Regeling nucleaire drukapparatuur

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 oktober 2007, nr. DGM2007088466, houdende eisen aan nucleaire drukapparatuur en eisen aan instellingen die toezicht houden op nucleaire drukapparatuur (Regeling nucleaire drukapparatuur)

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op artikel 21 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen en op artikel 19 van dat besluit in samenhang met artikel 120 van het Besluit stralingsbescherming;

Besluit:

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

vergunninghouder: houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet.

Artikel 2

1. Het in artikel 21, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen gestelde verbod geldt mede voor gebruik in een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet, van door de Minister, na overleg met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aangewezen niet speciaal voor nucleair gebruik in een dergelijke inrichting ontworpen drukapparatuur die bij defecten de verspreiding van radioactiviteit kan veroorzaken.

2. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde drukapparatuur zijn de artikelen 3 tot en met 16, met uitzondering van de artikelen, 4, eerste lid, onderdelen a en b, en 9, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

3. Deze regeling is niet van toepassing op drukapparatuur waarop de Regeling vervoerbare drukapparatuur van toepassing is.

Artikel 3

1. De vergunninghouder houdt met betrekking tot nucleaire drukapparatuur die in zijn inrichting wordt of is geïnstalleerd een administratie bij, waarin worden vermeld, onderscheidenlijk opgenomen:

a. naam en adres van de vergunninghouder;

b. naam en adres van de inrichting en de plaats in de inrichting, waar die apparatuur wordt of is geïnstalleerd;

c. de relevante documentatie met betrekking tot die apparatuur;

d. de met betrekking tot die apparatuur van toepassing zijnde ontwerpcode en inspectiecode;

e. een overzicht van de keuringen die overeenkomstig de van toepassing zijnde ontwerp- of inspectiecode aan de apparatuur of onderdelen daarvan zijn verricht, en van de resultaten van dat onderzoek;

f. de ingevolge deze regeling verkregen verklaringen en andere documentatie met betrekking tot de ingevolge deze regeling te verrichten en verrichte keuringen;

g. een overzicht van het onderhoud dat aan de apparatuur is verricht.

2. Afwijkingen van de ontwerp- of inspectiecode, alsmede het in de inspectiecode voorgeschreven keuringsprogramma dat door de vergunninghouder wordt opgesteld, behoeven, na beoordeling door de keuringsinstelling, de instemming van de Minister.

3. De vergunninghouder stelt de in de administratie opgenomen gegevens en stukken gedurende iedere keuring van de nucleaire drukapparatuur ter beschikking van degene die de keuring verricht.

Hoofdstuk 2

Keuring van nucleaire drukapparatuur

Artikel 4

1. De vergunninghouder laat voor de ingebruikneming van nucleaire drukapparatuur in de inrichting verrichten:

a. een beoordeling van het ontwerp van de nucleaire drukapparatuur;

b. een keuring van de fabricage van de nucleaire drukapparatuur;

c. een keuring voor de ingebruikneming van de nucleaire drukapparatuur.

2. De vergunninghouder laat nucleaire drukapparatuur gedurende het gebruik keuren overeenkomstig het in artikel 3, tweede lid, bedoelde keuringsprogramma waarmee de Minister heeft ingestemd.

Artikel 5

1. De vergunninghouder vermeldt in de aanvraag om een beoordeling of keuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid:

a. zijn naam en adres;

b. de aard van de te beoordelen of te keuren nucleaire drukapparatuur;

c. de plaats waar de beoordeling of de keuring dient plaats te vinden;

d. naam en adres van de inrichting en de plaats in de inrichting, waar de nucleaire drukapparatuur zal worden geïnstalleerd;

e. de van toepassing zijnde ontwerpcode, onderscheidenlijk inspectiecode.

2. De vergunninghouder vermeldt in de aanvraag om een keuring als bedoeld in artikel 4, tweede lid, de gegevens, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6

De beoordelingen en keuringen worden verricht overeenkomstig de door de Minister aangewezen onderdelen van de ontwerpcode of inspectiecode voor de betrokken nucleaire drukapparatuur.

Artikel 7

De kosten van beoordelingen als bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, en 4, eerste lid, onder a, en van de keuringen komen voor rekening van de gebruiker van de nucleaire drukapparatuur.

Artikel 8

De keuringsinstelling maakt van elke beoordeling en keuring een rapport op, waarin zij de wijze waarop de nucleaire drukapparatuur is beoordeeld, onderscheidenlijk gekeurd, en de resultaten van de beoordeling of de keuring vermeldt. Zij zendt het rapport aan de vergunninghouder en aan de Kernfysische Dienst van het Inspectoraat-Generaal VROM.

Artikel 9

1. De keuringsinstelling geeft een verklaring van goedkeuring van het ontwerp af, indien bij een beoordeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, is gebleken dat het ontwerp van de nucleaire drukapparatuur voldoet aan de in de betrokken ontwerpcode gestelde eisen.

2. De keuringsinstelling geeft een verklaring van goedkeuring van fabricage af, indien bij de keuring, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, is gebleken dat de nucleaire drukapparatuur voldoet aan de in de betrokken ontwerpcode gestelde eisen.

3. De keuringsinstelling geeft een verklaring van ingebruikneming af, indien bij een keuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, is gebleken dat de nucleaire drukapparatuur voldoet aan de in de betrokken ontwerpcode gestelde eisen.

4. De keuringsinstelling geeft een verklaring van herkeuring af, indien bij een keuring als bedoeld in artikel 4, tweede lid, is gebleken dat de nucleaire drukapparatuur voldoet aan de in de betrokken inspectiecode gestelde eisen.

Artikel 10

De beoordelingen en keuringen worden verricht door of onder toezicht van de in de artikelen 14 tot en met 16 bedoelde medewerkers van de keuringsinstelling.

Hoofdstuk 3

Keuringsinstellingen

Artikel 11

1. Voor een aanwijzing als keuringsinstelling van het ontwerp, de fabricage en de ingebruikneming van nucleaire drukapparatuur komen in aanmerking instellingen die ten minste voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het Richtlijn Specifieke Accreditatie Schema voor het Warenwetbesluit drukapparatuur (versie 01 Stcrt. 2001, nr. 15), en aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 13, eerste lid.

2. Voor een aanwijzing als keuringsinstelling in de gebruiksfase van nucleaire drukapparatuur komen in aanmerking instellingen die ten minste voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het Wet Specifieke Accreditatie Schema voor het Warenwetbesluit drukapparatuur (versie 02 Stcrt. 2006, nr. 132), en aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 13, tweede lid.

3. Voor een aanwijzing als keuringsinstelling komen tevens in aanmerking instellingen in een andere lidstaat van de Europese Unie, een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt dan wel een andere staat waarmee de Europese Unie een wederzijdse erkenningsovereenkomst met betrekking tot de keuring van nucleaire drukapparatuur heeft afgesloten, die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale voorwaarden, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, wordt nagestreefd.

Artikel 12

1. De aanwijzing van een keuringinstelling geldt voor ten hoogste twee jaar.

2. Aan een aanwijzing als keuringsinstelling kunnen voorschriften worden verbonden.

3. Een aanwijzing als keuringsinstelling wordt ingetrokken indien de instelling niet meer voldoet aan de in artikel 11, eerste, onderscheidenlijk tweede of derde lid, bedoelde voorwaarden. Zij kan worden ingetrokken indien de keuringsinstelling de keuringen niet op een juiste wijze verricht of indien de keuringsinstelling de krachtens het tweede lid aan de aanwijzing verbonden voorschriften niet naleeft.

Artikel 13

1. Een keuringsinstelling, die wordt belast met de beoordeling van het ontwerp, de keuring van de fabricage en de keuring voor de ingebruikneming van nucleaire drukapparatuur, heeft ten minste een beoordelaar, een seniorbeoordelaar, een specialist materiaalkunde, een specialist niet-destructief onderzoek, een inspecteur en een senior-inspecteur in dienst, die voldoen aan de in het in artikel 11, eerste lid, bedoelde schema gestelde eisen en aan de in de artikelen 14, eerste lid, onderscheidenlijk 14, tweede lid, 15, eerste lid, 15, tweede lid, en 16 gestelde eisen.

2. Onverminderd het eerste lid, heeft een keuringsinstelling, die wordt belast met de keuring in de gebruiksfase van nucleaire drukapparatuur, ten minste een specialist niet-destructief onderzoek, een inspecteur en een senior-inspecteur in dienst, die voldoen aan de in het in artikel 11, tweede lid, bedoelde schema gestelde eisen en aan de in artikel 15, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 16 gestelde eisen.

Artikel 14

1. Een beoordelaar als bedoeld in artikel 13, eerste lid, voldoet aan de volgende eisen:

a. aantoonbare opleiding met betrekking tot de toe te passen nucleaire ontwerpcode,

b. ten minste één jaar ervaring in relevante nucleaire functies en

c. ten minste stralingsdeskundigheid op niveau 5 of een gelijkwaardig niveau.

2. Een seniorbeoordelaar als bedoeld in artikel 13, eerste lid, voldoet aan de volgende eisen:

a. aantoonbare opleiding met betrekking tot de toe te passen nucleaire ontwerpcode,

b. ten minste twee jaar ervaring als beoordelaar met betrekking tot de toe te passen nucleaire ontwerpcode en

c. ten minste stralingsdeskundigheid op niveau 5 of een gelijkwaardig niveau.

Artikel 15

1. Een specialist materiaalkunde als bedoeld in artikel 13, eerste lid, heeft aantoonbare kennis van en ten minste een jaar ervaring met de relevante delen van de toe te passen ontwerpcodes en nucleaire vormen van materiaaldegradatie.

2. Een specialist niet-destructief onderzoek als bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid, heeft aantoonbare kennis van en ten minste een jaar ervaring met de relevante delen van de toe te passen ontwerpcodes en bijzonderheden van niet-destructief onderzoek van nucleaire drukapparatuur.

Artikel 16

1. Een inspecteur als bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid, voldoet aan de volgende eisen:

a. ten minste één jaar ervaring in relevante functies op nucleair gebied,

b. aantoonbare kennis van de relevante delen van de toe te passen nucleaire ontwerpcode en

c. ten minste stralingsdeskundigheid op niveau 5 of een gelijkwaardig niveau.

2. Een senior-inspecteur als bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid, voldoet aan de volgende eisen:

a. in staat zijn om de geldigheid en kwaliteit te beoordelen van het niet-destructief onderzoek en andere kwaliteitseisen in het kader van de toe te passen nucleaire ontwerpcode,

b. ten minste stralingsdeskundigheid op niveau 5 of een gelijkwaardig niveau,

c. ten minste twee jaar ervaring in kwaliteitszorg en inspectie in het kader van de toe te passen nucleaire ontwerpcodes en

d. aantoonbare ervaring met de certificatie van leveranciers voor nucleaire drukapparatuur.

Hoofdstuk 4

Slotbepalingen

Artikel 17

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit van 17 oktober 2007 tot wijziging van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen en het Warenwetbesluit drukapparatuur (nucleaire drukapparatuur) (Stb. nr. 428 ) in werking treedt.

Artikel 18

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nucleaire drukapparatuur.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 11 oktober 2007.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J.M. Cramer.

Toelichting

Algemeen

1. Inleiding

De basis voor deze regeling vormt het nieuwe artikel 21 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen (Bkse), dat tegelijk met deze regeling in werking zal treden.

In artikel 21, eerste lid, van het Bkse is een verbod opgenomen op het gebruik van nucleaire drukapparatuur die niet is goedgekeurd aan de hand van door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) vastgestelde voorschriften. Die voorschriften zijn in deze regeling opgenomen. Voor een groot deel verwijzen die voorschriften weer naar keuringsvoorschriften die staan in internationaal geaccepteerde technische documenten.

Krachtens het tweede lid van artikel 21 kan ook de eis van keuring in de fase van ingebruikneming en de gebruiksfase worden gesteld voor drukapparatuur die niet speciaal voor gebruik in nucleaire installaties is ontworpen, maar die wel een rol vervult met het oog op de nucleaire veiligheid van de installatie.

Volgens het vierde lid van artikel 21 van het Bkse worden de keuringen van nucleaire drukapparatuur verricht door instellingen die bij beschikking door de Minister van VROM zijn aangewezen. De Minister van VROM stelt regels waaraan instellingen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor aanwijzing als keuringsinstelling. Verder stelt de Minister regels met betrekking tot de wijze waarop de keuringen worden verricht.

De regels die de Minister van VROM op grond van artikel 21, vierde lid, van het Bkse kan stellen, zijn eveneens in deze regeling opgenomen.

De inhoud van deze regeling berust op het uitgangspunt dat integriteit en betrouwbare werking van nucleaire drukapparatuur een voorwaarde is voor een veilig gebruik van kernenergie. Die apparatuur moet daarom zodanig worden ontworpen, gebouwd, geïnstalleerd, bedreven en onderhouden, dat recht wordt gedaan aan het veiligheidsbelang ervan. De vergunninghouder moet tegenover de toezichthouder en de keuringsinstelling aantonen dat de apparatuur in alle stadia voldoet aan de geldende veiligheidseisen zoals wettelijke bepalingen, de Nucleaire Veiligheidsregels (NVR’s), vergunningvoorschriften, de ontwerp- en constructiecode en specifieke ontwerpeisen. De toezichthouder en de keuringsinstellingen onderzoeken deze verplichting van de vergunninghouder door middel van keuringen en inspecties vanaf het conceptuele ontwerp tot de definitieve buitengebruikstelling van de installatie of de vervanging van de apparatuur.

Als keuringsinstelling kunnen worden aangewezen onafhankelijke instellingen die voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in deze regeling. De aangewezen instellingen werken in opdracht van de vergunninghouder(s). De beoordelaars, inspecteurs en specialisten die de keuringen daadwerkelijk verrichten, moeten voldoen aan de eisen om conventionele drukapparatuur te mogen keuren, en bovendien aan de in deze regeling vastgelegde extra eisen.

Keuring van en toezicht met betrekking tot drukapparatuur, zowel conventionele als nucleaire, was geregeld in de Stoomwet en het Stoombesluit, waarvoor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) verantwoordelijk was. De Minister van SZW had de uitvoering van het toezicht op de drukapparatuur opgedragen aan de Dienst voor het Stoomwezen. Deze dienst is inmiddels geprivatiseerd en heet nu Lloyds Register Nederland B.V. (Lloyds). Door Lloyds werden keuringen van (nucleaire) drukapparatuur verricht en vergunningen afgegeven voor het gebruik van (nucleaire) drukapparatuur.

De wijziging van het Bkse, die tegelijk met de onderhavige regeling in werking treedt, maakt het mogelijk, anders dan onder het regime van de Stoomwet, meerdere instellingen aan te wijzen die zijn belast met de keuring van nucleaire drukapparatuur.

Door de keuringsinstellingen worden volgens deze regeling niet langer vergunningen voor het gebruik van nucleaire drukapparatuur verleend, maar worden verklaringen afgegeven, dat de apparatuur voldoet aan de eisen, vermeld in deze regeling.

Artikel 21 van het Bkse en deze regeling zijn van toepassing op nucleaire en andere aangewezen drukapparatuur (waar het gaat om de fase van ingebruikneming en de gebruiksfase) tot de definitieve afgeschakelde buitengebruikstelling daarvan. In de fases van veilige insluiting en ontmanteling van kernreactoren, nadat deze kernreactoren definitief buiten gebruik zijn gesteld, zijn artikel 21 van het Bkse en deze regeling niet meer van toepassing. Het toezicht dient dan te worden gegoten in een bij de dan bestaande situatie passende vorm. Te denken valt aan het opnemen van bepalingen met betrekking tot toezicht in de voorschriften, verbonden aan de vergunning voor de insluiting of ontmanteling. Speciale eisen voortkomend uit de bijzondere zorg voor de nucleaire veiligheid zijn dan niet meer nodig. Na de definitieve afgeschakelde buitengebruikstelling bevat de onderhavige apparatuur geen onderdelen meer die onder druk staan. Omdat de apparatuur in deze fase blijvend drukloos is, is niet langer sprake van drukapparatuur, noch in de zin van het Bkse, noch in de zin van het Warenwetbesluit drukapparatuur.

2. Notificatie

De ontwerpregeling is op 26 februari 2007 ter voldoening aan artikel 33 van het Euratom-verdrag en aan richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217), voorgelegd aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen [notificatienummer SG/CdC(2007) A/1870].

Het ontwerp heeft de Commissie geen aanleiding gegeven tot het maken van opmerkingen.

3. Administratieve lasten voor het bedrijfsleven

Deze regeling brengt geen nieuwe administratieve lasten voor het bedrijfsleven met zich. Het in de regeling neergelegde regime sluit naadloos aan bij het tot nu toe bestaande regime van de stoomwetgeving. Zowel op grond van de stoomwetgeving als op grond van deze regeling moeten keuringen worden aangevraagd bij een keuringsinstelling. Het verschil is dat onder het regime van de stoomwetgeving een vergunning werd verleend, terwijl op grond van deze regeling een verklaring wordt afgegeven door de keuringsinstelling. Voor de administratieve lasten als gevolg van het invullen van de aanvraag van een keuring maakt dit echter geen verschil.

Artikelsgewijs

Artikel 2

Het eerste lid van deze bepaling breidt het gebruiksverbod van artikel 21, eerste lid, Bkse uit tot daartoe aangewezen drukapparatuur die niet speciaal voor gebruik in kerninstallaties is ontworpen, maar die wel van belang is voor de nucleaire veiligheid van de installatie. In bestaande kerninstallaties wordt in enkele gevallen conventionele drukapparatuur toegepast voor het vervullen van nucleaire veiligheidsfuncties. De apparatuur is daarvoor onder het toezicht gebracht van de nucleaire keuringsinstantie. Een voorbeeld daarvan is een niet voor nucleair gebruik ontworpen hal rond een onderzoeksreactor die niettemin een nucleaire veiligheidsfunctie vervult (ter voorkoming of beperking van de verspreiding van radioactiviteit bij ongevallen) en daartoe onder (geringe) druk wordt gehouden. De toepasselijkheid van artikel 21, eerste lid, Bkse houdt in dat het verboden is dergelijke aangewezen conventionele drukapparatuur te gebruiken indien die niet is goedgekeurd aan de hand van door de Minister van VROM vastgestelde voorschriften. De aanwijzing van conventionele drukapparatuur op grond van artikel 2 geschiedt door de Minister van VROM, na overleg met de Minister van SZW. Deze aanwijzing vindt plaats bij beschikking, die in daarvoor in aanmerking komende gevallen om praktische redenen gecombineerd kan worden met de beslissing op een vergunningaanvraag op basis van de Kernenergiewet. Aangewezen conventionele drukapparatuur zal worden gekeurd, voor wat betreft de keuring voor ingebruikneming en de keuringen in de gebruiksfase, door instellingen die op grond van deze regeling zijn aangewezen als nucleaire keuringsinstantie. Die apparatuur wordt hiermee blijvend onder een strenger toezicht gebracht in vergelijking met het gebruiksregime op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur.

In het tweede lid is bepaald dat ten aanzien van aangewezen conventionele drukapparatuur deze regeling alleen van toepassing is op de fase van ingebruikneming en het gebruik. De voorschriften voor de fase van ontwerp en nieuwbouw voorzover dit de fabricage van deze conventionele drukapparatuur betreft, vloeien voort uit het Warenwetbesluit drukapparatuur. In het Warenwetbesluit drukapparatuur zijn de bepalingen geïmplementeerd van richtlijn nr. 97/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende drukapparatuur (PbEG L 181). Bij deze richtlijn zijn de eisen voor de nieuwbouwfase van drukapparatuur geharmoniseerd. Het tweede lid brengt met zich mee dat op aangewezen conventionele drukapparatuur de artikelen 3 tot en met 16 van overeenkomstige toepassing zijn, met uitzondering van de artikelen 4, eerste lid, onder a en b, en 9, eerste en tweede lid. De uitgezonderde bepalingen betreffen de beoordeling van het ontwerp en de keuring van de fabricage, welke onderwerpen worden geregeld door het Warenwetbesluit drukapparatuur. Uit artikel 3, eerste lid, onder c, van deze regeling volgt dat het dossier dat op die beoordeling en keuring betrekking heeft, in de administratie van de in de inrichting aanwezige drukapparatuur wordt opgenomen.

In het derde lid is bepaald dat de regeling niet van toepassing is op drukapparatuur die valt onder de werkingssfeer van de Regeling vervoerbare drukapparatuur. In deze regeling zijn regels gegeven over zowel de fase van het ontwerp en de fabricage als het gebruik van transportabele drukapparatuur. Het betreft de implementatie van richtlijn nr. 1999/36/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1999 betreffende vervoerbare drukapparatuur (PbEG L 138).

Artikel 3

Alle gegevens die betrekking hebben op de nucleaire drukapparatuur die in een inrichting zal worden of is geplaatst, moeten worden bijeengebracht. De vergunninghouder kan de vorm waarin dat gebeurt bepalen. Ook digitale gegevensopslag is mogelijk. Wel moet dan bij een eventuele vervanging of modernisering van de programmatuur de toegankelijkheid van eerder opgeslagen gegevens behouden blijven. De vergunninghouder moet ervoor zorgen dat de gegevens die op de apparatuur betrekking hebben, tijdens de keuringen ter beschikking staan van degenen die die keuringen verrichten. Dat wil zeggen dat zij de betrokken gegevens en stukken desgevraagd moeten kunnen inzien, voor zover zij daaraan bij de keuring behoefte hebben.

Om te zorgen dat de administratie met betrekking tot de apparatuur goed wordt bijgehouden, doet de vergunninghouder er verstandig aan een vaste werknemer daarmee te belasten.

De in onderdeel c bedoelde documentatie moet in elk geval de specificaties van de betrokken apparatuur bevatten en de andere documentatie die van belang is met het oog op de verschillende keuringen.

De vergunninghouder geeft in de keuringsaanvraag aan welke ontwerp- c.q. inspectiecode volgens zijn vergunning moet worden gehanteerd bij de keuringen. In sommige gevallen kan het zijn dat de betrokken code niet goed aansluit bij de te keuren apparatuur. In die gevallen kunnen afwijkingen van de code worden toegestaan. Die behoeven dan wel de instemming van de Minister.

Het keuringsprogramma – ook aangeduid als in-service inspectieprogramma – dat in de inspectiecodes is voorgeschreven, kan door de vergunninghouder binnen de beschreven beperkingen voortdurend worden aangepast aan de bedrijfsomstandigheden. Het keuringsprogramma alsmede eventuele afwijkingen daarvan behoeven de instemming van de Minister. In de praktijk zal die instemming op basis van een mandaatregeling worden gegeven door de Kernfysische Dienst van het Inspectoraat-Generaal VROM (KFD).

Artikel 4

Voordat nucleaire drukapparatuur in gebruik wordt genomen, dienen het ontwerp, de fabricage en de samenbouw van de apparatuur te worden gekeurd.

De in het eerste lid, onder b, bedoelde keuring bestaat uit een doorlopend toezicht gedurende het fabricageproces en een inspectie van het gerede product.

Tijdens het gebruik moet de nucleaire drukapparatuur ook regelmatig worden gekeurd, volgens een programma van niet-destructief onderzoek.

Deze regeling is van toepassing tot de definitieve buitengebruikstelling van de inrichting waar de nucleaire drukapparatuur wordt gebruikt. Dat betekent dat deze regeling niet van toepassing is in de fase van veilige insluiting van kernreactoren, nadat deze kernreactoren definitief buiten gebruik zijn gesteld (zie ook paragraaf 1). Ook indien een kernreactor wordt ontmanteld, is deze regeling niet meer van toepassing.

Artikel 5

In dit artikel zijn de gegevens opgenomen die bij een aanvraag om een keuring moeten worden verstrekt. Deze gegevens moeten ook in het dossier zijn opgenomen. Bij de aanvraag moeten ze worden verstrekt om de keuringsinstelling te laten weten wat, waar en voor wie moet worden gekeurd. Het dossier moet voor degene die de keuring verricht, gedurende die keuring beschikbaar worden gehouden. Daardoor behoeven de meest omvangrijke gegevens niet bij de aanvraag te worden overgelegd.

Artikel 6

De keuringen worden verricht overeenkomstig de door de Minister aangewezen onderdelen van de ontwerpcode of inspectiecode voor de betrokken nucleaire drukapparatuur op basis van de van toepassing zijnde veiligheidsklassering.

De veiligheidseisen waaraan nucleaire drukapparatuur moet voldoen, zijn neergelegd in NVR’s. Aangezien de NVR’s bijna volledig doelstellend van aard zijn, moeten andere bronnen voorzien in kwantitatieve eisen aan het ontwerp en de keuring van nucleaire drukapparatuur. Voor de veiligheidseisen die zijn neergelegd in de NVR’s bestaan nadere uitwerkingen, die zijn vastgelegd in internationaal erkende ontwerpcodes. Vanwege de geringe omvang van de Nederlandse nucleaire industrie is hier te lande geen nationale ontwerpcode voor nucleaire drukapparatuur tot stand gekomen.

Algemeen geaccepteerde praktijk is gebruikmaking van één van de gevestigde codes uit enkele grote nucleaire staten. Langs deze lijn wordt vrijwel steeds gebruik gemaakt van de betreffende ontwerpcode en technische normen, die de leverancier van de kerninstallatie in eigen land zou hebben gebruikt. Het betreft hier de volgende ontwerp-, constructie- en inspectiecodes:

– American Society of Mechanical Engineers (ASME), Boiler and Pressure Vessel Code Sections III en XI;

– Kerntechnischer Ausschuss (KTA) bijvoorbeeld KTA 3201: Components of Reactor Coolant Pressure Boundary of Light Water Reactors;

– Règles de Conception et de Construction des Materiels des îlots nucleaires (RCC-M).

Ook andere codes kunnen voor toepassing in aanmerking komen. Afwijking van de codes in verband met specifieke kenmerken van een installatie of de apparatuur is mogelijk, maar behoeft de instemming van de Minister.

In de ontwerpcode is onder meer bepaald welke keuringen van nucleaire drukapparatuur moeten plaatsvinden en op welke tijdstippen deze keuringen moeten geschieden.

Bij de aanvraag om een vergunning voor het oprichten, in werking brengen of in werking houden van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt of splijtstoffen kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, moet ingevolge de artikelen 6, eerste lid, onder b en h, en 7 van het Bkse onder meer een beschrijving van de inrichting met inbegrip van de daarin te bezigen installaties, alsmede van de werking van die inrichting en installaties, en een veiligheidsrapport worden overgelegd. Bij de aanvraag om een vergunning tot wijziging van een inrichting wordt ingevolge artikel 11, eerste lid, onder b en c, van het Bkse een beschrijving van de voorgenomen wijziging en een aanvulling van het veiligheidsrapport overgelegd. In beide gevallen behoort bij die gegevens ook de nucleaire ontwerpcode.

De vergunninghouder dient een voorstel in voor de keuze van de nucleaire ontwerpcode die wordt toegepast bij de bouw van een kerninstallatie. Ook voor de keuringen tijdens het gebruik doet de vergunninghouder voorstellen voor de te gebruiken inspectiecode.

De Minister beslist op de aanvraag om vergunning voor het oprichten en voor het in werking brengen of houden van een inrichting. Daarbij beslist hij tevens over de acceptatie van de nucleaire ontwerpcode. Bij de oprichtingsvergunning is het conceptueel ontwerp van de reactor bekend, bij de vergunning voor het in werking brengen zijn meer details bekend. In aanvulling op de nucleaire ontwerpcode geeft de vergunninghouder bijbehorende normen aan met betrekking tot de in de inrichting te plaatsen of aanwezige nucleaire drukapparatuur.

Bij zijn beslissing geeft de Minister aan volgens welke onderdelen van de code moet worden gekeurd. In een code worden namelijk verschillende veiligheidsclassificaties aangegeven, die bepalend zijn voor de omvang van een keuring. Door de aanwijzing van een onderdeel van de code geeft de Minister aan welke veiligheidsclassificatie voor die bepaalde keuring van toepassing is en welke omvang de keuring dus moet hebben.

Artikel 8

De keuringsinstelling stelt een rapport op van elke keuring en zendt dit aan de vergunninghouder en de KFD. Deze verplichting heeft, voor wat betreft de toezending aan de KFD, alleen betrekking op het eindrapport van de keuring. Zij betreft niet eventuele tussenrapportages en andere stukkenwisseling of communicatie tussen de keuringsinstelling en de vergunninghouder.

Artikelen 11 en 12

Artikel 11, eerste en tweede lid, bevat eisen waaraan voldaan moet zijn om in aanmerking te komen voor aanwijzing als keuringsinstelling. Verwezen wordt naar de voorwaarden die zijn vermeld in de bijlage bij het Richtlijn Specifieke Accreditatie Schema voor het Warenwetbesluit drukapparatuur (RISA-schema) en naar de voorwaarden die zijn vermeld in het Wet Specifieke Accreditatie Schema voor het Warenwetbesluit drukapparatuur (WESA-schema). Zowel het RISA-schema als het WESA-schema zijn uitgaven van het Ministerie van SZW voor conventionele drukapparatuur. Het RISA-schema (versie 01) is aangekondigd in Stcrt. 2001, 15, het WESA-schema (versie 02) in Stcrt. 2006, 132. Deze statische verwijzingen brengen met zich mee dat wanneer de van oorsprong private RISA- en WESA-certificatieschema’s later worden gewijzigd door private partijen, dit niet zonder meer een publiekrechtelijk rechtsgevolg met zich meebrengt. Hiervoor is nodig dat ook de verwijzing naar deze schema’s in de Regeling nucleaire drukapparatuur wordt gewijzigd. Eenzelfde benadering is gekozen in de Warenwetregeling drukapparatuur (Stcrt. 2005, 97). Dat genoemde schema’s van toepassing zijn, wil zeggen dat de instelling in elk geval moet voldoen aan de eisen die worden gesteld om in aanmerking te komen voor aanwijzing door de Minister van SZW als keuringsinstelling voor conventionele drukapparatuur. Om ook als keuringsinstelling voor nucleaire drukapparatuur te kunnen worden aangewezen, dient daarnaast te worden voldaan aan de eisen die in de artikelen 13 tot en met 16 worden gesteld.

Een keuringsinstelling voor conventionele drukapparatuur kan dus voor aanwijzing krachtens deze regeling in aanmerking komen door tevens te voldoen aan de eisen die voor een keuringsinstelling voor nucleaire drukapparatuur gelden.

Een aanwijzing als keuringsinstelling geldt alleen voor de soort keuring die in die aanwijzing is vermeld. Het kan dus bijvoorbeeld voorkomen dat een instelling alleen voor de ontwerpbeoordeling en ingebruiknamekeuring of alleen voor de gebruikskeuring is aangewezen. Bij haar aanvraag om aanwijzing moet de instelling dus vermelden voor welke keuringssoort zij wil worden aangewezen.

De aanwijzing van keuringsinstellingen voor nucleaire drukapparatuur vindt plaats bij beschikking van de Minister van VROM. Aan een dergelijke aanwijzingsbeschikking kunnen voorschriften worden verbonden (artikel 12, tweede lid). Het gaat hierbij om voorschriften die een adequaat toezicht door de KFD mogelijk moeten maken. Te denken valt aan onder meer rapportageverplichtingen van de keuringsinstelling aan de KFD, de verplichting wijzigingen in de organisatie aan de Minister van VROM te melden en de verplichting de administratie van de keuringswerkzaamheden desgevraagd per omgaande aan de KFD beschikbaar te stellen. Het gaat hierbij om voorschriften die anders van inhoud zijn (en verder gaan dan) de reeds in artikel 8 opgenomen verplichting om elk rapport in afschrift aan de KFD te zenden. Een keuringsinstelling wordt aangewezen voor ten hoogste twee jaar (artikel 12, eerste lid). Een nieuwe aanwijzing is mogelijk nadat is vastgesteld dat de instelling nog steeds voldoet aan de daarvoor geldende eisen.

Tegen een aanwijzingsbesluit (of een besluit houdende afwijzing van een verzoek tot aanwijzing) kan bezwaar en beroep worden ingesteld.

Ook buitenlandse instellingen kunnen door de Minister van VROM als keuringsinstelling worden aangewezen (artikel 11, derde lid). Zij moeten dan wel voldoen aan soortgelijke eisen als de in Nederland gevestigde instellingen. In andere landen erkende instellingen, die niet aan deze eisen voldoen, komen voor aanwijzing dus niet in aanmerking. Of sprake is van gelijkwaardige eisen en of een buitenlandse instelling aan deze eisen voldoet, wordt beoordeeld door de Minister van VROM.

Het toezicht op de keuringsinstellingen wordt uitgeoefend door de KFD. Dat toezicht houdt in dat wordt vastgesteld of de instelling nog steeds aan de eisen voldoet om voor aanwijzing in aanmerking te komen. Bovendien zal de KFD erop toezien of de keuringen volgens de regels gebeuren en of de instelling eventuele aan de aanwijzing verbonden voorschriften naleeft.

Blijft een keuringsinstelling op een van deze punten in gebreke, dan kan de aanwijzing door de Minister worden ingetrokken. Indien een keuringsinstelling niet meer voldoet aan de aanwijzingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 11, dient de aanwijzing te worden ingetrokken. Bij onvoldoende kwaliteit van de keuringen zelf is de Minister bevoegd de aanwijzing in te trekken. Hetzelfde geldt als de instelling zich niet houdt aan de voorschriften die aan de aanwijzing zijn verbonden.

Artikelen 13–16

Naast de basis-eisen waaraan ingevolge artikel 11 moet worden voldaan, wordt in deze artikelen het deskundigheidsniveau op verschillende gebieden aangegeven, waaraan een instelling moet voldoen om voor aanwijzing als keuringsinstelling voor nucleaire drukapparatuur in aanmerking te komen. Het is niet voldoende om deskundigen van het aangegeven niveau in dienst te hebben. Door of onder toezicht van die deskundigen moeten uiteraard ook de met hun deskundigheid overeenkomende onderdelen van de keuringen worden verricht. Overigens wordt aan de eisen inzake het in dienst hebben van bijvoorbeeld een beoordelaar en een seniorbeoordelaar ook voldaan als de keuringsinstelling twee seniorbeoordelaars in dienst heeft.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer

Naar boven