De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie;
Gezien het verzoek om ontheffing d.d. 13 augustus 2007, ontvangen op 13
augustus 2007 van Rijkswaterstaat, dienst Noordzee;
Overwegende dat de vereiste maatschappelijke relevantie blijkt uit, onder
andere, de opdrachten van Rijkswaterstaat, voor het uitvoeren van het acceptatieproces
van vervangende toestellen voor kustwachtoperaties;
Gelet op de artikelen 13, vierde lid en 44, eerste lid onder a en 45,
eerste lid onder a van het Luchtverkeersreglement;
Besluit:
Artikel 1
Dit besluit is van toepassing op de vliegtuigen van het type Dornier 228-212,
fabrieksnummer 8181 en 8183 ten behoeve van het acceptatieproces van vervangende
toestellen voor kustwachtoperaties.
Artikel 2
Aan de gezagvoerder van een onder artikel 1 genoemd luchtvaartuig wordt
voor de periode vanaf 15 augustus 2007 tot het moment van inschrijving in
het Nederlandse register voor burgerluchtvaartuigen (doch uiterlijk 31 december
2007) ontheffing verleend van het verbod, genoemd in artikel 13, 44 en 45,
van het Luchtverkeersreglement om tijdens een vlucht voorwerpen of stoffen
te verwijderen, af te wijken van de minimum vlieghoogte en VFR-vluchten buiten
daglichtperiode uit te voeren. Aan deze ontheffing zijn de volgende voorschriften
en beperkingen verbonden:
a. de maximale vlieghoogte bedraagt tijdens het verwijderen van voorwerpen
of stoffen tijdens de vlucht ten hoogste 100 ft boven het water;
b. het vliegzicht voldoet aan de VFR minima;
c. de maximale massa van de te verwijderen stoffen of voorwerpen bedraagt
35 kg;
d. op het moment van het verwijderen van voorwerpen of stoffen tijdens
de vlucht mag ander luchtverkeer hier geen hinder van ondervinden;
e. het verwijderen van voorwerpen of stoffen tijdens de vlucht vindt alleen
plaats boven de Noordzee;
f. tijdens het uitvoeren van het verwijderen van voorwerpen of stoffen
moet de gezagvoerder voortdurend zicht hebben op het water;
g. het verwijderen van voorwerpen of stoffen tijdens de vlucht moet dusdanig
geschieden dat personen daardoor niet gehinderd worden of gevaar lopen;
h. voor het uitvoeren van de vlucht is het luchtvaartuig uitgerust met
de instrumenten, zoals deze zijn vermeld in artikel 19 van de Regeling ten
aanzien van de uitrusting bij vluchten niet zijnde verkeersvluchten;
i. de gezagvoerder beschikt over een geldig CPL met bevoegdverklaring
IR;
j. voor de vlucht wordt tijdig een vliegplan ingediend;
k. tijdens het uitvoeren van de vlucht is een tweezijdige radioverbinding
tot stand gebracht met de betrokken luchtverkeersdienst en wordt voortdurend
op de aangewezen radiofrequentie geluisterd;
l. tijdens het vliegen wordt het programma dat vooraf aan LVNL wordt doorgegeven
nageleefd, tenzij een afwijkende klaring is verkregen;
m. bij het niet of niet volledig nakomen van de bovenstaande voorschriften
en beperkingen kan dit aanleiding zijn deze ontheffing in te trekken;
n. de aanvrager draagt er zorg voor dat de gezagvoerder bekend is met
de inhoud van deze beschikking.
Artikel 3
Deze beschikking treedt in werking met ingang van 15 augustus 2007 en
vervalt uiterlijk 1 januari 2008, of zoveel eerder indien daartoe aanleiding
bestaat.
Indien u het niet eens bent met deze beslissing kunt u hiertegen, op grond
van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, binnen zes weken na de
datum waarop deze beslissing is verzonden schriftelijk bezwaar aantekenen.
Het bezwaarschrift moet worden ondertekend en moet ten minste bevatten:
- de gronden van het bezwaar.