Wijziging van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

14 december 2007

Nr. DB2007/0661M

Directoraat-generaal voor fiscale zaken , Directie directe belastingen

De Staatssecretaris van Financiën,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op artikel 3.42, tweede, vijfde en zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

Besluit:

Artikel I

De Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 20011 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid, onderdeel c, vervalt ‘alsmede van een MEP-beschikking ter grootte van een bedrag per Kwh, dat groter is dan nihil’.

2. In het eerste lid wordt, onder verlettering van het huidige onderdeel e tot f na onderdeel d een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

e. – voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1, onderdeel D, onder 2, van Bijlage 1 van deze regeling – de belastingplichtige ten tijde van de aanmelding houder is van een SDE-beschikking ter grootte van een bedrag per kWh, dat groter is dan nihil;

3. Het tweede lid wordt vervangen door:

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel e, en van artikel 5, vijfde lid, wordt onder een SDE-beschikking verstaan: een beschikking waarbij een subsidie als bedoeld in artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, is verleend.

B

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt ‘artikel 2, onderdeel b respectievelijk onderdeel e’ vervangen door: artikel 2, onderdeel b respectievelijk onderdeel f.

2. In het vijfde lid wordt ‘een kopie van de MEP-beschikking’ vervangen door: een kopie van de SDE-beschikking.

C

Bijlage I wordt vervangen door de bij deze regeling behorende bijlage I.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën, J.C. de Jager.

Bijlage 1

Artikel 1

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:

A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in of bij bouwwerken

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of bij bouwwerken, door:

1. De verbetering van de energie-efficiëntie door:

1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

1.2.B. Warmtepomp voor het verwarmen van ruimten in woningen of bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: elektrisch gedreven warmtepomp met een COP ≥ 3,6 gemeten conform NEN EN14511 of absorptiewarmtepomp. Bij een gasgestookte (absorptie)warmtepomp dient de gas utilization efficiency ≥ 1,4 te zijn, gemeten conform NEN-EN 12309-2, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat.

1.2.C. Warmtepompboiler waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor de verwarming van tapwater in woningen of bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: elektrisch gedreven warmtepompboiler met een COP ≥ 2,5 gemeten conform NEN-EN 255-3, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat.

1.2.D. Vermindering van de inzet van energie voor het conditioneren van lucht met behulp van:

a. Droog- of bevochtigingrotor voor het drogen of bevochtigen van lucht ten behoeve van klimaatbeheersing in bedrijfsgebouwen door middel van een roterende schijf, die vocht uitwisselt tussen de in- en uitgaande luchtstroom, en bestaande uit: droog- of bevochtigingrotor, aandrijving.

b. Adiabatische indirect werkende dauwpuntsluchtkoeler voor het koelen van bedrijfsgebouwen, waarbij in de koeler een deel van de gekoelde lucht over de bevochtigde warmtewisselaar wordt geleid en afgevoerd, en bestaande uit: warmtewisselaar, ventilator, filter, bevochtigingsapparatuur, (eventueel) waterbehandelingsapparatuur.

1.2.E. Luchtdichte componenten in luchtverdeelsysteem voor het transporteren van toe- of afvoerlucht in een bedrijfsgebouw, en bestaande uit: luchtklep of geluiddemper of luchtkanaalnaverwarmer of -nakoeler of luchtvolumeregelaar of aansluitkast van een ventilatierooster, gemonteerd in het luchtkanaal van een ventilatiesysteem, waarbij deze componenten zijn uitgevoerd in luchtdichtheidsklasse C gemeten conform NEN-EN 1751. Het maximum bedrag, dat voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, bedraagt per component EUR 2.500. Een ventilatorconvector of fancoilunit wordt niet gerekend tot de hiervoor genoemde luchtdichte componenten.

1.2.F. Hoogrendement luchtverwarmer voor het verwarmen van ruimten in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: een direct gasgestookte luchtverwarmer met een deellastrendement groter of gelijk aan 101% gemeten conform NEN-EN 1196, verbrandingsgasafvoersysteem, (eventueel) luchttoevoersysteem, (eventueel) voor ruimten met een gemiddelde hoogte groter dan 5 meter een inducerend uitblaassysteem op de luchtverwarmer met nozzles of verstelbare inducerende schoepen of een individueel thermostatisch geregelde steunventilator in een omkasting aan het plafond gemonteerd die verticaal naar beneden blaast met nozzles of verstelbare inducerende schoepen;

1.2.G. Direct gasgestookt stralingspaneel voor het verwarmen van gesloten binnenruimten in bedrijfsgebouwen met een gemiddelde hoogte groter dan 5 meter, niet zijnde tuinbouwkassen, en bestaande uit:

a. direct gasgestookte donkerstraler met een verbrandingsrendement groter of gelijk aan 86% gemeten conform NEN-EN 416 of NEN-EN 777, verbrandingsgasafvoersysteem, (eventueel) luchttoevoersysteem:

b. direct gasgestookte hogetemperatuurstraler met een belasting van tenminste 8 kW op onderwaarde gemeten conform NEN-EN 419.

1.2.H. HR-pomp bestemd voor centrale verwarming, airconditioning of tapwater in bedrijfsgebouwen en bestaande uit: stand-alone natloper centrifugaalpomp tot 2.500 Watt met een EEI < 0,4 gemeten conform EN 1151 en geclassificeerd door Europump.

1.2.I. Warmtekrachtinstallatie met behulp van een zuigermotor voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 70% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 350 per kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen.

Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.

Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.

Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking of compressieontsteking.

1.2.J. Warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht met een nominaal elektrisch vermogen tot 150 MWe, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 65% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 600 per kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen. Een warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor met een nominaal elektrisch vermogen groter dan 150 MWe komt niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.

Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.

Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.

Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking of compressieontsteking.

1.2.K. Brandstofcel voor het gelijktijding opwekken van elektriciteit en warmte, en bestaande uit brandstofcel, (eventueel) brandstofreformer.

1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

2. Vermindering van de warmte- of koellast door:

2.1.A. Thermische isolering.

