Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 september 2008, nr. TRCJZ/2008/2352,tot de erkenning van EG-beroepskwalificaties voor toelating tot de uitoefening van de diergeneeskunde (regeling erkenning EG-beroepskwalificaties uitoefening van de diergeneeskunde)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 4 van de Wet op de uitoefening van de Diergeneeskunde 1990 en artikel 33 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties;

Besluit:

Paragraaf 1. [Algemene bepalingen]

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. wet:

Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties;

b. richtlijn nr. 2005/36/EG:

Richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255);

c. Minister:

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

d. opleidingstitel:

diploma, certificaat of andere titel die door een daartoe aangewezen bevoegde autoriteit van een betrokken staat, is afgegeven ter afsluiting van een beroepsopleiding.

e. betrokken staat:

lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of Zwitserland.

Paragraaf 2. [Erkenning opleidingstitels dierenartsen]

Artikel 2

Tot de uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang zijn toegelaten personen die in het bezit zijn van een opleidingstitel van dierenarts als bedoeld in artikel 21, eerste lid, in samenhang met Bijlage V, onder 5.4.2, van Richtlijn nr. 2005/36/EG.

Artikel 3

  • 1. Indien de opleidingstitel, bedoeld in artikel 2, is afgegeven ter afsluiting van een opleiding die is begonnen vóór de referentiedatum, genoemd in Bijlage V, onder 5.4.2, van richtlijn nr. 2005/36/EG, wordt de bezitter van die opleidingstitel slechts toegelaten, mits de opleidingstitel vergezeld gaat van een officieel gewaarmerkte verklaring, waarin wordt bevestigd dat de bezitter van de opleidingstitel de werkzaamheden van dierenarts gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren tijdens de vijf jaren voorafgaande aan de afgifte van de verklaring daadwerkelijk en op wettige wijze heeft uitgeoefend.

  • 2. Indien de opleidingstitel, bedoeld in artikel 2, niet voldoet aan de benaming, genoemd in Bijlage V, punt 5.4.2, wordt de bezitter van die opleidingstitel slechts toegelaten, mits de opleidingstitel vergezeld gaat van een officieel gewaarmerkte verklaring, waarin wordt bevestigd dat de opleidingstitel is afgegeven ter afsluiting van een opleiding die in overeenstemming is met de voorschriften van artikel 38 van richtlijn nr. 2005/36/EG.

  • 3. De verklaring, bedoeld in het eerste en tweede lid, is afgegeven door de bevoegde autoriteit van de betrokken staat.

  • 4. Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op personen die in het bezit zijn van een opleidingstitel van dierenarts die voor 3 oktober 1990 is afgegeven door de voormalige Duitse Democratische Republiek, of ter verwerving waarvan de opleiding vóór die datum in dat land is begonnen.

Artikel 4

Tot de uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang zijn tevens toegelaten personen die in het bezit zijn van een opleidingstitel van dierenarts, welke voor 1 januari 1993 is afgegeven door het voormalige Tsjecho-Slowakije, of ter verwerving waarvan de opleiding vóór die datum in dat land is begonnen, mits die opleidingstitel vergezeld gaat van officieel gewaarmerkte verklaringen van de bevoegde autoriteiten van Tsjechië of Slowakije, waarin wordt bevestigd dat:

  • a. de opleidingstitel, wat betreft de toegang tot de uitoefening van diergeneeskunde in haar volle omvang, op Tsjechisch, respectievelijk Slowaaks grondgebied dezelfde rechtsgeldigheid heeft als de Tsjechische respectievelijk Slowaakse opleidingstitel van dierenarts, en

  • b. de bezitter van de opleidingstitel de werkzaamheden van dierenarts gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren tijdens de vijf jaren voorafgaande aan de afgifte van de verklaring daadwerkelijk en op wettige wijze heeft uitgeoefend.

Artikel 5

  • 1. Tot de uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang zijn tevens toegelaten personen die in het bezit zijn van een opleidingstitel van dierenarts die is afgegeven door de voormalige Sovjet-Unie of ter verwerving waarvan de opleiding in Estland is aangevangen vóór 20 augustus 1991, mits die opleidingstitel vergezeld gaat van een officieel gewaarmerkte verklaring, waarin door de Estlandse autoriteiten wordt bevestigd dat:

    • a. de opleidingstitel, wat betreft de toegang tot de uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang op het grondgebied van Estland dezelfde rechtsgeldigheid heeft als de Estlandse opleidingstitel van dierenarts, en

    • b. de bezitter van de opleidingstitel de werkzaamheden van dierenarts gedurende ten minste vijf opeenvolgende jaren tijdens de zeven jaren voorafgaande aan de afgifte van de verklaring daadwerkelijk en op wettige wijze heeft uitgeoefend.

  • 2. Tot de uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang zijn tevens toegelaten personen die in het bezit zijn van een opleidingstitel van dierenarts die is afgegeven door Estland of wier opleiding vóór 1 mei 2004 in Estland is aangevangen, mits die opleidingstitel vergezeld gaat van een officieel gewaarmerkte verklaring, waarin door de Estlandse autoriteiten wordt bevestigd dat de bezitter van de opleidingstitel de werkzaamheden van dierenarts gedurende ten minste vijf opeenvolgende jaren tijdens de zeven jaren voorafgaande aan de afgifte van de verklaring daadwerkelijk en op wettige wijze op Estlands grondgebied heeft uitgeoefend.

Artikel 6

Tot de uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang zijn tevens toegelaten personen die in het bezit zijn een opleidingstitel van dierenarts die is afgegeven door de voormalige Sovjet-Unie of ter verwerving waarvan de opleiding in Letland is aangevangen vóór 21 augustus 1991, mits die opleidingstitel vergezeld gaat van een officieel gewaarmerkte verklaring, waarin door de Letlandse autoriteiten wordt bevestigd dat:

  • a. de opleidingstitel, wat betreft de toegang tot de uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang op het grondgebied van Letland dezelfde rechtsgeldigheid heeft als de Letlandse opleidingstitel van dierenarts, en

  • b. de bezitter van de opleidingstitel de werkzaamheden van dierenarts gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren tijdens de vijf jaren voorafgaande aan de afgifte van de verklaring daadwerkelijk en op wettige wijze heeft uitgeoefend.

Artikel 7

Tot de uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang zijn tevens toegelaten personen die in het bezit zijn een opleidingstitel van dierenarts die is afgegeven door de voormalige Sovjet-Unie of ter verwerving waarvan de opleiding in Litouwen is aangevangen vóór 11 maart 1990, mits die opleidingstitel vergezeld gaat van een officieel gewaarmerkte verklaring, waarin door de Litouwse autoriteiten wordt bevestigd dat:

  • a. de opleidingstitel, wat betreft de toegang tot de uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang op het grondgebied van Litouwen dezelfde rechtsgeldigheid heeft als de Litouwse opleidingstitels van dierenarts, en

  • b. de bezitter van de opleidingstitel de werkzaamheden van dierenarts gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren tijdens de vijf jaren voorafgaande aan de afgifte van de verklaring daadwerkelijk en op wettige wijze heeft uitgeoefend.

Artikel 8

Tot de uitoefening van de diergeneeskunde, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet, zijn toegelaten personen die in het bezit zijn een opleidingstitel van dierenarts die is afgegeven door het voormalige Joegoslavië of ter verwerving waarvan de opleiding in Slovenië is aangevangen vóór 25 juni 1991, mits die opleidingstitel vergezeld gaat van een officieel gewaarmerkte verklaring, waarin door de Sloveense autoriteiten wordt bevestigd dat:

  • a. de opleidingstitel, wat betreft de toegang tot de uitoefening van het betreffende beroep, op het grondgebied van Slovenië dezelfde rechtsgeldigheid heeft als de Sloveense opleidingstitels van dierenarts, en

  • b. de bezitter van de opleidingstitel de werkzaamheden van dierenarts gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren tijdens de vijf jaren voorafgaande aan de afgifte van de verklaring daadwerkelijk en op wettige wijze heeft uitgeoefend.

