Algemene wet inzake rijksbelastingen. Wijziging Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998

21 maart 2007

Nr. CPP2006/2918M

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Aspectgebied Formeel Recht

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit betreft een aanpassing van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (Besluit van 19 december 1997, Stcrt. 248, zoals laatstelijk gewijzigd bij het Besluit van 23 december 2005, Stcrt. 253, hierna: BBBB 1998) op de volgende punten:

– wijziging van paragraaf 3 van het BBBB 1998 in verband met recente jurisprudentie;

– het incorporeren van de volgende beleidsbesluiten:

• Besluit van 20 juli 2000, nr. RTB2000/1173M (Tijdstip vrijwillige verbetering);

• Besluit van 9 november 2000, nr. RTB2000/2474M (Pleitbaar standpunt en verzuimboete);

• Besluit van 1 november 2001, nr. DGB2001/637M (Vrijwillige verbetering leidt onder voorwaarden niet tot een boete). Dit besluit wordt tevens op enkele punten aangepast;

• Besluit van 23 december 2005, nr. CPP2005/3244M (Dag van betaling);

– vervallen van paragraaf 30 van het BBBB 1998 in verband met de wijziging van artt. 27, 28 en 29 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA);

– het salderen van positieve en negatieve correctiebedragen per kalenderjaar of gebroken boekjaar;

– wijziging van paragraaf 31 van het BBBB 1998.

Een integrale herziening van het BBBB 1998 zal plaatsvinden bij het in werking treden van het wetsvoorstel Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, nr. 29 702).

Artikel I

De tekst van en toelichting op paragraaf 3 van het BBBB 1998 wordt ingetrokken en vervangen door:

§ 3

Toerekening

Vervallen.

Artikel II

De tekst van en toelichting op paragraaf 4 van het BBBB 1998 wordt ingetrokken en vervangen door:

§ 4

Verzuimboete/vergrijpboete

1. De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van de verzuimboete is voldoende dat aan één of meer van deze verplichtingen niet is voldaan.

2. De vergrijpboete is gericht op het bestraffen van een handelen of nalaten waarbij sprake is van opzet dan wel grove schuld. De inspecteur dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen.

3. In geval van een pleitbaar standpunt of bij afwezigheid van alle schuld (hierna te noemen: avas) legt de inspecteur geen boete op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van een pleitbaar standpunt of avas, vernietigt de inspecteur de boete. Belanghebbende dient een pleitbaar standpunt of avas te stellen en te bewijzen.

4. Van een pleitbaar standpunt is sprake als een door belanghebbende ingenomen standpunt, gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen.

Toelichting

Bij verzuimboeten gaat het in het algemeen om eenvoudig te constateren feiten.

Bij het opleggen van een verzuimboete gelden dezelfde waarborgen als bij het opleggen van een vergrijpboete, met uitzondering van de kennisgeving/hoorplicht vooraf. Het ontbreken van de kennisgeving/hoorplicht vooraf bij het opleggen van verzuimboeten is niet in strijd met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: EVRM). Het EVRM verplicht tot het mededelen van de gronden waarop de boete berust, uiterlijk bij het opleggen van de boete. Aan deze eis wordt bij het opleggen van zowel verzuim- als vergrijpboeten voldaan (zie artikel 67g van de AWR en paragraaf 15 van het besluit). Bij vergrijpboeten is echter tevens gekozen voor een kennisgeving/hoorplicht vooraf (zie artikel 67k van de AWR en paragraaf 19 van het besluit), hetgeen een verdergaand voorschrift is dan waartoe het EVRM dwingt.

Een vergrijpboete is gesteld op meer ernstige handelingen of nalatigheden. De stelplicht en bewijslast van opzet of grove schuld rusten op de inspecteur. De bij de heffing bestaande mogelijkheid om de belastingaanslag onder bepaalde voorwaarden vast te stellen met omkering van de bewijslast geldt niet voor het opleggen van vergrijpboeten.

Voor het bepalen van de grondslag van vergrijpboeten wordt, voorzover sprake is van opzet of grove schuld, aangesloten bij de feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast.

De inspecteur kan zich voor het bewijs van opzet of grove schuld baseren op door hem gestelde, en door belanghebbende niet of niet voldoende ontzenuwde vermoedens die gebaseerd zijn op feiten.

