Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatscourant 2007, 232 pagina 18Besluiten van algemene strekking

Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 november 2007, nr. SAS 2007115642, Directoraat Generaal Milieubeheer, Directie Stoffen, Afvalstoffen en Straling, houdende regels voor de verlening van een tegemoetkoming in de immateriële schade aan personen bij wie ten gevolge van de blootstelling aan asbest mesothelioom is geconstateerd en deze blootstelling niet heeft plaatsgevonden als gevolg van arbeid in loondienst (Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom)

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de tweede suppletore begrotingswet van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor het jaar 2007 en op artikel 31, tweede lid, onderdeel l, van de Wet werk en bijstand;

Besluit:

§ 1

Begripsbepalingen

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. Minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

b. asbest: stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten:

1°. actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4);

2°. amosiet (Cas-nummer 12172-73-5);

3°. anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5);

4°. chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5);

5°. tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6);

6°. crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4);

c. maligne mesothelioom: door blootstelling aan asbest veroorzaakte tumor van het longvlies, het buikvlies of het hartvlies, als bedoeld in het protocol diagnostiek;

d. SVB: Sociale Verzekeringsbank, bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

e. instituut asbestslachtoffers: Stichting Instituut Asbestslachtoffers te ’s-Gravenhage;

f. protocol diagnostiek: protocol diagnostiek maligne mesothelioom, opgenomen als bijlage bij de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers;

g. nabestaanden:

1°. de langstlevende van de echtgenoten;

2°. bij ontstentenis van de onder 1° bedoelde persoon, de minderjarige kinderen, tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;

3°. bij ontstentenis van de onder 1° en 2° bedoelde personen, degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde;

h. lasten:

1°. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 4, eerste lid;

2°. de vergoedingen die door de SVB aan het instituut asbestslachtoffers worden verstrekt voor de advisering ten behoeve van deze regeling;

3°. de uitvoeringskosten gemaakt bij de uitvoering van deze regeling.

2. In deze regeling wordt met de echtgenoot gelijkgesteld de geregistreerde partner en de persoon die op grond van artikel 1, derde lid, onderdeel a, en vierde tot en met zevende lid, van de Algemene Ouderdomswet en de daarop berustende bepalingen mede als zodanig wordt aangemerkt.

3. In deze regeling wordt niet als echtgenoot aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

§ 2

Het recht op en de hoogte van een tegemoetkoming

Artikel 2

Recht op een tegemoetkoming heeft een persoon:

a. die op het moment van indiening van de aanvraag in leven is,

b. bij wie met toepassing van het protocol diagnostiek maligne mesothelioom is vastgesteld,

c. bij wie het aannemelijk is dat de blootstelling aan asbest niet heeft plaatsgevonden tijdens het verrichten van arbeid in loondienst,

d. die niet in aanmerking kan komen voor een betaling op grond van artikel 10a of 10b van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers,

e. die geen betaling heeft verkregen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers,

f. die niet reeds in verband met het geconstateerde maligne mesothelioom een betaling op grond van een buitenlandse voorziening heeft ontvangen of een aanvraag daartoe heeft ingediend en op die aanvraag nog niet is beslist,

g. die geen vergoeding van de immateriële schade in verband met het geconstateerde maligne mesothelioom heeft ontvangen, dan wel in verband daarmee een bedrag heeft ontvangen dat lager is dan € 16.655,– ongeacht de vorm waarin die vergoeding is gedaan, en

h. die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 10 jaar woonplaats in Nederland, als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, heeft gehad en die periode gelegen is in het tijdvak tussen 10 en 60 jaar voorafgaand aan het tijdstip van indiening van de aanvraag om een tegemoetkoming.

Artikel 3

1. Nabestaanden van de persoon, bedoeld in artikel 2, hebben recht op een tegemoetkoming, indien:

a. de persoon, bedoeld in artikel 2, is overleden nadat de aanvraag om tegemoetkoming door hem is ingediend, doch voordat op die aanvraag is beslist en artikel 2, onderdelen b tot en met h, op hem van toepassing is, of

b. de persoon, bedoeld in artikel 2, is overleden in het tijdvak gelegen tussen 10 november 2006 tot 1 juni 2008 en artikel 2, onderdelen b tot en met h, op hem van toepassing is.

2. In het geval van het eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, voor zover de persoon, bedoeld in artikel 2, de aanvraag om tegemoetkoming heeft ingediend, geschiedt de beoordeling welke persoon of personen met toepassing van artikel 1, eerste lid, onderdeel g, als nabestaande wordt aangemerkt, op basis van de omstandigheden op het tijdstip van overlijden van de persoon, bedoeld in artikel 2.

3. In het geval van het eerste lid, onderdeel b, voor zover de persoon, bedoeld in artikel 2, de aanvraag om tegemoetkoming niet heeft ingediend, geschiedt de beoordeling welke persoon of personen met toepassing van artikel 1, eerste lid, onderdeel g, als nabestaande wordt aangemerkt, op basis van de omstandigheden op het tijdstip van de indiening van de aanvraag.

4. Nabestaanden hebben alleen recht op een tegemoetkoming indien zij geen vergoeding van de immateriële schade in verband met het bij de in artikel 2 bedoelde persoon geconstateerde maligne mesothelioom hebben ontvangen, dan wel in verband daarmee een bedrag hebben ontvangen dat lager is dan € 16.655,– ongeacht de vorm waarin die vergoeding is gedaan.

5. In het geval van het eerste lid, onderdeel a, wordt de behandeling van de aanvraag ten behoeve van de nabestaanden voortgezet, tenzij deze schriftelijk te kennen geven daarop geen prijs te stellen.

6. Voor zover er meer dan één nabestaande is, dragen de nabestaanden er zorg voor dat aan één van hen een volmacht wordt verleend tot vertegenwoordiging ten behoeve van de uitvoering van deze regeling, het in ontvangst nemen van een tegemoetkoming daarbij inbegrepen.

Artikel 4

1. De tegemoetkoming strekt tot tegemoetkoming in immateriële schade en bedraagt € 16.655,–.

2. Voor zover de persoon, bedoeld in artikel 2, of diens nabestaanden in verband met het geconstateerde maligne mesothelioom reeds een vergoeding van de immateriële schade heeft of hebben ontvangen en die vergoeding lager is dan € 16.655,–, wordt de hoogte van de tegemoetkoming vastgesteld op het verschil tussen het ontvangen bedrag en € 16.655,–.

3. Indien belasting ingevolge de Wet inkomstenbelasting 2001 of premie voor de volksverzekeringen ingevolge de Wet financiering sociale verzekering verschuldigd is, wordt voor de toepassing van het tweede lid de hoogte van de vergoeding in aanmerking genomen nadat daarop de verschuldigde belasting en premie in mindering zijn gebracht.

§ 3

De aanvraag en informatieverplichtingen

Artikel 5

1. De SVB stelt op aanvraag vast of recht op een tegemoetkoming bestaat.

2. Een aanvraag om een tegemoetkoming wordt bij de SVB ingediend door middel van een door de SVB beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

3. De persoon, bedoeld in artikel 2, verleent de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek om:

a. de immateriële schade langs gerechtelijke weg te verhalen tot het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, of tot een hoger bedrag wanneer dat is overeengekomen tussen de Minister en de mogelijk aansprakelijk te stellen partijen,

b. een mededeling als bedoeld in artikel 106, tweede lid, tweede volzin, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, te doen, voor zover de persoon, bedoeld in artikel 2 deze mededeling niet zelf gedaan heeft, en

c. de immateriële schadevergoeding namens de persoon, bedoeld in artikel 2, te innen.

4. Indien de SVB geen gebruik maakt van de volmacht, bedoeld in het derde lid, en de persoon, bedoeld in artikel 2, na het indienen van de aanvraag immateriële schadevergoeding ontvangt, doet die persoon hiervan onverwijld mededeling aan de SVB en betaalt hij de tegemoetkoming geheel, of wanneer de schadevergoeding lager is dan de tegemoetkoming, de tegemoetkoming voor dat deel, terug aan de SVB.

5. Indien de aanvraag om tegemoetkoming wordt gedaan door een nabestaande, zijn het tweede tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6

1. De persoon, bedoeld in artikel 2, verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen bij de indiening van de aanvraag om tegemoetkoming in ieder geval:

a. de inlichtingen en de bewijsstukken die noodzakelijk zijn ter vaststelling van maligne mesothelioom,

b. de inlichtingen en de bewijsstukken inzake de eventuele, reeds gedane inspanningen om de schade langs burgerrechtelijke weg te verhalen,

c. de inlichtingen en de bewijsstukken over de in verband met het geconstateerde maligne mesothelioom reeds ontvangen vergoeding van de immateriële schade, en

d. de inlichtingen en zo mogelijk de bewijsstukken inzake de blootstelling aan asbest en de periode waarin de blootstelling heeft plaatsgevonden.

2. De persoon, bedoeld in artikel 2, verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen op verzoek of uit eigen beweging de overige inlichtingen en bewijsstukken die nodig zijn voor de uitvoering van deze regeling en verleent ook overigens de medewerking die redelijkerwijs nodig is.

3. Indien de nabestaanden in het geval van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een aanvraag om tegemoetkoming indienen, zijn het eerste en het tweede lid op hen van overeenkomstige toepassing.

4. Indien de nabestaanden in het geval van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, een recht op een tegemoetkoming hebben, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing en verstrekken zij de SVB de inlichtingen en de bewijsstukken over de in verband met het geconstateerde maligne mesothelioom door hen reeds ontvangen vergoedingen van de immateriële schade.

5. In het geval van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, kunnen nabestaanden tot en met 30 november 2008 een aanvraag om tegemoetkoming indienen.

§ 4

Betaling en terugvordering

Artikel 7

De tegemoetkoming wordt door de SVB zo spoedig mogelijk uitbetaald aan de persoon, bedoeld in artikel 2, of aan de nabestaanden, bedoeld in artikel 3.

Artikel 8

1. De SVB herziet een besluit tot toekenning van de tegemoetkoming of trekt dat in indien degene aan wie de tegemoetkoming is toegekend:

a. nadien alsnog een betaling heeft ontvangen waarmee rekening zou zijn gehouden bij de vaststelling van het recht op tegemoetkoming, of

b. de verplichtingen, bedoeld in artikel 5, vierde lid, en artikel 6, eerste tot en met vierde lid, niet of niet behoorlijk heeft nagekomen en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de tegemoetkoming.

2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de SVB besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

3. De tegemoetkoming die als gevolg van een besluit als bedoeld in het eerste lid ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt van degene aan wie de tegemoetkoming is toegekend teruggevorderd.

§ 5

Uitvoering en financiering

Artikel 9

1. Deze regeling wordt uitgevoerd door de SVB.

2. De SVB kan artikel 2, onderdeel h, voor zover het de aaneengeslotenheid van de periode van ten minste 10 jaar betreft, buiten toepassing laten of daarvan afwijken indien naar het oordeel van de SVB het belang van deze regeling daartoe noodzaakt.

Artikel 10

1. De SVB kan over het recht op de tegemoetkoming advies vragen aan het instituut asbestslachtoffers.

2. De SVB stelt de eisen vast waaraan het advies dient te voldoen en stelt een termijn binnen welke het advies wordt verwacht.

Artikel 11

1. De SVB en het instituut asbestslachtoffers stellen een overeenkomst op betreffende de samenwerking en de werkwijze in het kader van de uitvoering van deze regeling.

2. In de in het eerste lid bedoelde overeenkomst wordt ten minste vastgelegd:

a. op welke wijze de behandeling van aanvragen om een tegemoetkoming plaatsvindt;

b. op welke wijze de juistheid en de volledigheid van de verkregen inlichtingen wordt onderzocht;

c. op welke wijze de informatievoorziening aan belanghebbenden wordt ingericht;

d. welke vergoeding door de SVB aan het instituut asbestslachtoffers zal worden verstrekt per uitgebracht advies;

e. op welke wijze de verstrekking van de vergoedingen, bedoeld in onderdeel d, zal worden ingericht;

f. dat periodiek overleg zal worden gevoerd betreffende de uitvoering van deze regeling, alsmede de frequentie daarvan;

g. welke informatie door het instituut asbestslachtoffers aan de SVB wordt verstrekt ten behoeve van de informatieverplichting van de SVB aan de Minister;

h. hoe uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen zullen worden beslecht.

Artikel 12

1. De SVB verstrekt voor de tiende dag van de maand voorafgaande aan het begin van een kwartaal informatie aan de Minister over het vorige kwartaal met betrekking tot:

a. het aantal ingediende aanvragen om een tegemoetkoming,

b. het aantal gevallen waarin een tegemoetkoming is verleend dan wel de aanvraag is afgewezen,

c. de gronden voor afwijzing van een aanvraag,

d. de behandelingsduur van een aanvraag,

e. het aantal bezwaar- en beroepsschriften,

f. het aantal gerechtelijke procedures, als bedoeld in artikel 5, derde lid,

g. het aantal gerechtelijke procedures waarbij een bedrag als bedoeld in artikel 5, derde lid, is verhaald,

h. de werkelijke lasten, verbijzonderd naar de kosten die daartoe in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, worden gerekend.

2. Bij de informatie, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de SVB een raming van de lasten voor het komende kwartaal, verbijzonderd naar de kosten die daartoe in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, worden gerekend.

Artikel 13

1. De lasten van deze regeling worden gefinancierd uit een rijksbijdrage ten laste van de begroting van de Minister.

2. Op de eerste dag van elk kwartaal draagt het Rijk de geraamde lasten over dat kwartaal af aan de SVB.

3. Op de eerste dag van elk kwartaal verrekent het Rijk het verschil tussen de werkelijke lasten en de geraamde lasten over het kwartaal gelegen twee kwartalen voor het huidige kwartaal.

4. Indien de dag, genoemd in het tweede en derde lid, een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag is, wordt de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag is, in aanmerking genomen.

5. Op de lasten van deze regeling komen in mindering:

a. de bedragen die op grond van artikel 5, derde en vierde lid, zijn terugbetaald;

b. de tegemoetkomingen die op grond van artikel 8 zijn teruggevorderd en zijn terugbetaald.

Artikel 14

In afwijking van artikel 13 kan in bijzondere gevallen een hogere of een lagere afdracht dan die bedoeld in artikel 13, tweede lid, worden verstrekt.

Artikel 15

1. De SVB dient jaarlijks vóór 1 juli de afrekening in bij de Minister met betrekking tot de kasuitgaven in het kader van deze regeling over het afgelopen kalenderjaar. Op grond van deze afrekening vindt een betaling ten gunste of ten laste van de SVB plaats.

2. De Minister stelt jaarlijks vóór 31 oktober, na ontvangst van de jaarrekening met een verklaring over de rechtmatigheid, de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 13, eerste lid, definitief vast op de lasten van de SVB in het kader van deze regeling over het afgelopen kalenderjaar.

§ 6

Wijzigingen regelgeving

Artikel 16

Met ingang van 1 januari 2008 wordt in de artikelen 2, onderdeel g, 3, vierde lid, en 4, eerste en tweede lid, ‘€ 16.655,–’ vervangen door: € 17.050,–.

Artikel 17

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j van artikel 7 van de Regeling WWB door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

k. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 4 van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom.

§ 7

Slotbepalingen

Artikel 18

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 december 2007.

Artikel 19

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 22 november 2007.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J.M. Cramer.

Toelichting

§ 1. Aanleiding

Op 10 november 2006 besloot het kabinet tot het treffen van een tegemoetkomingsregeling voor personen bij wie de ziekte mesothelioom is geconstateerd en die niet in aanmerking kunnen komen voor de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS-regeling). Er kan alleen aanspraak worden gemaakt op een betaling op grond van de TAS-regeling indien blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden als gevolg van het verrichten van arbeid in loondienst. Met onderhavige regeling, de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom (hierna: TNS-regeling), is invulling gegeven aan het kabinetsbesluit van 10 november 2006. Op grond van deze regeling kan onder bepaalde voorwaarden een financiële tegemoetkoming in de geleden immateriële schade worden verstrekt, waarmee aan deze mesothelioomslachtoffers maatschappelijke erkenning wordt gegeven.

Jaarlijks wordt in Nederland bij ongeveer 400 personen de diagnose maligne mesothelioom gesteld1 . Maligne mesothelioom is een vorm van kanker van het long-, buik- of hartvlies die wordt veroorzaakt door blootstelling aan asbestvezels. Sinds het einde van de jaren tachtig voeren mesothelioomslachtoffers civiele procedures voor schadevergoeding tegen de veroorzakers van de blootstelling aan asbest. Dit is vaak een emotionele en langdurige weg. Door de ernst van de ziekte en het snelle verloop ervan (personen met mesothelioom overlijden doorgaans binnen een jaar na de diagnose) overlijden slachtoffers vaak voordat er een gerechtelijke uitspraak is.