2.1.B. HR-glas voor beglazing in buitengevel-, of dakconstructies van bestaande bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: meervoudig glas dat gemeten is conform NEN-EN 673 voor warmtereflecterend isolerend glas met een warmtewerende coating of gasgevulde spouw, met een warmtedoorlatingscoëfficiënt U van maximaal 1,2 W/m2 K en met:

a. een lichtdoorlatingscoëfficiënt (LTAN) van ten minste 70%, of

b. een lichtdoorlatingscoëfficiënt (LTAN) van ten minste 60% gecombineerd met een zontoetredingscoëfficiënt (ZTAN) van ten hoogste 40%. Exclusief kozijnen of constructie waarin of waarop het glas wordt gemonteerd.

2.1.C. Energieschermen voor

a. het verminderen van het warmteverlies in tuinbouwkassen voor lichte stookteelt, door het aanbrengen van beweegbare schermen aan de binnenzijde van de lichtdoorlatende gebouwschil, en bestaande uit: schermdoek dat voor tenminste 90% dicht is, waarbij de maasopeningen van het weefsel, breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 2 mm2 en waarbij de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend licht groter is dan 10%, mechanisch bedieningsmechanisme, (eventueel) kierafdichtingsvoorzieningen (eventueel) scherm(kier)regeling, (eventueel) meetbox boven het energiescherm. Bij lichte stookteelt is de gemiddelde minimum etmaaltemperatuur van de stooklijn in de maand januari lager dan 17 °C, of

b. het verminderen van het warmteverlies in tuinbouwkassen voor zware stookteelt door het aanbrengen van beweegbare gevelschermen aan de binnenzijde van de lichtdoorlatende gebouwschil, en bestaande uit: schermdoek dat voor ten minste 90% dicht is, waarbij de maasopeningen van het weefsel, breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 2 mm2 en waarbij de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend licht groter is dan 10%, mechanisch bedieningsmechanisme, (eventueel) kierafdichtingsvoorzieningen. Bij zware stookteelt is de gemiddelde minimum etmaaltemperatuur van de stooklijn in de maand januari 17 °C of hoger, of

c. het weren van een teveel aan zoninstraling en het verminderen van het warmteverlies uit tuinbouwkassen door het aanbrengen van beweegbare schermen aan de buitenzijde, boven de lichtdoorlatende gebouwschil, en bestaande uit: schermdoek dat voor ten minste 50% dicht is, waarbij de maasopeningen van het weefsel, breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 10 mm2 en waarbij de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend licht groter is dan 15%, mechanisch bedieningsmechanisme, (eventueel) afdichtingsvoorzieningen.

2.1.D. Isolatie voor bestaande constructies in bedrijfsgebouwen door verbetering van de isolatie van bestaande vloeren, daken, plafonds of wanden van ruimten, en bestaande uit:

isolatiemateriaal waarbij de som van de warmteweerstand van de lagen R = Σ (Rm) = Σ(d/λ) toeneemt met ten minste 1,5 m2 K/W t.o.v. de oude situatie.

Het maximum bedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 20/m2 te isoleren oppervlak. De warmteweerstand dient bepaald te zijn conform NEN 1068 (mei 1997).

2.1.E Isolatie van koel- of vriesruimten door isolatiemateriaal waarbij de som van de warmteweerstand van de lagen R=Σ(Rm) = Σ(d/λ);

a. Voor het koelen of licht vriezen bij een ruimtetemperatuur tussen +12 °C en –10 °C, ten minste 5,2 m2 K/W dient te bedragen. Het maximum investeringsbedrag, dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 20/m2 te isoleren oppervlak, of

b. Voor het vriezen bij een ruimtetemperatuur lager dan –10 °C, ten minste 10,5 m2 K/W dient te bedragen. Het maximum investeringsbedrag, dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 40/m2 te isoleren oppervlak.

Bij een scheiding tussen twee gekoelde ruimten is de zwaarste warmteweerstandseis van toepassing.

De warmteweerstand dient bepaald te zijn conform NEN 1068 (mei 1997).

2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverliezen.

3. Warmtehergebruik door:

3.1.A. Warmteterugwinning.

3.1.B. Warmtewisselaar voor warmteterugwinning in tuinbouwkassen, voor het afwisselend onttrekken en toevoeren van warmte, waarbij de overtollige warmte tijdelijk wordt opgeslagen om op momenten van warmtebehoefte weer ingezet te worden, en bestaande uit: warmtewisselaar met geïntegreerde toerengeregelde ventilator, pomp, (eventueel) dagbuffer.

3.2.A. Systeem voor het uitkoppelen bij de bron en primair transport van afvalwarmte. Indien afvalwarmte wordt geleverd door een investerende onderneming, dan wordt de besparing op de locatie waar de afvalwarmte wordt aangewend meegenomen bij het bepalen van het besparingskental. De berekening dient te worden betrokken over het totale investeringsbedrag van alle betrokken ondernemingen in het uitkoppelen en primair transport van afvalwarmte.

Secundair transport (distributie) van afvalwarmte in stadswijken en verwarmingsnetten zijn uitgesloten voor Energie-investeringsaftrek.

Afvalwarmte is warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend. Warmte afkomstig van nieuw te bouwen elektrisch vermogen is geen afvalwarmte.

3.2.B. Warmtebuffersysteem bestemd voor het opslaan van restwarmte vrijkomend bij warmteopwekking in tuinbouwkassen voor lichte stookteelt en bestaande uit: opslagtank of opslagzak. Bij lichte stookteelt is de gemiddelde minimum etmaaltemperatuur van de stooklijn in de maand januari lager dan 17 °C.

4. Efficiënte verlichting door:

4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

4.2.B. Daglichtsysteem met spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers voor het optimaal benutten van daglicht in bedrijfsgebouwen door een daglichtsysteem (niet zijnde (kunststof) daglichtkoepels), waarbij het daglicht dieper in de ruimte wordt gebracht, en bestaande uit: buitenlichtkoepel, spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers, (eventueel) actief zonvolgsysteem met roterende spiegel, (eventueel) lichtdiffusor, (eventueel) plafondspiegels.

4.2.C. Vluchtwegsignalering voor verlichte vluchtrouteaanduiding in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: armaturen welke voorzien zijn van met tritiumgas gevulde buisjes.

4.2.D. Energie-efficiënt verlichtingssysteem voor:

a. vervanging van bestaande binnenverlichting in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit:

spiegeloptiekarmaturen in combinatie met hoogfrequent elektronisch voorschakelapparaat en fluorescentielampen, (eventueel) regelinstallatie voor het regelen van de verlichting afhankelijk van de daglichtintensiteit, (eventueel) automatische aanwezigheidsdetectie, (eventueel) reagerend op veegpulsen, of

b. vervanging van bestaande binnenverlichting in bedrijfsgebouwen (met uitzondering van tuinbouwkassen), en bestaande uit: spiegeloptiekarmaturen die uitsluitend geschikt zijn voor compact fluorescentielampen of hogedruk gasontladingslampen, elektronisch voorschakelapparaat, bijbehorende lampen, (eventueel) automatische aanwezigheidsdetectie.

4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

B. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij apparatuur of processen

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing bij apparatuur of processen door:

1. De verbetering van de energie-efficiëntie door:

1.1.A. Toepassing van meet- en regelapparatuur.

1.1.B. Energie of aardgas tussenmeter voor het onderbemeteren van het energieverbruik van productieprocessen of bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: tussenmeter voor het onderbemeteren van het verbruik op aardgas of elektriciteit of warmte of stoom of perslucht, (eventueel) puls- of busuitgang op de meter. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt per meter EUR 3.000.

1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

1.2.B. Gasgestookt HR-frituurtoestel voor het bereiden van maaltijden, dat gemeten is conform NEN-EN 437, NEN-EN 203 en CR 1404, waarbij het thermisch rendement ten minste 83% op onderwaarde bedraagt, de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 100 ppm en de jaar-emissiewaarde van NOx niet meer bedraagt dan:

a. 40 ppm voor toestellen met een belasting t/m 36 kW op onderwaarde, of

b. 1,11 ppm per kW belasting voor toestellen met een belasting tussen 36 kW en 54 kW op onderwaarde, of

c. 60 ppm voor toestellen met een belasting groter dan 54 kW op onderwaarde.

De jaar-emissiewaarden van NOX en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: hoogrendement gastoestel, gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, exclusief accessoires.

1.2.C. Hoogrendementmotoren voor het aandrijven van proceswerktuigen, en bestaande uit:

asynchrone elektromotoren:

a. met een nominaal vermogen kleiner of gelijk aan 90 kW, die voldoen aan de EFF1 (CEMEP) efficiencyklasse gemeten volgens de voorschriften van de IEC;

b. met een nominaal vermogen groter dan 90 kW met een rendement van ten minste 96% gemeten volgens de voorschriften van de IEC.

1.2.D. Warmtepomp waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor processen, en bestaande uit: elektrisch gedreven warmtepomp met een COP ≥ 3,6 gemeten onder normale bedrijfsomstandigheden of een absorptiewarmtepomp. Bij een direct gasgestookte (absorptie)warmtepomp dient de gas utilization efficiency ≥ 1,4 te zijn, gemeten onder normale bedrijfsomstandigheden, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat.

1.2.E. Gasgestookte hogedrukreiniger voor het reinigen van oppervlakken met warm water onder hoge druk eventueel met gelijktijdige dosering van reinigingsmiddelen, die gemeten is conform NEN-EN 1196, waarbij het indirect rendement ten minste 100% op onderwaarde bedraagt, de jaar-emissiewaarde van de NOx niet meer bedraagt dan 60 ppm en de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 160 ppm. De jaaremissiewaarden van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: gasgestookte hogedrukreiniger, (eventueel) standaard spuitlans, (eventueel) standaard hoge-drukslang.

1.2.F. Direct gasgestookte condenserende boiler voor de productie van warm tapwater, en bestaande uit: een condenserende warm tapwaterboiler, die gemeten is conform NEN-EN 89 en waarbij het rendement ten minste 100% op onderwaarde bedraagt.

1.2.G. Gasverwarmde wasdroger voor het drogen van wasgoed, en bestaande uit:

– een wasdroger waarbij de drooglucht direct met gas wordt verwarmd, of

– een wasdroger met een maximale belading van 15 kg, waarbij de drooglucht indirect wordt verwarmd door een gasgestookte installatie.

1.2.H. Gasgestookte lagedruk stoomvormer voor het verwarmen van kookketels voor maaltijden, en bestaande uit: gasgestookte lagedruk stoomvormer met een nominale belasting op onderwaarde van maximaal 130 kW.

1.2.I. Gasgestookte (stoom)convectieoven voor het bereiden van maaltijden, die gemeten is conform NEN-EN 437 en NEN-EN 203 en CR 1404, waarbij het indirect rendement ten minste 80% op onderwaarde bedraagt, de jaaremissiewaarde van NOx niet meer bedraagt dan 83,6 ppm en de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 100 ppm. De jaar-emissiewaarde van NOx en CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: gasgestookte (stoom)convectieoven, gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, exclusief accessoires.

1.2.J. Energiezuinige koel- of vriesinstallatie voor het koelen of vriezen van ruimten of processen tot maximaal + 12 °C, en bestaande uit: tenminste één frequentiegeregelde compressor of één digitaal geregelde scrollcompressor, (natte)condensor ontworpen op maximaal 10 K temperatuurverschil tussen condensatie- en buitenluchttemperatuur met een specifiek ventilatorvermogen van de condensor van maximaal 25 W per kW condensorvermogen, bepaald conform NEN-EN 327 (luchtgekoelde condensor) of NEN-EN 15218 (verdampingscondensor), weersafhankelijke regeling van de condensatiedruk tot + 13 °C buitentemperatuur, elektronische expansieregeling bij een direct expansiesysteem, verdamper exclusief koelmeubel of koeltunnel.

Voor Energie-investeringsaftrek komt in aanmerking:

a. een koel- of vriesinstallatie op basis van een halogeenvrij koudemiddel, uitgezonderd zijn de installatiedelen die dit koudemiddel niet bevatten.

b. een koel- of vriesinstallatie met een ontwerpkoelvermogen tot 250 kW op basis van een koudemiddel dat,een HFK bevat. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 175 per kW ontwerpkoelvermogen. Een koel- of vriesinstallatie op basis van een koudemiddel dat een HFK bevat met een ontwerpkoelvermogen groter dan 250 kW komt niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.

1.2.K. Energiezuinige professionele koel- of vrieskast met een maximale netto inhoud van 1000 liter voor:

a. het koelen van producten in de temperatuurklasse M1 (+5 °C / –1 °C), met een energieverbruik van ten hoogste 15 kWh per m3 netto inhoud in 48 uur gemeten conform EN 441 in klimaatklasse D (30 °C, 55% RV), of

b. het vriezen van producten in de temperatuurklasse L1 (–15 °C / –18 °C), met een energieverbruik van ten hoogste 40 kWh per m3 netto inhoud in 48 uur gemeten conform EN 441 in klimaatklasse D, en bestaande uit koel- of vrieskast of gekoelde werkbank, werkend op een halogeenvrij koudemiddel, voorzien van geforceerde ventilatie in de kast en een afzonderlijke geplaatste, niet in de wanden ingebouwde verdamper.

1.2.L. Warmtekrachtinstallatie met behulp van een zuigermotor voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 70% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 350 per kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen.

Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.

Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.

Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking of compressieontsteking.

1.2.M. Warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht met een nominaal elektrisch vermogen tot 150 MWe, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 65% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 600 per kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen. Een warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor met een nominaal elektrisch vermogen groter dan 150 MWe komt niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.

Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.

Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.

Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking of compressieontsteking.

1.2.N. Brandstofcel voor het gelijktijding opwekken van elektriciteit en warmte, en bestaande uit brandstofcel, (eventueel) brandstofreformer.

1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

2. Vermindering van de warmte- of koellast door:

2.1.A. Thermische isolering.

3. Warmtehergebruik door:

3.1.A. Warmteterugwinning.

3.2.A. Systeem voor het uitkoppelen bij de bron en primair transport van afvalwarmte. Indien afvalwarmte wordt geleverd door een investerende onderneming, dan wordt de besparing op de locatie waar de afvalwarmte wordt aangewend meegenomen bij het bepalen van het besparingskental. De berekening dient te worden betrokken over het totale investeringsbedrag van alle betrokken ondernemingen in het uitkoppelen en primair transport van afvalwarmte.

Secundair transport (distributie) van afvalwarmte in stadswijken en verwarmingsnetten zijn uitgesloten voor Energie-investeringsaftrek.

Afvalwarmte is warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend. Warmte afkomstig van nieuw te bouwen elektrisch vermogen is geen afvalwarmte.

4. Efficiënte verlichting door:

4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

C. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij transportmiddelen

Technische voorzieningen in of aan voertuigen voor het vervoer over de weg, vaartuigen bij de binnenvaart of bij railgebonden voertuigen ten behoeve van energiebesparing:

1. Verbetering van de energie-efficiëntie door:

1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

1.2.B. Wielnaafmotoren voor het aandrijven van de wielen van een voertuig, en bestaande uit:

elektromotoren met permanente magneten en motorcontroller die in de wielnaaf zijn geïntegreerd, oplaadbare accu’s ten behoeve van de voeding van de motoren.

1.2.C. Energiezuinige scheepsmotor voor het voortstuwen van een bestaand binnenvaartschip, en bestaande uit een dieselmotor met een nominaal vermogen van ten minste 250 kW, waarvan het brandstofverbruik minder bedraagt dan 198 g/kWh, gemeten volgens norm NEN-ISO 3046 -1:2002. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 125 per kW nominaal vermogen.

1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

1.3.B. Kopschot windscherm of spoiler intermodaal chassis voor het beter geleiden van de rijwind, ter vermindering van de aërodynamische weerstand van voertuigen ten behoeve van goederenwegtransport met een maximum massa beladen voertuig van meer dan 3.500 kg, en bestaande uit: vast aan de oplegger of het chassis gemonteerde kunststof of metalen 3-D spoiler.

1.3.C. Zij-afscherming voor het verminderen van de aërodynamische weerstand van voertuigen ten behoeve van goederenwegtransport door middel van panelen ter afsluiting van de open ruimte aan de zijkant van motorwagens, aanhangers, trekkers en opleggers die tevens voldoen aan de eisen voor de verkeersveiligheid conform EEG-richtlijn 89/297, en bestaande uit: zijafscherming.

2. Vermindering van de warmte- of koellast door:

2.1.A. Thermische isolering.

2.1.B. Lichtgewicht aramide koelcontainer voor het wegvervoer, railvervoer, watervervoer of intermodaal vervoer, en bestaande uit: koelcontainer of opbouw van koelwagens of -opleggers, exclusief het aanwezige koelaggregaat, met aramide zijwanden met een lengte van ten minste 6 meter en met een dikte van het isolatiemateriaal van ten minste 42 mm. Hierbij dienen alle zijwanden ten minste 220 g/m2 aramideweefsel of -legsel te bevatten.

2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverlies.

3. Warmtehergebruik door:

3.1.A. Warmteterugwinning.

4. Efficiënte verlichting door:

4.1.A. Toepassing van automatische meet en regelapparatuur.

4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.

D. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie

Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door gebruik te maken van duurzame energie door:

1. Zonne-energie door:

1.1.A. Conversie naar elektriciteit of warmte (met uitzondering van het gebruik van passieve zonne-energie).

1.1.B. Fotovoltaïsch zonne-energiesysteem voor het opwekken van elektrische energie uit zonlicht met behulp van zonnecellen, en bestaande uit: panelen met fotovoltaïsche zonnecellen met een gezamenlijk piekvermogen van ten minste 90 Watt, (eventueel) stroom/spanningsomvormer, (eventueel) accumulator. Het investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt maximaal EUR 3000/kW piekvermogen.

1.1.C. Zonnecollectorsysteem voor het verwarmen van water of lucht, en bestaande uit: zonnecollector, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) in het vat geïntegreerde naverwarmer, (eventueel) in luchtverwarmer geïntegreerde fotovoltaïsche zonnecellen.

