Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2007, 44 pagina 18 | Overig |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2007, 44 pagina 18 | Overig |
22 februari 2007
VGP/PSL 2751205
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport maakt de onderliggende notitie behorende bij het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen bekend:
Reikwijdte notitie behorende bij het Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen (WAS)
(Herziening reikwijdte attractiebesluit (RBVAS) - versie 12-11-98)
Het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (WAS) richt zich op het terugdringen van ongevallen ten gevolge van attractie- en speeltoestellen, door voor te schrijven dat het toestel enerzijds zelf geen aanleiding vormt voor ongevallen en anderzijds zo min mogelijk letsel veroorzaakt bij ongevallen, die voortkomen uit het gedrag van het publiek, dat niet overeenkomstig de bestemming is van het toestel, maar wel redelijkerwijs te verwachten is.
Vooral kinderen kunnen creatief zijn in hun speelgedrag, waardoor vele inrichtingen/constructies als speel- of attractietoestel door kinderen gebruikt zouden kunnen worden. Hierbij kan aangemerkt worden dat de eisen in het WAS zich vooral richten op het terugbrengen van niet- aanvaardbare risico’s, aangezien het spelen op zich zal altijd enige vorm van risico met zich mee zal brengen. In deze herziene reikwijdte notitie van het WAS zal nader worden ingegaan op de vraag welke inrichtingen/constructies (mede gezien hun plaatsing) als speeltoestel of als attractietoestel onder het WAS aangemerkt kunnen worden. Tevens biedt deze herziene reikwijdte notitie een tweetal stroomschema’s welke houvast kunnen bieden om dit te bepalen. In tabellen worden voorbeelden van inrichtingen/constructies gegeven die wel of niet onder het WAS vallen. De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) houdt toezicht op het WAS en kan deze lijst onderhouden en actueel houden.
Spelen is veelal een bezigheid voor opgroeiende kinderen, waarbij zij lichamelijke en sociale vaardigheden kunnen ontwikkelen. Spelen is vooral gericht op vermaak, recreatie en ontspanning. Het is goed mogelijk dat door het spelen het lichaam getraind wordt, echter bij spelen ligt hier niet zo specifiek de nadruk op, zoals dat bij sportbeoefening wel het geval is. Sport is gericht op het (blijven) verbeteren van bepaalde specifieke lichamelijke vaardigheden of eigenschappen, vaak in combinatie met prestatie en/of competitie.
Wanneer is een inrichting/constructie een speeltoestel als bedoeld in het WAS?
Speeltoestellen worden in het Warenwetbesluit attractie en speeltoestellen (WAS) gedefinieerd als een inrichting voor vermaak of ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt.
De betekenis van een inrichting is hier: samenstel van toestellen, constructie. Bij een speeltoestel welke onder het WAS valt, gaat het om een ‘permanente’ inrichting/constructie; een inrichting/constructie die bedoeld is bij productie of bij plaatsing op locatie om op de lange(re) termijn bespeeld te worden voor vermaak of ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt. Het kan dus ook een inrichting/constructie zijn die meerdere keren op- en afgebouwd kan worden. Eenmalig op te zetten en te gebruiken speeltoestellen op bouwspeelplaatsen vallen niet onder deze definitie.
De nadruk bij een speeltoestel ligt dus op recreatie, vermaak en ontspanning en niet op behendigheid, lichaamsoefening- en training al dan niet in combinatie met prestatie en/of competitie.
‘Directe’ en ‘indirecte’ speeltoestellen
Het onderscheid kan gemaakt worden in inrichtingen/constructies die direct als speeltoestel aan te merken zijn en inrichtingen/constructies die voornamelijk door hun plaatsing op een bepaalde locatie aan te merken zijn als speeltoestel (indirect).
In het eerste geval gaat het om inrichtingen/constructies die bij fabricage/ontwerp bedoeld zijn als speeltoestel en aan alle bovengenoemde kenmerken voldoen. Hierbij kan gedacht worden aan de glijbaan, de wipkip, het klimrek e.d. Een dergelijk speeltoestel valt echter alleen als speeltoestel onder het WAS wanneer het beschikbaar is gesteld/geplaatst is op een terrein voor publiek gebruik (zie verderop in de tekst voor de omschrijving van de speelomgeving).