Paragraaf 3. [Erkenning beroepskwalificaties paraveterinairen]

Artikel 9

  • 1. Een aanvraag tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot de uitoefening van de diergeneeskunde, bedoeld in artikel 2, 5, 9, 13 en 13a van het Besluit paraveterinairen, wordt ingediend bij de Voedsel en Waren Autoriteit.

  • 2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt tevens aangemerkt als een verzoek om toelating als bedoeld in artikel 14 van het Besluit paraveterinairen.

  • 3. Artikel 19 van de Regeling paraveterinairen is niet van toepassing op aanvragen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10

Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 9, eerste lid, overlegt de aanvrager:

  • a. de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen a tot en met c en e, van de wet, en

  • b. indien de aanvraag en de documenten bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder b, c en e van de wet in een andere dan de Nederlandse, Duitse of Engelse taal zijn gesteld, een door een beëdigde tolk of vertaler opgestelde vertaling daarvan in één van deze talen.

Artikel 11

  • 1. In het geval de Minister op grond van artikel 11 van de wet een compenserende maatregel noodzakelijk vindt en de aanvrager voor een proeve van bekwaamheid kiest, wordt de aanvrager meegedeeld:

    • a. de vakken waarop de proeve van bekwaamheid betrekking heeft;

    • b. de wijze waarop de proeve van bekwaamheid wordt afgenomen;

    • c. de kosten van de proeve.

  • 2. De Minister deelt het resultaat van de proeve van bekwaamheid zo spoedig mogelijk mee aan de aanvrager.

Artikel 12

In het geval de Minister op grond van artikel 11 van de wet een compenserende maatregel noodzakelijk vindt en de aanvrager voor een aanpassingsstage kiest, wordt de aanvrager meegedeeld:

  • a. de vakken waarop de aanpassingsstage betrekking heeft;

  • b. de duur van de aanpassingsstage;

  • c. in voorkomend geval de aanvullende opleiding die deel uitmaakt van de aanpassingsstage.

Paragraaf 4. [Tijdelijke en incidentele dienstverrichting]

Artikel 13

  • 1. Een dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de wet verstrekt voorafgaand aan de eerste dienstverrichting aan de Voedsel en Waren Autoriteit de documenten, bedoeld in artikel 23, eerste lid en derde lid, onderdelen a tot en met d, van de wet.

  • 2. Het eerste lid is slechts van toepassing op dienstverrichters wat betreft de uitoefening van de diergeneeskunde, bedoeld in artikel 2, 5, 9, 13 en 13a van het Besluit paraveterinairen.

Paragraaf 5. [Toelating paraveterinairen]

Artikel 14

De Regeling paraveterinairen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onder e, wordt ‘Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij’ vervangen door: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

B

In Hoofdstuk 3 Opleidingsprogramma, onder a, van Bijlage I wordt ‘Wet op de paramedische beroepen’ vervangen door: Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

Paragraaf 6. [Aanmelding voor toelating tot uitoefening diergeneeskunde]

Artikel 15

De Regeling aanmelding tot uitoefening der diergeneeskunde wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 wordt ‘de directeur-generaal van de Voedsel en Waren Autoriteit’ vervangen door: de inspecteur-generaal van de Voedsel en Waren Autoriteit.

B

In artikel 5, tweede lid, wordt ‘Landbouw, Natuurbeheer en Visserij’ vervangen door: Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

C

Artikel 6, onderdeel b, komt als volgt te luiden:

  • b. voor de onderdaan die ingevolge artikel 2 tot en met 7, van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties uitoefening van de diergeneeskunde, is toegelaten:

    • de opleidingstitels met in voorkomend geval de voorgeschreven verklaringen als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7 van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties uitoefening van de diergeneeskunde;

    • een verklaring van de bevoegde autoriteit van het land waar die onderdaan is gevestigd, waaruit blijkt dat de betrokken onderdaan niet geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of definitief de bevoegdheid tot de uitoefening van de diergeneeskunde is ontzegd;

Artikel 16

In de artikelen 3, 4 en 6 van de Regeling register WUD 1990 wordt ‘Landbouw, Natuurbeheer en Visserij’ telkens vervangen door: Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Paragraaf 7. [Slotbepalingen]

Artikel 17

De Regeling toelating onderdanen EEG-lidstaten tot de uitoefening van de diergeneeskunde wordt ingetrokken.

Artikel 18

Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties uitoefening van de diergeneeskunde.

Artikel 19

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant, waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 12 september 2008

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg.

TOELICHTING VOOR DE STAATSCOURANT

Algemeen

1. Inleiding

Deze regeling bevat de bepalingen over de erkenning van opleidingstitels en beroepskwalificaties en de toelating van onderdanen uit de Europese Gemeenschap, de Europees Economische Ruimte en Zwitserland, tot de uitoefening van de diergeneeskunde in Nederland. Daarmee worden de voorschriften van richtlijn nr. 2005/36/EG1 geïmplementeerd voor zover deze betrekking hebben op de diergeneeskundige beroepsuitoefening. Richtlijn nr. 2005/36/EG (hierna: de richtlijn) gaat over de erkenning van beroepskwalificaties voor verschillende gereglementeerde beroepen. Deze richtlijn wordt ten algemene geïmplementeerd door de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.

Voor een uitgebreidere toelichting op de inhoud en werking van de richtlijn wordt verwezen naar de Memorie van Toelichting bij de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.

Van de gelegenheid wordt eveneens gebruik gemaakt om enkele technische wijzigingen aan te brengen in de regelingen die onder de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 (WUD) vallen.

2. Erkenning van beroepskwalificaties

De erkenning van beroepskwalificaties houdt in dat personen die hun opleidingstitel in de ene lidstaat hebben behaald, toegang hebben tot uitoefening van hetzelfde gereglementeerde beroep in een andere lidstaat onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde rechten als de onderdanen van die lidstaat. Het systeem is bedoeld om het vrij verkeer van personen en diensten te vergemakkelijken. Het systeem is niet nieuw. Er was een aantal richtlijnen betreffende het algemeen stelsel van erkenning van beroepskwalificaties voor gereglementeerde beroepen, en waren verschillende sectorale richtlijnen die zich richtten op specifieke beroepen zoals artsen, architecten en apothekers. Ook voor het beroep van dierenarts bestond een sectorspecifieke regeling.2 Met het oog op een verbetering in de uniformiteit, transparantie en flexibiliteit van de regeling van erkenning van opleidingstitels zijn de bepalingen van de verschillende regelingen samengebracht in de richtlijn. De afzonderlijke richtlijnen (15 in totaal) worden ingetrokken. De richtlijn houdt wel vast aan de systematiek van erkenning van het sectorale en het algemeen stelsel. Voor beroepen van het sectorale stelsel geldt automatische erkenning van het diploma, na registratie in de ontvangende lidstaat. In bijlage V van de richtlijn staan de opleidingstitels die automatisch in elke lidstaat worden erkend. Het algemeen stelsel is gebaseerd op wederzijdse erkenning van diploma’s. Erkenning vindt plaats nadat het ontvangende land de kwalificatie van de migrerende beroepsbeoefenaar heeft vergeleken met de vereiste kwalificaties van die lidstaat.

De richtlijn richt zich op gereglementeerde beroepen. Hiermee worden beroepen bedoeld waarvan de uitoefening bij wettelijk voorschrift afhankelijk is gesteld van het hebben van bepaalde kwalificaties. De uitoefening van de diergeneeskunde is in de WUD voorbehouden aan personen die een diergeneeskundige opleiding hebben gevolgd. De medische beroepen in de diergeneeskunde zijn dus ook aan te merken als gereglementeerde beroepen. De kwalificaties van onderdanen van de andere lidstaten moeten in Nederland worden erkend als deze voldoen aan de voorwaarden in de richtlijn.

Voor het beroep van dierenarts volgt de richtlijn in titel III, hoofdstuk III, het uitgangspunt dat opleidingstitels automatisch worden erkend op basis van geharmoniseerde minimumopleidingseisen. In afdeling 4.2 van bijlage V bij de richtlijn is een lijst opgenomen van alle opleidingstitels in Europa die voldoen aan de minimumopleidingseisen voor de opleiding tot dierenarts. Lidstaten zijn verplicht om de houder van een opleidingstitel, die voorkomt op die lijst, toe te laten tot de beroepsuitoefening in hun land.

De lijst betreft de opleidingstitels die lidstaten op dit moment afgeven. In de lijst wordt dus geen rekening gehouden met eerder afgegeven diploma’s met bijvoorbeeld een andere naam, of welke door de bevoegde autoriteiten van een niet langer bestaande staat, zijn afgegeven. In artikel 23 van de richtlijn is daarom een regeling voor de zogenaamde verworven rechten opgenomen. De bezitter van een opleidingstitel die niet voldoet aan bijlage V van de richtlijn, kan onder de voorwaarden, genoemd in dat artikel, alsnog voor erkenning van zijn beroepskwalificaties in aanmerking komen.

Op de paraveterinaire beroepen, die niet onder titel III, hoofdstuk III, van de richtlijn vallen, is het algemene stelsel van erkenning van beroepskwalificaties van toepassing. Het algemene stelsel gaat uit van een verplichting voor de lidstaten om bij de toelating van onderdanen uit een andere lidstaat tot de uitoefening van een gereglementeerd beroep, rekening te houden met de beroepskwalificaties die de betreffende persoon elders heeft verworven. Erkenning vindt plaats nadat de bevoegde autoriteit van het ontvangende land de kwalificatie van de migrerende beroepsbeoefenaar heeft vergeleken met de vereiste kwalificaties van die lidstaat. Deze verplichting doet niet af aan de bevoegdheid van lidstaten om eisen te stellen aan de toegang tot bepaalde beroepen, maar dwingt de lidstaten wel om de toegankelijkheid zo te regelen dat onderdanen uit andere lidstaten met beroepskwalificaties die gelijkwaardig zijn aan de opleidingseisen die bij wet aan de eigen onderdanen worden gesteld, op dezelfde wijze toe te laten. Dit stelsel is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties. In deze wet is ook vastgelegd welke documenten aan de migrerende beroepsbeoefenaar mogen worden gevraagd. Ten behoeve van de erkenning op grond van het algemeen stelsel zijn de nationale onderwijsstelsels van de lidstaten in verschillende niveaus onderverdeeld. De richtlijn onderscheidt vijf niveaus. Het betreft, kort weergegeven, de volgende niveaus: diploma tot afsluiting van een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs met een duur van tenminste vier jaar, diploma tot afsluiting van een opleiding op het niveau van het hoger onderwijs met een duur van tenminste drie en ten hoogste vier jaar, diploma tot afsluiting van een opleiding op het niveau van het (kort) hoger onderwijs met een duur van tenminste één jaar en minder dan drie jaar of een opleiding op een vergelijkbaar beroepsniveau, certificaat dat overeenkomt met een opleiding op het niveau van het algemeen voortgezet onderwijs, aangevuld met een (beroeps)opleiding, en bekwaamheidsattest dat overeenkomt met een algemene opleiding op het niveau van primair of voortgezet onderwijs. Het uitgangspunt is dat de beroepskwalificatie van de migrerende beroepsbeoefenaar tenminste gelijk moet zijn aan het niveau direct onder het niveau dat in het ontvangende lidstaat wordt gevraagd, om in aanmerking te komen voor erkenning. De Nederlandse opleiding voor dierenartsassistenten is in Bijlage II van de richtlijn opgenomen en heeft de status van een opleiding met een bijzondere structuur als bedoeld in artikel 9, onderdeel c, onder 2 van de genoemde wet. Dit betekent dat deze opleiding wordt geacht hetzelfde niveau te hebben als het kort hoger onderwijs.

Op de beroepen van dierverloskundigen en castreurs is richtlijn nr. 2005/36/EG niet van toepassing. Bij de totstandkoming van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 (WUD) is besloten dat werkzaamheden van deze beroepen op den duur alleen nog maar door dierenartsen moeten worden uitgevoerd. Daarom is de toegang tot de uitoefening van die beroepen afgesloten en zijn alleen beroepsbeoefenaars die voor de inwerkingtreding van de WUD reeds waren toegelaten, nog gemachtigd om het vak van dierverloskundige of castreur in Nederland uit te voeren. Het is dus niet meer mogelijk om toegelaten te worden tot deze beroepsgroepen, noch voor Nederlandse onderdanen, noch voor in het buitenland opgeleide personen.

3. De regelgeving omtrent de toelating tot de diergeneeskunde

De WUD verbiedt de beroepsmatige uitoefening van de diergeneeskundige handelingen tenzij een persoon tot de diergeneeskunde is toegelaten bij of krachtens de wet. De WUD wijst vervolgens de dierenartsen aan, alsmede de beroepsbeoefenaars van een aantal paraveterinaire beroepen. Dierenartsen zijn van rechtswege toegelaten (artikel 2 van de WUD). Voor een dierenarts begint met praktiseren, moet hij of zij zich echter eerst aanmelden bij de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) voor inschrijving in het Register Medische beroepen voor de Diergeneeskunde (artikel 9 van de WUD).

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan personen die in het buitenland hun opleiding tot dierenarts hebben gevolgd, toelaten (artikel 3 van de WUD). Personen die krachtens dit artikel zijn toegelaten, worden voor de werking van de wet gelijkgesteld aan Nederlandse dierenarts. Dat betekent dat deze dierenartsen zich ook nog moeten aanmelden.

Op grond van artikel 4 van de WUD zijn er in het Besluit paraveterinairen voorts een viertal paraveterinaire beroepen aangewezen die toegelaten zijn voor de uitoefening van de diergeneeskunde. Paraveterinairen verschillen ten opzichte van dierenartsen in die zin dat zij slechts zijn toegelaten voor een deel van de uitoefening van de diergeneeskunde. Elk beroep is slechts bevoegd voor de diergeneeskundige handelingen die in het Besluit paraveterinairen bij het beroep worden genoemd. Paraveterinaire beroepsbeoefenaars moeten toelating aanvragen bij de VWA. De VWA toetst of de persoon de vereiste beroepskwalificaties heeft of een combinatie van deelkwalificaties die samen recht geven op de desbetreffende toelating.

In afdeling 2 van de onderhavige regeling zijn bepalingen opgenomen op basis waarvan de kwalificaties van personen die voldoen aan de voorwaarden van de richtlijn, automatisch zijn toegelaten tot de uitoefening van de diergeneeskunde als dierenarts. Voor wat betreft de paraveterinairen worden op grond van artikel 33 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties nadere regels gesteld ten aanzien van de aanvraag tot het verkrijgen van erkenning en de stukken die bij die aanvraag dienen te worden gevoegd, alsmede ten aanzien van de proeve van bekwaamheid en de aanpassingsstage en de wijze waarop deze worden beoordeeld.

Artikelsgewijs

Artikel 3

Een opleidingstitel waaruit blijkt dat de opleiding vóór de in Bijlage V van de richtlijn opgenomen referentiedata is begonnen en die niet voldoet aan de in de richtlijn genoemde eisen, wordt toch erkend, indien bij de opleidingstitel een verklaring gevoegd is van de lidstaat die de opleidingstitel heeft afgegeven. Uit de verklaring moet blijken dat de houder van de titel de werkzaamheden tijdens tenminste drie opeenvolgende jaren tijdens de vijf jaar voorafgaand aan de afgifte van de verklaring daadwerkelijk en rechtmatig heeft uitgeoefend. Op basis van deze zogenaamde verworven rechten komen bezitters van een opleidingstitel die niet voldoet aan de vereiste opleidingseisen onder de voorwaarden, genoemd in dat artikel, alsnog voor erkenning van hun beroepskwalificaties in aanmerking.

Artikel 3, vierde lid, 4 tot en met 8

In deze artikelen wordt ingegaan op de verworven rechten waarop gekwalificeerde beroepsbeoefenaren onder bepaalde voorwaarden een beroep op kunnen doen betreffende verworven opleidingstitels op het grondgebied van landen die niet meer bestaan, bijvoorbeeld landen die tot het voormalige Tsjecho-Slowakije of tot de voormalige Sovjet-Unie behoorden.

Artikel 9

Aanvragen voor de erkenning van beroepskwalificaties afkomstig van migrerende beroepsbeoefenaars voor de uitoefening van de paraveterinaire beroepen worden ingediend bij de VWA.

Op grond van het Besluit paraveterinairen dient de aanvrager tevens een verzoek te doen tot toelating tot de uitoefening van de diergeneeskunde. Teneinde te voorkomen dat de aanvrager twee verzoekschriften bij de VWA moet indienen, is in het tweede lid geregeld dat de aanvraag om erkenning tevens als verzoek om toelating dient.

Artikel 19 van de Regeling paraveterinairen stelt nadere regels over het indienen van een verzoek tot toelating. Aangezien dit in de artikelen 10 tot en met 12 van deze regeling ook al wordt geregeld voor de aanvragen tot erkenning, kan het bedoelde artikel 19 buiten toepassing blijven.

Artikel 10

In de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is neergelegd welke documenten kunnen worden gevraagd die bij de aanvraag moeten worden gevoegd. Dit is nader uitgewerkt in dit artikel, waarin de documenten staan vermeld die de aanvrager bij zijn aanvraag dient te verstrekken. Het gaat om een bewijs van nationaliteit of een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten onderdanen van derde landen of ander bewijs waaruit verblijfsrecht blijkt, een kopie van bekwaamheidsattesten of van opleidingstitels waarop de migrerende beroepsbeoefenaar zich beroept, in voorkomend geval een bewijs van de beroepservaring en de documenten afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van oorsprong of herkomst waaruit blijkt dat aan de migrerende beroepsbeoefenaar geen tijdelijk of permanent tuchtrechtelijk of strafrechtelijk beroepsuitoefeningsverbod is opgelegd.

Artikelen 11 en 12

Het is mogelijk dat de kwalificaties van een migrerende beroepsbeoefenaar niet meteen erkend worden, maar dat door de Minister voorwaarden worden gesteld door middel van zogenaamde compenserende maatregelen als na vergelijking blijkt dat er wezenlijke verschillen zijn met betrekking tot de inhoud van de opleiding of als de opleiding één jaar of meer korter is dan verlangd wordt in de ontvangende lidstaat. Een compenserende maatregel is bijvoorbeeld de proeve van bekwaamheid. De compenserende maatregel kan ook de vorm aannemen van een aanpassingsstage. In artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties staat dat de stage mag niet langer duren dan drie jaar.

De migrerende beroepsbeoefenaar mag in beginsel zelf kiezen tussen proeve van bekwaamheid of een aanpassingsstage.

Artikel 13

Dit artikel beschrijft de procedure in geval er sprake is van tijdelijke en incidentele dienstverrichting wat betreft de uitoefening van paraveterinaire beroepen. Voor een dergelijke dienstverrichting maakt de richtlijn een flexibeler regime mogelijk: een burger van de EU kan tijdelijk en incidenteel in een ander lidstaat diensten verrichten zonder dat hij om erkenning van zijn beroepskwalificaties hoeft te vragen. Wel kan een lidstaat om een schriftelijke verklaring vooraf vragen en aanvullende documenten. Dit artikel geeft aan welke documenten een dienstverrichter moet verstrekken alvorens in Nederland zijn dienst te kunnen verrichten. Het betreft onder meer een bewijs van nationaliteit en een bewijs van beroepskwalificaties.

Artikel 15

In dit artikel wordt de Regeling aanmelding voor toelating tot uitoefening diergeneeskunde gewijzigd. Dierenartsen moeten zich op grond van deze regeling aanmelden voordat ze werkzaam mogen zijn op het gebied van de uitoefening van de diergeneeskunde. In het bijzonder wordt artikel 6 van genoemde regeling gewijzigd zodat duidelijk is welke bewijsstukken migrerende beroepsbeoefenaren bij hun aanmelding moeten overleggen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg.


XNoot
1

Richtlijn nr. 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU 2005, L 255).

XNoot
2

Richtlijnen nrs. 78/1026/EEG en 78/1027/EEG.

Naar boven