Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2007, 140 pagina 24Besluiten van algemene strekking

Wijziging Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2009

Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 9 juli 2007, nr. BVE/Stelsel/2007/46814, tot wijziging van de Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2009 in verband met het inzetten van cofinancieringsmiddelen van bedrijven of instellingen ter realisatie van de FES-doelen

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op artikelen 2.2.3, derde lid, 2.4.3, 12.3.8, tweede lid en 12.3.9, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

Artikel I

De Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2009 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a. in het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘2006’ vervangen door: 2007.

b. het eerste lid, onderdeel c, ten tweede, komt te luiden:

2. het versterken van de competentiegerichte kwalificatiestructuur en;

c. in het vierde lid, wordt onderdeel a vervangen door:

a. het ontwikkelen van lesmateriaal en examenmateriaal voor competentiegericht beroepsonderwijs;

B

Artikel 3, vierde lid, komt te luiden:

4. De FES-middelen die zijn verstrekt in 2006, worden uiterlijk in 2007 besteed. De FES-middelen die zijn verstrekt in 2007, worden uiterlijk in 2008 besteed. De aanvullende vergoeding, bestemd voor instellingen, wordt uiterlijk in 2010 besteed. De aanvullende vergoeding, bestemd voor kenniscentra en Aequor, wordt uiterlijk in 2007 besteed.

C

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

Hoogte van het budget

1. Voor het jaar 2007 is voor het verstrekken van een aanvullende vergoeding op grond van deze regeling beschikbaar:

a. voor instellingen, uitgezonderd de AOC: € 33.005.000,–, vermeerderd met € 67.976.000,– uit FES-middelen;

b. voor kenniscentra, uitgezonderd Aequor: € 6.290.000,–;

c. voor AOC: € 4.600.000,– vermeerderd met € 3.774.000,– uit FES-middelen; en

d. voor Aequor: € 330.000,–.

2. De Minister maakt in de Staatscourant bekend welk bedrag beschikbaar is voor het verstrekken van een aanvullende vergoeding en FES-middelen op grond van deze regeling in de jaren 2008 en 2009.

3. De aanvullende vergoeding op basis van deze regeling voor kenniscentra wordt uitsluitend in 2007 verstrekt.

D

Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4a

Cofinanciering

Een instelling kan de FES-middelen die in 2007 zijn ontvangen, slechts besteden indien minimaal 35% van de kosten die zijn verbonden aan een doel, bedoeld in artikel 2, vierde lid, aan cofinanciering wordt gerealiseerd.

E

Artikel 8, tweede lid, komt te luiden:

2. De betaling van de aanvullende vergoeding vindt in de jaren 2008 en 2009 in het eerste kwartaal plaats.

F

Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9

Financiële verantwoording van de aanvullende vergoeding

1. De aanvullende vergoeding, niet zijnde FES-middelen, wordt verstrekt als tegemoetkoming in de uitgaven die zijn verbonden aan de in deze regeling omschreven doelen.

2. Middelen die op 1 januari 2011 niet zijn besteed worden teruggevorderd.

3. De accountant verricht zijn rechtmatigheidsonderzoek op 1 januari 2011 over de toegewezen middelen van de periode 2006 tot en met 2009.

4. De jaarrekening omvat een helder onderscheid tussen de besteding van de aanvullende vergoeding en de FES-middelen.

5. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de aanvullende vergoeding, niet zijnde FES-middelen.

G

Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a

Financiële verantwoording FES middelen

1. De FES-middelen worden uitsluitend aangewend voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt.

2. De FES-middelen die in 2006 zijn uitgekeerd en op 1 januari 2008 niet zijn besteed worden teruggevorderd.

3. De FES-middelen die in 2007 zijn uitgekeerd en op 1 januari 2009 niet zijn besteed worden teruggevorderd.

4. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de FES-middelen.

5. De instellingsaccountant controleert aan de hand van de administratie van de instelling of is voldaan aan de eis van artikel 4a.

6. Indien niet is voldaan aan de eis van artikel 4a, wordt een bedrag teruggevorderd dat gelijk is aan het verschil tussen de daadwerkelijk bestede FES-middelen en de FES-middelen die op grond van artikel 4a voor besteding zijn toegestaan.

H

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd: ‘Instellingen en kenniscentra’ wordt vervangen door: ‘Instellingen’.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 15 oktober 2006.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.M. Bijsterveldt-Vliegenthart.

Toelichting

Nieuwe regeling op hoofdlijnen, voornaamste wijzigingen

Deze regeling wijzigt de Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2009. Met de Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2009 zijn middelen voor innovatie rechtstreeks aan de onderwijsinstellingen ter beschikking gesteld via de systematiek van ‘oormerking’ gekoppeld aan de reguliere bekostiging. De hoogte van de middelen is afhankelijk van de hoogte van de reguliere bekostiging. De onderwijsinstellingen kunnen met deze middelen in overleg met de samenwerkingspartners in de regio onderwijsvernieuwing vorm geven. In 2006 is gestart met de Bve-sector. In 2007 wordt hieraan vervolg gegeven voor deze sector. Dit betekent dat ook in 2007 de onderwijssectoren vmbo en hbo nog geen deel zullen uitmaken van de innovatiebox. In 2007 worden de middelen voor innovatie via dezelfde systematiek als in 2006 ter beschikking gesteld aan de onderwijsinstellingen. De thema’s van de landelijke innovatieagenda, zoals vastgesteld door de landelijke overheid, Het Platform Beroepsonderwijs (HPBO) en de Stichting van de Arbeid (STAR), zijn niet gewijzigd en blijven de thema’s voor het jaar 2007. Deze thema’s blijven richtinggevend voor de ontwikkeling van de onderwijsvernieuwing in de regio.

Vanaf 2007 zijn de volgende middelen opgenomen in de innovatiebox: de impulsmiddelen (onderdeel mbo), kennisverspreiding MKB, bevorderen ondernemerschap, Stimulerende innovatieve Leeromgeving (SILO), Kennisuitwisseling Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (KeBB) en Cultuur en School.

Verantwoording en evaluatie

De onderwijsinstellingen verantwoorden zich richting de landelijke overheid over het innovatieresultaat. De financiële verantwoording vindt plaats in de jaarrekening van de onderwijsinstelling. Van de onderwijsinstellingen wordt voorts verwacht dat zij zich over de inzet en het innovatieresultaat (horizontaal) verantwoorden naar de samenwerkingspartners in de regio over de vooraf gezamenlijke beoogde regionale innovatie ambities voor het jaar 2007 en het behaalde innovatieresultaat op deze ambities (voor zover mogelijk). Opname in het jaarverslag van verantwoordingspassages biedt een goede basis om aan deze verwachte horizontale verantwoording invulling te geven. De onderwijsinstellingen en hun samenwerkingspartners zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de te realiseren inhoudelijke onderwijsvernieuwing.

In tegenstelling tot hetgeen is aangekondigd in voornoemde regeling zal geen afzonderlijke monitor worden ingesteld door de mbo-sector zelf om de regionale ambities en resultaten landelijk in kaart te brengen. Conform de verantwoordingssystematiek van de regeling, moeten de onderwijsinstellingen inhoudelijke verantwoording afleggen in het jaarverslag. Dit betekent dat met de verantwoording in het jaarverslag de regionale innovatie ambities en resultaten op de thema’s van de innovatieagenda in kaart worden gebracht. Deze verantwoording zal worden gebruikt als input voor de beleidsevaluatie. Van de afzonderlijke jaarverslagen van de onderwijsinstellingen zal een landelijk beeld in kaart worden gebracht.

Vooruitlopend op de verantwoording die de onderwijsinstellingen moeten afleggen over de inzet van de middelen die zij in 2006 hebben ontvangen, wordt door een onafhankelijk onderzoeksbureau een analyse uitgevoerd over de regionale ambities (en voor zover mogelijk de resultaten) van de aanvullende vergoeding en de FES-middelen. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van een inventarisatie die de MBO Raad heeft gepleegd. Het eindrapport zal in juni 2007 beschikbaar zijn. Dit eindrapport maakt samen met de verantwoording in het jaarverslag onderdeel uit van de beleidsevaluatie.

FES-doelen en FES-middelen

In vervolg op de FES-middelen die in 2006 beschikbaar zijn gesteld, worden in 2007 wederom FES-middelen met een totaalbedrag van € 71,8 miljoen via onderhavige regeling beschikbaar gesteld. De FES-middelen die in 2007 beschikbaar worden gesteld moeten uiterlijk worden besteed in het jaar 2008. Nieuw is dat de FES-middelen 2007 beschikbaar worden gesteld voor elk van de drie doelen, zoals eerder gesteld in de vorige regeling, met het verschil dat aan het ontwikkelen van lesmateriaal ook het ontwikkelen van examenmateriaal voor competentiegericht beroepsonderwijs is toegevoegd.

De drie doelen zijn:

1. het ontwikkelen van lesmateriaal en examenmateriaal voor competentiegericht beroepsonderwijs;

2. het investeren in kennis van docenten over het bedrijfsleven door middel van docentstages;

3. het aanjagen van instroom vanuit zwakkere groepen uit de beroepsbevolking tot 23 jaar in maatwerktrajecten die vooral of geheel in de praktijk worden uitgevoerd.

De onderwijsinstellingen moeten in gezamenlijkheid met hun samenwerkingspartners in de regio elk van de afzonderlijke drie doelen in 2008 gerealiseerd hebben.

Cofinanciering

In tegenstelling tot de vorige regeling is ten aanzien van de FES-middelen 2007, die via deze regeling beschikbaar worden gesteld, een voorwaarde van cofinanciering opgenomen. Dit betekent dat de onderwijsinstellingen voor ieder van de drie FES-doelen afzonderlijk maximaal 65% van de projectkosten uit de FES-middelen mogen financieren en 35% van de projectkosten door derden moet worden gefinancierd.

De FES-middelen moeten inhoudelijk op dezelfde wijze verantwoord worden als de aanvullende vergoeding. Dit betekent dat de onderwijsinstellingen achteraf via (in ieder geval) het jaarverslag inhoudelijk verantwoording afleggen aan hun samenwerkingspartners in de regio over de vooraf gezamenlijke beoogde regionale (FES-) ambities voor het jaar 2007en het behaalde innovatieresultaat op deze (FES-) ambities. De financiële verantwoording vindt plaats in de jaarrekening van de onderwijsinstelling. Een nieuwe ontwikkeling is dat in de verantwoording de gerealiseerde cofinanciering inzichtelijk moet worden gemaakt. Als uit de verantwoording blijkt dat bij de FES-middelen die met onderhavige regeling beschikbaar worden gesteld, de onderwijsinstellingen niet of niet voldoende cofinanciering hebben gerealiseerd worden de FES-middelen teruggevorderd.

De verantwoording in het jaarverslag wordt gebruikt als input voor de beleidsevaluatie. Dit betekent dat met de informatie uit (in ieder geval) het jaarverslag de regionale resultaten op de FES-doelen landelijk in kaart worden gebracht. De inhoudelijke verantwoording via het jaarverslag geeft in ieder geval zicht in het realiseren van de 5400 docentstages en 7000 maatwerktrajecten. De financiële verantwoording via de jaarrekening geeft in ieder geval inzicht in het realiseren van € 48,5 miljoen aan cofinanciering verspreid over de jaren 2007 en 2008.

Artikelsgewijs

Artikel 4a

Deze cofinancieringseis houdt in dat bovenop het bedrag dat een instelling besteedt aan de drie FES-doelen een bedrag afkomstig van derden moet worden gerealiseerd. Een instelling kan ook eigen middelen inzetten ter cofinanciering. Het cofinancieringsbedrag bedraagt minstens 35% van de projectkosten die zijn verbonden aan een bepaald FES-doel. Dit betekent dat maximaal 65% van de projectkosten uit de FES-middelen wordt gefinancierd.

Artikel 9a

Overeenkomstig de OCW-Richtlijnen Jaarverslaggeving wordt in de jaarrekening het aan het verslagjaar toe te rekenen innovatiebudget dat voortvloeit uit de FES-middelen herkenbaar als baat verantwoord, en worden de lasten verwerkt binnen de daartoe bestemde posten. De FES-middelen worden ook opgenomen in bijlage D2 bij de jaarrekening. Uit de administratie van de instelling moet blijken welk bedrag per doel aan cofinanciering is gerealiseerd en hoeveel procent per doel dit is van de kosten die zijn gemoeid met de realisatie van de FES-doelen. Een toezegging van een bedrijf of andere instelling tot cofinanciering is niet voldoende, de cofinancieringsmiddelen moeten op de rekening van de instelling zijn gestort. De instellingsaccountant controleert de administratie van de instelling op de realisatie van de cofinancieringsmiddelen. Indien niet wordt voldaan aan de cofinancieringseis wordt niet het gehele bedrag aan FES-middelen teruggevorderd, maar dat bedrag dat teveel aan FES-middelen is besteed.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. Bijsterveldt-Vliegenthart