Wijziging Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 oktober 2007, nr. WJZ/2007/36442(8221), tot wijziging van de Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen in verband met de invoering van een gedifferentieerd systeem van subsidieverstrekking ten behoeve van cultuuruitingen

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid en op de artikelen 7, eerste lid, 14, vierde lid, 35, tweede lid, en 48 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen;

Besluit:

Artikel I

De Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In het opschrift van hoofdstuk 1 wordt ‘Hoofdstuk 1’ vervangen door: Hoofdstuk I.

B

Hoofdstuk II komt te luiden:

Hoofdstuk II

Jaarlijkse instellingssubsidie, vierjaarlijkse instellingssubsidie, subsidie aan aangewezen instellingen dan wel subsidie aan fondsen

§ 1

Subsidiegrondslag

Artikel 3

Aan een instelling kan tezelfdertijd zowel een jaarlijkse als een vierjaarlijkse instellingssubsidie worden verleend.

§ 2

Subsidievoorschotten

Artikel 4

De Minister betaalt per kwartaal als voorschot een evenredig deel van de subsidie die aan een instelling is verleend.

Artikel 5

Indien de Minister voorschotten toekent voordat hij een beschikking tot een subsidieverlening heeft genomen, worden de voorschotten zo mogelijk gebaseerd op het bedrag dat in het voorgaande jaar als subsidie is verleend.

§ 3

Subsidievaststelling

Artikel 6

Het bestuursverslag, de jaarrekening, het financieel verslag en het activiteitenverslag, bedoeld in de artikelen 24 en 33 tot en met 36 van het Besluit, van instellingen met een vierjaarlijkse instellingssubsidie, van aangewezen instellingen en van fondsen voldoen aan de eisen genoemd in:

a. de bijlage IA bij deze regeling voor zover het betreft instellingen met een vierjaarlijkse instellingssubsidie en aangewezen instellingen, niet zijnde musea als bedoeld onder c,

b. de bijlage IB bij deze regeling voor zover het betreft de fondsen; en

c. de bijlage IC bij deze regeling zover het betreft de musea genoemd in punt 5 van die bijlage.

Artikel 7

1. Op de jaarrekening, bedoeld in de artikelen 24, 33 en 35 van het Besluit, zijn niet van toepassing de afdelingen 1, 7, 11, 12, 14 en 15 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Indien de subsidie minder dan € 50.000 per jaar bedraagt, kan in plaats van een jaarrekening een financieel verslag worden ingediend.

Artikel 8

De rapportage over de naleving van de subsidiebepalingen, bedoeld in artikel 37 van het Besluit, geschiedt overeenkomstig het als bijlage II A bij deze regeling gevoegde controleprotocol en met gebruikmaking van de in bijlage III A bij deze regeling opgenomen model-accountantsverklaring.

C

Na hoofdstuk II wordt een nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk IIA

Nadere subsidievoorschriften voor vierjaarlijkse instellingssubsidies cultuuruitingen 2009 tot en met 2012

§ 1

Algemene bepalingen

Artikel 9

1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. instelling: instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van het Besluit, niet zijnde een aangewezen instelling of een fonds;

b. regio:

1°. noorden: provincies Groningen, Friesland en Drenthe,

2°. oosten: provincies Overijssel en Gelderland,

3°. midden: provincies Flevoland en Utrecht, of

4°. zuiden: provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg;

c. gemeente: gemeente Amsterdam, gemeente Den Haag of gemeente Rotterdam;

d. podium: voorziening in een gebouw bestemd voor de presentatie van podiumkunsten.

2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidie aan instellingen voor de uitvoering van hun activiteiten in de jaren 2009 tot en met 2012.

§ 2

Financieel kader

Artikel 9a

Voor subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk is voor de jaren 2009 tot en met 2012 jaarlijks een bedrag van € 75 miljoen beschikbaar.

§ 3

Subsidiecriteria voor toneel-, dans- , opera- en jeugdgezelschappen

Artikel 9b

1. De Minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van toneelrepertoire een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:

a. de beschikking heeft over een podium of een podium bespeelt, dat minimaal 350 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft;

b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert; en

c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van toneel.

2. Aan ten hoogste acht instellingen kan subsidie worden verstrekt, waarbij in iedere regio, uitgezonderd de regio zuiden, en in iedere gemeente steeds aan één instelling subsidie wordt verstrekt. In de regio zuiden kan aan ten hoogste twee instellingen subsidie worden verstrekt.

Artikel 9c

1. De Minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van dansrepertoire een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:

a. de beschikking heeft over een podium of een podium bespeelt, dat minimaal 350 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft;

b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert; en

c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van dans.

2. Aan ten hoogste vijf instellingen kan subsidie worden verstrekt, met dien verstande dat in de regio’s noorden, oosten en zuiden en in de gemeenten Amsterdam en Rotterdam steeds aan één instelling subsidie wordt verstrekt.

Artikel 9d

Indien geen van de subsidieaanvragen ingediend voor een regio of een gemeente op grond van de artikelen 9b en 9c voldoet aan alle in deze artikelen bedoelde vereisten, kan de Minister niettemin aan ten hoogste één instelling subsidie verstrekken in die regio of gemeente.

Artikel 9e

1. De Minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van operarepertoire een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:

a. haar standplaats heeft in de regio zuiden; en

b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert.

2. Er wordt aan ten hoogste één instelling subsidie verstrekt.

Artikel 9f

De Minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van repertoire op het terrein van de podiumkunsten voor de jeugd tot 18 jaar een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:

a. een substantieel deel van haar voorstellingen realiseert op een podium; en

b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert.

Artikel 9g

1. De Minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van Friestalig toneelrepertoire voor alle leeftijden een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:

a. haar standplaats heeft in de regio noorden; en

b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert.

2. Er wordt aan ten hoogste één instelling subsidie verstrekt.

§ 4

Subsidiecriteria voor internationale festivals

Artikel 9h

1. De Minister kan aan een instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in een internationale context op het terrein van een of meer van de scheppende of uitvoerende kunsten een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de activiteiten van de instelling:

a. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten;

b. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden; en

c. niet zijn aan te merken als activiteiten van één specifieke schouwburg, concertzaal of andere instantie die zich primair richt op de presentatie van cultuuruitingen.

2. Op elk terrein van de scheppende of uitvoerende kunsten of op elk duidelijk te onderscheiden onderdeel daarvan wordt ten hoogste aan één instelling subsidie verstrekt.

5

Subsidiecriteria voor productiehuizen, instellingen gericht op de presentatie van beeldende kunst, post-academische instellingen en instellingen gericht op ontwikkeling en vernieuwing

Artikel 9i

De Minister kan aan een instelling met als kernactiviteit de ontwikkeling en presentatie door beginnende of freelance makers van vernieuwende of experimentele activiteiten op het terrein van de podiumkunsten, een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:

a. beschikt over voorzieningen die geschikt zijn om beginnende makers van podiumkunsten te begeleiden;

b. de presentatie van de te verrichten activiteiten op een podium kan garanderen;

c. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert; en

d. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één of enkele artistiek leiders.

Artikel 9j

De Minister kan aan een instelling met als kernactiviteit de presentatie van een vernieuwend of experimenteel aanbod van hedendaagse beeldende kunst in een internationale context een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:

a. beschikt over een ruimte die geschikt is voor het tonen van de presentaties;

b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;

c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één of enkele artistiek leiders; en

d. niet overwegend gericht is op het beheer en behoud van een collectie van cultureel erfgoed.

Artikel 9k

De Minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van een programma op het terrein van de podiumkunsten, architectuur, beeldende kunst, vormgeving, nieuwe media of film, dat een vervolg is op een bachelor- of masteropleiding op het gebied van de kunst, een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling beschikt over voorzieningen die geschikt zijn om de deelnemers aan het programma te begeleiden.

Artikel 9l

De Minister kan aan een instelling op het terrein van de amateurkunst of cultuureducatie, de architectuur, het erfgoed, de film, de letteren, media en bibliotheken, de nieuwe media of vormgeving, dan wel op het intercultureel terrein, met als kernactiviteit de ontwikkeling of vernieuwing van het betreffende terrein door de begeleiding of de presentatie van talent, de facilitering van experimenten, het uitvoeren van onderzoek of het anderszins bijdragen aan verdieping op het betreffende terrein, een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, voor zover de instelling niet overwegend gericht is op het beheer en behoud van een collectie van cultureel erfgoed.

§ 6

Subsidiecriteria voor overige ondersteunende instellingen

Artikel 9m

1. De Minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het uitvoeren van één of meer ondersteunende taken op een terrein van het cultuurbestel, een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, voor zover de instelling:

a. niet als doel heeft de belangen te behartigen van ondernemers die behoren tot eenzelfde bedrijfstak of een onderdeel daarvan; en

b. zich niet beweegt op een terrein waarop al een sectorinstituut werkzaam is.

2. Ondersteunende taken als bedoeld in het eerste lid zijn:

a. nationale of internationale vertegenwoordiging en promotie van het betreffende terrein van scheppende of uitvoerende kunsten;

b. verzorging van educatie, informatie en reflectie over ontwikkelingen op het betreffende terrein door middel van exposities, lezingen, studiedagen en publicaties;

c. inventariseren, waarderen en ontsluiten van erfgoed;

d. verzorging van documentatie en archivering van relevant materiaal op het betreffende terrein door middel van een archief, een bibliotheek of een video- en mediatheek;

e. afstemming en coördinatie tussen relevante partijen op het betreffende terrein.

3. Een sectorinstituut als bedoeld in het eerste lid, onder b, is een aangewezen instelling waar alle ondersteunende taken als bedoeld in het tweede lid, voor zover deze op het betreffende terrein van scheppende of uitvoerende kunsten voorkomen, worden uitgeoefend.

Artikel 9n

De Minister kan aan een instelling met als kernactiviteit het verrichten van coördinerende activiteiten inzake één of meer ondersteunende taken als bedoeld in artikel 9m, tweede lid, op het terrein van de cultuureducatie dan wel op het interculturele of het internationale terrein een vierjaarlijkse instellingssubsidie verstrekken, voor zover de instelling niet als doel heeft de belangen te behartigen van ondernemers die behoren tot eenzelfde bedrijfstak of een onderdeel daarvan.

§ 7

Subsidieaanvraag

Artikel 9o

1. Een subsidieaanvraag voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie voldoet aan de eisen die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage IV.

2. Een subsidieaanvraag voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie wordt bij voorkeur elektronisch ingediend. De indiening geschiedt via de website www.cultuursubsidie.nl.

3. Als tijdstip van ontvangst van een elektronisch ingediende subsidieaanvraag geldt het tijdstip waarop het aanvraagformulier aan de hand waarvan die subsidieaanvraag wordt ingediend, elektronisch is ontvangen. In aansluiting op de elektronische verzending van het aanvraagformulier wordt een ondertekende afdruk van de laatste pagina van het formulier per post toegezonden aan de Minister.

4. Wordt een subsidieaanvraag schriftelijk ingediend dan geschiedt dit op een door de Minister vastgesteld aanvraagformulier.

5. Subsidieaanvragen worden voor 1 februari 2008 ingediend.

§ 8

Subsidieverlening

Artikel 9p

1. De subsidie wordt verleend op grond van de volgende overwegingen:

a. het belang van de activiteiten van de subsidieaanvrager;

b. de positie van de subsidieaanvrager in het cultuurbestel; en

c. de samenhang tussen de subsidieaanvragen.

2. Bij de verlening van subsidies als bedoeld in de artikelen 9i en 9j gelden tevens als overwegingen:

a. de spreiding van instellingen over het land; en

b. de aanwezigheid van een opleiding of lerarenopleiding op het gebied van de kunst zoals bedoeld in het Bekostigingsbesluit WHW in de plaats van vestiging van de instelling.

Artikel 9q

Onverminderd de artikelen 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht en 4 van het Besluit wordt de subsidieverlening geweigerd, indien de aanvraag wordt ingediend door een instelling die bekostiging ontvangt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of door een instelling waarvan de activiteiten naar het oordeel van de Minister het initieel onderwijs overlappen waarvoor op grond van die wet bekostiging mogelijk is.

D

In artikel 11 wordt ‘projectplan’ vervangen door: activiteitenplan.

E

In artikel 12a, eerste lid, wordt ‘artikel 11’ vervangen door: artikel 7, derde lid,.

F

De bijlagen IVA en IVB worden vervangen door een nieuwe bijlage die luidt overeenkomstig de bij deze regeling gevoegde bijlage IV.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2007.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.H.A. Plasterk.

Bijlage

Bijlage bij de Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen

Bijlage IV. Inrichtingseisen subsidieaanvragen vierjaarlijkse instellingssubsidies 2009–2012

Inleiding

Dit document beschrijft de eisen waaraan een subsidieaanvraag moet voldoen van instellingen die voor de periode 2009 tot en met 2012 in aanmerking willen komen voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie. Instellingen waaraan zo’n subsidie wordt verstrekt nemen een plaats in in de landelijke (basis)infrastructuur, zoals aangegeven in de nota ‘Kunst van Leven, hoofdlijnen cultuurbeleid’.

Wie kunnen subsidie aanvragen?

Instellingen die voldoen aan de criteria voor vierjaarlijkse instellingsubsidies zoals uitgewerkt in de Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen. Een aanvrager dient in het bezit te zijn van rechtspersoonlijkheid. Een aanvraag van een rechtspersoon in oprichting wordt in beginsel niet in behandeling genomen.

Hoe wordt subsidie aangevraagd?

Voor uw aanvraag gelieve u gebruik te maken van het format op de website www.cultuursubsidie.nl

Een aanvraag bestaat uit een voorblad met algemene gegevens over uw instelling, een normbegroting, een prestatieoverzicht, een activiteitenplan en een toelichting op uw begroting. Na verzending van uw digitale aanvraag, maakt u een afdruk van de laatste pagina. Deze pagina (met uniek aanvraagnummer) wordt door u ondertekend per post nagezonden . Deze wijze van ondertekening verleent autorisatie aan uw aanvraag.

Wanneer kan subsidie worden aangevraagd?

Tussen 1 november 2007 en 1 februari 2008 kan subsidie worden aangevraagd. Uw aanvraag moet uiterlijk 31 januari 2008 in mijn bezit zijn. Aanvragen die na die datum binnenkomen, kunnen niet meer in behandeling worden genomen. Ongevraagde bijlagen worden niet bij de beoordeling en besluitvorming betrokken.

Nadere informatie

Voor vragen over de aanvraag of de procedure kunt u contact opnemen met de helpdesk, telefoon: 070-412.4455 (op werkdagen tussen 09:00 en 16:00 uur).

Invulinstructie

Algemeen

U vult de algemene gegevens van uw instelling, de normbegroting en het prestatieoverzicht in met behulp van een vast format volgens bijgaand voorbeeldmodel. Het activiteitenplan en de toelichting op de begroting kunt u als aparte documenten bijvoegen bij de aanvraag. Geef bij het opstellen van uw aanvraag beknopte, maar duidelijke informatie. Houdt u zich ten aanzien van de inrichting van uw activiteitenplan en toelichting op de normbegroting aan de daarvoor opgestelde indeling en vragen. Gebruik voor het beschrijven van het activiteitenplan maximaal 10 pagina’s (circa 5.000 woorden, zonder afbeeldingen).

Voor een doeltreffende invulling van uw gegevens zijn gerichte instructies opgenomen in pop-up menu’s die oplichten bij het aanklikken van de velden waar die gegevens moeten worden vermeld.

Waaraan moet het activiteitenplan voldoen?

1. Positie in de basisinfrastructuur

Beschrijf de doelstelling van uw instelling en geef aan welke functie u in wilt nemen in de basisinfrastructuur. Geef aan op welke wijze u voldoet aan de criteria voor deze functie in de Ministeriële regeling.

Besteed tevens aandacht aan de volgende onderwerpen:

– uw beleid ten aanzien van publieksbereik en educatie,

– uw positie in het culturele veld – samenwerking, internationalisering, talentontwikkeling en innovatie,

– hoe u invulling geeft aan uw maatschappelijke positie – samenwerking in uw stad/regio,

– ondernemerschap.

2. Terugblik

Beschrijf de activiteiten die door uw instelling tot nu toe zijn verricht en in welke mate deze hebben bijgedragen aan de doelstelling van uw instelling.

3. Plan 2009–2012

Beschrijf uw plannen voor de periode 2009–2012 (kwantificering in het prestatieoverzicht).

Prestatieoverzicht

Specificeer uw voorgenomen activiteiten en de activiteiten die u in 2006 hebt verricht met behulp van het model prestatieoverzicht (blz.8).

Waar moet de aanvraag naar toe?

Uw aanvraag kunt u met de twee bijlagen digitaal verzenden, volgens de instructie van het aanvraagformulier. Uw losse ondertekende bevestiging (autorisatieformulier) zend u naar:

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

o.v.v. Subsidieaanvraag 2009–2012

Postbus 16375,

Ipc nummer 7900

2500 BJ Den Haag

stcrt-2007-206-p11-SC82639-1.gifstcrt-2007-206-p11-SC82639-2.gifstcrt-2007-206-p11-SC82639-3.gifstcrt-2007-206-p11-SC82639-4.gifstcrt-2007-206-p11-SC82639-5.gif

Toelichting bij Model Normbegroting en Model Prestatieoverzicht

Hoofdstuk 1. Algemene toelichting bij het model meerjarenbegroting

Opzet van uw begroting

U stelt uw begroting op volgens het model uit de inrichtingseisen.

Uw financiële onderbouwing bestaat uit twee kolommen: één voor de begroting 2009–2012 en één voor uw resultaten over het jaar 2006. De eerste kolom, uw begrotingskolom, is een gemiddelde van uw planning over de jaren 2009 tot en met 2012. De cijfers in deze kolom gelden als norm voor een jaarbegroting.

In een bijlage specificeert u de begrotingsposten en volgt daarbij de aanwijzingen in hoofdstuk 2. Daarnaast voorziet u uw begroting(sposten) van een beknopte toelichting. Bij de post personeel vermeldt u ook de bezetting (aantal fte).

Loon- en prijsniveau

Bij het opstellen van de normbegroting gaat u uit van het loon- en prijsniveau 2006 als peildatum. Bij de vaststelling van de hoogte van een subsidie voor de periode 2009–2012 zal de loon- en prijsbijstelling voor 2007 en 2008 automatisch worden verdisconteerd.

Wensbegrotingen

U schat uw inkomsten en uitgaven zo realistisch mogelijk in. Vanwege het beperkte financiële kader financiert u wijzigingen in het beleid in beginsel binnen het bestaande exploitatiebudget. Indien u nieuwe beleidswensen opneemt, geeft u de consequenties voor de hoogte van het gevraagde subsidie en prestaties duidelijk aan in een toelichting op uw begroting. Daarbij is van belang dat u uw wensen afzonderlijk en per activiteit toelicht, en ook de omvang daarvan aangeeft.

Vermogenspositie en liquiditeit

Indien de vermogenspositie of liquiditeit na de balansdatum (31-12-2006) ingrijpend is veranderd maakt u hiervan melding in de toelichting bij de begroting.

Hoofdstuk 2. Specifieke toelichting bij het model meerjarenbegroting en balansgegevens

Hieronder volgt een toelichting op de vaste onderdelen van het begrotingsmodel.

Opbrengsten

Bij deze post wordt onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte opbrengsten.

‘Directe opbrengsten’ betreffen inkomsten die direct aan uw activiteiten kunnen worden gerelateerd zoals publieksinkomsten of sponsoring. ‘Publieksinkomsten’ zijn inkomsten uit kaartverkoop (recettes of uitkopen), horeca bij uitvoeringen, verkoop van programma’s of van beeld- en geluiddragers, maar ook inkomsten uit vergoedingen van radio of televisie.

Uw sponsorinkomsten vermeldt u onder ‘overige inkomsten’.

‘Indirecte opbrengsten’ zijn opbrengsten die een afgeleide relatie hebben met de activiteiten van uw instelling, zoals horeca los van uitvoeringen, verhuur van onroerend goed of vergoedingen voor het uitlenen van personeel.

Bijdragen

Onder de eerste drie kopjes vermeldt u de structurele subsidies die u van de verschillende overheden verwacht te ontvangen op meerjarige basis.

Onder ‘overige bijdragen’ vermeldt u de overige subsidies verdeeld over twee rubrieken.

Onder de post ‘overige bijdragen uit publieke middelen’ vermeldt u de de bijdragen van aan de overheid gelieerde fondsen, alsook de op jaarbasis te verwachten incidentele bijdragen van de verschillende overheden (rijk, provincie, gemeente).

Onder de post ‘overige bijdragen uit private middelen’ vermeldt u alle te verwachten bijdragen van private fondsen als ook de contributies, schenkingen, donaties of legaten en bijdragen van vriendenstichtingen. In de toelichting op de begroting specificeert u deze bedragen.

Beheerslasten

Tot de ‘beheerslasten’ worden gerekend alle personele en materiële lasten die samenhangen met het beheer van uw organisatie (overheadkosten).

In de bijlage specificeert u de ‘beheerslasten personeel’ naar directie, secretariaat, personeelszaken, financiële zaken en algemene zaken. Loonkosten omvatten ten minste de bruto salarissen, werkgeversdeel sociale lasten, vakantiegeld en pensioenpremie.

De ‘beheerslasten materieel’ worden onderverdeeld in huisvestingslasten, kantoorkosten, algemene publiciteitskosten en afschrijvingskosten.

Activiteitenlasten

Tot de ‘activiteitenlasten’ behoren kosten die direct samenhangen met de activiteiten van uw instelling. Maak onderscheid tussen personele en materiële lasten.

Voorbeelden van materiële lasten die met de activiteiten samenhangen zijn reis- en transportkosten en specifieke publiciteitkosten.

Podiumkunstinstellingen specificeren hun personele lasten naar artistieke staf, uitvoerend personeel (acteurs, dansers of musici) en ondersteunend personeel (technici).

Saldo

U berekent het eindsaldo of exploitatieresultaat door het verschil van baten en lasten te verrekenen met het saldo van rentebaten/-lasten. Uw begroting sluit met een positief saldo of een saldo van nul.

Balans

Nieuwe aanvragers geven hier hun balansgegevens op.

Hoofdstuk 3. Toelichting op het model prestatieoverzicht

Om afspraken te kunnen maken over de omvang van uw prestaties, geeft u duidelijk aan welke output mag worden verwacht. Als prestaties worden aangemerkt uw producten of diensten. Ook vermelding van het bereik (afnemers, publiek enz.) is van belang.

U specificeert uw prestaties op de wijze zoals aangegeven op het model prestatieoverzicht en maakt een inschatting van de omvang.

Op het model staan de meest gangbare soorten van prestaties vermeld. Prestaties die niet staan vermeld, kunt u toevoegen onder ‘overige activiteiten’. In het tekstveld kunt u deze prestaties toelichten.

Toelichting

Algemeen

1. Inleiding

Deze regeling, een wijziging van de Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen (verder: subsidieregeling), houdt nadere regels in over de invoering voor de cultuursector van een gedifferentieerd systeem van subsidieverstrekking ten behoeve van cultuuruitingen. De subsidieregeling sluit aan en is een vervolg op eerdere wijzigingen in de Wet op het specifiek cultuurbeleid (verder: Wsc) en het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (verder: Bbc).

Het gedifferentieerd systeem van subsidieverstrekking houdt, kortweg, in dat vierjaarlijkse subsidies met ingang van het jaar 2009 niet langer tot één en dezelfde subsidiecategorie behoren, maar dat deze subsidies worden opgesplitst in een drietal categorieën. Die subsidiecategorieën betreffen:

– instellingen die – net zoals in de eerdere systematiek – op aanvraag bij de Minister in aanmerking kunnen komen voor subsidiëring voor een periode van een vier jaar; deze vierjaarlijkse subsidies worden in het Bbc en dus ook in de subsidieregeling aangeduid als ‘vierjaarlijkse instellingssubsidies’,

– door de Minister aangewezen instellingen die in beginsel, zonder voorafgaande aanvraag bij de Minister, een blijvend uitzicht op subsidiëring krijgen, telkens voor een periode van vier kalenderjaren,

– fondsen; ook deze krijgen in beginsel, zonder voorafgaande aanvraag bij de Minister, een blijvend uitzicht op subsidiëring, telkens voor een periode van vier kalenderjaren.

Deze differentiatie in het subsidie-instrumentarium is bedoeld om de Minister in staat te stellen op zo goed mogelijke wijze inhoud te geven aan de verantwoordelijkheid die hij op grond van artikel 2 van de Wsc heeft. Die verantwoordelijkheid houdt blijkens dat artikel in het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen, waarbij hij zich laat leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid. Binnen dit kader subsidieert de Minister instellingen voor het uitvoeren van specifieke activiteiten. De instellingen die behoren tot de drie genoemde subsidiecategorieën, worden rechtstreeks door de Minister gesubsidieerd. In verband hiermee worden ze gezamenlijk wel de landelijke (basis)infrastructuur genoemd.

Voor elk van de drie subsidiecategorieën is in de Wsc inmiddels een wettelijke grondslag vastgelegd in de artikelen 4a, 4b en 4c van de Wsc (Stb. 2007, 240). Deze drie artikelen zijn op 11 juli 2007 in werking getreden (Stb. 2007, 241). Voor een nadere uiteenzetting van het gedifferentieerd systeem van subsidieverstrekking wordt kortheidshalve verwezen naar de nota ‘Verschil maken’ d.d. 16 september 2005 (Kamerstukken II 2004/05, 28 989, nr. 22) en naar de parlementaire stukken over de wijziging van de Wsc (Kamerstukken II 2006/07, 30 847).

De wijziging van de Wsc maakte het nodig om ook het Bbc aan te passen. Zo moest de terminologie in het Bbc niet onaanzienlijk worden aangepast. Daarnaast moesten ook de verschillen tussen de drie subsidiecategorieën in het Bbc worden uitgewerkt. De belangrijkste verschillen zijn dat aangewezen instellingen en fondsen geen subsidieaanvraag meer indienen, dat zij in samenhang daarmee ook geen verplichting meer hebben om een activiteitenplan over te leggen en dat zij vierjaarlijks een visitatiecommissie moeten inschakelen die in een visitatierapport de kwaliteit beoordeelt van de activiteiten die in de afgelopen vierjaarlijkse cyclus door de desbetreffende instelling zijn verricht. De wijziging van het Bbc is bekend gemaakt in Stb. 2007, 367 De wijziging van het Bbc is op 17 oktober 2007 in werking getreden.

2. Wijziging subsidieregeling

In aansluiting op de wijzigingen in de Wsc en het Bbc volgt thans de onderhavige wijziging van de subsidieregeling. Die wijziging was om twee redenen nodig. Ten eerste moest ook de subsidieregeling in overeenstemming worden gebracht met de drie nieuw in het leven geroepen subsidiecategorieën ten behoeve waarvan verstrekking van een vierjaarlijkse subsidie mogelijk is. Die aanpassing betekende vooral de verwerking van het gegeven dat indiening van een subsidieaanvraag en een activiteitenplan, naast een begroting, alleen nodig is voor instellingen die niet behoren tot aangewezen instellingen en fondsen, maar die wel rechtstreeks van de Minister subsidie kunnen ontvangen wanneer zij daartoe een subsidieaanvraag indienen en aan bepaalde subsidievoorschriften (zie hierna) voldoen. Aangewezen instellingen en fondsen dienen ter verkrijging van vierjaarlijkse subsidiëring geen subsidieaanvraag in, maar volstaan met het overleggen van een begroting.

Ten tweede was het nodig om in de subsidieregeling de subsidievoorschriften uit te werken waartoe artikel 4a van de Wsc verplicht voor de instellingen die een aanvraag moeten indienen voor een vierjaarlijkse subsidieverstrekking. Die subsidievoorschriften betreffen ingevolge artikel 4a van de Wsc in ieder geval een omschrijving van de activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, de criteria die gelden bij de subsidieverlening voor die activiteiten, en het financieel kader dat voor de subsidieverstrekking van toepassing is.

In de onderhavige regeling zijn de hier genoemde onderdelen uitgewerkt. Daarbij is om te beginnen hoofdstuk II van de subsidieregeling op de nodige punten gewijzigd. De titel van dit hoofdstuk luidt ook niet meer ‘Instellingssubsidies’, maar in aansluiting op de huidige systematiek ‘Jaarlijkse instellingssubsidie, vierjaarlijkse instellingssubsidie, subsidie aan aangewezen instellingen dan wel subsidie aan fondsen’. In hoofdstuk II zijn bepalingen die vanwege de nieuwe systematiek niet meer waren te handhaven, komen te vervallen. Verder is een nieuw hoofdstuk IIA ‘Nadere subsidievoorschriften voor vierjaarlijkse instellingssubsidies cultuuruitingen 2009 tot en met 2012’ ingevoegd dat met name subsidievoorschriften inhoudt, waarin krachtens artikel 4a van de Wsc moet worden voorzien. Dit is een apart hoofdstuk, omdat deze subsidievoorschriften alleen gelden voor de komende subsidieperiode van 2009 tot en met 2012. Deze voorschriften vormen de neerslag van het beleid dat voor die subsidieperiode is vastgelegd in de nota ‘Kunst van leven’ ten behoeve van – onder meer – instellingen waaraan op aanvraag een vierjaarlijkse instellingssubsidie kan worden verstrekt (Kamerstukken II 2006/07, 28 989, nr. 44). In hoofdstuk IIA gaat het om instellingen die met hun activiteiten inhoud geven aan de volgende vier functies van cultuuruitingen waarvoor de Minister zich verantwoordelijk acht:

– instandhoudingsfunctie (toneel-, dans-, opera- en jeugdgezelschappen),

– internationale platformfunctie (internationale festivals),

– ontwikkelingsfunctie (productiehuizen, instellingen gericht op de presentatie van beeldende kunst, post-academische instellingen en instellingen gericht op ontwikkeling en vernieuwing), en

– ondersteuningsfunctie (ondersteunende instellingen).

Dit onderscheid in functies is door de Raad voor cultuur gebruikt in zijn advies ‘Innoveren, participeren!’ van 6 maart 2007 en door de Minister overgenomen in zijn nota ‘Kunst van leven’. In hoofdstuk IIA is dit onderscheid tot uitdrukking gebracht in de paragraafindeling. Aan iedere functie is een aparte paragraaf gewijd. In ieder van de vier paragrafen die dit oplevert, zijn de subsidiecriteria nader vorm gegeven waaraan de onderscheiden instellingen moeten voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen op basis van artikel 4a van de Wsc.

Op basis van het advies van de Raad voor cultuur is er in de artikelen waarin de subsidiecriteria zijn uitgewerkt,voor gekozen steeds de kernactiviteit van instellingen te benoemen. Die kernactiviteit is de activiteit waarvoor binnen de landelijke (basis)infrastructuur subsidie mogelijk is. Dat laat onverlet dat instellingen ook andere activiteiten uitvoeren. Zo zal een toneelgezelschap naast het verzorgen van toneelrepertoire – de kernactiviteit – ook bijvoorbeeld activiteiten ondernemen die gericht zijn op talentontwikkeling of educatie. Die activiteiten zijn een afgeleide van de kernactiviteit.

Voor de vraag of een aanvraag in aanmerking komt voor subsidie, is altijd van belang of de instelling blijkens haar statuten en feitelijke activiteiten gekwalificeerd kan worden als een instelling die kan voldoen aan de kernactiviteiten die in de artikelen van hoofdstuk IIA zijn benoemd.

De subsidieregeling is vooraf besproken met de Raad voor cultuur. Dat heeft geleid tot een aantal technische aanpassingen.

3. Indiening subsidieaanvragen

De indiening van een subsidieaanvraag voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie geschiedt bij voorkeur met behulp van een elektronisch aanvraagformulier. Dit formulier is beschikbaar op de site www.cultuursubsidie.nl. Het formulier bevat behalve modellen van over te leggen stukken, een voorblad waarin de kerngegevens van de aanvraag voorkomen, en een achterblad. De modellen zijn modellen voor de meerjarenbegroting, de balans en het prestatieoverzicht. Naast deze modellen worden ook een activiteitenplan en een toelichting op de begroting opgesteld. Zie voor de over te leggen stukken artikel 8 van het Bbc. De ingevulde modellen worden tezamen met de andere opgestelde stukken (activiteitenplan en toelichting op de begroting) elektronisch verzonden. Voor de rechtsgeldigheid van de elektronische subsidieaanvraag stuurt de subsidieaanvrager ook een ondertekende afdruk van de laatste pagina van de subsidieaanvraag toe aan de Minister. De instelling ontvangt per e-mail een ontvangstbevestiging met daarbij een afdrukbare bijlage met een weergave van de belangrijkste onderdelen van zijn aanvraag.

Hoewel het de voorkeur heeft om subsidieaanvragen langs elektronische weg in te dienen, blijft het mogelijk een subsidieaanvraag ook aan te leveren door middel van een papieren versie. Een bepaling hiertoe is opgenomen met het oog op de mogelijkheid dat elektronische indiening bezwaren zou oproepen of zelfs onmogelijk zou zijn.

De versie van het aanvraagformulier is op te vragen bij de helpdesk (telefoon: 070 – 412.4455). De papieren versie bevat dezelfde onderdelen als de elektronische versie. Na invulling moet het formulier, samen met de bijbehorende bijlagen aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden gestuurd.

Aanvragen moeten voor 1 februari 2008 worden ingediend. Dat betekent dat zij uiterlijk op 31 januari 2008 door het Ministerie ontvangen moeten zijn.

4. Procedure subsidieverlening

Van alle subsidieaanvragen die voor 1 februari 2008 zijn ingediend, beziet de Minister of deze:

a. volledig zijn ingevuld;

b. voldoen aan de subsidiecriteria opgenomen in hoofdstuk IIA van de subsidieregeling; en

c. aanleiding geven om een van de gronden tot weigering van de subsidieaanvraag toe te passen.

Van een onvolledige invulling (zie a) is bijvoorbeeld sprake wanneer niet voldaan wordt aan het procedurele vereiste om het voorgeschreven aanvraagformulier te gebruiken of wanneer de subsidieaanvrager onvoldoende gegevens of bescheiden verstrekt. In geval van indiening van een onvolledige aanvraag krijgt de subsidieaanvrager de gelegenheid zijn aanvraag te complementeren. De Minister kan daarvoor een termijn stellen.

Met de subsidiecriteria (zie b) wordt gedoeld op de criteria die in de paragrafen 3 tot en met 6 van hoofdstuk IIA van de subsidieregeling zijn opgenomen.

Gronden tot weigering van een subsidieaanvraag (zie c) zijn opgenomen in de artikelen 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, 4 van het Bbc en 9q van de subsidieregeling. Deze gronden houden onder meer in dat de Minister subsidieverlening kan weigeren als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de te verrichten activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden (artikel 4:35 van de Awb). Van een weigeringsgrond is bijvoorbeeld ook sprake als de Minister van oordeel is dat subsidieverlening het beleid in de nota ‘Kunst van leven’ niet of onvoldoende ondersteunt (artikel 4, lid 2, van het Bbc). Met dat beleid wordt beoogd een landelijke (basis)infrastructuur op het terrein van cultuur tot stand te brengen. In de subsidieregeling is nog één weigeringsgrond toegevoegd. Als een instelling bekostiging ontvangt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of activiteiten verricht die een overlap vormen met het initieel onderwijs op grond van die wet, is dat een reden om de subsidieaanvraag te weigeren.

Subsidieaanvragen die aan de vereisten voldoen, legt de Minister voor advies voor aan de Raad voor cultuur. Na advies van de Raad voor cultuur neemt de Minister een besluit over de subsidieverlening. De Minister hanteert hierbij de volgende overwegingen:

– het belang van de activiteiten van de subsidieaanvrager;

– de positie van de subsidieaanvrager in het cultuurbestel; en

– de samenhang tussen de subsidieaanvragen.

Over deze overwegingen valt het volgende op te merken.

1°. Belang van de activiteiten van de subsidieaanvrager

Het gaat hier om de betekenis van de uit te voeren activiteiten van de subsidieaanvrager voor het aanbod van Nederlandse kunst en cultuur, zowel in Nederland als daarbuiten. In dit kader speelt de te verwachten kwaliteit van de activiteiten een rol, naast andere aspecten als de mate van onderscheid of uniciteit van de activiteiten, de uitstraling, de meerwaarde ten opzichte van andere, vergelijkbare activiteiten. Het gaat om een brede toetsing, waarin de verschillende aspecten samen worden gewogen. De doelstelling van de regeling brengt mee dat geen van de genoemde deelaspecten op zichzelf genomen voldoende is. Voor subsidieverlening is tevens vereist dat het niet-subsidiabel verklaren van de activiteiten van een instelling zou leiden tot een lacune in de beoogde landelijke (basis)infrastructuur.

2°. Positie van de subsidieaanvrager in het cultuurbestel

Deze overweging ziet op de wijze waarop de aanvragende instelling zich verhoudt tot bijvoorbeeld andere culturele instellingen, publiek(sgroepen), andere subsidiënten. Het gaat in beginsel om de positie van de instelling op het moment van de aanvraag, zij het dat er rekening kan worden gehouden met verwachtingen over de wijze waarop die positie zich kan ontwikkelen. Van belang is in dit kader onder meer welke doelgroepen de instelling bedient, zoals de samenwerking met andere culturele instellingen in de regio of stad en de nationale en internationale netwerken waarbinnen de instelling functioneert.

3°. Samenhang tussen de subsidieaanvragen

Er moet samenhang bestaan tussen de subsidieaanvragen voor overeenkomende cultuuruitingen. Eigen aan het feit dat het de bedoeling is een landelijke (basis)infrastructuur te realiseren, is dat er een zeker evenwicht moet zijn tussen de activiteiten van de verschillende te subsidiëren instellingen. Lacunes en overlap moeten worden vermeden. Het is om die reden niet voldoende dat een instelling een goede positie heeft in de betreffende sector of discipline of dat de activiteiten als belangwekkend kunnen worden gekwalificeerd.

De Minister neemt uiterlijk 1 oktober 2008 een beslissing tot subsidieverlening op de ingediende aanvragen (zie artikel 13 Bbc).

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel B

Hoofdstuk II. Jaarlijkse instellingssubsidie, vierjaarlijkse instellingssubsidie, subsidie aan aangewezen instellingen dan wel subsidie aan fondsen

Zoals het opschrift van hoofdstuk II aangeeft, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing op jaarlijkse instellingssubsidies en op alle vierjaarlijks te verstrekken subsidies (dus op de vierjaarlijkse instellingssubsidies en de vierjaarlijkse subsidies aan aangewezen instellingen en fondsen). Hoofdstuk II heeft daarmee, net als voorheen, een vrij algemene strekking. Alleen voor projectsubsidies heeft het hoofdstuk geen betekenis. Voor projectsubsidies geldt hoofdstuk III van de subsidieregeling.

Alle bepalingen in hoofdstuk II (de artikelen 3 tot en met 8) zijn ontleend aan hoofdstuk II zoals dat tot dusver gold. Hoofdstuk II is integraal opgenomen in de onderhavige wijzigingsregeling. Ten eerste omdat enkele bepalingen zijn vervallen. Deze bepalingen passen niet meer in het gewijzigde systeem (de voormalige artikelen 3 en 4, eerste en tweede lid), of ze zijn in verband met het gewijzigde systeem op een andere plaats onder gebracht (de voormalige artikelen 5 en 8a, tweede en derde lid). Ten tweede omdat in de overgebleven bepalingen de nodige technische wijzigingen moesten worden aangebracht. In paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting is hier eveneens op ingegaan.

Artikel 6

Artikel 6 was eerder ondergebracht in artikel 8b. De tekst van dit artikel is in overeenstemming gebracht met de nieuwe terminologie en de gewijzigde artikelnummering van het Bbc. De bijlagen IA, IB en IC zelf zijn evenwel nog niet aangepast. Dat zal zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de onderhavige regeling gebeuren. Die latere aanpassing is mogelijk omdat de documenten waarop deze bijlagen betrekking hebben, voor het eerst nodig zijn bij de verantwoording in verband met het jaar 2009, dat wil zeggen het eerste jaar waarin subsidie wordt verleend op grond van het nieuwe gedifferentieerd syteem van subsidieverstrekking. Ook artikel 6 zelf moet in dat verband wellicht nog worden aangepast.

Artikel I, onderdeel C

Hoofdstuk IIA. Nadere subsidievoorschriften voor vierjaarlijkse instellingssubsidies cultuuruitingen 2009 tot en met 2012

Hoofdstuk IIA ziet alleen op instellingen die een subsidieaanvraag kunnen indienen voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie; zie in dit verband de paragrafen 1 en 2 van het algemeen deel van deze toelichting. Tot de instellingen die op grond van hoofdstuk IIA subsidie kunnen aanvragen behoren in beginsel geen musea en muziekgezelschappen (orkesten en muziekensembles). Dat is in lijn met de nota 'Kunst van leven' en wat de musea betreft die een rijkscollectie beheren of die een collectie beheren voor het behoud waarvan de Staat verantwoordelijkheid heeft genomen, met de nota 'Bewaren om teweeg te brengen'. Muziekgezelschappen en musea hebben òf een blijvend uitzicht op subsidie, namelijk wanneer zij zijn aangewezen als aangewezen instelling, òf zij kunnen, wanneer zij geen aangewezen instelling zijn, een subsidieaanvraag indienen bij een van de fondsen.

Artikel 9 (Algemene bepalingen)

Het eerste lid, onder a, geeft de reikwijdte aan van hoofdstuk IIA. Het hoofdstuk geldt alleen voor instellingen waaraan op aanvraag een vierjaarlijkse instellingssubsidie kan worden verstrekt. Hoofdstuk IIA geldt dus niet voor instellingen die een blijvend uitzicht op subsidiëring krijgen, dat wil dus zeggen aangewezen instellingen of fondsen.

In het eerste lid, onder b, c en d, is een definiëring opgenomen van de begrippen regio, gemeente en podium. Deze begrippen worden met name gebruikt bij de subsidiecriteria voor toneel-, dans- en operagezelschappen (zie hoofdstuk IIA, paragraaf 3). De definiëring is gewenst met het oog op een goed begrip van deze subsidiecriteria.

Het tweede lid bepaalt dat de subsidievoorschriften in hoofdstuk IIA alleen van toepassing zijn op de subsidieperiode van 2009 tot en met 2012 (zie ook paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting). Voor de subsidieperiode daarna zal een nieuwe regeling moeten worden getroffen.

Artikel 9a (Financieel kader)

Met artikel 9a wordt beoogd gevolg te geven aan de eis in artikel 4a, tweede lid, onder c, van de Wsc om het financieel kader van de subsidieverstrekking aan te geven.

Dit subsidieplafond van 75 miljoen euro is gebaseerd op de paragraaf 2.9 'Prognose budgettaire gevolgen Verschil Maken' van de nota 'Kunst van leven'. Het uiteindelijke financieel kader dat voor de uitvoering van deze regeling in de jaren 2009 tot en met 2012 beschikbaar is zal in een aantal fasen worden vastgesteld.

Na de sluitingstermijn voor de subsidieaanvragen ontvangt de Raad voor cultuur begin februari 2008 een verzoek om te adviseren over de aanvragen. Daarin zal het financieel kader nader worden gepreciseerd, mede naar aanleiding van de begrotingsbehandeling 2008 in de Tweede Kamer en het advies van de commissie Cultuurprofijt. De commissie Cultuurprofijt zal voor 1 februari 2008 met voorstellen komen over de financiële positie van de zogenoemde cultuurproducerende instellingen.

Voorts zal de Raad voor cultuur worden gevraagd om voor 15 maart 2008 kenbaar te maken over welke aanvragen hij zal adviseren en welke aanvragen alsnog ter beoordeling zouden kunnen worden overgedragen aan een van de cultuurfondsen. Mede op basis van deze tussenstand zal het financiële kader worden vastgesteld, waarbinnen de Raad in mei 2008 zijn advies uit zal brengen over de te verlenen vierjaarlijkse instellingssubsidies in de periode 2009 tot en met 2012.

Artikel 9b (Toneelgezelschappen)

Subsidie kan worden verstrekt aan instellingen waarvan de kernactiviteit is het verzorgen van toneelrepertoire. Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen geldt een aantal vereisten. Deze eisen gelden als drempels. Ontvangen aanvragen worden getoetst op het voldoen aan deze eisen. Uitgangspunt is dat alleen aanvragen die aan alle vereisten voldoen, ook inhoudelijk worden beoordeeld.

Allereerst is vereist dat de instelling de beschikking heeft over een (eigen) podium met minimaal 350 zitplaatsen of dat de instelling de vaste bespeler is van een podium met minimaal 350 zitplaatsen. Als vaste bespeler wordt aangemerkt een instelling waarvan jaarlijks meerdere producties in première gaan in een zaal en daar ook seriegewijs worden getoond. Voor een instelling in Den Haag, Amsterdam of Rotterdam moet dit podium in de standplaats zijn. Voor de gezelschappen in de regio moeten de standplaats van de instelling en het podium dat de instelling bespeelt, in dezelfde regio vallen.

Ten tweede moet de instelling haar activiteiten verspreid over het jaar realiseren. Er dient dus sprake te zijn van een min of meer constante stroom toneelproducties, die evenredig over het culturele seizoen gespreid is. Deze eis geeft invulling aan het uitgangspunt dat deze instellingen een repertoirefunctie hebben. Zij dragen zorg voor een gevarieerd theateraanbod in hun regio of gemeente. Instellingen die maar één of tweemaal per seizoen een productie maken, komen niet in aanmerking voor subsidiëring.

Tot slot mag een instelling voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk zijn van één maker of een groep van makers van toneel. Een maker is degene uit wiens handen en hoofd een artistiek concept ‘geboren’ wordt. Soms is de bedenker van het concept ook de maker van het eindproduct – bij een schilderij bijvoorbeeld. Degene die het artistieke concept bedenkt is in dat geval ook degene die het eindproduct maakt. Soms is het bedenken en het uitvoeren gescheiden: een toneelschrijver is maker van een toneelstuk, de toneelregisseur (niet zijnde de schrijver) geeft vervolgens leiding aan de wijze waarop het stuk wordt uitgevoerd en ‘maakt’ dus de voorstelling samen met de acteurs die het product op de planken (het podium) brengen.

Met instellingen die afhankelijk zijn van één maker of een groep van makers, wordt in het eerste lid, onderdeel c, gedoeld op instellingen die hun bestaansrecht ontlenen aan steeds dezelfde specifieke maker of dezelfde specifieke groep van makers. Een aanwijzing om vast te stellen of hier sprake van is, is het feit dat de feitelijke oprichter(s) nog steeds verantwoordelijk is of zijn voor de artistiek-inhoudelijke koers van de instelling. Vaak zijn dergelijke instellingen ook genoemd naar een specifieke maker of functioneren zij als collectief.

Per regio (noorden, oosten en midden) is steeds voor één instelling subsidie beschikbaar. Voor de regio zuiden kan aan twee instellingen subsidie worden verstrekt. In de steden Amsterdam, Den Haag en Rotterdam kan eveneens steeds aan één instelling subsidie verstrekt worden. Er kunnen dus maximaal acht instellingen worden gesubsidieerd.

Als er voor een regio of voor een gemeente twee of meer (of voor de regio zuiden meer dan twee) aanvragen worden ontvangen die voldoen aan de vereisten uit deze regeling, dan worden deze tegen elkaar afgewogen op basis van de geschiktheid van de instellingen en van de door deze te ondernemen activiteiten om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie.

Artikel 9c (Dansgezelschappen)

Voor dansgezelschappen geldt in grote lijnen hetzelfde als voor de toneelgezelschappen. Verwezen zij naar de toelichting op artikel 9b hierboven. Wel is er een verschil in het aantal regio’s en gemeenten waarvoor subsidie kan worden verstrekt. Dit verschil is terug te voeren op het advies van de Raad voor cultuur in dezen. In de regio's noorden, oosten en zuiden en in de gemeenten Amsterdam of Rotterdam wordt steeds aan één instelling subsidie verstrekt. Er kunnen dus maximaal vijf instellingen worden gesubsidieerd.

Artikel 9d (Afwijking van subsidiecriteria)

Het is denkbaar dat er voor een of meer regio’s of gemeenten geen enkele aanvraag wordt ingezonden door een toneel- of dansgezelschap die aan alle vereisten voldoet. Dit betekent dan niet dat in de betreffende regio of gemeente geen instelling zou kunnen worden gesubsidieerd. Afzien van subsidiëring zou niet stroken met de gedachte dat er in het kader van de landelijke (basis)infrastructuur behoefte is aan een achttal theater- en vijftal dansgezelschappen die gespreid over het land in de onderscheiden regio’s en gemeenten de taken op het gebied van het toneel- en dansrepertoire voor volwassenen voor hun rekening nemen. Om die reden biedt de subsidieregeling de mogelijkheid om een uitzondering te maken op de vereisten en toch subsidie te verstrekken. Hier kan sprake van zijn als er voor een regio of gemeente een of meer aanvragen zijn ontvangen die weliswaar aan één of enkele vereisten voldoen, maar geen van alle aan alle vereisten. Dit alles laat onverlet dat om inhoudelijke redenen besloten kan worden in een bepaalde regio of gemeente geen toneel- of dansgezelschap op grond van de artikelen 9b en 9c te subsidiëren.

Artikel 9e (Operagezelschap)

Er kan aan één instelling in de regio zuiden subsidie worden verstrekt voor het verzorgen van operarepertoire. De beperking tot één is ingegeven omdat de twee grote opera-instellingen als aangewezen instelling zullen functioneren. De Raad voor cultuur wordt in 2008 apart advies gevraagd over de vraag hoe de twee operagezelschappen met een blijvend uitzicht op subsidie en het gezelschap dat op basis van dit artikel kan worden gesubsidieerd zich tot elkaar moeten verhouden.

Artikel 9f (Jeugdgezelschappen)

Subsidie kan worden verstrekt aan instellingen waarvan de kernactiviteit is het verzorgen van repertoire op het gebied van de podiumkunsten dat specifiek bestemd is voor jeugd tot 18 jaar. Het gaat om aanbod dat door professionals wordt gerealiseerd, specifiek voor de doelgroep. De passieve kunstbeleving staat hier centraal. Deze instellingen moeten worden onderscheiden van instellingen op het terrein van amateurkunst en cultuureducatie waar actieve participatie van de doelgroep centraal staat.

Vereist is dat de aanvrager een substantieel deel van zijn activiteiten realiseert op een podium. Hiermee wordt beoogd instellingen die (nagenoeg) alleen op scholen spelen uit te sluiten. Uitgangspunt is dat de instelling (ook) voorstellingen produceert die in een theater worden uitgevoerd.

Verder moet de instelling haar activiteiten gedurende het hele culturele seizoen realiseren (zie ook onder theatergezelschappen).

Voor de instellingen die een aanvraag doen op basis van dit artikel geldt dat zij rekening dienen te houden met het feit dat de Raad voor cultuur rond 1 december 2007 advies zal uitbrengen over de inrichting van het jeugdbestel in de periode na 2008. In het bijzonder speelt daarbij de vraag welke subsidies onder de directe verantwoordelijkheid van de Minister kunnen worden verstrekt, en welke door het Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten+. Bij de besluitvorming over de ingediende aanvragen zal dat advies als uitgangspunt dienen.

Artikel 9g (Friestalig toneelgezelschap)

Er kan subsidie worden verstrekt aan ten hoogste één instelling die Friestalig toneel maakt, zowel voor volwassenen als voor jeugd en jongeren. Deze instelling moet voorzien in de behoefte aan Friestalig toneel voor alle doelgroepen. De activiteiten omvatten zowel voorstellingen voor de kleine als voor de middelgrote of grote zaal. De subsidie aan een Friestalig toneelgezelschap staat los van de subsidie die ingevolge artikel 9b kan worden verstrekt aan een toneelgezelschap in de regio noorden.

Ook voor dit Friestalig toneelgezelschap geldt dat de instelling haar activiteiten verspreid over het jaar moet realiseren.

Artikel 9h (Internationale festivals)

In de nota 'Kunst van Leven' is het advies van de Raad voor cultuur met betrekking tot festivals met een bijzondere internationale positie overgenomen. De subsidieregeling biedt daarom de mogelijkheid subsidie te verstrekken aan instellingen die functioneren als internationaal platform. Subsidieverstrekking is mogelijk ten behoeve van festivals waarvan de kernactiviteit is het in een internationale context presenteren van actueel of vernieuwend aanbod dat aanvullend is ten opzichte van het reguliere aanbod dat door de instellingen in de betreffende sectoren wordt voortgebracht en getoond. Het gaat om festivals met een internationale programmering die in de praktijk fungeren als plaatsen waar internationale uitwisseling tussen en ontmoeting van makers tot stand komt. Naast de festivals die fungeren als internationaal platform en op die grond subsidie ontvangen is er geen mogelijkheid subsidie aan te vragen voor festivals. Festivals zijn niet de enige door het rijk gesubsidieerde instellingen die internationale taken verrichten. Ook andere instellingen, sectorinstituten voorop (zie artikel 9m), hebben internationale taken. Die andere instellingen kunnen hiervoor niet apart subsidie aanvragen op grond van artikel 9h, maar nemen deze activiteiten op in hun aanvraag voor subsidie in het kader van artikel 9m.

Om voor subsidie in aanmerking te komen is verder vereist dat de presentatieactiviteiten van de instelling jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in tijd beperkte periode plaatsvinden.

Ook moeten de activiteiten van de instelling niet zijn aan te merken als activiteiten van één specifiek podium (schouwburg, concertzaal) of andere presentatieplek. Een festival dient dus formeel en feitelijk los te staan van het podium waar de activiteiten plaatsvinden.

Er kan op elk van de terreinen van de scheppende en uitvoerende kunsten aan ten hoogste één instelling subsidie worden verstrekt voor een internationaal platform dat de gehele breedte van het betreffende terrein bestrijkt. Voor de scheppende kunsten zijn dit de terreinen architectuur, beeldende kunst, film, vormgeving, nieuwe media en letteren, voor de uitvoerende kunsten de terreinen theater, muziek, dans en muziektheater.

Bij de uitvoerende kunsten en de film zijn duidelijke deelterreinen te onderscheiden. Wat betreft de uitvoerende kunsten kan daarom zowel voor de volle breedte als voor de dans, het theater en de verschillende deelterreinen in de muziek (zoals pop, oude muziek, moderne gecomponeerde muziek, jazz en wereldmuziek) een aanvraag worden ingediend. Voor de letteren zijn de deelterreinen proza en poëzie te noemen. Voor de film geldt dat naast de speelfilm er de mogelijkheid is een aanvraag in te dienen voor de documentaire en de animatiefilm. Daarnaast is er de mogelijkheid een aanvraag in te dienen voor een internationaal platform op het gebied van jeugdaanbod in de podiumkunsten en film. Van belang is daarbij dat er geen overlap is tussen de activiteiten van de te subsidiëren instellingen.

Artikel 9i (Productiehuizen)

Subsidie kan worden verstrekt aan productiehuizen die zich op een of meer terreinen van de podiumkunsten (dans, theater, muziek en muziektheater) richten. Productiehuizen zijn instellingen die bijdragen aan vernieuwing en ontwikkeling van het betreffende terrein. Ze leveren een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van pas afgestudeerde makers of freelance makers, door hen te begeleiden bij het maken van een of meer producties. Daarnaast dragen productiehuizen met hun activiteiten ook anderszins bij aan ontwikkeling van het betreffende terrein door het uitvoeren van vernieuwende of experimentele activiteiten.

Om voor subsidie in aanmerking te komen is vereist dat de instelling beschikt over de noodzakelijke faciliteiten. Bijvoorbeeld over studio’s en ondersteunende technische voorzieningen.

Verder is vereist dat presentatie van de activiteiten gegarandeerd is. De wijze waarop is afhankelijk van het traject waar de presentatie de afsluiting van vormt. Vaak zal het gaan om een kleinschalige presentatie op een podium van het productiehuis zelf. Als het productiehuis zelf geen presentatiemogelijkheid heeft, kan worden volstaan met goede afspraken met een of meer andere podia, waardoor feitelijk gegarandeerd is dat activiteiten gepresenteerd worden. Wezenlijk is wel dat alle activiteiten uitmonden in openbare presentaties, zodat belangstellenden kennis kunnen nemen van de activiteiten van de deelnemers. Gelet op het specifieke karakter van de productiehuizen worden er geen andere eisen aan de omvang van de podia gesteld. Niet uitgesloten is dat een begeleidingstraject uitmondt in een project dat niet geschikt is voor presentatie op een podium. In dat geval is die presentatie ook niet vereist.

Voor productiehuizen geldt ook dat zij hun activiteiten verspreid over het jaar moeten realiseren.

Ten slotte is vereist dat de instelling voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één of enkele artistieke leiders. De artistiek leider is degene die verantwoordelijk is voor de artistieke koers van de instelling. In die hoedanigheid selecteert hij de makers waarmee het productiehuis samenwerkt.

Artikel 9j (Instellingen gericht op presentatie van beeldende kunsten)

Subsidie kan worden verstrekt aan instellingen die presentaties op het gebied van de hedendaagse beeldende kunst verzorgen. Deze instellingen, die ook wel presentatie-instellingen worden genoemd, zijn vrijhavens voor experiment en vernieuwing en ontwikkelplekken voor talent. Ze stellen presentaties samen die een beeld geven van de actuele ontwikkelingen in de beeldende kunst.

Om voor subsidie in aanmerking te komen is vereist dat de instelling beschikt over een geschikte presentatieruimte. Er moet sprake zijn van een fysieke ruimte; een virtuele presentatieplek is niet voldoende.

Verder dienen presentatie-instellingen verspreid over het jaar presentaties te realiseren. Er moet dus een doorlopende programmering zijn.

Net als bij productiehuizen is vereist dat de instelling voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één of enkele artistiek leiders. De artistiek leider is ook hier degene die verantwoordelijk is voor de artistieke koers van de instelling. In die hoedanigheid selecteert hij de makers die de instelling presenteert.

Kunstenaarsinitiatieven, die als collectief opereren, komen niet voor subsidiëring in aanmerking. Het feit dat wisseling binnen het collectief mogelijk is, verandert dit niet.

Tot slot geldt dat de instelling geen instelling mag zijn die overwegend gericht is op het beheer en behoud van cultureel erfgoed.

Artikel 9k (Post-academische instellingen)

Op het terrein van de podiumkunsten, de architectuur, de beeldende kunst, de vormgeving, de nieuwe media, en de film is subsidie mogelijk voor instellingen die post-academische programma’s aanbieden. Deze programma’s kunnen worden gezien als voortzetting van een masteropleiding in het hbo op het terrein van de kunst. Post-academische instellingen richten zich in eerste instantie (maar niet uitsluitend) op deelnemers met een afgeronde opleiding op het betreffende terrein. Het programma hoeft niet direct aan te sluiten op de opleiding; veelal zullen deelnemers al actief zijn geweest in de kunstpraktijk. Met hun activiteiten dragen deze instellingen bij aan het leggen van een verbinding tussen onderzoek, kennis en de toepassing ervan in de kunstpraktijk.

Vereiste om voor subsidie in aanmerking te komen is dat de instelling beschikt over voorzieningen die nodig zijn om de deelnemers te begeleiden. Hierbij valt te denken aan atelier- of werkruimte, benodigde apparatuur en dergelijke.

Voor instellingen die op basis van dit artikel worden gefinancierd is een vergelijking op grond van nationaal perspectief onvoldoende. Bij de beoordeling van de subsidieaanvragen zal ook worden gekeken naar de internationale context waarin een instelling functioneert.

Zie voor de weigering tot behandeling van subsidieaanvragen van instellingen die al bekostiging ontvangen op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of van instellingen waarvan de activiteiten een overlap vormen met het initieel onderwijs op grond van die wet, artikel 9q en de toelichting daarop.

Artikel 9l (Instellingen gericht op ontwikkeling en vernieuwing)

Op het terrein van de amateurkunst of cultuureducatie, de architectuur, het erfgoed, de film, de letteren, media en bibliotheken, de nieuwe media of vormgeving, en op het intercultureel terrein kan subsidie worden verstrekt aan instellingen waarvan de activiteiten bijdragen aan de ontwikkeling of vernieuwing van het betreffende terrein. Dit kan op vele manieren, zoals door het begeleiden of presenteren van talent, het faciliteren van experiment, het uitvoeren van onderzoek of het anderszins bijdragen aan disciplinaire verdieping.

Als subsidiecriterium geldt dat de instelling geen instelling mag zijn die overwegend gericht is op het beheer en behoud van cultureel erfgoed.

Artikelen 9m (Overige ondersteunende instellingen)

Subsidie kan worden verstrekt voor het uitvoeren van de ondersteunende taken op een terrein van het cultuurbestel. Wat onder deze ondersteunende taken moet worden verstaan is aangegeven in lid 2. Het gaat hier om de vijf besteltaken die zijn opgenomen in de brief van 28 december 2004 (Kamerstukken II 2004/05, 28 989, nr. 18).

De mogelijkheid tot subsidieverstrekking strekt zich niet uit tot alle instellingen die ondersteunende taken ter zake uitvoeren. Om te beginnen geldt deze subsidiemogelijkheid niet voor de zogenoemde brancheverenigingen (lid 1, onder a). Verder is artikel 9m ook niet van toepassing op sectorinstituten. Wat sectorinstituten zijn, is omschreven in lid 3. Omdat alle sectorinstituten aangewezen instellingen zijn, komen zij niet in aanmerking voor subsidiëring op grond van artikel 9m. Ten slotte is evenmin subsidiëring op grond van artikel 9m mogelijk aan instellingen die ondersteunende taken verrichten op een terrein, waar al een sectorinstituut werkzaam is (lid 1, onder b).

In de bijlage bij de nota ‘Kunst van leven’ is opgenomen op welke terreinen c.q. in welke sectoren sectorinstituten zullen zijn of worden voorzien.

Artikel 9n (Overige niet-sectorale ondersteunende instellingen )

Subsidie kan ook worden verstrekt voor het verrichten van coördinerende activiteiten inzake één of meer ondersteunende taken op het terrein van de cultuureducatie of op het interculturele of het internationale terrein. Het gaat hierbij niet om instellingen als bedoeld in artikel 9m, maar om instellingen die hun kernactiviteit hebben op een van de juistgenoemde drie terreinen (de cultuureducatie, het interculturele terrein of het internationale terrein). Ook hier geldt dat geen subsidiëring mogelijk is voor brancheverenigingen.

Artikel 9o (Subsidieaanvraag)

Iedere subsidieaanvraag moet voldoen aan de eisen die worden gesteld aan die aanvraag in de bijlage IV van de subsidieregeling (lid 1). Op de inhoud daarvan wordt nader ingegaan in de toelichting op onderdeel F.

Voor een verdere toelichting op de indiening van de subsidieaanvragen wordt verwezen naar paragraaf 3 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 9p (Subsidieverlening)

Voor een toelichting op lid 1 wordt verwezen naar paragraaf 4 van het algemeen deel van deze toelichting.

In lid 2 is geregeld dat bij de verdeling van de subsidie wordt rekening gehouden met de mate van spreiding van instellingen over het land en de aanwezigheid van een kunstvakopleiding op het terrein van de beeldende kunst in de plaats van vestiging. Uitgangspunt is dat er in totaal aan circa tien instellingen subsidie wordt verstrekt op basis van dit artikel.

Artikel 9q (Weigering subsidieverlening)

Artikel 9q bevat een grond tot weigering van een subsidieaanvraag door de Minister. Wat betreft een algemeen overzicht van de gronden tot weigering van subsidieaanvragen wordt verwezen naar paragraaf 4 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 9q houdt in dat bij instellingen wordt getoetst of deze al bekostiging ontvangen op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of van activiteiten of dat zij activiteiten ontplooien die een overlap vormen van initieel onderwijs waarvoor op grond van die wet bekostiging zou kunnen worden ontvangen. Aanleiding voor deze bepaling is de afronding van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs. Uitgangspunt is dat er een duidelijke scheiding moet zijn tussen de activiteiten die uit onderwijsmiddelen worden bekostigd en de activiteiten die uit cultuurmiddelen worden gesubsidieerd.

Artikel I, onderdeel F

Voor een toelichting op bijlage IV wordt verwezen naar de toelichting die in die bijlage zelf is opgenomen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.H.A. Plasterk

Naar boven