2. Windenergie door:

2.1.A. Windturbine met een nominaal vermogen > 25 kW voor het opwekken van elektrische energie, en bestaande uit: windturbine, mast, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) uitsluitend voor plaatsing en onderhoud van de windmolen bestemde ontsluitingsweg.

Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt voor windturbines die:

a. op Nederlands grondgebied, anders dan in het niet gemeentelijk ingedeelde deel van de territoriale zee of de Exclusieve Economische Zone, worden geplaatst EUR 600/kW;

b. in het niet gemeentelijk ingedeelde deel van de territoriale zee of in de Exclusieve Economische Zone worden geplaatst EUR 1000/kW.

Het vermogen (kW) is gedefinieerd als het nominale elektrische vermogen van de windturbine.

2.1.B. Windturbine met een nominaal vermogen ≤ 25 kW voor het opwekken van elektrische energie, en bestaande uit: windturbine, (eventueel) mast, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet.

Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt EUR 3000/kW;

Het vermogen (kW) is gedefinieerd als het nominale elektrische vermogen van de windturbine.

3. Waterkracht door:

3.1.A. Conversie naar elektrische of mechanische energie,

3.1 B. Waterkrachtinstallatie voor het benutten van waterstroming of het verval van waterstromen voor de opwekking van elektrische of mechanische energie, en bestaande uit: waterrad of waterturbine, (eventueel) transmissie, (eventueel) generator, (eventueel) transformator, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet.

4. Benutten of opslaan van omgevingswarmte door:

4.1.A. Aardwarmtewinningssysteem voor het winnen van warmte uit diepe aardlagen ten behoeve van de verwarming van processen of van gebouwen, en bestaande uit:

aardwarmtewinningsinstallatie, aansluiting op verwarmingsnet.

4.1.B. Grondwarmtewisselaar voor:

a. het koelen of verwarmen van water voor gebruik in bedrijfsgebouwen of bij processen, met behulp van een in het grondwater liggende warmtewisselaar, en bestaande uit: ondergrondse warmtewisselaar, pomp, (eventueel) water-lucht warmtewisselaar in stallen die de warmte of koude rechtstreeks uit de bodem afgeeft, (eventueel) restwarmteopslagvat.

b. het verwarmen van water voor gebruik in bedrijfsgebouwen of bij processen met behulp van een in de wegverharding liggende warmtewisselaar, en bestaande uit: pomp(en), ondergrondse warmtewisselaar of warmtevoerende buizen in de wegverharding exclusief de wegverharding zelf, (eventueel) restwarmteopslagvat.

c. het voorkoelen of voorverwarmen van buitenlucht voor het gebruik in gebouwen met behulp van ondergrondse buizen als warmtewisselaar, en bestaande uit: luchtgrondbuizen met een diameter van maximaal 40 cm, (eventueel) luchtplenum, (eventueel) automatisch geregelde centrale bypass.

4.1.C. Warmte- of koude-opslag in de bodem (aquifer) voor het opslaan van warmte of koude in de bodem met behulp van grondwater als opslagmedium, ten behoeve van het koelen of verwarmen van gebouwen of processen, en bestaande uit: een gesloten systeem met grondwaterbronnen/putten, die voor onttrekking en injectie worden gebruikt en waarbij de jaarlijkse netto thermische balans van de bodem nagenoeg neutraal is, grondwaterpompen, transportleiding van putten naar applicatievestiging, (eventueel) warmtewisselaar tussen grondwater en gebouwnet.

5. Benutten van warmte of kracht uit biomassa door:

5.1.A. Warmtekrachtinstallatie gestookt met biomassa of uit biomassa verkregen gasvormige of vloeibare energiedragers voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 60% bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) primair warmtetransportsysteem exclusief verwarmingsnetten in bouwwerken en warmtedistributienetten in woonwijken.

Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.

Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.

Onder biomassa wordt hier verstaan: materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus onvermijdelijk in het materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen.

Bijvoorbeeld de volgende materiaalstromen:

– houtafval, sloophout, snoeihout, dunningshout en andere houtachtige stromen;

– stro, bermmaaisel, riet, mest en overige agrarische residuen;

– residuen van de papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten;

– oud papier en karton;

– steekvast papierslib of steekvast rioolwaterzuiveringsslib;

– specifiek voor het inzetten van duurzame energie geteelde gewassen of delen daarvan;

– organische residuen uit de voedings- en genotmiddelenmiddelenindustrie.

5.1.B. Ketel gestookt met biomassa of uit biomassa verkregen gasvormige of vloeibare energiedragers voor het verwarmen van gebouwen of processen onder de voorwaarde dat het warmterendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 80% bedraagt, en bestaande uit: ketel, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) primair warmtetransportsysteem exclusief verwarmingsnetten in bouwwerken en warmtedistributienetten in woonwijken.

Onder het warmterendement wordt verstaan het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.

Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder D.5.1.A.

5.1.C. Opwaarderen van uit biomassa verkregen gasvormige energiedragers naar aardgaskwaliteit, en bestaande uit: biogasopwaardeerapparatuur, aansluiting op het aardgasnet, (eventueel) compressor.

Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder D.5.1.A.

5.1.D. Conversie naar vloeibare of gasvormige of vaste energiedragers uit houtachtige of cellulose-achtige verbindingen in biomassa, waarbij de energiedrager wordt gebruikt voor het opwekken van warmte of kracht of als transportbrandstof door: pyrolyse of vergassing of torrefactie of thermische ontleding of chemische ontleding of enzymatische ontleding, en bestaande uit: reactor waarin één van de hiervoor genoemde processen plaatsvindt. Nabehandelingsapparatuur voor het verder verwerken van de reactorproducten en op- en overslagvoorzieningen komt niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.

Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder D.5.1.A.

