Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2007, 251 pagina 14Besluiten van algemene strekking

Wijziging enige fiscale uitvoeringsregelingen

Regeling van 20 december 2007, nr. DB 2007/655 M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen

Directoraat-generaal voor fiscale zaken, Directie directe belastingen, Directie douane en verbruiksbelastingen, Directie internationale fiscale zaken

De Staatssecretaris van Financiën,

Handelende wat de artikelen 3.13, 3.22 en 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, onderscheidenlijk de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Economische Zaken;

Handelende wat de artikelen 13, 15c en 17 van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 6, tweede en derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen betreft, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de artikelen 1.5, 1.7, derde lid, 3.13, 3.22, 3.34, 3.116a, zevende lid, 3.126a, zevende lid, en 6.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 13, 15c, 17, 25, 31, eerste lid, onderdeel d, en 32 van de Wet op de loonbelasting 1964, de artikelen 5 en 6 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, de artikelen 42 en 48a van het Besluit fiscale eenheid 2003, de artikelen 35b, derde lid, en 53b van de Successiewet 1956, artikel 18 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 13 van de Registratiewet 1970, de artikelen 7, vierde lid, 23, 28p en 31 van de Wet op de omzetbelasting 1968, artikel II van de wet van 23 december 1994 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een bijzondere regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (Stb. 884), de artikelen 3, tweede lid, 8, tweede lid, 19, tweede lid, onderdeel a, en 47a, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 5, tweede lid, 25 en 26 van de Invorderingswet 1990, artikel 18, vierde lid, van de Wet waardering onroerende zaken en de artikelen 6, tweede en derde lid, en 31, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;

Besluit:

Artikel I

De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A.

In artikel 2 wordt ‘€ 393’ vervangen door: € 400.

B.

Het opschrift van artikel 2a komt te luiden: Ingegane lijfrenten waarvan de termijnen niet in geldeenheden, maar in units zijn vastgesteld

C

Na artikel 2a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2b

Ingegane lijfrentespaarrekeningtermijnen of lijfrentebeleggingsrechttermijnen waarvan de omvang niet in geldeenheden, maar in units is vastgesteld

1. Een aanspraak op termijnen als bedoeld in artikel 3.126a, vierde en zesde lid, van de wet waarvan de termijnen zijn ingegaan en waarvan de hoogte van de termijnen niet voor de gehele uitkeringsperiode in geldeenheden is vastgesteld, wordt op grond van artikel 3.126a, zevende lid, in verbinding met artikel 1.7, derde lid, van de wet gelijkgesteld met een aanspraak op vaste en gelijkmatige termijnen indien wordt voldaan aan de hierna opgenomen regels.

2. Met betrekking tot de termijnen en de administratieve vormgeving daarvan gelden de volgende regels:

a. de termijnen worden op de ingangsdatum uitgedrukt in een vast aantal beleggingseenheden (units) per jaar;

b. de hoogte van de uiteindelijk in euro’s uit te keren termijnen dient uitsluitend te worden beïnvloed door het verschil tussen het feitelijk behaalde beleggingsrendement en de rekenrente die ten tijde van het ingaan van de termijnen als rekenrendement is gehanteerd.

3. Met betrekking tot de grondslagen voor het berekenen van de termijnen gelden de volgende regels:

a. de kredietinstelling of beheerder, bedoeld in artikel 3.126a, eerste lid, van de wet, gaat ter berekening van het op jaarbasis uit te keren vaste aantal beleggingseenheden uit van ten hoogste het netto rekenrendement dat hij op de ingangsdatum hanteert voor soortgelijke termijnen in euro’s of van het op de ingangsdatum van de termijnen geldende u-rendement zoals dat periodiek wordt gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringstatistiek van het Verbond van Verzekeraars; gedurende de looptijd vindt geen herberekening plaats van het aantal jaarlijks uit te keren beleggingseenheden;

b. in de hoogte van de termijnen in beleggingseenheden wordt geen inflatie-element verdisconteerd.

4. Met betrekking tot de peildatum en de periode van vaststellen van de termijnen in euro’s gelden de volgende regels:

a. bij de berekening van de verschuldigde termijn in euro’s kan worden uitgegaan van de waarde van de beleggingseenheid op een vaste peildatum in de kalendermaand van betaling of in de daaraan voorafgaande kalendermaand;

b. gedurende een periode van ten hoogste 12 maanden (herrekenperiode) kunnen de in de herrekenperiode uit te keren termijnen bij aanvang daarvan in euro’s worden vastgesteld; de hoogte van de termijnen in euro’s dient daarbij te worden bepaald op basis van de werkelijke waarde van de beleggingseenheid per een vaste peildatum gelegen in de kalendermaand waarin de herrekenperiode ingaat of in een van de twee daaraan voorafgaande kalendermaanden; slechts eenmalig kan worden gekozen voor een datum van ingang van de herrekenperiode.

D.

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 voor zover betrekking hebbend op de subsidie functieverandering als bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel b, van die regeling’ vervangen door: de Subsidieregeling natuurbeheer 2000, zoals die luidde tot 1 januari 2007, voor zover betrekking hebbend op de subsidie functieverandering, bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel b, van die regeling, de Subsidieregeling natuurbeheer van de onderscheiden provincies voor zover betrekking hebbend op de subsidie functieverandering, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van die regeling.

2. In het derde lid wordt ‘de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 voor wat betreft de subsidie functieverandering als bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel b, van die regeling’ vervangen door: de Subsidieregeling natuurbeheer 2000, zoals die luidde tot 1 januari 2007, voor zover betrekking hebbend op de subsidie functieverandering, bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel b, van die regeling, respectievelijk de Subsidieregeling natuurbeheer van de onderscheiden provincies voor zover betrekking hebbend op de subsidie functieverandering, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van die regeling.

E.

Artikel 9a wordt vervangen door:

Artikel 9a

Constatering van het niet afgenomen zijn van de netto-tonnage van bepaalde schepen

Met betrekking tot het kalenderjaar 2008 wordt voor de toepassing van artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, van de wet vastgesteld dat de netto-tonnage van kwalificerende schepen in de periode 2004 tot en met 2006 ten opzichte van de periode 2003 tot en met 2005 niet is afgenomen.

F.

Na artikel 17 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 17bis

Verdeling spaarrekening eigen woning en beleggingsrecht eigen woning bij meer dan één gerechtigde

1. Ingeval een spaarrekening eigen woning meer dan één rekeninghouder heeft, wordt het tegoed van de rekening in gelijke delen toegerekend aan die rekeninghouders.

2. Ingeval een beleggingsrecht eigen woning meer dan één eigenaar heeft, wordt de waarde van het recht in gelijke delen toegerekend aan die eigenaren.

G.

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘€ 270’ vervangen door: € 285.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘€ 330’ vervangen door: € 345.

3. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘€ 399’ vervangen door: € 405.

4. In het eerste lid, onderdeel d, wordt ‘€ 330’ vervangen door: € 345.

5. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘€ 660’ telkens vervangen door: € 690.

6. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘€ 990’ telkens vervangen door: € 1035.

Artikel II

In de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 wordt in artikel 7, eerste lid, ‘bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, onderdeel a’ vervangen door: bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid.

Artikel III

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A.

In artikel 21 wordt ‘€ 28,75’ vervangen door: € 29,25.

B.

Artikel 34, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b worden ‘€ 49,00’, ‘€ 11,25’ en ‘€ 2,25’ vervangen door € 53,75, respectievelijk € 12,50 en € 2,50.

2. In onderdeel c worden ‘€ 27,25’, ‘€ 6,25’ en ‘€ 1,25’ vervangen door € 29,75, respectievelijk € 6,75 en € 1,35.

3. In onderdeel d wordt ‘€ 14,75’ vervangen door: € 15,50.

C.

In artikel 35, eerste lid, worden ‘€ 148,50’, ‘€ 34,25’ en ‘€ 6,85’ vervangen door € 152,50, respectievelijk € 35,25 en € 7,05.

D.

In artikel 41, eerste en tweede lid, wordt ‘€ 475’ telkens vervangen door: € 500.

E.

In artikel 51 wordt de tabel vervangen door:

Huisvesting:

per maand

per week

per dag

a. aan boord van binnenschepen –

   

andere dan vissersschepen – en

   

baggermaterieel:

   

1. voor de werknemer die met zijn

   

gezin aan boord woont

   

– van een schip van meer dan 2000

   

ton:

€ 139,00

€ 32,00

€ 6,40

– van een schip van meer dan 500,

   

doch niet meer dan 2000 ton:

€ 104,25

€ 24,00

€ 4,80

– van een ander schip of van

   

baggermaterieel:

€ 69,50

€ 16,00

€ 3,20

2. voor de werknemer die aan

   

boord woont en geen gezin heeft:

€ 57,00

€ 13,25

€ 2,65

    

b. aan boord van zeeschepen

   

– andere dan vissersschepen –

   

en op boorplatforms:

   

1. voor de werknemer die met zijn

   

gezin aan boord woont:

  

€ 9,75

2. voor de werknemer die aan

   

boord woont en geen gezin heeft

   

– voor een kapitein en voor een

   

officier:

  

€ 4,60

– voor een andere werknemer:

  

€ 2,30

    

c. aan boord van vissersschepen:

   

voor de werknemer die aan boord

   

woont en geen gezin heeft:

  

€ 3,15

    

d. in pakwagens van kermis-

   

exploitanten:

   

voor de werknemer die in een pak-

   

wagen woont en geen gezin heeft:

€ 57,00

€ 13,25

€ 2,65

    

e. voor de werknemer die niet is

   

aangeduid in de onderdelen a, b, c

   

en d:

nihil

nihil

nihil

F.

In artikel 55 worden ‘€ 2,00’, ‘€ 2,00’ en ‘€ 3,80’ vervangen door € 2,05, respectievelijk € 2,05 en € 3,90.

G.

In artikel 59, eerste lid, wordt ‘4,7%’ vervangen door: 5,3%.

H.

In artikel 63, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘260/229’ vervangen door: 260/230.

I.

Aan artikel 82, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, na onderdeel h een onderdeel toegevoegd, luidende:

i. vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het besluit, voor zover het bedrag van die vergoedingen en verstrekkingen hoger is dan het ingevolge de bewijsregel, bedoeld in artikel 9 van het besluit, als vrije vergoeding voor extraterritoriale kosten als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, onderdeel j, van de wet in aanmerking te nemen bedrag.

J.

In artikel 110 wordt ‘2005–2007: 92,5.’ vervangen door:

2005–2007: 92,5;

2008: 95;

2009: 97,5.

Artikel IV

In de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen wordt aan artikel 19b een lid toegevoegd, luidende:

6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op naar een spaarrekening eigen woning, bedoeld in artikel 3.116a van de Wet inkomstenbelasting 2001, of een lijfrentespaarrekening, bedoeld in artikel 3.126a van die wet, overgemaakte bedragen alsmede op naar een beheerder van een beleggingsrecht eigen woning, bedoeld in artikel 3.116a van die wet, of een lijfrentebeleggingsrecht, bedoeld in artikel 3.126a van die wet, overgemaakte bedragen ter verkrijging van rechten van deelneming.

Artikel V

De Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering wordt als volgt gewijzigd:

A.

In artikel 2, tweede lid, onderdeel a, wordt ‘260:229’ vervangen door: 260:230.

B.

In artikel 6 wordt de in het eerste lid opgenomen tabel vervangen door:

indien hij de leeftijd heeft bereikt van

doch niet de leeftijd van

 

15 jaren

16 jaren:

€ 5.152

16 jaren

17 jaren:

€ 5.926

17 jaren

18 jaren:

€ 6.784

18 jaren

19 jaren:

€ 7.815

19 jaren

20 jaren:

€ 9.017

20 jaren

21 jaren:

€ 10.562

21 jaren

22 jaren:

€ 12.451

22 jaren

23 jaren:

€ 14.598

23 jaren

 

€ 17.170

Artikel VI

De Uitvoeringsregeling fiscale eenheid en voorkoming dubbele belasting 2003 wordt als volgt gewijzigd:

A.

In artikel 1, eerste lid wordt ‘artikel 42’ vervangen door: de artikelen 42 en 48a.

B.

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt vervangen door:

1. De toepassing van artikel 43 van het Besluit fiscale eenheid 2003 vindt plaats met inachtneming van het tweede tot en met negende lid.

2. Het tweede lid wordt vervangen door:

2. Bij het berekenen van de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting over een jaar wordt eerst de naar dat jaar overgebrachte positieve buitenlandse winst van een maatschappij van vóór het voegingstijdstip en vervolgens de naar dat jaar overgebrachte positieve buitenlandse winst van de fiscale eenheid in aanmerking genomen.

3. Het derde lid wordt vervangen door:

3. Bij het berekenen van de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting over een jaar wordt eerst de naar dat jaar overgebrachte negatieve buitenlandse winst van een maatschappij van vóór het voegingstijdstip en vervolgens de naar dat jaar overgebrachte negatieve buitenlandse winst van de fiscale eenheid in aanmerking genomen.

4. In het zevende lid, onderdeel a, wordt na de komma de volgende zinsnede ingevoegd: naar verhouding van de aan deze maatschappijen toe te rekenen winst van de fiscale eenheid.

C.

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, wordt vervangen door:

1. De toepassing van artikel 44 van het Besluit fiscale eenheid 2003 vindt plaats met inachtneming van het tweede tot en met zevende lid.

2. Het tweede lid wordt vervangen door:

2. Bij het berekenen van de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting over een jaar wordt eerst de naar dat jaar voortgewentelde belasting van vóór het voegingstijdstip die vanwege een Mogendheid van een maatschappij is geheven in aanmerking genomen en vervolgens de naar dat jaar voortgewentelde belasting van de fiscale eenheid. Deze vermindering bedraagt ten hoogste de verrekeningsruimte van een maatschappij.

D.

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de artikelen 45 en 48’ vervangen door: artikel 45.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede ‘wordt eerst de aanspraak van de fiscale eenheid en vervolgens de naar dat jaar voortgewentelde aanspraak van een maatschappij vóór het voegingstijdstip ter zake van passieve winst uit buitenlandse onderneming in aanmerking genomen’ vervangen door: wordt eerst de naar dat jaar voortgewentelde aanspraak van een maatschappij van vóór het voegingstijdstip ter zake van passieve winst uit buitenlandse onderneming in aanmerking genomen en vervolgens de naar dat jaar voortgewentelde aanspraak van de fiscale eenheid.

E.

Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4a

Volgorde vermindering van voordelen uit laagbelaste beleggingsdeelnemingen en deelnemingsverrekening

Voor de berekening van het in aanmerking te nemen bedrag van deelnemingsverrekening, bedoeld in artikel 48b van het Besluit fiscale eenheid 2003, is artikel 3, tweede tot en met zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel VII

De Uitvoeringsregeling Successiewet 1956 wordt als volgt gewijzigd:

A.

In artikel 7a, eerste lid, wordt ‘artikel 2, eerste lid, onderdeel d’ vervangen door: artikel 2, eerste lid, onderdeel e.

B.

In artikel 7d, vijfde lid, wordt ‘in gevallen waarin artikel 3.64 van de Wet inkomstenbelasting 2001 toepassing vindt’ vervangen door ‘indien sprake is van overheidsingrijpen als bedoeld in artikel 3.54, twaalfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001’. Voorts wordt ‘binnen de in genoemd artikel 3.64 bedoelde termijn’ vervangen door: binnen de in artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedoelde termijn.

Artikel VIII

De Uitvoeringsbeschikking Registratiewet 1970 wordt als volgt gewijzigd:

A.

Artikel 4, onderdeel c, komt te luiden:

c. van andere akten bij een inspecteur ter keuze van de aanbieder, met inachtneming van de daartoe opengestelde kantoren door de Belastingdienst.

B.

Artikel 5 vervalt.

C.

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7. De in artikel 4 bedoelde inspecties zijn voor het aanbieden van de akten ter registratie dagelijks gedurende zes uren geopend, met uitzondering van de zaterdag, de zondag, algemeen erkende feestdagen in de zin van de Algemene termijnenwet en de bij of krachtens artikel 3 van die wet daarmee gelijkgestelde dagen.

Artikel IX

De Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 wordt als volgt gewijzigd:

A.

In artikel 3a, vierde lid, vervalt de slotzin.

B.

In artikel 8, tweede lid, wordt ‘artikel 4c, derde, vierde, zesde, zevende en achtste lid’ vervangen door: artikel 4c, derde en vierde lid.

C.

In artikel 18, vierde lid, wordt ‘Koninklijke PTT Post BV’ telkens vervangen door: Koninklijke TNT Post B.V.

D.

Artikel 29e vervalt.

E.

Artikel 36d, eerste lid, wordt vervangen door:

1. Artikel 1, aanhef en onderdeel b, van de wet is niet van toepassing wanneer het verworven goed een gebruikt vervoermiddel is in de zin van artikel 327, lid 3, van de BTW-richtlijn 2006 waarvan de levering aan de in artikel 4, onder b, van die richtlijn vermelde voorwaarden voldoet.

F.

In Bijlage A wordt na de goederenomschrijving met vermelding van post 7112 ingevoegd:

Gietijzer en spiegelijzer, in gietelingen, in blokken of in andere primaire vormen, niet-gelegeerd, bevattende niet meer dan 0,5 gewichtspercent fosfor en minder dan 0,1 gewichtspercent mangaan.

7201 1090 00

G.

Bijlage L wordt vervangen door de Bijlage L zoals die is opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

Artikel X

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A.

In artikel 1, eerste lid, vervalt: 47a,.

B.

Aan artikel 20, tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

e. de verpakkingenbelasting.

C.

Aan artikel 21a wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. De aangifte, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan door een afschrift van de aldaar bedoelde akte, vergezeld van het daartoe door de Belastingdienst beschikbaar gestelde voorblad, langs elektronische weg ter registratie aan te bieden. Dit voorblad treedt dan in de plaats van de in het eerste lid bedoelde verklaring.

D.

In artikel 26, eerste lid, wordt de zinsnede ‘alsmede de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen’ vervangen door: , de belastingen op grondwater, op leidingwater, op afvalstoffen en op kolen, alsmede de energiebelasting,.

E.

Na artikel 26 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 27

1. Het tijdvak waarover de verpakkingenbelasting moet worden betaald, is het kalenderjaar.

2. De ondernemer die over enig kalenderjaar verpakkingenbelasting moet betalen, doet uiterlijk aan het einde van het derde en het vierde kwartaal van dat jaar, een voorlopige betaling. Deze betaling bedraagt 50% van het geschatte bedrag van de over dat jaar verschuldigde verpakkingenbelasting.

3. De inspecteur kan toestemming geven voorlopige betalingen te doen ter grootte van een ander bedrag.

F.

Artikel 43 vervalt.

Artikel XI

Met ingang van 1 juli 2008 wordt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 als volgt gewijzigd:

A.

In artikel 25, eerste lid, wordt ‘en de assurantiebelasting’ vervangen door: , de assurantiebelasting en de vliegbelasting.

B.

In artikel 26, eerste lid, wordt de zinsnede ‘binnenlandse casinospelen’ vervangen door: binnenlandse casinospelen of kansspelautomatenspelen,.

Artikel XII

Met ingang van 1 januari 2009 wordt artikel 27, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, vervangen door:

2. De ondernemer die over enig kalenderjaar verpakkingenbelasting moet betalen, doet uiterlijk aan het einde van het eerste, het tweede, het derde en het vierde kwartaal van dat jaar, een voorlopige betaling. Deze betaling bedraagt 25% van de verpakkingenbelasting die over het voorafgaande kalenderjaar verschuldigd zou zijn op basis van het tarief dat geldt voor het kalenderjaar waarin de voorlopige betalingen moeten worden gedaan.

Artikel XIII

De Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 wordt als volgt gewijzigd:

A.

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid vervalt ‘, andere dan bedoeld in het derde lid’.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

5. De Belastingdienst/Toeslagen is belast met het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van:

a. de kindertoeslag, bedoeld in artikel 6a van de Wet op het kindgebonden budget;

b. de kinderopvangtoeslag, bedoeld in de Wet kinderopvang;

c. de zorgtoeslag, bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag;

d. de huurtoeslag, bedoeld in de Wet op de huurtoeslag.

B.

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘alsmede de brandstoffenbelasting en de energiebelasting, voor zover deze niet worden geheven van producten die worden aangemerkt als minerale oliën’ vervangen door: , de kolenbelasting, de verpakkingenbelasting alsmede de energiebelasting, voor zover deze niet wordt geheven van producten die worden aangemerkt als minerale oliën.

2. In het derde lid wordt ‘27, 28, en 36l, derde, vijfde, zevende, twaalfde, dertiende, veertiende, vijftiende en zestiende lid,’ vervangen door: 18b, 33, 36l, 36la, 36lb, 36lc, 36ld en 37c.

C.

In artikel 21 wordt na ‘de Landinrichtingswet,’ ingevoegd ‘de Wet inrichting landelijk gebied,’ en wordt ‘veenkoloniën’ vervangen door: Veenkoloniën.

Artikel XIV

Met ingang van 1 juli 2008 wordt artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘de verpakkingenbelasting’ ingevoegd: , de vliegbelasting.

2. In het derde lid wordt na ‘36ld’ ingevoegd: , 36rf.

Artikel XV

De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A.

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘de artikelen 25, 26, 31, 35, 42c en 53’ vervangen door: de artikelen 25, 26, 31, 35, 42c, 44a, 44b en 53.

B.

In artikel 1e wordt in het vierde en vijfde lid ‘artikel 25, vijfde lid, derde volzin’ vervangen door: artikel 25, vijfde lid, vierde volzin.

C.

In artikel 8, tweede lid, wordt ‘en de Landinrichtingswet’ vervangen door ‘of de Landinrichtingswet,’ en wordt ‘ingevolge de Reconstructiewet concentratiegebieden’ vervangen door: ingevolge de Wet inrichting landelijk gebied of de Reconstructiewet concentratiegebieden.

D.

In artikel 11, onderdeel b, onder 2°, wordt ‘het bepaalde in artikel 8, artikel 17 en artikel 18’ vervangen door: het bepaalde in artikel 8 en artikel 18.

E.

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel c, onder 7º, komt te luiden:

7º. de kindertoeslag, bedoeld in artikel 6a van de Wet op het kindgebonden budget.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. Tot de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt ook gerekend de voorlopige teruggaaf, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, daaronder begrepen de aanspraak op een zodanige teruggaaf, met, voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan vijf jaar is, uitzondering van de daarin begrepen aanvullende alleenstaande-ouderkorting, combinatiekorting en aanvullende combinatiekorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

3. Het derde lid komt te luiden:

3. Indien bij de vaststelling van de voorlopige teruggaaf voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan vijf jaar is, rekening is gehouden met aanvullende alleenstaande-ouderkorting, combinatiekorting en aanvullende combinatiekorting, wordt voor de toepassing van het tweede lid het bedrag van de voorlopige teruggaaf zoveel mogelijk geacht betrekking te hebben op die kortingen.

F.

Artikel 15, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen’ vervangen door: artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

2. In onderdeel c wordt ‘verminderd met de zorgtoeslag ingevolge de Wet op de zorgtoeslag’ vervangen door: verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de belastingschuldige geldt ingevolge artikel 475d, eerste, tweede en vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, en met de krachtens de Wet op de zorgtoeslag ontvangen zorgtoeslag.

3. In onderdeel f wordt ‘€ 8,50’ vervangen door: € 8,90.

Artikel XVI

In de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken wordt artikel 2, eerste lid, onderdeel b, vervangen door:

b. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;.

Artikel XVII

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt als volgt gewijzigd:

A.

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste en tweede lid vervalt ‘in ieder geval’.

2. In het tweede lid, onderdeel d, vervalt ‘overeenkomstig artikel 65 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens’.

B.

In artikel 8, tweede lid, wordt ‘aanslag inkomstenbelasting’ vervangen door: aanslag inkomstenbelasting dan wel een beschikking inzake het belastbare loon die is afgegeven op grond van artikel 8, negende of tiende lid, van de wet,.

Artikel XVIII

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008, met dien verstande dat artikel II terugwerkt tot en met 1 januari 2003, de artikelen I, onderdeel D, VI, onderdeel E, XIII, onderdeel C, en XV, onderdelen D en F, onder 1, terugwerken tot en met 1 januari 2007, en de artikelen XIII, onderdeel A, onder 2, en XV, onderdeel E, onder 1, terugwerken tot en met 3 november 2007.

2. De wijzigingen ingevolge artikel VII, onderdeel E, vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2007.

3.

De wijzigingen ingevolge artikel VI, onderdelen A, B, C en D, vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2008.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën, J.C. de Jager.

Bijlage

Bijlage L

Lijst van gouden munten als bedoeld in artikel 28j, eerste lid, onderdeel c, van de wet (artikel 29a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

(Publicatieblad van de Europese Unie 2007/C 286/47)

Geldig voor het jaar 2008

LAND VAN UITGIFTE

MUNTEENHEID1

AFGHANISTAN

(20 AFGHANI)

10 000 AFGHANI

(1/2 AMANI)

(1 AMANI)

(2 AMANI)

(4 GRAMS)

(8 GRAMS)

1 TILLA

2 TILLAS

  

ALBANIË

20 LEKE

50 LEKE

100 LEKE

200 LEKE

500 LEKE

  

ALDERNEY

5 POUNDS

25 POUNDS

1 000 POUNDS

  

ANDORRA

50 DINERS

100 DINERS

250 DINERS

1 SOVEREIGN

  

ANGUILLA

5 DOLLARS

10 DOLLARS

20 DOLLARS

100 DOLLARS

  

ARGENTINIË

1 ARGENTINO

  

AUSTRALIË

5 DOLLARS

15 DOLLARS

25 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

150 DOLLARS

200 DOLLARS

 

250 DOLLARS

500 DOLLARS

1 000 DOLLARS

2 500 DOLLARS

3 000 DOLLARS

10 000 DOLLARS

1/2 SOVEREIGN (= 1/2 POUND)

1 SOVEREIGN (= 1 POUND)

  

BAHAMA’S

10 DOLLARS

20 DOLLARS

25 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

150 DOLLARS

200 DOLLARS

250 DOLLARS

2 500 DOLLARS

  

BELGIË

10 ECU

25 ECU

50 ECU

100 ECU

100 EURO

5 000 FRANCS

  

BELIZE

25 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

250 DOLLARS

  

BERMUDA

10 DOLLARS

25 DOLLARS

30 DOLLARS

50 DOLLARS

60 DOLLARS

100 DOLLARS

200 DOLLARS

250 DOLLARS

  

BHUTAN

1 SERTUM

2 SERTUMS

5 SERTUMS

  

BOLIVIA

4 000 PESOS BOLIVIANOS

  

BOTSWANA

5 PULA

150 PULA

10 THEBE

  

BRAZILIË

300 CRUZEIROS

(4 000 REIS)

(5 000 REIS)

(6 400 REIS)

(10 000 REIS)

(20 000 REIS)

  

BRITSE MAAGDENEILANDEN

100 DOLLARS

  

BULGARIJE

20 LEVA

100 LEVA

  

BURUNDI

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

  

CANADA

1 DOLLAR

2 DOLLARS

5 DOLLARS

10 DOLLARS

20 DOLLARS

50 DOLLARS

175 DOLLARS

200 DOLLARS

350 DOLLARS

1 SOVEREIGN

  

CAYMANEILANDEN

25 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

250 DOLLARS

  

CHILI

2 PESOS

5 PESOS

10 PESOS

20 PESOS

50 PESOS

100 PESOS

200 PESOS

  

CHINA

5 (YUAN)

10 (YUAN)

20 (YUAN)

25 (YUAN)

50 (YUAN)

100 (YUAN)

150 (YUAN)

 

200 (YUAN)

250 (YUAN)

300 (YUAN)

400 (YUAN)

450 (YUAN)

500 (YUAN)

1 000 (YUAN)

  

COLOMBIA

1 PESO

2 PESOS

2 1 / 2 PESOS

5 PESOS

10 PESOS

20 PESOS

100 PESOS

 

200 PESOS

300 PESOS

500 PESOS

1 000 PESOS

1 500 PESOS

2 000 PESOS

15 000 PESOS

  

CONGO

10 FRANCS

20 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

  

COOKEILANDEN

100 DOLLARS

200 DOLLARS

250 DOLLARS

  

COSTA RICA

5 COLONES

10 COLONES

20 COLONES

50 COLONES

100 COLONES

200 COLONES

1 500 COLONES

5 000 COLONES

25 000 COLONES

  

CUBA

4 PESOS

5 PESOS

10 PESOS

20 PESOS

50 PESOS

100 PESOS

  

CYPRUS

50 POUNDS

  

DENEMARKEN

20 KRONER

  

DOMINICAANSE REPUBLIEK

30 PESOS

100 PESOS

200 PESOS

250 PESOS

  
  

ECUADOR

1 CONDOR

10 SUCRES

  

EILAND MAN

1/20 ANGEL

1/10 ANGEL

1/4 ANGEL

1/2 ANGEL

1 ANGEL

5 ANGEL

10 ANGEL

15 ANGEL

20 ANGEL

1/25 CROWN

1/10 CROWN

 

1/5 CROWN

1/2 CROWN

1 CROWN

50 PENCE

1 POUND

2 POUNDS

5 POUNDS

50 POUNDS

(1/2 SOVEREIGN)

(1 SOVEREIGN)

(2 SOVEREIGNS)

(5 SOVEREIGNS)

  

EL SALVADOR

25 COLONES

50 COLONES

100 COLONES

200 COLONES

250 COLONES

  

EQUATORIAAL-GUINEA

250 PESETAS

500 PESETAS

750 PESETAS

1 000 PESETAS

5 000 PESETAS

  

ETHIOPIË

400 BIRR

600 BIRR

10 (DOLLARS)

20 (DOLLARS)

50 (DOLLARS)

100 (DOLLARS)

200 (DOLLARS)

  

FIJI

200 DOLLARS

250 DOLLARS

  

FILIPIJNEN

1 000 PISO

1 500 PISO

5 000 PISO

  

FINLAND

100 EUROA

  

FRANKRIJK

10 EURO

20 EURO

50 EURO

5 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

500 FRANCS

655,97 FRANCS

  

GABON

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

1 000 FRANCS

3 000 FRANCS

5 000 FRANCS

10 000 FRANCS

20 000 FRANCS

  

GAMBIA

200 DALASIS

500 DALASIS

1 000 DALASIS

  

GIBRALTAR

1/25 CROWN

1/10 CROWN

1/5 CROWN

1/2 CROWN

1 CROWN

2 CROWNS

50 PENCE

1 POUND

5 POUNDS

 

25 POUNDS

50 POUNDS

100 POUNDS

1/25 ROYAL

1/10 ROYAL

1/5 ROYAL

1/2 ROYAL

1 ROYAL

  

GUATEMALA

5 QUETZALES

10 QUETZALES

20 QUETZALES

  

GUERNSEY

1 POUND

5 POUNDS

10 POUNDS

25 POUNDS

50 POUNDS

100 POUNDS

  

GUINEE

1 000 FRANCS

2 000 FRANCS

5 000 FRANCS

10 000 FRANCS

  

HAÏTI

20 GOURDES

50 GOURDES

100 GOURDES

200 GOURDES

500 GOURDES

1 000 GOURDES

  

HONDURAS

200 LEMPIRAS

500 LEMPIRAS

  

HONGARIJE

1 DUKAT

4 FORINT = 10 FRANCS

8 FORINT = 20 FRANCS

50 FORINT

100 FORINT

200 FORINT

500 FORINT

 

1 000 FORINT

5 000 FORINT

10 000 FORINT

20 000 FORINT

50 000 FORINT

100 000 FORINT

10 KORONA

20 KORONA

100 KORONA

  

HONGKONG

1 000 DOLLARS

  

IJSLAND

500 KRONUR

10 000 KRONUR

  

INDIA

1 MOHUR

15 RUPEES

1 SOVEREIGN

  

INDONESIË

2 000 RUPIAH

5 000 RUPIAH

10 000 RUPIAH

20 000 RUPIAH

25 000 RUPIAH

100 000 RUPIAH

200 000 RUPIAH

  

IRAK

(5 DINARS)

(50 DINARS)

(100 DINARS)

  

IRAN

(1/2 AZADI)

(1 AZADI)

(1/4 PAHLAVI)

(1/2 PAHLAVI)

(1 PAHLAVI)

(2 1/2 PAHLAVI)

(5 PAHLAVI)

(10 PAHLAVI)

500 RIALS

750 RIALS

1 000 RIALS

2 000 RIALS

50 POUND

  

ISRAËL

20 LIROT

50 LIROT

100 LIROT

200 LIROT

500 LIROT

1 000 LIROT

5 000 LIROT

5 NEW SHEQALIM

10 NEW SHEQALIM

20 NEW SHEQALIM

5 SHEQALIM

10 SHEQALIM

500 SHEQEL

  

ITALIË

10 LIRE

40 LIRE

80 LIRE

100 LIRE

  

IVOORKUST

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

  

JAMAICA

100 DOLLARS

250 DOLLARS

  

JERSEY

1 POUND

2 POUNDS

5 POUNDS

10 POUNDS

20 POUNDS

25 POUNDS

50 POUNDS

100 POUNDS

1 SOVEREIGN

  

JOEGOSLAVIË

1 DUCAT

4 DUCATS

20 DINARA

100 DINARA

200 DINARA

500 DINARA

1 000 DINARA

1 500 DINARA

2 000 DINARA

2 500 DINARA

5 000 DINARA

  

JORDANIË

2 DINARS

5 DINARS

10 DINARS

25 DINARS

50 DINARS

60 DINARS

  

KATANGA

5 FRANCS

  

KENIA

100 SHILLINGS

250 SHILLINGS

500 SHILLINGS

  

KIRIBATI

150 DOLLARS

  

LESOTHO

1 LOTI

2 MALOTI

4 MALOTI

10 MALOTI

20 MALOTI

50 MALOTI

100 MALOTI

250 MALOTI

500 MALOTI

  

LETLAND

100 LATU

  

LIBERIA

12 DOLLARS

20 DOLLARS

25 DOLLARS

30 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

200 DOLLARS

250 DOLLARS

500 DOLLARS

2 500 DOLLARS

  

LUXEMBURG

5 EURO

10 EURO (2004)

10 EURO (2006)

20 EURO

20 FRANCS

40 FLUX

  

MACAU

250 PATACAS

500 PATACAS

1 000 PATACAS

10 000 PATACAS

  

MALAWI

250 KWACHA

  

MALEISIË

100 RINGGIT

200 RINGGIT

250 RINGGIT

500 RINGGIT

  

MALI

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

  

MALTA

5 (LIRI)

10 (LIRI)

20 (LIRI)

25 (LIRI)

50 (LIRI)

100 (LIRI)

  

MARSHALL-

EILANDEN

20 DOLLARS

50 DOLLARS

200 DOLLARS

  

MAURITIUS

100 RUPEES

200 RUPEES

250 RUPEES

500 RUPEES

1 000 RUPEES

  

MEXICO

2 PESOS

2 1/2 PESOS

5 PESOS

10 PESOS

20 PESOS

50 PESOS

250 PESOS

500 PESOS

 

1 000 PESOS

2 000 PESOS

1/20 ONZA

1/10 ONZA

1/4 ONZA

1/2 ONZA

1 ONZA

  

MONACO

20 FRANCS

100 FRANCS

200 FRANCS

  

MONGOLIË

750 (TUGRIK)

1 000 (TUGRIK)

  

NEDERLAND

(1 DUKAAT)

(2 DUKAAT)

1 GULDEN

5 GULDEN

10 GULDEN

10 EURO

20 EURO

50 EURO

  

NEDERLANDSE ANTILLEN

5 GULDEN

10 GULDEN

50 GULDEN

100 GULDEN

300 GULDEN

  

NEPAL

1 ASARPHI

1 000 RUPEES

  

NICARAGUA

50 CORDOBAS

  

NIEUW-ZEELAND

10 DOLLARS

150 DOLLARS

  

NIGER

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

  

NOORWEGEN

20 KRONER

1 500 KRONER

  

OMAN

25 BAISA

50 BAISA

100 BAISA

1/4 OMANI RIAL

1/2 OMANI RIAL

5 OMANI RIALS

10 OMANI RIALS

15 OMANI RIALS

20 OMANI RIALS

25 OMANI RIALS

75 OMANI RIALS

  

OOSTENRIJK

10 CORONA

( = 10 KRONEN)

20 CORONA

( = 20 KRONEN)

100 CORONA

( = 100 KRONEN)

(4 DUCATS)

10 EURO

25 EURO

50 EURO

100 EURO

 

4 FLORIN = 10 FRANCS (= 4 GULDEN)

8 FLORIN = 20 FRANCS (= 8 GULDEN)

25 SCHILLING

100 SCHILLING

200 SCHILLING

500 SCHILLING

1 000 SCHILLING

2 000 SCHILLING

  

PAKISTAN

3 000 RUPEES

  

PANAMA

100 BALBOAS

500 BALBOAS

  

PAPOEA-NIEUW-GUINEA

100 KINA

  

PERU

1/5 LIBRA

1/2 LIBRA

1 LIBRA

5 SOLES

10 SOLES

20 SOLES

50 SOLES

100 SOLES

  

POLEN

20 ZLOTYCH

50 ZLOTY (Golden Eagle)

100 ZLOTY (Golden Eagle)

100 ZLOTY

200 ZLOTY (Golden Eagle)

200 ZLOTY

500 ZLOTY (Golden Eagle)

200 000 ZLOTYCH

500 000 ZLOTYCH

  

PORTUGAL

1 ESCUDO

100 ESCUDOS

200 ESCUDOS

500 ESCUDOS

10 000 REIS

5 EURO

8 EURO

  

RHODESIË

10 SHILLINGS

1 POUND

5 POUNDS

  

ROEMENIË

12 1/2 LEI

20 LEI

25 LEI

50 LEI

500 LEI

1 000 LEI

2 000 LEI

5 000 LEI

  

RUSLAND

25 (ROUBLES)

50 (ROUBLES)

200 (ROUBLES)

1 000 (ROUBLES)

10 0000 (ROUBLES)

  

RWANDA

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

  

SALOMONSEILANDEN

10 DOLLARS

25 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

  

SAN MARINO

1 SCUDO

2 SCUDI

5 SCUDI

10 SCUDI

  

SAUDI-ARABIË

1 GUINEA (= 1 SAUDI POUND)

  

SENEGAL

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

250 FRANCS

500 FRANCS

1 000 FRANCS

2 500 FRANCS

  

SERVIË

10 DINARA

20 DINARA

  

SEYCHELLEN

1 000 RUPEES

1 500 RUPEES

  

SIERRA LEONE

1/4 GOLDE

1/2 GOLDE

1 GOLDE

5 GOLDE

10 GOLDE

1 LEONE

20 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

250 DOLLARS

500 DOLLARS

2 500 DOLLARS

  

SINGAPORE

1 DOLLAR

2 DOLLARS

5 DOLLARS

10 DOLLARS

20 DOLLARS

25 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

150 DOLLARS

250 DOLLARS

500 DOLLARS

  

SLOVENIË

2 500 TOLARS

5 000 TOLARS

20 000 TOLARS

25 000 TOLARS

  

SOMALIË

20 SHILLINGS

50 SHILLINGS

100 SHILLINGS

200 SHILLINGS

500 SHILLINGS

1 500 SHILLINGS

  

SPANJE

2 (ESCUDOS)

10 (ESCUDOS)

10 PESETAS

20 PESETAS

5 000 PESETAS

10 000 PESETAS

20 000 PESETAS

40 000 PESETAS

80 000 PESETAS

100 (REALES)

400 EURO

  

SUDAN

25 POUNDS

50 POUNDS

100 POUNDS

  

SURINAME

100 GULDEN

  

SWAZILAND

2 EMALANGENI

5 EMALANGENI

10 EMALANGENI

20 EMALANGENI

25 EMALANGENI

50 EMALANGENI

100 EMALANGENI

250 EMALANGENI

1 LILANGENI

  

SYRIË

(1/2 POUND)

(1 POUND)

  

TANZANIA

1 500 SHILINGI

2 000 SHILINGI

  

THAILAND

(150 BAHT)

(300 BAHT)

(400 BAHT)

(600 BAHT)

(800 BAHT)

(1 500 BAHT)

(2 500 BAHT)

(3 000 BAHT)

(4 000 BAHT)

(5 000 BAHT)

(6 000 BAHT)

  

TONGA

1/2 HAU

1 HAU

5 HAU

1/4 KOULA

1/2 KOULA

1 KOULA

  

TSJAAD

3 000 FRANCS

5 000 FRANCS

10 000 FRANCS

20 000 FRANCS

  

TSJECHIË

1 000 KORUN (1 000 Kč)

2 000 KORUN (2 000 Kč)

2 500 KORUN (2 500 Kč)

5 000 KORUN (5 000 Kč)

10 000 KORUN (10 000 Kč)

  

TSJECHOSLOWAKIJE

1 DUKÁT

2 DUKÁT

5 DUKÁT

10 DUKÁT

  

TUNESIË

2 DINARS

5 DINARS

10 DINARS

20 DINARS

40 DINARS

75 DINARS

10 FRANCS

20 FRANCS

100 FRANCS

5 PIASTRES

  

TURKIJE

(25 KURUSH) (= 25 PIASTRES)

(50 KURUSH) (= 50 PIASTRES)

(100 KURUSH) (= 100 PIASTRES)

(250 KURUSH) (= 250 PIASTRES)

(500 KURUSH) (= 500 PIASTRES)

1/2 LIRA

 

1 LIRA

500 LIRA

1 000 LIRA

10 000 LIRA

50 000 LIRA

100 000 LIRA

200 000 LIRA

1 000 000 LIRA

60 000 000 LIRA

  

TURKS- & CAICOSEILANDEN

100 CROWNS

  

TUVALU

50 DOLLARS

  

UGANDA

50 SHILLINGS

100 SHILLINGS

500 SHILLINGS

1 000 SHILLINGS

  

URUGUAY

5 000 NUEVO PESOS

20 000 NUEVO PESOS

5 PESOS

  

VATICAAN

20 LIRE

20 EURO

50 EURO

  

VENEZUELA

(10 BOLIVARES)

(20 BOLIVARES)

(100 BOLIVARES)

1 000 BOLIVARES

3 000 BOLIVARES

5 000 BOLIVARES

10 000 BOLIVARES

5 VENEZOLANOS

  

VERENIGDE ARABISCHE EMIRATEN

(500 DIRHAMS)

(750 DIRHAMS)

(1 000 DIRHAMS)

  

VERENIGD KONINKRIJK

(1/3 GUINEA)

(1/2 GUINEA)

50 PENCE

5 POUNDS

10 POUNDS

25 POUNDS

50 POUNDS

100 POUNDS

(1/2 SOVEREIGN) (= 1/2 POUND)

(2 SOVEREIGNS)

(5 SOVEREIGNS)

  

VSA

10 DOLLARS (AMERICAN EAGLE)

20 DOLLARS

25 DOLLARS

50 DOLLARS

  

WEST-SAMOA

50 TALA

100 TALA

  

ZAÏRE

100 ZAIRES

  

ZAMBIA

250 KWACHA

  

ZUID-AFRIKA

1/10 KRUGERRAND

1/4 KRUGERRAND

1/2 KRUGERRAND

1 KRUGERRAND

1/10 oz NATURA

1/4 oz NATURA

1/2 oz NATURA

 

1 oz NATURA

1/10 PROTEA

1 PROTEA

1/2 POND

1 POND

1 RAND

5 RAND

25 RAND

1/2 SOVEREIGN (= 1/2 POUND)

1 SOVEREIGN (= 1 POUND)

  

ZUID-KOREA

2 500 WON

20 000 WON

25 000 WON

30 000 WON

50 000 WON

  

ZWEDEN

5 KRONOR

10 KRONOR

1 000 KRONOR

2 000 KRONOR

  

ZWITSERLAND

10 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

1

In de lijst geeft de munteenheid de op de munten vermelde valuta weer. Indien de valuta niet in Romeins schrift op de munt is aangegeven, is de munteenheid voor zover mogelijk tussen haakjes vermeld.

Toelichting

Algemeen

De onderhavige regeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, waarbij een deel voortvloeit uit het Belastingplan 2008, de Overige fiscale maatregelen 2008 en de Fiscale onderhoudswet 2007. Daarnaast houden wijzigingen verband met de wijziging van het Besluit fiscale eenheid 2003 in verband met de Wet werken aan winst, de Wet op het kindgebonden budget, de Wet inrichting landelijk gebied, de vervanging van de Zesde Richtlijn door de BTW-Richtlijn 2006 en de wet van 20 december 2007, Stb. 577, houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere wetten inzake banksparen ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing eigenwoningschuld.

Voorts zijn bedragen aangepast aan loon- of prijsontwikkelingen. Tevens zijn redactionele wijzigingen doorgevoerd, zijn enige omissies hersteld en zijn er aanpassingen doorgevoerd in verband met jurisprudentie ter zake van de margeregeling in de omzetbelasting.

Voor zover de voorgestelde wijzigingen van de diverse regelingen effecten hebben op de administratieve lasten, is daarmee reeds rekening gehouden in de paragrafen betreffende administratieve lasten van wettelijke bepalingen waaraan deze regeling uitwerking geeft.

Artikelsgewijs

Artikel I

Artikel I, onderdeel A (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Het bedrag aan uitgaven voor levensonderhoud waarbij een ouder geacht wordt een kind in belangrijke mate te onderhouden, is in overeenstemming gebracht met het bedrag dat ter zake per 1 oktober 2007 is vastgesteld in de Regeling forfaitaire bedragen onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag 2007.

Artikel I, onderdeel B (artikel 2a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De wijziging voorziet in een verduidelijking van het opschrift van artikel 2a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, zodat ook uit het opschrift volgt dat het artikel alleen ziet op de situatie dat de hoogte van de uitkeringen uit de lijfrenteverzekering niet dan wel niet voor de gehele uitkeringsduur in geldeenheden, maar in units (beleggingseenheden) is uitgedrukt.

Artikel I, onderdeel C (artikel 2b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Met artikel I, onderdeel E, van de wet van 20 december 2007, Stb. 577, houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake fiscale facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing eigenwoningschuld, is artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: wet) ingevoerd. In artikel 3.126a, vierde, vijfde en zesde lid, van de wet zijn de voorwaarden opgenomen waaronder een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht kan worden uitgekeerd in termijnen, indien niet wordt gekozen voor aanwending ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de wet. Deze voorwaarden voor de uitkering in termijnen zijn zodanig vormgegeven dat deze er toe leiden dat de termijnen zoveel mogelijk overeenkomen met de uitkeringen die voortvloeien uit een lijfrenteverzekering.

Ingevolge artikel 3.126a, zevende lid, van de wet is artikel 1.7, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing. De laatstgenoemde bepaling ziet op de situatie dat de hoogte van de uitkeringen niet dan wel niet voor de gehele uitkeringsduur in geldeenheden, maar in units (beleggingseenheden) is vastgesteld. Vergelijk ook de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2006/07, 30 432, nr. 6, blz. 6).

Met de in het nieuwe artikel 2b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 opgenomen regels wordt – net als met de reeds eerder in artikel 2a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 opgenomen regels met betrekking tot de rechten op de verzekerde unit-linked-lijfrentetermijnen – beoogd te waarborgen dat de onderhavige unit-linked-rechten zijn aan te merken als reële onderhoudsvoorzieningen voor de gerechtigde.

Evenals geldt voor het bestaande artikel 2a is het niet nodig in het nieuwe artikel 2b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 alle (mogelijke) situaties te regelen waarin banken iets anders dan in euro’s vaststaande termijnen (kunnen) bieden. Het nieuwe artikel 2b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 regelt, in overeenstemming met het bestaande artikel 2a, uitsluitend de situatie waarin de termijnen worden uitgedrukt in units. Daarbij is een volledige parallel getrokken met de uitkeringen uit lijfrenteverzekeringen die zijn uitgedrukt in units. Met betrekking tot de andere situaties die denkbaar zijn waarin niet strikt sprake is van een gedurende de looptijd gegarandeerde annuïteit zullen in beleidsbesluiten en voorlichtend materiaal standpunten worden ingenomen.

In het navolgende wordt de aard van de verschillen met voornoemd artikel 2a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 nader toegelicht. Deze verschillen vloeien voort uit het verschil in karakter tussen de verzekerde lijfrenten enerzijds (artikel 2a) en de voornoemde termijnen, bedoeld in artikel 3.126a, vierde en zesde lid, van de wet, anderzijds (het onderhavige nieuwe artikel 2b). De verzekerde lijfrente is uit de aard der zaak een verzekeringsproduct, waarbij de termijnen afhankelijk zijn van het leven van het ‘verzekerd lijf’ en derhalve eindigen bij overlijden van degene op wiens leven de termijnen lopen. In het voorbeeld van de verzekerde (levenslange) oudedagslijfrente (artikel 3.125, eerste lid, onderdeel a, van de wet) is het – ingeval een nabestaandenlijfrente (artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, van de wet) is meeverzekerd – tevens mogelijk dat na het overlijden van de belastingplichtige een nabestaandenlijfrente gaat lopen, bijvoorbeeld ten behoeve van zijn partner als nabestaande, waarbij de termijnen uiterlijk eindigen bij overlijden van de nabestaande. Een lijfrentespaarrekening en een lijfrentebeleggingsrecht zijn daarentegen geen verzekeringsproducten. De termijnen zijn dan ook niet afhankelijk van het leven van een verzekerd lijf zoals dat bij de lijfrenteverzekeringen het geval is, maar lopen een bepaalde van te voren vastgestelde en overeengekomen periode, waarbij bij voortijdig overlijden van de gerechtigde tot de termijnen voor het restant van de looptijd de termijnen overgaan op de erfgena(a)m(en). Omdat het niet om een verzekering gaat, kan evenmin sprake zijn van het meeverzekeren van een nabestaandenpositie. De verschillen tussen het bestaande artikel 2a en het nieuwe artikel 2b zijn, behalve verschillen in terminologie, alle terug te voeren op de verschillen in karakter tussen een verzekeringsproduct en een bankproduct.

Als gevolg van de in het nieuwe artikel 2b opgenomen regels zal sprake zijn van een bescheiden toename van administratieve lasten met nagenoeg geheel een eenmalig karakter. De administratieve lasten bestaan daaruit dat voor de met ingang van 1 januari 2008 aan te bieden producten waarvan de termijnen in units worden uitgekeerd een nieuwe productvorm dient te worden ontwikkeld die in de administratieve systemen moet worden verankerd. Daarbij moet worden bedacht dat met artikel 2b wordt beoogd duidelijkheid te verschaffen voor de praktijk. Die praktijk heeft met betrekking tot de verzekerde lijfrente geleerd dat ontegenzeggelijk behoefte bestaat aan unit-linked producten in de uitkeringsfase. Dat een gegeven zijnde, zijn partijen gebaat bij duidelijkheid omtrent de fiscaal toegestane vorm.

Artikel I, onderdeel D (artikel 6 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Op 1 januari 2007 is de Wet inrichting landelijk gebied in werking getreden. Deze wet biedt het kader voor de programmering, financiering en realisatie van het gebiedsgerichte beleid en voor de verantwoording daarover. De hoofddoelen van beleid worden hierbij door het Rijk bepaald, de uitwerking van dit beleid op gebiedsniveau geschiedt door de provincies.

Dit betekent onder meer dat per 1 januari 2007 de provincies verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de subsidieregeling voor natuurbeheer. De Subsidieregeling natuurbeheer 2000 is per 1 januari 2007 dan ook ingetrokken. De bestaande aanspraken en verplichtingen op grond van die regeling blijven in stand. Aangezien de oude regeling nog een groot aantal jaren van belang blijft voor de subsidie functieverandering, is er voor gekozen de verwijzing naar de vervallen regeling in artikel 6 op te nemen en niet in een artikel met overgangsrecht.

Op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer van de onderscheiden provincies kan net als in de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 de subsidie functieverandering worden verstrekt. Deze subsidie is identiek aan de subsidie functieverandering zoals die is opgenomen in de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 zoals die luidde tot 1 januari 2007. Daarom geldt de vrijstelling van inkomstenbelasting ook voor de subsidie functieverandering die op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer van de onderscheiden provincies wordt verstrekt. Artikel 6 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is daartoe gewijzigd.

De provinciale subsidieregelingen natuurbeheer zijn opgenomen in de Provinciale bladen:

1. Subsidieregeling natuurbeheer Drenthe (provinciaal blad 2006, nr. 73)

2. Subsidieregeling natuurbeheer Friesland (provinciaal blad 2006, nr. 32)

3. Subsidieregeling natuurbeheer Flevoland (provinciaal blad 2006, nr. 33)

4. Subsidieregeling natuurbeheer Gelderland (provinciaal blad 2006, nr. 132)

5. Subsidieregeling natuurbeheer Groningen (provinciaal blad 2007, nr. 35)

6. Subsidieregeling natuurbeheer Limburg (provinciaal blad 2006, nr. 79)

7. Subsidieregeling natuurbeheer Noord-Brabant (provinciaal blad 2006, nr.170)

8. Subsidieregeling natuurbeheer Noord-Holland (provinciaal blad 2006, nr.68)

9. Subsidieregeling natuurbeheer Overijssel (provinciaal blad 2006, nr.119)

10. Subsidieregeling natuurbeheer Utrecht (provinciaal blad 2006, nr. 25)

11. Subsidieregeling natuurbeheer Zeeland (provinciaal blad 2007, nr. 3)

12. Subsidieregeling natuurbeheer Zuid-Holland (provinciaal blad 2007, nr. 2).

Artikel I, onderdeel E (artikel 9a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Met deze wijziging van artikel 9a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is uitvoering gegeven aan artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, en tiende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en is vastgesteld dat op landelijk niveau de netto-tonnage van voor de zogenoemde tonnageregeling kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten gedurende de periode 2004 tot en met 2006 ten opzichte van de periode 2003 tot en met 2005 niet is afgenomen.

Om in aanmerking te komen voor de tonnageregeling geldt als voorwaarde dat een schip slechts onder de regeling kan worden gebracht indien de vlag van één van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte (hierna: de lidstaten) wordt gevoerd. De communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer maken het evenwel mogelijk dat hierop in een drietal situaties een uitzondering wordt gemaakt. Een uitzondering is toegestaan indien op landelijk niveau het aandeel van kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten gemiddeld niet is afgenomen ten opzichte van een voorgaande periode. Dit is het geval indien het nettotonnage van de landelijke vloot onder de vlag van een van de lidstaten als percentage van het netto-tonnage van het totaal van de landelijke vloot, van kwalificerende schepen niet is afgenomen. Nederland heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door een aanpassing van artikel 3.22 Wet IB 2001. Blijkens artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, juncto artikel 3.22, tiende lid, Wet IB 2001 wordt jaarlijks bij Ministeriële regeling bepaald of op landelijk niveau de netto-tonnage van kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten als percentage van de netto-tonnage van kwalificerende schepen in een bepaalde periode vergeleken met de daaraan voorafgaande periode, niet is afgenomen. De bedoelde Ministeriële regeling wordt vastgesteld in overeenstemming met onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Uit een rapport van Ecorys Nederland BV1 blijkt dat het aandeel van de tonnage onder Nederlandse vlag, of de vlag van een andere lidstaat in de periode 2004 tot en met 2006 ten opzichte van de periode 2003 tot en met 2005 gemiddeld is gestegen van 70,679% naar 71,295%. Dit houdt in dat voor schepen die in het kalenderjaar 2008 in gebruik worden genomen de voorwaarde dat het schip de vlag voert van een van de lidstaten niet geldt.

Artikel I, onderdeel F (artikel 17bis van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 17bis van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (UR IB 2001) wordt uitvoering gegeven aan artikel 3.116a, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. In de toelichting bij artikel 3.116a, zevende lid, van de Wet IB 2001 (Kamerstukken 2006/07 II 30 432, nr. 10, blz. 9 en 10) is aangegeven dat de in dat lid opgenomen Ministeriële bevoegdheid in ieder geval zal worden aangewend om te bewerkstelligen dat bij meerdere rekeninghouders van één rekening (de zogenaamde en/of rekening) of bij meerdere eigenaren van één beleggingsrecht, het resultaat van de fiscale behandeling overeenkomt met het resultaat dat zou ontstaan wanneer zij ieder afzonderlijk over een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning zouden beschikken.

In het nieuwe artikel 17bis UR IB 2001 is bepaald dat ingeval er sprake is van meerdere rekeninghouders van een spaarrekening eigen woning of meerdere eigenaren van een beleggingsrecht eigen woning, het tegoed op die spaarrekening of dat beleggingsrecht in gelijke delen aan de onderscheidenlijke rekeninghouders of eigenaren wordt toegerekend.

Wanneer bijvoorbeeld twee personen rekeninghouder zijn van een spaarrekening eigen woning, zal bij deblokkering (zowel tussentijds als bij einde van de looptijd) de helft van het op dat moment aanwezige tegoed aan ieder van hen worden toegerekend. Bij bijvoorbeeld drie personen zal dan een derde van het tegoed aan ieder van hen worden toegerekend.

Voor deze wijze van toerekening aan de rekeninghouders respectievelijk de eigenaren is gekozen op basis van verzoeken van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en ten behoeve van de uitvoerbaarheid door de Belastingdienst. Omdat een dergelijke toerekening minder uitvoeringsproblemen met zich meebrengt dan een toerekening naar de mate van juridische gerechtigdheid, hetgeen in dit geval ook een mogelijkheid zou zijn geweest, is het verzoek van de uitvoeringspraktijk ingewilligd.

Artikel I, onderdeel G (artikel 36 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De bedragen van de maximumaftrek voor levensonderhoud van kinderen zijn geactualiseerd op basis van de bedragen die zijn vastgesteld in de Regeling indexering AKW-bedragen juli 2007.

Artikel II

Artikel II (artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001)

Dit onderdeel strekt ertoe een inmiddels onjuiste verwijzing naar artikel 3.34, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 te herstellen. Deze onjuistheid is ontstaan bij de wijziging van dat artikel als gevolg van de wet van 12 december 2002, Stb. 2002, 615, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel I). Sinds 1 januari 2003 bestaat het tweede lid van genoemd artikel als gevolg van die wet namelijk niet meer uit verschillende onderdelen. Aangezien de laatstgenoemde wijziging per 1 januari 2003 in werking is getreden, is ervoor gekozen ook de aanpassing van de verwijzing terug te laten werken tot en met 1 januari 2003.

Artikel III

Artikel III, onderdeel A (artikel 21 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het maandbedrag in het waarderingsvoorschrift voor kleding van een in de onderneming van de ouder meewerkend kind is geactualiseerd. Door de wijze van afronding blijven de bedragen per dag en per week ongewijzigd.

Artikel III, onderdeel B (artikel 34, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor de waarde van energie zijn geactualiseerd. Door de wijze van afronding blijven de bedragen per dag en per week voor energie ten behoeve van andere dan verwarmings- en kookdoeleinden ongewijzigd. Door de geringe mutatie in de onderliggende indexcijfers blijven ook de eveneens in dit artikel opgenomen bedragen voor bewassing en water ongewijzigd.

Artikel III, onderdeel C (artikel 35, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor inwoning zijn geactualiseerd.

Artikel III, onderdeel D (artikel 41 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het bedrag van de maximale vrije vergoeding en van de maximale vrije verstrekking voor de producten eigen bedrijf is geactualiseerd.

Artikel III, onderdeel E (artikel 51 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor huisvesting aan boord van schepen en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten zijn geactualiseerd.

Artikel III, onderdeel F (artikel 55 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor maaltijden in bedrijfskantines zijn geactualiseerd.

Artikel III, onderdeel G (artikel 59 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het in dit artikel genoemde rentepercentage wordt gesteld op het percentage van de heffings- en invorderingsrente bij belastingen zoals dat is vastgesteld voor het eerste kalenderkwartaal van het kalenderjaar.

Artikel III, onderdeel H (artikel 63 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De wijziging van dit artikel houdt verband met de vaststelling van het aantal werkdagen voor het jaar 2008 op 230 voor de werknemer met vakantiebonnen voor 20 of meer vakantiedagen per jaar.

Artikel III, onderdeel I (artikel 82, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Met deze wijziging is bewerkstelligd dat de eindheffing van artikel 31, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor bezwaarlijk te individualiseren loon ook kan worden toegepast in het geval op grond van artikel 15a, eerste lid, aanhef en onderdeel j, van de Wet op de loonbelasting 1964 juncto hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 in redelijkheid een vergoeding wordt gegeven ter zake van extraterritoriale kosten, maar die vergoeding – afgezien van de vergoeding van het schoolgeld – samen met de waarde van de eventuele verstrekkingen hoger is dan 30% van de som van het loon en de vergoeding voor extraterritoriale kosten (de bewijsregel). Deze mogelijkheid geldt derhalve uitsluitend indien voor het overige is voldaan aan de in hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 gestelde voorwaarden.

Artikel III, onderdeel J (artikel 110 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

In artikel 110 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is een overgangsregeling opgenomen voor de waardering van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken (hierna: vakantiebonnen) die voortvloeien uit een reeds op 31 december 1996 bestaande of aansluitend naar strekking ter zake ongewijzigd voortgezette publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst. In de jaren 1999 tot en met 2005 is de fiscale waarde van vakantiebonnen jaarlijks verhoogd met 2,5% van de nominale waarde. In de jaren 2006 en 2007 is in het licht van ontwikkelingen met betrekking tot in CAO’s gemaakte afspraken over vakantiebonnen besloten de overgangsregeling niet – zoals aanvankelijk de bedoeling was – al per 1 januari 2006 te beëindigen, maar de overgangsregeling nog twee jaar, ongewijzigd ten opzichte van 2005, voort te zetten. Het aantal werknemers met vakantiebonnen is sindsdien ruim gehalveerd. Aangezien het toch nog steeds om een behoorlijk aantal werknemers met vakantiebonnen gaat, is besloten de overgangsregeling nog een keer met twee jaar voort te zetten, echter met een stapsgewijze verhoging. Met ingang van 2008 is de in aanmerking te nemen waarde van de vakantiebonnen verhoogd van 92,5% van de nominale waarde naar 95% van de nominale waarde. Met ingang van 2009 wordt de waardering verder verhoogd naar 97,5% van de nominale waarde. Door te kiezen voor een stapsgewijze verhoging in plaats van voor het laten vervallen van de overgangsregeling, worden grote inkomenseffecten voor werknemers in sectoren waarin nog met vakantiebonnen wordt gewerkt, voorkomen. Met ingang van 1 januari 2010 zal de structurele regeling voor de fiscale behandeling van vakantiebonnen ingaan. In 2009 zal een besluit worden genomen over de vormgeving daarvan.

Artikel IV

Artikel IV (artikel 19b van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen)

Artikel 19b, eerste lid, onderdeel a en b, van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen bepaalt dat – in afwijking van artikel 19 van die regeling – ook binnen de in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 genoemde termijn van vier jaar over het tegoed van de spaarloonregeling mag worden beschikt ten behoeve van de voldoening van premies voor lijfrenten en premies voor kapitaalverzekeringen.

Ingevolge de wet van 20 december 2007, Stb. 577, houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake fiscale facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing eigenwoningschuld is in de Wet IB 2001 een nieuwe alternatieve variant voor de lijfrente en de kapitaalverzekering eigen woning opgenomen. Voor de lijfrente zijn dat de zogenoemde lijfrentespaarrekening en het lijfrentebeleggingsrecht. Voor de kapitaalverzekering eigen woning zijn dat de zogenoemde spaarrekening eigen woning en het beleggingsrecht eigen woning.

Om ook voor de nieuwe varianten het vroegtijdig opnemen van spaarloongelden mogelijk te maken, is in het nieuwe zesde lid bepaald dat artikel 19b van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen van overeenkomstige toepassing is op overgemaakte bedragen naar een lijfrentespaarrekening, lijfrentebeleggingsrecht, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning.

Artikel V

Artikel V, onderdeel A (artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De wijziging van dit artikel houdt verband met de vaststelling van het aantal werkdagen voor het jaar 2008 op 230 voor de werknemer met vakantiebonnen voor 20 of meer vakantiedagen per jaar.

Artikel V, onderdeel B (artikel 6 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De bedragen zoals opgenomen in de tabel van artikel 6, eerste lid, zijn geactualiseerd voor 2008. De tabel ziet op de inkomensevenredige vermindering van de afdrachtvermindering onderwijs en van het toetsloon in de situatie dat het loon van werknemers niet per tijdseenheid wordt berekend. In die situatie wordt bij de berekening uitgegaan van het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met het uit de tabel volgende bedrag in plaats van verminderd met het overwerkloon, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, ten tweede, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Artikel VI

Artikel VI, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling fiscale eenheid en voorkoming dubbele belasting 2003)

In verband met de introductie van deelnemingsverrekening in verband met de Wet werken aan winst zijn in hoofdstuk VIIIA van het Besluit fiscale eenheid 2003 bepalingen opgenomen over de toedeling van voordelen uit hoofde van laagbelaste beleggingsdeelnemingen en deelnemingsverrekening. De regels over de volgorde waarin de aanspraken op deelnemingsverrekening in aanmerking worden genomen, worden krachtens de delegatiebepaling van artikel 48a van het Besluit fiscale eenheid 2003 in deze regeling nader uitgewerkt. Daarbij wordt aangesloten bij de systematiek van de verrekening van buitenlandse bronbelasting zoals geregeld in artikel 3 van deze regeling.

Artikel VI, onderdelen B, C en D (artikel 2, 3 en 4 van de Uitvoeringsregeling fiscale eenheid en voorkoming dubbele belasting 2003)

De Uitvoeringsregeling fiscale eenheid en voorkoming dubbele belasting 2003 voorziet in regels over de toedeling van de winst van een fiscale eenheid en te verrekenen buitenlandse belasting in het kader van het verlenen van verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting. Deze regels waren tot en met 31 december 2007 van toepassing bij doorschuiving of voortwenteling over het voegingstijdstip of het ontvoegingstijdstip heen. In de praktijk is gebleken dat er geen behoefte is aan bijzondere regels over het ontvoegingstijdstip heen en dat de hoofdregel zoals neergelegd in het Besluit fiscale eenheid 2003 volstaat. Daarom is de reikwijdte van deze regeling beperkt tot doorschuiving of voortwenteling over het voegingstijdstip heen. Dit is bereikt door in het eerste lid van de artikelen 2, 3 en 4 de verwijzing naar de artikelen 46 respectievelijk 47 en 48 van het Besluit fiscale eenheid 2003 te verwijderen.

Artikel 2, tweede en derde lid, van de Uitvoeringsregeling fiscale eenheid en voorkoming dubbele belasting 2003 voorziet in regels voor de volgorde waarin nog door te schuiven winsten en nog in te halen verliezen uit buitenlandse onderneming over het voegingstijdstip heen in aanmerking moeten worden genomen. Op basis van de tot en met 31 december 2007 geldende regeling werden naar dat jaar overgebrachte buitenlandse resultaten van de fiscale eenheid eerder in aanmerking genomen dan de buitenlandse resultaten van maatschappijen uit de voorvoegingsperiode. Omdat deze volgorde voor belastingplichtigen nadelig kan uitwerken doordat een langdurige winstsplitsing nodig blijft, zijn deze voorrangsregels per 1 januari 2008 omgedraaid. Op grond van het tweede en derde lid worden de buitenlandse resultaten uit de voorvoegingsperiode van de gevoegde maatschappij eerder in aanmerking genomen dan de naar dat jaar overgebrachte buitenlandse resultaten van de fiscale eenheid. Hetzelfde geldt voor de volgorde van verrekening van buitenlandse bronbelasting op grond van artikel 3, tweede lid, en voor de volgorde van de vermindering ter zake van passieve buitenlandse winst op grond van artikel 4, tweede lid. Op grond van artikel 3, tweede lid, wordt de buitenlandse bronbelasting van maatschappijen van vóór het voegingstijdstip eerder in aanmerking genomen dan de naar dat jaar overgebrachte buitenlandse bronbelasting van de fiscale eenheid. Op grond van artikel 4, tweede lid, wordt de aanspraak ter zake van passieve winst van maatschappijen van vóór het voegingstijdstip eerder in aanmerking genomen dan de naar dat jaar overgebrachte aanspraak van de fiscale eenheid.

Ten slotte voorzag artikel 2, zevende lid, onderdeel a, nog niet in regels voor de toedeling indien de ruimte van de maatschappijen zonder voorvoegingsaanspraken groter is dan de in aanmerking genomen buitenlandse winst van de fiscale eenheid. Dit kan onder meer van belang zijn indien er gestalde resultaten van vóór het voegingstijdstip zijn. Op grond van de per 1 januari 2008 aaangebrachte wijziging vindt dan een toedeling naar evenredigheid van de aan de betreffende maatschappijen toe te rekenen winst van de fiscale eenheid plaats.

Artikel VI, onderdeel E (artikel 4a van de Uitvoeringsregeling fiscale eenheid en voorkoming dubbele belasting 2003)

In de nota van toelichting bij het besluit houdende aanpassing van het Besluit fiscale eenheid 2003 zijn nadere regels aangekondigd over de volgorde waarin de aanspraken op deelnemingsverrekening in aanmerking worden genomen over het voegingstijdstip heen. De bepaling is dus van belang voor de toepassing van artikel 48b van het Besluit fiscale eenheid 2003. Voor de volgorde waarin de voordelen uit laagbelaste beleggingsdeelnemingen – daaronder begrepen de voordelen uit herwaardering, bedoeld in artikel 13a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 – in aanmerking worden genomen, is aansluiting gezocht bij de systematiek van de verrekening van buitenlandse bronbelasting, bedoeld in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling fiscale eenheid en voorkoming dubbele belasting 2003. Op grond van het vorenstaande wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 achtereenvolgens zoveel mogelijk in aanmerking genomen:

1. het voortgewentelde bedrag aan deelnemingsverrekening van maatschappijen van vóór het voegingstijdstip uit verdragslanden;

2. het voortgewentelde bedrag aan deelnemingsverrekening van maatschappijen van vóór het voegingstijdstip uit landen waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft;

3. het (voortgewentelde) bedrag aan deelnemingsverrekening van de fiscale eenheid uit verdragslanden;

4. het (voortgewentelde) bedrag aan deelnemingsverrekening van de fiscale eenheid uit landen waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft.

Ter verduidelijking wordt nog opgemerkt dat de deelnemingsverrekening in rangorde plaatsvindt na vermindering bij buitenlandse winst, na vermindering bij buitenlandse bronbelasting en na vermindering bij passieve winst uit buitenlandse bronbelasting. Dit volgt uit de volgorde waarin deze bepalingen in deze regeling zijn opgenomen.

In de situatie dat een maatschappij per saldo negatieve voordelen uit een laagbelaste beleggingsdeelneming heeft, terwijl een andere maatschappij positieve voordelen uit een dergelijke deelneming geniet, zal evenals in artikel 3, derde lid, van de Uitvoeringsregeling fiscale eenheid en voorkoming dubbele belasting 2003 de minimummethode van toepassing zijn: de negatieve voordelen uit een laagbelaste beleggingsdeelneming worden voor de toepassing van artikel 48b, tweede lid, van het Besluit fiscale eenheid 2003 in mindering gebracht op de positieve voordelen uit een laagbelaste beleggingsdeelneming van andere maatschappijen in volgorde van toenemende grootte van die positieve voordelen. De deelnemingsverrekening is beperkt tot de zogenoemde tweede limiet.

Opgemerkt zij dat in de cijfervoorbeelden in de toelichting op de Uitvoeringsregeling fiscale eenheid en voorkoming dubbele belasting 2003 een tweetal onvolkomenheden voorkomen. Deze voorbeelden behoren als volgt te luiden.

Voorbeeld bij artikel 3

Voor de berekening van de tweede limiet van D2 is de teller ten onrechte op 400 in plaats van op 100 gesteld. Op grond van artikel 44, tweede lid, van het Besluit fiscale eenheid 2003 bedraagt de teller immers ten hoogste de aan de maatschappij toe te rekenen wereldwinst. De juiste uitwerking van het voorbeeld bij artikel 3 luidt als volgt:

Een moedermaatschappij M gaat een fiscale eenheid aan met D1, D2 en D3. Op het voegingstijdstip hebben alle maatschappijen nog onverrekende bronbelasting. Alle gevoegde maatschappijen behalen in het jaar van voeging winst waarin buitenlandse interest is begrepen waarop te verrekenen buitenlandse bronbelasting is ingehouden. Er wordt vanuit gegaan dat de interest uit hetzelfde land afkomstig is. Voorts wordt eenvoudigheidshalve uitgegaan van een vennootschapsbelastingtarief van 35%. De cijfers zijn als volgt:

 

Netto-interest inkomsten

Overige winst

Wereldwinst

Bron-

belasting

Voortge-

wentelde-

bronbelasting

M

200

1.000

1.200

70

50

D1

-100

700

600

20

80

D2

400

-300

100

30

10

D3

500

300

800

40

140

F.E.

1.000

1.700

2.700

160

n.v.t.

De fiscale eenheid is 945 (35% van 2700) vennootschapsbelasting verschuldigd. De tweede limiet van de fiscale eenheid bedraagt: netto-inkomsten/wereldwinst × (vpb over wereldwinst) = 1000/2700×945=350. Dit bedrag wordt op grond van het tweede lid allereerst gebruikt voor de verrekening van de bronbelasting van de fiscale eenheid van 160. Voor de verrekening van voortgewentelde bronbelasting van vóór het voegingstijdstip blijft dus over 350-/-160 = 190.

Vervolgens worden de negatieve netto-inkomsten van D1 in mindering gebracht op de positieve netto-inkomsten van andere maatschappijen, in de volgorde van toenemende grootte van die positieve inkomsten (derde lid). Dit betekent dat de netto-inkomsten van D1 van -100 in mindering worden gebracht op de netto-inkomsten van M van 200.

De volgende stap is dat wordt vastgesteld wat de ruimte van de maatschappijen is voor de verrekening van de voortgewentelde belasting. Daartoe dient de tweede limiet per maatschappij te worden vastgesteld volgens de formule: aan die maatschappij toerekenbare netto-inkomsten/ wereldwinst × (vpb over wereldwinst). Deze per maatschappij berekende ruimte is beschikbaar voor de verrekening van de over het voegingstijdstip voortgewentelde bronbelasting. Deze ruimte is echter ook nodig voor de verrekening van de van de fiscale eenheid geheven bronbelasting.

De tweede limiet per maatschappij is als volgt:

– M: (200-/-100 (netto-inkomsten D1))/2700 × 945 = 35

– D1: 0

– D2: 100/2700 × 945 = 35

– D3: 500/2700 × 945 = 175.

Er is geen maatschappij zonder voortgewentelde bronbelasting van vóór het voorvoegingstijdstip. De bronbelasting van de fiscale eenheid wordt dus zoveel mogelijk toegedeeld aan de maatschappij waaraan die bronbelasting is toe te rekenen. De verrekeningsruimte per maatschappij na toepassing van het vijfde lid is als volgt:

– M: 35 -/- 35 = 0.

– D1: 0

– D2: 35 -/- 30 = 5

– D3: 175 -/- 40 = 135.

Op grond van het vijfde lid wordt dus in totaal 105 (35+30+40) bronbelasting van de fiscale eenheid aan M, D2 en D3 toegedeeld. Van de bronbelasting van de fiscale eenheid van 160 kan 55 niet op grond van het vijfde lid worden toegedeeld. Daarom is het zesde lid van toepassing. De ruimte die bij D2 en D3 voor de verrekening van de voortgewentelde bronbelasting overblijft, wordt op grond daarvan berekend volgens de formule: (verrekeningsruimte maatschappij na toepassing vijfde lid)/ (verrekeningsruimte fiscale eenheid na toepassing vijfde lid) × (verrekeningsruimte fiscale eenheid na vermindering wegens bronbelasting van de fiscale eenheid).

De verrekeningsruimte van D2 en D3 is als volgt te berekenen:

D2: 5/(350-/-105) × 190 = 4

D3: 135/(350-/-105) × 190 = 105.

De volgende stap is dat wordt berekend welk deel van de voortgewentelde bronbelasting van maatschappijen van voor het voegingstijdstip kan worden verrekend respectievelijk wordt voortgewenteld naar het volgende jaar. De voortgewentelde bronbelasting van voor het voorvoegingstijdstip van M en D1 wordt overgebracht naar het volgende jaar omdat de verrekeningsruimte van deze maatschappijen na toepassing van het vijfde lid nihil is. Van de voortgewentelde bronbelasting van D2 van 10 wordt dus 6 (10 -/- 4) naar het volgende jaar overgebracht. De voortgewentelde bronbelasting van D3 van 140 kan tot een bedrag van 105 worden verrekend. Het restant van 35 wordt voortgewenteld naar het volgende jaar.

Uiteindelijk wordt in het bovenstaande voorbeeld dus 269 bronbelasting verrekend, namelijk 160 (fiscale eenheid) + 4 (D2) + 105 (D3).

Voorbeeld bij artikel 4

In de tweede alinea na de tabel is bij de berekening van de verrekeningsruimte bij D3 ten onrechte rekening gehouden met het stallingsresultaat van vóór het voegingstijdstip van -150. Als gevolg hiervan wordt de negatieve passieve winst van D2 (-100), welk op grond van de zogenoemde minimummethode wordt toegedeeld aan de andere maatschappijen in de volgorde van de grootte van hun positieve passieve winst, aan D2 toegedeeld in plaats van D3. De juiste uitwerking van het voorbeeld bij artikel 4 luidt als volgt:

Een moedermaatschappij (M) gaat een fiscale eenheid aan met D1, D2 en D3. Alle gevoegde maatschappijen behalen passieve winst uit buitenlandse onderneming in land X. Er wordt vanuit gegaan dat het vennootschapsbelastingtarief 35% bedraagt. Voorts wordt verondersteld dat op grond van artikel 39, derde lid, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 telkens wordt verzocht om verrekening van de vanwege land × geheven belasting. De cijfers zijn als volgt:

 

Passieve winst

Overige

winst

Wereld winst

Belasting

passieve winst

Voortgewentelde belasting

Stalling passieve winst

M

400

200

600

80

150

0

D1

300

-300

0

60

50

0

D2

-100

250

150

0

100

0

D3

400

100

50

80

0

-150

F.E.

1.000

250

1.250

220

10

 

De fiscale eenheid is 437,5 (35% van 1250) vennootschapsbelasting verschuldigd. De tweede limiet van de fiscale eenheid bedraagt: passieve winst/wereldwinst × (vpb over wereldwinst). Het stallingsresultaat van D3 vermindert daarbij de passieve winst die in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de tweede limiet van de fiscale eenheid. De tweede limiet van de fiscale eenheid bedraagt dus (1000-/-150) / 1250 × 437,5 = 297,5. Dit bedrag wordt op grond van het tweede lid allereerst gebruikt voor de verrekening van de (voortgewentelde) belasting ter zake van passieve winst van de fiscale eenheid van 220 + 10 = 230. Voor de verrekening van voortgewentelde belasting van vóór het voegingstijdstip blijft dus over 297,5 -/- 230 = 67,5.

De volgende stap is dat wordt bepaald wat de ruimte van de maatschappijen is voor de verrekening van de voortgewentelde belasting. Daartoe dient de tweede limiet per maatschappij te worden vastgesteld volgens de formule: aan die maatschappij toerekenbare passieve winst uit buitenlandse onderneming / wereldwinst × (vpb over wereldwinst). Dit bedrag is de verrekeningsruimte van een maatschappij als bedoeld in het derde lid in samenhang met artikel 3, zevende lid, onderdeel c. Bij de berekening van de verrekeningsruimte wordt de aan maatschappij D2 toe te rekenen negatieve passieve winst uit buitenlandse onderneming van – 100 op grond van het derde lid, in samenhang met artikel 2, vierde lid, toegerekend aan D1.

Hiermee rekening houdend is de verrekeningsruimte per maatschappij als volgt te berekenen:

– M: 400 / 1250 × 437,5 = 140

– D1: (300-/-100) / 1250 × 437,5 = 70

– D2: 0

– D3: (400-/-150) / 1250 × 437,5 = 87,5.

Vervolgens wordt de te verrekenen belasting van de fiscale eenheid toegedeeld aan de maatschappijen. De belasting wordt eerst zoveel mogelijk toegerekend aan D3, omdat D3 geen voortgewentelde belasting van vóór het voegingstijdstip heeft. De verrekeningsruimte van D3 van 87,5 wordt dus benut voor de verrekening van passieve winst van de fiscale eenheid.

Het restant van de te verrekenen belasting van de fiscale eenheid (230 -/- 87,5 = 142,5) vermindert op grond van het derde lid in samenhang met artikel 2, zesde lid, de verrekeningsruimte voor voorvoegingsbedragen van de maatschappijen.

De ruimte die bij M en D1 voor de verrekening van de voortgewentelde belasting overblijft, wordt dus berekend volgens de formule: (verrekeningsruimte maatschappij na toepassing derde lid in samenhang met artikel 2, zesde lid) / (verrekeningsruimte fiscale eenheid na toepassing derde lid in samenhang met artikel 2, zesde lid) × (verrekeningsruimte fiscale eenheid na vermindering wegens belasting van de fiscale eenheid). Op basis hiervan kan de ruimte per maatschappij voor de verrekening van de voortgewentelde belasting worden berekend.

– M: 140 / (297,5 -/- 87,5) × 67,5 = 45

– D1: 105 / (297,5 -/- 87,5) × 67,5 = 22,5.

De ruimte van beide maatschappijen wordt volledig gebruikt voor het effectueren van voortgewentelde belasting. Naar het volgende jaar wordt voortgewenteld:

– M: 150 -/- 45 = 105

– D1: 50 -/- 22,5 = 27,5.

De voortgewentelde belasting van vóór het voegingstijdstip van D2 van 100 wordt naar het volgende jaar voortgewenteld. Omdat D2 een negatieve passieve winst heeft, heeft D2 geen verrekeningsruimte.

Uiteindelijk wordt in het bovenstaande voorbeeld dus 297,5 aan (voortgewentelde) belasting verrekend, namelijk 230 (fiscale eenheid) + 45 (M) + 22,5 (D1).

Artikel VII

Artikel VII, onderdeel A (artikel 7a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Successiewet 1956)

De aanpassing van artikel 7a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Successiewet 1956 is een gevolg van de verlettering van de onderdelen van artikel 2, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Artikel VII, onderdeel B (artikel 7d, vijfde lid, Uitvoeringsregeling Successiewet 1956)

Via het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2008 is de omschrijving van het begrip overheidsingrijpen verplaatst van artikel 3.64 naar artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De aanpassing van artikel 7d, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling Successiewet 1956 is een gevolg van deze verplaatsing.

Artikel VIII

Artikel VIII, onderdeel A (artikel 4 van de Uitvoeringsbeschikking Registratiewet 1970)

De Belastingdienst heeft op haar website bekendgemaakt op welke kantoren registratie van onderhandse akten kan plaatsvinden. Artikel 4, onderdeel c, van de Uitvoeringsbeschikking Registratiewet 1970 is hieraan aangepast.

Artikel VIII, onderdeel B (artikel 5 van de Uitvoeringsbeschikking Registratiewet 1970)

Artikel 5 is geschrapt in verband met het vervallen van de verplichting een vergoeding te betalen voor de registratie.

Artikel VIII, onderdeel C (artikel 7 van de Uitvoeringsbeschikking Registratiewet 1970)

In artikel 7 is vanouds geregeld op welke dagen en uren de inspecties waar akten ter registratie kunnen worden aangeboden, geopend zijn en wanneer zij gesloten zijn. Vanouds was in dit artikel ook geregeld wanneer de ontvangkantoren open waren voor het betalen van de wegens de registratie verschuldigde kosten. De laatste bepaling kan vervallen. De overige bepalingen met betrekking tot de openstelling voor de registratie zijn samengevoegd.

Artikel IX

Artikel IX, onderdeel A (artikel 3a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

In artikel 3a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de vorming, beëindiging en wijziging van een fiscale eenheid. Algemeen uitgangspunt is de fictie dat voor het berekenen van de verschuldigde belasting de ene belastingplichtige geacht wordt in de plaats te zijn getreden voor de andere. Bijvoorbeeld wordt bij vorming van een fiscale eenheid deze eenheid geacht in de plaats te zijn getreden van de personen of lichamen die de fiscale eenheid vormen.

In het vierde lid van dit artikel 3a zijn daarop uitzonderingen gemaakt ten aanzien van onderdelen van de in artikel 4c van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 opgenomen zogenoemde globalisatieregeling. In de slotzin van het vierde lid van artikel 3a, zoals deze tot 1 januari 2008 luidde, was opgenomen dat de genoemde fictie voor bepaalde aspecten niet van toepassing is in geval van uittreding uit of beëindiging van de fiscale eenheid die als zodanig de globalisatiemethode toepast. Hierdoor kon bij uittreding uit een fiscale eenheid de uittredende deelnemer de zogenoemde jaarglobalisatie slechts toepassen op de margeverkopen en de marge-inkopen in de periode na het tijdstip van de uittreding. Verder kon die deelnemer slechts de negatieve winstmarges en negatieve jaarsaldi verrekenen die na het tijdstip van de uittreding in de eigen bedrijfsuitoefening zijn ontstaan. Hetzelfde gold bij beëindiging van de fiscale eenheid. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 29 oktober 2004, nr. 38320, is echter de conclusie te trekken dat artikel 3a, vierde lid, slotzin, onverbindend is. In het beleidsbesluit van 4 juli 2007 nr. CPP/948M (Margeregeling; regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten) zijn de gevolgen en strekking van dat arrest nader toegelicht en het voornemen geuit de artikelen 3 en 8 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 met die uitspraak in overeenstemming te brengen. Daarom is deze slotzin per 1 januari 2008 komen te vervallen, zodat de genoemde fictie voortaan ook volledig van toepassing is in vorenstaande situaties.

Artikel IX, onderdeel B (artikel 8, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Bij de overdracht van een onderneming treedt de overnemer (hierna de koper) voor de heffing van de omzetbelasting in de plaats van de overdrager (hierna de verkoper). Deze fictie is opgenomen in artikel 8, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Op grond van de tot 1 januari 2008 geldende tekst van artikel 8, tweede lid, gold deze fictie echter onder andere niet bij toepassing van de regelingen van artikel 4c, zesde tot en met achtste lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Als op het moment van overdracht van de onderneming bij de verkoper sprake was van een negatieve tijdvakmarge of een negatieve jaarmarge konden deze negatieve marges niet overgaan op de koper. De Hoge Raad heeft echter in het hiervoor vermelde arrest van 29 oktober 2004 geoordeeld, dat in gevallen waarin zowel de verkoper als de koper de globalisatieregeling toepast, artikel 8, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 onverbindend is voor de uitsluiting van de verrekeningsmogelijkheid van negatieve jaarmarges. Dit geldt ook voor de verrekeningsmogelijkheid per tijdvak. In verband hiermee is het tweede lid van artikel 8 aangepast.

Artikel IX, onderdeel C (artikel 18, vierde lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Artikel 18 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 bevat een aantal voorwaarden waaronder een aanwijzing ingevolge artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968 kan plaatsvinden. Daarbij gaat het om de zogenoemde verlegging van ter zake van invoer van goederen verschuldigde omzetbelasting. In het vierde lid van artikel 18 zijn specifieke regels gesteld voor goederen (postzendingen) die – zoals de redactie van het vierde lid tot 1 januari 2008 luidde – door Koninklijke PTT Post BV worden ingevoerd. De naam van deze vennootschap is echter gewijzigd. Sinds 16 oktober 2006 is de naam Koninklijke TNT Post B.V.

Dit onderdeel strekt ertoe de juiste naam van die vennootschap te vermelden.

Artikel IX, onderdeel D (artikel 29e van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Artikel 29e van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 zag op de situatie dat een ondernemer een levering of een dienst verricht die een verwerking omvat van aan een ander toebehorend beleggingsgoud, waardoor het goud niet langer is aan te merken als beleggingsgoud. Het artikel bevatte meer in het bijzonder de omschrijving van het tijdstip waarnaar de waarde van het goud dat in het tot stand gekomen goed voorkomt, in aanmerking genomen diende te worden. Deze regeling kon vervallen omdat het per 1 januari 2008 gewijzigde artikel 28o van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verbinding met het op dat tijdstip aan artikel 2a, eerste lid, van die wet toegevoegde onderdeel r, zelf reeds het tijdstip bepaalt waarnaar de in artikel 28o van die wet vermelde ‘normale waarde’ van het goud in aanmerking dient te worden genomen.

Artikel IX, onderdeel E (artikel 36d, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

De verwijzing naar de Zesde Richtlijn in het eerste lid (oud), onderdeel a, van artikel 36d is vervangen door een verwijzing naar de BTW-richtlijn 2006 in het eerste lid (nieuw) van dit artikel. Laatstgenoemde richtlijn is in de plaats getreden van de Zesde Richtlijn. De wijziging van de redactie heeft geen inhoudelijke betekenis.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een op 1 januari 1995 in het eerste lid (oud), onderdeel b, van het onderhavige artikel opgenomen overgangsregeling voor bepaalde goederenleveringen naar Nederland vanuit de Bondsrepubliek Duitsland, uit de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 te verwijderen. De overgangsregeling was gebaseerd op artikel II van de wet van 23 december 1994 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een bijzondere regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten. Zij heeft met ingang van 1 juli 1999 haar belang verloren.

Artikel IX, onderdeel F (Bijlage A bij de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Met artikel IX, onderdeel F, wordt een uitbreiding bewerkstelligd van BIJLAGE A van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. In deze bijlage zijn goederen vermeld waarbij een verlegging van de bij de aangifte ten invoer voor deze goederen verschuldigde omzetbelasting plaatsvindt naar de aangifte van de afnemer voor wie deze goederen zijn bestemd. Dit is gebaseerd op artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 17 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Het gaat daarbij om goederen die niet zonder nadere be- of verwerking in de particuliere consumptieve sfeer kunnen worden gebracht, zoals halffabricaten en niet consumptieve goederen. Goederen derhalve die geleverd worden aan ondernemers ten behoeve van hun eindproducten. Door deze verlegging is de omzetbelasting niet direct bij invoer verschuldigd, maar wordt de belasting verlegd naar degene voor wie de goederen zijn bestemd. Omdat deze belasting voor deze belastingplichtige afnemers aftrekbaar is, is het gevaar voor fraude bij dit systeem van verlegging gering. Met de onderhavige toevoeging – het gaat in dit geval om ruwe metaalgrondstoffen – is tegemoetgekomen aan een daartoe strekkend verzoek uit het bedrijfsleven.

Artikel IX, onderdeel G (Bijlage L bij de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Ingevolge artikel 29a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 zijn in de bij de Uitvoeringsbeschikking behorende bijlage L de gouden beleggingsmunten opgenomen die door de Europese Commissie zijn gepubliceerd in de C-versie van het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze munten worden daarmee geacht te voldoen aan de criteria voor beleggingsmunten in artikel 28j, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 – zie onderdeel c van dat lid – en wel gedurende het gehele jaar waarvoor de gepubliceerde lijst geldt. Voor deze munten geldt dan het vrijstellingsregime voor beleggingsgoud. De voor het jaar 2007 geldende lijst zoals die in bijlage L was opgenomen, is thans vervangen door een nieuwe lijst voor het jaar 2008. Daarbij zij nog vermeld dat de lijst is opgesteld in de alfabetische volgorde van de namen van de landen en de munteenheden. Binnen eenzelfde categorie zijn de munten in volgorde van toenemende muntwaarde vermeld. In de lijst geeft de munteenheid de op de munten vermelde valuta weer. Indien de valuta niet in Romeins schrift op de munt is aangegeven, is de munteenheid voor zover mogelijk tussen haakjes vermeld. Ten slotte zij nog opgemerkt dat voor niet op de lijst voorkomende gouden munten eveneens het vrijstellingsregime geldt mits die munten voldoen aan de vrijstellingscriteria van artikel 28j, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel X

Artikel X, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In artikel 1 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (UR AWR 1994) zijn de wettelijke delegatiebepalingen opgenomen waaraan de UR AWR 1994 uitvoering geeft. De verwijzing naar artikel 47a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is geschrapt aangezien bij de wet van 20 december 2007, Stb. 563, houdende wijziging van belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale Onderhoudswet 2007) de laatste volzin van artikel 47a, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is komen te vervallen en hiermee ook artikel 43 UR AWR 1994, welk artikel de enige reden was voor de vermelding van artikel 47a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in artikel 1 UR AWR 1994.

Artikel X, onderdeel B (artikel 20, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Het nieuwe onderdeel e van artikel 20, tweede lid, voorziet in een verplichte elektronische aangifte voor de verpakkingenbelasting. Gelet op de ingangsdatum 1 januari 2008 zal de eerste elektronische aangifte voor de belastbare feiten in het kalenderjaartijdvak 2008, moeten worden gedaan in het eerste kwartaal 2009 (zie ook het nieuwe artikel 37, derde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag).

Artikel X, onderdeel C (artikel 21a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Door de aanbieding van notariële transportakten van onroerende zaken ter registratie wordt aangifte gedaan voor de overdrachtsbelasting. De voor de aangifte noodzakelijke gegevens worden bij een papieren akte in een voetverklaring opgenomen. Als in de toekomst notariële transportakten elektronisch worden aangeboden neemt de verklaring die is opgenomen in het daartoe door de Belastingdienst beschikbaar gestelde voorblad, de functie over van de bestaande voetverklaring.

Artikel X, onderdeel D (artikel 26, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

De wijziging is niet inhoudelijk van aard, maar is noodzakelijk om de nu concreet aangeduide belastingen (alle genoemd in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag) te onderscheiden van de verpakkingenbelasting en de vliegbelasting (beide ook genoemd in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag). Voor de laatste twee belastingen geldt geen tijdvak van een maand maar van een kalenderjaar respectievelijk van een kalenderkwartaal.

Artikel X, onderdeel E, en artikel XII (artikel 27 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Ingevolge het nieuwe artikel 27, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 wordt het tijdvak waarover de verpakkingenbelasting is verschuldigd, vastgesteld op het kalenderjaar.

Het nieuwe tweede en derde lid van artikel 27 introduceren de al in de memorie van toelichting op het Belastingplan 2008 aangekondigde voorlopige betalingen voor de verpakkingenbelasting (Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 3, blz. 70/71).

Ingevolge artikel XII van deze wijzigingsregeling wordt het tweede lid van artikel 27 met ingang van 1 januari 2009 vervangen, waarna artikel 27 de structurele regeling bevat: in het lopende kalenderjaar moeten vier voorlopige betalingen worden gedaan. Deze bedragen ieder 25% van het bedrag aan verpakkingenbelasting dat zou zijn verschuldigd indien het tarief van het lopende kalenderjaar zou worden toegepast op de verpakkingshoeveelheden van het voorafgaande kalenderjaar (de verpakkingshoeveelheden dus op basis waarvan de over het voorafgaande kalenderjaar verschuldigde verpakkingenbelasting is berekend). Het feit dat rekening wordt gehouden met het tarief in het lopende kalenderjaar wijkt af van hetgeen daarover is opgemerkt op blz. 70 van vorengenoemde memorie van toelichting. Omdat in het eerste jaar (2008) het tarief van de verpakkingenbelasting aanzienlijk lager is dan in 2009 (verschil in opbrengst tussen beide jaren bedraagt € 125 mln) is het niet gewenst dat in 2009 de vier voorlopige kwartaaltermijnen worden gebaseerd op het tarief van 2008. Indien dat namelijk wel zou worden gedaan, moet aan het einde van het eerste kwartaal van 2010, als correctie van de voorschotten over 2009, in één keer ten minste deze eerder genoemde € 125 mln worden voldaan. Deze € 125 mln zou dan komen boven op de eerste voorschotbetaling van 2010 die tegelijkertijd met de afrekening over 2009 moet worden voldaan.

Omdat de verpakkingenbelasting op 1 januari 2008 ingaat, zijn er in het jaar 2008 niet altijd verpakkingshoeveelheden bekend over het kalenderjaar 2007. Daarom vormen – ingevolge het tweede lid van artikel 27 – de voorlopige betalingen in 2008 een percentage van het geschatte bedrag van de over 2008 verschuldigde belasting. De aangifteplichtige voor de verpakkingenbelasting zal hiervoor vóór 1 juli 2008 een schatting moeten doen, op basis waarvan hem twee te betalen (voorlopige) bedragen in rekening worden gebracht (in afwijking van hetgeen is gesteld op blz. 71 van de hiervoor genoemde memorie van toelichting, is daarbij in 2008 – op verzoek van het bedrijfsleven – dus sprake van slechts twee voorlopige betalingen van elk 50% van het geschatte bedrag, in respectievelijk het derde en het vierde kwartaal).

Het derde lid van artikel 27 biedt de mogelijkheid de inspecteur te verzoeken om toestemming te geven tot het doen van voorlopige betalingen ter grootte van een ander bedrag dan het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 27, tweede lid. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin bedrijfsonderdelen in de loop van het kalenderjaar worden verkocht en de voorlopige betalingen dus te hoog zullen zijn.

De voorlopige betalingen in enig kalenderjaar worden uiteraard steeds verrekend met het bedrag dat over dat kalenderjaar op aangifte moet worden voldaan (in het eerste kwartaal van het daaropvolgende kalenderjaar).

Artikel X, onderdeel F (artikel 43 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Ingevolge de wet van 20 december 2007, Stb. 563, houdende wijziging van belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale onderhoudswet 2007) is met ingang van 1 januari 2008 in artikel 47a, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de laatste volzin komen te vervallen. Deze volzin betreft een delegatiebevoegdheid. Aan deze delegatiebevoegdheid is uitwerking gegeven in artikel 43 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Nu de delegatiebevoegdheid is vervallen, moet ook genoemd artikel 43 vervallen.

Artikel 47a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ziet op de vraag in welke situatie de inspecteur bevoegd is om aan een belastingplichtige inlichtingen over een in het buitenland gevestigde gelieerde vennootschap te vragen. In het derde lid van artikel 47a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is geregeld dat de inspecteur zich niet zonder meer tot de belastingplichtige kan wenden met zijn verzoek om inlichtingen als Nederland met het land waarin de gelieerde vennootschap is gevestigd een afspraak heeft om inlichtingen uit te wisselen. In dit derde lid was tot 1 januari 2008 tevens opgenomen dat de Minister staten aanwijst met welke Nederland de afspraak heeft om inlichtingen op het terrein van belastingheffing uit te wisselen. Aan deze aanwijzing was gevolg gegeven in genoemd artikel 43.

Inmiddels is ervoor gekozen om de aanwijzingsbevoegdheid van de Minister in artikel 47a, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen te schrappen. Uit artikel 47a, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is namelijk zelfstandig af te leiden wanneer dat lid van toepassing is. Om deze reden kan ook artikel 43 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 komen te vervallen.

Artikel XI

Artikel XI, onderdeel A (artikel 25, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Met ingang van 1 juli 2008 wordt de vliegbelasting ingevoerd. In verband daarmee dient de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 te worden aangepast. Met de onderhavige regeling wordt bereikt dat het tijdvak waarover vliegbelasting is verschuldigd en op aangifte moet worden voldaan, het kalenderkwartaal is.

Artikel XI, onderdeel B (artikel 26, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In de artikelen 25, 26, 28 en 29 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 zijn voor de zogenoemde tijdvakbelastingen de toepasselijke tijdvakken geregeld. Deze regeling vindt haar wettelijke basis in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. In artikel 26 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 is in dat kader geregeld dat de kansspelbelasting die wordt geheven van degene die gelegenheid geeft tot deelneming aan binnenlandse casinospelen maandelijks moet worden betaald.

In verband met de op grond van het Belastingplan 2008 per 1 juli 2008 aangebrachte wijziging in artikel 1 van de Wet op de kansspelbelasting, die ervoor zorgt dat de spelen die op kansspelautomaten worden gespeeld per die datum in de kansspelbelasting worden betrokken, is in deze uitvoeringsregeling ook voor deze zogenoemde kansspelautomatenspelen geregeld dat de verschuldigde kansspelbelasting maandelijks moet worden betaald. In aansluiting op het moment waarop de desbetreffende wijziging van de Wet op de kansspelbelasting in werking treedt, treedt de wijziging van artikel 26 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 eveneens per 1 juli 2008 in werking.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in de gevallen waarin artikel 1, onderdeel b of onderdeel c, van de Wet op de kansspelbelasting van toepassing is, de inhoudingsplichtige verplicht is de belasting in te houden op het tijdstip waarop de prijs ter beschikking is gesteld, zodat in die gevallen geen sprake is van een tijdvak en niet wordt toegekomen aan de onderhavige regeling van artikel 26 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994.

Artikel XII

Artikel XII (artikel 27, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Voor een toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar de toelichting op artikel X, onderdeel E.

Artikel XIII

Artikel XIII, onderdeel A (artikel 3 vierde en vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Omdat Belastingdienst/Centrale administratie (B/CA) ook taken heeft en werkzaamheden verricht bij de heffing en invordering van de in artikel 3, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 genoemde rijksbelastingen, is de ten aanzien van die rijksbelastingen in het vierde lid opgenomen beperking komen te vervallen. Zo heeft B/CA bij voorbeeld taken in het kader van teruggaaf/vrijstelling van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen voor ondernemers en gehandicapten. Het schrappen van de beperking biedt tevens de mogelijkheid soepel op verschuivingen dan wel uitbreidingen in het takenpakket van B/CA te kunnen inspelen.

In verband met de Wet op het kindgebonden budget (Stb. 2007, 418 en 420) krijgt de Belastingdienst/Toeslagen nieuwe werkzaamheden te verrichten in verband met de uitvoering van die wet wat betreft de heffing en invordering van de – met ingang van het berekeningsjaar 2009 overigens door het in dezelfde wet opgenomen kindgebonden budget te vervangen – kindertoeslag voor het berekeningsjaar 2008. Voorts zijn redactionele aanpassingen aangebracht.

De wijziging van artikel 3, vijfde lid, werkt terug tot en met 3 november 2007. Dit houdt verband met de inwerkingtreding per die datum van de Wet op het kindgebonden budget.

Artikel XIII, onderdeel B (artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

De wijziging in het eerste en het derde lid van artikel 16 houdt in dat Belastingdienst/Rivierenland verantwoordelijk wordt voor de verpakkingenbelasting terwijl voor een aantal met name genoemde verzoeken Belastingdienst/Noord het aangewezen organisatieonderdeel is. Het opnemen van de kolenbelasting in het eerste lid leidt niet tot een inhoudelijke wijziging.

Artikel XIII, onderdeel C (artikel 21 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Met de wijzigingen in artikel 21 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 is het artikel ten eerste aangevuld met een verwijzing naar de Wet inrichting landelijk gebied (Stb. 2006, 666) die per 1 januari 2007 in werking is getreden. Met deze aanvulling is bereikt dat de uitvoering van de Wet inrichting landelijk gebied valt onder de bevoegdheid van het managementteam van de Belastingdienst/Randmeren. Ten tweede is een redactionele verbetering doorgevoerd. Deze wijzigingen hebben terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2007.

Artikel XIV

Artikel XIV (artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

De wijziging leidt ertoe dat Belastingdienst/Rivierenland met ingang van 1 juli 2008 verantwoordelijk wordt voor de vliegbelasting terwijl de verzoeken, bedoeld in artikel 36rf van de Wet belastingen op milieugrondslag, dienen te worden gericht tot Belastingdienst/Noord.

Artikel XV

Artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (UR IW 1990) geeft weer op welke bepalingen de regeling is gebaseerd. Abusievelijk ontbraken de artikelen 44a en 44b van de Invorderingswet 1990. Met deze wijziging van de UR IW 1990 is dit hersteld.

Artikel XV, onderdeel B (artikel 1e van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In artikel 1e UR IW 1990 zijn twee foutieve verwijzingen hersteld. Abusievelijk werd in het vierde en het vijfde lid van artikel 1e UR IW 1990 verwezen naar artikel 25, vijfde lid, derde volzin, van de Invorderingswet 1990. Dit moet de vierde volzin van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 zijn.

Artikel XV, onderdeel C (artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Met de wijzigingen in artikel 8, tweede lid, UR IW 1990 is ten eerste een redactionele wijziging doorgevoerd en ten tweede is de opsomming in het artikel aangevuld met de Wet inrichting landelijk gebied (Stb. 2006, 666) die per 1 januari 2007 in werking is getreden. Op deze manier is bereikt dat belastingaanslagen opgelegd wegens verschuldigde rente ingevolge de Wet inrichting landelijk gebied niet voor kwijtschelding in aanmerking komen.

Artikel XV, onderdeel D (artikel 11 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Artikel 11, onderdeel b, onder 2°, van de UR IW 1990 verwees abusievelijk naar het per 1 januari 2007 vervallen artikel 17 UR IW 1990 (Stcrt. 2006, 251). Met deze wijziging is dit hersteld. Deze wijziging heeft dan ook terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2007.

Artikel XV, onderdeel E (artikel 14 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

De wijziging van artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 7º, UR IW 1990 hangt in de eerste plaats samen met het – niet kracht van besluit verkregene en daarom niet gepubliceerde – Tijdelijk besluit experiment WWB alleenstaande ouders. Dit experiment was bedoeld als voorloper van de Wet voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders (Vazalo). Voordelen verkregen op basis van genoemd tijdelijk besluit zouden niet worden meegerekend bij de berekening van de betalingscapaciteit van de belastingschuldige voor de bepaling van het recht op kwijtschelding van de belastingschuld. Het concept-Tijdelijk besluit experiment WWB alleenstaande ouders dat per 1 september 2007 in werking zou treden, heeft op het laatste moment geen doorgang gevonden, met gevolg dat de wijziging die bij regeling van 23 augustus 2007, nr. 2007/401 (Stcrt. 167) per 1 september 2007 in artikel 14 UR IW 1990 is aangebracht, verwijst naar een niet bestaand besluit.

In plaats daarvan is in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 7º, UR IW 1990 thans een bepaling opgenomen die ervoor zorgt dat de kindertoeslag, bedoeld in artikel 6a van de Wet op het kindgebonden budget, niet wordt meegerekend bij de berekening van de betalingscapaciteit van de belastingschuldige voor de bepaling van het recht op kwijtschelding van de belastingschuld. Deze uitzondering is in overeenstemming met de tot nu steeds gehanteerde lijn dat kindgerelateerde inkomstenbronnen bij berekening van het netto-besteedbare inkomen buiten beschouwing worden gelaten. De Wet op het kindgebonden budget is op 3 november 2007 in werking getreden (Stb. 420, 2007). Deze wijziging van artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 7º, UR IW 1990, werkt dan ook terug tot en met 3 november 2007.

De wijziging van artikel 14, tweede en derde lid, UR IW 1990 hangt samen met het vervallen van de kinderkorting per 1 januari 2008.

Artikel XV, onderdeel F (artikel 15 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Met de wijziging in artikel I, onderdeel F, onder 1, is een redactionele wijziging aangebracht. In artikel 15, eerste lid, onderdeel a, UR IW 1990 werd abusievelijk verwezen naar artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in plaats van naar artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Met deze wijziging is dit hersteld.

Deze wijziging heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2007, omdat de foutieve verwijzing vanaf die datum in de UR IW 1990 is opgenomen (Stcrt. 2006, 251).

De wijziging in artikel I, onderdeel F, onder 2, hangt samen met de wijziging van artikel 475d, vijfde lid, onderdeel a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Stb. 2007, 192) die met ingang van 1 januari 2008 in werking is getreden (Stb. 2007, 222).

Met de regeling voor kwijtschelding van de belastingschuld wordt zoveel als mogelijk is aangesloten bij de regeling van de beslagvrije voet in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Om die reden is artikel 15, eerste lid, onderdeel c, van de UR IW 1990 aangepast naar aanleiding van de wijziging van artikel 475d, vijfde lid, onderdeel a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Bij de berekening van de uitgaven van de belastingschuldige ter bepaling van diens betalingscapaciteit in verband met het recht op kwijtschelding van de belastingschuld, wordt de hierbij in aanmerking te nemen ziektekostenpremie vanaf 1 januari 2008 verminderd met de normpremie en zorgtoeslag. Op die manier is de regeling in overeenstemming met de beslagregeling in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Het bedrag van de maximaal in aanmerking te nemen uitgaven voor de met het houden van kostgangers verbonden kosten per dag, genoemd in artikel 15, eerste lid, onder f, UR IW 1990, is geactualiseerd op basis van de ontwikkeling van de indexcijfers van de kostencomponenten waaruit het onderhavige bedrag is opgebouwd.

Artikel XVI

Artikel XVI (artikel 2 van Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken)

Bij koninklijk besluit van 20 augustus 2007 is (onder meer) artikel IV van de wet van 14 december 2000, Stb. 551, in werking getreden. Artikel IV betreft een wijziging van artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet. In artikel 220d, eerste lid, van de Gemeentewet staan de vrijstellingen bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen. Voor een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed moet worden voldaan aan de voorwaarden zoals die bij besluit van 10 april 2007, Stb. 162, zijn opgenomen in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928. In de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ wordt de waarde van landgoederen die aan diezelfde voorwaarden voldoen bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking gelaten. Met deze aanpassing van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ zijn de voorwaarden waaraan de landgoederen moeten voldoen om buiten de waardebepaling van de Wet WOZ te blijven weer in overeenstemming met de voorwaarden bedoeld in artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet.

Artikel XVII

Artikel XVII, onderdeel A (artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

Artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen regelt de situaties waarin iemand zijn (feitelijke) woonadres wordt aangemerkt als adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven. Artikel 3 is op een tweetal punten aangepast. Allereerst zijn in de aanhef van het eerste en tweede lid de woorden ‘in ieder geval’ geschrapt. De reden hiervoor is dat de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens thans een basisregistratie is. Dit betekent dat als een afnemer bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die als authentiek gegeven is opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, de afnemer van dit gegeven moet uitgaan. Het woonadres is zo’n authentiek gegeven2 . Afwijking van het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen gegeven is alleen toegestaan als dat bij wettelijk voorschrift is bepaald. Artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is zo’n wettelijk voorschrift. De woorden ‘in ieder geval’ wekken de indruk dat de Belastingdienst/Toeslagen naast de niet opgesomde gevallen ook nog de beleidsvrijheid zou hebben om van een ander adres uit te gaan dan het adres waarop iemand in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven. Dat is zoals gezegd niet het geval. Daarom worden in de aanhef van het eerste en tweede lid de woorden ‘in ieder geval’ geschrapt.

Daarnaast is artikel 3, tweede lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen aangepast. Dit onderdeel, dat is ontleend aan artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de Huursubsidiewet zoals die tot aan de inwerkingtreding van de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen luidde3 , regelt dat een inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens die plaatsvindt binnen vijf dagen na aanvang van het verblijf, met terugwerkende kracht in aanmerking wordt genomen voor de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. In deze bepaling was abusievelijk tevens een verwijzing opgenomen naar artikel 65 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Nog afgezien van het feit dat deze verwijzing onvolledig was – genoemd artikel 65 ziet uitsluitend op de inschrijving van niet-ingezetenen – voegde deze niets toe en is daarom geschrapt. Inhoudelijk is derhalve niets gewijzigd. Artikel 3, tweede lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen blijft derhalve bewerkstelligen dat zowel inschrijvingen van niet-ingezetenen als van ingezetenen, die plaatsvinden binnen vijf dagen na de aanvang van het verblijf, met terugwerkende kracht tot aan de aanvang van het verblijf in aanmerking worden genomen voor de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

Artikel XVII, onderdeel B (artikel 8, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

Artikel 8, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voorzag in het automatisch verlenen van uitstel van betaling voor een van de Belastingdienst/Toeslagen afkomstige terugvorderingsbeschikking, zolang sprake is van een (fiscale) rechtsgang die wordt gevolgd met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting. Voor situaties waarin geen aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld, voorziet artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zoals dat in Overige fiscale maatregelen 2008 is aangepast, in een fiscale rechtsgang met betrekking tot de hoogte van het belastbare loon. Dit gebeurt door middel van een door de belastinginspecteur af te geven voor bezwaar vatbare beschikking inzake het belastbare loon. In het verlengde hiervan is het tweede lid van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen uitgebreid met uitstel van betaling ingeval bezwaar, beroep, hoger beroep of beroep in cassatie is ingediend tegen deze beschikking inzake het belastbare loon. De regeling inzake bezwaar en beroep tegen het belastbare loon, zoals die met ingang van 1 januari 2008 voor de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen geldt, heeft een tijdelijk karakter. Vanaf het moment dat het wetsvoorstel houdende invoering van een basisregistratie inkomen in werking treedt, vormt het belastbare loon een authentiek gegeven. Indien een ander bestuursorgaan gebruik maakt van dit authentieke loongegeven, wordt de bekendmaking van het loongegeven door het ‘afnemende’ bestuursorgaan aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking van de belastinginspecteur en zal uit dien hoofde in bezwaar/beroep worden voorzien. Artikel 8, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zal hier te zijner tijd op worden aangepast.

Artikel XVIII

Artikel XVIII (inwerkingtreding)

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze regeling, te weten 1 januari 2008. In het eerste lid is opgenomen dat artikel II en een aantal onderdelen van andere artikelen terugwerken tot een eerdere datum. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar de toelichting op de desbetreffende regelingen.

De Staatssecretaris van Financiën,

J.C. de Jager