Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatscourant 2007, 66 pagina 13Besluiten van algemene strekking

Wijziging Regeling externe veiligheid inrichtingen

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 maart 2007, nr. EV\2007030367, houdende wijziging van de Regeling externe veiligheid inrichtingen

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op de artikelen 1, eerste lid, onderdeel l, 2, eerste lid, onderdeel c, 10, eerste lid, 11, 17, tweede, vijfde en zevende lid, en 18, tweede en zesde lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

Besluit:

Artikel I

De Regeling externe veiligheid inrichtingen1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

c. bijlage: bij deze regeling horende bijlage;

2. Onderdeel d komt te luiden:

d. categoriale inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit;

3. In onderdeel h wordt ‘, en’ vervangen door een puntkomma.

4. Onderdeel i komt te luiden:

i. PGS: Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, gepubliceerd onder verantwoordelijkheid van de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Verkeer en Waterstaat, en.

5. Na onderdeel i wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

j. PGS 3: publicatie nr. 3 van de PGS, getiteld ‘Richtlijnen voor kwantitatieve risicoanalyse (paarse boek)’, uitgave 2005.

B

Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1a

Als spoorwegemplacement als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het besluit worden aangewezen de spoorwegemplacementen, genoemd in bijlage 3.

C

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt in de aanhef ‘zijn vermeld in’ vervangen door: zijn vermeld in of volgen uit.

2. In het eerste lid wordt in onderdeel c, onder 2°, ‘, en’ vervangen door een puntkomma.

3. In het eerste lid wordt in onderdeel d aan het slot de punt vervangen door: , en.

4. In het eerste lid wordt na onderdeel d een onderdeel ingevoegd, luidende:

e. bijlage 1, tabel 7, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting waarin meerdere koel- of vriesinstallaties als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit in een machinekamer aanwezig zijn.

5. Onder vernummering van het tweede lid tot vierde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

2. Voor de toepassing van bijlage 1, tabel 6:

a. is de hoogste afscheider- of verdampingstemperatuur bepalend. Indien die hoogste temperatuur wordt bepaald door een afscheidervat waarin minder dan 400 kg ammoniak aanwezig is, mag in afwijking van de vorige zin de afstand worden toegepast die behoort bij de werktemperatuur die heerst in het afscheidervat met de op een na hoogste werktemperatuur, en

b. wordt, indien de desbetreffende installatie niet is uitgerust met een pompbeveiliging, de bij de opstellingsuitvoeringen 2 en 3 vermelde afstand vermeerderd met 30 meter.

3. Voor de toepassing van bijlage 1, tabel 7, wordt, indien een of meer van de installaties in opstellingsuitvoering 2 of 3 niet is uitgerust met een pompbeveiliging, de afstand die volgt uit tabel 7 vermeerderd met 30 meter.

D

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt de zinsnede ‘de grens- en richtwaarden, bedoeld in het eerste lid’ vervangen door: de grenswaarden, genoemd in de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid, en 24, eerste lid, van het besluit en de richtwaarden, genoemd in de artikelen 6, tweede lid, en 7, tweede lid, van het besluit.

2. In het vierde lid wordt de zinsnede ‘de grens- en richtwaarden, bedoeld in het eerste lid’ vervangen door: de grenswaarden, genoemd in de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid, en 24, eerste lid, van het besluit en de richtwaarden, genoemd in de artikelen 6, tweede lid, en 7, tweede lid, van het besluit.

E

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt de zinsnede ‘het ondergronds, onderscheidenlijk bovengronds, reservoir’ vervangen door: het ondergrondse of ingeterpte, onderscheidenlijk bovengrondse, reservoir, gerekend vanaf de aansluitpunten van de leidingen alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij het reservoir.

2. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘in de buitenlucht geplaatste leidingen’ vervangen door: met de buitenlucht in verbinding staande leidingen.

3. In het derde lid wordt ‘bedoeld in het eerste lid’ vervangen door: bedoeld in artikel 2.

4. In het vierde lid wordt ‘bedoeld in de artikelen 2 en 9’ vervangen door: bedoeld in artikel 2.

F

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst van artikel 6 wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. De afstanden tot de grens van het invloedsgebied, bedoeld in bijlage 2, tabellen 1 tot en met 3, gelden onderscheidenlijk:

a. voor LPG-tankstations: vanaf het vulpunt voor LPG, het ondergrondse of ingeterpte, onderscheidenlijk bovengrondse, reservoir, gerekend vanaf de aansluitpunten van de leidingen alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij het reservoir;

b. voor inrichtingen waar gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage worden opgeslagen: vanaf de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, of, indien van toepassing, de buitenzijde van de opslagplaats in de buitenlucht, en

c. voor koel- en vriesinstallaties met ammoniak: vanaf de machinekamer of, indien van toepassing, de leidingen en het afscheidervat of vloeistofvat, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c.

G

In artikel 7, eerste lid, wordt ‘CPR 18’ vervangen door: PGS 3.

H

Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9

1. De afstanden tot kwetsbare objecten, bedoeld in artikel 17, tweede en vijfde lid, van het besluit, zijn de afstanden die zijn vermeld in bijlage 1, tabel 2, indien het risico wordt veroorzaakt door een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel a, van het besluit.

2. De afstanden tot kwetsbare objecten, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het besluit, zijn de afstanden die zijn vermeld in of volgen uit:

a. bijlage 1, tabel 2a, indien het risico wordt veroorzaakt door een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel a, van het besluit;

b. bijlage 1, tabel 6, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting waarin een koel- of vriesinstallatie als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit, aanwezig is, en

c. bijlage 1, tabel 7, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting waarin meerdere koel- of vriesinstallaties als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit in een machinekamer aanwezig zijn.

I

Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van bijlage 1 wordt na ‘Afstanden’ ingevoegd: met betrekking tot het plaatsgebonden risico.

2. In het opschrift van bijlage 1 komt de zinsnede ‘Tabellen 1 en 2: LPG-tankstations’ te luiden: Tabellen 1, 2 en 2a: LPG-tankstations en komt de zinsnede ‘Tabel 6: Koel- en vriesinstallaties met ammoniak’ te luiden: Tabellen 6 en 7: Koel- en vriesinstallaties met ammoniak.

3. Tabel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift achter de aanduiding ‘Tabel 1.’ wordt de zinsnede ‘(zie artikel 2)’ vervangen door: (zie artikel 2, eerste lid, onderdeel a).

2. Het opschrift ‘Type inrichting’ wordt vervangen door: Doorzet (m3) per jaar.

3. Het opschrift ‘Afstand (m) vanaf ondergronds1 reservoir’ komt te luiden: Afstand (m) vanaf ondergronds1 of ingeterpt reservoir.

4. De aanduiding ‘LPG-tankstation met een doorzet tot 1500 m3/jaar’ wordt vervangen door: 1000–15002.

5. De aanduiding ‘LPG-tankstation met een doorzet tot 1000 m3/jaar2’ wordt vervangen door: < 10002.

6. In voetnoot 2 wordt na ‘minder dan’ ingevoegd: 1500 m3 onderscheidenlijk.

4. Tabel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift achter de aanduiding ‘Tabel 2.’ wordt de zinsnede ‘(zie artikel 9)’ vervangen door: (zie artikel 9, eerste lid).

2. Het opschrift ‘Type inrichting’ wordt vervangen door: Doorzet (m3) per jaar.

3. Het opschrift ‘Afstand (m) vanaf ondergronds reservoir’ komt te luiden: Afstand (m) vanaf ondergronds of ingeterpt reservoir.

4. De aanduiding ‘LPG-tankstation met een doorzet tot 1500 m3/jaar’ wordt vervangen door: < 1500.

5. Na tabel 2 wordt een tabel ingevoegd, luidende:

Tabel 2a. Afstanden in meters tot kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar (zie artikel 9, tweede lid, onderdeel a)

Doorzet (m3) per jaar

Afstand (m) vanaf vulpunt

Afstand (m) vanaf ondergronds1 of ingeterpt reservoir

Afstand (m) vanaf afleverzuil

1000–15002

40

25

15

500–10002

35

25

15

< 5002

25

25

15

1 Voor LPG-tankstations met een bovengronds reservoir geldt een afstand van 120 meter vanaf dat reservoir tot kwetsbare objecten. Die afstand geldt ongeacht de doorzet van LPG per jaar.

2 Indien in de milieuvergunning is vastgelegd dat de doorzet van LPG minder dan 1500 m3, 1000 m3 onderscheidelijk 500 m3 per jaar is, gelden de hier vermelde afstanden.

6. Tabel 6 komt te luiden:

Koel- en vriesinstallaties en warmtepompen met ammoniak als koudemiddel

Tabel 6. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar (zie de artikelen 2, eerste lid, onderdeel d, en 9, tweede lid, onderdeel b)

Type installatie1

Hoeveelheid ammoniak2

Opstellingsuitvoering3

Afstand (m) vanaf machinekamer bij diameter vloeistofleiding naar verdamper ≤ DN50

Afstand (m) vanaf machinekamer bij diameter vloeistofleidingnaar verdamper > DN50 en ≤ DN 80

Afstand (m) vanaf vloeistofleiding4 bij diameter vloeistofleiding naar verdamper ≤ DN50

Afstand (m) vanaf vloeistofleiding4 bij diameter vloeistofleiding naar verdamper > DN50 en ≤ DN 80

< –25 °C

1500–3500 kg

1

5

5

5

5

  

2

  

3

35

35

       
 

3500–6000 kg

1

  

2

30

40

25

40

  

3

65

65

25

40

       
 

6000–8000 kg

1

   

 

 
  

2

30

45

30

40

  

3

75

75

30

40

       
 

8000–10.000 kg

1

  

2

30

45

30

45

  

3

85

85

30

45

–25 tot –5 °C

1500–3500 kg

1

  

2

  

3

45

45

       
 

3500–6000 kg

1

50

  

2

60

75

55

70

  

3

75

90

55

70

       
 

6000–8000 kg

1

50

  

2

65

85

60

80

  

3

85

100

60

80

       
 

8000– 10.000 kg

1

50

  

2

70

85

65

85

  

3

95

105

65

85

> –5 °C

1500–3500 kg

1

  

2

  

3

45

45

       
 

3500–6000 kg

1

60

  

2

70

85

55

75

  

3

85

95

55

75

       
 

6000–8000 kg

1

65

  

2

80

95

60

85

  

3

90

105

60

85

       
 

8000– 10.000 kg

1

50

65

  

2

85

105

65

90

  

3

95

110

65

90

1 Het betreft installaties die zijn voorzien van een pompbeveiliging, met een maximale werktemperatuur die lager is dan –25 °C, een maximale werktemperatuur tussen –25 °C en –5 °C, onderscheidenlijk een maximale werktemperatuur die hoger is dan –5 °C. Hierbij wordt onder werktemperatuur verstaan de afscheider- of verdampingstemperatuur. Een pompbeveiliging, als bedoeld in de eerste volzin, bestaat per koudemiddelpomp uit een zodanige combinatie van elementen en voorzieningen, dat bij een breuk van de afvoerleiding van de pomp die pomp onmiddellijk buiten werking wordt gesteld, zodat de toevoer van ammoniak naar de leiding wordt afgesneden.

