijke Hogeschool Leeuwarden

0,8320%

21WO

Fontys Hogescholen Venlo

0%

22BO

Fontys Hogescholen Tilburg

7,3508%

22BP

Fontys PABO ’s-Hertogenbosch

0,3134%

22BQ

Fontys Hogescholen Sittard

0%

22EX

Stenden Hogeschool (Leeuwarden)

0,5566%

22HH

Gereformeerde Hogeschool voor Beroepsonderwijs

0,2853%

22JA

Fontys Pedagogisch Technische Hogeschool

0%

22OJ

Hogeschool Rotterdam

2,4272%

23AH

Saxion Hogeschool Enschede

0%

23KJ

Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans Den Haag

6,6795%

25BA

Christelijke Hogeschool Ede

0,3766%

25BE

Hanzehogeschool Groningen

5,1092%

25DW

Hogeschool Utrecht

0,4766%

25JX

Hogeschool Zuyd

5,7329%

25KB

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

1,0413%

27NF

ArtEZ hogeschool

13,9093%

27PZ

Hogeschool INHOLLAND

2,6115%

27UM

Haagse Hogeschool

0,3113%

28DN

Hogeschool van Amsterdam

0,4839%

Percentages onderwijsopslag hogescholen met opleidingen op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, bedoeld in artikel 4.19 van het besluit

code

hogeschool

percentage

01DZ

STOAS Hogeschool

 

01MY

CAH Dronten

 

21CW

HAS Den Bosch

n.v.t.

22ND

Internationale Agrarische Hogeschool Larenstein

 

24LE

Van Hall Instituut

 

27PZ

Hogeschool INHOLLAND

 

Bijlage 7 bij artikel 4, tweede lid

Bedragen onderzoek universiteiten, bedoeld in artikel 4.23, eerste lid van het besluit

universiteit

afbouw dynamisering Smart Mix

totaalbedrag

21PB

Universiteit Leiden

€ 7.903.314

€ 10.791.314

21PC

Universiteit Groningen

€ 8.120.547

€ 8.120.547

21PD

Universiteit Utrecht

€ 11.738.009

€ 11.738.009

21PE

Erasmus Universiteit Rotterdam

€ 5.100.387

€ 10.018.587

21PF

Technische Universiteit Delft

€ 11.659.392

€ 14.744.992

21PG

Technische Universiteit Eindhoven

€ 7.687.283

€ 7.687.283

21PH

Universiteit Twente (Enschede)

€ 8.206.253

€ 17.331.053

21PJ

Universiteit Maastricht

€ 3.518.301

€ 3.518.301

21PK

Universiteit van Amsterdam

€ 8.467.254

€ 8.467.254

21PL

Vrije Universiteit Amsterdam

€ 6.007.623

€ 6.007.623

21PM

Radboud Universiteit Nijmegen

€ 8.004.093

€ 10.123.324

21PN

Universiteit van Tilburg

€ 1.587.545

€ 5.442.440

22NC

Open Universiteit

€ 0

€ 9.856.993

00DV

Protestantse Theologische Universiteit

€ 0

€ 3.176.000

21QO

Theologische Universiteit Apeldoorn

€ 0

€ 311.500

23BF

Universiteit voor Humanistiek

€ 0

€ 1.743.600

Bijlage 8 bij artikel 4, derde lid

Percentages onderzoek universiteiten, bedoeld in artikel 4.23, tweede lid van het besluit

universiteit

percentage

21PB

Universiteit Leiden

8,93068%

21PC

Universiteit Groningen

8,92142%

21PD

Universiteit Utrecht

12,07889%

21PE

Erasmus Universiteit Rotterdam

4,71422%

21PF

Technische Universiteit Delft

17,85004%

21PG

Technische Universiteit Eindhoven

8,54385%

21PH

Universiteit Twente (Enschede)

6,66916%

21PJ

Universiteit Maastricht

4,30231%

21PK

Universiteit van Amsterdam

10,97087%

21PL

Vrije Universiteit Amsterdam

7,75843%

21PM

Radboud Universiteit Nijmegen

7,09970%

21PN

Universiteit van Tilburg

2,16041%

22NC

Open Universiteit

0%

00DV

Protestantse Theologische Universiteit

0%

21QO

Theologische Universiteit Apeldoorn

0%

23BF

Universiteit voor Humanistiek

0%

Bijlage 9 bij artikel 6

Bedragen academische ziekenhuizen, bedoeld in artikel 4.27, eerste lid onder d. van het besluit

universiteit

bedrag

21PB

Universiteit Leiden

€ 13.613.406

21PC

Universiteit Groningen

€ 13.613.406

21PD

Universiteit Utrecht

€ 13.613.406

21PE

Erasmus Universiteit Rotterdam

€ 13.613.406

21PJ

Universiteit Maastricht

€ 13.613.406

21PK

Universiteit van Amsterdam

€ 13.613.406

21PL

Vrije Universiteit Amsterdam

€ 13.613.406

21PM

Radboud Universiteit Nijmegen

€ 13.613.406

Bijlage 10 bij artikel 15, tweede lid

Gegevens te verstrekken bij de mededeling over beslissingen als bedoeld in artikel 7.52, vijfde lid, van de wet

a.

het OCW-correspondentienummer;

b.

het registratienummer bij de instelling(en);

c.

de naam;

d.

het geslacht ;

e.

de geboortedatum;

f.

de nationaliteit;

g.

het adres: straat, huisnummer, postcode, woonplaats, land en in voorkomende gevallen de Duitse bondsstaat;

h.

de vooropleiding: de laatstgenoten vooropleiding (diploma) die toegang geeft tot het hoger onderwijs en het tijdstip waarop het diploma van de desbetreffende vooropleiding is behaald;

i.

de inschrijvingsvorm: student of extraneus;

j.

de opleiding(en);

k.

de opleidingsfase: in voorkomende gevallen de propedeutische of postpropedeutische fase;

l.

de opleidingsvorm: voltijdse, deeltijdse of duale inschrijving;

m.

het inschrijvingsjaar en de maand waarin de inschrijving begint;

n.

de beslissing van het instellingsbestuur over tussentijdse beëindiging van de inschrijving, op welke grond deze beslissing is genomen en het inschrijvingsjaar en de maand met ingang waarvan de inschrijving wordt beëindigd;

o.

in voorkomende gevallen de datum van overlijden;

p.

de instelling(en);

q.

bij inschrijving aan meer dan een instelling: de instelling van eerste inschrijving van de student, te weten de instelling en opleiding waarbij de student het collegegeld, bedoeld in de artikelen 7.43 tot en met 7.44 van de wet, is verschuldigd en waarvoor geen vrijstelling van het betalen van collegegeld op grond van artikel 7.48, vierde lid, van de wet is verkregen;

r.

bij inschrijving aan meer dan een opleiding bij een instelling: de opleiding van eerste inschrijving van de student;

s.

of voor een bachelor- of een masteropleiding een graad is verleend dan wel voor een ander type opleiding het afsluitende examen met goed gevolg is afgelegd en het inschrijvingsjaar en de maand waarin de graad is verleend of het examen is afgelegd;

t.

of de inschrijving of de graad om een alleen door de instelling te bepalen reden niet voor bekostiging meetelt, indien dit conform de aanwijzingen van Informatie Beheergroep mag en volgens overige regelgeving moet;

u.

het geboorteland van de student of extraneus, van de vader en van de moeder;

v.

de regionale herkomst;

w.

in geval van een verblijfsvergunning: een verblijfsvergunning bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet Studiefinanciering 2000.

