Naar aanleiding van de brieven van Ascent Resources plc (hierna te noemen:
Ascent) van 16 november 2006 en van 20 juni 2007 deel ik het volgende mee.
Inleiding
Bij besluiten van 10 oktober 2006, kenmerk ET/EM 6079292 en ET/EM 60792951, heb ik aan Ascent opsporingsvergunningen verleend voor de blokken
M10 en M11, voor een tijdvak van twee jaren nadat de beschikkingen onherroepelijk
zijn geworden. Tegen deze besluiten heeft Ascent bij bovengenoemde brief van
16 november bij mij bezwaarschriften ingediend. Bij brief van 11 januari 2007
heeft Ascent ermee ingestemd de behandeling van de bezwaarschriften op te
schorten tot 1 mei 2007. Vervolgens heeft Ascent met e-mailbericht van 21
mei 2007 verzocht de behandeling van de bezwaarschriften op te schorten tot
9 juli 2007. Met dit verzoek heb ik ingestemd.
Bij besluit van 5 juni 2007, kenmerk ET/EM 70637162 heb ik,
op verzoek van Ascent, de besluiten van 10 oktober 2006 gewijzigd in die zin,
dat ik de beide opsporingsvergunningen heb samengevoegd en de duur ervan heb
verlengd met twee jaren. Tegen dit besluit heeft Ascent bij bovengenoemde
brief van 20 juni 2007 bij mij een bezwaarschrift ingediend.
Bij brief van 6 juli 2007 heeft Ascent aangegeven geen gebruik te willen
maken van de mogelijkheid te worden gehoord.
Bezwaren
Ascent maakt bezwaar tegen artikel 5 van de besluiten van 10 oktober 2006,
waarin is bepaald dat de vergunning geldt voor een tijdvak van twee jaren
nadat de beschikking onherroepelijk is geworden. Ascent is van mening dat
een dergelijke beperking in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur.
Voorts maakt Ascent bezwaar tegen artikel I, subartikel 3, van het besluit
van 5 juni 2007, waarin is bepaald dat de vergunning geldt tot 11 oktober
2010. Ascent is van mening dat dit niet strookt met het bepaalde in artikel
II, subartikel 1 en dat daardoor onzekerheid bestaat over de geldigheidsduur
van de vergunning.
Overwegingen
De geldigheidsduur van twee jaren was in de vergunningen van 10 oktober
2006 opgenomen vanwege het feit dat de werkprogramma’s die aan de verlening
van de vergunningen ten grondslag hebben gelegen een langere duur niet rechtvaardigden.
Bij brief van 23 maart 2007 heeft Ascent de werkprogramma’s nader geconcretiseerd.
Daarnaast heeft Ascent gevraagd om samenvoeging en verlenging van de vergunningen.
TNO Bouw en Ondergrond, adviesgroep Economische Zaken (hierna genoemd TNO)
heeft op mijn verzoek per brief van 23 april 2007 advies uitgebracht over
de geconcretiseerde werkprogramma’s en de gevraagde samenvoeging en
verlenging.
Uit het advies van TNO van 23 april 2007 is gebleken dat de werkprogramma’s
zoals die zijn beschreven in de brief van Ascent van 23 maart 2007 voldoende
gedetailleerd zijn. Gelet op dit advies en overwegingen kan de geldigheidsduur
van de vergunningen van
2 jaar worden verlengd met maximaal 2 jaar, hetgeen leidt tot een totale
geldigheidsduur van 4 jaar nadat zij onherroepelijk zijn geworden.
Aan de voorwaarden voor samenvoeging van vergunningen, gesteld in de artikelen
138 tot en met 140 van het Mijnbouwbesluit, is voldaan.
Mij is niet gebleken van andere belanghebbenden die in hun belangen kunnen
worden geschaad.
Beslissing
Aan het eerste bezwaar van Ascent was reeds tegemoetgekomen. Het tweede
bezwaar is gegrond. Gelet op het voorgaande besluit ik als volgt:
Artikel 1
De besluiten van 10 oktober 2006, kenmerk ET/EM 6079292 en ET/EM 6079295
worden samengevoegd tot één opsporingsvergunning (M10/M11) voor
koolwaterstoffen.
Artikel 2
De vergunning geldt voor de blokken M10 en M11, welke blokken zijn aangegeven
op de als bijlage 3 bij de Mijnbouwregeling gevoegde kaart (Stcrt. 2002, 245).
Artikel 3
Energie Beheer Nederland B.V. is aangewezen als de vennootschap als bedoeld
in artikel 82 van de Mijnbouwwet.
Artikel 4
De vergunning geldt voor een tijdvak van 4 jaar nadat zij onherroepelijk
is geworden.
Artikel 5
De vergunninghouder geeft uitvoering aan de werkprogramma’s die
onderdeel uitmaken van zijn op 27 september 2005 ingediende aanvragen en nader
zijn geconcretiseerd bij zijn brief van 23 maart 2007, met dien verstande
dat hij:
a. uiterlijk twee jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning
aan de Minister van Economische Zaken de resultaten van zijn studie naar de
prospectiviteit van de blokken M10 en M11, inclusief gegevens met betrekking
tot de beoogde aan te boren structuur, schriftelijk overlegt;
b. uiterlijk twee jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning
aan de Minister van Economische Zaken schriftelijk gemotiveerd aangeeft waar
in het derde of vierde jaar na het onherroepelijk zijn geworden van de vergunning
de boring zal worden gezet, onder vermelding van tijdstip, plaats, geologische
structuur en diepte;
c. uiterlijk vier jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning
de hiervoor bedoelde boring heeft uitgevoerd en de Minister van Economische
Zaken terstond na aanvang van de genoemde boring hierover schriftelijk heeft
ingelicht, en
d. uiterlijk vier jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning
de resultaten van de boring heeft geëvalueerd.
Artikel 6
Het besluit van 5 juni 2007 wordt ingetrokken.
Artikel 7
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na die waarop het
is bekendgemaakt.
Dit besluit wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Van
dit besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Tegen dit besluit kan degene wiens belang daarbij rechtstreeks is betrokken,
binnen zes weken na de dag van bekendmaking van dit besluit een beroepschrift
indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus
20019, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Dit besluit is verzonden op de in de aanhef van deze brief vermelde datum.