Als de inspecteur aannemelijk acht dat het standpunt van de belanghebbende pleitbaar is, laat hij het opleggen van een boete achterwege. Is al een boete opgelegd, dan wordt de boetebeschikking vernietigd. Is er sprake van een pleitbaar standpunt, dan kan de belanghebbende geen verwijt worden gemaakt dat er aanvankelijk geen of te weinig belasting is geheven. Onder een pleitbaar standpunt wordt verstaan een opvatting over de kwalificatie van de feiten of de toepassing van het recht op de feiten die in redelijkheid verdedigbaar is. Een pleitbaar standpunt sluit zowel het opleggen van een verzuimboete als een vergrijpboete uit.

Artikel III

Na de tekst van paragraaf 8 van het BBBB 1998 wordt de volgende toelichting opgenomen:

Toelichting

Voor de betalingen wordt aangesloten bij het civielrechtelijke uitgangspunt dat een betaling geacht wordt te hebben plaatsgevonden op het tijdstip waarop het verschuldigde bedrag op de rekening van de crediteur is bijgeschreven. De huisbankier van de Belastingdienst, ING Bank N.V., heeft één werkdag nodig om het op het postkantoor gestorte contante geld op de rekening van de Belastingdienst bij te schrijven. Bij de Belastingdienst/Douane kan, uitsluitend ter zake van enkele niet-fiscale douanetaken, betaald worden door middel van pin- en creditcardtransacties.

Artikel IV

a. In de toelichting op paragraaf 23 van het BBBB 1998 wordt de zinsnede ‘(zie daarvoor paragraaf 24 van het besluit)’ vervangen door de tekst ‘(zie daarvoor paragraaf 24a van het besluit)’.

b. De tekst van en toelichting op paragraaf 24 van het BBBB 1998 wordt als volgt ingetrokken en vervangen, waarbij na paragraaf 24 van het BBBB 1998 een nieuwe paragraaf 24a BBBB 1998 inclusief toelichting wordt ingevoegd:

§ 24

Aangiftebelastingen (artikel 67c van de AWR); gebleken onjuistheden

In afwijking in zoverre van paragraaf 23 zien paragraaf 24 en paragraaf 24a op de situatie waarin niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald omdat er te weinig belasting is aangegeven.

1. Indien sprake is van het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, legt de inspecteur een verzuimboete op van 10 procent van de verschuldigde belasting met een maximum van € 4.537.

2. Indien het bedrag van de belastingaanslag vermeerderd met het bedrag van de verzuimboete minder dan € 12 bedraagt, wordt geen verzuimboete opgelegd.

3. Een ingevolge artikel 67c van de AWR opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting.

4. Bij het vaststellen van de verzuimboete gaat de inspecteur uit van het kalenderjaar of (gebroken) boekjaar. Heeft de niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betaalde belasting betrekking op tijdvakken die in meer kalenderjaren of (gebroken) boekjaren vallen, dan legt de inspecteur per kalenderjaar of (gebroken) boekjaar een verzuimboete op. Heeft de niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betaalde belasting betrekking op een kortere periode dan een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar, dan berekent de inspecteur de verzuimboete uitgaande van die kortere periode.

Toelichting

Paragraaf 24 van het besluit ziet op situaties waarin de inspecteur niet in het kader van het periodieke betalingspatroon maar pas naderhand heeft kunnen constateren dat belanghebbende de belasting niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig heeft afgedragen of voldaan, omdat er te weinig belasting is aangegeven. Onder te weinig aangegeven belasting wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan niet aangegeven of te laag aangegeven belasting, dan wel niet betaalde belasting als gevolg van het feit dat belanghebbende ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.

Gelet op de aard van de in paragraaf 24 van het besluit bedoelde verzuimen waarvan de inspecteur in het kader van het normale betalingspatroon niet zonder meer op de hoogte kan raken, wordt in tegenstelling tot de in paragraaf 23 van het besluit bedoelde verzuimen, geen verzuimenreeks gehanteerd.

Voor het opleggen van de in paragraaf 24 van het besluit omschreven verzuimboeten is gekozen voor een systematiek waarbij de verzuimboete wordt berekend uitgaande van de in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting.