  

x.

of sprake is van een met goed gevolg afgelegd propedeutisch examen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.H.A. Plasterk

Toelichting

Algemeen

1. Algemeen

Deze regeling strekt tot uitvoering van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (de wet), het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (het besluit) en het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming academische ziekenhuizen. In deze regeling zijn zes regelingen samengevoegd. Daarnaast zijn bepalingen gewijzigd. Die wijzigingen zijn gericht op enkele inhoudelijke en technische aanpassingen en op het vergroten van transparantie en toegankelijkheid.

De Regeling bekostiging hoger onderwijs 2007 bevat bepalingen over bekostigingsbedragen en nadere regels voor de vaststelling van de bekostiging die zijn gebaseerd op het Bekostigingsbesluit WHW. Deze regeling vervalt per 31 december 2007. Vanwege de inbedding van de gelijktijdig gewijzigde bepalingen van het Bekostigingsbesluit WHW in het besluit wijzigen ook de aard en in voorkomende gevallen de inhoud van bepalingen in verband met de instellingsbekostiging. De wijzigingen in het besluit die aanpassing van de regeling noodzakelijk maken zijn:

– het besluit bevat bepalingen die vereisen dat bij regeling bedragen en percentages bepaald worden, waar dat in het Bekostigingsbesluit WHW niet geëxpliciteerd was;

– het besluit bevat een nieuwe bepaling over de onderwijsopslag en over bedragen onderzoek die nadere regeling vergen.

In voorkomende gevallen zijn bedragen in overeenstemming gebracht met de Rijksbegroting 2008 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 hoofdstuk VIII, nrs. 1, 2 en 58) en de Rijksbegroting 2008 van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 hoofdstuk XIV, nrs. 1 en 2)

Met de in deze regeling in te bedden Regeling vaststelling collegegeld voltijdse opleidingen studiejaar 2008–2009 is het collegegeld voor het studiejaar 2008–2009 aangepast aan de algemene prijsontwikkeling. De verplichting daartoe vloeit voort uit artikel 7. 43, vierde lid, van de wet. Op grond van het vierde lid, laatste volzin, van artikel 7.43, van de wet dient bij regeling tevens te worden vastgesteld wat wordt verstaan onder de consumentenprijsindex. Gekozen is voor de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gehanteerde ‘reeks alle huishoudens’. Deze index wordt tevens jaarlijks toegepast bij de indexering van lesgeld dat onderdeel vormt van het normbudget voor de studiefinanciering. Bij inbedding van deze regeling is geen inhoudelijke wijziging opgetreden.

Op grond van de in te bedden Regeling financiële ondersteuning Studentenkamer WHW ontvangen bestuursleden van Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en Landelijke Studentenvakbond (LSVb) een financiële vergoeding. De systematiek van deze regeling is overeenkomstig de eveneens in te bedden Regeling administratieve bepalingen landelijke afstudeersteun hoger onderwijs. Op grond van artikel 7.51, zevende lid van de wet treft onze Minister voorzieningen ter financiële ondersteuning van een student, die gedurende een maand of langer deelneemt aan een bestuur van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid uitgaande politieke jongerenorganisaties van enige omvang of van een landelijke organisatie van enige omvang, waarbij de behartiging van een maatschappelijk of onderwijskundig belang op de voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooit. In het besluit zijn in artikelen 2.3 tot en met 2.7 voorwaarden vastgesteld waaronder de financiële ondersteuning plaatsvindt. In de in te bedden regeling is een aantal, geactualiseerde administratieve bepalingen opgenomen ter uitvoering van deze artikelen.

De in deze regeling in te bedden Regeling toelage Raad van Toezicht academische ziekenhuis geeft op basis van het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming academische ziekenhuizen aan hoe hoog de toelage van de voorzitter en de leden van de raad van toezicht van deze instellingen per kalenderjaar is. De betreffende bepaling is onverkort opgenomen in deze regeling.

De in deze regeling in te bedden Regeling vaststelling grensbedrag vrijstellingsregeling Open Universiteit bepaalt op grond van artikel 7.50, tweede lid van de wet, de grens waar beneden de door de Open Universiteit vast te stellen vrijstellingsregeling op de prijs per onderwijseenheid van toepassing is. Bij de vastgestelde grens gaat het om een grens die individueel is bepaald op grond van de normen van de Wet werk en bijstand, waarbij de woonsituatie van betrokkene en inkomsten van een eventuele partner de maatstaven zijn. Het gaat om het bedrag gedurende de periode van drie maanden direct voorafgaand aan de datum waarop een verzoek wordt gedaan om toepassing van de vrijstellingsregeling van de Open Universiteit. Voor een peilperiode van drie maanden is gekozen om tegemoet te komen aan eventuele inkomensfluctuaties.

De in deze regeling deels in te bedden Regeling CRI-HO 1996 bevat diverse bepalingen over het aanleveren van gegevens voor, het beheer van en de toegang tot het Centraal register inschrijvingen hoger onderwijs. De bepalingen in deze regelingen zijn deels ingebed in het besluit en de Regeling controleprotocol 2007. De overige bepalingen zijn geactualiseerd en ingebed in deze regeling.

Deze toelichting onderteken ik mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

2. Gevoerd overleg

Een voorontwerp van deze regeling is krachtens artikel 4.7 van het besluit aan VSNU en HBO-raad voorgelegd met het verzoek om een bestuurlijk oordeel. HBO-raad heeft aangegeven geen aanleiding te zien nadere opmerkingen te maken bij het bepaalde in deze regeling. VSNU heeft geen opmerkingen bij de bepalingen, bedragen en percentages in deze regeling, onverminderd haar commentaar op het besluit waarop deze regeling is gestoeld.

Tevens is het voorontwerp van deze regeling aan LSVb en ISO voorgelegd met het verzoek om een bestuurlijk oordeel. Mede gelet op de formulering van artikel 13, eerste lid, onderschrijven ISO en LSVb het bepaalde in deze regeling.

3. Uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets

Een voorontwerp van deze regeling is voor de uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets voorgelegd aan CFI, Auditdienst en Inspectie van het Onderwijs, en aan Informatie Beheer Groep. CFI, Auditdienst en Inspectie van het Onderwijs achten de regeling met inachtneming van enkele technische verhelderingen uitvoerbaar- en handhaafbaar. Informatie Beheer Groep acht de regeling uitvoerbaar mits de aanpassing van het CRIHO zoals bedoeld in bijlage 10 gefaseerd geschiedt. Dit is in de inwerkingtredingsbepaling recht gedaan.