Een inrichting/constructie die niet bij fabricage bedoeld is als speeltoestel valt echter alleen als speeltoestel onder het WAS wanneer het aan de eerder genoemde algemene kenmerken voldoet (het kenmerk van ontspanning en vermaak kan hier achterwege blijven) én geplaatst is op een terrein voor publiek gebruik waar minimaal één constructie/inrichting is geplaatst die direct als speeltoestel (of attractietoestel) aan te merken is.
Bij inrichtingen/constructies die indirect als speeltoestel aan te merken zijn gaat het wel om inrichtingen/constructies met een duidelijke speelwaarde; de inrichting/constructie kan daarbij extra toegankelijk gemaakt of bewerkt zijn (bijvoorbeeld verlaagd of opengewerkt) waardoor de inrichtingen/constructies extra aantrekkelijk zijn voor kinderen en daarmee ook zogenaamde speelrisico’s (vallen, beknelling, snijden) met zich meebrengen. Een gewone prullenbak of een zitbankje (geen duidelijke speelwaarde of bewerking/aanpassing) valt hier dus niet onder.
Het beoogd gebruik en de toepassing van een inrichting/constructie en de mogelijke speelrisico’s, die samenhangen met de locatie van een inrichting/constructie, speelt dus een grote rol in het bepalen of een inrichting/constructie een speeltoestel is volgens het WAS of niet.
Publieke/private speelomgeving
Het besluit is uitsluitend van toepassing op speeltoestellen die beschikbaar zijn gesteld voor publiek gebruik. De term publiek gebruik dient breed te worden geïnterpreteerd. Speeltoestellen in kinderdagverblijven en in niet vrij toegankelijke instellingen/terreinen en/of wanneer dit door ledenverband beperkt is, vallen wel degelijk onder het besluit. Het maakt daarbij niet uit of de speeltoestellen zich buiten of binnen bevinden. Er is slechts sprake van particulier gebruik, indien het speeltoestel uitsluitend in de sfeer van de particuliere huishouding wordt gebruikt, waar toezicht van overheidswege inbreuk op de privé-sfeer zou betekenen. Hierbij kan gedacht worden aan een speeltoestel dat zich bevindt in de tuin behorende bij een particuliere woning.
Een publiek terrein of plaats waar zich één of meerdere toestellen bevinden die direct als speeltoestellen (of attractietoestellen) aan te merken zijn zoals eerder beschreven kan gedefinieerd worden als een publiek speel(-attractie)terrein.
In tegenstelling tot een ‘direct’ speeltoestel, bepaalt een inrichting/constructie die niet bij fabricage/ontwerp bedoeld is als speeltoestel niet of een terrein een publiek speel(-attractie) terrein is.
De aanwezigheid van een dergelijke inrichting/constructie op een publiek speel(-attractie)terrein (dan is er dus al minimaal één ‘direct’ speeltoestel of attractietoestel aanwezig), bepaalt wel of de inrichting/constructie in die situatie als (indirect) speeltoestel onder het WAS kan worden aangemerkt.
De fysieke begrenzing van een publiek speel(-attractie)terrein is mogelijk in de praktijk niet altijd eenduidig. Wanneer constructies/inrichtingen die niet direct als speeltoestel aan te merken zijn (zie eerdere uitleg) een vrije en directe ligging hebben ten opzichte van het terrein met andere speeltoestellen (en/of attractietoestellen), kunnen deze onder het WAS vallen. Dit zal per situatie beoordeeld moeten worden. Uiteraard blijft het uitgangspunt hierbij het terugbrengen van niet-aanvaardbare risico’s ten gevolge van het beoogd gebruik.
Een ‘direct’ speeltoestel, valt, indien het beschikbaar is voor publiek gebruik, altijd onder het WAS, ongeacht de ligging ten opzichte van een (ander) publiek speel(-attractie)terrein.
Sporttoestellen versus speeltoestellen
Zoals eerder al is beschreven is sport erop gericht om bepaalde specifieke lichamelijke vaardigheden of eigenschappen te (blijven) verbeteren, vaak in combinatie met prestatie en/of competitie. Sporttoestellen zijn bedoeld om aan het verbeteren van deze lichamelijke vaardigheden of eigenschappen bij te dragen. In sommige gevallen kunnen sporttoestellen echter als speeltoestel onder het WAS vallen.
Sporttoestellen die zijn aangepast en hierdoor een toegevoegde speelwaarde hebben voor spelende kinderen (bijvoorbeeld een klimelement aan een voetbaldoel), kunnen worden aangemerkt als een speeltoestel en vallen dus (direct) onder het WAS wanneer zij op een publiek speelterrein zijn geplaatst.
Sporttoestellen die níet zijn aangepast en hierdoor geen toegevoegde speelwaarde hebben voor spelende kinderen kunnen echter wél onder het WAS vallen, wanneer ze geplaatst zijn op een terrein voor publiek gebruik waar minimaal één constructie/inrichting is geplaatst die direct als speeltoestel (of attractietoestel) aan te merken is (bijvoorbeeld een glijbaan, wipkip, klimrek etc). Het gaat dan alleen om sporttoestellen die net als reguliere speeltoestellen een potentieel speelrisico (vallen, beknelling, snijden) met zich mee kunnen brengen. Voorbeelden van sporttoestellen die een speelrisico met zich meebrengen wanneer zij geplaatst zijn op een speelterrein, zijn klimwanden en fitnesstoestellen.
Sporttoestellen (al dan niet aangepast) die zich níet op een publiek speelterrein bevinden (zie daarvoor ook de definitie verderop in de tekst), vallen niet onder het WAS.
Sporttoestellen die níet zijn aangepast, hierdoor geen toegevoegde speelwaarde hebben en niet of nauwelijks een speelrisico met zich meebrengen zoals pannakooien, basketbaldoelen, volleybalinrichtingen, voetbaldoelen vallen daarom niet onder het WAS, ook niet als zij op een publiek speelterrein geplaatst zijn.
Speelgoed versus speeltoestellen
Het onderscheid tussen een speeltoestel en speelgoed hangt onder andere samen met het speelgebruik. Zo is het spel ten aanzien van speeltoestellen vaak te omschrijven door middel van de voorzetsels; op, in, aan en onder. Speelgoed is ontworpen of bestemd om bij het spelen door kinderen te worden gebruikt. Speelgoed heeft veelal kleinere afmetingen en een mobiel karakter. Het spel ten aanzien van speelgoed is vaak te omschrijven door middel van de voorzetsels: mee en met. Speelgoed valt onder het Warenwetbesluit speelgoed.
Speeltoestellen die zijn ontworpen voor de particuliere huishouding, veelal van kunststof, zogenaamde activity toys, vallen echter wél onder het WAS wanneer zij geplaatst zijn en bespeelbaar zijn in een publieke ruimte. Dit geldt dus voor activity toys in de kinderopvang, bij horecagelegenheden en bij winkel- en tuincentra.
Stroomschema WAS-Speeltoestellen
Onderstaand stroomschema kan houvast bieden bij het bepalen of een inrichting als speeltoestel onder het WAS valt of niet. Het stroomschema zal mogelijk niet in alle gevallen uitsluitsel kunnen geven. In dergelijke gevallen en bij twijfel is het raadzaam de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) te consulteren. De VWA, als toezichthouder op het WAS, kan specifieke situaties toetsen aan het WAS en deze reikwijdte notitie nader interpreteren.

Voorbeelden van toestellen die wel/niet onder het WAS vallen
Ter verduidelijking worden in tabel 1 en 2 voorbeelden aangegeven die op basis van bovenstaand stroomschema wel of niet onder het WAS vallen.
Tabel 1: Speeltoestellen onder het WAS | |
|---|---|
Onder het WAS vallen als speeltoestel: | |
• | Producten/inrichtingen/constructies die niet primair als speeltoestel zijn ontworpen en verhandeld (bijvoorbeeld een oude boot, tractor, auto, kunstobjecten), met speelwaarde en bijbehorende risico’s en op een speelterrein worden geplaatst. |
• | Op speelterreinen (doelbewust) geplaatste natuurlijke materialen die zijn bewerkt (gelakt, opengewerkt etc.) of verwerkt in een constructie/opstelling met meerdere/andere (natuurlijke) materialen èn door deze bewerking of verwerking expliciet uitnodigen tot ‘spelen’. |
• | Zandbakken en ballenbakken op een (speel-) terrein voor (beperkt) publiek gebruik. |
• | ‘Activity toys’ die zich op een (speel-)terrein bevinden waar publiek speelgebruik mogelijk is, zoals bijvoorbeeld in de kinderopvang, bij horecagelegenheden en bij winkel- en tuincentra. |
• | Luchtkussens, glijkussens, kantelmuren, grote opblaasbare speelkasten, voorzien van een motorische component die niet bijdraagt aan de voortbeweging van personen, met een duidelijk speelelement (springen, rennen, klimmen). (Die niet enkel omheining/begrenzing zijn van een activiteit en daardoor geen onderdeel zijn van het spelen). |
• | Klimwanden, trampolines (zonder elektrische aanspanner) wanneer deze geplaatst zijn op een speelterrein of onderdeel zijn van een speeltoestel. Klimwanden, trampolines, luchtkussens etc. op braderieën vallen onder het WAS wanneer deze bespeelbaar zijn voor het publiek en er sprake is van een inrichting/constructie die bij ontwerp bedoeld is om meerdere keren te kunnen worden opgezet en gebruikt (dus geen eenmalige inrichting/constructie). Ook klimelementen die aan een schoolmuur gemonteerd zijn, is een klimwand die onder het WAS valt. |
• | Toestellen die mogelijk bestaan uit enkel natuurlijke materialen (maar wel in een constructie verwerkt zijn en hierdoor expliciet uitnodigen tot spelen) en bijvoorbeeld geplaatst zijn in zogenaamde ‘speelbossen’. |
• | Skelterbanen, rodelbanen die niet motorisch zijn aangedreven en skateboardbanen. |
• | Veerpontjes, vlotten die zich op een publiek speelterrein bevinden en waarbij de nadruk van het gebruik ligt op spelen (speelwaarde en bijbehorende risico’s) en niet op transport. |
• | (Functioneel) meubilair in de kinderopvang met een speelelement |
• | Bungee-/bungyjumpen; het ‘eraf springen’ is het speelelement en de constructie die direct verbonden is aan dit speelelement valt als speeltoestel onder het WAS. (De veiligheid van de hijskraan valt onder het Warenwetbesluit Machines. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op dit onderdeel van het besluit) |
• | Waterglijbanen en waterspeeltoestellen (geen decoratieve materialen zoals een waterspuitende olifantskop) |
NB: Ook speeltoestellen die verhuurd of gehuurd worden en beschikbaar zijn voor publiek gebruik vallen onder het WAS. | |
Tabel 2: Geen speeltoestellen onder het WAS | |
|---|---|
Niet onder het WAS vallen als speeltoestel: | |
• | Tijdelijk geconstrueerde bespeelbare objecten, die als element van hun spel door kinderen onder toezicht worden vervaardigd zoals bouwspeelplaatsen, zijn geen speeltoestellen en vallen niet onder het WAS. |
• | Kunstobjecten die buiten speelterreinen geplaatst zijn, ongeacht hun uiterlijke kenmerken. |
• | Natuurlijke materialen op speelterreinen die niet doelbewust zijn geplaatst met het oogmerk ‘spelen’ en niet expliciet uitnodigen tot spelen (door bijvoorbeeld een bewerking), zoals boomstammen (bomen). |