§ 24a

Aangiftebelastingen (artikel 67c van de AWR); vrijwillige verbetering

1. Indien sprake is van een ‘vrijwillige verbetering’ in de zin van paragraaf 28, derde lid, van dit besluit kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 5 procent met een maximum van € 4.537.

2. De inspecteur legt geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering alsnog wordt betaald minder bedraagt dan € 5.000. Ook legt de inspecteur geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering wordt betaald € 5.000 of meer maar minder dan € 12.500 bedraagt en het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering wordt betaald minder dan 20 procent bedraagt van het bedrag van de belasting die over het tijdvak/de tijdvakken waarop de vrijwillige verbetering betrekking heeft, is betaald.

3. Paragraaf 24, vierde lid van dit besluit is van overeenkomstige toepassing.

Toelichting

Paragraaf 24a van het besluit geeft inhoud aan de wijze waarop de verzuimboete wordt berekend ingeval van een zogenaamde suppletie-aangifte voor belastingen die op aangifte dienen te worden betaald. De werkingssfeer van deze paragraaf is beperkt tot die situaties waarin belanghebbende abusievelijk in eerste instantie de op aangifte te betalen belasting te laag heeft berekend, aangegeven en betaald en conform een vrijwillige verbetering van de aangifte het te weinig betaalde alsnog betaalt.

Op grond van paragraaf 28, derde lid, van het BBBB 1998 wordt ter zake van een betalingsverzuim geen vergrijpboete opgelegd als belanghebbende een vrijwillige verbetering indient. Van een vrijwillige verbetering is sprake als belanghebbende vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald. Op grond van het eerste lid van deze paragraaf kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 5 procent met een maximum van € 4.537. In het tweede lid van deze paragraaf wordt beschreven in welke situaties de inspecteur geen verzuimboete oplegt. Het betreft allereerst situaties waarin de vrijwillige verbetering minder dan € 5.000 bedraagt. Daarnaast wordt ook geen boete opgelegd in gevallen waarin de vrijwillige verbetering weliswaar € 5.000 of meer bedraagt, maar minder dan 20 procent van het bedrag van de belasting die over het tijdvak of de tijdvakken waarop de vrijwillige verbetering betrekking heeft, is afgedragen of voldaan. Deze procentuele regeling is van toepassing tot een vrijwillige verbetering van maximaal € 12.500, zodat voor een suppletie-aangifte van meer dan € 12.500 wel tot het opleggen van een verzuimboete zal worden overgegaan. Voor de toepassing van deze paragraaf is het uitgangspunt steeds dat de suppletie-aangifte alsnog leidt tot een juiste afdracht of voldoening van verschuldigde belasting.

De grensbedragen van het tweede lid van deze paragraaf worden toegepast op de tijdvakken die in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar vallen. Heeft de vrijwillige verbetering betrekking op tijdvakken die in meer kalenderjaren of (gebroken) boekjaren vallen, dan legt de inspecteur per kalenderjaar of (gebroken) boekjaar een verzuimboete op. Dit betekent dat als belanghebbende een vrijwillige verbetering indient over twee opeenvolgende kalenderjaren van € 20.000 de inspecteur nagaat welk deel van deze vrijwillige verbetering betrekking heeft op de tijdvakken die in het eerste kalenderjaar vallen en welk deel op tijdvakken die in het tweede kalenderjaar vallen. Ervan uitgaande dat de vrijwillige verbetering voor € 14.000 betrekking heeft op het eerste kalenderjaar en voor € 6.000 op het tweede kalenderjaar legt de inspecteur twee boetebeschikkingen op. Over het eerste kalenderjaar bedraagt de boete € 700 (paragraaf 24a, eerste lid, van het BBBB 1998). Over het tweede kalenderjaar bedraagt de boete € 300 als het bedrag van de vrijwillige verbetering 20 procent of meer bedraagt van het bedrag van de belasting die over de tijdvakken die in het tweede kalenderjaar vallen is betaald (paragraaf 24a, tweede lid, van het BBBB 1998). Heeft de vrijwillige verbetering betrekking heeft op een kortere periode dan een kalender jaar of (gebroken) boekjaar, dan berekent de inspecteur de verzuimboete uitgaande van die kortere periode.

Onder te weinig betaalde belasting wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan niet betaalde belasting als gevolg van niet aangegeven of te laag aangegeven belasting, dan wel niet betaalde belasting als gevolg van het feit dat belanghebbende ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.

De inspecteur kan in het kader van het normale betalingspatroon niet zonder meer op de hoogte komen van een vrijwillige verbetering. Daarom wordt, in tegenstelling tot de in paragraaf 23 van het besluit bedoelde verzuimen, geen verzuimenreeks gehanteerd.

Voor het opleggen van de in paragraaf 24a van het besluit omschreven verzuimboeten is gekozen voor een systematiek waarbij de verzuimboete wordt berekend uitgaande van de in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting.

Artikel V

De tekst van en toelichting op paragraaf 28 van het BBBB 1998 wordt ingetrokken en vervangen door:

§ 28

Aangiftebelastingen (artikel 67f van de AWR)

1. Met betrekking tot belastingen die op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, legt de inspecteur een vergrijpboete op indien het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende is te wijten dat de belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet tijdig is betaald.

2. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen van belasting legt de inspecteur de vergrijpboete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag. Indien wegens niet tijdige betaling van belasting geen naheffingsaanslag wordt opgelegd of in het geval bedoeld in artikel 67f, vijfde lid, van de AWR wordt de vergrijpboete opgelegd bij een afzonderlijke beschikking. De bevoegdheid om deze vergrijpboete op te leggen vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

Ook voor deze vergrijpboeten geldt in voorkomende gevallen een verlenging van de termijn voor het opleggen van de boete met ten hoogste zes maanden na de vaststelling van de naheffingsaanslag. Hetgeen hierover in paragraaf 27 van dit besluit is opgemerkt, is van overeenkomstige toepassing.

3. Indien de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, niet of gedeeltelijk niet is betaald maar belanghebbende, vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald, legt de inspecteur geen vergrijpboete op (‘vrijwillige verbetering’) als bedoeld in artikel 67f van de AWR.

4. Paragraaf 24, vierde lid, eerste volzin, van dit besluit is van overeenkomstige toepassing.

Toelichting

Bij de aangiftebelastingen staat de betaling voorop. De verschuldigde belasting bij aangiftebelastingen wordt voldaan of afgedragen op aangifte. De aangifte is het geleideformulier dat aangeeft waarop de betaling betrekking heeft. Het niet doen van aangifte bij aangiftebelastingen is dan ook alleen beboetbaar als verzuim. Het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen is beboetbaar met een verzuim- of een vergrijpboete.

Het als gevolg van het opzettelijk dan wel grofschuldig niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, kan door de inspecteur worden beboet met een vergrijpboete.

Van uitdrukkelijk kenbaar maken in de zin van paragraaf 28, derde lid, van het besluit is sprake indien belanghebbende een afzonderlijke schriftelijke opgave verstrekt die de inspecteur in staat stelt om zonder nader onderzoek een juiste naheffingsaanslag op te leggen. Het enkel vermelden van een balansschuld (al dan niet met toelichting) in de jaarstukken kan derhalve niet worden aangemerkt als uitdrukkelijk kenbaar maken in de zin van paragraaf 28 van het besluit.

Het bewijs dat er geen sprake is van een vrijwillige verbetering dient te worden geleverd door de inspecteur aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. De termijn waarbinnen de verbetering plaatsvindt, speelt daarbij op zichzelf geen rol. Er is geen sprake van een vrijwillige verbetering als de inspecteur geconstateerd heeft dat te weinig belasting is afgedragen of ingehouden en belanghebbende over deze bevinding is geïnformeerd. Belanghebbende kan ook niet meer vrijwillig verbeteren nadat hem is medegedeeld dat een boekenonderzoek zal worden ingesteld.

Artikel VI

De tekst van en toelichting op paragraaf 30 van het BBBB 1998 wordt ingetrokken en vervangen door:

§ 30

Boeten op grond van de artikelen 27 en 28 van de WVA

Vervallen.

