Wijziging Vreemdelingencirculaire 2000 (2007/15)

Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 13 juli 2007, nummer 2007/15, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000 (Staatsblad 2000, 495), het Vreemdelingenbesluit 2000 (Staatsblad 2000, 497) en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Staatscourant 2001, nr. 10);

Besluit:

Artikel I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C24/Iran Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

Het asielbeleid ten aanzien van Iran

1

Achtergrond

Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Iran. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.

De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van mei 2007 over de situatie in Iran (zie de website van het Ministerie van BuZa).

Het besluitmoratorium op grond van artikel 43 Vw dat gold voor (geboren, bekeerde en bekerende) christenen uit Iran is met ingang van 19 mei 2007 komen te vervallen.

Het vertrekmoratorium dat op grond van artikel 45, vierde lid, Vw gold ten aanzien van dezelfde groep is met ingang van 19 mei 2007 ingetrokken.

Deze beleidswijziging is neergelegd in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 3 juli 2007.

2

Besluitmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Iran geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw.

Het besluitmoratorium op grond van artikel 43 Vw dat gold voor (geboren, bekeerde en bekerende) christenen uit Iran is met ingang van 19 mei 2007 komen te vervallen.

Dit laat overigens onverlet dat indien de beslistermijn op grond van artikel 43 Vw is verlengd, deze verlengde beslistermijn van kracht blijft.

3

Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen

3.1

(On line) journalisten, schrijvers, kunstenaars, uitgevers, intellectuelen, internettechnici, mensenrechtenactivisten

De Iraanse grondwet stelt de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid te garanderen. De persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting worden echter door een aantal artikelen in de Perswet en het Iraanse wetboek van strafrecht beperkt. Bovendien mag een uiting in de pers en in publicaties niet in strijd zijn met de beginselen van de islam. Het is niet aan te geven welke mening of publicatie precies in strijd is met de beginselen van de islam. De ene keer wordt een kritische uitspraak toegelaten, een andere keer worden de critici gearresteerd of krijgt bijvoorbeeld een krant een verschijningsverbod. Op dit punt is er sprake van een arbitraire rechtspraktijk.

Het enkele aannemen van een kritische houding is evenwel geen reden om vervolging aan te nemen.

Met name ‘intellectuele’ beroepsgroepen, onder wie parlementariërs, advocaten, hoogleraren, mensenrechtenactivisten, (on line) journalisten, kunstenaars, schrijvers, ‘bloggers’ en internettechnici, lopen in dit verband een verhoogd risico problemen te ondervinden. De intimidaties van het regime via het gerechtelijk apparaat jegens deze groep, met name zichtbaar geworden sinds april 2002, is door de jaren heen toegenomen en komt ook in de verslagperiode voor.

Van asielzoekers die tot deze beroepsgroepen gerekend kunnen worden en stellen vanwege hun hervormingsgezinde opstelling problemen te ondervinden, mag worden verlangd dat zij hun activiteiten aannemelijk kunnen maken. Het zal immers veelal gaan om personen die bekend zijn vanwege hun publiek optreden, of die bepaalde publicaties hebben uitgebracht, of bijvoorbeeld openlijk hebben deelgenomen aan bepaalde conferenties. Van hen kan worden verlangd dat zij publicatiebronnen en -data of andere achtergrondinformatie kunnen geven.

De asielzoekers die behoren tot de genoemde beroepsgroepen en aannemelijk maken dat zij vanwege hun activiteiten vervolging vrezen van de Iraanse autoriteiten, komen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.

3.2

Vakbondsleden

Iran kent geen vakbonden in de gangbare zin van het woord, maar er zijn wel (politieke) georganiseerde acties van groepen van werknemers bekend. Arbeiders die hebben deelgenomen aan demonstraties dan wel een belangrijke positie innemen in een ‘vakbeweging’ en aannemelijk kunnen maken om die reden persoonlijk vervolging te vrezen door de Iraanse autoriteiten, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

Van de asielzoeker mag worden verwacht dat hij aannemelijk maakt dat hij activiteiten heeft verricht voor de vakbeweging. Daarnaast mag ook worden verwacht dat aannemelijk wordt gemaakt dat de autoriteiten negatieve aandacht voor hem persoonlijk hebben.

3.3

Nationalistisch religieuzen

Nationalistisch religieuzen vormen een politieke stroming die minder invloed wenst van de geestelijkheid in de dagelijkse gang van zaken in Iran, met name op de terreinen van justitie, politie en de wetgevende macht. Het enkele behoren tot deze groepen is geen reden om vervolging aan te nemen.

Nationalistisch religieuzen, al dan niet lid van de verboden beweging Iran Freedom Movement, die aannemelijk maken dat zij door hun activiteiten een gegronde vrees voor vervolging door de Iraanse autoriteiten hebben, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

3.4

Etnische Arabieren of Ahwazi

In het zuidwesten van Iran leven Arabieren, ook wel Ahwazi genoemd. Zij bewonen de streek met de grootste oliereserves en een deel van de Ahwazi verlangen naar een eigen staat.

In het zuidwesten is onder meer sprake van rellen. De autoriteiten dwingen sommige Ahwazi zich te hervestigen in andere delen van Iran. Meerdere berichten melden dat Ahwazi zijn geëxecuteerd vanwege betrokkenheid bij een bomaanslag of voor samenzwering tegen de staat, waarbij in een aantal gevallen twijfel is gerezen over de eerlijkheid van de rechtsgang.

Het enkel behoren tot deze groep is niet voldoende voor vluchtelingschap. Indien asielzoekers aannemelijk maken dat zij tot deze groep behoren en zij enige vluchtelingrechtelijke indicatie kunnen geven dat de aandacht van de autoriteiten op de persoon is gevestigd, kunnen zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

3.5

Koerden

Veel aandacht van de autoriteiten in Teheran gaat uit naar de Koerden in het noordwesten. In juni, juli en augustus 2005 zijn diverse rellen uitgebroken. De autoriteiten traden hard op tegen de Koerdische rellen. Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat Koerdische journalisten worden gearresteerd door de autoriteiten. Veel Iraanse Koerden zijn gevlucht als gevolg van de militaire acties van de Iraanse strijdkrachten.

Het enkele behoren tot deze groep is niet voldoende voor vluchtelingschap. Koerden die hebben deelgenomen aan demonstraties of rellen dan wel een belangrijke positie innemen in de Koerdische beweging en aannemelijk kunnen maken om die reden persoonlijk vervolging te vrezen door de Iraanse autoriteiten, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

3.6

Activisten voor illegale politieke bewegingen

De Mujaheddin-e Khalq, de Koerdische Democratische Partij van Iran en de Komala zijn nog steeds actieve illegale politieke bewegingen die van buiten Iran worden gecoördineerd. Een relatief nieuwe gewapende Koerdische beweging is de PJAK (Party of Free Life of Kurdistan). Het enkele behoren tot een van deze groepen is geen reden om vervolging aan te nemen.

Bij aanvragen van activisten van genoemde of soortgelijke illegale politieke bewegingen dient grondig aandacht te worden gegeven aan mogelijke misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, aangezien deze groeperingen in verband worden gebracht met gebruik van geweld, waaronder aanslagen.

Activisten voor deze verboden bewegingen die aannemelijk maken dat zij een gegronde vrees voor vervolging door de Iraanse autoriteiten hebben (en van wie niet aannemelijk is dat zij misdrijven hebben begaan als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag), kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

3.7

Christenen

Uit het ambtsbericht komt naar voren dat geboren christenen in Iran in staat zijn zonder problemen hun godsdienst uit te oefenen. Discriminatie op religieuze gronden komt echter voor. Voor erkende religieuze minderheden (zoals het christendom) is het uiterst moeilijk in geval van discriminatie op religieuze gronden een beroep te doen op de overheid.

Indien een Iraanse moslim is bekeerd tot het christendom, kan hij te maken krijgen met dreigbrieven of dreigtelefoontje of met problemen met (locale) overheden. Ook is bekend dat bekeerlingen moeilijkheden hebben ondervonden om rechtsbescherming of beroepsmogelijkheden te zoeken. Wanneer deze personen reeds om andere redenen dan de geloofsovertuiging in de negatieve belangstelling staan, kan de bekering voor de autoriteiten als een verzwarende factor meewegen.

Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat bekeringsactiviteiten verboden zijn in Iran. Repressie, intimidatie en arrestaties van christenen kunnen plaatsvinden als er een sprake is van actieve bekering van moslims.

Bij de individuele beoordeling van asielaanvragen wordt uitgegaan van de notie dat Iraanse christen asielzoekers behoren tot een groep die bijzondere aandacht vraagt. Door van dit gegeven uit te gaan, worden minder eisen gesteld ten aanzien van de aannemelijkheid van het individuele asielrelaas. Dit betekent dat wanneer een vreemdeling in Iran vanwege zijn geloof problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten of van medeburgers en deze met geringe indicaties geloofwaardig kan maken, het aannemelijk wordt geacht dat sprake is van negatieve aandacht bij terugkeer naar het land van herkomst. In dat geval komt hij, behoudens contra-indicaties, op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.

Ten aanzien van Iraanse vreemdelingen die in Nederland zijn bekeerd tot het christendom is C2/2.6 van toepassing. Voor hen geldt voorts dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking kunnen komen voor de verlening van een verblifjsvergunning asiel voor bepaalde tijd wanneer zij aannemelijk maken dat zij bekeerd zijn en dat zij al problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen.

3.8

Bahaien

De situatie van de bahaien blijft onverminderd zorgwekkend. In het ambtsbericht van de Minister van BuZa wordt over de beschreven verslagperiode een verscherping van de controle op maatschappelijke activiteiten en aanhoudende arrestaties geconstateerd. Er is sprake van willekeur en soms van onteigening of sloop van eigendommen.

Het bahai-geloof wordt niet erkend in de Iraanse grondwet. Aanhangers worden als geloofsafvalligen van de islam beschouwd en als een bedreiging voor de stabiliteit van de staat.

Van personen die in Iran het bahai-geloof aanhangen wordt niet verlangd dat zij dit verborgen houden. Wanneer een vreemdeling in Iran vanwege zijn bahai-geloof problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten of van medeburgers en deze met geringe indicaties geloofwaardig kan maken, wordt aannemelijk wordt geacht dat sprake is van negatieve aandacht bij terugkeer naar het land van herkomst. In dat geval komt hij, behoudens contra-indicaties, op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.

3.9

Studenten

Studenten worden nog steeds als een bedreiging voor het regime beschouwd. Het enkel student zijn is evenwel geen reden om vervolging van de zijde van de Iraanse autoriteiten te vrezen.

Studenten die hebben deelgenomen aan studentendemonstraties of studentenrellen dan wel een belangrijke positie innemen in een studentenbeweging en aannemelijk kunnen maken om die reden persoonlijk vervolging te vrezen door de Iraanse autoriteiten, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

3.10

Vrouwen

Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing.

In het ambtsbericht van de Minister van BuZa is de rechtspositie van vrouwen op verschillende terreinen beschreven. Hieruit komt naar voren dat er nog immer sprake is van (huiselijk) geweld tegen vrouwen tegen en een ongelijke positie van de vrouw in wetgeving en rechtspraktijk.

Vrouwen die aannemelijk kunnen maken dat zij zich actief hebben ingezet voor een ‘niet-islamitisch’ waarden- en normenpatroon ten aanzien van vrouwen en om die reden op een dusdanige wijze worden gediscrimineerd dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren, of die daardoor een gegronde vrees voor vervolging hebben (zie C2/2.5), kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

3.11

Homoseksuelen, biseksuelen en transseksuelen

Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat homoseksualiteit in het openbare leven een taboe is. Homoseksuele mannen en vrouwen kunnen niet vrijelijk voor hun geaardheid uitkomen. Indien bekend is dat een persoon homoseksueel is, is het mogelijk dat deze gediscrimineerd wordt. Er zijn geen aanwijzingen dat geïnstitutionaliseerde discriminatie, bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt, plaatsvindt; men wordt bij het accepteren van werk niet gevraagd naar seksuele oriëntatie.

Homoseksualiteit op zich is in Iran niet strafbaar. Seksuele handelingen tussen mensen van hetzelfde geslacht zijn wel strafbaar en kunnen volgens de wet worden bestraft met de doodstraf. Er zijn geen gevallen bekend waarin personen louter en alleen ter dood zijn gebracht op basis van een veroordeling vanwege homoseksuele handelingen. Verschillende bronnen in Iran zijn van mening dat er geen aanwijzingen zijn dat er sprake is van een actief opsporings- en vervolgingsbeleid gericht tegen homoseksuelen. Bronnen in Iran erkennen niet dat er gefalsificeerde aanklachten tegen homoseksuelen zouden zijn ingediend, om op die manier mensen voor hun homoseksualiteit te kunnen straffen.

Transseksualiteit komt voor in Iran. Blijkens het ambtsbericht van de Minister van BuZa wordt het in Iran als een medische kwestie gezien. Het is in Iran mogelijk om van geslacht te veranderen. In het algemeen wordt er pragmatisch met transseksualiteit omgegaan, hoewel het met name buiten de grote steden niet overal sociaal geaccepteerd is. Religieuze leiders zouden zich daarentegen tamelijk onbevooroordeeld opstellen jegens transseksuelen.

Media en belangengroeperingen berichtten dat transseksuelen moeilijkheden zouden ervaren om papieren te krijgen en te maken zouden krijgen met seksuele intimidatie en mishandeling.

Homoseksuelen, biseksuelen en transseksuelen die aannemelijk maken dat zij op grond van hun seksuele oriëntatie, respectievelijk transseksualiteit op een dusdanige wijze worden gediscrimineerd dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren (zie C2/2.5), of die daardoor een gegronde vrees hebben voor vervolging door de Iraanse autoriteiten, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

Ten aanzien van homoseksuelen, biseksuelen en transseksuelen geldt, dat zij met ingang van 18 oktober 2006 zijn aangewezen als specifieke groepen, die, behoudens contra-indicaties, op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/4.4). Dit is uiteraard alleen van belang indien betrokkenen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

4

Traumatabeleid

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2, is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Iran geen bijzonderheden.

5

Categoriale bescherming

Asielzoekers uit Iran komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5).

6

Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten

6.1

Vlucht- en/of vestigingsalternatief

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2, is van toepassing.

Aangezien de Iraanse autoriteiten feitelijk gezag uitoefenen over het gehele grondgebied van Iran, is het hebben van een binnenlands vluchtalternatief voor personen die een gegronde vrees hebben voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM door de Iraanse autoriteiten, niet aannemelijk. Slechts wanneer duidelijk is dat de problemen van de asielzoeker lokaal bepaald zijn, kan sprake zijn van een binnenlands vlucht-, of vestigingsalternatief. Dit dient per individueel geval te worden beoordeeld.

6.2

Veilig land van herkomst

Iran wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.

6.3

Veilig derde land / land van eerder verblijf

Iran wordt niet beschouwd als veilig derde land.

6.4

Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.

De volgende groeperingen hebben zich schuldig gemaakt aan mensenrechtenschendingen. Om die reden dient men er op bedacht te zijn of personen die behoren tot deze groepen zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan gedragingen als omschreven in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag:

– Mujaheddin-e Khalq;

– National Liberation Army;

– Peoples Mujaheddin Organisation of Iran;

– National Council of Resistance;

– Iraanse Islamitische Studentenassociatie;

– Koerdische Democratische Partij van Iran;

– Komala (ook wel Komeleh);

– Islamitische Revolutionaire Garde (ook Sepah Pasdaran);

– Iraanse veiligheidsdiensten;

– PJAK.

6.5

Tussentijds Bericht Vc 1999/22

Voor Iran gold de bijzondere regeling van het Tussentijds Bericht Vc 1999/22. Deze regeling is op 1 april 2002 verlopen. Voor oudere zaken, die vóór 1 april 2002 zijn ingediend en in aanmerking zouden komen voor verblijf op grond van deze regeling, blijft dit beleid gelden. Deze regeling dient overigens niet te worden verward met het driejarenbeleid.

7

Opvangmogelijkheden Amv’s

Voor Amv’s is adequate opvang in Iran voorhanden. Minderjarige asielzoekers van Iraanse nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.

In Iran bestaat een goed functionerend opvangsysteem voor kinderen die geen ouders meer hebben. Kinderen worden in eerste instantie opgevangen door familieleden. Minderjarigen die om één of andere reden niet langer bij familieleden kunnen verblijven, kunnen worden ondergebracht in opvangtehuizen of pleeggezinnen. Het Bureau for Residential and Foster Care van Behzisti, de welzijnsorganisatie van de Iraanse regering, is verantwoordelijk voor de plaatsing van de kinderen.

8

Vertrekmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Iran geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

Het vertrekmoratorium dat gold ten aanzien van (geboren, bekeerde en bekerende) christenen uit Iran is ingetrokken met ingang van 19 mei 2007. Dit houdt in dat de rechtsgevolgen van de afwijzende beschikking herleven. De voortgezette opvang is met het eindigen van het vertrekmoratorium van rechtswege beëindigd. De vreemdeling wordt niet langer geacht rechtmatig verblijf te hebben als bedoeld in artikel 8, onder j, Vw en de vreemdeling dient Nederland te verlaten.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is geplaatst.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst

Den Haag, 13 juli 2007.
De Staatssecretaris van Justitie,
namens deze:
de directeur-generaalWetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken, R.K. Visser.

Toelichting

Algemeen

Op 19 mei 2007 is het besluit- en vertrekmoratorium voor christen asielzoekers uit Iran afgelopen dat in het najaar van 2006 met een half jaar was verlengd. De verlenging vond onder andere plaats omdat de informatie in het destijds beschikbare algemene ambtsbericht over Iran onvoldoende zicht bood op de positie van christelijke bekeerlingen. Op 18 juni 2007 is een nieuw ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Iran openbaar gemaakt waarin ook op de positie van christen asielzoekers wordt ingegaan. In dit Wijzigingsbesluit zijn de beleidsconclusies op basis van dit ambtsbericht verwerkt.

De Staatssecretaris van Justitie

namens deze:

de directeur-generaalWetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken,

R.K. Visser

Naar boven