Regeling compensatie slachtpremie bedrijfsgeruimde dieren
Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 20 juni 2007, nr. TRCJZ/2007/1732, houdende vaststelling van de Regeling compensatie slachtpremie bedrijfsgeruimde dieren
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
Gelet op de artikelen 2 en 4 van de Kaderwet LNV-subsidies;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. verordening 1117/2006: Verordening (EG) nr. 1117/2006 van de Commissie van 20 juli 2006 betreffende de slachtpremie en de extra betalingen in het kader van veterinaire maatregelen voor de slachting van dieren in Nederland (PbEU L199).
Artikel 2
De Minister verstrekt ambtshalve een subsidie aan landbouwers die runderen hielden die
a. in het kader van door de Minister genomen bestrijdingsmaatregelen met betrekking tot mond- en klauwzeer in 2001 op het bedrijf waar zij werden gehouden zijn gedood en geruimd;
b. in het kader van door de Minister genomen bestrijdingsmaatregelen met betrekking tot bovine spongiforme encefalitis in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 op het bedrijf waar zij werden gehouden zijn gedood en geruimd.
Artikel 3
1. De in artikel 2 bedoelde subsidie wordt slechts verstrekt voor runderen die voldoen aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel a en b, van verordening 1117/2006 en voorzover de landbouwer de desbetreffende dieren heeft aangehouden voor een periode van ten minste twee maanden die niet eerder dan een maand voor de datum waarop zij zijn geruimd afloopt.
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien ten genoege van de Minister vaststaat dat daaraan uitsluitend niet is voldaan door het tijdstip waarop de desbetreffende dieren zijn geruimd.
Artikel 4
1. De subsidie bedraagt:
a. voor het jaar 2000: € 17 voor elk geruimd kalf dan wel € 27 voor elk geruimd volwassen rund;
b. voor het jaar 2001: € 33 voor elk geruimd kalf dan wel € 53 voor elk geruimd volwassen rund;
c. voor het jaar 2002: € 50 voor elk geruimd kalf dan wel € 80 voor elk geruimd volwassen rund;
d. voor het jaar 2003: € 50 voor elk geruimd kalf dan wel € 80 voor elk geruimd volwassen rund.
2. Voor dieren die blijkens het I&R-systeem op het moment van ruiming ten minste 15 maanden oud waren, wordt de subsidie aangevuld met een extra betaling die bedraagt:
a. voor het jaar 2000 € 17,83 per mannelijk rund en € 9,76 per vrouwelijk rund;
b. voor het jaar 2001 € 9,45 per mannelijk rund en € 5,15 per vrouwelijk rund;
c. voor het jaar 2002 € 62,66 per mannelijk rund en € 34,28 per vrouwelijk rund;
d. voor het jaar 2003 € 0 per mannelijk rund en € 0 per vrouwelijk rund.
3. Op de subsidie zoals deze overeenkomstig het eerste en tweede lid wordt berekend is artikel 4 van verordening 1117/2006 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling compensatie slachtpremie bedrijfsgeruimde dieren.
Artikel 6
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en komt te vervallen op 1 januari 2008.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 20 juni 2007.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G. Verburg.
Toelichting
In het kader van de uitbraak van mond- en klauwzeer (MKZ) in 2001 en bij de bestrijding van bovine spongiforme encefalitis (BSE) in de jaren 2000 tot en met 2003 zijn op een aantal landbouwbedrijven in het kader van veterinaire maatregelen runderen geruimd. In het kader van die maatregelen zijn soms de runderen naar het slachthuis vervoerd en aldaar gedood, terwijl in andere gevallen het doden op het bedrijf zelf heeft plaatsgevonden.
Op 20 juli 2006 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen een verordening vastgesteld (Verordening (EG) nr. 1117/2006) (verder: de derogatieverordening), waarmee een basis is gegeven om voor in het slachthuis gedode runderen, waarvoor destijds geen slachtpremies of aanvullende betalingen zijn vastgesteld als bedoeld in de artikelen 11 en 14 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 (marktordening rundvlees), alsnog door de EU gefinancierde premies toe te kennen.
Voor op het bedrijf geruimde dieren biedt de derogatieverordening geen voorziening. Het is evenwel destijds niet aan de betrokken landbouwers geweest om te kiezen tussen doden op het slachthuis of op het bedrijf zelf. Het betrof hier beslissingen van de verantwoordelijke diensten, die berusten op overwegingen als slachthuiscapaciteit, al dan niet beschikbaarheid van vervoermiddelen en dergelijke.
Met deze regeling wordt een juridische grondslag gecreëerd om aan de landbouwers waarvan de dieren op het bedrijf zijn gedood een vergelijkbare compensatie te bieden als in het kader van de derogatieverordening aan de houders van op het slachthuis gedode dieren wordt verstrekt. Uit de aard der zaak komen de daarvoor beschikbare middelen niet uit de Europese begroting, maar komen zij ten laste van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Wel is ervoor gekozen om zoveel mogelijk parallellie tussen deze nationale regeling en de derogatieverordening te handhaven. In artikel 3 zijn in dat verband eisen aan de leeftijd van de dieren en ter zake van de zogenoemde aanhoudperiode gesteld die overeenkomen met hetgeen daarover in de derogatieverordening is opgenomen.
Aangezien de bedrijven waarvan destijds dieren zijn geruimd in het kader van MKZ en BSE bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bekend zijn, alsmede de gegevens over de destijds afgevoerde dieren, zal de toekenning en uitkering van de betalingen ambtshalve plaatsvinden; dit is in artikel 2 verwoord.
Artikel 4 geeft de grondslagen voor berekening van de uit te betalen bedragen. Hiervoor wordt aangesloten bij de slachtpremies en eventuele extra betalingen die op basis van de derogatieverordening worden uitgekeerd aan de landbouwers wier dieren op het slachthuis zijn gedood.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg