Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatscourant 2007, 41 pagina 10Interne regelingen

Instellingsbesluit Inspectieraad

19 februari 2007

Nr. 2007-0000058652

DGMOS/POIR/Orijk

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,

Handelend in overeenstemming met het besluit van de Ministerraad van 8 september 2006;

Besluit:

Artikel 1

Er is een raad van Inspecteurs-Generaal en hoofden van de rijksinspectiediensten, hierna te noemen Inspectieraad.

Artikel 2

1. De Inspectieraad is het verband voor samenwerking tussen de rijksinspectiediensten.

2. De Inspectieraad bevordert dat het toezicht door de rijksinspectiediensten wordt uitgeoefend in overeenstemming met de principes van goed toezicht zoals geformuleerd in de Kaderstellende visies op toezicht 2001 en 2005.

3. De Inspectieraad fungeert daarnaast als opdrachtnemer en uitvoerder van besluiten van het kabinet of de eerst verantwoordelijke Minister met betrekking tot coördinatie van en de samenwerking in het toezicht van algemene aard door de rijksinspectiediensten.

Artikel 3

1. De Inspectieraad heeft ten minste de volgende leden:

– De inspecteur-generaal van het Staatstoezicht op de Mijnen (EZ)

– De directeur-hoofdinspecteur van het Agentschap Telecom (EZ)

– Het hoofd van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (BZK)

– Het hoofd van de inspectie voor de Sanctietoepassing (Just)

– De directeur van de Algemene Inspectiedienst (LNV)

– De inspecteur-generaal van de Inspectie van het Onderwijs (OCW)

– De directeur van de Erfgoedinspectie (OCW)

– De inspecteur-generaal van de Inspectie Werk en Inkomen (SZW)

– De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie (SZW)

– De inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat (V&W)

– De inspecteur-generaal van de VROM-inspectie (VROM)

– De hoofdinspecteur van de Inspectie jeugdzorg (VWS/Justitie)

– De inspecteur-generaal van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (VWS)

– De inspecteur-generaal van de Voedsel en Waren Autoriteit (LNV)

2. De Inspectieraad heeft de volgende adviserende leden:

– De directeur-generaal Management Openbare Sector van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

– De directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie.

3. De Inspectieraad heeft de mogelijkheid agendaleden aan te wijzen die het recht hebben vergaderingen bij te wonen.

Artikel 4

De Inspectieraad stelt een werkprogramma en een jaarverslag vast. Het werkprogramma en het jaarverslag worden, na instemming van de verantwoordelijke Ministers en de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, door de laatste gezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Artikel 5

1. De Inspectieraad kent een voorzitter en een kerncommissie, verder te noemen: dagelijks bestuur.

2. Het dagelijks bestuur bestaat uit een voorzitter en drie leden. De voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur worden door de leden van de Inspectieraad voor een periode van 2 jaar gekozen.

Artikel 6

1. Een secretariaat ondersteunt de Inspectieraad. Eén medewerker is afkomstig van de voorzittende inspectiedienst. Een tweede medewerker is afkomstig van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. Het secretariaat heeft tot taak het bieden van secretariële en logistieke ondersteuning voor de Inspectieraad.

Artikel 7

Het functioneren van de Inspectieraad zal drie jaar na instelling worden geëvalueerd.

Artikel 8

1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

2. Het besluit vervalt met ingang van 1 januari 2011.

Artikel 9

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Inspectieraad.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, A. Nicolaï.

Toelichting

Algemeen

In reactie op de motie Aptroot (TK 2005–2006, 29362, nr. 77), waarin de regering werd verzocht voor 1 januari 2009 één Inspectie- en controledienst voor het bedrijfsleven in te richten, heeft het kabinet in de Ministerraad van 8 september 2006 besloten tot:

– het Project Eenduidig Toezicht. Dit Project beoogt een aantal fundamentele veranderingen in het toezicht te bewerkstelligen. Het verminderen en wegnemen van (onnodige) toezichtslast is als prioriteit gesteld. Daarbij wordt geredeneerd vanuit het toezichtsobject;

– structurele, intensieve samenwerking door rijksinspecties, door middel van de formalisering van het huidige IG-beraad tot een Inspectieraad.

Met de instelling van de Inspectieraad door middel van het onderhavige besluit wordt uitvoering gegeven aan het besluit tot formalisering van het huidige IG-Beraad in de vorm van een interdepartementale commissie in de zin van artikel 1 van de Aanwijzingen inzake interdepartementale commissies (Besluit van de Minister-president van 11 maart 1987, Stcrt. 67). Ingevolge deze aanwijzingen gelden voor het instellingsbesluit formele eisen wat betreft de samenstelling, Ministeriële verantwoordelijkheid, omschrijving van de taakopdracht en ondersteuning.

De Inspectieraad is een samenwerkingsverband voor de modernisering van het (rijks)toezicht waarin samenwerking tussen rijksinspectiediensten verplicht is, waarbij mede geredeneerd wordt vanuit het perspectief van de onder toezichtstaande en gewerkt wordt op basis van een gezamenlijk programma voor het gehele toezichtveld, dat door de samenwerkende inspecties wordt bestreken. Daarnaast is de Inspectieraad, in het kader van haar incidentele taak, de opdrachtnemer van de maatregelen die in het Projectplan Eenduidig Toezicht zijn vervat; het doorvoeren van de fundamentele veranderingen in het toezicht die met deze maatregelen worden beoogd is de eerste belangrijke opdracht die de Inspectieraad zal uitvoeren. Zowel voor de uitvoering van de structurele als de projectgebonden taken vormen de principes van goed toezicht zoals omschreven in de Kaderstellende visies op Toezicht van 2001 en 2005 het fundament.

Voorop gesteld moet worden dat dit besluit de verantwoordelijkheid van de Ministers wie het aangaat voor de uitoefening van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden door de individuele inspecteurs-generaal en hoofden van de rijksinspectiediensten onverlet laat. Met betrekking tot de positie van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties ten aanzien van de Inspectieraad dient opgemerkt te worden dat hij de eerstverantwoordelijke Minister is voor toezicht in brede zin en dientengevolge ten behoeve van een aantal handelingen van de Inspectieraad, genoemd in artikel 4 van het Instellingsbesluit, verantwoording aflegt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Het artikel betreft de naamgeving van de raad van Inspecteurs-Generaal en de hoofden van de rijksinspectiediensten; de Inspectieraad. Naast de term ‘Inspecteurs-Generaal’ is gekozen voor de neutrale term ‘hoofden’, waaronder begrepen moeten worden de directeuren, hoofdinspecteurs en hoofden van rijksinspectiediensten.

Artikel 2, lid 1

Het eerste lid van artikel 2 positioneert de Inspectieraad als het verband voor samenwerking van de rijksinspectiediensten. Het betreft hier de rijksinspectiediensten die in de Inspectieraad vertegenwoordigd zijn. De structurele doelstelling van de Inspectieraad is het bevorderen en bewaken van die samenwerking. In het kader van deze structurele doelstelling geeft de Inspectieraad uitvoering aan onder meer de volgende taken:

– het ontwikkelen van initiatieven om toezichtslast te verminderen en onnodige toezichtslast weg te nemen en/of te voorkomen;

– het bevorderen van structurele samenwerking tussen de rijksinspecties en het doen van voorstellen over het wegnemen van juridische belemmeringen voor die samenwerking;

– het bevorderen van de helderheid en voorspelbaarheid van toezicht voor bedrijven, instellingen en andere toezichtsobjecten;

– het doen van voorstellen ten aanzien van ICT-randvoorwaarden voor betere uitwisseling van kennis en informatie tussen rijksinspectiediensten;

– het doen van voorstellen met betrekking tot opleidingen over nieuwe werkwijzen en het bevorderen van een gezamenlijke kennisontwikkeling op het gebied van toezicht;

Artikel 2, lid 2

De Kaderstellende visie op toezicht 2001 (2000–2001, 27831, nr. 1) en de Kaderstellende visie op toezicht 2005 (2005–2006. 27831, nr. 15) omvatten het kabinetsbeleid inzake de positionering en inrichting van het toezicht op rijksniveau. Beide visies bevatten een lijst van aandachtspunten om het toezicht onafhankelijk, transparant en professioneel in te richten en fungeren als leidraad voor het toezicht.

Artikel 2, lid 3

Naast de structurele doelstelling fungeert de Inspectieraad ook als het collectief waaraan door het kabinet en vakMinisters verzoeken en opdrachten met betrekking tot toezicht kunnen worden verleend. Een voorbeeld van een dergelijke opdracht is het Projectplan Eenduidig Toezicht (2006–2007, bijlage bij kamerstuk 29362, nr. 107).

Artikel 3, lid 1

Artikel 3 benoemt de leden van de Inspectieraad. Door in het eerste lid functionarissen in plaats van personen als lid aan te wijzen worden extra formaliteiten bij opvolging voorkomen (bij benoeming op persoonlijke titel is dit niet mogelijk). Daarbij is de formulering ‘ten minste’ gekozen om aan te geven welke inspecteurs-generaal en hoofden van rijksinspectiediensten in ieder geval deel uitmaken van de Inspectieraad en voorts om de mogelijkheid om andere rijksinspectiediensten deel te laten uitmaken van de Inspectieraad open te houden.

Artikel 3, lid 2

In het tweede lid van artikel 3 worden de adviserende leden onderscheiden van de leden in het eerste lid. De directeur-generaal Management Openbare Sector en de directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving zijn enkel waarnemend lid, vanwege de respectievelijke verantwoordelijkheden voor het beleid ten aanzien van de bestuurlijke organisatie en kwaliteit van toezicht en het beleid ten aanzien van de rechtshandhaving. Zij zullen geen voorzitter zijn van de Inspectieraad, daar artikel 4 lid 1 spreekt over leden en niet over de adviserende leden.

Artikel 3, lid 3

Het derde lid van artikel 3 geeft de Inspectieraad de mogelijkheid agendaleden toe te laten. Agendaleden staan wat meer op afstand van de Inspectieraad dan adviserende leden.

Artikel 4

Het jaarlijks opstellen van een werkplan van de Inspectieraad wordt aanbevolen door de Aanwijzingen voor interdepartementale commissies (artikel 5 lid f). Het werkplan biedt inzicht in de concrete acties die worden uitgevoerd met de in artikel 2 genoemde taken als basis. Aan dit werkplan dient elke Minister die een ondergeschikte in de Inspectieraad heeft zitten zijn goedkeuring te verlenen, voor zover het de inzet van middelen betreft waarvoor hij de verantwoordelijkheid draagt. De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties beoordeelt het plan in het licht van de bijdrage aan de verwezenlijking van de kabinetsvisie op toezicht, zoals verwoord in de Kaderstellende Visie op Toezicht 2005 en het project Eenduidig Toezicht.

In het werkplan van de Inspectieraad wordt eveneens aandacht besteed aan de jaarlijkse opgave ten aanzien van de geïntegreerde inspectieprogramma’s van de verschillende frontoffices; deze worden in het werkplan van de Inspectieraad verankerd en als bijlage bijgevoegd. Met betrekking tot deze onderdelen is daardoor sprake van een groeidocument. Overigens zullen de inspecties in toenemende mate delen van hun jaarplannen besteden aan samenwerking en concrete, gezamenlijke inspectieactiviteiten.

Artikel 5, lid 1

Artikel 5 van de Aanwijzingen inzake interdepartementale commissies raadt aan om een kerncommissie in te stellen teneinde omvangrijke vergaderingen zoveel mogelijk te voorkomen. De kerncommissie van de Inspectieraad wordt dagelijks bestuur genoemd. Zij fungeert als aanjager van de samenwerking tussen de inspecties en signaleert ten behoeve van de Inspectieraad als geheel wanneer de samenwerking en de uitvoering van de in artikel 2 lid 3 genoemde taken onvoldoende van de grond komt. De leden van de Inspectieraad nemen gezamenlijk besluiten.

Artikel 5, lid 2

Vanwege de specifieke expertise die is vereist, zal de voorzitter uit de leden van de Inspectieraad worden gekozen. De voor de aangewezen voorzitter verantwoordelijke Minister dient aan deze keuze zijn goedkeuring te verlenen.

Artikel 6

De Inspectieraad heeft een secretariaat. Het secretariaat bestaat uit ten minste twee medewerkers, te weten één medewerker afkomstig van dezelfde inspectiedienst als de voorzitter en een medewerker van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Met de eerst genoemde medewerker wordt de link tussen het secretariaat en de voorzitter geregeld.

Het secretariaat heeft tot taak het bieden van secretariële en logistieke ondersteuning voor de Inspectieraad, door middel van:

– het voorbereiden van bijeenkomsten van de Inspectieraad;

– het zorgdragen voor verslaglegging van bijeenkomsten van de Inspectieraad;

– het verspreiden van verslagen, actielijsten en overige notities.

Artikel 7

Volgens artikel 8 van de Aanwijzingen inzake interdepartementale commissies is een evaluatie van de raad verplicht. Tijdig voor de afloop van de termijn die bij de instellingsbeschikking is gesteld, namelijk drie jaar na instelling en één jaar voor de vervaldatum, heroverweegt de insteller het nut van het eventuele voortbestaan van de interdepartementale commissie – met een al dan niet gewijzigde taak, samenstelling en werkwijze.

Artikel 8

Volgens artikel 3.2 onder c van de Aanwijzingen inzake interdepartementale commissies dient de Inspectieraad voor ten hoogste vier jaren te worden ingesteld, aangezien de raad niet tevens ambtelijk voorportaal is.