E. Energie-advies of een maatwerkadvies zoals dit is vastgelegd in ISSO 75.2.

Een energie-advies ter verbetering van de energie-efficiency van objecten door middel van een verkenning van de mogelijkheden om maatregelen te treffen, en bestaande uit:

a. een rapportage waarin de mogelijkheden om maatregelen te treffen ter verbetering van de energie-efficiency zijn vastgelegd. Deze rapportage bevat in ieder geval:

1. Beschrijving van het object;

2. Een overzicht van de totale energiehuishouding van het bestaande totale object;

3. Een energiebalans van de relevante onderdelen van het bestaande totale object;

4. Een overzicht van de mogelijkheden en de kwantificering tot energiebesparing;

5. Een overzicht van de noodzakelijke organisatorische en administratieve aanpassingen;

6. Een raming van de te verwachten investeringskosten en de te verwachten baten.

Voor afnemers met een energiegebruik van meer dan 25.000 m3 aardgas (of aardgasequivalent) of 50.000 kWh elektriciteit per jaar gelden de volgende aanvullende eisen:

7. Inzicht in alle maatregelen met een terugverdientijd tot en met vijf jaar;

8. Van de energiebalans dient 90% van het totale energiegebruik te worden gespecificeerd, tenzij daar gemotiveerd van afgeweken kan worden;

9. Helder en eenvoudig plan voor het uitvoeren van de energiebesparende maatregelen,

of

b. een actieplan als omschreven in het EU Motor Challenge Programme.

Het maatwerkadvies zoals dat neergelegd is in ISSO 75.2 is afgestemd op de BRL9500 deel 4 EPA-maatwerkadvies voor bestaande utiliteitsgebouwen.

Dit EPA-maatwerkadviesrapport bevat ten minste de volgende gegevens:

1. Projectgegevens;

2. Huidige situatie;

3. Uitgangspunten en overwegingen;

4. Lijst van enkelvoudige maatregelen met hun standaardterugverdientijd;

5. Maatregelpakketten met hun terugverdientijd en een indicatie van hun gevolgen voor de kwaliteit van de binnenlucht, het thermisch comfort en de kans op condensatie op en in de constructie;

6. Huidige energieverbruik;

7. Verwacht energieverbruik;

8. De terugverdientijd van de voorgestelde maatregelpakketten.

Artikel 2

1. a. Bij de investeringen voor de technische voorzieningen als omschreven in artikel 1 dient de energiebesparing voor de investeringen onder:

A.1.1.A, A.1.2.A, A.1.3.A, A.2.1.A, A.2.2.A, A.3.1.A, A.3.2.A, A.4.1.A, A.4.2.A en A.4.3.A ten minste 0,3 Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro te bedragen, maar niet meer dan 2 Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro;

B.1.1.A, B.1.2.A, B.1.3.A, B.2.1.A, B.3.1.A, B.3.2.A, B.4.1.A, B.4.2.A en B.4.3.A ten minste 0,7 Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro te bedragen, maar niet meer dan 2 Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro;

C.1.1.A, C.1.2.A, C.1.3.A, C.2.1.A, C.2.2.A, C.3.1.A, C.4.1.A, C.4.2.A en C.4.3.A ten minste 0,3 Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro te bedragen, maar niet meer dan 2 Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro.

b. Bij het berekenen van de energiebesparing per geïnvesteerde euro voor investeringen dient te worden gerekend met het totale bedrag dat de aanvrager voor de voorziening heeft uitgegeven, dus zonder rekening te houden met verkregen subsidies of andere bijdragen van derden.

2. Als referentie voor de berekening van de energiebesparing dient bij bestaande bouwwerken, bestaande processen en bestaande transportmiddelen het historisch energiegebruik. Bij nieuwe processen, nieuwe bouwwerken en nieuwe transportmiddelen dient het in de betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij (soortgelijke) nieuwe investeringen bij vergelijkbare toepassingen als referentie.

3. De bovenstaande systematiek is ook van toepassing indien een besparing plaatsvindt op de fossiele brandstoffen, aardgas, aardolie of steenkool die als grondstof worden ingezet en wordt voldaan aan de gestelde besparingsnormen in lid 1.

Ook geldt dit indien wordt bespaard op waterstof die als grondstof, secundaire hulpstof of brandstof wordt ingezet en wordt voldaan aan de gestelde besparingsnormen in lid 1.

De systematiek is daarnaast ook van toepassing indien een besparing op fossiele brandstoffen plaatsvindt door vloeibare- of gasvormige zuurstof of vloeibare- of gasvormige stikstof of vloeibare CO2 die als hulpstof worden ingezet en wordt voldaan aan de gestelde besparingsnormen in lid 1.

4. Bij de berekening van de energiebesparing wordt de besparing door verlaging van het primaire energiegebruik per eenheid product door toepassing van groeibevorderende stoffen of groeibevorderende voorzieningen voor levende organismen buiten beschouwing gelaten.

5. Ten aanzien van de investeringen omschreven onder D moeten deze voorzieningen er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door voor ten minste 70% van de energie-inhoud gebruik te maken van duurzame energie. Onder duurzame energie valt: zonne-energie, windenergie, waterkracht, het benutten of opslaan van omgevingswarmte en biomassa.

6. Voor investeringen, die naar aard, toepassing en gebruik overeenkomen met een nader omschreven investering, zijn de eisen die worden gesteld aan zo’n nader omschreven investering eveneens van toepassing.

Dit geldt voor:

A.1.2.B tot en met A.1.2.K; A.2.1.B tot en met A.2.1.E; A.3.1.B; A.3.2.B.; A.4.2.B tot en met A.4.2.D;

B.1.1.B.;B.1.2.B tot en met B.1.2.N;

C.1.2.B; C.1.2.C; C.1.3.B; C.1.3.C; C.2.1.B;

D.1.1.B; D.1.1.C; D.2.1.A; D.2.1.B; D.3.1.B; D.4.1.A tot en met D.4.1.C; D.5.1.A tot en met D.5.1.D.

Indien bij deze nader omschreven investeringen de omschrijving zich beperkt tot de bestaande situatie, zijn deze investeringen die geen betrekking hebben op de bestaande situatie, uitgesloten van energie-investeringsaftrek.