• | Speeltoestellen of spelinrichtingen die gebruikt worden in de huishoudelijke omgeving (particulier gebruik) . |
• | Functioneel meubilair zonder speelelement (bijvoorbeeld in de kinderopvang of in winkels). |
• | Hobbeldieren, loopwagens, kleine fietsjes, stapelbare blokken, los te plaatsen kleine zandbaktafels etc. |
• | Veerpontjes, vlotten die niet geplaatst zijn op een speelterrein. |
• | Skibanen, kanobanen (zonder motorische aandrijving) buiten speelterreinen. |
• | Kratstapelen buiten speelterreinen (bijv. in gymzalen, braderieën, outdoorterreinen etc). |
• | Toestellen/inrichtingen ten behoeve van outdooractiviteiten (ook abseilen, tokkelen) buiten speelterreinen. |
• | Toestellen/inrichtingen ten behoeve van zeskamp & spel buiten speelterreinen (behalve luchtkussens die onderdeel zijn van spelen- zie luchtkussens in tabel 1). |
• | Militaire klimobjecten, trimparcoursen, stormbanen, die ook als zodanig gebruikt worden buiten speelterreinen. |
• | Toestellen/inrichtingen die primair zijn bestemd voor sportbeoefening (zoals klimwanden en trampolines) en geplaatst zijn op voor sportbeoefening bestemde locaties (sporthallen, gymzalen, speellokalen op scholen). |
• | Toestellen/inrichtingen die specifiek ontwikkeld en toegepast worden voor therapeutische doeleinden. |
• | Speeltoestellen die al dan niet ontworpen zijn voor de particuliere huishouding en toegepast worden in de particuliere huishouding (waaronder ‘activity toys’). |
• | Niet aangepaste (geen toegevoegde speelwaarde en bijbehorende risico’s hebbende) pannakooien, basketbaldoelen, volleybalinrichtingen, voetbaldoelen op èn buiten speelterreinen. |
Wanneer is een inrichting een attractietoestel als bedoeld in het WAS?
Attractietoestellen worden in het Warenwetbesluit attractie en speeltoestellen gedefinieerd als een al dan niet permanent geïnstalleerde inrichting ter voortbeweging van personen, die bestemd is voor vermaak of ontspanning en die aangedreven wordt door een niet- menselijke energiebron.
De betekenis van een inrichting is hier: samenstel van toestellen, constructie. Bij een attractietoestel gaat het om een ‘permanente’ inrichting/constructie; een inrichting/constructie die bedoeld is bij productie of bij plaatsing op locatie om op de lange(re) termijn gebruikt wordt voor vermaak of ontspanning en die aangedreven wordt door een niet-menselijke energiebron. Het kan dus ook een inrichting/constructie zijn die meerdere keren op- en afgebouwd kan worden. De nadruk ligt dus op recreatie, vermaak en ontspanning en niet op transport, behendigheid, prestatie, competitie, lichaamsoefening- en training. De inrichting/constructie op zichzelf bepaalt voor het overgrote deel het speelplezier of het spanningselement, het gedrag van de gebruiker is van ondergeschikt belang aan het spanningselement. De gebruiker zou zich met vertrouwen moeten kunnen overgeven aan de inrichting/constructie.
‘Directe’ en ‘indirecte’ attractietoestellen
Het onderscheid kan gemaakt worden in inrichtingen/constructies die direct als attractietoestel aan te merken zijn en inrichtingen/constructies die voornamelijk door hun plaatsing op een bepaalde locatie aan te merken zijn als attractietoestel (indirect).
In het eerste geval gaat het om inrichtingen/constructies die bij fabricage/ontwerp bedoeld zijn als attractietoestel en aan alle bovengenoemde kenmerken voldoen. Een dergelijk attractietoestel valt echter alleen als attractietoestel onder het WAS wanneer het beschikbaar is gesteld/geplaatst is op een terrein voor publiek gebruik (zie verderop in de tekst voor definitie publiek/privaat).
Een inrichting/constructie die niet bij fabricage bedoeld is als attractietoestel (maar bijvoorbeeld als sportinrichting) valt echter alleen als attractietoestel onder het WAS wanneer het aan de eerder genoemde algemene kenmerken voldoet (het kenmerk van ontspanning en vermaak kan hier achterwege blijven) én geplaatst is op een terrein voor publiek gebruik waar minimaal één constructie/inrichting is geplaatst die direct als attractie-/of speeltoestel aan te merken is.
Een voorbeeld van een toestel dat dus in sommige situaties als attractietoestel onder het WAS kan worden aangemerkt is een waterskibaan. Bij een waterskibaan ligt het accent meer op behendigheid, lichaamsoefening en -training en wordt primair gezien als sportinrichting. De waterskibaan wordt echter als attractietoestel onder het WAS aangemerkt wanneer deze zich geïntegreerd bevindt op een attractie- (en/of speel-)terrein (bijv. een attractiepark). Hetzelfde geldt voor kartbanen, wildwaterkanobanen (motorisch aangedreven) en/of crossbanen.
Het beoogd gebruik en de toepassing van een inrichting/constructie, dat samenhangt met de locatie van een inrichting/constructie, speelt een grote rol in het bepalen of een inrichting/constructie een attractietoestel is volgens het WAS of niet. Deze herziene reikwijdtenotitie gaat nader in op welke inrichtingen/constructies in welke situaties wel of niet als attractietoestel onder het WAS zijn aan te merken.
Publiek/privaat attractie (speel-)terrein
Het besluit is uitsluitend van toepassing op attractietoestellen die beschikbaar zijn gesteld voor publiek gebruik. Er is slechts sprake van particulier gebruik, indien het attractietoestel uitsluitend in de sfeer van de particuliere huishouding wordt gebruikt, waar toezicht van overheidswege inbreuk op de privé-sfeer zou betekenen. Hierbij kan gedacht worden aan een attractietoestel dat zich bevindt in de tuin/op het terrein van een particuliere woning.
Een publiek terrein of plaats waar zich één of meerdere attractietoestellen bevinden die direct als attractietoestellen (of speeltoestellen) aan te merken zijn zoals eerder beschreven kan gedefinieerd worden als een publiek speel(-attractie)terrein.
In tegenstelling tot een ‘direct’ attractietoestel, bepaalt een inrichting/constructie die niet bij fabricage/ontwerp bedoeld is als attractietoestel niet of een terrein een publiek speel(-attractie)terrein is.
De aanwezigheid van een dergelijke inrichting/constructie op een publiek speel(-attractie)terrein (dan is er dus al minimaal één ‘direct’ attractietoestel of speeltoestel aanwezig), bepaalt wel of de inrichting/constructie in die situatie als (indirect) attractietoestel onder het WAS kan worden aangemerkt.
De fysieke begrenzing van een publiek speel(-attractie)terrein is mogelijk in de praktijk niet altijd eenduidig. Wanneer constructies/inrichtingen die niet direct als attractietoestel aan te merken zijn (zie eerdere uitleg) een vrije en directe ligging hebben ten opzichte van het terrein met andere (‘directe’) attractietoestellen (en/of speeltoestellen), kunnen deze onder het WAS vallen. Dit zal per situatie beoordeeld moeten worden. Uiteraard blijft het uitgangspunt hierbij het terugbrengen van niet-aanvaardbare risico’s ten gevolge van het beoogd gebruik.
Een ‘direct’ attractietoestel, valt, indien het beschikbaar is voor publiek gebruik, altijd onder het WAS, ongeacht de ligging ten opzichte van een (ander) publiek speel(-attractie)terrein.
Stroomschema WAS-Attractietoestellen
Onderstaand stroomschema kan houvast bieden bij het bepalen of een inrichting als speeltoestel onder het WAS valt of niet. Het stroomschema zal mogelijk niet in alle gevallen uitsluitsel kunnen geven. In dergelijke gevallen en bij twijfel is het raadzaam de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) te consulteren. De VWA, als toezichthouder op het WAS, kan specifieke situaties toetsen aan het WAS en deze reikwijdte notitie nader interpreteren.

*Transport: Bij vervoer/transport is er in principe sprake van een verplaatsing van passagiers van A naar B. Er is dan geen sprake van eenzelfde in en uitstappunt. Er kan bijvoorbeeld wel sprake zijn van meerdere tussenliggende uitstaphaltes alvorens weer bij het beginpunt uit te komen. Pas als er sprake is van een vervoermiddel dat door een aangepast uiterlijk en locatie (pretpark/speellocatie) een duidelijke attractieve waarde heeft en/of een afwijkend traject doorloopt waarbij hoogtes of snelheden los van het noodzakelijke voor het vervoer, veranderen, is er sprake van een attractie.
Vervoersmiddelen die kentekenplichtig zijn, vallen niet onder het WAS.
Voorbeelden van toestellen die wel/niet onder het WAS vallen
Ter verduidelijking worden in tabel 3 en tabel 4 voorbeelden aangegeven die op basis van bovenstaand stroomschema wel of niet onder het WAS vallen.
Tabel 3: Attractietoestellen onder het WAS | |
|---|---|
Onder het WAS vallen als attractietoestel: | |
• | Alle op speel-/attractieterreinen uitgebate (elektrisch aangedreven) kartbanen, wildwaterbanen, kanobanen, (water-)skibanen. |
• | Doolhoven met één of meerdere motorische componenten ter voortbeweging, beschikbaar voor publiek gebruik |
• | Achtbanen, beschikbaar voor publiek gebruik |
• | Minicars; dit zijn weliswaar ‘kleine’ attracties (zie criterium 2), maar deze minicars verplaatsen zich wel degelijk tijdens de aandrijving in een baan. |
• | Treintjes of ander transportmiddel (bijvoorbeeld kabelbaan) op een speel-/attractieterrein met een duidelijke attractieve waarde, door afwijkend uiterlijk en/of afwijkend vervoersgedrag. |
• | Kleine aangedreven bootjes die in een vijver in een pretpark een rondje varen (er is geen sprake van verplaatsing van A naar B). |
• | Kleine aangedreven bootjes die een rondje varen in een pretpark. |
• | Type attractietoestellen zoals een rodeostier, beschikbaar voor publiek gebruik. |
• | Scad diving, katapulten, beschikbaar voor publiek gebruik. |
• | Trampolines met elektrische aanspanner, beschikbaar voor publiek gebruik. |
• | Draaimolen, beschikbaar voor publiek gebruik. |
• | Simulatoren, zoals vliegsimulatoren, beschikbaar voor publiek gebruik. |
• | Motorisch aangedreven rodelbanen, beschikbaar voor publiek gebruik. |
NB: Ook attractietoestellen die verhuurd of gehuurd worden en beschikbaar zijn voor publiek gebruik vallen onder het WAS. | |
Tabel 4: Geen attractietoestellen onder het WAS | |
|---|---|
Niet onder het WAS vallen als attractietoestel: | |
• | Kartbanen/crossbanen buiten speel-/attractieterreinen. |
• | Voertuigen welke niet op een attractiepark worden geëxploiteerd, aangedreven door een verbrandingsmotor en/of een elektromotor, zoals quads, trikes, golfkar. |
• | Kabelbanen ten behoeve van transport (begin en eindpunt, geen aangepast uiterlijk of afwijkend vervoerstraject). |
• | Treinen ten behoeve van transport (begin en eindpunt, geen aangepast uiterlijk of afwijkend vervoerstraject). |
• | Kleine, elektrisch aangedreven attractietoestellen voor max. 3 personen (kinderen) zoals die op braderieën en in winkelcentra tegengekomen kunnen worden (zgn. kiddyrides). |
• | Transportmiddelen zonder aangepast uiterlijk of afwijkend vervoerstraject of vervoersgedrag. |
• | Transportmiddelen met kenteken. |
• | Huifkarren. |
• | Waterskibanen buiten attractieterreinen. |
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2007-44-p18-SC79613.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.