Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van JustitieStaatscourant 2007, 247 pagina 11Besluiten van algemene strekking

Wijziging enkele ministeriële regelingen in verband met de formalisering van rechtspositionele aanspraken en aanpassing aan gewijzigde wetgeving

Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 december 2007, nr. 2007-0000533662, DGBK/AOS/AO&IZ, tot wijziging van enkele ministeriële regelingen in verband met de formalisering van rechtspositionele aanspraken en aanpassing aan gewijzigde wetgeving

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op de artikelen 21c en 79, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, de artikelen 34c en 114, eerste lid, van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, de artikelen 7, 8 en 9 van het Reisbesluit binnenland, artikel 7 van het Reisbesluit buitenland en artikel 18, vierde lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;

Besluit:

Artikel I

De IKAP-regeling rijkspersoneel wordt als volgt gewijzigd:

A

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel k van artikel 1 door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

l. bedrijfsfitness: bedrijfsfitness als bedoeld in artikel 29 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

B

In artikel 2, vijfde lid, vervalt de zinsnede ‘kinderopvang of’.

C

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. bedrijfsfitness;

2. In het tweede lid vervalt onderdeel a, onder lettering van de onderdelen b tot en met h tot a tot en met g.

3. Het zesde lid vervalt.

D

In artikel 8, eerste lid, en artikel 9, tweede lid, wordt de zinsnede ‘loonheffing en sociale premies’ telkens vervangen door: loonheffingen.

Artikel II

De Reisregeling binnenland wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, eerste lid, wordt ‘€ 0,28’ vervangen door: € 0,37.

B

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

De vergoeding voor het gebruik van een eigen motorvoertuig of bromfiets als bedoeld in artikel 7 van het besluit, bedraagt € 0,37 per afgelegde kilometer.

C

Aan artikel 3 wordt een zin toegevoegd, luidende: Deze vergoeding wordt verhoogd met € 0,09 per afgelegde kilometer voor iedere in het kader van de dienstreis meereizende betrokkene, tot een maximum van € 0,37 per afgelegde kilometer.

D

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

De vergoeding voor het gebruik van een eigen fiets als bedoeld in artikel 9 van het besluit bedraagt:

a. € 0,37 per afgelegde kilometer indien openbaar vervoer niet mogelijk of niet doelmatig is;

b. € 0,09 per afgelegde kilometer, vermeerderd met de eventuele kosten van stalling, indien openbaar vervoer wel doelmatig is.

E

Artikel 4a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede ‘Het gedeelte van de in artikel 2, eerste lid, genoemde vergoeding,’ vervangen door: Het gedeelte van de in de artikelen 2, 3 en 4 genoemde vergoeding.

2. In het eerste lid vervalt de zinsnede ‘als bedoeld in artikel XVIII van het Besluit van 26 september 2003, Stb. 394,’

3. In het tweede lid vervalt de zinsnede ‘, kalenderkwartaal, half kalenderjaar’.

4. In het vierde lid vervalt de zinsnede ‘een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of’.

Artikel III

De Reisregeling buitenland wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 0,28’ vervangen door: € 0,37.

2. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Deze vergoeding wordt verhoogd met € 0,09 per afgelegde kilometer voor iedere in het kader van de dienstreis meereizende betrokkene, tot een maximum van € 0,37 per afgelegde kilometer.

B

Artikel 2a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede ‘Het gedeelte van de in artikel 2, eerste lid, genoemde vergoeding,’ vervangen door: Het gedeelte van de in artikel 2 genoemde vergoeding.

2. In het tweede lid vervalt de zinsnede ‘, kalenderkwartaal, half kalenderjaar’.

3. In het vierde lid vervalt de zinsnede ’een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of’.

Artikel IV

De Nadere regeling aflopende toelage artikel 18 BBRA 1984 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 vervalt de zinsnede ‘en aan verhogingen van het salaris, anders dan die wegens algemene salarisverhogingen’.

B

In artikel 3 wordt de zinsnede ‘zonder wezenlijke onderbreking’ vervangen door: zonder onderbreking van twaalf maanden of langer.

Artikel V

In artikel 7, eerste lid, van de Regeling gratificatie bij ambtsjubileum wordt de zinsnede ‘de bezoldiging in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (Stb. 1983, 57), welke voor betrokkene op de datum van het ambtsjubileum geldt, vermeerderd met de vakantie-uitkering, berekend conform het bepaalde in artikel 21 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984’ vervangen door: de bezoldiging in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, welke voor betrokkene op de datum van het ambtsjubileum geldt, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, bedoeld in respectievelijk de artikelen 21 en 20a van dat besluit.

