Wijziging Regeling zorgverzekering

Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 april 2007, nr. Z/VV-2751070, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met de vaststelling van de bijdrage van verdragsgerechtigden door het College zorgverzekeringen

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 69, tweede en vijfde lid, en artikel 88, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet;

Besluit:

Artikel I

In de Regeling zorgverzekering worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel 6.3.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het vijfde tot en met zevende lid in het zesde tot en met achtste lid wordt een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidende:

5. Artikel 46 van de Zorgverzekeringswet is op de bijdrageplichtige persoon, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing, waarbij de in onderdeel a van het tweede lid bedoelde bijdrage als inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, wordt beschouwd.

2. In het zesde lid (nieuw) en zevende lid (nieuw) wordt 'de in het tweede lid bedoelde nominale deel' telkens vervangen door: het in het tweede lid bedoelde nominale deel.

3. Na het zevende lid (nieuw), worden drie nieuwe leden toegevoegd, luidende:

8. De inkomensgegevens, benodigd voor de berekening van de in het tweede lid bedoelde grondslag, worden ontleend aan het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

9. Indien het in artikel 8, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bedoelde, niet in Nederland belastbaar inkomen niet is vastgesteld op grond van artikel 8a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, wordt het door de rijksbelastingdienst vastgesteld met overeenkomstige toepassing van dat artikel.

10. Ter zake van de opgaaf van niet in Nederland belastbaar inkomen is de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van Hoofdstuk VIIIA, van toepassing als ware deze opgaaf een aangifte inkomstenbelasting.

B

Artikel 6.3.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zesde lid vervalt.

2. Het zevende lid wordt vernummerd tot het zesde lid.

C

Artikel 6.3.3 komt als volgt te luiden:

1. Het verschil tussen de op grond van artikel 6.3.1, eerste lid, bedoelde bijdrage en het totaal van de op grond van artikel 6.3.2 dan wel met toepassing van artikel 6.3.4 ingehouden of geïnde bijdrage wordt, met inachtneming van het achtste tot en met het tiende lid van artikel 6.3.1 en het tweede lid van dit artikel, door het College zorgverzekeringen vastgesteld en verrekend, geïnd of uitgekeerd. Uitkering vindt plaats aan de rechthebbende op een pensioen of rente, bedoeld in artikel 6.3.2. eerste lid, of aan de verzekeringsplichtige, bedoeld in artikel 6.3.4.

2. De in artikel 6.3.1, eerste lid, bedoelde persoon die aanspraak maakt op één of meer van de in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vermelde heffingskortingen niet zijnde de algemene heffingskorting, de jonggehandicaptenkorting, de ouderenkorting of de alleenstaande ouderenkorting, kan het College zorgverzekeringen verzoeken daar bij de vaststelling van het verschil, bedoeld in het eerste lid, rekening mee te houden.

3. Indien slechts een bijdrage als bedoeld in artikel 6.3.1, tweede lid, onderdeel c, verschuldigd is, stelt het College zorgverzekeringen het in het eerste lid bedoelde verschil vast vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft. In andere gevallen stelt het College het verschil voor 30 september van het jaar volgend op kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft voorlopig vast, en stelt het het verschil uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de beschikking niet in Nederland belastbaar inkomen onherroepelijk zijn geworden, definitief vast.

4. Bij de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde verschil brengt het College zorgverzekeringen enkelvoudige wettelijke rente in rekening over te weinig geheven of geïnde bijdrage dan wel vergoedt het wettelijke rente ingeval van teveel geheven of geïnde bijdrage, over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van de vaststelling door het College zorgverzekeringen.

5. Het College zorgverzekeringen is bevoegd het te restitueren bedrag, indien dit minder bedraagt dan € 25, te verrekenen met een in de toekomst gelegen verschuldigde bijdrage.

Artikel II

In afwijking van het bepaalde in artikel 6.3.3, vierde lid, wordt over het jaar 2006 geen rente in rekening gebracht.

Artikel III

Deze Regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, A. Klink.

Toelichting

Algemeen

De regeling wordt gewijzigd om tegemoet te komen aan problemen die samenhangen met de vaststelling van het inkomen dat dient als grondslag voor het innen en heffen van de bijdrage die verdragsgerechtigden verschuldigd zijn aan het College voor zorgverzekeringen (CVZ).

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

In artikel 6.3.1, vierde lid, van de Regeling zorgverzekering zoals deze met de wijziging van 13 oktober 2005 (Stcrt. 203) is komen te luiden, was de verwijzing naar artikel 46 Zorgverzekeringswet opgenomen. Bij de wijziging van 28 april 2006 (Stcrt. 85) is deze verwijzing uit overwegingen van redactionele vereenvoudiging niet meer overgenomen. Evenwel blijkt het vervallen van deze verwijzing, die de overeenkomstige toepasselijkheid van artikel 46 Zvw regelt, in de uitvoeringspraktijk tot onduidelijkheid te leiden. Teneinde deze onduidelijkheid weg te nemen is de verwijzing naar artikel 46 Zvw weer uitdrukkelijk opgenomen.

De wijzigingen in het tweede subonderdeel betreffen herstel van redactionele aard.

In het achtste lid is geregeld dat het CVZ de voor de in het tweede lid bedoelde grondslag benodigde inkomensgegevens ontleent aan het door de Belastingdienst vastgestelde toetsingsinkomen. Dit is het toetsingsinkomen als bedoeld in artikel 8, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).

Daarbij zijn twee situaties te onderscheiden: er is of wordt een aanslag inkomstenbelasting vastgesteld of er is of wordt geen aanslag inkomstenbelasting vastgesteld.

Voor de eerstgenoemde situatie bepaalt artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Awir dat het verzamelinkomen zoals dat in die aanslag is opgenomen als toetsingsinkomen geldt. De toevoeging ‘zoals dat in die aanslag is opgenomen’ dient een eenvoudige en doelmatige uitvoering. Het CVZ hoeft zich daardoor niet in te laten met de vraag of het verzamelinkomen wel op het juiste bedrag is vastgesteld. Pas als het in de aanslag opgenomen verzamelinkomen is gewijzigd bijvoorbeeld na bezwaar of navordering, is er aanleiding een ander toetsingsinkomen in aanmerking te nemen.

Als geen aanslag is of wordt vastgesteld, wordt volgens artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Awir het belastbare loon aangemerkt als toetsingsinkomen. Ook hier dient een kenbaar gegeven als bron: het loon zoals dat op de jaaropgave is vermeld. Het doel hiervan is wederom om het CVZ te vrijwaren van het beoordelen van de fiscale juistheid van het vermelde loon. Pas bij een gewijzigde jaaropgaaf is er aanleiding een ander toetsingsinkomen in aanmerking te nemen.

Bij vaststelling van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting is in artikel 8, tweede lid, van de Awir bepaald dat niet langer het in de aanslag opgenomen verzamelinkomen geldt, maar het verzamelinkomen zoals dat in die navorderingsaanslag is opgenomen.

In het verzamelinkomen en het belastbare loon, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Awir zijn slechts de voor de in het tweede lid bedoelde grondslag benodigde inkomensgegevens opgenomen voor zover de verdragsgerechtigde hierover in Nederland belasting is verschuldigd. De voor de in het tweede lid bedoelde grondslag benodigde inkomensgegevens moeten echter gebaseerd zijn op het wereldinkomen van de verdragsgerechtigde. Naast het in Nederland belastbaar inkomen, moet ook het niet in Nederland belastbaar inkomen worden vastgesteld. De Belastingdienst zal, op grond van artikel 88 van de Zvw, dit niet in Nederland belastbaar inkomen bij de verdragsgerechtigde opvragen. In artikel 8, derde lid, van de Awir is geregeld dat het niet in Nederland belastbaar inkomen, zoals dat bij beschikking is vastgesteld in aanvulling op het verzamelinkomen en het belastbare loon mede als toetsingsinkomen in aanmerking wordt genomen. Ook hier dient een kenbaar gegeven als bron: het niet in Nederland belastbaar inkomen zoals dat bij beschikking is vastgesteld. Het doel is wederom het CVZ te vrijwaren van het beoordelen van de fiscale juistheid van het vermelde inkomen. Pas als het in de beschikking opgenomen niet in Nederland belastbaar inkomen wordt gewijzigd bijvoorbeeld na bezwaar, is er aanleiding een ander toetsingsinkomen in aanmerking te nemen.

Voor de verdragsgerechtigden met recht op zorgtoeslag stelt de Belastingdienst het niet in Nederland belastbaar inkomen vast op grond van artikel 8a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Het negende lid maakt het mogelijk dat de Belastingdienst het niet in Nederland belastbaar inkomen ook vaststelt voor de verdragsgerechtigden zonder recht op de zorgtoeslag.

De belastingdienst kan op grond van artikel 88 van de Zorgverzekeringswet het niet in Nederland belastbaar inkomen opvragen bij de verdragsgerechtigde. Hiervoor zal een opgaafformulier worden beschikbaar gesteld dat uiteraard grote overeenkomsten zal vertonen met een aangiftebiljet inkomstenbelasting. Op grond van het tiende lid zijn de bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) zoals deze gelden voor belastingheffing, met uitzondering van Hoofdstuk VIIIA, op deze opgaaf op dezelfde wijze van toepassing als bij een aangifte inkomstenbelasting. Hoofdstuk VIIIA van de AWR over bestuurlijke boeten is uitgezonderd, omdat in artikel 83 van de Wet marktordening gezondheidszorg de zorgautoriteit al een bestuurlijke boete kan opleggen ingeval een verdragsgerechtigde een hem ingevolge artikel 88 van de Zorgverzekeringswet opgelegde verplichting niet nakomt.

Onderdeel B

De inningsgrens die in het zesde lid van artikel 6.3.2 werd genoemd was gebaseerd op de oorspronkelijke regeling zoals deze luidde met ingang van 1 januari 2006. Door het in de loop van het jaar 2006 geconstrueerde instrumentarium tot verrekening van de bijdrage, is een afzonderlijke inningsgrens niet langer noodzakelijk. Om deze reden is dit lid vervallen.

Onderdeel C

In artikel 6.3.3 is geregeld dat het CVZ vaststelt of er te veel of te weinig bijdrage is ingehouden. Indien te weinig is ingehouden kan het CVZ het meerdere alsnog vorderen, indien te veel is ingehouden kan CVZ dit bedrag verrekenen met bestaande vorderingen op de bijdrageplichtige of uitkeren.

Dat een hogere c.q. lagere bijdrage verschuldigd is dan bij wege van inhouding reeds door de pensioen- of uitkeringsverstrekkende instantie is ingehouden, kan zich voordoen omdat betrokkene naast het pensioen nog ander (buitenlands) inkomen heeft dat meetelt bij de vaststelling van de bijdrage of, in het omgekeerde geval, omdat betrokkene aanspraak kan maken op bepaalde aftrekposten of heffingskortingen.

Degene die een verdragsbijdrage betaalt heeft ook recht op de in Hoofdstuk 8 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 genoemde heffingskortingen, voor zover een heffingskorting in de op hem betrekking hebbende situatie van toepassing is. Het is evenwel niet mogelijk om bij de broninhouding rekening te houden met alle bijzondere heffingskortingen. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld om de korting maatschappelijke beleggingen en de kinderkorting. In het tweede lid is in verband hiermee geregeld dat degene die aanspraak wil maken op een bijzondere heffingskorting, dit in voorkomende gevallen met behulp van een daartoe bestemd formulier bij het CVZ dient aan te vragen. Het CVZ draagt dan zorg voor het toepassen van de bijzondere heffingskortingen die niet al automatisch zijn verrekend.

Wat betreft het derde lid het volgende.

Aanvankelijk was geregeld dat het CVZ uiterlijk aan het eind van het eerste kwartaal volgend op het jaar van de inhouding, de afrekening zou maken. Inmiddels is gebleken dat de inkomensbronnen die door betrokkene zelf zijn verstrekt kunnen afwijken van gegevens die de Belastingdienst heeft. Het CVZ kan de beschikking krijgen over bij de Belastingdienst aanwezige fiscale loongegevens, maar deze gegevens zullen in de regel niet voor 1 juni van enig jaar beschikbaar zijn.

Bovendien zijn deze gegevens ook niet voldoende om een definitieve jaarafrekening te maken, omdat voor die jaarafrekening moet worden uitgegaan van het wereldinkomen. Vaststelling van dit wereldinkomen door de Belastingdienst kan doorgaans pas plaatsvinden aan het eind van het jaar volgend op het jaar waarop de afrekening betrekking heeft. Ook kan het zijn dat tegen de vaststelling van het inkomen door betrokkenen bezwaar of beroep wordt aangetekend waardoor het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen alsnog kan wijzigen.

Met het oog hierop is nu bepaald dat de afrekening voor die personen, die geen inkomen hebben en die derhalve indien zij achttien jaar of ouder zijn alleen de nominale bijdrage van artikel 6.3.1, tweede lid, onderdeel c, van de Regeling zorgverzekering verschuldigd zijn, voor 1 april van het jaar volgende op het bijdragejaar geschiedt. Het gaat hierbij in de praktijk om gezinsleden van verzekeringsplichtige werknemers (grensarbeiders en achtergebleven gezinsleden.) Uiteraard kan deze afrekening worden herzien als er later toch een inkomen blijkt te zijn geweest.

Voor alle overige bijdrageplichtigen geldt: voorlopige vaststelling uiterlijk 30 september van het jaar volgende op het kalenderjaar waarover de afrekening plaatsvindt, en definitieve vaststelling uiterlijk zes maanden nadat de beschikking waarbij de Belastingdienst het jaarinkomen heeft vastgesteld, onherroepelijk is geworden.

In de uitvoeringspraktijk zal een en ander in grote lijnen als volgt werken.

Indien de inkomensgegeven van een bijdrageplichtige tijdig bekend zijn, zal het CVZ zo mogelijk voor 1 april van het jaar volgende op het jaar waarvoor deze geldt, de afrekening voorlopig vaststellen. Als de uitkeringsinstantie deze jaaropgave niet (tijdig) beschikbaar heeft gesteld, zal het CVZ uiterlijk eind september van het jaar volgende op het jaar waarvoor de afrekening geldt een voorlopige afrekening maken op basis van fiscale loongegevens van de Belastingdienst. Dit moment is gekozen omdat de fiscale loongegevens van de Belastingdienst dan gebruikt kunnen worden voor het voorlopig berekenen van de bijdrage. Tevens kan het CVZ eind september een eerdere afrekening herzien voor die gevallen waarin bij de eerdere afrekening is uitgegaan van onjuiste of onvolledige inkomstengegevens.

Natuurlijk is het mogelijk dat iemand in bezwaar of beroep gaat tegen de vaststelling van zijn inkomen door de Belastingdienst. Daarom is de deadline voor de definitieve vaststelling gesteld op zes maanden nadat beschikking(en) inzake de inkomstengegevens van de Belastingdienst definitief is geworden.

Het CVZ zal op basis van de voorlopige afrekening tevens tot een voorlopige restitutie, verrekening of inning van het verschil overgaan. Aan het eind van het eerste kwartaal zal het CVZ de personen voor wie het CVZ nog geen definitieve of voorlopige vaststelling kan doen, schriftelijk informeren dat uiterlijk eind september een voorlopige vaststelling kan worden verwacht en dat eerst na de definitieve inkomensvaststelling door de Belastingdienst het CVZ de bijdrage definitief kan vaststellen.

In het vierde lid is een rentevergoeding- en renteheffingsmogelijkheid opgenomen voor de situatie dat teveel bijdrage is ingehouden dan wel te weinig bijdrage is betaald. De rentevergoeding dan wel heffing wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van de vaststelling door het CVZ.

Op grond van het vijfde lid mag het CVZ bedragen van minder dan € 25 met toekomstig aan hem verschuldigde bijdragen verrekenen in plaats van deze afzonderlijk uit te betalen.

Artikel II

Voor het jaar 2006 is besloten af te zien van het in rekening brengen van wettelijke rente als sprake is van te weinig betaalde bijdrage. Reden hiervoor is dat in verband met aanloopproblemen bij de uitvoering van de bijdrage-inhouding niet in alle gevallen met ingang van 1 januari 2006 kon worden gestart met broninhouding. De bronhouding is daardoor in veel gevallen te laat en soms niet van start gegaan. Dit is niet te wijten aan betrokkenen en het is daarom niet redelijk betrokkenen rente in rekening te brengen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink

Naar boven