Artikel VII

De tekst van en toelichting op paragraaf 31 van het BBBB 1998 wordt ingetrokken en vervangen door:

§ 31

Niet of niet tijdig indienen opgaaf ICL/indienen onjuiste of onvolledige opgaaf ICL

1. Indien belanghebbende de opgaaf ICL niet indient binnen de wettelijk gestelde termijn, ontvangt hij een mededeling waarin hij wordt verzocht om dit alsnog te doen binnen de in die mededeling gestelde termijn. Bij deze mededeling wordt hij tevens gewaarschuwd dat aan hem een verzuimboete wordt opgelegd, indien hij niet binnen deze termijn een volledige en juiste opgaaf ICL indient.

Indien belanghebbende een onvolledige of onjuiste opgaaf ICL indient, ontvangt hij een mededeling waarin hij wordt verzocht de ontbrekende of onjuiste gegevens aan te vullen respectievelijk te herstellen binnen de in die mededeling gestelde termijn. Bij deze mededeling wordt hij tevens gewaarschuwd dat aan hem een verzuimboete wordt opgelegd, indien hij niet alsnog binnen deze termijn een volledige en juiste opgaaf ICL indient.

2. Van een onvolledige opgaaf ICL is sprake, indien één of meerdere BTW-identificatienummer(s) ontbreken. Van een onjuiste opgaaf ICL in de zin van deze paragraaf is sprake, indien één of meerdere onjuiste BTW-identificatienummer(s) zijn vermeld.

3. Bij het opleggen van de verzuimboete wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede/derde en vierde/volgend verzuim. Van een tweede/derde, respectievelijk vierde en volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vierentwintig maanden reeds één respectievelijk twee, drie of meer keer de opgaaf ICL niet of niet binnen de in de mededeling gestelde termijn heeft ingediend of een onvolledige c.q. onjuiste opgaaf ICL heeft ingediend als bedoeld in deze paragraaf en die onvolledigheid c.q. onjuistheid niet of niet binnen de in de mededeling gestelde termijn heeft hersteld.

Bij vernietiging van de boetebeschikking wegens avas telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.

4. In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur een boete op van € 113. In geval van een tweede of derde verzuim legt hij een boete op van € 226. In geval van een vierde/volgend verzuim legt hij een boete op van € 1.134.

5. In uitzonderlijke gevallen kan een verzuimboete van maximaal € 4.537 worden opgelegd.

Toelichting

In paragraaf 31 van het besluit wordt het niet of niet tijdig indienen van de opgaaf ICL of het indienen van een onjuiste of onvolledige opgaaf ICL als beboetbare gedraging vermeld. Alvorens een verzuimboete op te leggen, wordt belanghebbende in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen. Indien deze termijn is verstreken, wordt de verzuimboete opgelegd. De hoogte van de verzuimboete is afhankelijk van het aantal malen dat het verzuim zich voordoet binnen een periode van 24 maanden. In uitzonderlijke gevallen kan de maximale boete, genoemd in artikel 40 van de Wet OB, worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval is bijvoorbeeld sprake indien de opgaaf ICL stelselmatig niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig wordt ingediend.

Artikel VIII

De toelichting op paragraaf 44 van het BBBB 1998 wordt ingetrokken en vervangen door:

Toelichting

Bij wanverhouding gaat het om het antwoord op de vraag hoe ernstig de normschending in het concrete geval moet worden opgevat. De afweging moet leiden tot een sanctie die in evenredigheid staat tot de ernst van het feit (proportionaliteit). Indien de inspecteur zelf tot de gevolgtrekking komt dat van een wanverhouding sprake is, vermindert hij de boete op eigen initiatief. Zo kan een inspecteur een boete gedeeltelijk matigen indien en voor zover de aan het eind van een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar verschuldigde loon- of omzetbelasting openlijk en als zodanig ter kennis is gebracht middels een vereiste winstaangifte zonder dat sprake is van een volledige vrijwillige verbetering zoals bedoeld in paragraaf 28, derde lid, van dit besluit.

Bij verzachtende omstandigheden ligt de nadruk op buiten de (directe) invloedssfeer van belanghebbende liggende gebeurtenissen. Voor de beoordeling of die omstandigheden tot matiging van de boete aanleiding kunnen geven, kan het van belang zijn of, dan wel in hoeverre, belanghebbende maatregelen heeft getroffen of had kunnen treffen om het verzuim of vergrijp te voorkomen.

