Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2007, 249 pagina 12Overig

Invordering. Wijziging van de Leidraad Invordering 1990

20 december 2007

Nr. CPP2007/3155M

Belastingdienst/Centrum voor Proces- en productontwikkeling, Sector Ontwerp, procesketen Inning

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit wijzigt de Leidraad Invordering 1990 en regelt daarnaast de intrekking van enige besluiten die hun belang hebben verloren.

1. Wijziging Leidraad Invordering 1990

Dit besluit wijzigt de Leidraad Invordering 1990, resolutie van 25 juni 1990, nr. AFZ 90/1990, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 21 juni 2007, Stcrt. 2007, 127 nr. CPP2007/1186M, zoals aangegeven in de bijgevoegde bijlage.

2. Intrekking besluiten

De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:

– Invordering en de Algemene wet bestuursrecht (besluit van 18 maart 1994, nr. AFZ94/1303M);

– Beleid met betrekking tot inleners- en ketenaansprakelijkheid (besluit van 25 februari 1997, nr. AFZ96/4390M);

– Mandatering van de ministeriële bevoegdheid tot het aanwijzen van ambtenaren van de rijksbelastingdienst als deurwaarder (besluit van 8 april 1997, nr. AFZ97/820M);

– Gevolgen inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (besluit van 20 november 1998, nr. AFZ98/4035M);

– Kwijtscheldings-/uitstelbeleid en negatieve voorlopige aanslag (besluit van 25 april 2000, nr. AFZ2000/908M);

– Betaling door de ontvanger op een uitgesloten rekening (besluit van 16 maart 2001, nr. RTB2001/1081M);

– Minnelijke schuldsanering natuurlijke personen (besluit van 12 december 2001, nr. DGB2001/1499M);

– Bezwaar tegen een aanslag IB/PVV geldt tevens als een verzoek om uitstel van betaling (besluit van 21 januari 2005, nr. CPP2005/163M).

3. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2008.

Dit besluit zal met de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 20 december 2007.
De Staatssecretaris van Financiën,
namens deze:
de directeur-generaal Belastingdienst, J. Thunnissen.

Bijlage

De Leidraad Invordering 1990, resolutie van 25 juni 1990, nr. AFZ 90/1990, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 21 juni 2007, Stcrt. 2007, 127, nr. CPP2007/1186M, wordt gewijzigd als volgt.

A. In § 1. Inleidende opmerkingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A.1. In lid 1 wordt ‘de Wet tot wijziging van de Faillissementswet’ vervangen door: titel III van de Faillissementswet.

A.2. Lid 6 wordt vervangen door:

Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur

6. Hoewel artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1. Awb niet van toepassing zijn op de wet, handelt de ontvanger in het kader van de invordering, zoveel als mogelijk is, in overeenstemming met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht.

Zoveel als mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb, inclusief de mogelijkheden tot verlenging, van toepassing zijn, tenzij de wet, de regeling of deze leidraad anders bepaalt.

Voor beschikkingen op aanvraag geldt derhalve een termijn van 8 weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door het noemen van een redelijke termijn: zie de artikelen 4:13, 4:14 en 4:15 Awb;

Voor bezwaarschriften en beroepschriften in het kader van administratief beroep geldt een termijn van 6 weken met de mogelijkheid tot verlenging met 4 weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg: zie de artikelen 7:10 en 7:24 Awb.

Een ander voorbeeld van een bepaling uit de Awb die van toepassing is in het kader van de invordering is artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals opgenomen in deze leidraad. Afwijking van die beleidsregels is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de leidraad te dienen doelen. Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er dient dus sprake te zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden, op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren in verhouding tot de door de ontvanger te dienen belangen. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in art. 3:4 Awb.

Naast het zoveel als mogelijk is handelen in overeenstemming met de Awb dient de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop, e.d.). Zie in dit verband het tiende lid.

B. In hoofdstuk III, artikel 14, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

B.1. In paragraaf 1, lid 2, zesde volzin, wordt ‘artikel 4:18 BW’ vervangen door: artikel 4:185 BW.

B.2. In paragraaf 2, lid 18, tweede volzin, wordt ‘Verispect BV, Postbus 654, 2600 AR te Delft (tel.nr. (015) 269 15 00 en fax.nr. (015) 285 05 07’ vervangen door: Waarborg Holland.

