Herplaatsing Wijziging Vreemdelingencirculaire 2000 (2007/07)

In de Staatscourant van 25 mei 2007, nr. 99, is de Wijziging Vreemdelingencirculaire 2000 (2007/07) gepubliceerd. Deze is abusievelijk onvolledig weergegeven. Deze regeling wordt hieronder opnieuw integraal gepubliceerd.Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 21 mei 2007, nr. 2007/07, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000 (Staatsblad 2000, 495), het Vreemdelingenbesluit 2000 (Staatsblad 2000, 497) en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Staatscourant 2001, nr. 10);

Besluit:

Artikel I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C24/Afghanistan Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan

1 Achtergrond

Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.

De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van januari 2007 over de situatie in Afghanistan. Er is besloten tot handhaving van het beleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers. Hoewel het ambtsbericht aangeeft dat de situatie in Afghanistan is verslechterd, wordt geen aanleiding gezien om een beleid van categoriale bescherming in te stellen.

Hiervoor is doorslaggevend dat in de ons omringende landen geen bijzonder beleid voeren ten aanzien van Afghaanse asielzoekers. Alleen België kent een bijzonder beleid voor asielzoekers uit het zuiden van Afghanistan. Gezien de hoge mate van homogeniteit van de informatie over het beleid van de andere landen, wordt hieraan meer gewicht toegekend dan aan het gegeven uit het ambtsbericht dat de situatie in Afghanistan is verslechterd (zie C2/5.2.1 en C2/5.2.4).

2 Besluitmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Afghanistan geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw.

3 Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen

3.1 Etnische minderheden

Gezien de algehele situatie in Afghanistan bestaat er aanleiding bijzondere aandacht te schenken aan asielaanvragen van personen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een etnische minderheid behoren. Zij worden gezien de inhoud van het ambtsbericht aangemerkt als een risicogroep. Dit houdt in dat wanneer deze personen zich beroepen op problemen van de zijde van de huidige (centrale) autoriteiten, of lokale krijgsheren, of met medeburgers, en er sprake is van een geloofwaardig en individualiseerbaar asielrelaas, reeds met geringe indicaties aannemelijk kan worden gemaakt dat deze problemen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. Bij de beoordeling van de zwaarwegendheid zal bij personen die behoren tot een risicogroep zeer snel geoordeeld worden dat de problemen voldoende zwaarwegend zijn.

Indien hiervan sprake is, kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid onder a of b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3.2 Vrouwen

Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing.

Hierbij wordt opgemerkt dat blijkens het ambtsbericht de situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan en vooral buiten Kaboel en andere grote steden buitengewoon slecht is. In heel Afghanistan, de steden Kaboel, Herat en Mazar-i-Sharif incluis, komt op grote schaal geweld tegen vrouwen voor. Er bestaat nauwelijks gerechtelijke bescherming tegen dit geweld en genoegdoening voor de vrouw is niet mogelijk. Vrouwen hebben niet dezelfde rechten als mannen. De toegang voor vrouwen tot de gezondheidszorg en het onderwijs is slecht.

Vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor geweldpleging in Afghanistan, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming.

Vrouwen met een westerse levensstijl

Blijkens de inhoud van het ambtsbericht is er meer in het algemeen een risico voor vrouwen die de geldende sociale zeden overschrijden of waaraan dergelijk gedrag wordt toegeschreven. Wanneer een individuele asielzoekster aannemelijk maakt dat zij vanwege haar levensstijl zwaarwegende problemen heeft ondervonden in Afghanistan en deze problemen (mede) aanleiding zijn geweest voor het vertrek, kan dit voldoende zijn om op grond van artikel 29, eerste lid onder a of b, Vw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Voorts geeft het ambtsbericht aan dat UNHCR meent dat van Afghaanse vrouwen die na hun vertrek een westerse levensstijl hebben aangenomen die als overtreding van de in Afghanistan geldende sociale zeden wordt aangemerkt, niet kan worden verlangd terug te keren. Overtreding van de geldende sociale normen kan blijkens het ambtsbericht voor het betrokken individu ernstige gevolgen hebben. Hoewel dit zo is, zal het aannemen van een andere levensstijl na het vertrek uit het land van herkomst in de regel toch niet leiden tot verblijfsaanvaarding. Immers, het feit dat betrokkene in Nederland gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden en rechten van de Nederlandse samenleving betekent niet dat zij zich bij terugkeer niet wederom zal kunnen accommoderen. De omstandigheid dat betrokkene zich bij terugkeer niet op gelijke wijze kan uiten of ontplooien als in Nederland is daarbij onvoldoende grond om tot vergunningverlening over te gaan.

Alleenstaande vrouwen

Een vrouw wordt aangemerkt als alleenstaand indien er bij terugkeer naar Afghanistan geen echtgenoot of een ander meerderjarig mannelijk familielid aanwezig is of meereist, waarmee betrokkene voor vertrek uit Afghanistan in familieverband samenleefde en weer kan gaan samenleven.

Indien wordt geoordeeld dat de betrokkene niet meer kan gaan samenleven met de familie bij wie ze direct voor het vertrek was, wordt nog wel beoordeeld in hoeverre het samenleven met andere familieleden hervat kan worden.

Vaak worden alleenstaande vrouwen gestigmatiseerd als prostituee. Vrouwen kunnen in het algemeen reeds snel slachtoffer worden van tal van misdrijven. Er bestaat een levendige vrouwenhandel in Afghanistan. Voorts hebben vrouwen structureel te lijden onder de (traditionele) sharia. Daaruit volgend lopen alleenstaande vrouwen in heel Afghanistan een verhoogd risico op mensenrechtenschendingen, daar zij vaak geen sociaal netwerk hebben waarbinnen zij bescherming kunnen vinden.

Alleenstaande vrouwen worden gezien de inhoud van het ambtsbericht aangemerkt als een risicogroep. Dit houdt in dat wanneer zij zich beroepen op problemen van de zijde van de huidige (centrale) autoriteiten, of lokale krijgsheren, of met medeburgers, en er sprake is van een geloofwaardig en individualiseerbaar asielrelaas, reeds met geringe indicaties aannemelijk kan worden gemaakt dat deze problemen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. Bij de beoordeling van de zwaarwegendheid zal bij personen die behoren tot een risicogroep zeer snel geoordeeld worden dat de problemen voldoende zwaarwegend zijn.

Indien hiervan sprake is, kan de vreemdelinge op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Alleenstaande vrouwen zijn voorts met ingang van 24 juni 2006 aangewezen als specifieke groep, die om andere redenen dan traumata op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/4 ).

Indien op grond van dit beleid een verblijfsvergunning wordt verleend, ligt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning op of na 24 juni 2006.

3.3 Leden van politieke groeperingen

Het Afghaanse politieke spectrum kent een grote hoeveelheid verschillende groeperingen. Deze groeperingen zijn in meer of mindere mate georganiseerd. Veel van deze politieke groeperingen zijn gebaseerd op etniciteit en geloofsovertuiging. In de Afghaanse context is het aannemelijk dat problemen gebaseerd op politieke overtuiging voorkomen. De (centrale) autoriteiten kunnen hiertegen niet altijd bescherming bieden.

Indien een asielzoeker een beroep doet op problemen die hij op basis van zijn politieke overtuiging of activiteiten in Afghanistan heeft ondervonden met leden van de centrale autoriteiten, of de verschillende lokale krijgsheren, of met medeburgers, dient de asielzoeker aannemelijk te maken dat hij als gevolg hiervan gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging. Indien de asielzoeker een geloofwaardig relaas heeft en het aannemelijk is geworden dat hij te vrezen heeft voor vervolging op grond van zijn politieke overtuiging, of zijn activiteiten, kan de asielzoeker op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

3.4 Ex-communisten

Er zijn geen aanwijzingen dat personen enkel vanwege hun voormalige banden met het communistische regime in het huidige Afghanistan vervolging te vrezen hebben. De mate waarin zij risico lopen hangt af van verschillende factoren, waaronder: de mate waarin zij met de communistische ideologie worden geïdentificeerd, de rang of positie die zij ten tijde van het communistische regime hebben bekleed, de banden die familieleden met communisten onderhielden. Tevens is hun relatie tot de huidige (de facto) autoriteiten en invloedrijke stammen of facties van belang. Op grond daarvan kan zelfs het tegenovergestelde gelden, een persoon kan hierdoor bescherming genieten. Hierom zijn er geen redenen om aan te nemen dat personen enkel om banden met voormalige regimes als Verdragsvluchteling kunnen worden aangemerkt, of een reëel risico lopen op schending van artikel 3 EVRM.

Dit geldt eveneens voor personen die verdacht worden van deelname aan gewelddadigheden (ook gepleegd onder dit communistische bewind). Bij deze laatste groep wordt wel extra aandacht gevraagd voor de mogelijke toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

3.5 Niet-moslims

Indien een asielzoeker aannemelijk maakt dat er sprake is van problemen die hij in Afghanistan op basis van zijn geloofsovertuiging heeft ondervonden met leden van de (centrale) autoriteiten, lokale krijgsheren, of met medeburgers, en er sprake is van een geloofwaardig en individualiseerbaar asielrelaas, kan met geringe indicaties reeds aannemelijk worden gemaakt dat deze problemen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM.

Personen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een religieuze minderheid behoren, worden, gezien de inhoud van het ambtsbericht, aangemerkt als een risicogroep. Bij de beoordeling van de zwaarwegendheid zal bij deze personen zeer snel geoordeeld worden dat de problemen voldoende zwaarwegend zijn.

Indien hiervan sprake is, kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid onder a of b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Indien een Afghaanse asielzoeker aannemelijk maakt dat hij zich in Nederland heeft bekeerd, is het continuïteitsvereiste van toepassing (zie C2/2.6).

Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij op deze grond bij terugkeer problemen zal ondervinden wegens afvalligheid van de islam, kan hij in aanmerking komen voor bescherming op grond van artikel 3 EVRM. Zij worden aangemerkt als risicogroep.

Dit houdt in dat met geringe indicaties van problemen met de (lokale) autoriteiten of medeburgers aannemelijk kan worden gemaakt dat dit kan leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. Wel wordt verlangd dat sprake is van een geloofwaardig individualiseerbaar asielrelaas. Bij de beoordeling van de zwaarwegendheid zal bij personen die behoren tot een risicogroep zeer snel geoordeeld worden dat de problemen voldoende zwaarwegend zijn.

Indien hiervan sprake is, kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid onder b, Vw.

3.6 Dienstplichtigen en deserteurs

Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing voor zaken waarin sprake is van gereguleerde dienstplicht voor de (centrale) autoriteiten.

Ten aanzien van Afghanistan heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict.

3.7 Homoseksuelen

Het ambtsbericht van de Minister van BuZa geeft aan dat het onbekend is hoe de positie is van homoseksuelen. In Afghanistan is de sharia van toepassing volgens welke seksuele handelingen tussen twee mensen van gelijk geslacht strafbaar zijn. Indien iemand openlijk homoseksueel is, zal hij of zij waarschijnlijk op zijn minst door zijn of haar familie worden uitgesloten

Indien een Afghaanse asielzoeker zich erop beroept dat hij wordt vervolgd wegens homoseksualiteit, is het algemene beleid van toepassing (zie C2/2.10.2). Bij de beoordeling van de aanvraag wordt de situatie in Afghanistan zoals die kenbaar is uit het ambtsbericht, en met name de situatie van minderheidsgroeperingen in het algemeen, betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij vanwege zijn homoseksualiteit te vrezen heeft voor vervolging, dan wel dat er een reëel risico bestaat op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM, kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Hierbij wordt niet verlangd dat betrokkene zich heeft gewend tot de autoriteiten voor bescherming.

4 Traumatabeleid

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Afghanistan geen bijzonderheden.

5 Categoriale bescherming

Asielzoekers uit Afghanistan komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5).

6 Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten

6.1 Vlucht- en/of vestigingsalternatief

Gezien de huidige situatie is er geen sprake van een vlucht- en/of vestigingsalternatief indien er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM.

6.2 Veilig land van herkomst

Afghanistan wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.

6.3 Veilig derde land / land van eerder verblijf

Afghanistan wordt niet beschouwd als veilig derde land.

6.4 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.

Verder zijn er nog de volgende aandachtspunten.

Gelet op het gewelddadig verleden van Afghanistan en de gewelddadigheden die zich ook nu nog lokaal voordoen, wordt bijzondere aandacht geschonken aan personen die hierbij zijn betrokken (geweest), of die zich beroepen op deelname aan militaire of gewelddadige acties.

6.5 Algehele veiligheidssituatie

Uit het ambtsbericht blijkt dat de veiligheidssituatie met name in het zuiden van Afghanistan is verslechterd. De overheid kan bepaalde gebieden nauwelijks controleren en de Taliban wint aan kracht. Door deze omstandigheid zal bij de beoordeling van asielaanvragen van asielzoekers uit het zuiden van Afghanistan eerder kunnen worden geconcludeerd dat betrokkene in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.

6.6 Bescherming autoriteiten

Gelet op de machtsverhoudingen in het land en het trage verloop van de wederopbouw van centrale instituties onder het gezag van de centrale regering na een lange periode van interne en soms voortdurende conflicten, kan niet zonder meer worden verwacht dat bescherming door de centrale autoriteiten in alle gevallen geboden zal en kan worden ingeval van geloofwaardige en zwaarwegende problemen. De centrale autoriteiten hebben niet in het gehele land het gezag in handen. Derhalve dient te worden bezien of de asielzoeker zich kan wenden tot lokale autoriteiten, en of deze ook in staat en bereid zijn bescherming te bieden. Uit de inhoud van het ambtsbericht blijkt verder dat de International Security Assistance Force in de meeste gevallen niet in de positie verkeert bescherming te bieden.

Niet in alle gevallen zal dan ook kunnen worden tegengeworpen dat bescherming kan worden geboden. Wel mag worden verwacht dat door de asielzoeker aannemelijk wordt gemaakt waarom bescherming in het individuele geval niet (effectief) kan worden geboden. Hierbij is onder meer het persoonlijke netwerk van belang.

6.7 Eerwraak en bloedwraak

De problematiek met betrekking tot het verkrijgen van bescherming kan ook spelen in eer- en bloedwraakzaken. De mogelijkheid tot het ontkomen aan dergelijke wraak hangt onder meer af van het vergrijp of de gebeurtenis zelf, onder welke omstandigheden het vergrijp of de gebeurtenis heeft plaatsgevonden en wie er bij betrokken waren. Binnen de traditionele verhoudingen bestaan ook niet-gewelddadige oplossingen voor deze problematiek. Voor zover deze oplossingen geen schending van artikel 3 EVRM vormen, kunnen zij worden betrokken bij de beoordeling van het relaas. Voor zover het asielrelaas van de vreemdeling geloofwaardig is en aannemelijk is gemaakt dat een niet-gewelddadige oplossing onmogelijk was, kunnen deze wraakzaken op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw leiden tot een verblijfsvergunning asiel.

6.8 Problemen gebaseerd op niet-verdragsgronden

Uit het ambtsbericht blijkt dat burgers in Afghanistan het doelwit kunnen zijn van banditisme en criminaliteit waartegen door de centrale regering niet afdoende kan worden opgetreden. Echter, asielzoekers die zich enkel beroepen op problemen die zijn gebaseerd op welvaartsstatus of de algehele situatie in Afghanistan, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.

7 Opvangmogelijkheden Amv’s

Ten aanzien van Amv’s uit Afghanistan kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.

8 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Afghanistan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is geplaatst.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst

Den Haag, 21 mei 2007.
De Staatssecretaris van Justitie,
namens deze:
de directeur-generaalWetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken, R.K. Visser.

Toelichting

Algemeen

In januari 2007 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een ambtsbericht uitgebracht over de situatie in Afghanistan. Naar aanleiding van dit ambtsbericht is besloten tot handhaving van het geldende beleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers.

Mede met het oog op de uitspraak van Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 maart 2007 (nr. 200609124/1) inzake het niet instellen van een categoriaal beschermingsbeleid voor Afghanistan, is opnieuw beoordeeld of een dergelijk beleid zou moeten worden ingevoerd.

Daarvoor wordt geen aanleiding gezien. In onderhavig besluit is aangegeven dat hiervoor doorslaggevend is dat in de ons omringende landen geen sprake is van een bijzonder beleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers. Alleen België kent een bijzonder beleid voor Afghanen uit het zuiden van Afghanistan.

Gezien de hoge mate van homogeniteit van de informatie over het beleid van de andere landen, wordt hieraan meer gewicht toegekend dan aan het gegeven uit het ambtsbericht dat de situatie in Afghanistan is verslechterd. De basis voor deze weging is neergelegd in C2/5.2.1 Vc.

In de paragraaf over groepen van personen die verhoogde vragen, zijn toegevoegd niet-moslims, met name afvalligen van de islam, en homoseksuelen. Ook is een passage toegevoegd over de positie van vrouwen in het algemeen.

De Staatssecretaris van Justitie

namens deze:

de directeur-generaalWetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken,

R.K. Visser

Naar boven