Artikel VI

De regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 november 1991, nr. AB91/U849DGMP/AV/J, tot wijziging van de Regeling gratificatie bij ambtsjubileum (Stcrt. 1991, 242) wordt ingetrokken.

Artikel VII

De Regeling vergoeding dienstautogebruik wordt ingetrokken.

Artikel VIII

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst met dien verstande dat:

– artikel IV terugwerkt tot en met 1 juli 2003;

– artikel VII terugwerkt tot en met 1 januari 2004;

– artikel I, onderdeel C, onder 3, en onderdeel D, artikel II, onderdeel A, en artikel III, onderdeel A, onder 1, terugwerken tot en met 1 januari 2006;

– artikel II, onderdelen B, C, D en E, onder 1, en artikel III, onderdeel A, onder 2, en onderdeel B, onder 1, terugwerken tot en met 1 augustus 2006;

– artikel V terugwerkt tot en met 1 december 2006;

– artikel I, onderdelen A, B en C, onder 1 en 2, en artikel II, onderdeel E, onder 2, terugwerken tot en met 1 januari 2007.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, G. ter Horst.

Toelichting

Algemeen

In deze regeling worden enkele rechtspositionele regelingen zoals de IKAP-regeling rijkspersoneel en de Reisregeling binnenland en de Reisregeling buitenland gewijzigd en de Regeling vergoeding dienstautogebruik ingetrokken.

Deze wijzigingen vloeien voort uit CAO-afspraken en gewijzigde (fiscale) wetgeving en betreffen deels de formalisering van bedoelde afspraken, zoals de verhoging van de kilometervergoeding bij dienstreizen, het opnemen van bedrijfsfitness als belastingvrije bestemmingsmogelijkheid in de IKAP-regeling rijkspersoneel en de aanpassing van de afbouwregeling toelage onregelmatige dienst. Voor een deel betreft het ook meer technische wijzigingen van bepalingen die ten gevolge van gewijzigde (fiscale) wetgeving geen betekenis meer hebben, zoals de bestemmingen kinderopvang en personal computer in de IKAP-regeling rijkspersoneel, en de Regeling vergoeding dienstautogebruik.

Artikel I

Onderdelen A tot en met C

In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2007-2010 is opgenomen dat bedrijfsfitness onderdeel zal worden van de in de IKAP-regeling rijkspersoneel opgenomen keuzemogelijkheden voor het toekennen van een belastingvrije vergoeding. Er bestaat geen verplichting om bedrijfsfitness aan te bieden, maar als deze mogelijkheid bestaat en aan de fiscale voorwaarden hiervoor voldoet, kan deze bestemmingsmogelijkheid met ingang van 2007 worden gekozen. De verstrekking of vergoeding van bedrijfsfitness is onbelast als voldaan wordt aan de voorwaarden die in artikel 29 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 worden genoemd:

1. De deelname staat open voor 90% of meer van alle werknemers (of 90% of meer van alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats als die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers).

2. De bedrijfsfitness vindt plaats op een van de volgende wijzen:

a. op de werkplek of op een vaste locatie die de werkgever heeft aangewezen. De vaste locatie moet gelden voor alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats en mag niet in de woning van een van deze werknemers zijn;

b. in een fitnesscentrum dat de werkgever voor alle werknemers heeft aangewezen;

c. voor de bedrijfsfitness heeft de werkgever een overeenkomst met één fitnesscentrum afgesloten op grond waarvan de werknemers kunnen fitnessen in elke vestiging van dat fitnessbedrijf.

Heeft de werkgever meer dan een vestiging dan gelden de twee laatstgenoemde mogelijkheden per vestiging.

Van bedrijfsfitness mag worden aangenomen dat deze zozeer gericht zal zijn op het voorkomen van bepaald arbeidsgerelateerd ziekteverzuim dat daarmee de normale sport- of ontspanningsuitgaven van de werknemer niet worden beïnvloed. Er moet sprake zijn van conditie- of krachttraining van werknemers, die plaatsvindt onder deskundig toezicht en die georganiseerd of geïnitieerd wordt door de werkgever.

Daarnaast is essentieel dat de bedrijfsfitness is gericht op de arbeidssituatie en de (voorkoming van) eventueel daaruit voortvloeiende problemen. Te denken valt aan de volgende varianten van conditie en krachttraining, mits verricht onder deskundig toezicht en in een daartoe bestemde ruimte: vrije fitness, cardiofitness, fitnesscircuit, aerobics, spinning en steps. Andere vormen van sportbeoefening, hoezeer ook gericht op het verbeteren van de conditie, kunnen niet onder dit begrip worden gebracht. Hetzelfde geldt voor abonnementen die naast fitness toegang geven tot andere voorzieningen.

Sluit een werkgever een overeenkomst met een fitnessbedrijf dan dient onder fitnessbedrijf te worden verstaan een bedrijf dat zelf de fitness verzorgt en over eigen locaties, apparatuur en personeel beschikt. Er is sprake van een vestiging van één fitnessbedrijf, als het resultaat van die vestiging voor rekening van het fitnessbedrijf komt. De vestiging dient onderdeel van het fitnessbedrijf te zijn. De term fitnessbedrijf impliceert een juridische en financiële eenheid. Een overeenkomst met een organisatie die fitnessfaciliteiten inkoopt geldt niet als overeenkomst met een fitnessbedrijf. Ook franchisers die onder gezamenlijke paraplu naar buiten treden, maar die geen juridische en financiële eenheid vormen kunnen niet worden aangemerkt als één fitnessbedrijf.

De mogelijkheid voor een vrijgestelde vergoeding voor kinderopvang is met ingang van 1 januari 2007 bij de invoering van het Belastingplan 2007 (Stb. 2006, 682) vervallen. Deze mogelijkheid is daarom geschrapt uit de IKAP-regeling rijkspersoneel. De fiscale vrijstelling voor een personal computer is eveneens afgeschaft voor pc’s die na 28 augustus 2004 zijn aangeschaft. Aangezien de IKAP-regeling rijkspersoneel als voorwaarde vermeldt ‘voor zover de geldende fiscale bepalingen dit mogelijk maken’ heeft deze mogelijkheid momenteel alleen nog betekenis voor degenen die hiervan in 2004 gebruik hebben gemaakt. De belastingvrije bestemmingsmogelijkheid gold voor een periode van drie jaar. Deze periode loopt dus eind 2006 af. In verband hiermee zal de keuzemogelijkheid ‘personal computer en/of bijbehorende randapparatuur’ in de IKAP-regeling rijkspersoneel per 1 januari 2007 komen te vervallen.

In verband met het vervallen van de Verlofspaarregeling rijkspersoneel met ingang 1 januari 2006, heeft artikel 6, zesde lid, geen betekenis meer zodat dit kan komen te vervallen.

Onderdeel D

In onderdeel D vindt een redactionele aanpassing plaats omdat sinds 1 januari 2006 de Belastingdienst zowel de loonbelasting, de premie volksverzekeringen, de premie werknemersverzekeringen als de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet int. Het totaal van deze inhoudingen wordt betiteld als: loonheffingen.

Artikelen II en III

In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2005–2006 is opgenomen dat samen met de bonden een onderzoek zal worden gedaan naar de gevolgen van de fiscale wetgeving ter zake van reiskostenvergoedingen in relatie tot de praktijk inzake dienstreizen. Dit onderzoek heeft geleid tot nadere afspraken met betrekking tot het gebruik van eigen vervoer ten behoeve van dienstreizen. Deze afspraken zijn neergelegd in de circulaire van 17 juli 2006, kenmerk 0000242139 (Stcrt. 141) en nader toegelicht in de circulaire van 29 september 2006, kenmerk 0000285995 (Stcrt. 199).

Uit deze circulaires blijkt dat de in artikel 2, eerste lid, van de Reisregeling binnenland genoemde vergoeding van € 0,28 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 is verhoogd tot € 0,37. Voorts wordt het beleid ter bepaling wanneer openbaar vervoer niet mogelijk of doelmatig is per 1 augustus 2006 nader aangescherpt. Eveneens met ingang van laatstgenoemde datum zal, indien de zogenaamde ‘hoge’ kilometervergoeding wordt verstrekt, de aard van het betreffende voertuig niet langer bepalend zijn. Met andere woorden, ook voor een dienstreis per (brom)fiets zal in dergelijke gevallen een vergoeding van € 0,37 per kilometer gelden. Dit betekent dat hierop in voorkomende gevallen ook de zogenaamde ‘salderingsregeling’ zal worden toegepast. De vergoeding wordt geacht ook voldoende te zijn voor eventuele stallingkosten zodat deze, anders dan bij de van € 0,05 tot € 0,09 verhoogde (brom)fietsvergoeding wanneer openbaar vervoer wel mogelijk en doelmatig is, niet meer afzonderlijk worden vergoed.

Uitgangspunt blijft dat het opdracht geven en mogelijk maken van dienstreizen een zaak van de werkgever is en dat deze moet voorzien in het voor die reizen adequate vervoer. Het gebruik van privé-vervoermiddelen moet daarom tot bijzondere situaties beperkt blijven.

Het gebruik van privé-vervoermiddelen is geïndiceerd in het geval waarin een dienstreis absoluut noodzakelijk is, deze reis naar het oordeel van het bevoegd gezag niet of niet op doelmatige wijze per openbaar vervoer kan worden gemaakt en voor die reis geen adequaat dienstvervoer beschikbaar is.