4. Financiële gevolgen

De wijzigingen in deze regeling hebben geen gevolgen voor de Rijksbegroting. In voorkomende gevallen zijn bedragen in overeenstemming gebracht met de Rijksbegroting 2008 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 hoofdstuk VIII, nrs. 1, 2 en 58) en de Rijksbegroting 2008 van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 hoofdstuk XIV, nrs. 1 en 2).

Artikelsgewijs

Paragraaf 1. Algemene bepaling

Artikel 1. Begripsbepalingen

Dit artikel is ontleend aan artikelen met begripsbepalingen in de in te trekken regelingen zoals bedoeld in artikel 18 van deze regeling.

Paragraaf 2. Algemene bepaling

Artikel 2. Bedragen en factoren onderwijs

Dit artikel geeft in het eerste lid aan welk bedrag gebruikt wordt om het aantal te bekostigen graden mee te vermenigvuldigen. Dit geschiedt vanwege de overgangsmaatregel bij de bekostiging van universiteiten vanwege de invoering van de bachelor-masterstructuur. Dit bedrag dient vanwege het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 bij regeling te worden vastgesteld. Het bedrag is verhoogd ten opzichte van het bedrag dat in 2007 is gehanteerd, overeenkomstig de stijging van het onderwijsdeel wo voor zover die niet voortvloeit uit veranderingen in studentenaantallen en specifieke toekenningen aan instellingen die zich vertalen in de onderwijsopslag (bedragen).

Het tweede lid van artikel 2 is de grondslag voor bijlage 1. Deze bijlage bevat de factoren, bedoeld in artikel 4.12 van het besluit, waarmee de berekende onderwijsvraag van de door de desbetreffende hogescholen verzorgde opleidingen worden vermenigvuldigd. Het gaat om de factoren die in de Regeling bekostiging hoger onderwijs 2007 waren opgenomen onder de noemer ruimtebehoeftenorm (het aantal vierkante meter per onderwijsvragende) per hogeschool in bijlage 5.

Het derde lid van artikel 2 is de grondslag voor bijlage 2. Deze bijlage bevat in de eerste kolom een opsomming van de opleidingen en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst. In de tweede kolom staan de opleidingen die voor de toepassing van artikel 4.17 van het besluit beschouwd worden als dezelfde opleiding, bij desbetreffende of een andere hogeschool. Deze kolom bevat zowel bestaande opleidingen die als dezelfde opleiding beschouwd worden (bv. de bacheloropleidingen ‘dans’ en ‘docent dans’), als historische opleidingen die voorgangers van de huidige bacheloropleidingen zijn. De laatste opleidingen zijn opgenomen, omdat volgens artikel 4.17, tweede lid, onder b, van het besluit bepaald moet worden of een student vóór 1 september 2000 voor een bepaalde kunstopleiding was ingeschreven en op hoeveel peildata hij na 1 september 2000 bij die opleiding was ingeschreven. Vóór de invoering van de bachelor-masterstructuur in 2002 bestonden alleen deze historische opleidingen. Het komt voor dat twee bacheloropleidingen (bv. vormgeving en autonome beeldende kunst) een gemeenschappelijke voorganger hebben (beeldende kunst en vormgeving). Deze voorganger is dan equivalent met beide opleidingen, zonder dat de beide opleidingen equivalent aan elkaar zijn. Dat betekent dus, dat als iemand op 1 oktober 2004 was ingeschreven voor vormgeving, bij de bepaling van het aantal peildata waarop hij sinds 1 september 2000 was ingeschreven, de inschrijvingen voor beeldende kunst en vormgeving meetellen. Hetzelfde geldt, als hij op 1 oktober 2004 voor autonome beeldende kunst was ingeschreven. Maar inschrijvingsjaren bij autonome beeldende kunst spelen geen rol bij de telling van het aantal jaren in vormgeving en omgekeerd.

In het vierde lid is bepaald hoe om te gaan in situaties dat hogescholen zijn gefuseerd tussen het moment waarop de telling van de voor de bekostiging relevante gegevens geschiedt en het begrotingsjaar waar deze betrekking op hebben. De bepaling is overeenkomstig artikel 4 van de regeling bekostiging hoger onderwijs. Op 1 september 2007 zijn de Hogeschool van Amsterdam (code 21QW) en de Hogeschool voor Economische Studies (code 21HR) gefuseerd. In bijlage 1 zijn daarom voor de Hogeschool van Amsterdam twee factoren opgenomen.

Artikel 3. Onderwijsopslag

De onderwijsopslag van een universiteit of hogeschool kan bestaan uit een percentage en/of een totaalbedrag. Bij de bedragen als onderdeel van de onderwijsopslag gaat het om bestuurlijk en beleidsmatig geoormerkte (vaste) bedragen die vanwege beleidsmatige overwegingen of bestuurlijke afspraken jaarlijks kunnen wijzigen. Deze bedragen kunnen tevens wijzigen ingeval sprake is van loon- en prijsbijstellingen. Ingeval van percentages is van jaarlijkse wijziging geen sprake. Op grond van het besluit wordt gegeven de percentages een deel van het onderwijsbudget over de instellingen verdeeld. Het bedrag dat de instelling ontvangt fluctueert mee met het deel van het onderwijsbudget waarop het percentage betrekking heeft.

Het eerste lid van artikel 3 geeft aan hoe de onderwijsopslag van universiteiten, bedoeld in artikel 4.10 van het besluit, wordt bepaald en is grondslag voor de bijlagen 3 en 4. Het gaat hier om een methodiek vergelijkbaar aan die in artikel 4.23 van het besluit over bedragen onderzoek.

In bijlage 3 is per universiteit een bedrag opgenomen. Dit bedrag is opgebouwd uit bedragen die zijn gerelateerd aan kwaliteit, kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen. De bedragen zijn in overeenstemming met de Rijksbegroting 2008 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 hoofdstuk VIII, nrs. 1, 2 en 58). Het gaat om de volgende bedragen:

a. Kwaliteit: onder deze noemer zijn de volgende bedragen opgenomen:

– De bedragen die instellingen dienen in te zetten om de uitval van studenten te verlagen en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. In aanvulling op de middelen die bij Voorjaarsnota 2006 beschikbaar zijn gekomen voor ‘de verdere versterking van de kenniseconomie en het innovatieve vermogen van Nederland’ is in 2008 in totaal € 13,4 miljoen beschikbaar voor het verlagen van de uitval en verhogen van de kwaliteit. Elke universiteit ontvangt als onderdeel van de onderwijsopslag een deel van deze middelen, als verschil van de berekening van het onderwijsdeel, met en zonder deze extra middelen. Deze bedragen zijn beschikbaar in het perspectief van de meerjarenafspraken die met VSNU zullen worden gemaakt, in het verlengde van de strategische agenda voor hoger onderwijs-, onderzoeks- en wetenschapsbeleid Het hoogste goed van 23 november 2007 (Kamerstukken II 2007/2008, 31 288, nr. 1).

b. Kwetsbare opleidingen: onder deze noemer gaat het om de volgende bedragen:

– De bedragen die in artikel 5.38 van het Bekostigingsbesluit WHW voorzien zijn voor universiteiten onder de noemers bedragen numerus fixus geneeskunde, werkplaats diergeneeskunde, werkplaats tandheelkunde en numerus fixus klinische technologie.

c. Bijzondere voorzieningen: onder deze noemer gaat het om de volgende bedragen:

– De bedragen die in 2007 op basis van artikel 5.35 van het Bekostigingsbesluit WHW zijn toegevoegd aan de rijksbijdrage van universiteiten, in verband met het vervallen van de Raulin-vergoeding conform de brief aan universiteiten en hogescholen van 31 maart 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/10032, zijn in 2008 ongeveer verdubbeld. Door de afronding van de bedragen op duizend euro is het niet bij elke universiteit exact het dubbele.

– De overigens op grond van artikel 5.35 van het Bekostigingsbesluit WHW aan universiteiten toegekende bedragen.

– Het onderwijsbudget dat beschikbaar is voor Open Universiteit Nederland, waarbij dit ten opzichte van het bedrag 2007 is verhoogd met € 1,6 miljoen ten laste van het onderzoeksbudget van deze instelling. Dit is geschiedt om recht te doen aan de brief van 12 december 2005 met kenmerk HO/BL/05/43792, met als strekking dat 80% van de rijksbijdrage 2007 bestemd is voor onderwijsbekostiging.

– De bedragen die uit het deel academische ziekenhuizen zijn overgeheveld naar het onderwijsdeel voor Vrije Universiteit Amsterdam (€ 0,944 miljoen) en Universiteit Maastricht (€ 1,523 miljoen) vanwege klinische ondersteuning.

– De toevoeging van het bedrag van € 1,260 miljoen vanwege katholieke theologiebeoefening aan Radboud Universiteit Nijmegen, conform de brief van 13 februari 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/3105. Bij het bepalen van dit bedrag is conform de voornoemde brief al sprake geweest van ijking op de relevante prestatiegegevens en daarmee van een budgettair-neutrale omzetting naar de bekostigingssystematiek.

– De toevoeging van het bedrag van € 2,706 miljoen vanwege katholieke theologiebeoefening aan Universiteit van Tilburg, conform de brief met kenmerk HO/CBV/2007/3106 van 13 februari 2007. Bij het bepalen van dit bedrag is conform de voornoemde brief sprake van ijking op de relevante prestatiegegevens en daarmee een budgettair-neutrale omzetting naar de bekostigingssystematiek geschiedt.

– De bedragen vanwege samenwerkingsverbanden met ambtsopleidingen (seminaria):

○ Een bedrag van € 0,125 miljoen voor Universiteit Leiden vanwege Remonstrantse Broederschap, conform de brief aan deze instelling van 7 juni 2007 met kenmerk HO/CBV/2006/23388;

○ Een bedrag van € 0,250 miljoen Universiteit Utrecht vanwege Unie van Baptistengemeenten in Nederland, en Oud-Katholieke Kerk van Nederland, conform de brief aan deze instelling van 7 juni 2007 met kenmerk HO/CBV/2006/23388;

○ Een bedrag van € 0,125 miljoen voor Vrije Universiteit Amsterdam vanwege Algemene Doopsgezinde Sociëteit, conform de brief aan deze instelling van 7 juni 2007 met kenmerk HO/CBV/2006/23388;

○ Een bedrag van 0,125 miljoen voor Protestantse Theologische Universiteit vanwege Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland, conform de brief van 25 juni 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/25640 en de eerder genoemde brief van 7 juni 2007 met kenmerk HO/CBV/2006/23388;

○ Een bedrag van 0,175 miljoen voor Universiteit van Amsterdam vanwege Nederlands-Israëlitisch Seminarium, conform de brief aan deze instelling van 13 december 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/39607.

– De bedragen vanwege samenwerkingsverbanden met instituten voor internationaal onderwijs en onderzoek waarover met specifieke universiteiten afspraken zijn gemaakt:

○ Een bedrag van € 13,687 miljoen voor Universiteit Twente vanwege International Institute for Geo-Information Science and Earth Observation (ITC), conform de brief aan deze instelling van 31 januari 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/1371;

○ Een bedrag van € 1,902 miljoen voor Open Universiteit vanwege Maastricht School of Management (MSM), conform de brief aan deze instelling van 21 februari 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/4308;

○ Een bedrag van € 1,703 miljoen voor Erasmus Universiteit Rotterdam vanwege Institute for Housing and Urband Development Studies (IHS), conform de brief aan deze instelling van 21 februari 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/6101;

○ Een bedrag van € 10,003 miljoen voor Erasmus Universiteit Rotterdam vanwege Institute of Social Studies (ISS), conform de brief aan deze instelling van 26 oktober 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/39611;

○ Een bedrag van € 5,730 miljoen voor Technische Universiteit Delft vanwege UNESCO-IHE Institute for Water Education, conform de brief aan deze instelling van 19 november 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/39698;

○ Een bedrag van € 0,107 miljoen voor Universiteit Leiden vanwege het Cairo-instituut en het Japan-Nederland Instituut, conform de brief aan deze instelling van 9 oktober 2007 met kenmerk HO/CBFV/2007/39604.

In bijlage 4 is aangegeven welk aandeel een universiteit heeft in het na toepassing van de betreffende paragraaf resterende deel van het onderwijsdeel wo. Het gaat hier om de percentages die vanwege het Bekostigingsbesluit WHW in 2007 zijn benut onder de noemer basisvoorziening onderwijs, gewijzigd vanwege de toevoeging in 2008 van de bedragen die in 2007 beschikbaar zijn gesteld onder de noemer leraartrajecten.

Het tweede lid van artikel 3 geeft aan hoe de onderwijsopslag van hogescholen, bedoeld in artikel 4.19 van het besluit, wordt bepaald en is grondslag voor de bijlagen 5 en 6. Het gaat hier om een methodiek die ook voor universiteiten wordt gehanteerd krachtens het eerste lid.

In bijlage 5 is per hogeschool een bedrag opgenomen. Dit bedrag is opgebouwd uit bedragen gerelateerd aan kwaliteit, kwetsbare opleidingen, en bijzondere voorzieningen. De bedragen zijn in overeenstemming met de Rijksbegroting 2008 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 hoofdstuk VIII, nrs. 1, 2 en 58) en de Rijksbegroting 2008 van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 hoofdstuk XIV, nrs. 1 en 2). Het gaat om de volgende bedragen:

a. Kwaliteit: onder deze noemer zijn de volgende bedragen opgenomen:

– De bedragen die instellingen dienen in te zetten voor de kwaliteitsverbetering van docenten. In aanvulling op de € 3,1 miljoen die in 2007 beschikbaar is gesteld voor promotievouchers hbo-docenten, en de € 1,5 miljoen beschikbaar in 2008 in het kader van de afspraken in de beleidsagenda lerarenopleidingen 2005–2008, is geïndexeerd in 2008 een bedrag van € 6,6 miljoen beschikbaar om het scholingsniveau van docenten – waaronder het werken aan promoties – te verhogen. Elke hogeschool ontvangt als onderdeel van de opslag een deel van deze middelen, als verschil van de berekening van het ‘exploitatiedeel’ met en zonder deze extra middelen. Deze bedragen zijn beschikbaar in het perspectief van de meerjarenafspraken die met HBO-raad zullen worden gemaakt, in het verlengde van de strategische agenda voor hoger onderwijs-, onderzoeks- en wetenschapsbeleid Het hoogste goed van 23 november 2007 (Kamerstukken II 2007/2008, 31 288, nr. 1).

– De bedragen die instellingen dienen in te zetten om de uitval van studenten te verlagen en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. In aanvulling op de middelen die bij Voorjaarsnota 2006 beschikbaar zijn gekomen voor ‘de verdere versterking van de kenniseconomie en het innovatieve vermogen van Nederland’, en de eerder beschikbaar gestelde middelen voor de beroepskolom is in 2008 een bedrag van in totaal € 72,2 miljoen beschikbaar voor het verlagen van de uitval en verhogen van de kwaliteit. De middelen zijn op dezelfde manier over de hogescholen verdeeld als de middelen voor kwaliteitsverbetering docenten.

b. Kwetsbare opleidingen: onder deze noemer gaat het om de volgende bedragen:

– De bedragen die in 2007 op basis van het eerste lid van artikel 3.7 van het Bekostigingsbesluit WHW zijn toegevoegd aan het exploitatiedeel van hogescholen met mondzorgkunde- en de zorgmasteropleidingen, waarbij de betreffende bedragen zijn verlaagd in verband met de verhoging van de bekostigingsniveaus van deze opleidingen naar het bekostigingsniveau ‘top’. Deze verhoging van het variabele deel van de bekostiging gaat gepaard met een verlaging van het opslagdeel. Bij de berekening van de opslagen voor de masteropleidingen is uitgegaan van een capaciteit van 325 plaatsen. Voor de verdeling per 1 oktober 2007 is uitgegaan van de opgave van de HBO-raad alsmede de in meerjarig perspectief te plaatsen financiële afspraken. In 2008 is overigens sprake van een incidentele verrekening conform het gestelde in de brief met kenmerk HO/CBV/2008/3516.

– Bij hogescholen die per 1 september 2008 de opleiding verloskunde verzorgen, is een bedrag aan de opslag toegevoegd in overeenstemming met opleidingsplaatsen bij deze instellingen en het bedrag dat vanwege het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot die datum is verstrekt voor het verzorgen van de opleidingen verloskunde. Het gaat daarbij om Hogeschool Rotterdam, Hogeschool Zuyd en Hogeschool INHOLLAND waar het totaal beschikbaar gestelde budget is toegevoegd. Conform de brief van 6 juni 2007 met kenmerk HO/AME/2007/21820 aan de Stichting Samenwerkende Opleidingen Verloskunde zal voor 2008 en 2009 de rijksbijdrage van de betreffende hogescholen wordt verhoogd met een bedrag dat gelijk is aan de subsidie die vanwege het verzorgen van de opleiding verloskunde beschikbaar zou zijn gestel door het Ministerie van VWS (voor 2008 gaat het uiteraard alleen over het deel dat betrekking heeft op de laatste vier maanden). Met het huidige bekostigingsmodel wordt vanaf 2010 de rijksbijdrage verhoogd met een studentafhankelijk deel en een vast bedrag. Dit bedrag is gelijk aan de subsidie die vanwege het Ministerie van VWS beschikbaar zou zijn minus het studentafhankelijke deel dat de hogeschool bij volledige bezetting van de opleidingscapaciteit zou ontvangen. Daarbij is verondersteld dat de instroom niet hoger is dan de afgesproken opleidingscapaciteit.

– De bedragen die instellingen in 2007 ontvingen op grond van de ‘Regeling subsidie voor het verzorgen van onderwijs aan een hbo-lerarenopleiding behorend bij een instelling waar een student al een getuigschrift heeft behaald’. Deze subsidieregeling is vervallen per 1 januari 2008 en wordt niet verlengd. Deze opslag is berekend op basis van het aantal studenten per oktober 2006 (t-2 systematiek) en een bedrag van € 4.538 per student (conform de oude regeling). Deze wijze van berekening van de opslag houdt in dat het bedrag voor 2008 per instelling gelijk is aan het bedrag dat voor 2007 beschikbaar is gesteld (in de regeling was de subsidie gebaseerd op het aantal studenten van jaar t-1). Vanaf 2009 loopt de bekostiging van deze categorie studenten mee in het onderwijsvraagafhankelijke deel van het onderwijsdeel en wordt het bedrag weer uit de onderwijsopslag verwijderd.

c. Bijzondere voorzieningen: onder deze noemer gaat het om de volgende bedragen:

– De bedragen die in 2007 op basis van artikel 5.6 van het Bekostigingsbesluit WHW zijn toegevoegd aan het exploitatiedeel van hogescholen in verband met het vervallen van de Raulinvergoeding conform de brief aan universiteiten en hogescholen van 31 maart 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/10032 zijn in 2008 ongeveer verdubbeld. Door de afronding van de bedragen op duizend euro is het niet bij elke hogeschool exact het dubbele.

– De subsidie die de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden ontving voor het Maritiem Simulator Training Centrum (MSTC) maakt, conform de afspraak neergelegd in de brief van 16 september 2005 met kenmerk HO/CBV/2005/30854 aan genoemde instelling, vanaf 2008 deel uit van de onderwijsopslag van deze hogeschool. Het gaat om een bedrag van € 1,6 miljoen.

In bijlage 6 is aangegeven welk aandeel een hogeschool heeft in het na toepassing van de betreffende paragraaf resterende deel van het onderwijsdeel hbo. De percentages per instelling zijn bepaald op basis van:

– De bedragen die in 2007 op basis van het eerste lid van artikel 3.7 van het Bekostigingsbesluit WHW zijn toegevoegd aan het exploitatiedeel van hogescholen met kunstopleidingen; deze bedragen volgen het bedrag per opleiding-gewogen onderwijsvragende. Ze zijn dus vrijwel onveranderd. De bijzondere opslag voor de Hogeschool voor Beeldende Kunsten, Muziek en Dans is verhoogd met het percentage waarmee het onderwijsdeel hbo is gewijzigd door andere dan studentenaantallen (prijscomponent).

– De opslag voor de opleidingen tot leraar basisonderwijs (de pabo-up) is voor 2008 op dezelfde manier bepaald als voor 2007. Het totaalbedrag voor de opslag voor opleidingen tot leraar basisonderwijs is verhoogd met het algemene percentage van 0,17%. Het bedrag is daardoor vrijwel onveranderd € 14,5 miljoen. De totale onderwijsvraag van de lerarenopleidingen basis-onderwijs is gedaald van 37.187 naar 36.227. Het bedrag dat in 2008 per onderwijsvragende aan de onderwijsopslag wordt toegevoegd is (afgerond) € 400.Vanaf 2008 wordt het bedrag aan de onderwijsopslag toegevoegd.

Paragraaf 3. Onderzoek

Artikel 4. Bedragen onderzoek

Het eerste lid in dit artikel geeft aan welk bedrag gebruikt wordt om het aantal te bekostigen graden mee te vermenigvuldigen. Dit geschiedt vanwege de overgangsmaatregel bij de bekostiging van universiteiten vanwege de invoering van de bachelor-masterstructuur. Dit bedrag dient vanwege het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 bij Ministeriele regeling te worden vastgesteld. Het bedrag is aangepast aan de herdefiniëring van de verhouding tussen hoog en laag bekostigde opleidingen. In het Bekostigingsbesluit WHW was sprake van een weging 1 voor een ongedeelde, laagbekostigde opleiding. Het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 geeft aan een laagbekostigde bacheloropleiding een gewicht 1. De in 2007 gehanteerde prijs is om recht te doen aan deze herdefiniëring door drie gedeeld.

Het tweede lid van artikel 4 geeft aan hoe de bedragen onderzoek van universiteiten, bedoeld in artikel 4.23 van het besluit, worden bepaald en is grondslag voor bijlage 7. In bijlage 7 is per universiteit een bedrag opgenomen. Dit bedrag is opgebouwd uit onderliggende bedragen, waarbij het gaat om mutaties vanwege:

– De toevoeging van bedragen die op basis van artikel 2.11 van het Bekostigingsbesluit WHW zijn voorzien voor afbouw dynamisering Smart mix, waarover afspraken zijn gemaakt met VSNU neergelegd in de brief van 20 september 2007 over Bestuurlijk akkoord met VSNU over inzet onderzoeksmiddelen (Kamerstukken II 2007/08, 31 2000 VIII, nr. 5). In 2008 ontvangt elke universiteit 88% van het bedrag dat in 2007 vanwege artikel 2.11 van het Bekostigingsbesluit WHW aan de instelling beschikbaar is gesteld. Vervolgens gaat het in 2009 om 40% en in 2010 om 25% van het bedrag in 2007 dat beschikbaar is gesteld. In 2011 is het bedrag vervallen.

– Het op grond van artikel 2.13a, eerste lid aan Open Universiteit Nederland toegekende bedrag van € 4,1 miljoen. Dit bedrag is ten gunste van een verhoging van de onderwijsopslag verlaagd met een bedrag van € 1,6 miljoen. Dit is geschiedt om recht te doen aan de brief van 12 december 2005 met kenmerk HO/BL/05/43792, met als strekking dat 20% van de rijksbijdrage 2007, na vermindering met de bijdrage voor vernieuwing van het hoger onderwijs, bestemd is voor onderzoeksbekostiging.

– De toevoeging aan het onderzoeksbudget van het bedrag van € 6,9 miljoen dat voorheen is verstrekt aan Open Universiteit Nederland voor vernieuwing van het hoger onderwijs, conform de brief van 12 december 2005 met kenmerk HO/BL/05/43792 aan deze instelling.

– De toevoeging van het bedrag van € 2,119 miljoen vanwege katholieke theologiebeoefening aan Radboud Universiteit Nijmegen, conform de brief van 13 februari 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/3105. Bij het bepalen van dit bedrag is conform de voornoemde brief al sprake geweest van ijking op de relevante prestatiegegevens en daarmee van een budgettair-neutrale omzetting naar de bekostigingssystematiek.

– De toevoeging van het bedrag van € 3,855 miljoen vanwege katholieke theologiebeoefening aan Universiteit van Tilburg, conform de brief van 13 februari 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/3106. Bij het bepalen van dit bedrag is sprake geweest van ijking op de relevante prestatiegegevens zodat conform de voornoemde brief van een budgettair-neutrale omzetting naar de bekostigingssystematiek is geschied.

– De toevoeging van bedragen vanwege samenwerkingsverbanden met instituten voor internationaal onderwijs en onderzoek waarover met universiteiten afspraken zijn gemaakt. Het gaat daarbij om:

○ Een bedrag van € 9,125 miljoen voor Universiteit Twente vanwege International Institute for Geo-Information Science and Earth Observation (ITC), conform de brief aan deze instelling van 31 januari 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/1371;

○ Een bedrag van € 0,476 miljoen voor Open Universiteit vanwege Maastricht School of Management (MSM), conform de brief aan deze instelling van 21 februari 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/4308;

○ Een bedrag van € 0,917 miljoen voor Erasmus Universiteit Rotterdam vanwege Institute for Housing and Urband Development Studies (IHS), conform de brief aan deze instelling van 21 februari 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/6101;

○ Een bedrag van € 4,001 miljoen voor Erasmus Universiteit Rotterdam vanwege Institute of Social Studies (ISS), conform de brief aan deze instelling van 26 oktober 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/39611;

○ Een bedrag van € 3,086 miljoen voor Technische Universiteit Delft vanwege UNESCO-IHE Institute for Water Education, conform de brief aan deze instelling van 19 november 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/39698;

○ Het bedrag voor Universiteit Leiden vanwege Afrika-Studiecentrum, conform de brief aan deze instelling van 16 juli 2007 met kenmerk HO/CBV/2007/28688.

De bedragen zijn in overeenstemming met de Rijksbegroting 2008 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 hoofdstuk VIII, nrs. 1, 2 en 58).

Het derde lid van artikel 4 is de grondslag voor bijlage 8. In bijlage 8 is aangegeven welk aandeel een universiteit heeft in het na toepassing van de betreffende paragraaf resterende deel van het onderzoekdeel wo. Het gaat hier om de zgn. SOC-percentages zoals benut bij de berekening van de rijksbijdrage 2007. Deze percentages zijn aangepast om de volgende redenen:

– Bij de toedeling van de middelen alfa/gamma voor 2008 is invulling gegeven aan de bestuurlijke afspraak met VSNU over de inzet van onderzoekmiddelen (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 VIII, nr. 5). De beschikbare € 8 miljoen is verdeeld over de algemene universiteiten waarbij conform afspraak met VSNU allereerst de Universiteit Maastricht, de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit van Tilburg (‘drie jonge universiteiten’) structureel worden gecompenseerd voor het vervallen van de incidentele toewijzingen ingevolge de motie Tichelaar ten bedrag van € 6 miljoen. De daarna nog resterende € 2 miljoen is verdeeld over de algemene universiteiten (95%) en de Open Universiteit (5%). Deze toedeling heeft als gevolg dat de zgn. SOC-percentages zijn aangepast. Indien en voorzover in de jaren 2009 en verder additionele middelen voor alfa-gamma ter beschikking worden gesteld, zullen de genoemde drie jonge universiteiten daarvan samen 20%, de negen algemene universiteiten samen 74% ontvangen en de Open Universiteit 4%.

– Vanwege het onderbrengen van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie buiten Universiteit Leiden, conform de brief van 16 oktober 2007 met kenmerk OWB/WG/2007/38808, is de rijksbijdrage van deze instelling verlaagd met het bedrag van € 925.000. Dit leidt tot aanpassing van het percentage van deze en de andere universiteiten.

– Vanwege een toevoeging aan de rijksbijdrage voor Universiteit Leiden vanwege het Centrum voor Wetenschaps- en Techniekstudies, conform de brief van 13 december 2007 met kenmerk OWB/DIR/07/3583.

Paragraaf 4. Academische ziekenhuizen

Artikel 5. Rentepercentage

Dit artikel bevat de rentepercentages die op grond van artikelen 4.25 en 4.26 van het besluit worden gehanteerd bij het vaststellen van de bijdrage aan academische ziekenhuizen voor investeringen. Het gaat daarbij om investeringen in de jaren 1997, 2007 (eerste lid) en 2008 (tweede lid).

Het rentepercentage voor investeringen in 1997 en 2007 wordt op grond van de Macro Economische Verkenningen vastgesteld op 4,25 procent. Dit percentage geldt tot en met het begrotingsjaar 2016. Het rentepercentage voor investeringen in 1998 en 2008 wordt op grond van de Macro Economische Verkenningen vastgesteld op 4,5 procent.

Artikel 6. Bedragen academische ziekenhuizen

Artikel 6 is grondslag voor bijlage 9. In bijlage 9 is per universiteit het bedrag opgenomen dat beschikbaar is vanwege werkzaamheden van academische ziekenhuizen ten dienste van wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. De opgenomen bedragen zijn overeenkomstig de artikelen 2.22, 2.26 en 2.27 van het Bekostigingsbesluit WHW. De bedragen zijn in overeenstemming met de Rijksbegroting 2008 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 hoofdstuk VIII, nrs. 1, 2 en 58).

Artikel 7. Toelage raad van toezicht academische ziekenhuizen

In dit artikel is de omvang bepaald van de toelage van de voorzitter en leden van de raad van toezicht van academische ziekenhuizen. Het artikel is overeenkomstig artikel 1 van de Regeling toelage Raad van Toezicht academische ziekenhuizen.

Paragraaf 5. Collegegeld

Artikel 8. Consumentenprijsindex

Op grond van het vierde lid, laatste volzin, van artikel 7.43, van de WHW dient bij regeling te worden vastgesteld wat wordt verstaan onder consumentenprijsindex. Artikel 8 van deze regeling strekt daartoe. Gekozen is voor de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gehanteerde ‘reeks alle huishoudens’. Deze index wordt tevens toegepast bij de indexering van lesgeld dat onderdeel vormt van het normbudget voor de studiefinanciering. Het artikel is overeenkomstig artikel 1 in de Regeling vaststelling collegegeld voltijdse opleidingen studiejaar 2008–2009.

Artikel 9. Vaststelling collegegeld

In dit artikel is de omvang van de collegegelden opgenomen, zoals eerder vastgesteld bij regeling voor de studiejaren 2007–2008 en 2008–2009. In dit verband kunnen de regeling voor de vaststelling van het collegegeld voor voltijdse opleidingen voor deze studiejaren vervallen.

Paragraaf 6. Financiële ondersteuning

In deze paragraaf zijn de bepalingen uit de Regeling financiële ondersteuning Studentenkamer WHW en de Regeling administratieve bepalingen landelijke afstudeersteun hoger onderwijs geïntegreerd en geactualiseerd opgenomen. Daarmee kunnen deze regelingen vervallen.

Artikel 10. Organisaties

In dit artikel is geregeld welke organisaties een vertegenwoordiger voor kunnen dragen voor financiële ondersteuning. Het eerste lid geeft aan welke organisaties, zoals bedoeld in artikel 3.3 van de wet via de Studentenkamer overleg voeren met de Minister. Dit zijn ISO en LSVb. Het tweede tot en met vierde lid is ontleend aan artikel 2 van de Regeling administratieve bepalingen landelijke afstudeersteun hoger onderwijs. Op grond daarvan kunnen politieke jongerenorganisaties of landelijke organisaties van enige omvang, waarbij de behartiging van een maatschappelijk of onderwijskundig belang op de voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooien een beroep doen op een bijdrage van de overheid voor hun vertegenwoordigers, zijnde studenten.

Artikel 11. Vertegenwoordigers

In dit artikel is geregeld hoe een organisatie bedoeld in artikel 10 één of meerdere vertegenwoordigers kan aanwijzen, die een beroep kunnen doen op de financiële ondersteuning die voor betrokken vertegenwoordigers is voorzien. In het eerste lid is aangegeven dat een organisatie vóór 1 november van het betreffende studiejaar een vertegenwoordiger dient aan te wijzen die voor financiële ondersteuning in het studiejaar in aanmerking kan komen. Het tweede lid geeft aan dat ISO en LSVb elk vijf vertegenwoordigers kunnen aanwijzen. De overige organisaties kunnen elk één vertegenwoordiger aanwijzen. In dit verband is in artikel 2.7 van het besluit is aangegeven dat per studiejaar voor ten hoogste twintig organisaties (behoudens ISO en LSVb) financiële ondersteuning beschikbaar is. De toewijzing van de financiële ondersteuning vindt plaats in de volgorde van de binnenkomst van de aanmelding. Daarbij gaat het om het tijdstip waarop een volledige aanvraag bij de Minister, per post verstuurd, aanwezig is. Indien onverhoopt meer dan 20 aanvragen worden ingediend, waarvan een aantal met een gelijke datum poststempel, dan zal door middel van loting worden bepaald welke van de desbetreffende aanvragen nog zal kunnen worden gehonoreerd (zie uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 juli 2007 met registratienummer 200700210/1; AB 2008; 28). Het derde lid geeft aan dat de Minister aan de organisaties en aangewezen vertegenwoordigers de beslissing om financiële ondersteuning te verstrekken kenbaar maakt. Het vierde en vijfde lid geven aan dat een organisatie tussentijds een nieuwe vertegenwoordiger kan aanwijzen die in het resterende deel van het studiejaar financiële ondersteuning krijgt.

De aangewezen vertegenwoordigers en de betreffende organisaties dienen de Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de uitvoering van de regeling nodig zijn. Daarbij gaat het om de volgende gegevens over de vertegenwoordiger:

– naam, adres en woonplaats;

– onderwijsnummer;

– verklaring van inschrijving (uitgezonderd de vertegenwoordigers van ISO en LSVb);

– giro- of bankrekeningnummer, en

– een verklaring waaruit blijkt dat de vertegenwoordiger daadwerkelijke een bestuursfunctie vervult.

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 van de Regeling financiële ondersteuning Studentenkamer WHW en artikelen 3, 4, 5 en 7 van de Regeling administratieve bepalingen landelijke afstudeersteun hoger onderwijs.

Artikel 12. Aanspraak

In dit artikel is bepaald dat een door een organisatie aangewezen vertegenwoordiger of diens opvolger aanspraak heeft op financiële ondersteuning. In het eerste en tweede lid is bepaald dat een vertegenwoordiger of diens opvolger aanspraak op ondersteuning heeft, die op grond van het derde tot en met vijfde lid niet alleen kan gelden tijdens het tijdvak waarvoor de aanwijzing geldt maar ook nadien, te weten aansluitend op de periode dat een student studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs heeft genoten. Het artikel is gebaseerd op artikel 3 van de Regeling financiële ondersteuning Studentenkamer WHW.

Artikel 13. Hoogte van de aanspraak

In dit artikel is bepaald wat de hoogte van de aanspraak is en per welk tijdvak deze beschikbaar komt. In het eerste lid is de omvang van de hoogte van het maandelijkse bedrag opgenomen. Deze is vanaf het studiejaar 2008/2009 gelijk aan 115% van het brutominimumloon voor een werknemer van 23 jaar of ouder bij een volledig dienstverband. Daarmee is de normering gerelateerd aan het maandbedrag van een uitwonende student in het hoger onderwijs overeenkomstig artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000, en diverse niet genormeerde opslagen omgezet in een helder, extern bepaald normbedrag. Leden van het bestuur van ISO en LSVb ontvangen via de subsidie die deze verenigingen ontvangen een bijdrage in de reiskosten.

Het tweede lid bepaalt dat het bedrag per maand beschikbaar wordt gesteld, overeenkomstig voornoemde wet. Het derde lid geeft aan hoe wordt gehandeld indien een vertegenwoordiger er op basis van artikel 13 voor kiest om de financiële ondersteuning te willen ontvangen na de periode waarin studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs is genoten. De Minister informeert de Inspectie der belastingen informeert over de verstrekte aanspraak. De vertegenwoordiger is zelf verantwoordelijk voor afdracht van belastingen. Het eerste tot en met derde lid zijn ontleend aan artikel 4 van de Regeling financiële ondersteuning Studentenkamer WHW.

Artikel 14. Grensbedrag vrijstellingsregeling Open Universiteit

Deze bepaling is gebaseerd op het artikel in de Regeling vaststelling grensbedrag vrijstellingsregeling Open Universiteit en bepaalt het grensbedrag, bedoeld in artikel 7.50, tweede lid van de wet. De bepaling is aangepast aan de wijziging van wetgeving, te weten de Wet werk en bijstand en AWIR. De student heeft de verplichting zijn inkomenssituatie met bewijsstukken aan te tonen. Het instellingsbestuur van Open Universiteit kan in de door haar vast te stellen regeling aangeven om welke bewijsstukken het gaat.

Paragraaf 7. Centraal register inschrijvingen hoger onderwijs

In de artikelen in deze paragraaf zijn de bepalingen uit de Regeling CRI-HO 1996 geactualiseerd opgenomen. In dit verband kan deze regeling vervallen. De termijnen die overigens relevant zijn in het verkeer tussen instellingen en de uitvoeringsorganisaties Informatie Beheer Groep en CFI zijn opgenomen in de Regeling Controleprotocol.

Artikel 15. Gegevens

In dit artikel is bepaald welke gegevens instellingsbesturen in verband met de inschrijving van studenten en extraneï aan Informatie Beheer Groep moeten verstrekken gericht op registratie in het Centraal register inschrijvingen hoger onderwijs (CRI-HO).

In het eerste lid is bepaald dat in het CRI-HO gegevens over studenten en extraneï zijn opgenomen, waarbij het tweede lid via bijlage 10 aangeeft welke gegevens daarbij aan de orde zijn. De bepaling over het onderscheid tussen gegevens van belang in verband met inschrijving, voor de bekostiging en planning, is vervallen. Dit onderscheid is voor de registratie in het register namelijk niet van belang. De gegevens zijn geactualiseerd en in overeenstemming gebracht met het Handboek CRI-HO. In voorkomende gevallen geeft bijlage 10 vanwege invoering van het woonplaats- en nationaliteitsvereiste in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, nog aanleiding tot aanpassingen van het CRI-HO die na 1 januari 2008 zijn beslag zal krijgen. Dit betreft met name de onderdelen g. (toevoeging Duitse Bondsstaat aan het adres), en de onderdelen q., r., en w in bijlage 10. De laatste drie onderdelen en het complement daarvan gelegen in onderdeel t. worden per 1 oktober 2009 aangepast.

In het derde en vierde lid is aangegeven dat indien betreffende gegevens niet in de (gemeentelijke) basisadministratie persoonsgegevens zijn opgenomen de instelling verantwoordelijk is voor het verstrekken van deze gegevens. De bepaling komt met inachtneming van het voorgaande overeen met artikel 2 en artikel 3, derde en vierde lid van de Regeling CRI-HO 1996.

Artikel 16. Tijdstip en wijze levering gegevens

In dit artikel is bepaald dat instellingen binnen acht weken na wijziging van de gegevens, in verband met de inschrijving van de studenten en in voorkomende gevallen het afleggen van het afsluitende examen, deze informatie aan Informatie Beheer Groep verstrekken. Informatie Beheer Groep bepaalt hoe deze informatie dient te worden verstrekt. De bepaling is gelijk aan artikel 3, eerste en tweede lid van de Regeling CRI-HO 1996. In het besluit zijn in artikel 4.4 bepaald dat de zogenoemde fatale datum voor aanlevering van de voor de bekostiging relevante gegevens 1 december in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, en de fatale datum voor correctie op de aangeleverde gegevens 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar is.

Artikel 17. Beheer

In dit artikel is in het eerste lid bepaald dat Informatie Beheer Groep de gegevens in het CRI-HO vijftig jaar bewaart, en verwijdert indien haar bekend is dat de betreffende persoon is overleden. Informatie Beheer Groep verstrekt vanwege uitvoering van wettelijke taken, aangehaald in het tweede lid, gegevens aan de accountant van de Minister. De bepaling is gebaseerd op artikelen 6a en 6c van de Regeling CRI-HO 1996.

Paragraaf 8. Slotbepalingen

Artikel 18. Intrekking andere regelingen

Deze bepaling bevat een overzicht van de te vervallen regelingen. In het algemene deel van deze toelichting is nader ingegaan op de redengeving daartoe.

Artikel 19. Inwerkingtreding

Deze bepaling bevat de inwerkingtredingdatum van de regeling. De regeling geldt met ingang van het begrotingsjaar 2008 en werkt daarom terug tot en met 1 januari 2008. Het in artikel 6, eerste lid, vastgestelde rentepercentage geldt ook al voor het begrotingsjaar 2007 en werkt daarom terug tot en met 1 januari 2007. Het verschil tussen het voorlopig gehanteerde en het vastgestelde rentepercentage wordt met de instellingen verrekend in 2008. In het derde lid is bepaald dat het in artikel 13, eerste lid, bedoelde bedrag geldt vanaf 1 september 2008. Tot dat moment geldt het eerder bepaalde bedrag. In het vierde lid is aangegeven dat betreffende regelingen per 1 september 2008 vervallen en deze regeling van toepassing wordt: het gaat hier om studiejaargebonden regelingen. In het vijfde lid is aangegeven dat enkele onderdelen van het CRIHO eerst per 2009 gewijzigd worden.

Naar boven