Artikel IX

De tekst van paragraaf 47 van het BBBB 1998 wordt ingetrokken en vervangen door:

§ 47

Slotbepaling

1. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998.

2. De citeertitel kan worden afgekort tot: BBBB 1998.

Artikel X

In te trekken beleidsbesluiten

De volgende besluiten worden hierbij ingetrokken:

– Besluit van 15 februari 1988, nr. 587-20322 (Navorderings- en verhogingsbeleid m.b.t. rente in verband met verruimde renterenseignering);

– Besluit van 20 juli 2000, nr. RTB2000/1173M (Tijdstip vrijwillige verbetering);

– Besluit van 9 november 2000, nr. RTB2000/2474M (Pleitbaar standpunt en verzuimboete);

– Besluit van 1 november 2001, nr. DGB2001/637M (Vrijwillige verbetering leidt onder voorwaarden niet tot een boete);

– Besluit van 18 december 2001, nr. DGB2001/1694M (Sancties bij jaarafsluiting loon- en omzetbelasting);

– Besluit van 23 december 2005, nr. CPP2005/3244M (Dag van betaling).

Artikel XI

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Artikel V werkt terug tot en met 1 januari 2006 en artikel VII zal ingaan met ingang van 1 april 2007.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 21 maart 2007.
De Staatssecretaris van Financiën,
namens deze:
de directeur-generaalBelastingdienst, J. Thunnissen.

Toelichting

Artikelsgewijs

Artikel I

In paragraaf 3 van het besluit was bepaald dat een handelen of nalaten van een derde, die voor of namens belanghebbende optreedt, aan de belanghebbende wordt toegerekend. Deze regel berustte op vaste jurisprudentie (onder meer Hoge Raad van 15 juli 1988, nr. 24483, hierna: BNB 1988/270).

Op 1 december 2006 heeft de Hoge Raad een tweetal arresten gewezen (nrs. 40369 en 40518) waarin wordt teruggekomen op eerdergenoemd arrest BNB 1988/270. De Hoge Raad achtte het namelijk ‘geraden ook voor (bestuursrechtelijke) fiscale vergrijpboetes de mogelijkheid van toerekening van opzet of grove schuld van een ander dan de belastingplichtige aan de belastingplichtige uit te sluiten’. Zodoende heeft de toerekeningsbepaling van paragraaf 3 van het BBBB 1998 haar belang verloren en kan komen te vervallen.

Artikel II

Door toevoeging van het derde en vierde lid aan paragraaf 4 van het BBBB 1998 wordt het besluit van 9 november 2000, nr. RTB2000/2474M (Pleitbaar standpunt en verzuimboete) in het BBBB 1998 opgenomen. Met de overige tekstuele aanpassingen wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel III

In het besluit van 23 december 2005, nr. CPP2005/3244M (Dag van betaling) is paragraaf 8 inclusief toelichting gewijzigd. Daarbij is de toelichting op paragraaf 8 van het BBBB 1998 als motivering van het desbetreffende wijzigingsbesluit opgenomen met als gevolg dat in het BBBB 1998 de toelichting op paragraaf 8 van het BBBB 1998 is komen te ontbreken. Deze omissie wordt met dit artikel rechtgezet waarmee overigens geen inhoudelijke wijziging is beoogd.

Artikel IV

Door toevoeging aan het besluit van paragraaf 24a van het BBBB 1998 wordt het besluit van 1 november 2001, nr. DGB2001/637M (Vrijwillige verbetering leidt onder voorwaarden niet tot een boete) in het BBBB 1998 opgenomen. De wijziging van de aanhef van paragraaf 24 van het BBBB 1998 hangt hiermee samen. Daarnaast zijn de grensbedragen van paragraaf 24a van het BBBB 1998 ten opzichte van het oude besluit verhoogd.

Tevens wordt in het vierde lid van paragraaf 24 van het BBBB 1998 en in paragraaf 24a, derde lid, van het BBBB 1998 geregeld dat met betrekking tot het vaststellen van de boetebeschikking(en) positieve en negatieve correctiebedragen niet buiten het kalenderjaar of (gebroken) boekjaar met elkaar mogen worden gesaldeerd.

Artikel V

Door wijziging van de toelichting op paragraaf 28 van het BBBB 1998 wordt het besluit van 20 juli 2000, nr. RTB2000/1173M (Tijdstip vrijwillige verbetering) in het BBBB 1998 opgenomen.

Tevens wordt in paragraaf 28, vierde lid, van het BBBB 1998 geregeld dat met betrekking tot het vaststellen van de boetebeschikking(en) positieve en negatieve correctiebedragen niet buiten het kalenderjaar of (gebroken) boekjaar met elkaar mogen worden gesaldeerd.

Artikel VI

Met de invoering van het Belastingplan 2006 is de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) met ingang van 1 januari 2006 vereenvoudigd (derde nota van wijziging, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 306, nr. 31) en zijn de boetebepalingen van de artikelen 27, 28 en 29 van de WVA komen te vervallen. Paragraaf 30 van het BBBB 1998 gaf een beleidsmatige invulling aan deze artikelen en komt daarmee eveneens te vervallen.

Ter vermijding van misverstanden wordt opgemerkt dat paragraaf 30 van het BBBB 1998 zijn werking behoudt voor tijdvakken welke zijn gelegen vóór 1 januari 2006.

Artikel VII

In de huidige paragraaf 31 van het besluit staan twee afzonderlijke categorieën beboetbare gedragingen vermeld met elk een eigen verzuimenreeks. De eerste categorie (paragraaf 31, eerste lid) betreft het niet of niet tijdig indienen van de opgaaf intracommunautaire leveringen (hierna: opgaaf ICL). De tweede categorie betreft het indienen van een onjuiste of onvolledige opgaaf ICL (paragraaf 31, tweede lid).

Om een verzuimboete op grond van paragraaf 31 van het BBBB 1998 op te leggen zal voorafgaand een mededeling aan belanghebbende moeten zijn verzonden. Een verzuimboete kan pas worden opgelegd ter zake van het beboetbare feit dat tot het verzenden van de mededeling aanleiding heeft gegeven. Als belanghebbende een mededeling ontvangt wegens het niet indienen van een opgaaf ICL en hij naar aanleiding van de daarvoor verzonden mededeling vervolgens een onjuiste of onvolledige opgaaf ICL indient, kan er geen verzuimboete worden opgelegd. Dan moet eerst een tweede mededeling worden verzonden waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld om een volledige en juiste opgaaf ICL in te dienen.

Een voortvarende gegevensuitwisseling ter zake van intracommunautaire transacties met andere Europese lidstaten is nodig om de fiscale risico’s van het wegvallen van de binnengrenzen zoveel mogelijk te beperken. Het huidige boetebeleid (waarin in voorkomende gevallen twee mededelingen moeten worden verzonden voordat een verzuimboete kan worden opgelegd) is te weinig effectief. Daarom is besloten om terug te keren naar de oude situatie van paragraaf 18d van het Voorschrift administratieve boeten 1993.

Artikel VIII

De aanvulling van de toelichting op paragraaf 44 van het BBBB 1998 hangt samen met het intrekken van het besluit van 18 december 2001, nr. DGB2001/1694M; zie de toelichting op artikel X). Dit specifieke beleidsbesluit zag op een gematigd boeteregime met betrekking tot balansschulden loon- en omzetbelasting. Door de gewijzigde redactie van de toelichting op paragraaf 44 van het BBBB 1998 wordt deze matiging wederom vormgegeven.

Artikel IX

Met deze aanpassing wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel X

De in dit artikel vermelde besluiten worden opgenomen in het BBBB 1998, met uitzondering van het besluit van 15 februari 1988, nr. 587-20322 en het besluit van 18 december 2001, nr. DGB2001/1694M.

Het besluit van 15 februari 1988, nr. 587-20322 wordt ingetrokken en niet opgenomen, omdat het specifiek verhogingsbeleid betreft voor belastingjaren die niet meer in de heffing kunnen worden betrokken. Het besluit van 18 december 2001, nr. DGB2001/1694M wordt ingetrokken en niet opgenomen, omdat het grotendeels door wetgeving en jurisprudentie is achterhaald waardoor het niet meer voldoet aan zijn doelstelling, namelijk het bevorderen van een efficiënte werkwijze met betrekking tot specifieke werkstromen met een massaal karakter (zie overigens ook artikel VIII).

Naar boven