Er is sprake van het niet of niet doelmatig per openbaar vervoer kunnen reizen indien bijvoorbeeld een of meer van de volgende omstandigheden zich voordoen:

a. er rijdt geen openbaar vervoer naar de plaats waar de werkzaamheden moeten worden verricht;

b. er moet niet draagbare bagage of zeer kostbare apparatuur worden vervoerd;

c. de afstand tussen de dichtstbijzijnde halte van het openbaar vervoer en de plaats waar de werkzaamheden moeten worden verricht bedraagt meer dan 1 kilometer;

d. tijdens (een gedeelte van) de reis is de veiligheid van de ambtenaar en/of de meegevoerde bagage in het geding;

e. de bedrijfsarts is van oordeel dat om medische redenen geen gebruik mag worden gemaakt van het openbaar vervoer;

f. er moeten verschillende adressen op dezelfde dag worden bezocht die niet in elkaars nabijheid liggen;

g. het begin of einde van de werkzaamheden maken het gebruik van openbaar vervoer (over een deel van het traject) onmogelijk;

h. de reisafstand in combinatie met de onzekerheid over de aanwezigheid van de te bezoeken klant maken het gebruik van openbaar vervoer inefficiënt;

i. een zwaarwegend dienstbelang sluit het gebruik van openbaar vervoer uit.

Indien ten behoeve van de dienstreis sprake is van ‘carpoolen’ bestaat slechts eenmaal recht op de vergoeding van € 0,37 als openbaar vervoer niet doelmatig is. Indien openbaar vervoer wel doelmatig is, wordt de vergoeding van € 0,09 per afgelegde kilometer verhoogd indien collega’s van hetzelfde vervoermiddel gebruikmaken.

De Reisregeling buitenland is op een zelfde wijze aangepast.

Artikel IV

In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2002–2003 is onder andere overeengekomen dat het stelsel van inconveniëntenvergoedingen per 1 juli 2003 zou worden gewijzigd. Een klein onderdeel daarvan, dat in dit artikel wordt geregeld, was per abuis nog niet in de regelgeving doorgevoerd. In de praktijk, die hierbij alsnog wordt geformaliseerd, is echter wel conform de afspraak gehandeld. Voorheen werd als ‘wezenlijke onderbreking’ voor de berekeningsgrondslag van de duur van de afbouwtoelage in het algemeen een periode van twee maanden gehanteerd. De verlenging hiervan tot een vaste termijn van twaalf maanden houdt verband met de mogelijk onredelijke consequenties en de lastige controleerbaarheid van de vroegere bepaling. Ook de vermindering van de toelage als gevolg van verhogingen van het salaris, anders dan die wegens algemene salarisverhogingen, werd in veel gevallen als onredelijk ervaren.

Artikel V

In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2007–2010 is opgenomen dat naast algemene verhogingen van het salaris tevens algemene verhogingen van de eindejaarsuitkering doorwerken naar de ontslaggebonden uitkeringen, zoals die in verband met werkloosheid. In lijn hiermee wordt ook een regeling als die met betrekking tot ambtsjubileumgratificatie, waarbij het redelijk is dat de aanzienlijke verhoging van de eindejaarsuitkering in gunstige zin doorwerkt in de aanspraken van de ambtenaar, met ingang van dezelfde datum aangepast.

Artikel VI

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om de hier genoemde regeling tot wijziging van de Regeling gratificatie bij ambtsjubileum in te trekken. In artikel II van die regeling werd bepaald dat aan de belanghebbende die op 1 oktober 1990 een diensttijd had bereikt van meer dan 12½ jaar doch nog niet van 25 jaar een gratificatie werd toegekend van f 200. Deze bepaling is inmiddels uitgewerkt, zodat die regeling kan worden ingetrokken.

Artikel VII

De hier genoemde regeling voorzag in een schadeloosstelling voor ambtenaren die voor het woon-werkverkeer verplicht waren gebruik te maken van een dienstauto en daarvan door het toen geldende fiscale regime, waarbij woon-werkverkeer als privé kilometers werden aangemerkt, nadeel konden ondervinden. Sinds 1 januari 2004 worden de kilometers voor het woon-werkverkeer fiscaal als zakelijke kilometers aangemerkt en kan het eerderbedoelde nadeel zich niet meer voordoen. De regeling is sinds genoemde datum dan ook zonder betekenis.

Artikel VIII

In de toelichting bij de diverse onderdelen is, voor zover nodig, de terugwerkende kracht hiervan toegelicht. Aangezien in geen enkel geval sprake is van voor de ambtenaar nadelige wijzigingen, bestaat hiertegen geen bezwaar.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst