Wijziging Regeling vaststelling toetstermen examens financiële dienstverlening Wft

26 mei 2008

Nr. FM 2008-00916 M

Directie Financiële Markten

De Minister van Financiën,

Gelet op artikel 8, eerste lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft;

Besluit:

Artikel I

De Regeling vaststelling toetstermen financiële dienstverlening Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na toetsterm 2j.2 wordt ingevoegd:

2j.3

De kandidaat kan in hoofdlijnen omschrijven in welke gevallen banksparen fiscaal gefaciliteerd kan worden

K

2j.4

De kandidaat kan in hoofdlijnen omschrijven wat de fiscale consequenties zijn van banksparen

K

2. Na toetsterm 7b.1.6 wordt ingevoegd:

7b.1.7

De kandidaat kan de werking van het Self Assesment beschrijven

K

3. In toetsterm 7c.1.3 wordt ‘WFD-vergunning’ vervangen door: Wft-vergunning.

B

Bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In toetsterm 3e.4 wordt ‘of de maandtermijn’ vervangen door: , de verzekeringspremies, beleggingsbedrag of de spaartermijn.

2. Na toetsterm 3e.4 wordt ingevoegd:

3e.5

De kandidaat kan aan de hand van concrete gegevens de klant uitleggen wat de voor- en nadelen zijn van een spaarrekening eigen woning of beleggingsrekening eigen woning in vergelijking tot elkaar en tot een kapitaalverzekering eigen woning.

Ti

3. Na toetsterm 3o.1 wordt ingevoegd:

3o.2

De kandidaat moet cijfermatig inzichtelijk maken waarom oversluiten gunstig is voor de cliënt. Daar moeten de lasten over de gehele looptijd bij in aanmerking worden genomen.

Ti

4. Na toetsterm 5a.2 wordt ingevoegd:

5a.3

De kandidaat is in staat met betrekking tot de totstandkoming van transacties van financiële instrumenten, dilemma’s tussen bedrijfsbelang en klantbelang te analyseren, af te wegen en deze afwegingen te verantwoorden (integriteit).

Ti

5a.4

De kandidaat kan aan de klant het begrip integriteit omschrijven en het belang ervan weergeven voor de advisering van de klant.

K

5a.5

De kandidaat kan in een concrete situatie aangeven wanneer bedrijfsbelang conflicteert met het belang van de klant en omschrijft hierbij het aspect integer handelen.

Ti

5a.6

De kandidaat kan in een concrete klantsituatie negatieve en positieve integriteitsaspecten aangeven.

Ti

5. In toetsterm 5b.4 wordt ‘Wfd’ vervangen door: Wft

6. Na toetsterm 7a.3 wordt ingevoegd:

7a.4

De kandidaat kan in verschillende situaties aangeven wanneer er een actieve waarschuwing aan de orde is.

Ti

7. Na toetsterm 7d.2 wordt ingevoegd:

7d.3

De kandidaat is in staat provisie- en vergoedingsregels uit te leggen aan de consument. De kandidaat is in staat de cliëntovereenkomst correct toe te passen.

Ti

C

Bijlage 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In toetsterm 3a.1 wordt ‘Wfd’ vervangen door: Wft

2. In toetsterm 3a.1 wordt ‘Bfd’ vervangen door: BGfo

D

Bijlage 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na toetsterm 3a.1.36 wordt ingevoegd:

3a.1.37

De kandidaat kan aan de hand van praktijksituaties aantonen welk gevolg het nieuwe verzekeringsrecht voor schadeverzekeringen met zich meebrengt.

Tp

2. Toetsterm 2a.5.14 vervalt.

3. Toetsterm 3a.6.11 vervalt.

4. In toetsterm 5b.6.1 vervalt de zinsnede ‘no-claim,’.

5. In toetsterm 5d.6.1 vervalt de zinsnede ‘no-claim,’.

E

Bijlage 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In toetsterm 2a.23 wordt ‘PWS’ vervangen door: PW.

2. Na toetsterm 2b.43 wordt ingevoegd:

2b.44

De kandidaat kan de regels van de WIA omschrijven

B

3. In toetsterm 2c.24 wordt ‘PWS’ vervangen door: PW.

4. Na toetsterm 2c.46 wordt ingevoegd:

2c.47

De kandidaat kan aan de hand van concrete gegevens omtrent de aflossingsvorm of renteconstructie van een hypothecair krediet berekeningen maken (van bijvoorbeeld het rentepercentage, de verzekeringspremies, beleggingsbedrag of de spaartermijn).

Ti

2c.48

De kandidaat kan aan de hand van concrete gegevens omtrent beschikbaar inkomen, fiscale faciliteiten en gewenste oudedags- of nabestaandenuitkeringen berekeningen maken (van bijvoorbeeld de verzekeringspremies, beleggingsbedragen of de spaarbedragen).

Ti

2c.49

De kandidaat kan aan de hand van concrete gegevens de klant uitleggen wat de voor- en nadelen zijn van een spaarrekening of een beleggingsrekening in vergelijking tot elkaar en tot een levensverzekeringoplossing.

Ti

5. Na toetsterm 2d.6 wordt ingevoegd:

2d.7

De kandidaat kan de klant inzicht geven in de kostenstructuur van de polis, waaronder de afsluit-, continuatie- of andere provisies, alsmede de financiële bijsluiter toepassen.

Tp

6. In toetsterm 3b.33 wordt ‘PWS’ vervangen door: PW.

7. In toetsterm 3b.43 wordt ‘PWS’ vervangen door: PW.

8. Na toetsterm 4d.20 wordt ingevoegd:

4d.21

De kandidaat kan aangeven welke rechten verzekeringnemer en begunstigde hebben volgens het verzekeringsrecht bij verzwijging, wanbetaling, premievrijmaking of afkoop van de verzekering.

Tp

9. Na toetsterm 6a.2 wordt ingevoegd:

6a.3

De kandidaat is in staat met betrekking tot de totstandkoming van transacties van financiële instrumenten, dilemma’s tussen bedrijfsbelang en klantbelang te analyseren, af te wegen en deze afwegingen te verantwoorden (integriteit).

Ti

6a.4

De kandidaat kan aan de klant het begrip integriteit omschrijven en het belang ervan weergeven voor de advisering van de klant.

K

6a.5

De kandidaat kan in een concrete situatie aangeven wanneer een bedrijfsbelang conflicteert met het belang van de klant en omschrijft hierbij het aspect integer handelen.

Ti

6a.6

De kandidaat kan in een concrete klant situatie negatieve en positieve integriteitsaspecten aangeven.

Ti

10. In toetsterm 6b.4 wordt ‘Wfd’ vervangen door: Wft

11. Na toetsterm 8a.3 wordt ingevoegd:

8a.4

De kandidaat kan in verschillende situaties aangeven wanneer er een actieve waarschuwing aan de orde is.

Ti

12. Na toetsterm 8d.2 wordt ingevoegd:

8d.3

De kandidaat is in staat provisie- en vergoedingsregels uit te leggen aan de consument. De kandidaat is in staat de cliëntovereenkomst correct toe te passen.

Ti

F

Bijlage 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Toetsterm 5a.7 wordt als volgt gewijzigd:

a. voor ‘AOW’ wordt ingevoegd: de Arbowet,;

b. de afkorting ‘WVG’ wordt vervangen door: Wmo.

2. In toetsterm 5b.19 vervallen de zinsneden ‘de WAO,’ en ‘en de Wet PEMBA’.

3. Toetsterm 5b.26 komt te luiden:

5b.26

De kandidaat kan uitleggen hoe de eigenrisicoregeling werkt.

B

4. In toetsterm 5f.14 wordt na ‘bedrijfsschade,’ ingevoegd: roydata,.

5. In toetsterm 5f.14 wordt na ‘schuldeloze derde,’ ingevoegd: Keurmerk letselschadebehandeling,.

6. In toetsterm 5f.14 wordt ‘gedragsregels letselschades’ vervangen door: Gedragscode letselschadebehandeling.

7. Na toetsterm 6a.2 wordt ingevoegd:

6a.3

De kandidaat kan de regels van de WIA omschrijven.

B

8. Na toetsterm 6b.10 wordt ingevoegd:

6b.11

De kandidaat kan de maximale inleg voor de levensloopregeling berekenen.

Tp

6b.12

De kandidaat kan de levensloopkorting berekenen.

Tp

6b.13

De kandidaat kan de levensloopregeling toepassen in het kader van een plan voor eerdere pensionering.

Ti

6b.14

De kandidaat kan in een gegeven situatie beoordelen of een levensloopregeling in overeenstemming met de wettelijke vereisten is uitgevoerd.

Tp

6b.15

De kandidaat kan de verschillende mogelijkheden voor uitvoering van de levensloopregeling uitleggen.

B

6b.16

De kandidaat kan het begrip ’ontslagvergoeding’ omschrijven.

K

6b.17

De kandidaat kan aangeven of deelname aan de levensloopregeling al dan niet mag samengaan met de deelname aan andere spaarregelingen.

K

6b.18

De kandidaat kan omschrijven wanneer deelname aan de levensloopregeling eindigt.

K

6b.19

De kandidaat kan aangeven welke maxima gelden ten aanzien van de jaarlijkse deelname aan de levensloopregeling.

K

6b.20

De kandidaat kan de mogelijkheden benoemen voor deelname aan de levensloopregeling door de DGA.

K

6b.21

De kandidaat kan de mogelijkheden van waardeoverdracht in het kader van de levensloopregeling omschrijven.

K

6b.22

De kandidaat kan de klant inzicht geven in de kostenstructuur van de polis, waaronder de afsluit-, continuatie- of andere provisie, alsmede de financiële bijsluiter toepassen.

Tp

9. Na toetsterm 6c.13 wordt ingevoegd:

6c.14

De kandidaat kan de verschillen tussen spaarloon- en levensloopregeling motiveren.

Ti

6c.15

De kandidaat kan aan de hand van concrete gegevens omtrent de aflossingsvorm of renteconstructie van een hypothecair krediet berekeningen maken (van bijvoorbeeld het rentepercentage, de verzekeringspremies, beleggingsbedrag of de spaartermijn).

Ti

6c.16

De kandidaat kan aan de hand van concrete gegevens omtrent beschikbaar inkomen, fiscale faciliteiten en gewenste oudedags- of nabestaandenuitkeringen berekeningen maken (van bijvoorbeeld de verzekeringspremies, beleggingsbedragen of de spaarbedragen).

Ti

6c.17

De kandidaat kan aan de hand van concrete gegevens de klant uitleggen wat de voor- en nadelen zijn van een spaarrekening of een beleggingsrekening in vergelijking tot elkaar en tot een levensverzekeringoplossing

Ti

10. Na toetsterm 6d.14 wordt ingevoegd:

6d.15

De kandidaat kan de bepalingen van de wetten MOT en WID op juiste wijze interpreteren.

Ti

6d.16

De kandidaat kan demonstreren op welke wijze genoegzaam aan de bepalingen van de wetten MOT en WID kan worden voldaan.

Ti

6d.17

De kandidaat kan de bepalingen uit de Wet medische keuringen in een praktijksituatie toepassen.

Tp

6d.18

De kandidaat kan beoordelen in welke gevallen een melding op grond van de Wet MOT noodzakelijk is.

Tp

6d.19

De kandidaat kan de verplichtingen die uit hoofde van de wetten WID en MOT aan financiële dienstverleners zijn opgelegd toepassen.

Tp

6d.20

De kandidaat kan omschrijven wanneer ter voldoening aan de WID met een zgn. afgeleide identificatie kan worden volstaan en wanneer niet.

B

6d.21

De kandidaat kan aangeven in welke gevallen de meldingsplicht uit hoofde van de wet MOT geldt in verband met levensverzekeringen.

B

6d.22

De kandidaat kan aangeven in welke gevallen identificatie vóór het afsluiten van levensverzekeringen noodzakelijk is uit hoofde van de WID.

K

6d.23

De kandidaat kan opsommen voor welke levensverzekeringen de WID niet van toepassing is.

K

6d.24

De kandidaat kan aangeven bij welke instantie(s) meldingen uit hoofde van de wet MOT moeten worden ingediend.

K

11. Na toetsterm 6g.15 wordt ingevoegd:

Eindterm 6h

De personen beschikken over kennis van beleggen

12. Na eindterm 6h wordt ingevoegd:

6h.1

De kandidaat kan de zorgplicht definiëren.

K

6h.2

De kandidaat kan aan de klant uitleggen wat het belang is van het houden van een inventarisatiegesprek.

B

6h.3

De kandidaat is in staat met betrekking tot de totstandkoming van transacties van financiële instrumenten, dilemma’s tussen bedrijfsbelang en klantbelang te analyseren, af te wegen en deze afwegingen te verantwoorden (integriteit).

Ti

6h.4

De kandidaat kan aan de klant het begrip integriteit omschrijven en het belang ervan weergeven voor de advisering van de klant

K

6h.5

De kandidaat kan in een concrete situatie aangeven wanneer bedrijfsbelang conflicteert met het belang van de klant en omschrijft hierbij het aspect integer handelen.

Ti

6h.6

De kandidaat kan in een concrete klant situatie negatieve en positieve integriteitaspecten aangeven

Ti

6h.7

De kandidaat kan de eisen die de Wft stelt ten aanzien van het vaststellen van een risicoprofiel benoemen.

K

6h.8

De kandidaat kan inschatten welke valkuilen er zijn bij het in kaart brengen van de financiële positie, kennis, ervaring en beleggingsdoelstelling van de klant.

Ti

6h.9

De kandidaat kan de inventarisatievragen categoriseren in de rubrieken uit de Wft (financiële positie, kennis, ervaring, doelstelling, risicobereidheid).

B

6h.10

De kandidaat kan de rubrieken uit de Wft categoriseren naar inventarisatievraag.

B

6h.11

De kandidaat kan uitleggen welk verschil er is tussen een vermogensdoel met een objectieve danwel subjectieve prioriteit.

B

6h.12

De kandidaat kan risicotolerantie en risico definiëren.

K

6h.13

De kandidaat kan per vraag uitleggen wat het verband is tussen de vraag en de risicotolerantie van de klant.

B

6h.14

De kandidaat kan demonstreren wanneer er sprake is van tegenstrijdige antwoorden van de klant op vragen.

Ti

6h.15

De financieel adviseur kan per antwoord van de klant op een vraag uit de vragenlijst, een additionele vraag stellen die daarmee verband houdt.

Tp

6h.16

De kandidaat kan het begrip risicoprofiel en cliëntprofiel definiëren.

K

6h.17

De kandidaat kan uitleggen waarom de klant wordt ingedeeld in een risicoprofiel.

B

6h.18

De kandidaat kan op basis van de gegevens van de klant beoordelen welk risicoprofiel erbij past.

Tp

6h.19

De kandidaat kan van een gekozen risicoprofiel beoordelen welke klant erbij past.

Tp

6h.20

De kandidaat kan per antwoord van de klant aangeven wat het verband is met het risicoprofiel.

B

6h.21

De kandidaat kan de verschillende vormen van dienstverlening omschrijven.

K

6h.22

De kandidaat kan de argumenten noemen die gelden wanneer de klant in aanmerking komt voor beleggen of niet.

K

6h.23

De kandidaat kan de argumenten noemen die gelden wanneer een klant moet worden doorverwezen naar een andere vorm van dienstverlening.

K

6h.24

De kandidaat kan beschrijven wat hij moet doen wanneer de klant zich niet kan vinden in het gekozen risicoprofiel.

K

6h.25

De kandidaat kan de mogelijkheden benoemen voor een klant die een lager cq hoger risicoprofiel wil.

K

6h.26

De kandidaat kan een omschrijving geven van de begrippen ‘verwacht rendement’ en ‘standaarddeviatie.’

K

6h.27

De kandidaat kan uitleggen wat het verband is tussen standaarddeviatie en waarschijnlijkheidsinterval van een SAA en in dit verband aangeven wat een normale verdeling is.

B

6h.28

De kandidaat kan aantonen aan de klant wat het verband is tussen standaarddeviatie, waarschijnlijkheidsinterval en risico van een SAA.

Tp

6h.29

De kandidaat kan berekenen wat de kans is op een belegging met een worst case scenario als uitkomst bij een eenmalige belegging.

Tp

6h.30

De kandidaat kan uitleggen wat de kans op een mogelijke uitkomst van een belegging in enig jaar is.

B

6h.31

De kandidaat kan het verband tussen risico en rendement uitleggen.

B

6h.32

De kandidaat kan aantonen dat de risico- en rendementsinformatie van een gekozen SAA past bij het risicoprofiel van de klant.

Tp

6h.33

De kandidaat kan door middel van een berekening laten zien wat de consequentie is van een andere SAA en de consequentie daarvan voor verwachte risico en rendement.

Tp

6h.34

De kandidaat kan het begrip ‘samengesteld rendement’ definiëren.

K

6h.35

De kandidaat kan berekenen wat de verwachte eindwaarde is van zijn vermogen als wordt belegd volgens de SAA.

Tp

6h.36

De kandidaat kan aan de hand van uitspraken van de klant over beleggen concluderen of de klant de risico’s van beleggen begrijpt.

B

6h.37

De kandidaat kan het verband tussen risico en tijd benoemen.

K

6h.38

De kandidaat kan het risicotolerantiemodel definiëren.

K

6h.39

De kandidaat kan uitleggen wat de minimaal vereiste beleggingshorizon betekent.

B

6h.40

De kandidaat kan een strategische asset allocatie definiëren.

K

6h.41

De kandidaat kan uitleggen waarom er in het advies gebruik wordt gemaakt van een strategische asset allocatie.

B

6h.42

De kandidaat kan de kenmerken van een strategische asset allocatie definiëren.

K

6h.43

De kandidaat kan de kanttekeningen benoemen bij het gebruik van de normale verdeling.

K

6h.44

De kandidaat kan uitleggen wat de consequenties zijn van de kanttekeningen bij de normale verdeling bij de geadviseerde Strategische asset allocatie.

B

6h.45

De kandidaat kan de weging van de categorieën in een SAA uitleggen.

B

6h.46

De kandidaat kan, gegeven een risicoprofiel, het verband aangeven tussen een strategische assetallocatie en de verdeling over de verschillende assetcategorieën.

B

6h.47

De kandidaat kan, gegeven een risicoprofiel, het verband aangeven tussen een strategische assetallocatie en de risico-rendementsverhouding.

B

6h.48

De kandidaat kan het begrip modelportefeuille definiëren.

K

6h.49

De kandidaat kan uitleggen dat een risicoprofiel kan veranderen.

B

6h.50

De kandidaat kan uitleggen wanneer er sprake is van een verandering in het cliëntprofiel.

B

6h.51

De kandidaat kan diversificatie definiëren.

K

6h.52

De kandidaat kan correlatie definiëren.

K

6h.53

De kandidaat kan uitleggen wanneer er tussen twee financiële instrumenten sprake kan zijn van voordelen door diversificatie.

B

6h.54

De kandidaat kan illustreren wat het verband is tussen risico en rendement van de verschillende SAA’s.

Ti

6h.55

De kandidaat kan het verschil uitleggen tussen het marktrisico en specifiek risico.

B

6h.56

De kandidaat kan uitleggen hoe spreiding wordt bereikt in een portefeuille.

B

6h.57

De kandidaat kan uit een lijst portefeuilles een onderscheid maken tussen goed en slecht gediversifieerde portefeuilles.

B

6h.58

De kandidaat kan van een slecht gediversifieerde portefeuille aantonen waarom deze slecht gespreid is.

Tp

6h.59

De kandidaat kan de voor- en nadelen van collectief beleggen benoemen.

K

6h.60

De kandidaat kan de kosten van collectief beleggen benoemen.

K

6h.61

De kandidaat kan de verschillende kosten van beleggen definiëren.

K

6h.62

De kandidaat kan uitleggen wat het verschil is tussen direct en indirect rendement van een beleggingsinstelling.

B

6h.63

De kandidaat kan de vormen van specialisatie bij beleggingsinstellingen benoemen.

K

6h.64

De kandidaat kan uitleggen welke verschillen er zijn tussen de verschillende stijlen.

B

6h.65

De kandidaat kan een aantal special products beschrijven.

K

6h.66

De kandidaat kan aangeven wat het verschil is tussen een open end en een closed end fonds en aangeven wat het gevolg is van het verschil.

K

6h.67

De kandidaat kan op basis van een financiële bijsluiter aantonen welke kenmerken een beleggingsinstelling heeft.

Tp

6h.68

De kandidaat kan de beleggingscategorieën van een strategische asset allocatie benoemen.

K

6h.69

De kandidaat kan de verschillende beleggingscategorieën omschrijven.

K

6h.70

De kandidaat kan benoemen welke vormen van financiële waarden onderdeel uitmaken van de beleggingscategorieën.

K

6h.71

De kandidaat kan de kenmerken van de beleggingscategorieën benoemen.

K

6h.72

De kandidaat kan uitleggen wat het verband is tussen de beleggingscategorieën waarin wordt belegd en het profiel van de klant.

B

6h.73

De kandidaat kan de kenmerken van fondsen met een hefboom uitleggen.

B

6h.74

De kandidaat kan uitleggen wat het verschil in risico is tussen aandelen, obligaties, vastgoed en liquiditeiten.

B

6h.75

De kandidaat kan het begrip ‘economische groei’ omschrijven alsmede de factoren die met ‘economische groei’ samenhangen.

K

6h.76

De kandidaat kan het begrip ‘inflatie’ omschrijven alsmede de factoren die met dit begrip samenhangen.

K

6h.77

De kandidaat kan een het begrip ’rente’ (korte en lange termijn) omschrijven alsmede de factoren die met dit begrip samenhangen.

K

6h.78

De kandidaat kan het begrip ‘valutakoers’ omschrijven alsmede de factoren die met ‘de valutakoers’ samenhangen.

K

6h.79

De kandidaat kan uitleggen wat de gevolgen zijn voor de verschillende beleggingscategorieën van ontwikkelingen in de ‘economische groei.’

B

6h.80

De kandidaat kan uitleggen wat de gevolgen zijn voor de verschillende beleggingscategorieën van ontwikkelingen in de ‘inflatie.’

B

6h.81

De kandidaat kan uitleggen wat de gevolgen zijn voor de verschillende beleggingscategorieën van ontwikkelingen in de ‘rente’ (korte- en lange termijn).

B

6h.82

De kandidaat kan uitleggen wat de gevolgen zijn voor de verschillende beleggingscategorieën van ontwikkelingen in de ‘valutakoers’.

B

6h.83

De kandidaat kan uitleggen hoe beleggers reageren op verwachte cijfers en op feitelijke cijfers over de macro-economie.

B

6h.84

De kandidaat kan een modelportefeuille categoriseren in een risicoprofiel.

B

6h.85

De kandidaat kan concluderen of een beleggingsfonds past bij een gegeven risicoprofiel.

B

6h.86

De kandidaat kan de klant uitleggen wat de consequenties zijn van het niet behalen van het doelvermogen van de belegging.

B

6h.87

De kandidaat kan de cliënt uitleggen dat beleggen het risico met zich meebrengt dat het einddoel niet gehaald wordt.

B

6h.88

De kandidaat kan concluderen of een financieel product met beleggingscomponent past bij de klant.

B

6h.89

De kandidaat kan de eisen die de toezichthouder stelt aan de minimum hoeveelheid informatie die wordt vastgelegd benoemen.

K

6h.90

De kandidaat kan van elk van deze eisen uitleggen wat eronder wordt verstaan.

B

6h.91

De kandidaat kan beoordelen of de klant voldoende informatie heeft gegeven om vast te leggen in het cliëntdossier.

Tp

6h.92

De kandidaat kan in verschillende situaties aangeven wanneer er een actieve waarschuwing aan de orde is.

Ti

6h.93

De kandidaat kan aantonen wanneer er sprake is van afwijking van de samenstelling van de portefeuille ten opzichte van de gewenste portefeuille en welke actie hij moet ondernemen.

Tp

6h.94

De kandidaat kan scheefgroei in en rebalancing/herschikken van een portefeuille definiëren.

K

6h.95

De kandidaat kan uitleggen waarom er bij scheefgroei gerebalanced moet worden.

B

6h.96

De kandidaat kan beoordelen of er wijzigingen zijn in het profiel van de klant.

Tp

6h.97

De kandidaat kan aanwijzen welke zaken in het profiel kunnen veranderen.

K

6h.98

De kandidaat kan uitleggen wat de consequentie is van een verandering in het risicoprofiel.

B

6h.99

De kandidaat kan op basis van uitspraken van de klant inschatten of er wijzigingen zijn in het cliëntprofiel.

Ti

6h.100

De kandidaat kan de situaties benoemen waarin hij zijn klant moet vragen naar de veranderingen die van invloed zijn op het profiel.

K

6h.101

De kandidaat kan aantonen wat het effect is van een wijziging in het profiel van de klant op het risicoprofiel van de klant.

Tp

6h.102

De kandidaat kan uitleggen wat de klant moet doen wanneer er sprake is van een wijziging in zijn financiële situatie.

B

6h.103

De kandidaat is in staat provisie- vergoedingsregels uit te leggen aan de consument. De kandidaat is in staat de cliëntovereenkomst correct toe te passen.

Ti

13. In toetsterm 8f.4 wordt na ‘Regeling Buitengerechtelijke kosten;’ ingevoegd: Clearinghouse regres.

14. Toetsterm 8f.5 komt te luiden:

8f.5

De kandidaat kan uitleggen wat het doel van het Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit (VbV) is en de werking van de VvV in de praktijk beschrijven.

B

15. Na toetsterm 9a.10 wordt ingevoegd:

9a.11

De kandidaat kan omschrijven welke juridische handelingen er conform de Wft moeten worden verricht voordat er van volmachtverstrekking sprake is door een verzekeraar aan een gevolmachtigde agent.

B

9a.12

De kandidaat kan omschrijven welke juridische handelingen er conform de Wft moeten worden verricht voordat een volmacht kan worden beëindigd.

B

16. Na toetsterm 9d.1 wordt ingevoegd:

9d.2

De kandidaat kan in eigen woorden uitleggen wat het doel is van de Sanctiewet (Freezelist) en kan daarnaast aangeven op welke wijze verzekeraars en gevolmachtigde agenten aan de eisen van deze wet dienen te voldoen.

Tp

17. Toetsterm 9b.6 vervalt.

18. Toetsterm 9b.7 vervalt.

G

Bijlage 7, module Basis, wordt als volgt gewijzigd:

In het inhoudscluster Consument wordt in de tweede kolom ‘2j.2’ vervangen door: 2j.4.

H

Bijlage 7, module Hypothecair krediet, onderdeel Financieren, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de tweede kolom wordt ‘3e.4’ vervangen door: 3e.5.

2. In de vijfde kolom wordt ‘25’ vervangen door: 20.

3. In de vijfde kolom wordt ‘5’ vervangen door: 10.

I

Bijlage 7, module Hypothecair krediet, onderdeel Beleggen, komt als volgt te luiden:

Inhoudscluster

Toetstermen behorend tot inhoudscluster

Aandeel inhoudscluster in examen als percentage

Taxonomiecode

Aandeel van taxonomiecode per inhoudscluster in percentage

Inventarisatie

5a.1 t/m 5c.4, 5e.1

25

K

30

 

t/m 5e.3, 6m.1, 7a.1

 

B

20

 

t/m 7a.4

 

Tp

5

   

Ti

45

Opstellen risico-

5d.1 t/m 5d.5,

20

K

40

profiel

6a.1, 6a.2

 

B

20

   

Tp

20

   

Ti

20

Assetallocatie

6b.1 t/m 6d.3

15

K

30

   

B

40

   

Tp

20

   

Ti

10

Portefeuille-

6f.1 t/m 6k.2

30

K

30

invulling

  

B

30

   

Tp

20

   

Ti

20

Bijsturen

6e.1, 6e.2, 6l.1,

10

K

20

 

6l.2, 7b.1 t/m

 

B

30

 

7d.3

 

Tp

30

   

Ti

20

J

Bijlage 7, module Schade, onderdeel Particulieren, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het inhoudscluster Bezit wordt in de tweede kolom na ‘3a.1.35’ ingevoegd: , 3a.1.37.

2. In het inhoudscluster Inkomen en arbeidsongeschiktheid wordt in de tweede kolom ‘S.art4a.5.3, S.art4a.5.5’ vervangen door: 4a.5.3, 4a.5.5.

3. In het inhoudscluster Gezondheid en zorg wordt in de tweede kolom ‘3a.6.8 t/m 3b.6.1’ vervangen door: 3a.6.8 t/m 3a.6.10, 3a.6.12 t/m 3b.6.1.

K

Bijlage 7, module Schade, onderdeel Bedrijven, wordt als volgt gewijzigd:

In het inhoudscluster Inkomen en arbeidsongeschiktheid wordt in de tweede kolom ‘2a.5.14’ vervangen door: 2a.5.13.

L

Bijlage 7, module Leven, onderdeel Algemeen, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het inhoudscluster Vormen van levensverzekering en levensverzekeringsovereenkomst wordt in de tweede kolom na ‘2.c.1’ ingevoegd: ,2c.47 t/m 2c.49.

2. In het inhoudscluster Vormen van levensverzekering en levensverzekeringsovereenkomst wordt in de tweede kolom na ‘4d.14’ ingevoegd: ,4d.21.

3. In het inhoudscluster Vormen van levensverzekering en levensverzekeringsovereenkomst wordt in de derde kolom ‘15’ vervangen door: 20.

4. In het inhoudscluster Vormen van levensverzekering en levensverzekeringsovereenkomst wordt in de vijfde kolom ‘20,20,30,30’ vervangen door: 15,15,35,35.

5. In het inhoudscluster Pensioenvoorzieningen wordt in de derde kolom ‘25’ vervangen door: 20.

6. In het inhoudscluster Overige inkomensvoorzieningen wordt in de tweede kolom na ‘2b.41’ ingevoegd: ,2b.44.

M

Bijlage 7, module Leven, onderdeel Beleggen, komt als volgt te luiden:

Inhoudscluster

Toetstermen behorend tot inhoudscluster

Aandeel inhoudscluster in examen als percentage

Taxonomiecode

Aandeel van taxonomiecode per inhoudscluster in percentage

Inventarisatie

6a.1 t/m 6c.4, 6e.1

25

K

30

 

t/m 6e.3, 7m.1,

 

B

20

 

8a.1 t/m 8a.4

 

Tp

5

   

Ti

45

Opstellen risico-

6d.1 t/m 6d.5,

20

K

40

profiel

7a.1, 7a.2

 

B

20

   

Tp

20

   

Ti

20

Assetallocatie

7b.1 t/m 7d.3

15

K

30

   

B

40

   

Tp

20

   

Ti

10

Portefeuille-

7f.1 t/m 7k.2

30

K

30

invulling

  

B

30

   

Tp

20

   

Ti

20

Bijsturen

7e.1, 7e.2, 7l.1,

10

K

20

 

7l.2, 8b.1 t/m

 

B

30

 

8d.3

 

Tp

30

   

Ti

20

N

Bijlage 7, module Volmacht, onderdeel Levensverzekeringen, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het inhoudscluster Levensverzekeringen wordt in de vijfde kolom ‘40’ vervangen door: 30.

2. In het inhoudscluster Levensverzekeringen wordt in de vijfde kolom ‘5’ vervangen door: 15.

O

Bijlage 7, module Volmacht, onderdeel Overig, wordt als volgt gewijzigd:

In het inhoudscluster Gevolmachtigde wordt in de tweede kolom ‘9d.1’ vervangen door: 9d.2.

P

Bijlage 7 module Volmacht wordt als volgt gewijzigd:

Na het inhoudscluster Levensverzekeringen wordt ingevoegd:

Inhoudscluster

Toetstermen behorend tot inhoudscluster

Aandeel inhoudscluster in examen als percentage

Taxonomiecode

Aandeel van taxonomiecode per inhoudscluster in percentage

Inventarisatie

6h.1 t/m 6h.15,

25

K

30

 

6h.21 t/m 6h.23,

 

B

20

 

6h.87 t/m 6h.91

 

Tp

5

   

Ti

45

Opstellen risico-

6h.16 t/m 6h.20,

20

K

40

profiel

6h.24, 6h.25

 

B

20

   

Tp

20

   

Ti

20

Assetallocatie

6h.26 t/m 6h.48

15

K

30

   

B

40

   

Tp

20

   

Ti

10

Portefeuille-

6h.51 t/m 6h.84

30

K

30

invulling

  

B

30

   

Tp

20

   

Ti

20

Bijsturen

6h.49, 6h.50,

10

K

20

 

6h.85, 6h.86, 6h.92

 

B

30

 

t/m 6h.101

 

Tp

30

   

Ti

20

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2008.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën, W.J. Bos.

Toelichting

In de bijlagen 1 t/m 7 van de Regeling vaststelling toetstermen financiële dienstverlening Wft wordt het kennis- en vaardighedenniveau waaraan klantmedewerkers en feitelijk leidinggevenden van financiële dienstverleners moeten voldoen, uiteengezet in toetstermen. Deze toetstermen geven inhoud aan het begrip vakbekwaamheid en omschrijven de verschillende onderwerpen waarover deze personen kennis moeten hebben. Deze kennis en vaardigheden kunnen in ieder geval worden aangetoond door middel van het bezit van een geldig diploma. Het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) kan exameninstituten namens de Minister van Financiën erkennen. De bijlagen hebben betrekking op de toetstermen basismodule, hypothecair krediet, consumptief krediet 2006, schadeverzekeringen, levensverzekeringen, volmacht en de verdeling in inhoudsclusters.

Aan de door de diverse erkende exameninstituten afgegeven diploma’s moeten gelijkwaardige criteria ten grondslag liggen. Om dit te bereiken worden de eindtermen nader gespecificeerd in toetstermen, waaraan de exameninstituten bij de ontwikkeling en afname van hun examens moeten voldoen (artikel 8 en artikel 10, vierde lid, Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen). Een door een erkend exameninstituut af te nemen examen voldoet binnen zes maanden aan de openbaargemaakte toetstermen voor permanente educatie op grond van artikel 10, vierde lid, BGfo.

De Minister van Financiën,

W.J. Bos

Naar boven