2 De hoeveelheid ammoniak is de totale hoeveelheid ammoniak die in de installatie aanwezig is, inclusief de hoeveelheid in een afscheidervat met minder dan 400 kg ammoniak.

3 Opstellingsuitvoering 1: opstelling waarbij alle ammoniakvoerende onderdelen zijn opgesteld in de machinekamer of in de productieruimte, eventueel met uitzondering van de condensor met verbindend leidingwerk. Laatstgenoemde onderdelen kunnen buiten opgesteld zijn.

Opstellingsuitvoering 2: opstelling als bij opstellingsuitvoering 1, met dien verstande dat de leidingen naar en van de verdamper of verdampers met de buitenlucht in verbinding staan.

Opstellingsuitvoering 3: opstelling als bij opstellingsuitvoering 2, met dien verstande dat het afscheidervat of vloeistofvat buiten opgesteld zijn.

4 Vloeistofleiding: met de buitenlucht in verbinding staande ammoniakvoerende leidingen naar de verdamper of verdampers.

5 De aanduiding ‘–‘ houdt in dat het plaatsgebonden risico rondom de desbetreffende installatie kleiner is dan 10–6 per jaar en dat geen afstand tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in acht genomen behoeft te worden, onderscheidenlijk daarmee geen rekening gehouden behoeft te worden.

7. Na tabel 6 wordt een tabel ingevoegd, luidende:

Meer dan één koel- en vriesinstallatie met ammoniak als koudemiddel in een machinekamer

Tabel 7. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, bij de aanwezigheid van meerdere koel- en vriesinstallaties met ammoniak als koudemiddel in een machinekamer (zie de artikelen 2, eerste lid, onderdeel e, en 9, tweede lid, onderdeel c)
 

Inhoud installatie a1

≤ 6000 kg

Inhoud installatie a1 > 6000 kg en ≤ 8000 kg

Inhoud installatie a1 > 8000 kg

Inhoud installatie b2 ≤ 3500 kg

Zie afstand die in tabel 6 is vermeld bij een zelfde installatie3 als installatie a, doch met een inhoud die behoort tot de eerstvolgende hogere inhoudscategorie

Zie afstand die in tabel 6 is vermeld bij een zelfde installatie3 als installatie a, vermeerderd met 10 meter

Inhoud installatie b2 > 3500 kg

Zie afstand die in tabel 6 is vermeld bij een zelfde installatie3 als installatie a, doch met een inhoud die behoort tot de tweede hogere inhoudscategorie

Zie afstand die in tabel 6 is vermeld bij een zelfde installatie3 als installatie a, vermeerderd met 20 meter

1Installatie waarvoor ingevolge tabel 6 van bijlage 1 de grootste afstand geldt.

2 Installatie die de grootste inhoud heeft, installatie a niet meegerekend.

3 Installatie van hetzelfde type, met dezelfde opstellingsuitvoering en een vloeistofleiding met dezelfde diameter.

J

Bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Afstanden in meters tot de grens van het invloedsgebied in verband met de verantwoording van het groepsrisico, bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 13, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit, met betrekking tot categoriale inrichtingen.

2. Tabel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift ‘Type inrichting’ wordt vervangen door: Doorzet (m3) per jaar.

2. De aanduiding ‘LPG-tankstation met een doorzet tot 1500 m3/jaar’ wordt vervangen door: < 1500.

3. Tabel 3 komt te luiden:

Koel- en vriesinstallaties en warmtepompen met ammoniak als koudemiddel

Tabel 3

Type installatie1

Hoeveelheid ammoniak2

Opstellingsuitvoering3

Afstand (m) tot grens invloedsgebied bij diameter vloeistofleiding naar verdamper

≤ DN50

Afstand (m) tot grens invloedsgebied bij diameter vloeistofleiding naar verdamper

> DN50 en ≤ DN80

< –25 °C

1500–3500 kg

1

4

4

  

2

  

3

 

3500–6000 kg

1

  

2

  

3

 

6000–8000 kg

1

  

2

  

3

 

8000–10.000 kg

1

  

2

  

3

310

310

–25 tot –5 °C

1500–3500 kg

1

  

2

  

3

 

3500–6000 kg

1

  

2

  

3

260

260

 

6000–8000 kg

1

  

2

  

3

280

280

 

8000–10.000 kg

1

  

2

120

  

3

300

300

> –5 °C

1500–3500 kg

1

  

2

  

3

 

3500–6000 kg

1

  

2

  

3

360

360

 

6000–8000 kg

1

170

  

2

170

  

3

400

400

 

8000–10.000 kg

1

200

200

  

2

200

200

  

3

400

400

1 Het betreft installaties die zijn voorzien van een pompbeveiliging, met een maximale werktemperatuur die lager is dan –25 °C, een maximale werktemperatuur tussen –25 °C en –5 °C, onderscheidenlijk een maximale werktemperatuur die hoger is dan –5 °C. Hierbij wordt onder werktemperatuur verstaan de afscheider- of verdampingstemperatuur. Voor de toepassing van bovenstaande tabel is de hoogste afscheider- of verdampingstemperatuur bepalend. Indien die hoogste temperatuur wordt bepaald door een afscheidervat waarin minder dan 400 kg ammoniak aanwezig is, mag in afwijking van de vorige volzin de afstand worden toegepast die behoort bij de werktemperatuur die heerst in het afscheidervat met de op een na hoogste werktemperatuur. Een pompbeveiliging, als bedoeld in de eerste volzin, bestaat per koudemiddelpomp uit een zodanige combinatie van elementen en voorzieningen, dat bij een breuk van de afvoerleiding van de pomp die pomp onmiddellijk buiten werking wordt gesteld, zodat de toevoer van ammoniak naar de leiding wordt afgesneden.

2 Als noot 2 onder bijlage 1, tabel 6.

3 Als noot 3 onder bijlage 1, tabel 6.

4 De aanduiding ‘–’ houdt in dat de grens van het invloedsgebied in het desbetreffende geval niet relevant is. Het groepsrisico, de mogelijkheden voor rampbestrijding en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking behoeven in dat geval niet te worden verantwoord.

K

Na bijlage 2 wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

Bijlage 3

Spoorwegemplacementen (zie artikel 1a)

Almelo

Amersfoort Goederen

Amsterdam Westhaven

Arnhem Goederen

Axel aansluiting

Beverwijk

Blerick

Born

Coevorden

Delfzijl

Deventer

Dordrecht

Emmen

Eindhoven

Hengelo

Kijfhoek

Lage Zwaluwe

Maastricht

Moerdijk

Onnen

Roermond

Roodeschool

Roosendaal

Rotterdam Botlek

Rotterdam Europoort

Rotterdam Maasvlakte

Rotterdam Pernis

Rotterdam Waalhaven zuid

Rotterdam IJsselmonde

Sas van Gent

Sittard

Sloehaven I

Sloehaven II

Terneuzen

Terneuzen aansluiting

Uitgeest

Containeruitwisselingspunt (CUP) Valburg

Venlo

Zwolle

Artikel II

Op een bestemmingsplan waarvan het ontwerp voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling overeenkomstig artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ter inzage is gelegd en na dat tijdstip wordt vastgesteld, is, voor zover dat bestemmingsplan betrekking heeft op grond gelegen binnen het invloedsgebied van een spoorwegemplacement als bedoeld in artikel 1a van de Regeling externe veiligheid inrichtingen, artikel 13 van het besluit niet van toepassing.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking met ingang van drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 20 maart 2007.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J.M. Cramer.

Toelichting

Algemeen

Eén van de doelstellingen van het externe veiligheidsbeleid is een minimum beschermingsniveau voor burgers te garanderen, gelet op de risico’s van een zwaar ongeval bij bedrijfsmatige activiteiten waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Dat beleid is enerzijds gericht op het binnen afzienbare tijd oplossen van bestaande situaties waarbij nog niet aan dat beschermingsniveau wordt voldaan en anderzijds op het voorkomen van nieuwe knelpunten. Voor bestaande situaties moet voor kwetsbare objecten met ingang van 1 januari 2010 zijn voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van 10–6 per jaar of de daartoe door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM) vastgestelde afstand.

In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna: de regeling) zijn, ter uitvoering van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het besluit) regels met betrekking tot aan te houden afstanden en de wijze van berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico vastgelegd. Tot dusverre waren in de regeling afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten opgenomen voor LPG-tankstations, opslagen voor verpakte gevaarlijke stoffen en koel- en vriesinstallaties met ammoniak. Die afstanden moeten onder meer worden toegepast bij de beslissing op aanvragen om een vergunning op grond van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en bij de vaststelling van bepaalde ruimtelijk relevante besluiten, zoals bestemmingsplannen en vrijstellingsbesluiten. Daarnaast waren in de regeling afstanden opgenomen ten behoeve van de acute sanering van LPG-tankstations die in de nabijheid van kwetsbare objecten zijn gelegen.

De regeling is thans uitgebreid met afstanden ter voldoening aan de grenswaarde 10–6 per jaar voor bestaande LPG-tankstations en bestaande koel- en vriesinstallaties met ammoniak als koelmiddel. Zoals hierboven is opgemerkt moeten deze situaties in 2010 voldoen aan de gestelde afstand. Tevens zijn spoorwegemplacementen waar gerangeerd wordt met gevaarlijke stoffen in de regeling aangewezen. Het gevolg daarvan is dat het bevoegd gezag zowel bij de Wm-vergunningverlening ten behoeve van een aangewezen emplacement als bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving daarvan moet toetsen aan de grens- en richtwaarde voor kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en de afwegingen die het ten aanzien van het groepsrisico heeft gemaakt, moet verantwoorden.

In een volgende tranche worden aan de regeling afstanden toegevoegd voor bestaande opslagplaatsen voor verpakte gevaarlijke stoffen en worden de resultaten van het unificatieproject ten behoeve van het berekenen van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico in de regeling opgenomen. Ook worden de afstanden opgenomen voor nog door de Minister van VROM aan te wijzen categorieën risicovolle inrichtingen (zie artikel 2, eerste lid, onderdelen d en h, van het besluit). Voor deze aanpak in meerdere tranches is gekozen omdat niet alle onderzoeksresultaten voor de verschillende deelonderwerpen tijdig beschikbaar zijn.

De onderhavige regeling is niet ter advisering voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten. Op 23 februari 2004 is het ontwerp van het Besluit externe veiligheid inrichtingen ter advisering voorgelegd aan genoemd college. Het college heeft naar aanleiding daarvan bericht geen advies uit te brengen. De reden hiervan is dat het besluit is gericht tot overheden; het heeft derhalve geen administratieve lasten voor bedrijven tot gevolg. Aangezien de regeling een uitwerking van het besluit betreft en eveneens gericht is tot overheden, heeft ook deze wijzigingsregeling geen administratieve lasten voor het bedrijfsleven tot gevolg.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

De voormalige Commissie voor Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen (CPR) heeft in de jaren 1980 en 1990 de zogenoemde CPR-richtlijnen uitgebracht. Deze richtlijnen werden veel gebruikt bij vergunningverlening en algemene regels (8.40-AMvB's) op grond van de Wm. Het Ministerie van VROM brengt de CPR-richtlijnen opnieuw uit in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS). Deze reeks vervangt de CPR-richtlijnen.

Bij de overgang van de CPR-richtlijnen naar de PGS-richtlijnen zijn sommige richtlijnen inhoudelijk niet aangepast, alleen wat betreft de omslag en de naam of nummering. PGS 3 betreft de heruitgave (inhoudelijk ongewijzigd) van de richtlijn CPR 18. In dit onderdeel is aansluiting gezocht bij de overgang van de term CPR naar PGS.

Onderdeel B

Zie toelichting bij onderdeel K .

Onderdeel C

In artikel 2 is een lid toegevoegd met specifieke informatie behorende bij tabel 6 van bijlage 1. De onderdelen a en b zijn verplaatst van een voetnoot bij tabel 6, naar het artikel. Dit omdat deze bepalingen van essentieel belang zijn voor de berekening van de veiligheidsafstanden voor koel- en vriesinstallaties met ammoniak als koudemiddel. Daarnaast is hiermee getracht het aantal voetnoten en de informatie in de voetnoten zoveel mogelijk te beperken.

De afstanden voor een koel- of vriesinstallatie met ammoniak als koudemiddel zoals opgenomen in de tabellen 6 en 7 van bijlage 1, zijn van toepassing op één respectievelijk meer installaties binnen een machinekamer. Voorheen is geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat meer installaties in de machinekamer aanwezig kunnen zijn. In dat geval neemt de hoeveelheid van de ammoniak toe en is het risico groter. Daardoor moet in een dergelijk geval een grotere afstand tot omgevingsobjecten gehanteerd te worden. Er zijn verschillende situaties mogelijk, waardoor geen eenvoudige benadering voorhanden is die voor alle mogelijke combinaties een correcte afstand geeft. De koelbranche heeft een berekeningsmethode aangereikt die eenvoudig toepasbaar is voor het bevoegd gezag en die onderschreven wordt door het RIVM. Deze berekeningsmethode is vastgelegd in tabel 7 van bijlage 1.

Onderdeel D

In artikel 4 zijn het derde en vierde lid aangepast om duidelijker tot uitdrukking te brengen dat de regeling met betrekking tot de geografische punten waarop bij geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de van toepassing zijnde grens- respectievelijk richtwaarde moet worden voldaan, uitsluitend ziet op gevallen waarin het bevoegd bezag een vergunning verleent op grond van de Wm ten behoeve van een niet-categoriale risicovolle inrichting, en niet op saneringsgevallen. De saneringsverplichtingen die in de artikelen 17 en 18 van het besluit zijn opgenomen, gelden vooralsnog alleen in die gevallen waarin op 27 oktober 2004 bij kwetsbare objecten niet werd voldaan aan de grenswaarden 10–5 per jaar respectievelijk 10–6 per jaar. Ingevolge de artikelen 17, derde lid, en 18, derde lid, van het besluit, werken deze verplichtingen voorzover het betreft geprojecteerde kwetsbare objecten pas vanaf het tijdstip waarop een bouwvergunning voor een zodanig object onherroepelijk is geworden.

Onderdeel E

In artikel 5, eerste lid, onderdeel a, is nader gepreciseerd vanaf welke geografische punten bij een LPG-tankstation de van toepassing zijnde afstand tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gemeten moet worden. Daarbij is aangesloten bij de meetpunten die zijn genoemd in het Besluit LPG-tankstations milieubeheer (zie onder meer artikel 1, tweede lid, van dat besluit). In het eerste lid, onderdeel c, van artikel 5 is de zinsnede ‘in de buitenlucht geplaatste leidingen naar de verdamper of verdampers’ vervangen door ‘met de buitenlucht in verbinding staande leidingen naar de verdamper of verdampers’, omdat in de oude formulering bepaalde gelijkwaardige risicovolle situaties ten onrechte waren uitgesloten.

In het verlengde van de wijziging van artikel 4 (zie onderdeel D), zijn ook het derde en vierde lid van artikel 5 aangepast. De regeling met betrekking tot de geografische punten waarop moet worden voldaan aan de afstanden tot geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, heeft betrekking op gevallen waarin het bevoegd bezag een vergunning verleent op grond van de Wm ten behoeve van een categoriale risicovolle inrichting. Ook hier geldt dat, voorzover bij geprojecteerde kwetsbare objecten niet wordt voldaan aan de door de Minister van VROM vastgestelde afstand voor categoriale inrichtingen, de saneringsverplichting pas actueel wordt op het tijdstip waarop een bouwvergunning voor een zodanig object onherroepelijk is geworden (zie de artikelen 17, derde lid, en 18, derde lid, van het besluit).

Onderdeel F

Artikel 6 is aangevuld met een regeling waarin is aangegeven vanaf welke geografische punten bij een categoriale inrichting de afstand tot de grens van het invloedsgebied gemeten moet worden in verband met de verantwoording van het groepsrisico. Die afstanden zijn gegeven in bijlage 2, tabellen 1 tot en met 3.

Onderdeel H

Deze wijziging strekt er in de eerste plaats toe een fout in de redactie van artikel 9 te herstellen. Dat artikel had betrekking op afstanden voor acuut te saneren LPG-tankstations. In het genoemde artikel was ten onrechte een verwijzing opgenomen naar artikel 18, tweede en derde lid, van het besluit. Artikel 18 van het besluit betreft de verplichting voor het bevoegd gezag om ervoor te zorgen dat kwetsbare objecten bij bestaande risicovolle inrichtingen uiterlijk op 1 januari 2010 voldoen aan de grenswaarde 10–6 per jaar. Voor categoriale inrichtingen is de bij die grenswaarde behorende afstand door de Minister van VROM voor LPG-tankstations en koel- en vriesinstallaties met ammoniak in de tabellen 2a, respectievelijk 6, en 7, van bijlage 1 vastgesteld. Daartoe strekt het tweede lid van artikel 9. Zie hiervoor de toelichting bij onderdeel I.

Op grond van de artikelen 17, derde lid, en 18, derde lid, van het besluit gelden de in het eerste respectievelijk tweede lid bedoelde afstanden ook voor situaties waarbij een bouwvergunning voor een kwetsbaar object dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit geprojecteerd was, onherroepelijk is geworden.

Onderdeel I

Ter verduidelijking is in het opschrift van bijlage 1 opgenomen dat het hier afstanden met betrekking tot het plaatsgebonden risico betreft. In tabel 1 is verduidelijkt dat de in de tabel vermelde afstand zowel voor ondergrondse als voor ingeterpte reservoirs geldt. De achtergrond hiervan is dat voor de uitvoering van beide typen LPG installaties ingevolge het Besluit LPG-tankstations milieubeheer dezelfde voorschriften gelden.

In de nieuwe tabel 2a zijn afstanden opgenomen voor bestaande LPG-tankstations. Deze saneringsafstanden, waarmee voor LPG-tankstations aan de grenswaarde 10–6 per jaar wordt voldaan, zijn gebaseerd op afspraken met de LPG-sector. In 2005 zijn afspraken gemaakt tussen het Ministerie van VROM en de LPG-sector (Vereniging Vloeibaar Gas). Een van deze afspraken houdt in dat de LPG-sector zorg draagt voor het oplossen van knelpunten met betrekking tot externe veiligheid bij LPG-tankstations door het toepassen van een verbeterde vulslang op LPG-autogastankauto’s, het aanbrengen van een hittewerende coating op LPG-autogastankauto’s en het saneren van de overblijvende knelpuntsituaties. Tevens is afgesproken dat wanneer uit onderzoek blijkt dat deze maatregelen een positief effect hebben op de aan te houden afstand tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, de regeling in overeenstemming zal worden gebracht met de nieuwe afstanden. Uit onderzoek door TNO naar de effecten van een verbeterde vulslang is gebleken dat de resultaten positief zijn (Onderzoek naar de risico’s van het losproces van LPG/Autogas-tankauto’s en mogelijke verbeteringen hierin, TNO rapport B&O-A R 2005/293, maart 2006). Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) onderschrijft de resultaten van dit onderzoek. Op 9 oktober 2006 is een test uitgevoerd naar de werking van de hittewerende coating op een LPG-autogastankauto. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een tweetal TNO rapporten (Onderzoek naar de effectiviteit van maatregelen ter voorkoming van een warme BLEVE van een autogas tankauto, TNO rapport (nummer 2006-A-R0307/B), 21 december 2006, en Bonfire test 3m3 LPG-tank voorzien van hittewerende bekleding, TNO-rapport 2006-A0R0299/B, november 2006). Het RIVM heeft ingestemd met de resultaten en conclusies van deze rapporten. Nu uit onderzoek is gebleken dat de LPG-tankstations veiliger worden als de voornoemde voorzieningen worden getroffen, kunnen de afstanden voor LPG-tankstations verkleind worden. De afstanden voor bestaande situaties zijn vastgelegd in tabel 2a van bijlage 1. De tabel regelt welke bestaande tankstations gesaneerd moeten worden. In deze tabel is uitgegaan van de afstanden van de 10–6 contour, aangenomen dat gebruik wordt gemaakt van verbeterde vulslangen en LPG-tankauto’s voorzien zijn van een hittewerende coating. Zo wordt voorkomen dat bestaande tankstations gesaneerd moeten worden, terwijl zij met in achtneming van de te treffen voorzieningen op voldoende grote afstand van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten liggen. In 2010, als de LPG-tankauto's zijn voorzien van een hittewerende coating, worden de afstanden ook voor nieuwe situaties (vergunningverlening op grond van de Wm, vaststelling bestemmingsplan etc.) verkleind.

Tabel 6, van bijlage 1 voor koel- en vriesinstallaties met ammoniak is aangevuld met een nieuwe afstandentabel. De afstanden in de tabel zoals die luidde vóór deze wijziging waren gebaseerd op berekeningen voor een representatieve installatie. Eén van de kenmerken van een zodanige installatie is dat het debiet in de vloeistofleidingen kleiner is dan 2 kg per seconde. Omdat het debiet in de vloeistofleiding voor uitvoerende en toezichthoudende instanties niet eenvoudig vastgesteld kan worden, is er destijds voor gekozen om als criterium voor de toepasselijkheid van de tabel de diameter van de leiding (maximaal DN50) te hanteren in plaats van het debiet (maximaal 2 kg/s). Hoewel dat criterium voor nieuwe installaties aansluit bij de praktijk, blijkt dat bestaande installaties vaak zijn uitgevoerd met grotere leidingdiameters. Om die reden is de vroegere tabel aangevuld met afstanden voor installaties met een leidingdiameter van maximaal DN80 en het bijbehorende pompdebiet van 3,25 kg/s. Voor installaties met een grotere leidingdiameter dan DN80 kan het risico uitsluitend door middel van een kwantitatieve risicoanalyse worden vastgesteld. De in de tabel aangegeven afstand vanaf de vloeistofleiding geldt voor met de buitenlucht in verbinding staande ammoniakvoerende leidingen naar de verdamper(s). Onder een zodanige leiding wordt in dit verband niet verstaan een op het dak van een bedrijfsgebouw liggende leiding waarover een gasdichte overkapping is aangebracht die voorzien is van een zodanige ventilatie dat in geval van het vrijkomen van ammoniak, die ammoniak wordt verdund met lucht en vervolgens wordt afgezogen. De afstanden die zijn vermeld in tabel 6 gelden zowel voor nieuwe als voor bestaande installaties. Bestaande installaties moeten zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 1 januari 2010 aan de toepasselijke afstand voldoen. Voor de goede orde zij er op gewezen dat de afstanden die zijn opgenomen in tabel 6 gedimensioneerd zijn op installaties met ammoniak als koudemiddel die voldoen aan de eisen van PGS 13 (publicatie nr. 13 van de PGS, getiteld ‘Ammoniak: toepassing als koudemiddel voor koelinstallaties en warmtepompen’, uitgifte 2005). Indien dat niet het geval is, wordt het bevoegd gezag dringend geadviseerd ervoor te zorgen dat de desbetreffende installatie alsnog zo spoedig mogelijk aan die eisen voldoet.

Aan bijlage 1 is een nieuwe tabel 7 toegevoegd voor gevallen waarin zich binnen een machinekamer meer dan één koel- of vriesinstallatie met ammoniak als koudemiddel bevindt.

Indien binnen een machinekamer meer dan één installatie aanwezig is, wordt gekeken bij welke van de aanwezige installaties volgens tabel 6, van bijlage 1 de grootste afstand hoort. Dit is installatie a. Vervolgens wordt gekeken welke van de overige installaties de grootste inhoud heeft. Dit is installatie b. De afstand tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt als volgt bepaald:

1. Installatie a ≤ 8000 kg en installatie b ≤ 3500 kg

In tabel 6, van bijlage 1 wordt de afstand opgezocht bij een installatie van hetzelfde type, met dezelfde opstellingsuitvoering en een vloeistofleiding met dezelfde diameter als installatie a, maar dan bij de eerstvolgende hogere inhoudscategorie. Deze afstand moet worden aangehouden.

2. Installatie a > 8000 kg en installatie b ≤ 3500 kg

De afstand die moet worden aangehouden, is de afstand die volgens tabel 6 bij installatie a hoort, vermeerderd met 10 meter.

3. Installatie a ≤ 6000 kg en installatie b > 3500 kg

In tabel 6, van bijlage 1 wordt de afstand opgezocht bij een installatie van hetzelfde type, met dezelfde opstellingsuitvoering en een vloeistofleiding met dezelfde diameter als installatie a, maar dan bij de tweede hogere inhoudscategorie. Deze afstand moet worden aangehouden.

4. Installatie a > 6000 kg en installatie b > 3500 kg

De afstand die moet worden aangehouden, is de afstand die volgens tabel 6 bij installatie a hoort, vermeerderd met 20 meter.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, onderdeel c, gelden de aldus bepaalde afstanden vanaf de machinekamer. Bij het bepalen van de afstanden overeenkomstig tabel 6 wordt tevens artikel 2, tweede lid, onderdeel a, in acht genomen.

Onderdeel J

In het verlengde van de aanvulling van tabel 6 van bijlage 1 (zie hiervoor onderdeel I) is tabel 3, van bijlage 2 aangevuld met afstanden tot de grens van het invloedsgebied voor installaties met een leidingdiameter groter dan DN50 en kleiner dan of gelijk aan DN80. Naast aanvulling van de tabel is de voorheen gebruikte aanduiding ‘n.v.t.’ vervangen door een liggend streepje. Daarmee wordt, duidelijker dan voorheen het geval was, aangegeven dat het groepsrisico in de desbetreffende gevallen, gelet op de grootte van de installatie, de temperatuur van de ammoniak in de installatie en de opstellingsuitvoering, niet relevant is. Het gevolg daarvan is dat het bevoegd gezag in een dergelijk geval bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in artikel 12, eerste lid, en 13, eerste lid, van het besluit, voorzover het risico veroorzaakt wordt door een ammoniakinstallatie, geen verantwoording van het groepsrisico behoeft te geven noch specifiek behoeft in te gaan op de mogelijkheden voor rampbestrijding en de mate van zelfredzaamheid van personen buiten de desbetreffende inrichting.

Onderdeel K

In bijlage 3 zijn, ter uitvoering van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, spoorwegemplacementen aangewezen waar gerangeerd wordt met gevaarlijke stoffen. Het betreft een geactualiseerde lijst van spoorwegemplacementen die externe veiligheidsrisico’s veroorzaken. Een aantal van die emplacementen was reeds opgenomen in het eindrapport inzake het project Plan van Aanpak Goederen Emplacementen (PAGE) dat in april 1988 door de toenmalige Ministers van VROM en van Verkeer en Waterstaat aan de Tweede Kamer is aangeboden (brief met kenmerk DGM/SVS/97585576, waarbij gevoegd is het eindrapport over PAGE d.d. 15 december 1997). Als gevolg van deze aanwijzing is het bevoegd gezag verplicht bij de beslissing op een aanvraag voor een Wm-vergunning voor een in de lijst opgenomen spoorwegemplacement de grenswaarde voor kwetsbare en geprojecteerde kwetsbare objecten in acht te nemen en rekening te houden met de richtwaarde voor beperkt kwetsbare en geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten die zijn vastgelegd in artikel 7 van het besluit. Daarnaast moet in de toelichting bij het besluit verantwoording worden afgelegd over de keuzen die zijn gemaakt met betrekking tot het groepsrisico, mede in het licht van de mogelijkheden voor rampbestrijding en de zelfredzaamheid van de bevolking in het invloedsgebied van het desbetreffende emplacement (zie artikel 12 van het besluit). Evenzo moet het bevoegd gezag bij de vaststelling van besluiten op het gebied van de ruimtelijke ordening die betrekking hebben op gronden die liggen binnen het invloedsgebied van een aangewezen spoorwegemplacement de grenswaarde voor kwetsbare objecten in acht nemen, rekening houden met de richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten en verantwoording afleggen over het groepsrisico, de mogelijkheden voor rampbestrijding en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking in het invloedsgebied. Gelet op het Besluit van 7 oktober 2004, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Stb. 2004, 521) zijn de artikelen 17, eerste en derde lid, en 18, eerste en derde lid, van het besluit ten aanzien van spoorwegemplacementen nog niet in werking getreden. Voor een aantal van de in bijlage 3 genoemde emplacementen – de zogenaamde PAGE-emplacementen - was in 1998 sprake van een knelpunt of dreigde een knelpunt te ontstaan als gevolg van bestaand vervoer van gevaarlijke stoffen of de groei daarvan in combinatie met (ontwikkeling van) de omgeving. Voor zover daarbij de norm voor het plaatsgebonden risico werd overschreden, is het betreffende knelpunt inmiddels opgeheven of zal dat voor 1 januari 2010 het geval zijn door het treffen van maatregelen in het kader van het project PAGE. Er is derhalve thans geen noodzaak om de saneringsgrenswaarden die in de artikelen 17 en 18 van het besluit zijn opgenomen, van toepassing te verklaren op de hier bedoelde spoorwegemplacementen. Indien nodig zullen de artikelen 17 en 18 met het oog op het terugbrengen van eventuele te hoge risico's bij spoorwegemplacementen alsnog in werking moeten treden. Het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen wordt vastgesteld bij koninklijk besluit.

Emplacementen waar gerangeerd wordt met gevaarlijke stoffen zijn enerzijds inrichtingen in de zin van de Wm, anderzijds maken zij deel uit van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet omvat onder andere de vaststelling van een net van transpoutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor in Nederland, waarbij voor de lange termijn een evenwicht wordt gecreëerd tussen het belang van dat vervoer enerzijds en het belang van ruimtelijke ontwikkeling anderzijds, een en ander in het licht van het gewenste niveau van externe veiligheid. Het voornemen van het kabinet om een Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen tot stand te brengen, is uiteengezet in de Nota Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 373, nr. 2). Voor het goed functioneren van dat Basisnet is het van belang dat het vervoer van gevaarlijke stoffen, voorzover dat niet aan beperkingen is onderworpen, kan worden afgewikkeld langs vitale knooppunten, waaronder emplacement Kijfhoek. Daarvoor moet in de vergunning worden gewaarborgd dat er voldoende capaciteit op de betreffende emplacementen aanwezig is. In de Nota Vervoer Gevaarlijke Stoffen is reeds aangegeven dat voor Kijfhoek bijzondere ruimtelijke maatregelen genomen zullen worden om het optimaal functioneren van dit emplacement in de toekomst te kunnen garanderen. Voor de overige vitale knooppunten zullen eveneens passende voorzieningen getroffen worden. Als zich daarbij knelpunten voordoen, dan kunnen er, vanwege de vitale functie van deze emplacementen in het Basisnet en de daarvoor benodigde capaciteit, ook ruimtelijke maatregelen worden getroffen.

Artikel II

Door het aanwijzen van spoorwegemplacementen door de Ministers van VROM en Verkeer en Waterstaat wordt uitvoering gegeven aan artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het besluit. Hierdoor vallen de in bijlage 3 genoemde spoorwegemplacementen onder de werking van het besluit.

In dit artikel is een overgangsbepaling opgenomen met betrekking tot de toepasselijkheid van de verantwoordingsplicht met betrekking tot het groepsrisico bij ontwerpbestemmingsplannen die in procedure zijn op het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, voor zover het desbetreffende bestemmingsplan ziet op grond binnen het invloedsgebied van een spoorwegemplacement als bedoeld in artikel 1a van de regeling. Artikel 13 van het besluit is niet van toepassing op een zodanig bestemmingsplan indien dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling ter inzage is gelegd.

Het voorgaande wil niet zeggen dat er ten aanzien van de uitgezonderde bestemmingsplannen geen verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico voor spoorwegemplacementen zou gelden. De overgangsbepaling houdt uitsluitend in dat die verantwoordingsplicht niet strikt volgens de eisen van artikel 13 van het besluit hoeft te worden vormgegeven in de toelichting van het bestemmingsplan. Elk bestemmingsplan moet immers op grond van artikel 10 van de WRO voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening. Daar hoort in voorkomend geval ook een afweging ten aanzien van het groepsrisico bij. In elk geval zal een toekomstige herziening van een bestemmingsplan dat met een beroep op die overgangsbepaling is vastgesteld, wel moeten voldoen aan de eisen die artikel 13 van het besluit stelt met betrekking tot de verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer

  • 1

    Stcrt. 2004, 183.