Om de juridische lijdensweg voor deze slachtoffers te verkorten is eind 1998 het Convenant Instituut Asbestslachtoffers afgesloten. Dit convenant richt zich specifiek op slachtoffers door blootstelling aan asbest in een loondienstsituatie. Deelnemende partijen bij het convenant zijn het Comité Asbestslachtoffers, werkgevers- en werknemersorganisaties, het Verbond van Verzekeraars en de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Justitie. In het kader van het convenant is het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) opgericht. Het IAS bemiddelt op grond van het convenant en de stand van de rechtspraak tussen het slachtoffer en de aansprakelijke partij (werkgever). Betaling van schadevergoeding door de aansprakelijke partij is daarbij het primaire uitgangspunt. Als vangnet voor dit convenant bestaat sinds 26 januari 2000 de TAS-regeling. De TAS-regeling is een vangnet voor slachtoffers met mesothelioom bij wie de asbestblootstelling tijdens het werk heeft plaatsgevonden en van wie de aansprakelijke werkgever onvindbaar of failliet is of die door verjaring hun vordering tot schadevergoeding niet meer geldend kunnen maken. Begin 2003 is de TAS-regeling aangevuld met een voorschotregeling, met inachtneming van het bestaande uitgangspunt dat de overheid geen verantwoordelijkheid overneemt of aansprakelijk is voor het vergoeden van de immateriële schade. In de loop van 2003 is de doelgroep van de TAS-regeling uitgebreid met huisgenoten van aan asbest blootgestelde werknemers, die lijden aan mesothelioom.

Niet bij alle slachtoffers van mesothelioom is de asbestblootstelling terug te voeren op een arbeidsrelatie. Door de brede toepassing van asbest in het verleden bevond zich ook asbest in diverse producten en in het milieu. In weliswaar sterk verminderde mate is dit nog steeds het geval. Daarnaast hebben ook zelfstandigen met asbest gewerkt en zij vallen niet onder het convenant.

Vanwege de ernst van de aandoening en de brede toepassing van asbest in de samenleving in het verleden, ervaart het kabinet het als onbevredigend dat alleen aan mesothelioomslachtoffers met een loondienstrelatie een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt, en niet aan mesothelioomslachtoffers bij wie de asbestblootstelling niet heeft plaatsgevonden gedurende het verrichten van arbeid in loondienst. Het kabinet wenst ook maatschappelijke erkenning te geven aan het leed van deze groep asbestslachtoffers, door middel van een financiële tegemoetkoming in de geleden immateriële schade. Dit om ook voor deze slachtoffers de juridische lijdensweg te verlichten.

Aangezien nooit met zekerheid kan worden vastgesteld door welke blootstelling aan asbest iemand de ziekte heeft opgelopen, kan geen onderscheid worden gemaakt tussen slachtoffers van blootstelling in het milieu of van blootstelling aan producten. Om die reden, en om aan alle slachtoffers recht te doen, is deze regeling tot stand gebracht voor alle personen met mesothelioom die geen loondienstrelatie hebben (gehad) waar de asbestbesmetting op is terug te voeren.

§ 2. Uitgangspunten van de regeling

De tegemoetkoming is te beschouwen als een uiting van maatschappelijke betrokkenheid bij het leed van de personen die mesothelioom hebben ten gevolge van de blootstelling aan asbest. De tegemoetkoming is niet bedoeld als een vergoeding van de schade zoals die kan worden verkregen wanneer de veroorzakende partij aansprakelijk wordt gesteld. De overheid neemt met het verstrekken van een tegemoetkoming de verantwoordelijkheid voor het betalen van schadevergoeding niet over en erkent hiermee geen aansprakelijkheid.

De op grond van deze regeling verstrekte tegemoetkoming wordt waar mogelijk verhaald op aansprakelijk te stellen partijen. Met deze regeling is beoogd om het slachtoffer te ontzien en niet degene die aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade. Het is in het belang van alle partijen als er afspraken kunnen worden gemaakt over het compenseren van de geleden schade. Op het moment van inwerkingtreding van deze regeling zijn deze afspraken nog niet gemaakt. Tot het moment dat sprake is van dergelijke afspraken, zal per geval worden bekeken of het kansrijk is voor de Sociale Verzekeringsbank (SVB), als instantie die belast is met de uitvoering van deze regeling, om de verstrekte tegemoetkoming via een civiele rechtsgang te verhalen. Om dit mogelijk te maken dient de aanvrager een volmacht te tekenen op grond waarvan de SVB namens het slachtoffer de tegemoetkoming kan trachten te verhalen.

Het is de bedoeling om slachtoffers bij leven erkenning te geven. Zij moeten in principe zelf aangeven dat zij prijs stellen op de tegemoetkoming en derhalve zelf een aanvraag doen. Slechts in twee gevallen kunnen nabestaanden van het slachtoffer een tegemoetkoming ontvangen.

Ten eerste treden nabestaanden, in het geval dat het slachtoffer een tegemoetkoming heeft aangevraagd maar hij is overleden voordat op de aanvraag is beslist, in de rechten van het slachtoffer. Ten tweede wordt een uitzondering gemaakt voor nabestaanden van slachtoffers die zijn overleden ná de datum van het besluit van het kabinet tot het in het leven roepen van een tegemoetkomingsregeling (10 november 2006) en uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van de onderhavige regeling. Voor de betreffende slachtoffers was het tot aan de inwerkingtreding niet mogelijk een aanvraag in te dienen. De nabestaanden van deze personen kunnen alsnog een aanvraag voor een tegemoetkoming indienen. Deze overgangsperiode strekt tot een half jaar na het moment van inwerkingtreding in verband met de aanloopfase voor de regeling. Het kost namelijk enige tijd voordat de informatie over de onderhavige tegemoetkomingsregeling voor mensen bij wie mesothelioom wordt geconstateerd, terecht kan zijn gekomen bij de relevante personen en organisaties, zoals alle longartsen in Nederland.

Voor die gevallen waarin nabestaanden een aanvraag kunnen indienen hebben zij daarvoor de tijd tot uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van deze regeling.

Eveneens vanwege het uitgangspunt dat het kabinet erkenning wenst te geven aan het slachtoffer zelf, wordt in deze regeling – conform de TAS-regeling – een beperkte invulling gegeven aan het begrip ‘nabestaanden’, voor zover deze de aanvraag kan voortzetten of overnemen.

§ 3. Reikwijdte

Het recht op een tegemoetkoming bestaat als aan een aantal voorwaarden is voldaan.

Mesothelioom

De tegemoetkoming kan alleen worden verstrekt aan personen die lijden aan de asbestziekte maligne mesothelioom. Er bestaan ook andere ziektes die door asbest worden of kunnen worden veroorzaakt. De belangrijkste reden om deze regeling te beperken tot mesothelioomslachtoffers is, naast het eerder genoemde snelle verloop van de ziekte, dat deze ziekte voor zover bekend uitsluitend kan worden veroorzaakt door blootstelling aan asbest. In 80 tot 87% van de gevallen kan een relatie met asbestblootstelling worden vastgesteld. In de overige gevallen kan geen andere oorzaak aannemelijk worden gemaakt2 .

Voor het vaststellen van deze ziekte wordt aangesloten bij de TAS-regeling, te weten het diagnostische protocol dat in het kader van die regeling is vastgesteld.

Geen loondienstverband, geen TAS-aanspraak

De TNS-regeling is niet bedoeld voor personen bij wie het aannemelijk is dat de blootstelling aan asbest kan worden toegeschreven aan werkzaamheden verricht in loondienst. Voor die gevallen zijn er afspraken gemaakt in het Convenant Instituut Asbestslachtoffers en bestaat vanuit de overheid de TAS-regeling als vangnetvoorziening.

Geen schadevergoeding ontvangen

In het geval dat een slachtoffer zelf al voor zijn immateriële schade een vergoeding heeft ontvangen, heeft hij enkel recht op een tegemoetkoming op grond van de TNS-regeling voor zover de ontvangen schadevergoeding lager is dan het bedrag dat in deze regeling wordt genoemd. Die vergoeding wordt, indien aan alle voorwaarden wordt voldaan, aangevuld tot aan het bedrag van de tegemoetkoming. Indien een dergelijke schadevergoeding wordt ontvangen nadat een tegemoetkoming op grond van deze regeling is uitgekeerd, wordt dit alsnog verrekend.

Geen buitenlandse voorziening

In enkele andere landen, waaronder België en Duitsland, bestaat er (mede) van overheidswege een financiële regeling voor de genoegdoening aan asbestslachtoffers. Wanneer een mesothelioomslachtoffer reeds een uitkering heeft ontvangen op grond van een buitenlandse regeling – ongeacht de vorm en de omvang van de uitkering – wordt hij geacht genoegdoening te hebben verkregen en heeft hij geen recht op een tegemoetkoming krachtens deze regeling.

10 jaar woonachtig in Nederland

Deze regeling richt zich op de situaties waarin het slachtoffer een duidelijke band heeft met de Nederlandse samenleving. Het kabinet beoogt die mesothelioomslachtoffers een tegemoetkoming te geven die de ziekte ten gevolge van blootstelling aan asbest in Nederland hebben opgelopen. Aangezien nooit met zekerheid is vast te stellen welke blootstelling aan asbest de ziekte heeft veroorzaakt, zijn in artikel 2 criteria opgenomen voor omstandigheden waaronder het aannemelijk wordt geacht dat de asbestblootstelling (in elk geval ook) in Nederland heeft plaatsgevonden.

In deze regeling is daarom de voorwaarde opgenomen dat de betrokkene een bepaalde periode aaneengesloten in Nederland woonachtig moet zijn geweest. De periode van tien jaar wordt voldoende substantieel geacht om daarvoor de maatschappelijke verantwoordelijkheid te willen nemen.

De periode van tien jaar waarin het mesothelioomslachtoffer in Nederland woonachtig moet zijn geweest, moet liggen in de periode dat een asbestbesmetting ook daadwerkelijk oorzaak kan zijn van deze ziekte op het moment van constatering. Er wordt in wetenschappelijke kringen vanuit gegaan dat de zogenoemde latentietijd, de tijd die verstrijkt tussen het moment van besmetting en de openbaring van de ziekte, gemiddeld 30 tot 40 jaar is, met een minimum van 10 en een maximum van 60 jaar. Daarom is in deze regeling de voorwaarde opgenomen dat de periode van tien jaar woonachtig in Nederland moet liggen tussen de 60 en de 10 jaar voorafgaand aan het moment van constatering van de ziekte.

§ 4. Relatie tot de TAS-regeling

Voor de uitvoering van deze regeling wordt nauw aangesloten bij de TAS-regeling. Dat geldt bijvoorbeeld voor de wijze van vaststelling van maligne mesothelioom en voor het uit te keren bedrag. Voor de vaststelling van mesothelioom is verwezen naar de TAS-regeling, waardoor eventuele wijzigingen op dit punt automatisch doorwerken in de TNS-regeling.

§ 5. Uitvoeringsstructuur

Ook voor de uitvoering wordt waar mogelijk aangesloten bij de TAS-regeling. Als uitvoerder wordt in deze regeling de SVB aangewezen, die namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM) de beslissing neemt op een aanvraag en zorgt voor verstrekking van de tegemoetkoming.

De SVB vraagt voor de beslissing of een aanvrager in aanmerking komt voor de regeling advies aan het IAS. Ook speelt het IAS, zoals bij de TAS-regeling, een belangrijke rol in de aanvraag- en intakefase. Deze functie van het IAS als eerste aanspreekpunt voor het slachtoffer is van groot belang voor de eenduidigheid richting de mesothelioomslachtoffers.

Voor de uitvoering zijn de procedures en protocollen voor aanvraag, intake en beoordeling van beide regelingen zo veel mogelijk op elkaar afgestemd.

In de aanvraagprocedure wordt op een aantal punten om informatie en waar mogelijk bewijsstukken gevraagd. In de eerste plaats heeft die informatie betrekking op de vaststelling van mesothelioom en het niet eerder hebben ontvangen van een schadevergoeding of tegemoetkoming in verband met het mesothelioom. Dit is noodzakelijk voor het vaststellen van het recht op een tegemoetkoming op grond van de TNS-regeling. Daarnaast worden inlichtingen en waar mogelijk bewijsstukken gevraagd met betrekking tot de wijze en het moment waarop het slachtoffer aan asbestvezels blootgesteld is geweest. Dit laatste is niet bepalend voor het al dan niet uitkeren van de tegemoetkoming, maar voor eventuele verhaalsacties door de SVB. Omdat het doel van deze regeling nu juist is dat slachtoffers niet eerst een juridische weg hoeven te bewandelen, maar zo spoedig mogelijk bij leven geld ontvangen, wordt dit uitzoekwerk niet voorafgaand aan de beslissing over de tegemoetkoming gedaan. Het is ook mogelijk dat de SVB op een later moment in de procedure hierover aanvullende vragen heeft aan de aanvrager. Het IAS houdt zich ten behoeve van de TNS-regeling uitsluitend bezig met de aanmelding en intake van slachtoffers en de advisering hierover aan de SVB, tenzij betrokken partijen aanvullende afspraken maken over de rol van het IAS.

§ 6. Kosten en geschat beroep op de TNS-regeling

De schattingen over het te verwachten aantal gevallen van mesothelioom in de komende jaren lopen uiteen. De meest waarschijnlijke voorspelling volgens een onderzoek van de Erasmus Universiteit Rotterdam uit 20033 is dat het aantal sterfgevallen als gevolg van pleura mesothelioom (de vorm van mesothelioom die veruit het meest voorkomt) tot 2017 nog zal toenemen en daarna snel zal afnemen. Uit cijfers van het IAS4 blijkt dat van de circa 400 personen met mesothelioom per jaar er circa 300 onder het Convenant en de TAS-regeling vallen.

Op basis van deze gegevens wordt er vooralsnog van uitgegaan dat jaarlijks circa 100 tot 120 personen een tegemoetkoming zullen ontvangen op grond van de TNS-regeling. Daarnaast zal er naar verwachting maximaal € 400.000 aan bestuurs- en uitvoeringskosten nodig zijn per jaar. Dit betekent dat er jaarlijks een bedrag van circa € 2 miljoen nodig is voor de totale uitvoering van deze regeling.

Voor wat betreft een schatting van de kosten is het van belang om naast het jaarlijks te verwachten aantal aanspraken zicht te hebben op het aantal gevallen waarvoor de SVB de tegemoetkoming met succes zal kunnen terugvorderen op aansprakelijke partijen. Bij de TAS-regeling wordt ernaar gestreefd dat minimaal 40% van de verstrekte voorschotten wordt terugbetaald (in het merendeel van die gevallen is de bemiddeling door het IAS tussen slachtoffer en werkgever succesvol). Naar verwachting zal dit percentage voor de TNS-regeling veel lager liggen. Bij gevallen waar de ziekte is terug te voeren op een blootstelling in het milieu kan op grond van de huidige jurisprudentie voorzichtig worden geconcludeerd dat aansprakelijkheid goed kan worden vastgesteld. Naar schatting krijgen in Nederland jaarlijks circa 10 tot maximaal 20 mensen mesothelioom als gevolg van milieublootstelling. In de overige gevallen kan het veel moeilijker zijn om een aannemelijke bron en moment van blootstelling aan te wijzen en op grond daarvan iemand aansprakelijk te stellen. In situaties waarin dat wel het geval is, zal de SVB het bedrag van de TNS-tegemoetkoming trachten te verhalen op een aansprakelijke partij.

§ 7. Administratieve lasten

De administratieve lasten voor de aanvrager van een tegemoetkoming, in de vorm van tijdsbesteding en uitgaven, blijven zo beperkt mogelijk door de uitgebreide ondersteuning die het IAS biedt bij de intake. Voorbeelden van een dergelijke ondersteuning zijn dat het IAS aan de hand van een telefoongesprek het aanvraagformulier zo ver mogelijk digitaal invult en namens het slachtoffer de benodigde medische informatie voor de toetsing van de diagnose mesothelioom kan opvragen. De SVB kan zelf bij de gemeentelijke basisadministratie de woongeschiedenis nagaan.

Aangezien bovendien de doelgroep klein is (naar verwachting 100 à 120 personen per jaar), heeft deze regeling in totaal zeer geringe gevolgen voor de administratieve lasten voor burgers. De regeling is daarom niet voor advies aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) voorgelegd.

§ 8. Toekomstverwachting

Mijn verwachting is dat er rond het jaar 2050 geen maatschappelijke noodzaak meer bestaat voor deze regeling. Ik acht de overheidsverantwoordelijkheid voor het geven van maatschappelijke erkenning namelijk eindig. De overheid is immers al jaren bezig om, voor zover dat in haar macht ligt, de bron van het probleem aan te pakken. Sinds 1994 bestaat er een algemeen verbod op de productie en toepassing van asbest. Sinds 1993 bestaat er regelgeving voor de verantwoorde verwijdering van asbest. Tot slot worden de belangrijkste bronnen voor blootstelling via het milieu, zoals de asbestwegen in het oosten van het land, in de komende jaren (verder) gesaneerd. Vanwege de lange latentietijd van de ziekte (gemiddeld 30 tot 40 jaar) blijven de gevolgen van blootstelling aan asbest nog lange tijd merkbaar en zullen er helaas nog vele jaren nieuwe gevallen van mesothelioom bijkomen. De verwachting is dat de Minister van VROM op den duur geen rol meer heeft in het voorzien in een tegemoetkoming voor de gevolgen van asbestblootstelling.

Beoogd wordt om deze regeling periodiek te evalueren. Dit gebeurt minimaal eens in de vijf jaar en zal voor het eerst plaatsvinden in 2010. De evaluatie wordt bezien in relatie tot de TAS-regeling en wordt indien mogelijk gecombineerd met een evaluatie van die TAS-regeling.

Artikelsgewijs

Artikel 1 Begripsbepalingen

Onderdeel f, protocol diagnostiek

Voor de diagnostisering van maligne mesothelioom in het kader van de onderhavige regeling wordt gebruik gemaakt van het Protocol diagnostiek maligne mesothelioom. Dit protocol wordt ook gehanteerd bij de diagnostisering van maligne mesothelioom in het kader van de TAS-regeling en is als bijlage bij de TAS-regeling opgenomen5 . Het protocol geeft een beschrijving van de stand van de medische wetenschap bij de diagnostiek van maligne mesothelioom door ter zake gespecialiseerde artsen. Het protocol bevat concrete aanwijzingen voor de onderzoeken voor het vaststellen van mesothelioom. Het is van belang dat de diagnostisering van maligne mesothelioom in het kader van de TAS- en de TNS-regeling op gelijke wijze plaatsvindt. Vandaar dat in de TNS-regeling is verwezen naar het protocol als bijlage bij de TAS-regeling.

Onderdeel g en het tweede en derde lid

Onder bepaalde voorwaarden kunnen nabestaanden aanspraak maken op een tegemoetkoming op grond van onderhavige regeling. De begripsomschrijving van ‘nabestaanden’ is gelijk aan de omschrijving die dit begrip in de TAS-regeling heeft. In het kader van de TAS- en de TNS-regeling worden dezelfde personen als nabestaanden aangemerkt als degenen die voor een overlijdensuitkering ingevolge artikel 18 van de Algemene Ouderdomswet (AOW) in aanmerking kunnen komen. Net als bij de TAS-regeling zijn in de TNS-regeling de geregistreerde partner en degene die met de overledene een gezamenlijk huishouden voerde, met de echtgenoot gelijkgesteld. In de AOW is aangeven wanneer er sprake is van een gezamenlijk huishouden (artikel 1, vierde tot en met zevende lid, van de AOW). In het derde lid is net als in de AOW bepaald, dat degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is niet als nabestaande wordt aangemerkt.

Artikel 2 Voorwaarden recht op tegemoetkoming

Onderdeel a

In artikel 2 zijn de voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om aanspraak te kunnen maken op een tegemoetkoming. Zoals reeds in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven, is het uitgangspunt van de TNS-regeling om een persoon bij leven erkenning te geven voor het leed dat hij ten gevolge van de ziekte mesothelioom lijdt. Vandaar de voorwaarde dat de persoon bij wie mesothelioom is geconstateerd op het moment van de indiening van de aanvraag in leven moet zijn. Slechts onder bepaalde omstandigheden, opgenomen in artikel 3, eerste lid, kunnen nabestaanden van een persoon die overleden is aan mesothelioom in aanmerking komen voor een tegemoetkoming.

Onderdeel b

In onderdeel b staat de voorwaarde dat het maligne mesothelioom met toepassing van het protocol, als bedoeld in artikel 1, onder f, dient te zijn vastgesteld. Hieruit volgt dat er op grond van de TNS-regeling alleen recht op een tegemoetkoming bestaat indien er als gevolg van de blootstelling aan asbest maligne mesothelioom is ontstaan. Een tegemoetkoming wordt niet verstrekt indien er sprake is van andere ziekten die als gevolg van de blootstelling aan asbest zijn ontstaan.

Onderdelen c en d

Zoals reeds in het algemene deel van de toelichting is aangegeven is de TNS-regeling niet bedoeld om die personen een tegemoetkoming te verlenen bij wie mesothelioom is ontstaan ten gevolge van blootstelling aan asbest gedurende het verrichten van arbeid in loondienst (onderdeel c). Personen bij wie dat het geval is, kunnen immers aanspraak maken op de TAS-regeling. Hetzelfde geldt voor de huisgenoten van personen als bedoeld in onderdeel c. In onderdeel d wordt daarom verwezen naar de situaties waarin huisgenoten met mesothelioom van werknemers aanspraak kunnen maken op de TAS-regeling. In die situaties kunnen deze personen niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de TNS-regeling.

Onderdeel e

In onderdeel e is bepaald dat er geen aanspraak op de TNS-regeling kan worden gemaakt, indien er reeds een eenmalige uitkering of een voorschot is ontvangen op grond van de TAS-regeling.

Onderdeel f

In onderdeel f is bepaald dat er geen recht op een tegemoetkoming bestaat indien de betrokkene reeds in verband met het geconstateerde maligne mesothelioom een betaling op grond van een buitenlandse voorziening heeft ontvangen of een aanvraag daartoe heeft ingediend waarop nog niet is beslist. De hoogte van het bedrag van de betaling is verder niet relevant. In welke vorm de betaling is gedaan of de aard van de voorziening is verder ook niet relevant voor de voorwaarde, opgenomen in onderdeel f.

Met het begrip ‘voorziening’ wordt bedoeld dat er sprake moet zijn van een geformaliseerde basis op grond waarvan de betaling geschiedt. Een dergelijke betaling moet voor iedereen open staan die aan de betreffende voorwaarden voldoet. Met het begrip ‘voorziening’ wordt onder meer bedoeld een wettelijke regeling op grond waarvan slachtoffers een betaling kunnen ontvangen. Onder ‘voorziening’ wordt uitdrukkelijk niet verstaan betalingen van een immateriële schadevergoeding door een aansprakelijke partij aan een asbestslachtoffer. Betalingen van schadevergoeding vallen onder onderdeel g.

Recht op een tegemoetkoming is tevens uitgesloten indien er een aanvraag tot betaling op grond van een buitenlandse voorziening is ingediend en op die aanvraag nog geen beslissing is genomen. De aanvrager zal de uitkomst van die aanvraag moeten afwachten alvorens aanspraak gemaakt kan worden op een tegemoetkoming op grond van de TNS-regeling. Als op de aanvraag tot betaling op grond van een buitenlandse voorziening afwijzend wordt beslist, kan alsnog een aanvraag tot tegemoetkoming op grond van deze regeling worden ingediend.

Niet van alle landen is bekend of en hoe in die landen slachtoffers met mesothelioom een betaling kunnen ontvangen. Van onder meer België is bekend dat er van overheidswege een regeling is voor het verstrekken van een financiële genoegdoening aan personen die ziek zijn geworden of overleden zijn ten gevolge van blootstelling aan asbest.

Onderdeel g

In dit onderdeel is bepaald dat een slachtoffer alleen recht op een tegemoetkoming op grond van deze regeling heeft indien hij niet reeds in verband met het geconstateerde mesothelioom een vergoeding voor immateriële schade heeft ontvangen of, indien hij wel een betaling heeft ontvangen, die betaling lager is dan het bedrag van de tegemoetkoming. Het is niet van belang door wie of in welke vorm de betaling wordt gedaan. Het enige dat van belang is voor deze voorwaarde is of de betaling is ontvangen ter vergoeding van de geleden immateriële schade in verband met het geconstateerde mesothelioom en of die betaling niet is gedaan op grond van een buitenlandse voorziening (onderdeel f).

Indien een slachtoffer reeds een betaling in verband met maligne mesothelioom als gevolg van asbestblootstelling heeft ontvangen en die betaling hoger is dan het bedrag van de tegemoetkoming, dan is er op een andere wijze een oplossing gevonden voor de immateriële schade die het slachtoffer heeft geleden. In dat geval kan daarom geen aanspraak meer worden gemaakt op deze regeling. Als het slachtoffer wel reeds een bedrag heeft ontvangen in verband met de ziekte, maar dit bedrag lager is dan het bedrag van de tegemoetkoming, dan kan dat bedrag op grond van artikel 4, tweede lid, worden aangevuld tot aan het bedrag van de tegemoetkoming. Ook in het geval dat een aanvrager in onderhandeling is met een aansprakelijke partij of een civiele procedure tegen deze derde is begonnen, kan aanspraak worden gemaakt op een tegemoetkoming. Op het moment dat een schadevergoeding wordt ontvangen, wordt de beschikking ten aanzien van de tegemoetkoming herzien (artikel 8).

Onderdeel h

In dit onderdeel is de voorwaarde opgenomen dat de betrokkene een periode van tien aaneengesloten jaren zijn woonplaats in Nederland moet hebben gehad en dat die periode tevens gelegen moet zijn in het tijdvak tussen 10 en 60 jaar voorafgaand aan het tijdstip van de indiening van de aanvraag om een tegemoetkoming. Deze voorwaarde is opgenomen vanuit de wens om een tegemoetkoming te verstrekken aan mesothelioomslachtoffers die in Nederland aan asbest zijn blootgesteld.

De voorwaarde in onderdeel h bestaat uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel stelt dat de betrokkene in Nederland woonplaats moet hebben gehad. Of iemand woonplaats in Nederland heeft gehad wordt bepaald aan de hand van de artikelen 10, eerste lid en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Uit deze artikelen volgt dat de woonplaats van een natuurlijke persoon zich in zijn woonstede bevindt, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Een natuurlijk persoon wordt vermoed zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op wettelijk voorgeschreven wijze aan de betrokken gemeentebesturen heeft kennis gegeven. De SVB kan door middel van de gemeentelijke basisadministratie voor de persoon in kwestie nagaan op welk woonadres de persoon ingeschreven is geweest.

Het onderdeel van de voorwaarde dat de betrokkene een aaneengesloten periode van tien jaar woonplaats in Nederland moet hebben gehad, is opgenomen vanwege het uitgangspunt dat het slachtoffer een duidelijke band dient te hebben of te hebben gehad met Nederland. Het moet aannemelijk zijn dat de asbestblootstelling (in elk geval ook) in Nederland heeft plaatsgevonden. De periode van tien jaar wordt voor de overheid voldoende substantieel geacht om de maatschappelijke verantwoordelijkheid te willen nemen.

Het onderdeel van de voorwaarde dat de aaneengesloten periode van tien jaar gelegen moet zijn in het tijdvak tussen 10 en 60 jaar voorafgaand aan het tijdstip van indiening van de aanvraag heeft te maken met de latentietijd van de ziekte mesothelioom. Met latentietijd wordt bedoeld de tijd die zit tussen het moment van besmetting en het moment waarop de ziekte zich openbaart. De latentietijd bedraagt gemiddeld 30 tot 40 jaar en er zijn latentietijden bekend van minimaal 10 jaar en maximaal 60. De asbestblootstelling die tot de ziekte heeft geleid, kan derhalve niet korter dan 10 jaar of langer dan 60 jaar voor openbaring van de ziekte hebben plaatsgevonden.

Het tijdvak van 10 tot 60 jaar, waarin de belanghebbende 10 jaar aaneengesloten in Nederland moet hebben gewoond, wordt bepaald aan de hand van het tijdstip waarop de aanvraag om een tegemoetkoming is ingediend. Het moment waarop voor deze regeling het tijdvak begint te lopen is dus niet het moment waarop de ziekte zich openbaart. Hiervoor is om praktische redenen gekozen. Het moment van indiening van de aanvraag is namelijk eenvoudiger en eenduidiger vast te stellen dan het tijdstip waarop de ziekte zich heeft geopenbaard of is geconstateerd.

Artikel 3 Tegemoetkoming aan nabestaanden

Eerste lid

Zoals is aangegeven is de TNS-regeling primair bedoeld om personen bij wie mesothelioom is geconstateerd een recht te geven op een financiële tegemoetkoming als maatschappelijke erkenning voor het ondervonden leed. Slechts in een tweetal situaties kunnen nabestaanden van een persoon die overleden is aan mesothelioom in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. In onderdeel a van het eerste lid is de situatie beschreven waarin een persoon met mesothelioom reeds een aanvraag om tegemoetkoming heeft ingediend maar die persoon overlijdt alvorens op de ingediende aanvraag is beslist. In dat geval kan het recht op tegemoetkoming toekomen aan de nabestaanden.

Nabestaanden van een persoon bij wie de ziekte mesothelioom is geconstateerd kunnen tevens aanspraak maken op een tegemoetkoming indien deze persoon is overleden in het tijdvak gelegen tussen 10 november 2006 en 1 juni 2008. Voor deze overgangstermijn is gekozen omdat op 10 november 2006 het kabinet heeft besloten tot het in het leven roepen van een financiële tegemoetkomingsregeling voor personen bij wie mesothelioom is geconstateerd en die geen aanspraak kunnen maken op de TAS-regeling. Vanaf 10 november 2006 is deze groep een financiële tegemoetkoming in het vooruitzicht gesteld.

Met de datum van 1 juni 2008 (zes maanden na de inwerkingtreding) wordt rekening gehouden met de tijd die het vergt om deze tegemoetkomingsregeling voldoende bekend te laten worden bij alle in deze relevante personen en organisaties. Zo is het bijvoorbeeld wenselijk dat longartsen hun patiënten direct bij de diagnose kunnen wijzen op het bestaan van deze regeling (zoals ze nu al doen voor de TAS-regeling). Het vergt enige tijd voordat alle longartsen in het land en vervolgens hun patiënten hiermee voldoende bekend zijn.

In het geval dat deze situatie zich voordoet, is in het vijfde lid van artikel 6 bepaald dat de aanvraag om tegemoetkoming tot en met 30 november 2008 kan worden ingediend.

Tweede en derde lid

In het tweede en derde lid is bepaald op welk tijdstip wordt getoetst of een persoon als nabestaande kan worden aangemerkt. In het eerste lid is bepaald onder welke omstandigheden een nabestaande voor een tegemoetkoming in aanmerking kan komen. In het geval van het eerste lid, onderdeel a, zijn de omstandigheden ten tijde van het overlijden van de aanvrager bepalend voor de conclusie of iemand als nabestaande kan worden aangemerkt. In het geval van het eerste lid, onderdeel b, is het tijdstip van toetsing afhankelijk van degene die de aanvraag heeft ingediend. Indien dit de nabestaande is, dan zijn de omstandigheden ten tijde van het indienen van de aanvraag bepalend. Indien het slachtoffer zelf de aanvraag heeft ingediend (hetgeen voor een deel van de genoemde periode mogelijk kan zijn) en is overleden voordat op de aanvraag is beslist, dan zijn de omstandigheden ten tijde van het overlijden van het slachtoffer bepalend.

Vierde lid

Net als bij artikel 2, onderdeel g, voor het slachtoffer is bepaald, is in het vierde lid voor nabestaanden bepaald dat zij alleen recht op een tegemoetkoming hebben indien zij geen betaling in verband met het bij het slachtoffer geconstateerde mesothelioom ter vergoeding van de geleden immateriële schade hebben ontvangen of wanneer die vergoeding lager is geweest dan het bedrag van de tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 4, eerste lid. Indien dit laatste het geval is, kan op grond van deze regeling het bedrag van de vergoeding worden aangevuld tot aan het bedrag van de tegemoetkoming, zie artikel 4, tweede lid.

Vijfde en zesde lid

Voor zover een slachtoffer overlijdt alvorens op de door hem ingediende aanvraag om tegemoetkoming is beslist, wordt de behandeling van de aanvraag ten behoeve van de nabestaanden voortgezet. Nabestaanden behoeven niet zelf te vragen om afhandeling van de reeds door het slachtoffer ingediende aanvraag of zelf een aanvraag in te dienen. Het staat nabestaanden anderzijds vrij om te beslissen om geen aanspraak op de tegemoetkoming te doen gelden. Indien nabestaanden geen prijs stellen op de tegemoetkoming, dan moeten zij dit schriftelijk aan de SVB kenbaar maken, zie het vijfde lid.

Ook bij de TAS-regeling wordt een ingediende aanvraag om een uitkering of voorschot door een werknemer voortgezet ten behoeve van de nabestaanden. Deze voortgezette behandeling van de aanvraag ten behoeve van de nabestaanden is mogelijk op grond van het Burgerlijk Wetboek.

Ten behoeve van een zo eenvoudig mogelijke uitvoering van de regeling is, voor het geval er meerdere nabestaanden zijn, in het zesde lid bepaald dat de nabestaanden er voor moeten zorgen dat de SVB slechts een wederpartij heeft. Zij moeten dit doen door één van de nabestaanden volmacht tot vertegenwoordiging te verlenen.

Artikel 4 Hoogte tegemoetkoming

Eerste lid

De hoogte van het bedrag van de tegemoetkoming bedraagt op het moment van de inwerkingtreding van deze regeling € 16.655,–. Dit bedrag komt overeen met de hoogte van de bedragen voor de eenmalige uitkering en het voorschot uit de TAS-regeling6 . Indien de ontwikkeling van het minimumloon daartoe aanleiding geeft, wijzigt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) op grond van artikel 12a van de TAS-regeling de hoogte van de eenmalige uitkering en het voorschot. Die wijziging wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. Indien de Minister van SZW op grond van artikel 12a van de TAS-regeling de hoogte van de eenmalige uitkering en het voorschot aanpast, dan zal door een wijziging van de onderhavige regeling de hoogte van de bedragen in de TNS-regeling overeenkomstig die wijzigingen van de bedragen uit de TAS-regeling worden aangepast.

