Wijziging veterinairrechtelijke regelingen

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 5 maart 2007, nr. TRCJZ/2007/986, houdende wijziging van veterinairrechtelijke regelingen

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op artikel 1, tweede lid, van Richtlijn 2005/24/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 maart 2005 tot wijziging van Richtlijn 87/328/EEG voor wat betreft de spermacentra en het gebruik van eicellen en embryo’s afkomstig van raszuivere fokrunderen (Pb EU L78);

Gelet op artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

Besluit:

Artikel I

De Regeling rundersperma1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1a

Deze regeling berust mede op artikel 107 van de wet.

B

Na artikel 25 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 25a

In afwijking van artikel 11 van het besluit is het toegestaan om rundersperma te vervoeren of te verhandelen, voor zover het rundersperma betreft dat is opgeslagen in een spermaopslagcentrum dat is erkend overeenkomstig artikel 9.10a van de Regeling handel levende dieren en levende producten.

Artikel II

Artikel 12 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s2 vervalt.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 5 maart 2007.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G. Verburg.

Toelichting

Wijziging Regeling rundersperma

Richtlijn 88/407/EEG1 is gewijzigd bij richtlijn 2003/43/EG.2 De richtlijn staat door die wijziging de opslag van sperma niet alleen toe in spermawincentra maar ook in spermaopslagcentra en stelt eisen voor de erkenning van en het toezicht op deze spermaopslagcentra. Richtlijn 87/328/EEG3 is aangepast door richtlijn 2005/24/EG4 om in overeenstemming te zijn met de gewijzigde richtlijn 88/407/EEG.

Richtlijn 2003/43/EEG is in Nederland geïmplementeerd door de regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 5 juli 2004, nr. TRCJZ/2004/3667, Directie Juridische Zaken, houdende wijziging van de Regeling handel levende dieren en levende producten, de Regeling rundersperma en de Regeling tarieven Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Stcrt. 2004, 129). Om de implementatie van Richtlijn 2005/24/EG volledig te maken is bij onderhavige regeling de Regeling rundersperma gewijzigd (artikel I, onderdelen A en B).

Artikel I van de onderhavige wijzigingsregeling is gebaseerd op artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (verder ‘de wet’). Daarom is artikel 107 van de wet in artikel I, onderdeel A, van de onderhavige regeling als rechtsgrondslag aan de Regeling rundersperma toegevoegd. Artikel I, onderdeel B, bewerkstelligt door toevoeging van een nieuw artikel 25a aan de Regeling rundersperma, dat het verruimde toepassingsgebied van richtlijn 2005/24/EG ook geldt voor vervoeren en verhandelen als bedoeld in het Besluit eisen dierlijk sperma en spermawincentra. Hierdoor geldt voor de binnenlandse handel en voor het vervoer van rundersperma hetzelfde ruimere regime als voor het intracommunautair handelsverkeer en de import uit derde landen.

Wijziging Regeling preventie, kennisgevingsverplichting ziekte van Aujeszky

De ziekte van Aujeszky is een virusziekte opgenomen in bijlage E (II) bij richtlijn 64/432/EEG5 . Dit betekent dat bestrijdingsregels voor deze ziekte niet communautair zijn vastgelegd maar dat de bestrijding aan de lidstaten wordt overgelaten. Op grond van deze richtlijn moet iedere lidstaat een bindend nationaal bestrijdingsprogramma bij de Europese Commissie indienen. In Nederland is het Productschap Vee en Vlees verantwoordelijk voor de bestrijding van de ziekte. Sinds 1993 is in dit verband een landelijk bestrijdingsprogramma van kracht. In de eerste twee fasen van het bestrijdingsprogramma vond verplichte vaccinatie van varkens plaats. Door de effectiviteit van deze maatregel en van maatregelen in naburige landen is Nederland al weer enige tijd vrij van de ziekte van Aujeszky en is de kans op herintroductie van de ziekte minimaal. Met ingang van 1 januari 2007 is dan ook de derde fase van het bestrijdingsprogramma ingegaan. In deze fase is het, op grond van de Verordening bestrijding ziekte van Aujeszky bij varkens (PVV) 2006 (Vbbo. 2006, 71) van 12 juli 2006, in beginsel verboden om gevaccineerde varkens te houden.

Gedurende de fasen waarin verplichte vaccinatie plaatsvond, bestond op grond van artikel 12 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s (verder ‘Regeling preventie’) een vrijstelling, onder voorwaarden, van de verplichting voor houders van varkens en dierenartsen om kennis te geven van een mogelijke besmetting met de ziekte van Aujeszky. Door de beëindiging van de verplichte vaccinatie vervalt echter de uitgebreide controle door serologisch onderzoek en daarmee tevens de routinematige controle op de aanwezigheid van het virus. Bovendien ontstaat bij de beëindiging van de vaccinatie een voor besmetting gevoelige populatie. Hierdoor is het van belang dat de kennisgevingsverplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 19 en 100 van de wet weer onverkort gelden voor houders en dierenartsen zodat bij een mogelijke besmetting van varkens onmiddellijk maatregelen kunnen worden genomen. Om deze redenen vervalt de vrijstelling van artikel 12 van de Regeling preventie.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

  • 1

    Regeling van 27 juni 2001 (Stcrt. 123); laatstelijk gewijzigd bij regeling van 5 december 2006 (Stcrt. 243).

  • 2

    Regeling van 7 juni 2005 (Stcrt. 120); laatstelijk gewijzigd bij regeling van 18 januari 2007 (Stcrt. 15).

Naar boven