B.3. Paragraaf 4, lid 13a, wordt vervangen door:

Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente

13a. Bij een derdenbeslag op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente geldt – naast de voorschriften in artikel 479l en volgende Rv – het volgende:

– De ontvanger stelt zich terughoudend op bij het leggen van derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige oudedagsvoorziening.

– De ontvanger betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen de openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst houdt de ontvanger rekening met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden handeling (zie ook artikel 44, paragraaf 1, lid 2, van deze leidraad) die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan worden opgelegd.

– Als de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500 bedraagt, de polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor de expiratiedatum, wint de ontvanger het derdenbeslag niet uit en gaat hij niet over tot afkoop of belening. In dat geval laat de ontvanger – in overleg met belastingschuldige – het beslag liggen tot de expiratiedatum.

– De omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot uitkering komt, staat op zich een derdenbeslag niet in de weg.

– De belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt gelegd moeten onherroepelijk vaststaan en in redelijkheid materieel verschuldigd worden geacht.

C. In hoofdstuk III, artikel 17, § 1, lid 2, wordt de laatste volzin vervangen door:

Als naar de mening van de ontvanger het doen van verzet zo duidelijk kansloos is dat er sprake is van misbruik van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW, kan hij, na verkregen toestemming van het ministerie, team ondernemingen, besluiten de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voort te zetten.

D. In hoofdstuk III, artikel 19, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

D.1. In § 1 wordt na lid 11 een nieuw lid 12 en een nieuw lid 13 ingevoegd, luidende:

Doorbreken beslagverboden

12. Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het vereenvoudigd beslag op vorderingen tot bepaalde periodieke betalingen) bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod gedeeltelijk te negeren. Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen gebruik als de belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een notoire wanbetaler in de zin van artikel 19, tweede lid, van de wet. De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf schriftelijk aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding van het bijzondere karakter daarvan. De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke benaming dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de verruimde beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een tiende deel van het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor beslag.

Notoire wanbetaler

13. In afwijking in zoverre van artikel 19, tweede lid, van de wet, vindt de vordering waarbij de doorbreking van een wettelijk beslagverbod wordt ingeroepen slechts plaats indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

a. op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt heeft de belastingschuldige meer dan één aanslag onbetaald gelaten;

b. de enige of laatste betalingstermijn van deze aanslagen is op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt met ten minste twee maanden overschreden;

c. de belastingschuldige komt niet voor uitstel van betaling of kwijtschelding in aanmerking omdat hij, naar de ontvanger bekend is, beschikt over voldoende vermogen of voldoende betalingscapaciteit om de belastingaanslagen te voldoen;

d. de onder c vermelde voorwaarde geldt niet voor aanslagen in de motorrijtuigenbelasting. Voor deze aanslagen geldt naast de voorwaarden genoemd onder a en b als extra voorwaarde dat op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt sprake moet zijn van een motorrijtuigenbelastingschuld die door middel van reguliere invorderingsmiddelen (voor particulieren: de vordering, voor ondernemers: de tenuitvoerlegging van het dwangbevel) naar verwachting niet zal worden voldaan binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf genoemd tijdstip.

D.2. Paragraaf 2, lid 1, derde volzin, komt te luiden: Hieruit volgt dat in het faillissement de bedragen moeten worden geverifieerd die verschuldigd zijn tot aan de dag van de faillietverklaring, terwijl de nadien verschuldigd geworden bedragen niet verifieerbaar zijn en eventueel als boedelschuld moeten worden aangemeld.

E. In Hoofdstuk IV, artikel 22, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

E.1. Paragraaf 1, lid 7, eerste volzin, wordt vervangen door: Het voor of tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling gelegde beslag vervalt zodra ten aanzien van de derde-eigenaar de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken.

E.2. Paragraaf 2, lid 5, wordt vervangen door:

Beroepsfase

5. Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.

F. In hoofdstuk IV, artikel 24, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

F.1. In § 1, lid 4, wordt na de eerste volzin ingevoegd: Dat geldt niet alleen voor bedragen die betrekking hebben op rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen maar ook voor bedragen van de daarmee verband houdende (bestuurs- of civielrechtelijke) vorderingen van belastingschuldige op de Staat of de ontvanger.

F.2. Paragraaf 2, lid 5, wordt vervangen door:

Beroepsfase

5. Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.

G. In hoofdstuk IV, artikel 25, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

G.1. In § 1, lid 13, eerste volzin, vervalt ‘ingevulde en ondertekende’.

G.2. Paragraaf 1, lid 21, wordt vervangen door:

Beroepsfase

21. Met overeenkomstige toepassing van artikel 24 van de regeling geldt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen bedraagt. Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.

G.3. Paragraaf 6a, afdeling 2, lid 2, eerste volzin, wordt vervangen door: Het uitstel vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verkrijging heeft plaats gevonden en eindigt uiterlijk vijf jaar later.

G.4. Paragraaf 6a, afdeling 3, lid 2, eerste volzin, wordt vervangen door: Het uitstel vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verkrijging heeft plaats gevonden en eindigt uiterlijk tien jaar later.

G.5. Paragraaf 6a, afdeling 4, lid 2, eerste volzin, wordt vervangen door: Het uitstel vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verkrijging heeft plaats gevonden en eindigt uiterlijk tien jaar later.

G.6. Paragraaf 13A, lid 1, wordt gewijzigd als volgt:

a. In de eerste volzin, de tekst bij onderdeel d., wordt na ‘te vervullen formaliteiten,’ ingevoegd: met uitzondering van het bepaalde in artikel 288, lid 2, onderdeel b. van de Faillissementswet,.

b. In de eerste volzin, wordt de tekst bij onderdeel e. vervangen door: aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een bedrag zal zijn betaald van tenminste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke schuldsanering.

c. De dertiende volzin wordt vervangen door:

Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van belastingschulden die materieel zijn ontstaan na de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid. Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat door de schuldhulpverlener wordt beheerd. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die onder beheer van de schuldhulpverlener berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.

d. Na de veertiende volzin (oud) wordt ingevoegd: De ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het tweede, derde en vierde gedachtestreepje het uitstel niet eerder in dan nadat hij de schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het uitstel in te trekken als belastingschuldige niet binnen 14 dagen zijn verplichtingen correct nakomt.

H. In hoofdstuk IV, artikel 26, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

H.1. In § 2, lid 7, tweede volzin, wordt ‘verminderd met de zorgtoeslag ingevolge de Wet op de zorgtoeslag’ vervangen door: verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de belastingschuldige geldt ingevolge artikel 475d, eerste, tweede en vierde lid Rv, en met de krachtens de Wet op de zorgtoeslag ontvangen zorgtoeslag.

H.2. In § 2, lid 13, achter het derde gedachtestreepje, wordt de tekst bij a. en b. vervangen door onderscheidenlijk:

a. de in een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting begrepen combinatiekorting, aanvullende combinatiekorting en aanvullende alleenstaande-ouderkorting voor een alleenstaande ouder met een kind jonger dan vijf jaar;

b. een toeslag op grond van de Wet kinderopvang of de Wet op het kindgebonden budget;

H.3. In § 2, lid 16, zevende en achtste volzin, wordt ‘kolom D’ telkens vervangen door: kolom C.

H.4. In § 2, lid 17b, tweede volzin, wordt in de tekst achter het eerste gedachtestreepje ’ € 2133’ vervangen door: € 2160 en wordt in de tekst achter het vierde gedachtestreepje ‘€ 177’ vervangen door: € 181.

H.5. In § 2, lid 22, eerste volzin, wordt ‘verminderd met de zorgtoeslag ingevolge de Wet op de zorgtoeslag’ vervangen door: verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de belastingschuldige geldt ingevolge artikel 475d, eerste, tweede en vierde lid Rv (de normpremie voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder is € 54 per maand; de normpremie voor echtgenoten is € 77 per maand), en met de krachtens de Wet op de zorgtoeslag ontvangen zorgtoeslag.

H.6. In § 2, lid 24a, vierde volzin, wordt ‘€ 8,50’ vervangen door: € 8,90.

H.7. In § 2, lid 26, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

a. In de achttiende volzin, achter het eerste gedachtestreepje, wordt ‘€ 898’ en ‘€ 1122’ vervangen door: € 908 onderscheidenlijk € 1135. Voorts wordt ‘€ 1176’ telkens vervangen door: € 1190.

b. In de achttiende volzin, achter het tweede gedachtestreepje, wordt ‘€ 786’, ‘€ 1010’ en ‘€ 1057’ vervangen door onderscheidenlijk: € 794, € 1021 en € 1070.

c. In de achttiende volzin, achter het derde gedachtestreepje, wordt ‘€ 561’, ‘€ 786’ en ‘€ 858’ vervangen door onderscheidenlijk: € 568, € 794 en € 868.

d. In voorbeeld 1, de vijfde en zesde volzin, wordt ‘€ 785’ telkens vervangen door: € 794. Vervolgens wordt in de zevende volzin ‘€ 800 minus € 785 = € 15 × 80% = € 12 vervangen door: € 800 minus € 794 = € 6 × 80% = € 4,80.

e. In voorbeeld 2, de vijfde volzin, wordt ‘€ 1009’ en ‘€ 785’ vervangen door onderscheidenlijk: € 1021 en € 794. In de laatste volzin wordt ‘€ 785’ vervangen door: € 794.

f. In voorbeeld 3 wordt ‘€ 898’ telkens vervangen door: € 908.

H.8. In § 2, lid 26a, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

a. In de tekst achter het eerste gedachtestreepje wordt ‘€ 185’ en ‘€ 53’ vervangen door onderscheidenlijk: € 187,09 en € 54.

b. In de tekst achter het tweede gedachtestreepje wordt ‘€ 288’ en ‘€ 76’ vervangen door onderscheidenlijk: € 291,00 en € 77.

H.9. In § 2a, lid 1, vervalt ‘saneringsplan: een door de rechter op grond van titel III afdeling 7 van de Faillissementswet vastgesteld plan in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling.’

H.10. In § 2a, lid 2, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

a. In de negende volzin, de tekst bij het eerste gedachtstreepje, wordt ‘de rechter kan een saneringsplan vaststellen’ vervangen door: de rechter kan de toepassing van de schuldsanering uitspreken.

b. In de negende volzin, de tekst bij het derde gedachtstreepje, wordt ‘zodra de uitspraak houdende de vaststelling van het saneringsplan in kracht van gewijsde is gegaan’ vervangen door: met ingang van de dag waarop de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken. Voorts vervalt ‘definitieve’.

H.11. In § 2a, lid 3, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

a. In de tekst onder het kopje ‘Boedelschuldeisers’ wordt de eerste volzin vervangen door: Belastingschulden die (materieel) zijn ontstaan gedurende de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vormen in de praktijk veelal boedelschulden.

b. Na de laatste volzin wordt ingevoegd:

Kwijtschelding

Als belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van na de toepassing van de WSNP opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid. Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van de bewindvoerder naar de boedel gaat. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.

H.12. Paragraaf 2a, lid 5, wordt vervangen door:

Buitengerechtelijk akkoord alleen in die gevallen waarin redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard

5. De ontvanger zal alleen tot een (buiten)gerechtelijk akkoord als bedoeld in de artikelen 19a en 22a van de regeling toetreden als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan (zie hierna). Bij het toetreden tot een buitengerechtelijk akkoord zal de ontvanger er zich eerst van moeten vergewissen of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard (artikel 19a, tweede lid en artikel 22a, tweede lid, van de regeling). Van belang voor de beantwoording van die vraag is artikel 288 FW, dat dwingend voorschrijft welke toelatingsvereisten en afwijzingsgronden gelden voor de rechter met betrekking tot een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Toelatingsvereisten art.288 FW

Een schuldenaar wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling:

a. als aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met betalen van zijn schulden.

b. Als aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden te goeder trouw is geweest. De hier bedoelde ‘goede trouw’ houdt niet direct verband met artikel 3:11 BW of met de redelijkheid en billijkheid, maar moet vooral gezien worden als een gedragsmaatstaf. Omstandigheden die kunnen worden meegewogen zijn de aard (bijvoorbeeld fraudeschulden) en omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, de inspanningen die de schuldenaar heeft gedaan om tot betaling te komen, het frustreren van verhaalsacties en de vraag of en wanneer eerder een faillissement of wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest.

c. Als aannemelijk is dat de schuldenaar zijn verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De schuldenaar zal globaal moeten aangeven hoe en wat hij denkt te kunnen verdienen, besparen, sparen en aflossen. Bovendien zal hij aandacht moeten besteden aan de vraag hoe hij specifieke problemen het hoofd denkt te bieden. Bij deze toelatingseis komt ook door de schuldenaar in het verleden getoonde betalingsgedrag aan de orde.

Afwijzingsgronden art.288 FW

Een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wanneer:

a. de wettelijke schuldsaneringsregeling al op de schuldenaar van toepassing is. Dit is denkbaar wanneer de schuldenaar tijdens de (eerste) wettelijke schuldsaneringsregeling nieuwe schulden maakt waarop die schuldsaneringsregeling niet van toepassing is.

b. De poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet.

Deze afwijzingsgrond blijft overigens buiten toepassing bij de beoordeling door de ontvanger van een akkoord in het kader van een minnelijke schuldsaneringsregeling.

c. Er schulden uit misdrijf zijn als bedoeld in artikel 358, lid 4, FW die niet langer dan vijf jaar vóór indiening van het verzoekschrift zijn opgelegd.

d. In de tien jaar voorafgaande aan het verzoekschrift de wettelijke schuldsaneringsregeling op de schuldenaar van toepassing is geweest. Hierop zijn twee uitzonderingen voor het geval de schuldsaneringsregeling eerder voortijdig is beëindigd:

– omdat de schuldenaar tijdens de regeling al zijn schulden heeft afgelost dan wel in staat bleek zijn betalingen te hervatten;

– vanwege het ontstaan van bovenmatige schulden zonder dat dit aan de schuldenaar is toe te rekenen.

Ondanks het ontbreken van goede trouw en van het hebben van schulden uit misdrijven kan de schuldenaar toch worden toegelaten tot de WSNP als hij de omstandigheden onder controle heeft gekregen die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden (artikel 288 lid 3 FW). Dat voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar die omstandigheden onder controle heeft gekregen, zal moeten blijken uit de door de schuldenaar getroffen maatregelen.

Beoordeling door de ontvanger

De ontvanger zal in een concreet geval aan de hand van bovengenoemde gronden moeten beoordelen wat de rechter in die situatie zou besluiten: wel of geen wettelijke schuldsaneringsregeling. De inlichtingenverplichtingen van hoofdstuk VII van de wet kunnen de ontvanger daarbij helpen. Een ‘vertaling’ van artikel 288 FW levert de volgende checklist op (niet limitatief):

– kan belastingschuldige doorgaan met betalen van schulden (er is voldoende geld/vermogen beschikbaar of komt op korte termijn beschikbaar; onderneming maakt nog winst; er zijn teruggaven te verwachten etc.) of is er sprake van een uitzichtloze situatie;

– is er gegronde vrees voor benadeling van de fiscus of niet behoorlijke nakoming van een te sluiten buitengerechtelijk akkoord (dit kan worden getoetst aan de hand van ervaringen ten aanzien van aan-gifte- en betalingsgedrag, strafrechtelijk verleden, vertrek naar het buitenland etc.);

– is de wettelijke schuldsaneringsregeling op belastingschuldige van toepassing geweest;

– is aannemelijk dat de belastingschuldige niet te goeder trouw is geweest (bijvoorbeeld blijkend uit het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden of het doen van pogingen tot frustreren van verhaalsacties) en in hoeverre is er sprake van verwijtbaarheid (tijdstip en frequentie van aangaan van schulden, zijn er inspanningen geweest om schulden te verminderen); relevant is ook de vraag of de belastingschuldige inmiddels de omstandigheden onder controle heeft die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden.

H.13. In § 2a, lid 9, derde volzin, wordt ‘een saneringsplan vaststelt’ vervangen door: de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaart.

H.14. In § 2a, lid 10, eerste volzin, wordt ‘als het geval zou zijn indien de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zou uitmonden in een door de rechter vastgesteld saneringsplan’ vervangen door: als in het geval de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zou zijn verklaard.

H.15. In § 2a, lid 11, wordt in de eerste en in de derde volzin ‘een saneringsplan vaststelt’ telkens vervangen door: de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaart. Voorts wordt in de zevende en in de elfde volzin ‘een saneringsplan wordt vastgesteld’ telkens vervangen door: de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard.

H.16. Paragraaf 6, lid 3, wordt vervangen door:

Beroepsfase

3. Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.

H.17. In § 8, lid 1, wordt na de negende volzin ingevoegd: De ontvanger gaat hier pas toe over nadat hij belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen de toezegging in te trekken als niet binnen 14 dagen alsnog aan de voorwaarden wordt voldaan.

I. Hoofdstuk V, artikel 28, § 3, lid 3, vervalt.

J. In hoofdstuk VI, artikel 34, § 5, lid 2, derde volzin, wordt ‘sofi-nummer’ vervangen door: BSN/sofinummer.

K. In hoofdstuk VI, artikel 35, § 12, lid 3, vierde volzin, wordt ‘sofi-nummer’ vervangen door: BSN/sofinummer.

L. Aan hoofdstuk VI wordt na artikel 36a een nieuw artikel 36b toegevoegd, luidende:

Artikel 36b

1. Aansprakelijkheid bestuurder voor aansprakelijkheidsschuld lichaam

Artikel 36b van de wet voorziet in een aansprakelijkheid voor de bestuurder van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, voor de onbetaald gebleven aansprakelijkheidsschuld van dat lichaam. Onder aansprakelijkheidsschuld moet worden verstaan: loon- of omzetbelasting waarvoor een lichaam bij beschikking als bedoeld in artikel 49, lid 1, van de wet, aansprakelijk is gesteld.

2. Fiscale eenheid voor de omzetbelasting

Als de ontvanger bestuurders van verschillende vennootschappen die deel uitmaken van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting aansprakelijk kan stellen op grond van artikel 36b van de wet en het de ontvanger bekend is bij welk onderdeel van de fiscale eenheid de materiële omzetbelastingschuld is ontstaan, zal hij als eerste de bestuurder van dat onderdeel aansprakelijk stellen. Dat betekent dat bestuurders van andere onderdelen van de fiscale eenheid pas aansprakelijk kunnen worden gesteld indien de invordering ten laste van de in de vorige volzin bedoelde bestuurder onvoldoende soelaas biedt.

M. Aan hoofdstuk VI wordt na artikel 43 een nieuw artikel 43a toegevoegd, luidende:

Artikel 43a

1. Aansprakelijkheid voor verpakkingenbelasting

Artikel 43a van de wet creëert voor de verpakkingenbelasting een risicoaansprakelijkheid voor ondernemers die deel uitmaken van een concern als bedoeld in artikel 36s, onderdeel g, van de Wbm. Betreft het concern een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, dan zijn alle delen van de fiscale eenheid hoofdelijk aansprakelijk voor de verpakkingenbelastingschuld van het concern en kan deze schuld op ieder van hen worden verhaald. Betreft het concern echter een franchiseverband of een vrijwillig filiaalbedrijf (als bedoeld in dat onderdeel g), dan is slechts sprake van een partiële aansprakelijkheid: een producent of een importeur (als bedoeld in artikel 36s, onderdeel e onderscheidenlijk f) – of een producent tevens importeur – die een onderdeel vormt van het concern, is slechts aansprakelijk voor het gedeelte van de verpakkingenbelastingschuld van het concern dat aan hem kan worden toegerekend.

Doordat artikel 43, tweede lid, van de wet ook van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, kan de ontvanger een vermindering of teruggaaf verpakkingenbelasting bevrijdend voldoen aan één van de ondernemers die deel uitmaken van het concern.

N. Hoofdstuk VI, artikel 49, paragraaf 2, lid 6, wordt vervangen door:

Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelde

6. Op grond van het bepaalde in artikel 49, vijfde lid, van de wet dient de ontvanger de aansprakelijk gestelde desgevraagd op de hoogte te stellen van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden verstrekt, behoren in elk geval de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb. Onder de op de zaak betrekking hebbende stukken worden verstaan alle stukken die bij het nemen van het besluit een rol hebben gespeeld. Naast de gegevens die zijn vastgelegd in de genoemde stukken dienen desgevraagd ook andere gegevens te worden verstrekt, mits die gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep.

De gegevens worden, na een daartoe strekkend verzoek van de aansprakelijk gestelde, vooruitlopend op het indienen van een bezwaarschrift of op het instellen van beroep verstrekt.

Hoewel artikel 49, vijfde lid, van de wet ziet op de gegevens met betrekking tot de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich daartoe niet beperkt maar mede betrekking heeft op (alle) andere aspecten van de aansprakelijkheidsbeslissing mits deze gegevens hetzij gerekend kunnen worden tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als hiervoor genoemd hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar tegen de aansprakelijkheidsbeschikking of het instellen van beroep tegen daarop volgende beslissingen.

O. In hoofdstuk IX, artikel 67, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

O.1. Paragraaf 1, lid 1, wordt vervangen door:

§ 1. Geheimhoudingsplicht

1. Artikel 67 van de wet regelt de geheimhoudingsplicht. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt als bekendmaking verplicht is volgens een wettelijk voorschrift, als sprake is van structurele gegevensverstrekking aan bestuursorganen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen of als de bekendmaking plaatsvindt aan de belastingschuldige zelf voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Daarnaast kan de Minister van Financiën op grond van het derde lid ontheffing van de geheimhoudingsplicht verlenen.

O.2. Paragraaf 1, lid 2, wordt vervangen door:

Bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf

2. Als de belastingschuldige zelf verzoekt informatie te geven over de belastingschulden die hij heeft, zal de ontvanger die informatie ook kunnen verstrekken zonder de geheimhoudingsplicht te schenden. Ontheffing door de Minister is in dat geval niet nodig.

Overigens kunnen er situaties zijn die het verstrekken van informatie op verzoek van de belastingschuldige zelf om andere reden onwenselijk maken (bijvoorbeeld in strafzaken).

P. In hoofdstuk XI worden de volgende wijzigingen aangebracht.

P.1. In § 2, lid 1, eerste volzin, vervalt ‘definitieve’.

P.2. Paragraaf 3, lid 4, eerste volzin, wordt vervangen door: Belastingschulden die (materieel) zijn ontstaan na de uitspraak van het faillissement vormen in de praktijk veelal boedelschulden.

Q. In hoofdstuk XII, § 4, lid 1, wordt ‘€ 10.151’ telkens vervangen door: € 10.283.

R. In hoofdstuk XVIII worden de volgende wijzigingen aangebracht.

R.1. In het opschrift wordt ‘huurtoeslag, zorgtoeslag of kinderopvangtoeslag’ vervangen door: huurtoeslag, kindertoeslag, zorgtoeslag of kinderopvangtoeslag.

R.2. In § 1, lid 1, tweede volzin, wordt na ‘de Wet op de huurtoeslag,’ ingevoegd: de Wet op het kindgebonden budget,.

S. De bijlagen worden gewijzigd als volgt.

a. Bijlage 1a wordt vervangen door een nieuwe bijlage 1a, die als bijlage A bij dit besluit is gevoegd.

b. Bijlage 1b wordt vervangen door een nieuwe bijlage 1b, die als bijlage B bij dit besluit is gevoegd.

c. In bijlage VA wordt aan het slot de punt vervangen door een punt-komma en wordt aan de opsomming toegevoegd:

voor het vierde kwartaal 2007: 5,40;

voor het eerste kwartaal 2008: 5,30

d. In bijlage VIA wordt aan het slot de punt vervangen door een punt-komma en wordt aan de opsomming toegevoegd:

Jaar 2008: (33,60% × 17.579 + 41,85% × 14.010) : 31.589 = 37,26%

Marginaal percentage: (2 × 37,26% + 1 × 42%) : 3 = 38,84%

Bijlage A

Bijlage 1a. Beslagvrije voet per 1 januari 2008

Gehuwden

Partner 1: tussen 21 jr. en 65 jr.

partner 2: tussen 21 jr. en 65 jr.

beslagvrije voet: 1.134,25

partner 1: jonger dan 21 jr.

partner 2: jonger dan 21 jr.

beslagvrije voet: 391,95

partner 1: tussen 21 jr. en 65 jr.

partner 2: jonger dan 21 jr. beslagvrije voet: 763,10

partner 1: jonger dan 21 jr.

partner 2: jonger dan 21 jr.

+ ten laste komend(e) kind(eren)

beslagvrije voet: 618,80

partner 1: tussen 21 jr. en 65 jr.

partner 2: jonger dan 21 jr.

+ ten laste komend(e) kind(eren)

beslagvrije voet: 989,96

partner 1: 65 jr. of ouder

partner 2: 65 jr. of ouder

beslagvrije voet: 1.189,66

partner 1: 65 jr. of ouder

partner 2: jonger dan 65 jr.

beslagvrije voet: 1.189,66

Alleenstaande ouder

tussen 21 jr. en 65 jr.

beslagvrije voet:

90% van het feitelijke inkomen (+ vakantie-aanspraak) met een minimum van 793,98 en een maximum van 1.020,83

jonger dan 21 jr.

beslagvrije voet: 422,83 1)

....

1) Let op: de Belastingdienst hanteert voor personen met een ander inkomen dan een bijstandsuitkering in afwijking hiervan: 90% van het feitelijke inkomen (+ vakantie-aanspraak) met een minimum van 793,98 en een maximum van 1.020,83

65 jr. en ouder

beslagvrije voet: 1.069,13

Alleenstaande

tussen 21 jr. en 65 jr.

beslagvrije voet:

90% van het feitelijke inkomen (+ vakantie-aanspraak) met een minimum van van 567,13 en een maximum van 793,98

jonger dan 21 jr.

beslagvrije voet: 195,98 1)

....

1) Let op: de Belastingdienst hanteert voor personen met een ander inkomen dan een bijstandsuitkering in afwijking hiervan:

90% van het feitelijke inkomen (+ vakantie-aanspraak) met een minimum van 567,13 en een maximum van 793,98

65 jr. en ouder

beslagvrije voet: 867,40

Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 van de Wwb bedraagt de beslagvrije voet per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging vermeerderd met:

– voor een alleenstaande of alleenstaande ouder: 187,09 + 54 (vergoeding Zorgverzekeringswet);

– voor gehuwden: 291,00 + 77 (vergoeding Zorgverzekeringswet).

Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, bedraagt de beslagvrije voet de som van 90% van de bijstandsnorm die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.

Bijlage B

Bijlage 1b. Overzicht normen studiefinanciering

Overzicht opbouw normbudget per 1-1-2008 tot 1-8-2008 (1-9-2008 voor HO)

Opleiding

Woonsituatie

Levens-

onderh.

Norm

Onderwijs-

retributie.

Maand-budget

Reken-

Max RL

Basis-

beurs

Max.

aanv.

Beurs

Max.

RL

Vereenvoudigde lening

  

A

B

C

D

E

F

G

H

HO

uitwonend

763,09

0,00

763,09

276,69

255,64

227,76

507,45

819,24

HO

thuiswon.

580,13

0,00

580,13

279,69

91,81

208,63

488,32

819,24

          

MBO

uitwonend

626,67

81,25

707,92

157,68

236,22

314,02

471,70

819,24

MBO

thuiswon.

443,71

81,25

524,96

157,68

72,39

294,89

452,57

819,24

Partnertoeslag per maand € 535,11

Eenoudertoeslag per maand € 428,21

Overzicht opbouw normbudget per 1-8-2008 (1-9-2008 voor HO) tot 1-1-2009

Opleiding

Woonsituatie

Levens-

onderh.

Norm

Onderwijs-

retributie.

Maand-budget

Reken-

Max RL

Basis-

beurs

Max.

aanv.

Beurs

Max.

RL

Vereenvoudigde lening

  

A

B

C

D

E

F

G

H

HO

uitwonend

763,09

0,00

763,09

279,69

255,64

227,76

507,45

819,24

HO

thuiswon.

580,13

0,00

580,13

279,69

91,81

208,63

488,32

819,24

          

MBO

uitwonend

626,67

82,75

709,42

157,68

236,22

315,52

473,20

819,24

MBO

thuiswon.

443,71

82,75

526,46

157,68

72,39

296,39

454,07

819,24

Partnertoeslag per maand € 535,11

Eenoudertoeslag per maand € 428,21.