De tegemoetkoming heeft als doel om tegemoet te komen in de immateriële schade. Dit wordt uitgedrukt in het eerste lid. Het stellen of aannemelijk maken van schade en de omvang daarvan is geen voorwaarde voor het bepalen van het recht op en de hoogte van de tegemoetkoming. De tegemoetkoming is niet bedoeld als schadeloosstelling voor specifieke kosten, maar als maatschappelijke erkenning voor het ernstige leed waarin niet op een andere wijze kan worden voorzien.

Tweede en derde lid

Op grond van artikel 2, onder g, en artikel 3, tweede lid, bestaat er alleen een recht op een tegemoetkoming indien er geen betaling ter vergoeding van de immateriële schade in verband met het geconstateerde mesothelioom is ontvangen of wanneer het ontvangen bedrag lager is dan het bedrag van de tegemoetkoming. Indien de aanvrager van de tegemoetkoming ter vergoeding van de immateriële schade reeds een geldbedrag heeft ontvangen, dan wordt de tegemoetkoming verrekend met dat bedrag. Voor de vergelijking van het bedrag van de tegemoetkoming en de ontvangen schadeloosstelling worden op grond van het derde lid netto bedragen tegen elkaar afgezet. Het kan namelijk zo zijn dat het eerder ontvangen bedrag ter vergoeding van immateriële schade aan heffing van belasting en premies was onderworpen.

Artikel 5 Voorwaarden aanvraag

Derde lid

Reeds in het algemene deel van de toelichting is aangegeven dat de overheid met het verstrekken van een tegemoetkoming geen aansprakelijkheid erkent. Degene die onrechtmatig jegens een mesothelioomslachtoffer heeft gehandeld door hem op onrechtmatige wijze aan asbest bloot te stellen, is verantwoordelijk voor de geleden immateriële schade. De tegemoetkoming op grond van onderhavige regeling is geen alternatief voor een civiele procedure, een schikking of een andere wijze van geschillenbeslechting. De tegemoetkoming is tevens geen vervanging voor de schadevergoeding door de aansprakelijke partij en komt daarvoor dus niet in de plaats. De aansprakelijke voor de blootstelling aan asbest behoort de geleden immateriële schade te vergoeden. De overheid kan op grond van deze regeling vooruitlopend op de te betalen schadevergoeding door de aansprakelijke een tegemoetkoming verstrekken die aan de SVB moet worden terugbetaald voor zover de aansprakelijke de immateriële schade vergoedt. De SVB zal, indien na de tegemoetkoming de schadevergoeding wordt ontvangen, de beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming hiertoe herzien. De tegemoetkoming hoeft alleen dan niet te worden terugbetaald indien de SVB, het slachtoffer of diens nabestaanden de geleden immateriële schade niet kunnen verhalen, bijvoorbeeld omdat degene die het slachtoffer onrechtmatig aan het asbest heeft blootgesteld niet is te achterhalen.

Als voorwaarde is in het derde lid opgenomen dat degene die aanspraak op een tegemoetkoming wil maken een onherroepelijke volmacht aan de SVB verleent om de immateriële schade langs gerechtelijke weg te kunnen verhalen. Het moet gaan om een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Een volmacht kan slechts onherroepelijk zijn voor zover zij strekt tot het verrichten van een rechtshandeling in het belang van de gevolmachtigde of van een derde. De onherroepelijke volmacht verhoogt de zekerheid dat die handeling inderdaad zal worden verricht en eindigt niet door de dood of de ondercuratelestelling van de volmachtgever.

De SVB kan op grond van de volmacht namens het mesothelioomslachtoffer de immateriële schade verhalen bij een aansprakelijke partij. Als aansprakelijke wordt aangemerkt diegene die verantwoordelijk is geweest voor de blootstelling van het slachtoffer aan asbest. De verantwoordelijkheid kan bijvoorbeeld worden aangenomen omdat iemand bepaalde asbesthoudende producten op de markt heeft gebracht of omdat iemand asbest in het milieu heeft gebracht. Bij het verlenen van de volmacht hoeft nog niet bekend te zijn wie aansprakelijk gesteld gaat worden voor de geleden immateriële schade. Uitgangspunt is echter dat de SVB, indien er een mogelijke aansprakelijke partij is te vinden, een civiele verhaalsactie start tegen de aansprakelijke partij. In het derde lid is uitdrukkelijk bepaald dat de SVB via een civielrechtelijke actie slechts de immateriële schade zal verhalen tot aan het bedrag van de tegemoetkoming. Als het slachtoffer of diens nabestaanden een hoger bedrag dan het bedrag van de tegemoetkoming wil verhalen, dan zullen zij zelf een civielrechtelijke procedure tegen de aansprakelijke partij moeten starten.

Het kabinet zal trachten om met de potentieel aansprakelijk te stellen partijen waar mogelijk afspraken te maken tot het vergoeden van (een deel van) de door slachtoffers geleden schade zodat daarmee civielrechtelijke procedures kunnen worden voorkomen. Op het moment van inwerkingtreding van de onderhavige regeling zijn er nog geen afspraken tussen de overheid en de mogelijk aansprakelijk te stellen partijen gemaakt. In het kader van die afspraken kan mogelijk een vast bedrag worden overeengekomen dat door de mogelijk aansprakelijk te stellen partijen, als partij bij die afspraken, aan de slachtoffers als vergoeding betaald zal worden. Wanneer een dergelijk vast bedrag is overeengekomen en dit bedrag hoger is dan de tegemoetkoming, dan zal de SVB in een civielrechtelijke procedure tegen een aansprakelijke partij een bedrag trachten te verhalen tot aan de hoogte van dat overeengekomen bedrag. Op die manier worden bedrijven die handelen conform gemaakte afspraken of die coulantie willen betrachten niet benadeeld ten opzichte van bedrijven die het op een civiele procedure willen laten aankomen.

De volmacht die door het slachtoffer aan de SVB moet worden verstrekt, geeft de SVB tevens de bevoegdheid om de schadevergoeding namens de persoon die de volmacht heeft verstrekt te innen.

Om de vordering van schadevergoeding namens het slachtoffer te kunnen instellen ook na diens dood, is in het derde lid bepaald dat de SVB overeenkomstig artikel 106, tweede lid, tweede volzin, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek mededeling aan een aansprakelijke partij of partijen kan doen waarmee de SVB namens het slachtoffer te kennen geeft aanspraak te willen maken op immateriële schadevergoeding.

Vierde lid

In het vierde lid zijn voorwaarden opgenomen die gelden in de situatie dat de SVB niet namens het slachtoffer of diens nabestaanden procedeert. Het slachtoffer of de nabestaanden zouden hiertoe zelf het initiatief kunnen nemen. Met deze voorwaarden wordt zeker gesteld dat de tegemoetkoming aan de SVB wordt terugbetaald wanneer de aansprakelijke partij tot betaling van schadevergoeding wordt veroordeeld. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat de SVB besluit geen gebruik te maken van de volmacht, omdat het slachtoffer of diens nabestaanden (in overleg met de SVB) zelf een rechtsvordering instellen. Ook is het mogelijk dat het slachtoffer of diens nabestaanden in hoger beroep gaan tegen een uitspraak (in eerste aanleg) waarbij de vordering van de SVB is afgewezen. In deze gevallen wordt er zonder rechtstreekse betrokkenheid van de SVB geprocedeerd zodat een eventuele schadevergoeding rechtstreeks aan het slachtoffer wordt uitgekeerd. Om er zeker van te zijn dat de verleende tegemoetkoming in dat geval aan de SVB wordt terugbetaald, is in het vierde lid de verplichting voor de ontvanger van de tegemoetkoming opgenomen om onverwijld de SVB op de hoogte te stellen wanneer hij een schadevergoeding ontvangt.

Vijfde lid

Het tweede tot en met het vierde lid zijn tevens van toepassing op de nabestaanden die een tegemoetkoming aanvragen

Artikel 6 Inlichtingen bij aanvraag

Eerste lid

Een mesothelioomslachtoffer dient bij het indienen van de aanvraag om tegemoetkoming een aantal inlichtingen of bewijsstukken te verstrekken. Het verstrekken van inlichtingen behelst de verplichting om uit eigen beweging bij het indienen van de aanvraag schriftelijk of mondeling informatie te verstrekken aan de hand waarvan kan worden nagegaan of een bepaalde situatie zich voordoet of heeft voorgedaan. De verplichting om bewijsstukken over te leggen houdt in dat met schriftelijke documenten moet worden aangetoond of een bepaalde situatie zich voordoet of heeft voorgedaan. In het geval van onderdeel a kan dit bijvoorbeeld een afschrift van een medisch dossier zijn. In het geval van onderdeel b kan een bewijsstuk bijvoorbeeld een afschrift van een dagvaarding zijn. In het geval van onderdeel c kan het bijvoorbeeld gaan om brieven van de aansprakelijke partij of bankafschriften waaruit de ontvangst van een schadevergoeding is af te leiden.

Op grond van de onderdelen a tot en met c is de aanvrager verplicht om ten aanzien van de daarin omschreven omstandigheden zowel inlichtingen als bewijsstukken aan de SVB te verstrekken.

In het geval van onderdeel d is de aanvrager verplicht om inlichtingen en zo mogelijk bewijsstukken te verstrekken inzake de blootstelling aan asbest en de periode waarin die blootstelling heeft plaatsgevonden. Dat het leveren van bewijsstukken geen absolute eis bij indiening van de aanvraag is, heeft als reden dat het veelal, mede vanwege de lange latentietijd bij mesothelioom, lastig is aan te tonen wanneer de blootstelling aan asbest precies heeft plaatsgevonden. Indien er bewijsstukken inzake de blootstelling aanwezig zijn, dan moeten die natuurlijk wel aan de SVB worden verstrekt. Zoals in het algemene deel van deze toelichting is vermeld, zal geen inhoudelijke beoordeling van de informatie en eventuele bewijsstukken met betrekking tot het moment en de wijze van asbestblootstelling plaatsvinden voordat tot verstrekking van de tegemoetkoming wordt overgegaan.

In het tweede lid is de verplichting opgenomen voor de aanvrager van de tegemoetkoming om alle inlichtingen en bewijsstukken aan de SVB te verstrekken die voor de SVB relevant kunnen zijn ter uitvoering van deze regeling. Deze algemeen geformuleerde informatieplicht is met name bedoeld voor die inlichtingen en bewijsstukken die voor de SVB relevant zijn bij een civiele procedure tegen een aansprakelijke partij. In veel gevallen zal op een later moment dan de verstrekking van de tegemoetkoming om (aanvullende) informatie en stukken op dit punt worden gevraagd.

Indien nabestaanden een aanvraag indienen dan zijn de verplichtingen tot het verstrekken van inlichtingen en bewijsstukken op hen van overeenkomstige toepassing. Wanneer namens de nabestaanden een reeds ingediende aanvraag wordt voortgezet omdat de aanvrager is overleden, dan geldt voor de nabestaanden de verplichting om aan de SVB inlichtingen en bewijsstukken over te leggen over de eventueel ontvangen schadevergoeding in verband met de bij de overledene geconstateerde mesothelioom.

Artikel 8 Herziening/intrekking en terugvordering

In de artikelen 2 en 3 zijn de voorwaarden geformuleerd waaronder een slachtoffer of diens nabestaanden aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming. In die artikelen is tevens aangegeven wanneer er geen recht is op of in welke mate er nog aanspraak kan worden gemaakt op een tegemoetkoming, indien er al een betaling door het slachtoffer is ontvangen in verband met het bij het slachtoffer geconstateerde mesothelioom. Door deze voorwaarden wordt getracht te voorkomen dat in geval van een reeds ontvangen buitenlandse voorziening naast, en bij andersoortige vergoedingen boven op de tegemoetkoming, geld wordt ontvangen vanwege het geconstateerde mesothelioom. Het kan echter voorkomen dat bij de aanvraag niettemin onjuiste gegevens zijn verstrekt. In dergelijke gevallen kan op grond van artikel 8 de beslissing tot het verstrekken van de tegemoetkoming worden herzien en wordt de tegemoetkoming vervolgens teruggevorderd.

In het tweede lid is bepaald dat de SVB vanwege dringende redenen kan afzien van de mogelijkheden tot herziening en intrekking.

Artikel 9 Uitvoering door SVB

Eerste lid

Ten aanzien van de uitvoering van onderhavige regeling is ervoor gekozen om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de TAS-regeling. De regeling wordt dan ook net als de TAS-regeling uitgevoerd door de SVB.

Tweede lid

Zoals aangegeven in de toelichting op artikel 1, onderdeel h, houdt de voorwaarde dat het slachtoffer een aaneengesloten periode van minimaal tien jaar in Nederland woonachtig moet zijn geweest verband met het feit dat deze regeling zich richt op situaties waarin het slachtoffer een duidelijke band heeft met de Nederlandse samenleving. Er kunnen zich mesothelioomslachtoffers melden die enkele lange periodes in Nederland hebben gewoond, maar steeds geen tien jaar aaneengesloten. Dergelijke personen kunnen een totale periode in Nederland hebben gewoond die voldoende substantieel wordt geacht om vanuit de Nederlandse overheid de maatschappelijke verantwoordelijkheid voor een tegemoetkoming te willen nemen. In de zeer uitzonderlijke situaties dat het geven van maatschappelijke erkenning aan het slachtoffer naar het oordeel van de SVB moet prevaleren boven de eis dat een slachtoffer 10 jaar aaneengesloten in Nederland moet hebben gewoond, kan van de eis van de aaneengeslotenheid van de periode worden afgeweken. De totale periode kan uiteraard nooit minder dan tien jaar bedragen. De SVB stelt beleidsregels op over de wijze waarop met deze afwijkingsmogelijkheid zal worden omgegaan.

Artikel 10 Advisering door IAS

Bij de uitvoering van deze regeling zal de SVB samenwerken met het IAS. Het IAS kan op verzoek van de SVB een advies uitbrengen over de ingediende aanvragen.

Artikel 11 Overeenkomst SVB – IAS

Om de samenwerking tussen SVB en IAS goed te laten verlopen, is voor de uitvoering van deze regeling aangesloten bij de overeenkomst die op grond van artikel 15 van de TAS-regeling tussen hen is afgesloten. Daar waar het voor de onderhavige regeling nodig is, is de in het kader van de TAS-regeling afgesloten overeenkomst voor de uitvoering van de TNS-regeling aangepast en aangevuld.

Artikelen 12 tot en met 15 Financiering en verantwoording

Deze regeling wordt gefinancierd uit een rijksbijdrage ten laste van de begroting van de Minister van VROM. De wijze van financieren van de SVB door de Minister van VROM geschiedt op dezelfde wijze als waarop de Minister van SZW de TAS-regeling financiert. Een verschil is dat het Rijk voor de TNS-regeling de geraamde lasten eens per kwartaal in plaats van (op grond van artikel 17, tweede lid, van de TAS-regeling) eens per maand aan de SVB afdraagt. De SVB hoeft de te verwachten lasten, die op grond van artikel 12 voor een komend kwartaal aan de Minister van VROM dienen te worden verstrekt, daarom ook niet per maand uit te splitsen. De reden hiervoor is dat het voor de TNS-regeling naar verwachting om kleinere aantallen aanvragen en daardoor om lagere bedragen gaat.

In artikel 12 is tevens vastgelegd welke informatie de SVB aan de Minister verschaft, met het oog om bij te dragen aan een goede beleidsontwikkeling.

Artikel 16 Wijziging bedrag tegemoetkoming

Op grond van artikel 12a van de TAS-regeling wijzigt de Minister van SZW de hoogte van de eenmalige uitkering en het voorschot indien de ontwikkeling van het minimumloon daartoe aanleiding geeft. Die wijziging wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. Per 1 januari 2008 zal de hoogte van de eenmalige uitkering en het voorschot € 17.050,– bedragen. Zoals reeds in het algemene deel van de toelichting is vermeld, wordt voor de hoogte van de tegemoetkoming op grond van onderhavige regeling aangesloten bij de TAS-regeling. Door middel van artikel 16 zal het bedrag van € 17.050,– per genoemde datum ook gaan gelden voor de hoogte van de tegemoetkoming op grond van de TNS-regeling.

Artikel 17 Wijziging Regeling WWB

In artikel 7 van de Regeling WWB worden de uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade genoemd die niet tot de middelen van de bijstandsgerechtigde worden gerekend bij de beoordeling voor een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand. Een voorschot of een eenmalige uitkering op grond van de TAS-regeling is in artikel 7 van de Regeling WWB opgenomen. Door de onderhavige wijziging van de Regeling WWB wordt gerealiseerd dat een tegemoetkoming op grond van de TNS-regeling eveneens niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de Wet Werk en Bijstand, wordt gerekend.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer