Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatscourant 2007, 177 pagina 10 | Onteigeningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatscourant 2007, 177 pagina 10 | Onteigeningen |
Besluit van 24 augustus 2007, no. 07.002614 tot gedeeltelijke goedkeuring van het besluit van de raad van Leusden van 14 december 2006, nummer 2006/11983, tot onteigening ingevolge artikel 77 van Titel IV van de onteigeningswet
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 juni 2007, no. 20070032321, Directie Juridische Zaken, afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken, Gelezen de brief van burgemeester en wethouders van Leusden van 21 december 2006, kenmerk RO/2006/14534.
Gelet op Titel IV van de onteigeningswet, Titel V van de Gemeentewet en Titel 10.2 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad van State gehoord (advies van 30 juli 2007, no. W08.07.0171/IV).
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 augustus 2007, no. 20070074072, Directie Juridische Zaken, afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de raad van de gemeente Leusden van 14 december 2006, nummer 2006/11983, tot onteigening ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder 1°, van de onteigeningswet, ten name van die gemeente, van de bij dat besluit aangewezen percelen, kadastraal bekend gemeente Stoutenburg, sectie C, nos. 98, 99, 100, 101, 107, 108, 1478, 1511, 1512, 1513, 1531 (ged.), 1663, 1998 (ged.), 2000 (ged.), 2058 (ged.), 2158, 2175 (ged.), 2176, 2211, 2212 (ged.), 2214 (ged.) en 2219 (ged.).
Het raadsbesluit tot onteigening
Op grond van artikel 77 van de onteigeningswet kan onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan. De ter onteigening aangewezen percelen en perceelsgedeelten zijn begrepen in het door de raad van Leusden op 15 juni 2006 vastgestelde en door Gedeputeerde Staten van Utrecht op 16 januari 2007 goedgekeurde bestemmingsplan “De Schammer 2006”, verder te noemen: het bestemmingsplan. Aangezien het bestemmingsplan ten tijde van het nemen van het raadsbesluit tot onteigening nog niet onherroepelijk was goedgekeurd, heeft de raad van Leusden in het onteigeningsbesluit de opschortende en ontbindende voorwaarden opgenomen ten aanzien van het moment van dagvaarding en het vervallen van het raadsbesluit tot onteigening.
De in de onteigening begrepen gronden zijn in het bestemmingsplan aangewezen voor de bestemmingen “Natuurgebied”, “Extensieve dagrecreatie en natuurgebied”, “Wegen”, en “Water”, alsmede voor de dubbelbestemmingen “Tijdelijke waterberging”, “Ecologische verbindingszone” en “Zone aardgastransportleiding”.
De gronden gelegen binnen het bestemmingsplan zijn thans met name in gebruik voor het agrarisch bedrijf. Daarnaast is sprake van gespreide bewoning, bedrijvigheid en enkele recreatieve functies. Het bestemmingsplan voorziet primair in de ontwikkeling van een ongeveer 40 hectare groot recreatie- en natuurgebied en van sportvoorzieningen. Deze laatste functie is noodzakelijk voor de herhuisvesting van de plaatselijke hockeyclub. Voor zover de bestaande bestemmingen niet nodig zijn voor de ontwikkeling van de in het bestemmingsplan nieuw vastgelegde functies, voorziet het bestemmingsplan in het conserveren van die bestaande bestemmingen (agrarisch bedrijf, wonen en bedrijvigheid).
Met de uitvoering van het bestemmingsplan wordt voorzien in een drietal behoeften. In de eerste plaats wordt ruimte geschapen voor recreatie-, natuur- en sportvoorzieningen die vooral ten dienste zullen staan van de ongeveer 30.000 toekomstige bewoners van de Amersfoortse VINEX-wijk Vathorst. In de tweede plaats voorziet het bestemmingsplan in de mogelijkheid van extra waterberging die in toenemende mate noodzakelijk wordt in het stroomgebied van de Barneveldse Beek, het Valleikanaal en de rivier de Eem. Tenslotte wordt door de aanleg van drie ecologische verbindingszones een extra schakel verwezenlijkt in het bestaande netwerk van zones en natuurgebieden rond Amersfoort en Leusden. Een en ander is onder meer vastgelegd in het streekplan en in het Waterbeheersplan 2004-2007 van het waterschap Vallei en Eem. Bij de uitvoering van het bestemmingsplan werkt de gemeente Leusden nauw samen met de gemeente Amersfoort, de provincie Utrecht en het waterschap Vallei en Eem.
Het is de bedoeling van de samenwerkende partijen om het bestemmingsplan te verwezenlijken in de periode 2007 - 2010.
De nieuw te ontwikkelen en de te conserveren bestemmingen zijn vervat in globale eindbestemmingen die niet behoeven te worden uitgewerkt.
In de door de gemeente voorgestane wijze van planuitvoering is behalve door de bestemmingsplanvoorschriften en de -kaart ook inzicht verschaft door middel van de beschrijving in hoofdlijnen. Tevens is bij de eerste ter visie ligging van het raadsbesluit tot onteigening het inrichtingsplan “De Schammer” van het waterschap gedeponeerd. Uit een en ander blijkt van een duidelijk beeld van de beoogde inrichting van het gebied.
Blijkens het raadsbesluit tot onteigening wenst de gemeente de daarin bedoelde gronden in eigendom te verkrijgen daar deze bezwaarlijk kunnen worden gemist bij de uitvoering van het bestemmingsplan.
Het raadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig artikel 84, eerste lid, van de onteigeningswet met ingang van 21 december 2006 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen op de gemeentesecretarie. De algemene kennisgeving daarvan heeft op 20 december 2006 plaatsgevonden in de lokaal verschijnende “Leusder Krant”. Binnen vorenbedoelde termijn zijn tegen het raadsbesluit bij Ons schriftelijk bedenkingen naar voren gebracht door :
1) A.A. van Daatselaar, grondplannummer 1,
2) R. van Henten namens F. van de Lagemaat, grondplannummers 6.1 t/m 6.3,
3) mr. M.M.J. Gerrits namens G. van Woudenberg en M. Wolswinkel, grondplannummer 8,
4) A.J. Blom-Hilhorst, drs. P.A.W. Blom en C.M. Blom, grondplannummers 3.1.a en 3.1.b,
5) J.A. Tondeur mede namens M.L. Tondeur-Voskuilen en P.M. Tondeur (de maatschap “Tondeur”), grondplannummer 2,
6) mr. L.J.H. de Vink namens H.M. van de Boom-Blom en H.J. van de Boom, grondplannummers 9.1.a en 9.1.b,
7) mr. F.P.J.M. Otten namens W.J. Smink Beheer B.V., grondplannummers 4.1 t/m 4.10.
Overeenkomstig artikel 86, tweede lid, van de onteigeningswet zijn de reclamanten door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid gesteld zich te doen horen.
Overwegingen naar aanleiding van de bedenkingen
De reclamant onder 1) voert in zijn bedenkingen in de eerste plaats aan dat er onvoldoende minnelijk overleg is gepleegd, voorafgaande aan de start van de onteigeningsprocedure. Er is geen schriftelijk bod ontvangen voor de 2.72.78 ha. zoals opgenomen in het onteigeningsplan. Echte onderhandelingen zijn er niet geweest. Er is op 22 mei 2006 wel een schriftelijk bod geweest, maar dat was zonder specificatie en zag bovendien op een andere oppervlakte, namelijk 2.78.75 ha. ook is hij van mening dat de geboden prijs veel te laag is. Ten aanzien van de bedenkingen met betrekking tot het minnelijk overleg merken Wij op dat het wettelijk vereiste van artikel 17 van de onteigeningswet, inhoudende dat de onteigenende partij hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst tracht te verkrijgen, betrekking heeft op de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Niettemin is het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve fase van de onteigeningsprocedure één van de criteria waaraan door Ons zo nodig wordt getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Gelet op het karakter van onteigening als uiterste middel, zijn Wij van oordeel dat ten opzichte van de burger eerst van dit middel - door het opstarten van de administratieve fase - mag worden gebruikgemaakt, indien langs minnelijke weg redelijkerwijs niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming is te komen. Aan deze eis is naar Ons oordeel - in het kader van onteigeningen bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet - in het algemeen genoegzaam voldaan, indien vóór de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan - in dit geval vóór 20 september 2006 - een aanvang met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving is gemaakt en ten tijde van het nemen van het raadsbesluit tot onteigening voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen vooralsnog niet tot het gewenste resultaat zullen leiden. Alsdan kan een gemeente - teneinde op een redelijk tijdstip tot uitvoering van het desbetreffende bestemmingsplan te kunnen overgaan - in beginsel tot onteigening besluiten. Het zou te ver gaan de eis te stellen, dat partijen reeds ten tijde van de tervisielegging van het onteigeningsplan in eerste instantie moeten zijn “uitonderhandeld”. Er is dus sprake van een tweevoudige verplichting tot onderhandelen van de partij die tot onteigening wenst over te gaan: vooreerst in het stadium van de administratieve fase van de onteigeningsprocedure en wel voor de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan en vóórdat een raadsbesluit tot onteigening wordt genomen en vervolgens, na het nemen van het koninklijk besluit, en vóórdat tot dagvaarding als bedoeld in artikel 18 van de onteigeningswet, wordt overgegaan, zijnde het tijdstip waarop de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure aanvangt.
In het bijzonder overwegen Wij dat Ons uit de overgelegde stukken en uit het onderzoek is gebleken van een genoegzaam onderhandelingstraject. Op 19 januari 2006 hebben alle bij de onteigening betrokken eigenaren een brief van de gemeente ontvangen, waarin de start van de grondverwerving is aangekondigd. Op 22 mei 2006 heeft dit geresulteerd in een eerste schriftelijk bod. In dit dossier blijkt uit de aan Ons overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek dat reeds vóór de tervisielegging van het onteigeningsplan gedurende het minnelijk overleg, vanwege enkele wijzigingen in het bestemmingsplan de te onteigenen oppervlakte reeds was teruggebracht van 2.78.75 ha. tot 2.72.78 ha. In de verdere onderhandelingen is laatstbedoelde oppervlakte dan ook steeds als uitgangspunt genomen. Om die reden kan de reclamant met betrekking tot de gewijzigde oppervlakten dan ook niet met vrucht bezwaar maken tegen de inhoud van het raadsbesluit tot onteigening. Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding merken Wij op, dat in het kader van een onteigeningsprocedure het de burgerlijke rechter zal zijn die uiteindelijk de onteigening zal uitspreken en daarbij tevens de hoogte van de schadeloosstelling bepaalt. De bedenkingen van de reclamant onder 1) kunnen in zoverre dan ook niet leiden tot de gehele of gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan het raadsbesluit tot onteigening.
In de tweede plaats voert de reclamant onder 1) aan, dat de onteigeningsnoodzaak niet gegeven is door de tijdsdruk die kennelijk gepaard gaat met het door de gemeente kunnen verkrijgen van subsidie voor de uitvoering van het plan. Ten aanzien van deze bedenking overwegen Wij dat Ons uit de aan Ons overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek genoegzaam is gebleken van een vanuit de planologische uitgangspunten van het plan voortspruitende noodzaak om op middellange termijn de uitvoering van het bestemmingsplan ter hand te nemen. Dat er voor de verwezenlijking van het plan (mede) een beroep moet worden gedaan op externe financiering in de vorm van Europese subsidies vormt als zodanig voor de gemeente dan ook geen aanleiding tot de voorgenomen onteigening.
In de derde plaats stelt de reclamant onder 1) dat de gemeente procedurefouten heeft gemaakt. De zienswijzen van 2 augustus 2006 zouden in het raadsbesluit gegrond noch ongegrond zijn verklaard. De reclamant onder 1) wijst er op, dat het college van burgemeester en wethouders reeds op 31 oktober 2006 - vóór afloop van de zienswijzentermijn - heeft besloten alle zienswijzen ongegrond te verklaren. Tevens wijst de reclamant er op dat er een gewijzigd raadsvoorstel is vastgesteld, waardoor zijn inspraakmogelijkheden ten onrechte zijn ingeperkt. De raadsvergadering waarin het onteigeningsplan is vastgesteld is naar het oordeel van de reclamant te laat aangekondigd.
Ten aanzien van deze bedenkingen overwegen Wij dat uit de stukken blijkt dat de raad in zijn besluit van 14 december 2006 wel uitdrukkelijk is overgegaan tot het ongegrond verklaren van de ingediende zienswijzen, waaronder die van de reclamant onder 1). De daarbij door de gemeente intern gevolgde procedure staat naar Ons oordeel niet in de weg aan het verlenen van goedkeuring aan het raadsbesluit, nu Ons niet is gebleken van een onvoldoende behandeling van het raadsvoorstel door de raad. Daarbij is Ons uit de overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek niet gebleken van een zodanig gewijzigd ontwerpraadsbesluit dat alleen al om die reden de raad niet in redelijkheid tot zijn besluit zou hebben kunnen komen.
Alles overziende geven de bedenkingen van de reclamant onder 1) Ons dan ook geen aanleiding aan het raadsbesluit tot onteigening de goedkeuring geheel of gedeeltelijk te onthouden.
De reclamant onder 2) voert in zijn bedenkingen aan dat door de voorgenomen onteigening ongeveer 15% van zijn agrarische bedrijfsgronden aan de bedrijfsvoering wordt onttrokken. Dat heeft ingrijpende gevolgen voor de continuïteit van zijn bedrijf. De reclamant onder 2) vindt dat de gemeente actief moet meewerken aan het zoeken naar vervangende grond. Als dat niet mogelijk is, moet bij onteigening rekening worden gehouden met de werkelijke bedrijfsschade. De hoogte van het gedane bod dekt de werkelijke schade niet. Het bedrag vertegenwoordigt maar circa een derde van de waarde, vergeleken met vergelijkbare grond in de omgeving. De reclamant heeft liever compenserende grond dan een schadeloosstelling.
Te dien aanzien merken Wij op, dat de gemeente weliswaar de mogelijkheden van vervangende grond heeft nagegaan, maar dat zulks tot het moment van het raadsbesluit tot onteigening niet tot resultaat had geleid. Aangezien de onteigeningswet niet verplicht tot een aanbod in de vorm van compensatie door vervangende grond, is dit in het kader van de goedkeuring van het raadsbesluit voor Ons dan ook geen reden om in zoverre de goedkeuring daaraan te onthouden. Wellicht kan het lopende overleg, dan wel het minnelijk overleg dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure vooraf behoort te gaan, terzake nog tot een voor de reclamant onder 2) bevredigende oplossing leiden. Zou dit niet het geval zijn, dan voorziet artikel 40 van de onteigeningswet in een door de burgerlijke rechter vast te stellen schadeloosstelling die een volledige vergoeding vormt voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn zaak.
De bedenkingen van de reclamant onder 2) geven Ons dan ook geen aanleiding om aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring te onthouden.
De reclamant onder 3) is eigenaar van een deels in de onteigening betrokken particuliere weg (steeg), die zal gaan dienen als openbare ontsluitingsweg voor de nieuw aan te leggen hockeyvelden en als openbare fiets- en wandelroute. De reclamant onder 3) stelt zich op het standpunt dat de onteigening niet noodzakelijk is omdat ook zonder zijn gedeelte van de steeg de uitvoering van het bestemmingsplan goed denkbaar is, mits wordt voorzien in een andere ontsluiting van de hockeyvelden. De bestemmingsregelingen voor de gebieden ter weerszijden van de steeg bieden daar naar het oordeel van de reclamant ook juridisch ruimte voor. De reclamant vreest ook dat het bestemmingsverkeer voor boerderij en woning zich moeilijk laat verenigen met de beoogde verkeersbewegingen van recreatieve aard.
Ten aanzien van deze bedenkingen van de reclamant overwegen Wij dat deze planologisch van aard zijn en derhalve naar voren hadden moeten worden gebracht in de daarvoor bestemde procedures op voet van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Zij vormen voor Ons dan ook geen aanleiding om aan het raadsbesluit geheel of gedeeltelijk de goedkeuring te onthouden.
Daarnaast stelt de reclamant onder 3) dat de voorgenomen onteigening met zich brengt dat hij aan weerszijden van de te onteigenen weg twee smalle stroken grond overhoudt, hetgeen in strijd is met artikel 3:2, in samenhang met artikel 3:46, van de Algemene wet bestuursrecht. Een zorgvuldige belangenafweging impliceert volgens de reclamant onteigening van bedoelde stroken.
Ten aanzien van deze bedenking van de reclamant onder 3) overwegen Wij dat bij onteigening het uitgangspunt dient te zijn dat van de eigenaar niet meer grond wordt ontnomen dan strikt noodzakelijk is ter uitvoering van de op de grond rustende bestemming. In de onteigening is uitsluitend begrepen die grond die in het bestemmingsplan de bestemming “Wegen” heeft. Voor de herinrichting van de bestaande steeg en het openbaar maken van die weg is de gemeente niet verplicht méér te onteigenen dan zij thans gedaan heeft. De (indicatie)stroken, welke op de plankaart zijn aangeduid als “waardevol landschapselement” omvatten ter plaatse de bermen van de weg waarin de oude eiken staan. Deze bermen zijn in het bestemmingsplan samen met de aangrenzende gronden aangewezen voor de bestemmingen “Sportvoorzieningen”, respectievelijk “Agrarisch gebied”. Laatstbedoelde gronden zijn evenwel in eigendom van anderen dan de reclamant. Dit in ogenschouw nemende, kan naar Ons oordeel niet met vrucht worden gesteld dat het raadsbesluit tot onteigening in zoverre onredelijk of onzorgvuldig zou zijn genomen.
Niettemin heeft de gemeente zich bereid verklaard om de stroken van de reclamant aan te kopen. Wellicht kan het lopende overleg, dan wel het minnelijk overleg dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure vooraf behoort te gaan terzake voor de reclamant alsnog tot een bevredigende oplossing leiden. Mocht zulks niet het geval zijn, dan merken Wij ten overvloede op, dat de reclamant onder 3) op grond van artikel 38, tweede lid, van de onteigeningswet, in de gerechtelijke fase bij de burgerlijke rechter alsnog kan vorderen, dat bedoelde stroken in de onteigeningsprocedure worden betrokken.
De reclamanten onder 4) verwachten dat het bestemmingsplan waartegen zij planologische bezwaren hebben ingediend, niet goedgekeurd zal worden. Het plan heeft nu ook geen rechtskracht.
Ten aanzien van deze bedenking, welke kennelijk de strekking heeft daarmee het ontbreken van de noodzaak voor de onteigening aan te tonen, overwegen Wij dat het nog niet onherroepelijk zijn van het vastgestelde bestemmingsplan geen belemmering behoeft in te houden voor het starten van de administratieve onteigeningsprocedure, mits ter bescherming van de belangen van de betrokken eigenaren aan het onteigeningsbesluit door de raad voorwaarden worden verbonden die het kunnen dagvaarden door de gemeente afhankelijk maken van het onherroepelijk worden van het plan. Eveneens moet door de raad worden besloten dat bij onthouding van goedkeuring het onteigeningsplan zal vervallen. In het aan Onze goedkeuring onderworpen raadsbesluit tot onteigening zijn de daartoe strekkende opschortende en ontbindende voorwaarde opgenomen. Daarmee is aan de rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsnormen voldaan. Om die reden is er voor Ons dan ook geen aanleiding aan het raadsbesluit geheel of gedeeltelijk de goedkeuring te onthouden.
De reclamanten onder 4) merken vervolgens op dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt of onvoldoende is aangetoond, kennelijk zorgt het verkrijgen van subsidies om het plan te verwezenlijken voor tijdsdruk bij de gemeente.
Ten aanzien van deze bedenking verwijzen Wij naar hetgeen Wij terzake hiervoor hebben opgemerkt bij de behandeling van de bedenkingen van de reclamant onder 1). Deze bedenking geeft Ons dan ook geen aanleiding om aan het raadsbesluit geheel of gedeeltelijk de goedkeuring te onthouden.
De reclamanten onder 4) voeren verder aan, dat er in het kader van het minnelijk overleg door de gemeente er op 22 mei 2006 een bod is gedaan voor een te onteigenen oppervlakte van 7.02.40 ha. Het bod is evenwel niet gespecificeerd. Blijkens het raadsbesluit gaat het om een te onteigenen oppervlakte van 6.61.49 ha. Dit komt niet overeen met het schriftelijk bod. Tevens wijzen de reclamanten op procedurefouten die de gemeente zou hebben gemaakt tijdens de procedure tot vaststelling van het onteigeningsbesluit.
Ten aanzien van deze bedenkingen verwijzen Wij naar hetgeen Wij terzake hiervoor hebben opgemerkt bij de behandeling van de bedenkingen van de reclamant onder 1). Deze bedenkingen van de reclamanten onder 4) geven Ons dan ook geen aanleiding om aan het raadsbesluit geheel of gedeeltelijk de goedkeuring te onthouden.
Tot slot wijzen de reclamanten onder 4) er op dat de gemeente artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht niet juist heeft toegepast door aan hen geen persoonlijke kennisgeving te hebben gestuurd. Ten aanzien van deze bedenking overwegen Wij dat Ons uit de aan Ons overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat aan de eigenaar van het grondstuk, te weten mevrouw A.J. Blom-Hilhorst op 11 juli en op 19 september 2006 een persoonlijke kennisgeving als bedoeld in artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht is gedaan. De reclamanten P.A.W. Blom en C.M. Blom (de kinderen Blom) stellen dat zij door een in 1999 in de openbare registers geregistreerde koopoptie belanghebbenden zijn in de onteigeningsprocedure en uit dien hoofde eveneens persoonlijk in kennis hadden moeten worden gesteld van de ter inzage legging van het onteigeningsplan. Hieromtrent overwegen Wij als volgt. Overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van de onteigeningswet wordt een zaak door onteigening bevrijd van alle daarop rustende rechten en lasten. Degene die een controleerbare koopoptie op een in een onteigeningsplan begrepen onroerende zaak kan uitoefenen is derhalve aan te merken als belanghebbende bij het onteigeningsbesluit. In de kadastrale gegevens is een verwijzing te vinden naar het bestaan van de door de reclamanten genoemde koopoptie. Uit het ingestelde onderzoek blijkt dat gedurende het minnelijk overleg, voorafgaande aan de terinzagelegging van het onteigeningsplan, er rechtstreekse betrokkenheid is geweest van de reclamanten bij dat overleg. Op 6 maart 2006 neemt P.A.W. Blom (“zoon”) deel aan het gesprek tussen de eigenaar, mevrouw Blom-Hilhorst, en de verwervers die namens de gemeente optreden. Uit het gespreksverslag blijkt dat de heer Blom aangeeft dat hij er bij de gemeente op heeft aangedrongen om in de planfase, maar ook in de uitvoering van het project er “als eigenaar” graag bij betrokken te willen worden. Op 4 oktober 2006 is ook zijn zuster, mevrouw C.M. Blom (“dochter”), aanwezig bij het minnelijk overleg. In dit geval had de gemeente naar Ons oordeel dan ook het minnelijk overleg moeten aangrijpen om de positie van de reclamanten als belanghebbende tijdig te onderkennen en hen bij de start van de administratieve procedure een persoonlijke kennisgeving te sturen overeenkomstig artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht. Zoals Wij in Ons besluit van 21 maart 2007, no. 07.000946 (Capelle aan den IJssel) hebben overwogen, rust op de gemeente terzake immers een inspanningsverplichting. Nu het sturen van een persoonlijke kennisgeving in de onteigeningsprocedure onder de geschetste omstandigheden tot de verwezenlijkbare verplichtingen van het gemeentebestuur behoorde, heeft dit door zulks na te laten gehandeld in strijd met de wet. In dit verband merken Wij overigens nog op, dat de gemeente nadat de reclamanten in hun eerste zienswijze op een en ander hadden gewezen, vanaf dat moment aan de kinderen Blom uit een oogpunt van dienstverlening de stukken heeft gezonden die ook aan de eigenaar, mevrouw Blom-Hilhorst, zijn gezonden. De reclamanten hebben naar Ons is gebleken tijdig hun zienswijzen naar voren kunnen brengen en zijn dientengevolge dan ook materieel niet in hun belangen geschaad. Onder deze omstandigheden kan naar Ons oordeel onthouding van goedkeuring dan ook achterwege blijven. De bedenkingen terzake van de reclamanten onder 4) kunnen Ons dan ook niet leiden tot de gehele of gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan het raadsbesluit tot onteigening.
De reclamanten onder 5) zijn elk voor 1/3 gerechtigd in de eigendom van het mede in de onteigening begrepen perceelsgedeelte met grondplannummer 2, welk perceelsgedeelte zij in agrarisch maatschapsverband exploiteren. Zij zijn in de eerste plaats van mening, dat de onteigening prematuur is omdat het bestemmingsplan nog niet is goedgekeurd. In dat verband vragen zij zich ook af of het algemeen belang met de uitvoering van dat plan gediend is, nu de grond al wordt gebruikt als “groene long”. Zij vrezen dat beste boerengrond zal worden opgeofferd aan natuur- en waterplannen die tot niets leiden en waarvan een deel na ontgronding weer de bestemming weideland zal krijgen. Zij hebben het sterke vermoeden dat de gemeente de gronden “afpakt” waarna het gebied zal worden gebruikt als zandwinput. Ook de reclamanten onder 5) wijzen op een mogelijk verband tussen de onteigening en een ter beschikking gestelde subsidie.
Ten aanzien van deze bedenkingen van de reclamanten onder 5) verwijzen Wij allereerst naar hetgeen Wij over de samenloop van bestemmingsplan- en onteigeningsprocedure en het aspect subsidie hiervoor hebben overwogen bij de behandeling van de bedenkingen van de reclamant onder 1). Voor wat betreft het antwoord op de vraag naar het algemeen belang dat met de uitvoering van het plan is gemoeid, overwegen Wij dat met de in het onherroepelijk geworden bestemmingsplan aan de desbetreffende gronden gegeven bestemmingen en gebruiksvoorschriften het publiek belang in beginsel gegeven is. Daarbij is aan het grondstuk van de reclamanten een wezenlijk andere dan een louter agrarische bestemming gegeven, namelijk die van natuurgebied. Voor zover de reclamanten onder 5) menen dat een en ander op onjuiste gronden is geschied of dat daaraan in de toekomst andere gevolgen zullen worden verbonden dan die waarin het bestemmingsplan voorziet, zijn de bedenkingen terzake van planologische aard en kunnen deze uitsluitend in de bestemmingsplanprocedure op voet van de Wet op de Ruimtelijke Ordening naar voren worden gebracht. Zij kunnen Ons als zodanig dan ook niet leiden tot de gehele of gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan het raadsbesluit tot onteigening.
De reclamanten onder 5) zijn daarnaast van mening dat tot op heden geen onderhandelingen hebben plaatsgevonden over minnelijke verwerving. Het uitsluitend eenzijdig uitbrengen van een bod door de gemeente is naar hun oordeel geen onderhandelen.
Ten aanzien van deze bedenkingen van de reclamanten onder 5) verwijzen Wij naar hetgeen Wij terzake hiervoor hebben overwogen bij de behandeling van de bedenkingen van de reclamant onder 1): op 19 januari 2006 is het minnelijk overleg gestart en op 22 mei 2006 is door de gemeente een schriftelijk bod uitgebracht. Deze bedenkingen van de reclamanten onder 5) geven Ons dan ook geen aanleiding om aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring te onthouden.
De reclamanten onder 6) voeren in hun bedenkingen in de eerste plaats een veelheid bezwaren aan die betrekking hebben op de in het bestemmingsplan vervatte bestemmingen in relatie tot gebruik en waarde van hun gronden. Wij overwegen dat deze bedenkingen van planologische aard zijn en derhalve ingebracht dienen te worden in de bestemmingsplanprocedure op voet van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De bedenkingen terzake kunnen Ons dan ook niet leiden tot het geheel of gedeeltelijk onthouden van goedkeuring aan het raadsbesluit tot onteigening.
In de tweede plaats menen de reclamanten onder 6) dat onvoldoende met hen is onderhandeld en dat voor hun gronden een te lage prijs wordt geboden. Hun bezwaren zijn niet louter van financiële aard, maar houden ook verband met de in het planologisch verleden op hun gronden gedachte stedelijke bestemmingen industrieterrein en woningbouw.
Ten aanzien van de bedenkingen inzake het minnelijk overleg verwijzen Wij allereerst naar hetgeen Wij terzake hiervoor hebben overwogen bij de behandeling van de bedenkingen van de reclamant onder 1): op 19 januari 2006 is het minnelijk overleg gestart en op 22 mei 2006 is door de gemeente een schriftelijk bod uitgebracht. Voor zover de reclamanten onder 6) bezwaren hebben tegen de hoogte van de schadevergoeding overwegen Wij dat de hoogte van de schadeloosstelling uiteindelijk in de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure door de burgerlijke rechter zal worden vastgesteld. De bedenkingen terzake van de reclamanten onder 6) kunnen Ons dan ook niet leiden tot het geheel of gedeeltelijk onthouden van goedkeuring aan het raadsbesluit tot onteigening.
De reclamant onder 7) stelt in de eerste plaats dat hij in staat en bereid is om de op de bij hem in eigendom zijnde percelen rustende bestemmingen zelf te verwezenlijken, eventueel in samenwerking met andere grondeigenaren. Het openbare karakter van het plan sluit zulks naar het oordeel van de reclamant niet uit. Ook een door de gemeente voorgestane integrale uitvoering is door deze volgens de reclamant niet aannemelijk gemaakt. De reclamant onder 7) is in dit verband bereid om na zelfrealisatie de gronden alsnog aan de gemeente over te dragen. Deze wenst daarop echter niet serieus in te gaan.
Ten aanzien van deze bedenkingen overwegen Wij dat Ons uit de aan Ons overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat de reclamant niet langer wenst in te zetten op zelfrealisatie van de bestemmingen maar de gronden wenst te verkopen aan de gemeente. In dat verband blijkt hij met andere eigenaren geen samenwerking te hebben gezocht. Evenmin blijkt hij concrete plannen te hebben ontwikkeld voor de uitvoering van de bestemmingen waarbinnen natuurgebieden en extensieve dagrecreatie is voorzien. Eveneens speelt een rol dat de reclamant onder 7) de gronden ooit heeft gekocht met het oog op de toenmalige plannen met betrekking tot de ontwikkeling van bedrijfsterreinen. Gelet op deze omstandigheid behoeven de bedenkingen terzake van de reclamant onder 7) thans geen verdere bespreking.
In de tweede plaats stelt de reclamant onder 7) dat de urgentie van de onteigening onvoldoende is aangetoond. De urgentie vloeit kennelijk enkel voort uit het kunnen verkrijgen van subsidie. Een planning voor de realisatie van het bestemmingsplan is evenmin door de gemeente overgelegd. Tot slot acht de reclamant de geboden prijs voor de grond te laag, mede in het licht van de in het planologisch verleden gedachte stedelijke bestemmingen van de gronden.
Ten aanzien van deze bedenkingen van de reclamant onder 7) overwegen Wij dat uit de aan Ons overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek genoegzaam is gebleken van de aannemelijkheid van verwezenlijking van het plan binnen een tijdvak van vijf jaar na de dagtekening van Ons besluit. Voor wat betreft het subsidieaspect verwijzen Wij naar hetgeen Wij hiervoor terzake hebben overwogen bij de behandeling van de bedenkingen van de reclamant onder 1). Indien de reclamant onder 7) en de gemeente niet alsnog tot minnelijke overeenstemming zullen kunnen komen, zal de hoogte van de schadeloosstelling worden bepaald door de burgerlijke rechter in de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Deze bedenkingen van de reclamant onder 7) geven Ons dan ook geen aanleiding aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring te onthouden.
Ten aanzien van de onteigening van de percelen kadastraal bekend gemeente Stoutenburg, sectie C, nos. 107 en 108 is Ons gebleken dat deze percelen ten tijde van de start van de administratieve procedure door de toenmalige eigenaar G. van Ginkel al waren verkocht aan J. Schep te Schoonhoven. Uit het verslag van het telefoongesprek van 14 maart 2006 tussen de gemeentelijke verwerver en de heer Schep blijkt uitdrukkelijk van deze verkoop. Daarmee staat naar Ons oordeel vast, dat Schep door het gemeentebestuur aangemerkt had moeten worden als belanghebbende bij het voorgenomen besluit tot onteigening. Dientengevolge had de gemeente aan Schep bij de start van de administratieve procedure de persoonlijke kennisgeving bedoeld in artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht moeten doen. Nu het gemeentebestuur zulks heeft nagelaten heeft dit gehandeld in strijd met de wet. Nu niet vast staat dat de heer Schep daardoor niet in zijn belangen is geschaad, is er naar Ons oordeel aanleiding om aan het raadsbesluit tot onteigening in zoverre de goedkeuring te onthouden.
Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Leusden worden geacht, dat zij de eigendom van de overige in het raadsbesluit tot onteigening aangewezen gronden verkrijgt. Er is voor het overige evenmin aanleiding om aan genoemd raadsbesluit de goedkeuring te onthouden.
Wij hebben goedgevonden en verstaan:
het besluit van de raad van Leusden van 14 december 2006, nummer 2006/11983, goed te keuren, met uitzondering van de onteigening van de percelen kadastraal bekend gemeente Stoutenburg, sectie C, nos. 107 en 108, aan welke gedeelten van het raadsbesluit de goedkeuring wordt onthouden.
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het raadsbesluit in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
’s-Gravenhage, 24 augustus 2007.
Beatrix.
De Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J.M.
Cramer.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,G.
ter Horst.
Publicatie advies Raad van State en nader rapport overeenkomstig artikel 25a, eerste en tweede lid, Wet op de Raad van State.
De raad der gemeente Leusden;
gelezen het voorstel van het college d.d. 7 november 2006, nummer 2006/11983;
dat de raad bij besluit van 15 juni 2006 het bestemmingsplan “De Schammer 2006” heeft vastgesteld;
dat het bestemmingsplan op een gebied globaal begrensd door de Driftakkerweg (een parallelweg van de A28), de noordoever van de Barneveldse Beek, de Hessenweg, de Horsterweg en het Valleikanaal de globale bestemmingen natuurgebied, extensieve dagrecreatie en natuurgebied, wegen, water, tijdelijke waterberging en ecologische verbindingszone legt;
dat de toelichting, voorschriften, waaronder een algemene beschrijving in hoofdlijnen en de plankaart van het bestemmingsplan en het inrichtingsplan “De Schammer” inzicht bieden in de door de gemeente voorgestane vorm van uitvoering;
dat uitvoering van het bestemmingsplan in het belang is van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Leusden en op zo kort mogelijke termijn geboden is, zoals blijkt uit de van het onteigeningsplan deeluitmakende zakelijke beschrijving;
dat ter realisering van het bestemmingsplan de vrije en onbelaste eigendom verkregen dient te worden van (gedeelten van) de onroerende zaken kadastraal bekend gemeente Stoutenburg, sectie C, nummers 98, 99, 100, 101, 107, 108, 1478, 1511, 1512, 1513, 1531, 1663, 1998, 2000, 2058, 2158, 2175, 2176, 2211, 2212, 2214 en 2219;
dat de gemeente de gronden, benodigd voor de uitvoering, nog niet in eigendom heeft en met de eigenaren onderhandelingen heeft gevoerd en voert teneinde te trachten tot minnelijke overeenstemming te komen omtrent de eigendomsverwerving ten behoeve van de gemeente Leusden;
dat bedoelde minnelijke overeenstemming met de eigenaren tot dusverre niet is bereikt;
dat onteigening derhalve noodzakelijk is geworden;
gelet op de bepalingen van de Onteigeningswet, in het bijzonder artikel 77, lid 1, sub 1;
besluit:
1. ongegrond te verklaren de door:
De heer A.A. van Daatselaar, Hessenweg 18 te Stoutenburg;
R. van Henten, namens de heer F. van de Lagemaat, Nieuw Loosdrechtsedijk 73 te Loosdrecht;
Mr. M.M.J.J. Gerrits, namens de heer G. van Woudenberg en mevrouw M. Wolswinkel, Sickeszplein 1 te Arnhem;
Mevrouw A.J. Blom-Hilhorst, de heer drs. P.A.W. Blom en mevrouw C.M. Blom, Horsterweg 24 te Leusden
(zienswijze d.d. 22 augustus 2006 en aanvullende zienswijze d.d. 23 augustus 2006);
De heer J.A. Tondeur, namens de maatschap Tondeur, Asschatterweg 54 A te Leusden
(zienswijzen van 22 augustus 2006 en 1 november 2006);
Mr. L.J.H. de Vink, namens mevrouw H.M. van de Boom-Blom en
de heer H.J. van de Boom (namens de kinderen Blom), Montaubantstraat 16 te Zeist;
Mr. F.P.J.M. Otten, namens W.J. Smink Beheer BV., Pythagoraslaan 2 te Utrecht
(zienswijze d.d. 23 augustus 2006 en aanvullende zienswijze d.d. 24 augustus 2006) en
het Waterschap Vallei & Eem te Leusden
ingediende zienswijzen;
2. te onteigenen ten name van de gemeente Leusden, ter uitvoering van het bestemmingsplan “De Schammer 2006” en ter verkrijging van de eigendom, vrij van alle lasten en rechten, (gedeelten van) de onroerende zaken kadastraal bekend gemeente Stoutenburg, sectie C, nummers 98, 99, 100, 101, 107, 108, 1478, 1511, 1512, 1513, 1531, 1663, 1998, 2000, 2058, 2158, 2175, 2176, 2211, 2212, 2214 en 2219,
een en ander overeenkomstig de bij dit besluit behorende grondplantekening en lijst van te onteigenen percelen, vermeldende het grondplannummer, de te onteigenen grootte, de grootte en de kadastrale nummers van de te onteigenen onroerende zaken alsmede de namen van de eigenaren volgens de kadastrale registratie en
3. te bepalen dat:
a. een gerechtelijke vordering tot onteigening welke noodzakelijk mocht worden ter uitvoering van dit besluit niet eerder kan worden ingesteld dan nadat en voorzover het bestemmingsplan ‘De Schammer 2006” ten aanzien van de in dit besluit bedoelde onroerende zaken onherroepelijk is goedgekeurd;
b. dit besluit vervalt, indien en voorzover ten aanzien van de in dit besluit bedoelde onroerende zaken geen onherroepelijk goedkeuring verkregen wordt van het bestemmingsplan “De Schammer 2006”;
c. indien en voor zover de in dit besluit bedoelde onroerende zaken niet c.q. niet tijdig door de gemeente bij wege van minnelijke verwerving vrij van alle lasten en rechten in eigendom zijn verkregen, in rechte de (vervroegde) onteigening wordt gevorderd en dat alsdan terzake namens de gemeente een rechtsgeding wordt gevoerd in eerste aanleg en - zonodig - in hoger beroep en cassatie, zowel eisende als - zonodig - verwerende, het instellen van bijzondere rechtsmiddelen en procesgangen ter uitvoering van dit besluit daaronder begrepen, waaronder in het bijzonder het indien nodig ten name van de gemeente in rechte verzoeken om benoeming van derden als bedoeld in artikel 20 van de Onteigeningswet en
d. dat gedurende de gehele onteigeningsprocedure vanwege de gemeente getracht zal blijven worden de in dit besluit bedoelde onroerende zaken minnelijk te verwerven.
Aldus besloten door de raad van de gemeente Leusden in zijn openbare vergadering van 14 december 2006.
T. Rolle, griffier.
C.J.G.M. de Vet, voorzitter van de Raad.
Nr. grondplan | Te onteigenen grootte | Van de onroerende zaak, kadastraal bekend | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Omschrijving kadastraal object | Ter grootte van | Sectie en nummer | Gerechtigde | ||||||
ha | a | ca | ha | a | ca | ||||
Kadastrale gemeente: STOUTENBURG | |||||||||
1 | 2 | 72 | 78 | Wonen (Agrarisch) | 6 | 15 | 50 | C 2219 | van Daatselaar, Adrianus Antonius b.s.g. |
Terrein (Grasland) | Hessenweg 18 | ||||||||
3835 PJ Stoutenburg | |||||||||
burgerlijke staat: gehuwd met Schimmel, Catharina Geertruida Barbara, Stoutenburg | |||||||||
2 | 4 | 48 | 71 | Terrein (Grasland) | 8 | 04 | 40 | C 2058 | 1/3 eigendom: Voskuilen, Maria Lambertha b.s.g. Asschatterweg 54 A 3831 JW Leusden |
burgerlijke staat: gehuwd met Tondeur, Cornelis Januarius | |||||||||
Verkregen ten behoeve van Maatschap M.L.Voskuilen, P.M. en J.A. Tondeur | |||||||||
1/3 eigendom: Tondeur, Petronella Maria b.s.o. | |||||||||
Asschatterweg 54 A 3831 JW Leusden | |||||||||
Verkregen ten behoeve van Maatschap M.L.Voskuilen, P.M. en J.A. Tondeur | |||||||||
1/3 eigendom: Tondeur, Johannes Antonius b.s.o. | |||||||||
Asschatterweg 54 A | |||||||||
3831 JW Leusden | |||||||||
Verkregen ten behoeve van Maatschap M.L.Voskuilen, P.M. en J.A. Tondeur | |||||||||
3.1.a | 6 | 60 | 44 | Wonen Terrein (Grasland) | 9 | 53 | 20 | C 1998 | Hilhorst, Antonia Johanna b.s.g. Horsterweg 24 3835 PS Stoutenburg |
burgerlijke staat: gehuwd met Blom, Wilhelmus Jacobus, Stoutenburg | |||||||||
Aantekening recht: Koop of voorovereenkomst tot koop zie Wet voorkeursrecht gemeenten | |||||||||
3.1.b | 01 | 05 | Wonen Terrein (Grasland) | 9 | 53 | 20 | C 1998 | Hilhorst, Antonia Johanna b.s.g. | |
Horsterweg 24 | |||||||||
3835 PS Stoutenburg | |||||||||
burgerlijke staat: gehuwd met Blom, Wilhelmus Jacobus, Stoutenburg | |||||||||
Aantekening recht: Koop of voorovereenkomst tot koop zie Wet voorkeursrecht gemeenten | |||||||||
4.1 | 4 | 19 | 00 | Terrein (Grasland) | 4 | 19 | 00 | C 2176 | W J Smink Beheer BV |
Lindeboomseweg 15 | |||||||||
3828 NG Hoogland | |||||||||
Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet privaatrecht op gedeelte van perceel | |||||||||
gerechtigde: NV Nederlandse Gasunie | |||||||||
Concourslaan 17 | |||||||||
9727 KC Groningen | |||||||||
4.2 | 59 | 80 | Terrein (Grasland) | 59 | 80 | C 1663 | W J Smink Beheer BV, Hoogland | ||
4.3 | 2 | 01 | 00 | Terrein (Grasland) | 2 | 01 | 00 | C 1511 | W J Smink Beheer BV, Hoogland |
Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet privaatrecht op gedeelte van perceel | |||||||||
gerechtigde: NV Nederlandse Gasunie, Groningen | |||||||||
4.4 | 1 | 40 | 80 | Terrein (Grasland) | 1 | 40 | 80 | C 101 | W J Smink Beheer BV, Hoogland |
4.5 | 1 | 23 | 28 | Terrein (Grasland) | 1 | 23 | 28 | C 2211 | W J Smink Beheer BV, Hoogland |
Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet privaatrecht | |||||||||
gerechtigde: NV Nederlandse Gasunie, Groningen | |||||||||
4.6 | 1 | 52 | 00 | Terrein (Grasland) | 1 | 52 | 00 | C 100 | W J Smink Beheer BV, Hoogland |
4.7 | 15 | 80 | Terrein (Grasland) | 15 | 80 | C 99 | W J Smink Beheer BV, Hoogland | ||
4.8 | 97 | 80 | Terrein (Akkerbouw) | 97 | 80 | C 98 | W J Smink Beheer BV, Hoogland | ||
4.9.a | 07 | 61 | Terrein (Akkerbouw) | 6 | 00 | 00 | C 2175 | W J Smink Beheer BV, Hoogland | |
4.9.b | 1 | 34 | 29 | Terrein (Akkerbouw) | 6 | 00 | 00 | C 2175 | W J Smink Beheer BV, Hoogland |
4.10 | 4 | 67 | 09 | Terrein (Akkerbouw) | 9 | 45 | 74 | C 2214 | W J Smink Beheer BV, Hoogland |
Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet privaatrecht | |||||||||
gerechtigde: NV Nederlandse Gasunie, Groningen | |||||||||
Opstalrecht Nutsvoorzieningen | |||||||||
gerechtigde: De gemeente Leusden | |||||||||
t Erf 1 | |||||||||
3831 NA Leusden | |||||||||
5.1 | 45 | Berging-Stalling (Garage-Schuur) | 45 | C 2158 | Blom, Hendrikus Antonius, b.s.g. | ||||
Horsterweg 26 | |||||||||
3835 PS Stoutenburg | |||||||||
burgerlijke staat: gehuwd met van Eijden, Johanna Hendrika Theresia, Stoutenburg | |||||||||
Opstal | |||||||||
gerechtigde: Waterschap Vallei & Eem, Leusden | |||||||||
Fokkerstraat 16 | |||||||||
3833 LD Leusden | |||||||||
Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid3, onder B, van de Belemmeringenwet privaatrecht | |||||||||
gerechtigde: NV Nederlandse Gasunie, Groningen | |||||||||
5.2 | 08 | 37 | Wonen (Agrarisch) Terrein (Grasland) | 99 | 40 | C 2212 | Blom, Hendrikus Antonius, b.s.g. | ||
van Eijden, Johanna Hendrika Theresia, Stoutenburg | |||||||||
Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet privaatrecht | |||||||||
gerechtigde: NV Nederlandse Gasunie, Groningen | |||||||||
Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel | |||||||||
gerechtigde: Gemeente Leusden, Leusden | |||||||||
6.1 | 33 | 55 | Weiland | 33 | 55 | C 1478 | van de Lagemaat, Frans, b.s.o. | ||
Hamersveldseweg 120 | |||||||||
3833 GT Leusden | |||||||||
Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet privaatrecht | |||||||||
gerechtigde: NV Nederlandse Gasunie, Groningen | |||||||||
6.2 | 68 | 60 | Terrein (Grasland) | 68 | 60 | C 1512 | van de Lagemaat, Frans, b.s.o., Leusden | ||
Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet privaatrecht | |||||||||
gerechtigde: NV Nederlandse Gasunie, Groningen | |||||||||
6.3 | 1 | 94 | 20 | Weiland | 1 | 94 | 20 | C 1513 | van de Lagemaat, Frans, b.s.o., Leusden |
Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet privaatrecht | |||||||||
gerechtigde: NV Nederlandse Gasunie, Groningen | |||||||||
7.1 | 1 | 86 | 60 | Terrein (Grasland) | 1 | 60 | C 107 | van Ginkel, Gijsbertus | |
Hogeweg 251 | |||||||||
3816 BT Amersfoort | |||||||||
Aantekening recht: Koop of voorovereenkomst tot koop zie Wet voorkeursrecht gemeenten | |||||||||
7.2 | 1 | 51 | 25 | Terrein (Grasland) | 1 | 51 | 25 | C 108 | Ginkel, Gijsbertus van, Amersfoort |
Aantekening recht: Koop of voorovereenkomst tot koop zie Wet voorkeursrecht gemeenten | |||||||||
8 | 32 | 52 | Wegen | 48 | 50 | C 1531 | van Woudenberg, Gijsbertus b.s.g. | ||
Schammersteeg 1 | |||||||||
3835 PT Stoutenburg | |||||||||
burgerlijke staat: gehuwd met Wolswinkel, Marretje, Stoutenburg | |||||||||
Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel | |||||||||
gerechtigde: De gemeente Leusden, Leusden | |||||||||
9.1.a | 08 | 06 | Terrein (Grasland) | 3 | 48 | 10 | C 2000 | 1/7 eigendom: Blom, Christina Petronella b.s.g. | |
Nicolaas Wijntesstraat 6 | |||||||||
3791 VW Achterveld | |||||||||
burgerlijke staat: gehuwd met Blotenburg, Willem Johan, Achterveld | |||||||||
1/7 eigendom: Blom, Cornelia Hendrika b.s.g. | |||||||||
Rozenhaag 7 A | |||||||||
3831 CA Leusden | |||||||||
burgerlijke staat: gehuwd met Visser, M, Leusden | |||||||||
1/7 eigendom: Blom, Hendrika Maria b.s.g. | |||||||||
Hamersveldseweg 109 | |||||||||
3833 GM Leusden | |||||||||
burgerlijke staat: gehuwd met van de Boom, Hendrikus Johannes, Leusden | |||||||||
1/7 eigendom: Blom, Wilhelmina Hermana b.s.o., Leusden | |||||||||
Burg de Beaufortweg 35 | |||||||||
3833 AD Leusden | |||||||||
1/7 eigendom: Blom, Hermana Wilhelmina b.s.o., Hoogland | |||||||||
Hamseweg 37 D | |||||||||
3828 AA Hoogland | |||||||||
1/7 eigendom: Blom, Maria Christina b.s.o., Leusden | |||||||||
Bouwdriest 36 | |||||||||
3831 PD Leusden | |||||||||
1/7 eigendom: Blom, Carolina Timothea b.s.o., Hoevelaken | |||||||||
Veenslagenweg 166 | |||||||||
3871 NE Hoevelaken | |||||||||
Opstalrecht Nutsvoorzieningen | |||||||||
gerechtigde: De gemeente Leusden, Leusden | |||||||||
9.1.b | 1 | 96 | 04 | Terrein (Grasland) | 3 | 48 | 10 | C 2000 | 1/7 eigendom: Blom, Christina Petronella b.s.g. |
Blotenbrug, Willem Johan, Achterveld | |||||||||
1/7 eigendom: Blom, Cornelia Hendrika b.s.g. | |||||||||
Visser, M, Leusden | |||||||||
1/7 eigendom: Blom, Hendrika Maria b.s.g. | |||||||||
Boom, Hendrikus Johannes van de, Leusden | |||||||||
1/7 eigendom: Blom, Wilhelmina Hermana b.s.o., Leusden | |||||||||
1/7 eigendom: Blom, Hermana Wilhelmina b.s.o., Hoogland | |||||||||
1/7 eigendom: Blom, Maria Christina b.s.o., Leusden | |||||||||
1/7 eigendom: Blom, Carolina Timothea b.s.o., Hoevelaken | |||||||||
Opstalrecht Nutsvoorzieningen | |||||||||
gerechtigde: De gemeente Leusden, Leusden | |||||||||
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2007-177-p10-SC82190.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.