7. Met betrekking tot investeringen nader omschreven onder A.2.1.C en A.3.2 .B zijn voorzieningen die (mede) worden toegepast in tuinbouwkassen voor zware stookteelt uitgesloten van deze regeling. De uitsluiting geldt niet voor investeringen nader omschreven onder A.1.2.B., A.2.1.C.b., A.2.1.C.c., A.3.1.B., D.5.1.A en D.5.1.B.

Artikel 3

Bij de berekening van de besparing gelden de volgende omrekenfactoren:

– 1 kWh elektrische energie komt overeen met 0,26 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);

– 1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);

– 1 ton stookolie komt overeen met 1300 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);

– 1 ton steenkool komt overeen met 925 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);

– 1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);

– 1 liter LPG ten behoeve van wegvervoer komt overeen met 0,95 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);

– 1 liter diesel ten behoeve van wegvervoer komt overeen met 1,13 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);

– 1 liter benzine ten behoeve van wegvervoer komt overeen met 1,04 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);

– 1 kilogram gasvormig waterstof komt overeen met 4,0 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);

– 1 ton gasvormige zuurstof komt overeen met 104 Nm3 aardgasequivalent (a.e.)

– 1 ton gasvormige stikstof komt overeen met 65 Nm3 aardgasequivalent (a.e.)

– 1 ton vloeibare zuurstof komt overeen met 260 Nm3 aardgasequivalent (a.e.)

– 1 ton vloeibare stikstof komt overeen met 208 Nm3 aardgasequivalent (a.e.)

– 1 ton vloeibare kooldioxide (CO2) komt overeen met 49 Nm3 aardgasequivalent (a.e.)

– 1 Nm3 niet-Gronings aardgas komt overeen met X Nm3 aardgasequivalenten (a.e.)

Hierbij wordt X berekend door de onderste verbrandingswaarde in MJ/Nm3 van het ingezette aardgas te delen door 31,65 MJ/Nm3 .

Artikel 4

1. De voorwaarden als bedoeld in artikel 3.42, vijfde lid, van de wet waaronder de kosten van een daar bedoeld advies inzake energiebesparende maatregelen kunnen worden begrepen onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten van een energie-investering, zijn:

a. de energie-investering vindt plaats binnen 24 maanden na het tijdstip waarop de opdracht tot het advies is verstrekt;

b. de energie-investering is aanbevolen in het advies;

c. de kosten van het advies worden niet tevens toegerekend aan andere energie-investeringen;

en

d. artikel 3.46, eerste lid, onderdeel a, b, en d van de wet en artikel 8, zevende lid, onderdeel b en c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Bij een gecombineerd energie-milieuadvies wordt 50% van de totale advieskosten toegerekend aan het energie-advies.

3. Bij de berekening van de energiebesparing per geïnvesteerde euro voor investeringen als bedoeld in artikel 2, blijven bij het geïnvesteerde bedrag de kosten van het energie-advies buiten beschouwing.

4. Een object is een bestaand totaal bedrijfsgebouw of een bestaand totaal proces dat apart bemeterd is voor energiedragers.

Toelichting

Algemeen

De Energie-investeringsaftrek (EIA) biedt ondernemers die investeren in energiebesparende bedrijfsmiddelen of onderdelen daarvan een fiscaal voordeel. Jaarlijks vindt aanpassing van de regeling aan de stand van de techniek plaats.

Voor de goede orde zij er op gewezen dat het van toepassing verklaren van de energie-investeringsaftrekregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba in een afzonderlijke Ministeriële regeling is neergelegd.

De ontwerpregeling is op 14 december 2007 onder notificatienummer 2007/683/NL voorgelegd aan de Europese Commissie ingevolge de Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende de informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nl. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

Aanpassingen aangewezen investeringen

Algemeen; procedure

In het coalitieakkoord zijn scherpe doelstellingen neergelegd voor zowel de reductie van broeikasgassen als ook voor efficiency en duurzame bronnen. Dit is door het kabinet verder uitgewerkt in het werkprogramma ‘schoon en zuinig’.

Een van de onderdelen uit het coalitieakkoord is het stimuleren van energiebesparing bij bouwwerken. Dit als onderdeel van het plan ‘Meer met Minder’. Hierbij wordt voor de bestaande bouw het energielabel ingevoerd en bij de nieuwbouw wordt de EPC-eis (Energieprestatie coëfficiënt) aangescherpt. De kosten voor het EPA (Energie Prestatie Advies) -maatwerk adviesrapport voor bestaande utiliteitsbouw komen nu voor energie-investeringsaftrek in aanmerking, indien deze wordt gecombineerd in een investering in ten minste één van de op de energielijst genoemde maatregelen. Veel van de maatregelen die kunnen worden geadviseerd in het EPA-advies zijn opgenomen in de energielijst.

De reductie van broeikasgassen door toepassing van duurzame energie en warmtekracht-koppeling wordt verder vormgegeven in een nieuwe subsidieregeling, namelijk de SDE (Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie). Hierdoor ontstaat samenloop met in de energie-investeringsaftrek genoemde bedrijfsmiddelen. In 2006 is mede door de toenmalige MEP-regeling (Milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie) het budget van de EIA fors overschreden. Om deze budgetoverschrijding in de toekomst te voorkomen zijn een aantal maatregelen genomen. Het maximum investeringsbedrag dat voor windenergie per geïnstalleerde kW in aanmerking komt is verlaagd. Voor warmtekrachtkoppeling en zon-PV (Photovoltaïsch) zijn ook maximum investeringsbedragen per kW ingevoerd. Daarbij is de energie-investeringsaftrek voor het opwekken van duurzame energie uit biomassa aangescherpt. Uitgangspunt bij de genomen maatregelen is dat de SDE-regeling de aanvullende stimulans voor zijn rekening neemt.

Om de benutting van warmte die vrijkomt bij het verstoken van biomassa te vergroten zijn de rendementseisen in de energie-investeringsaftrek verhoogd. Dit betekent dat het totaal energetisch rendement van een installatie die biomassa omzet in kracht en warmte ten minste 60% moet bedragen, waarbij de warmte voor tweederde deel meetelt. Bij omzetting in alleen warmte moet het rendement ten minste 80% bedragen. Deze rendementseisen gelden in het algemeen voor alle processen die biomassa omzetten in kracht of warmte. Systemen voor transporteren van duurzame warmte uit installaties die voldoen aan de hiervoor genoemde rendementseisen kunnen nu ook in aanmerking komen. De kosten voor verwarmingsnetten in gebouwen en distributiesystemen in woonwijken zijn hierbij uitgesloten.

Het voorbewerken van biomassa tot inzetbare (transport)brandstof is aangescherpt. Een beperkt aantal innovatieve voorbewerkingsprocessen, waarbij houtachtige in biomassa voorkomende verbindingen worden omgezet in gasvormige of vloeibare energiedragers komen in aanmerking. Bij de productie van biobrandstoffen (ook voor transporttoepassingen) betekent dit dat het maken van brandstoffen uit biomassa door het veresteren, fermenteren, (anaëroob) vergisten, verkleinen, pelletiseren, briketteren, drogen niet meer in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek. Een ketel of warmtekrachtinstallatie met een voldoende hoog rendement, waarin een uit biomassa geproduceerde biobrandstof wordt verstookt komt wel voor energie-investeringsaftrek in aanmerking.

De systematiek voor de stimulering van warmtekrachtinstallaties wordt gewijzigd. Vanaf heden wordt onderscheid gemaakt tussen warmtekrachtinstallaties die worden aangedreven met behulp van zuigermotoren of met behulp van krachtwerktuigen anders dan met zuigermotoren. Het minimale rendement van de zuigermotor aangedreven warmtekrachtinstallatie wordt aangescherpt van 65% naar 70%. Deze aanscherping is ingevoerd, omdat het bij een zuigermotor gedreven warmtekrachtinstallatie hogere rendementen kunnen worden gehaald. Voor het elektrisch vermogen van de warmtekrachtinstallatie is een bovengrens ingevoerd van 150 MWe. Dit betekent dat installaties met een groter vermogen dan 150 MWe niet in aanmerking komen. Deze vermogensgrens is ingevoerd met als doel de energie-investeringsaftrek te richten op kleinschalige en decentrale gecombineerde opwekking van warmte en kracht.

Een opvallende wijziging ten opzichte van de afgelopen jaren bij warmtekracht is dat de investering in warmtekrachtvermogen is gemaximeerd. Hiervoor is per categorie een maximum investeringsbedrag per kWe ingesteld.

Bij de investeringen ten behoeve van energiebesparing bij transportmiddelen is de energiezuinige scheepsmotor voor bestaande binnenvaartschepen opgenomen. Het doel hierbij is dat bij het vervangen van scheepsmotoren wordt gekozen voor een zuinige motor.

Bij de energiezuinige koelinstallatie is het maximum investeringsbedrag verlaagd voor koel- of vriesinstallaties die gebruik maken van HFK’s (fluorkoolwaterstofverbindingen) als koudemiddel. Tevens is een bovengrens voor het maximale vermogen ingevoerd. Dit betekent dat bij grotere installaties uitsluitend energie-investeringsaftrek kan worden verkregen indien een natuurlijk koudemiddel wordt toegepast. Uitgangspunt bij deze aanscherpingen is dat in de toekomst HFK’s worden uitgefaseerd. Bij grotere koelinstallaties is het al goed mogelijk natuurlijke koudemiddelen toe te passen.

De omschrijvingen van een aantal toepassingen van LED (Light-emitting diode)-verlichting zijn uit de wettekst verwijderd. Door de technische ontwikkeling is voor een aantal LED-toepassingen vast komen te staan dat deze voldoen aan de besparingsnorm van de energie-investeringsaftrek. Deze toepassingen worden wel vermeld in de brochure van de energie-investeringsaftrek als voorbeeld en kunnen worden gemeld.

Bij de tekst van de omschrijving van de warmtepomp is de mogelijkheid voor een absorptiewarmtepomp verruimd. Deze wijziging houdt in dat een absorptiewarmtepomp die wordt gedreven op afvalwarmte, duurzame warmte of warmtekrachtwarmte niet aan een rendementseis hoeft te voldoen. Een direct gasgestookte (absorptie)warmtepomp moet wel aan de gestelde eis blijven voldoen.

De hoogrendement pomp met een vermogen lager dan 2.500 Watt is verplaatst naar onderdeel A (bouwwerken) omdat deze pomp in bouwwerken wordt toegepast. Het maximum investeringsbedrag per Watt is vervallen. Nu komt de gehele pomp in aanmerking.

De zonnecollector voor het maken van droge lucht ten behoeve van droogprocessen is geïntegreerd in de omschrijving voor de zonnecollector.

Voor een aantal specifiek genoemde bedrijfsmiddelen, waarbij de toepassing is beperkt tot de bestaande situatie, geldt dat deze bedrijfsmiddelen bij nieuwe gebouwen, nieuwe processen of nieuwe transportmiddelen niet in aanmerking komen voor energie-investeringsaftrek. Dit geldt voor de volgende bedrijfsmiddelen: HR-Glas voor bestaande bedrijfsgebouwen, isolatie voor bestaande constructies in bedrijfsgebouwen, energie efficiënt verlichtingssysteem voor bestaande binnenverlichting in bedrijfsgebouwen en de energiezuinige scheepsmotor voor het voorstuwen van een bestaand binnenvaartschip.

Tot slot zijn ter verduidelijking enige redactionele wijzigingen toegevoegd.

Volledigheidshalve zij nog opgemerkt, dat voor investeringen die naar aard, toepassing en gebruik overeenkomen met een nader omschreven investering de eisen die worden gesteld aan zo’n nader omschreven investering eveneens van toepassing zijn. Het is derhalve niet zo dat bij deze investeringen kan worden teruggevallen op de niet nader omschreven investering indien slechts wordt voldaan aan de energieprestatie-eis.

Inwerkingtreding

De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Op grond van artikel 3.51 van de wet is zij van toepassing op verplichtingen die zijn aangegaan of voortbrengingskosten die zijn gemaakt op of na 1 januari 2008.

De Staatssecretaris van Financiën,

J.C. de Jager

  • 1

    Stcrt. 2000, 249; laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 15 december 2006, Stcrt. 250.

Naar boven