Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2006, 85 pagina 8Besluiten van algemene strekking

Wijziging Vrijstellingsregeling Wfd

21 april 2006

Nr. FM 2006-01022

Directie Financiële Markten

De Minister van Financiën,

Gelet op artikel 9 van de Wet financiële dienstverlening;

Besluit:

Artikel I

De Vrijstellingsregeling Wfd wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 wordt na de zinsnede ‘te bemiddelen in krediet’ toegevoegd: of krediet aan te bieden.

B

Artikel 3, tweede lid, komt te luiden:

2. Van hetgeen is bepaald in artikel 27, tweede lid, van de wet en ingevolge artikel 100 van de wet, voor zover het ingevolge dat artikel bepaalde betrekking heeft op personen als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet die geen andere werkzaamheden met betrekking tot krediet verrichten dan het incasseren van vorderingen, zijn vrijgesteld aanbieders van krediet.

C

Artikel 5, tweede lid, komt te luiden:

2. Van hetgeen is bepaald in artikel 27, tweede lid, van de wet en ingevolge artikel 100 van de wet, voor zover het ingevolge dat artikel bepaalde betrekking heeft op personen als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet die geen andere werkzaamheden met betrekking tot verzekeringen verrichten dan schadebehandeling of het innen van premies, zijn vrijgesteld aanbieders van verzekeringen.

D

In de aanhef van de artikelen 6 en 7 vervalt de zinsnede ‘, zonder daarvoor provisie te ontvangen,’.

E

Aan artikel 10 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op financiële dienstverleners die financiële diensten verlenen ten aanzien van financiële producten als bedoeld in artikel 3 van het besluit.

F

Artikel 12, onderdeel b, komt te luiden:

b. die reisbureau of reisorganisatie zijn, voor zover zij bemiddelen in verzekeringen die met het oog op een reis of vakantie worden afgesloten, alsmede in annuleringsverzekeringen, indien op de desbetreffende vestiging van het reisbureau of de reisorganisatie ten minste een medewerker beschikt over:

1°. een geldig diploma voor de eindtermen, opgenomen in bijlage 4 van het besluit;

2°. het diploma vakbekwaamheid voor het reisbureaubedrijf, na 1 juli 1992 afgegeven door de Stichting Examens en Proeven voor het Reisbureaubedrijf;

3°. het certificaat ‘reisverzekeringen’, afgegeven door de Stichting Examens en Proeven voor het Reisbureaubedrijf;

4°. het diploma Middelbaar Middenstands Onderwijs, afdeling Middelbaar Toeristisch en Recreatief Onderwijs, afgegeven op grond van artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

5°. het diploma Middelbaar economisch en administratief onderwijs, afdeling Middelbaar Toeristisch en Recreatief Onderwijs, na 1 januari 1994 afgegeven op grond van artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

6°. het diploma Middelbaar beroepsonderwijs, Sector Economie, Afdeling Toerisme en Recreatie, afgegeven op grond van artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

7°. het diploma Middenkaderfunctionaris reizen, afgegeven op grond van artikel 7.4.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

8°. het diploma Zelfstandig werkend medewerker reizen, afgegeven op grond van artikel 7.4.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

9°. het diploma Middenkaderfunctionaris toeristische informatie, afgegeven op grond van artikel 7.4.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, indien dit diploma is afgegeven mede op basis van het behalen van het examen voor de deelkwalificatie Vakantiereizen; of

10°. het diploma Zelfstandig werkend medewerker toeristische informatie, afgegeven op grond van artikel 7.4.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, indien dit diploma is afgegeven mede op basis van het behalen van het examen voor de deelkwalificatie Vakantiereizen.

G

In artikel 13, eerste lid, wordt na ‘zonder daarvoor’ ingevoegd: van de aanbieder.

H

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

Van hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 26, eerste lid, 27, eerste lid, en 28, derde lid, aanhef en onder a, van de wet en ingevolge de artikelen 26, tweede lid, 28, derde lid, aanhef en onder b, en 100 van de wet, voor zover het ingevolge dit laatstgenoemde artikel bepaalde betrekking heeft op personen als bedoeld in de artikelen 26, eerste lid en 27, eerste lid, van de wet, en op maatregelen als bedoeld in artikel 28, derde lid, aanhef en onder a, van de wet zijn vrijgesteld:

a. verzekeraars die in het bezit zijn van de in artikel 11 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf bedoelde vergunning, voor zover het hen niet ingevolge de artikelen 37 en 41 van die wet is verboden financiële diensten te verlenen; en

b. verzekeraars die in het bezit zijn van de in artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 bedoelde vergunning en onderlinge waarborgmaatschappijen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994 waaraan een verklaring ingevolge artikel 2 of 3 van dat besluit is verleend, voor zover het deze verzekeraars en onderlinge waarborgmaatschappijen niet ingevolge de artikelen 64, eerste lid, en 89, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 is verboden financiële diensten te verlenen.

2. Het tweede lid vervalt.

I

Artikel 17, eerste lid, komt te luiden:

1. Van hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald, met uitzondering van het bepaalde in de artikelen 30, 31, eerste lid en derde lid, aanhef en onder a, 39, 41, 42, 44 en 49, en het bepaalde ingevolge de artikelen 31, tweede lid en derde lid, aanhef en onder b, en vierde lid, 35, 38, 40, 53 en 100, voor zover het ingevolge dit laatstgenoemde artikel bepaalde betrekking heeft op het verstrekken van informatie, bedoeld in artikel 31, eerste lid en derde lid, aanhef en onder a, zijn vrijgesteld financiële dienstverleners voor zover zij bemiddelen in goederenkrediet, anders dan krediet dat dient ter verschaffing van het genot aan een consument van effecten.

J

Artikel 18 komt te luiden:

Artikel 18

Van hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 26, eerste lid, 27, eerste lid, en 28, derde lid, aanhef en onder a, van de wet en ingevolge de artikelen 26, tweede lid, 28, derde lid, aanhef en onder b, en 100 van de wet, voor zover het ingevolge dit laatstgenoemde artikel bepaalde betrekking heeft op personen als bedoeld in de artikelen 26, eerste lid en 27, eerste lid, van de wet, en op maatregelen als bedoeld in artikel 28, derde lid, aanhef en onder a, van de wet zijn vrijgesteld financiële dienstverleners die in het bezit zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, voor zover zij bemiddelen in financiële producten, anders dan verzekeringen of hypothecair krediet.

K

In artikel 19, eerste lid, wordt na ‘deze aan te bieden’ toegevoegd: of daarin te bemiddelen.

L

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef van het eerste lid komt te luiden: Van hetgeen is bepaald in artikel 27, tweede lid, van de wet en ingevolge artikel 100 van de wet, voor zover het ingevolge dat artikel bepaalde betrekking heeft op personen als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet, zijn vrijgesteld financiële dienstverleners voor zover zij financiële diensten verlenen ten aanzien van:

2. De aanhef van het tweede lid komt te luiden: Van hetgeen is bepaald in artikel 32 van de wet en ingevolge artikel 100 van de wet, voor zover het ingevolge dat artikel bepaalde betrekking heeft op artikel 32 van de wet, zijn vrijgesteld financiële dienstverleners voor zover zij financiële diensten verlenen ten aanzien van financiële producten, met uitzondering van:

M

In de aanhef van de artikelen 22 en 23 wordt de zinsnede ‘ingevolge artikel 100 van de wet, voor zover het’ telkens vervangen door: in artikel 29 van de wet en ingevolge artikel 100 van de wet, voor zover het ingevolge dat artikel bepaalde.

N

In artikel 24 wordt de zinsnede ‘14, eerste lid, onder b’ vervangen door: 14, eerste lid, onder c.

O

Na artikel 26 worden zes artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 26a

Van hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald is vrijgesteld de Staat der Nederlanden, voor zover hij in het kader van publieksvoorlichting adviseert over zorgverzekeringen of ziektekostenverzekeringen ter aanvulling van een zorgverzekering.

Artikel 26b

Van hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald zijn vrijgesteld gemeenten, voor zover zij bemiddelen in zorgverzekeringen of ziektekostenverzekeringen ter aanvulling van een zorgverzekering tussen financiële dienstverleners en consumenten van wie het inkomen niet meer 130% van de relevante bijstandnorm als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand bedraagt.

Artikel 26c

Van hetgeen is bepaald in artikel 32 van de wet en ingevolge artikel 100 van de wet, voor zover het ingevolge dat artikel bepaalde betrekking heeft op artikel 32 van de wet, en van de artikelen 27 en 38 van het besluit, zijn vrijgesteld financiële dienstverleners voor zover zij financiële diensten verlenen ten aanzien van natura-uitvaartverzekeringen of andere verzekeringen die uitsluitend strekken tot het doen van geldelijke uitkeringen in verband met de verzorging van de uitvaart van de mens.

Artikel 26d

1. Van artikel 27, tweede lid, van de wet, en artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van het besluit, telkens voor zover het de eindtermen, bedoeld in bijlage 6 van het besluit betreft, zijn vrijgesteld financiële dienstverleners die financiële diensten verlenen ten aanzien van hypothecair krediet, al dan niet in combinatie met een overlijdensrisicoverzekering waarbij de verplichting van de aanbieder tot het doen van een uitkering of een reeks van uitkeringen alleen dan ontstaat, indien het overlijden van degene op wiens leven de verzekering betrekking heeft plaatsvindt voor de in de polis genoemde datum.

2. Van artikel 27, tweede lid, van de wet, en artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e en f, van het besluit, telkens voor zover het de eindtermen betreft, bedoeld in bijlagen 6 en 7 van het besluit, zijn vrijgesteld financiële dienstverleners die financiële diensten verlenen ten aanzien van effecten.

3. Onverminderd het eerste lid zijn financiële dienstverleners die financiële diensten verlenen ten aanzien van hypothecair krediet in combinatie met een overlijdensrisicoverzekering, waarbij de verplichting van de aanbieder van de verzekering tot het doen van een uitkering of een reeks van uitkeringen alleen dan ontstaat, indien het overlijden van degene op wiens leven de verzekering betrekking heeft plaatsvindt voor de in de polis genoemde datum, vrijgesteld van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van het besluit, voor zover het de eindtermen, bedoeld in bijlage 5 van het besluit betreft.

4. Onverminderd het tweede lid zijn financiële dienstverleners die uitsluitend financiële diensten verlenen ten aanzien van effecten, vrijgesteld van het eerste lid van artikel 16 van het besluit, voor zover het de eindtermen, bedoeld in bijlage 1 van het besluit, betreft.

Artikel 26e

Van artikel 38, eerste lid, tweede volzin, van het besluit, zijn vrijgesteld aanbieders van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen die de financiële bijsluiter over de rechten van deelneming in de beleggingsinstelling op hun website beschikbaar houden en die de financiële bijsluiter onverwijld op verzoek van een consument verstrekken.

Artikel 26f

1. Van hetgeen is bepaald in artikel 52 van de wet en de artikelen 36, eerste tot en met achtste lid, 59, eerste lid, 60, eerste lid, en 61, eerste lid, van het besluit, zijn vrijgesteld aanbieders van krediet, voor zover zij krediet aanbieden tegen onderpand van effecten die tot zekerheid dienen voor de terugbetaling van het krediet aan een consument die reeds op het moment van aangaan van de overeenkomst inzake krediet bezitter is van de te verpanden effecten, van welk krediet de kredietsom of de kredietlimiet gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet niet hoger is dan 70% van de waarde van de te verpanden effecten.

2. Van hetgeen is bepaald in artikel 53, eerste lid, van de wet en ingevolge artikel 53, tweede lid, van de wet zijn vrijgesteld bemiddelaars in krediet, voor zover het krediet waarin zij bemiddelen wordt aangeboden tegen onderpand van effecten die tot zekerheid dienen voor de terugbetaling van het krediet aan een consument die reeds op het moment van aangaan van de overeenkomst inzake krediet bezitter is van de te verpanden effecten, van welk krediet de kredietsom of de kredietlimiet gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet niet hoger is dan 70% van de waarde van de te verpanden effecten.

3. Het eerste lid en tweede lid zijn slechts van toepassing indien de in het eerste en tweede lid bedoelde effecten:

a. zijn toegelaten tot de handel op een op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 erkende effectenbeurs of een andere gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141); of

b. niet tot de handel op een onder a bedoelde effectenbeurs of gereglementeerde markt zijn toegelaten en de waarde van die effecten door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.

P

Na artikel 30 worden vier artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 30a

Van hetgeen is bepaald in artikel 27 van het besluit en ingevolge artikel 29 van het besluit voor zover het ingevolge dat artikel bepaalde betrekking heeft op artikel 27 van het besluit, zijn vrijgesteld financiële dienstverleners, voor zover zij ten aanzien van complexe producten financiële diensten verlenen aan natuurlijke personen of rechtspersonen die handelen in de uitoefening van hun bedrijf of beroep.

Artikel 30b

1. Tot 1 juni 2006 zijn van hetgeen is bepaald ingevolge artikel 35, eerste lid, van het besluit vrijgesteld financiële dienstverleners, voor zover zij financiële diensten verlenen ten aanzien van een beleggingsobjecten.

2. Van hetgeen is bepaald ingevolge artikel 35, eerste lid, van het besluit zijn vrijgesteld financiële dienstverleners, voor zover zij overeenkomsten inzake beleggingsobjecten die voor inwerkingtreding van de wet zijn aangegaan, beheren of uitvoeren of daarbij assisteren.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op financiële producten als bedoeld in artikel 3 van het besluit.

Artikel 30c

1. Van hetgeen is bepaald ingevolge de artikelen 28, elfde lid, en 36 van het besluit zijn vrijgesteld financiële dienstverleners op wie artikel 38 van het besluit van toepassing is, voor zover het krediet, bedoeld in de artikelen 28, elfde lid, en 36 van het besluit, onderdeel uitmaakt van het complexe product, bedoeld in artikel 38 van het besluit.

2. Van hetgeen is bepaald ingevolge artikel 36 van het besluit zijn vrijgesteld financiële dienstverleners, voor zover zij overeenkomsten inzake krediet beheren of uitvoeren of daarbij assisteren.

Artikel 30d

Van hetgeen is bepaald ingevolge artikel 38 van het besluit zijn vrijgesteld financiële dienstverleners, voor zover zij overeenkomsten inzake complexe producten beheren of uitvoeren of daarbij assisteren.

Artikel II

De Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998 en de Regeling informatieverstrekking WTN worden ingetrokken.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën, G. Zalm.

Toelichting

Artikel 1

A

Artikel 2 van de Vrijstellingsregeling Wfd bevat een vrijstelling voor de onderneming (in de praktijk veelal de ‘special purpose vehicle’ genoemd, hierna: spv), die in het kader van een securitisatietransactie de juridische eigendom verkrijgt van gesecuritiseerde vorderingen uit hoofde van kredietovereenkomsten. Aan de vrijstelling is onder meer de voorwaarde verbonden dat uit een overeenkomst moet blijken dat het beheer en de uitvoering van de gesecuritiseerde vorderingen niet bij de spv maar bij een kredietbeheerder komen te liggen en dat het deze kredietbeheerder op grond van de wet moet zijn toegestaan om als bemiddelaar in krediet op te treden. In de praktijk zal de aangewezen kredietbeheerder doorgaans de financiële dienstverlener zijn die de betreffende kredietovereenkomsten destijds als wederpartij is aangegaan (met andere woorden: de kredietaanbieder) en die de vorderingen uit hoofde van die kredietovereenkomsten vervolgens aan de spv heeft verkocht. De kredietaanbieder zal ofwel een kredietinstelling of financiële instelling zijn waaraan het ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992 is toegestaan in Nederland krediet aan te bieden en die op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b of c, van de wet beschikt over Wfd-vergunning van rechtswege, ofwel een aanbieder van krediet aan wie het anderszins ingevolge de wet is toegestaan krediet aan te bieden (kredietaanbieders die voor de inwerkingtreding van de wet onder de reikwijdte van de Wck zouden vallen). In tegenstelling tot de kredietinstelling die beschikt over een vergunning van rechtswege als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b, van de wet, is het de instelling, bedoeld onder c van dat artikel, en de kredietaanbieder die voorheen onder de Wck zou vallen, in beginsel niet toegestaan om tevens te bemiddelen in krediet. Voor het verlenen van deze financiële dienst (het bemiddelen in krediet), zouden de betreffende instellingen formeel gezien een afzonderlijke vergunning moeten aanvragen en verkrijgen. Alleen dan zou de spv gebruik kunnen maken van de vrijstelling in artikel 2. Omdat de doeleinden die de aan de vrijstelling verbonden voorwaarde beoogt te bereiken in dezelfde mate worden bereikt indien het de kredietbeheerder op grond van de wet is toegestaan op te treden als aanbieder van krediet, is besloten de voorwaarde uit te breiden met de financiële dienstverlener aan wie het op grond van de wet is toegestaan krediet aan te bieden.

B en C

De aanpassing van de artikelen 3, tweede lid, en 5, tweede lid, van de Vrijstellingsregeling Wfd heeft een technische achtergrond. Met genoemde bepalingen wordt beoogd bepaalde financiële dienstverleners vrij te stellen van het deskundigheidsvereiste, zoals opgenomen in artikel 27, tweede lid, van de wet en nader uitgewerkt in het besluit op grond van artikel 100 van de wet. Zo blijkt ook uit de toelichting bij deze artikelen. Per abuis is weliswaar vrijstelling verleend van de uitwerking van het deskundigheidsvereiste in het besluit en de daarbij behorende wettelijke grondslag in artikel 100 van de wet, maar niet van het wettelijke deskundigheidsvereiste zelf. Volledigheidshalve is dat nu hersteld.

D

De in de artikelen 6 en 7 opgenomen vrijstellingen waren slechts van toepassing indien de financiële dienstverlener geen provisie ontvangt voor het verlenen van de vrijgestelde financiële diensten. In de praktijk is dit niet werkbaar gebleken. Gezien het feit dat binnen de arbeidsrechtelijke sfeer en in een concernverband voldoende (correctie)mechanismen aanwezig zijn om eventuele misstanden te voorkomen, is er vooralsnog geen aanleiding om deze beperking aan de vrijstelling te verbinden.

E

Artikel 10 van de Vrijstellingsregeling Wfd bevat een vrijstelling voor financiële dienstverleners die financiële diensten verlenen ten aanzien van beleggingsobjecten. In artikel 3 van het Besluit financiële dienstverlening (hierna: het besluit) is een financieel product aangewezen dat voor de toepassing van de wet geldt als een beleggingsobject. Met de toevoeging van het derde lid aan artikel 10 van de Vrijstellingsregeling geldt de vrijstelling met betrekking tot beleggingsobjecten nu ook voor het aldus aangewezen product.

F

Artikel 12 van de Vrijstellingregeling Wfd bevat een vrijstelling voor reisbureaus die bemiddelen in zogenaamde reisverzekeringen. Daarbij is aansluiting gezocht bij de uitzondering die voor reisbureaus was opgenomen in het Besluit beperking reikwijdte Wet assurantiebemiddelingsbedrijf. Dat geldt ook voor de aan de vrijstelling verbonden voorwaarde dat per vestiging van een reisbureau ten minste één medewerker dient te beschikken over een van de in de vrijstelling genoemde drie diploma’s of certificaten. Met de aanpassing van artikel 12 van de Vrijstellingsregeling Wfd worden zeven diploma’s aan de reeds genoemde drie diploma’s toegevoegd. Deze toegevoegde diploma’s zijn overgenomen uit de Regeling op grond van artikel 2, onderdeel a, onder 3°, van het Besluit beperking reikwijdte Wet assurantiebemiddelingsbedrijf.

G

Er is voor gekozen een nuancering aan te brengen in de aan de vrijstelling verbonden beperking dat de vrijgestelde financiële dienstverlener (zoals de accountant, de fiscalist, de actuaris of de belastingadviseur) geen provisie mag ontvangen. Toevoeging van de woorden ‘van de aanbieder’ is nodig gebleken in verband met de brede uitleg die in het besluit wordt gegeven aan het begrip provisie. Op grond van artikel 1, onderdeel r, van het besluit kwalificeren ook bedragen die de financiële dienstverlener voor zijn werkzaamheden in rekening brengt bij de consument (klant) en vervolgens door hem betaald krijgt als provisie. Omdat deze wijze van facturering zeer gebruikelijk is bij de dienstverleners die dit artikel beoogt vrij te stellen, zou de oorspronkelijke vrijstelling voor hen geen waarde hebben. De bedoeling van de aan de vrijstelling verbonden voorwaarde is steeds geweest dat de dienstverlener geen provisie mag ontvangen van de aanbieder van het financiële product dat hij aanbeveelt. Dat is expliciet opgenomen in de vrijstelling.

H

Met de aanpassing van artikel 16, eerste lid, worden twee wijzigingen doorgevoerd.

De eerste wijziging is technisch van aard en is vergelijkbaar met de aanpassingen in de artikelen B en C. Doel van artikel 16 van de Vrijstellingsregeling Wfd is verzekeraars en onderlinge waarborgmaatschappijen vrij te stellen van de vergunningplicht en van de verplichtingen inzake betrouwbaarheid, bestuurdersdeskundigheid en integere bedrijfsvoering. Ook hier geldt dat met artikel 16 weliswaar vrijstelling is verleend van de uitwerking van genoemde verplichtingen in het besluit en de daarbij behorende wettelijke grondslag in artikel 100 van de wet, maar niet van de wettelijke vereisten inzake betrouwbaarheid, bestuurdersdeskundigheid en integere bedrijfsvoering zelf. Dat is nu hersteld.

Door de tweede wijziging geldt de vrijstelling nu ook voor natura-uitvaartverzekeraars die in het bezit zijn van een vergunning op grond van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf (Wtn) en daarmee ook van een van rechtswege verleende Wfd-vergunning voor het aanbieden van natura-uitvaartverzekeringen. Door aanpassing van artikel 16 wordt ook voor deze groep van verzekeraars de reikwijdte van de van rechtswege aan hen verleende vergunning uitgebreid met het verlenen van andere financiële diensten dan het aanbieden van natura-uitvaartverzekeringen, voor zover dat hen op grond van de artikelen 37 en 41 van de Wtn (verbod op nevenbedrijf) niet is verboden.

Het tweede lid is geschrapt. In deze bepaling werd artikel 21, eerste lid, van de wet, dat de bevoegdheid bevat voor de Autoriteit Financiële Markten om in bepaalde gevallen een zogenaamd ‘acquisitieverbod’ op te leggen, van overeenkomstige toepassing verklaard. Het tweede lid is geschrapt omdat artikel 9 van de wet, waarin de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstellingen is opgenomen, onvoldoende grondslag biedt voor het opleggen van een acquisitieverbod aan financiële dienstverleners als bedoeld in artikel 16, eerste lid. Indien een financiële dienstverlener als bedoeld in artikel 16, eerste lid, in strijd handelt met bij of krachtens de wet gestelde regels, kan de Autoriteit Financiële Markten wel gebruik maken van de overige corrigerende en sanctionerende bevoegdheden zoals opgenomen in paragraaf 3 van hoofdstuk 5 van de wet.

I

De aanpassing van artikel 17, eerste lid, is technisch van aard en vergelijkbaar met de aanpassing van de artikelen 3, tweede lid (artikel B), 5, tweede lid (artikel C), en 16, eerste lid (artikel H).

Artikel 17, eerste lid, verleende weliswaar vrijstelling van de uitwerking van de informatieverstrekkingsverplichting neergelegd in artikel 31, eerste lid en derde lid, aanhef en onder a, van de wet en de daarbij behorende wettelijke grondslag in artikel 100 van de wet, maar niet van de wettelijke informatieverstrekkingsverplichting zelf. Dat is nu hersteld.

J

Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdelen c en d, van de wet valt de effectendienstverlening van effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders, als bedoeld in de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995), buiten de reikwijdte van de wet. Achtergrond van die uitzondering is het feit dat deze activiteiten op dit moment al zijn onderworpen aan regelgeving die een adequaat kwaliteitsniveau borgt. Indien genoemde financiële dienstverleners andere dan in de Wte 1995 genoemde financiële diensten verrichten, vallen zij voor deze diensten wel onder de werking van de wet.

Onderhavige vrijstellingsbepaling regelt een vrijstelling voor die financiële dienstverleners die als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder over een vergunning beschikken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, Wte 1995. Deze financiële dienstverleners zijn vrijgesteld van de vergunningplicht en van die vergunningvereisten die al in het kader van de vergunning onder de Wte 1995 zijn getoetst. Met deze gedeeltelijke vrijstelling wordt een dubbele vergunningplicht voorkomen. De vrijstelling is niet van toepassing op financiële dienstverleners met een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, Wte 1995 die bemiddelen in verzekeringen of hypothecair krediet.

De wijziging van deze vrijstellingsbepaling zorgt ervoor dat de houders van een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wte 1995, zijn vrijgesteld van de vergunningplicht en een aantal vergunningvereisten voor het bemiddelen in meer financiële producten dan in de aanvankelijke vrijstellingsbepaling het geval was. Daar staat tegenover dat de vrijstelling zich aanvankelijk uitstrekte tot een groter gedeelte van de wet dan enkel de vergunningplicht en een aantal vergunningvereisten. Terwijl de vrijstelling zich nu wel daartoe beperkt.

K

De vrijstelling van de vergunningplicht voor het bemiddelen in een financieel product, indien het ingevolge de wet een andere onderneming die deel uitmaakt van dezelfde groep ook al is toegestaan dat product aan te bieden, is uitgebreid. De vrijstelling geldt nu ook indien het een andere onderneming uit dezelfde groep is toegestaan te bemiddelen in het financiële product. Dat die andere onderneming volledig verantwoordelijk is voor het bemiddelen door de financiële dienstverlener waarop de vrijstelling van toepassing is, blijft onverkort gehandhaafd. Dat geldt ook voor de bepaling dat alle handelingen van de vrijgestelde financiële dienstverlener worden toegerekend aan die andere onderneming op wiens vergunning wordt meegelift.

Een voorbeeld: een verzekeraar die in het bezit is van een Wtv-vergunning mag op grond van artikel 22 van deze regeling automatisch ook bemiddelen in bijvoorbeeld hypotheken. Indien deze verzekeraar deel uit maakt van een bepaalde groep waartoe ook een andere onderneming behoort die eveneens bemiddelt in hypotheken, is laatstgenoemde onderneming op grond van het onderhavige artikel vrijgesteld van de vergunningplicht om te bemiddelen in hypotheken. Daartegenover staat dat de verzekeraar verantwoordelijk is voor het bemiddelen door hypotheekbemiddelaar en dat diens handelingen ook aan de verzekeraar worden toegerekend.

L en M

De aanpassing van de artikelen 21, eerste en tweede lid, 22 en 23 is technisch van aard en vergelijkbaar met de artikelen B, C en H. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij deze artikelen.

N

In artikel 24 is de verwijzing naar artikel 14, eerste lid, onder b, van de wet vervangen door artikel 14, eerste lid, onder c, van de wet. Artikel 24 beoogt onder meer Europese paspoorthouders (banken en verzekeraars) vrij te stellen van de bepalingen over adequate behandeling van klachten. Daarbij was abusievelijk verwezen naar artikel 14, eerste lid, onder b, van de wet (instellingen voor elektronisch geld). Bedoeld was te verwijzen naar artikel 14, eerste lid, onder c, van de wet, hetgeen hierbij alsnog is gebeurd.

O

Artikel 26a

Een belangrijk gevolg van de hervorming van het zorgstelsel is de introductie van de nieuwe zorgverzekering per 1 januari 2006. Om de overgang naar het nieuwe zorgverzekeringstelsel zo goed mogelijk te laten verlopen heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: het ministerie van VWS) verschillende initiatieven genomen die ten doel hebben het Nederlandse publiek te informeren over deze ingrijpende wijziging. Een van deze initiatieven betreft de website KiesBeter.nl. Deze website is in opdracht van het ministerie van VWS ontwikkeld en bevat informatie over medicijnkosten, patiëntenbelangen, ziekenhuizen en zorgverzekeringen en aanvullende ziektekostenverzekeringen. Ook geeft de site medische informatie (klachten, onderzoeken, ziekten en behandelingen). Het doel van de site is onafhankelijke, betrouwbare informatie over de zorg te bieden. De site biedt aan gebruikers onder meer de mogelijkheid om zorgverzekeringen (artikel 1, onder d, van de Zorgverzekeringswet) en aanvullende ziektekostenverzekeringen (artikel 120 van de Zorgverzekeringswet) te vergelijken en te beoordelen. Als gevolg van de daarvoor gebruikte techniek kan een individuele toepassing van de site in bepaalde gevallen uitmonden in een aanbeveling van een bepaalde zorgverzekering, welke aanbeveling kan kwalificeren als advisering in de zin van de wet. Hoewel de Wfd-adviesregels op grond van artikel 21, tweede lid, van deze regeling, niet van toepassing zijn op financiële dienstverlening ten aanzien van zorgverzekeringen en aanvullende verzekeringen, zouden de overige Wfd-regels, waaronder de vergunningplicht, in beginsel wel op het ministerie van VWS van toepassing zijn. Op grond van het onderhavige artikel wordt de Staat der Nederlanden (i.c. het ministerie van VWS) daarvan vrijgesteld. De achterliggende gedachte is dat er voldoende controlemechanismen aanwezig zijn om eventuele onzorgvuldigheden of misstanden tegen te gaan of te corrigeren.

Artikel 26b

Deze vrijstelling ziet op gemeenten die als uitvoerder van de publieke taak een sociaal vangnet aanbieden en in dat kader aan bepaalde groepen van financieel kwetsbare consumenten hulp bieden bij het vinden van een passende en betaalbare zorgverzekering (inclusief een eventuele aanvullende verzekering). De werkzaamheden die gemeenten in dit verband verrichten zullen in aantal gevallen kwalificeren als verzekeringsbemiddeling in de zin van de wet. Deze vrijstelling is bedoeld om gemeenten uit te zonderen van de reikwijdte van de wet zolang de bemiddelingsactiviteiten een sociale functie hebben en zich beperken tot bemiddeling in zorgverzekeringen en eventuele aanvullende verzekeringen. Om die reden geldt de vrijstelling alleen indien gemeenten bemiddelen tussen financiële dienstverleners (aanbieders van of bemiddelaars in zorgverzekeringen en aanvullende verzekeringen) en consumenten van wie het inkomen niet meer dan 130% van de relevante bijstandsnorm bedraagt. De vrijstelling is opgenomen vanuit de gedachte dat het democratische controlemechanisme binnen gemeenten reeds voldoende waarborgen biedt voor een zorgvuldige dienstverlening aan consumenten.

Artikel 26c

Door deze vrijstelling wordt financiële dienstverlening ten aanzien van alle uitvaartverzekeringen, dat wil zeggen zowel uitvaartverzekeringen die uitsluitend recht geven op een uitkering in geld in verband met de verzorging van de uitvaart van de mens, als de natura-uitvaartverzekeringen, uitgezonderd van de adviesregels en van de regels inzake de financiële bijsluiter. Onbedoeld waren deze regels van toepassing ten aanzien van genoemde uitvaartverzekeringen, omdat uitvaartverzekeringen in beginsel kwalificeren als levensverzekering in de zin van de wet en daardoor ook als complex product (artikel 1, onderdeel d, onder 3°, van het besluit).

De onderhavige vrijstelling heeft tot gevolg dat op aanbieders van en bemiddelaars in uitvaartverzekeringen niet de verplichting rust om uit hoofde van artikel 38, eerste lid, van het besluit een financiële bijsluiter beschikbaar te houden op de website of een financiële bijsluiter te verstrekken op verzoek van de consument. Bovendien zijn de reclameregels voor complexe producten van artikel 27 van het besluit niet van toepassing.

Daarnaast zijn financiële dienstverleners die financiële diensten verlenen ten aanzien van uitvaartverzekeringen vrijgesteld van de adviesregels (artikel 32 van de wet). Daardoor is ook de bewaarplicht bij advies niet op hen van toepassing (artikel 14 van het besluit).

Indien een uitvaartverzekering wordt gecombineerd met een beleggingscomponent, waarbij het uiteindelijk op te bouwen kapitaal afhankelijk is van ontwikkelingen op de financiële markten, of met een ander complex product, is het aldus gecombineerde product wel te kwalificeren als een complex product. In dat geval zijn de regels inzake advies en de financiële bijsluiter onverkort van toepassing.

Ongewijzigd blijft dat overlijdensrisicoverzekeringen, waarbij de verplichting van de aanbieder tot het doen van een uitkering of een reeks van uitkeringen alleen dan ontstaat, indien het overlijden van degene op wiens leven de verzekering betrekking heeft plaatsvindt voor de in de polis genoemde datum, niet als complex product worden beschouwd. Verwezen wordt naar de definitie van complex product (artikel 1, onderdeel d, onder 3°, van het besluit).

Overlijdensrisicoverzekeringen waarbij in de polis geen einddatum is opgenomen (‘levenslange overlijdensrisicoverzekeringen’) worden echter nog steeds aangemerkt als complex product.

Artikel 26d

In de Richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten in financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen nr. 85/611/EEG en nr. 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145) (hierna: de Richtlijn MIFID) en de daarop te baseren uitvoeringsvoorschriften die in de eerste helft van 2006 zullen worden vastgesteld, heeft een uitbreiding van het begrip ‘beleggingsdiensten’1 naar ‘beleggingsadvies’ plaatsgevonden. Hierdoor valt iedereen die beroepsmatig beleggingsadvies geeft (het adviseren over effecten), ook als het slechts een nevenactiviteit is, onder de reikwijdte van de Richtlijn MIFID. Dit geldt dus ook voor financiële dienstverleners. In de Richtlijn MIFID is een uitzondering opgenomen voor de situatie dat een beleggingsadvies wordt gegeven in het kader van een levensverzekering. In dat geval is de Richtlijn MIFID niet van toepassing. In alle andere gevallen vallen financiële dienstverleners die beleggingsadvies geven wel onder de Richtlijn MIFID. De Richtlijn MIFID zal in 2007 in Nederlandse wetgeving worden omgezet. De nationale wetgeving ter implementatie van de Richtlijn MIFID zal geen aanvullende regels mogen bevatten bovenop hetgeen is bepaald in de Richtlijn MIFID, omdat de richtlijn totale harmonisatie beoogt. Dit heeft onder andere gevolgen voor de deskundigheidseisen van klantmedewerkers en feitelijk leidinggevenden op het gebied van advisering over effecten. Om te voorkomen dat de Wfd-deskundigheidsregels en de toekomstige voorschriften ter implementatie van de Richtlijn MIFID uit de pas gaan lopen, worden de Wfd-deskundigheidseisen voor klantmedewerkers en feitelijk leidinggevenden op het terrein van advisering over effecten gewijzigd. Financiële dienstverlening ten aanzien van effecten is gelijk aan financiële dienstverlening ten aanzien van beleggen a en b als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, d, e en f, van het besluit.

De vrijstelling ziet wat betreft artikel 27, tweede lid, van de wet, uitsluitend op de grondslag die dit artikel biedt voor de uitwerking in de eindtermen opgenomen in de modules beleggen a en b. Artikel 27, tweede lid, van de wet blijft als grondslag voor de overige modules onverkort gehandhaafd.

In artikel 72, eerste en tweede lid, van het besluit, is het voldoen aan de eindtermen opgenomen in de module beleggen a opgenomen als voorwaarde om gebruik te kunnen maken van het overgangsregime voor de verplichtingen inzake deskundigheid. Volgens dit artikel wordt een diploma voor hypothecair krediet of levensverzekeringen zoals opgenomen in bijlage 11 van het besluit, alleen omgezet in de Wfd-diploma indien de houder van het diploma voor 1 oktober 2007 op een door de minister vastgestelde wijze voldoet aan de eindtermen van de module beleggen a. In lijn met de onderhavige vrijstelling zal de in artikel 72 van het besluit opgenomen voorwaarde met betrekking tot beleggen a in relatie tot het diploma voor hypothecair krediet, eveneens moeten vervallen. Deze wijziging zal worden doorgevoerd in het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen (Bgvo). Het Bgvo, waarin het Besluit financiële dienstverlening zal opgaan, dient ter uitwerking van het deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen in het wetsvoorstel Wet op het financieel toezicht, waarin de wet zal opgaan. Aangezien de geplande datum van inwerkingtreding van het Bgvo ruim voor 1 oktober 2007 ligt, is het niet nodig de wijziging ook al op voorhand door middel van de onderhavige vrijstellingsregeling, door te voeren.

Een financiële dienstverlener die financiële diensten verleent ten aanzien van hypotheken hoeft door de vrijstelling opgenomen in het eerste lid niet langer te voldoen aan de module beleggen a. Ook niet als hij diensten verleent ten aanzien van beleggingshypotheken: hij kan volstaan met de basismodule en de module hypothecair krediet.

In het tweede lid zijn alle andere financiële dienstverleners die adviseren over effecten (anders dan in het kader van hypothecair krediet) uitgezonderd van de Wfd-deskundigheidseisen voor zover het betreft de eindtermen opgenomen in de modules beleggen a en b. Dit ziet zowel op de situatie dat financiële diensten worden verleend ten aanzien van consumptief krediet of schadeverzekeringen in combinatie met advisering over effecten (beleggen a), als de situatie dat een financiële dienstverlener uitsluitend adviseert over effecten (beleggen b). Zo hoeft een financiële dienstverlener die financiële diensten verleent ten aanzien van een aandelenlease-product (een gecombineerd product bestaande uit consumptief krediet en een effectencomponent) niet langer te voldoen aan de eindtermen opgenomen in de module beleggen a. Op hem zijn alleen de basismodule en de module consumptief krediet van toepassing.

Omdat financiële dienstverleners die financiële diensten verlenen ten aanzien van levensverzekeringen zijn uitgezonderd van de Richtlijn MIFID, is de vrijstelling niet op deze financiële dienstverleners van toepassing. Financiële dienstverleners die financiële diensten verlenen ten aanzien van levensverzekeringen, zullen moeten voldoen aan de eindtermen opgenomen in bijlage 1 (basismodule), bijlage 5 (module levensverzekeringen) en bijlage 6 (module beleggen a). Hierop bestaat één uitzondering: indien financiële diensten worden verleend ten aanzien van hypothecaire krediet in combinatie met een ‘simpele’ levensverzekering, dat wil zeggen een overlijdensrisicoverzekering waarbij de verplichting van de aanbieder tot het doen van een uitkering of een reeks van uitkeringen alleen dan ontstaat indien het overlijden van degene op wiens leven de verzekering betrekking heeft plaatsvindt voor de in de polis genoemde datum. In dat geval hoeft de financiële dienstverlener alleen te voldoen aan de eindtermen opgenomen in de basismodule (bijlage1) en de module hypothecair krediet (bijlage 2), en niet aan de eindtermen opgenomen in de module beleggen a (bijlage 6), hetgeen volgt uit het eerste lid, en de module levensverzekeringen (bijlage 5), hetgeen volgt uit het derde lid. De uitzondering voor ‘simpele’ overlijdensrisicoverzekeringen geldt niet indien deze verzekering níet in combinatie met hypothecair krediet wordt verkocht of geadviseerd: in dat geval blijft de module beleggen a van toepassing, naast de basismodule en de module levensverzekeringen.

Een financiële dienstverlener die zich bezighoudt met het verstrekken van beleggingsadvies, zonder dit te combineren met een ander financieel product, hoeft dus niet te voldoen aan de eindtermen opgenomen in de module beleggen b. Indien zijn werkzaamheden zich beperken tot het verstrekken van beleggingsadviezen is deze financiële dienstverlener op grond van het vierde lid bovendien vrijgesteld van de verplichting om te voldoen aan de eindtermen opgenomen in bijlage 1 (basismodule).

Artikel 26e

De ICBE-richtlijn in de Nederlandse taalversie verplicht tot een actieve verstrekking van de financiële bijsluiter bij het aanbieden van rechten van deelneming in ICBE-beleggingsinstellingen (in de richtlijn benoemd als vereenvoudigd prospectus). De uitvoerbaarheid van deze actieve verstrekkingsplicht laat te wensen over. Inmiddels is uit contacten met de Europese Commissie gebleken dat een andere – minder vergaande – wijze van verstrekking past in de gemeenschappelijke lezing van de richtlijn. Plaatsing van de financiële bijsluiter (het vereenvoudigd prospectus) op de website en het op verzoek toesturen hiervan, voldoet – overigens ook naar de mening van de Europese Commissie – aan de eisen van de richtlijn. Deze lezing sluit ook aan bij andere taalversies van de ICBE-richtlijn. Op grond van dit artikel geldt voortaan hetzelfde verstrekkingsregime voor de financiële bijsluiter van ICBE-beleggingsinstellingen als voor alle andere complexe producten.

Artikel 26f

Deze vrijstelling betreft in feite een uitbreiding van de uitzondering op het bepaalde in de artikelen 59, eerste lid, 60, eerste lid, en 61 eerste lid, van het besluit, geregeld in het tweede lid van deze artikelen. De in het tweede lid van artikel 59 genoemde voorwaarde inzake het ‘dienen ter financiering van effecten’ om voor de betrokken uitzondering in aanmerking te komen bleek de praktijk waarbij effecten door de houder in onderpand worden geven om krediet te verkrijgen dusdanig te belemmeren dat is besloten deze voorwaarde te laten vervallen. Daarbij is van belang dat de voorgeschreven verhouding tussen de te verpanden effecten en de hoogte van het krediet, die gedurende de looptijd van de overeenkomst moet worden gehandhaafd, voldoende bescherming biedt tegen overkreditering om onder die voorwaarde af te zien van de toepasselijkheid van de verplichtingen in de artikelen 59, 60 en 61 van het besluit. Om dezelfde reden zijn in het tweede lid bemiddelaars in deze vorm van krediet, onder dezelfde voorwaarden, vrijgesteld van de bepalingen inzake provisie zoals vastgelegd in artikel 53, eerste lid, van de wet en uitgewerkt in het besluit ingevolge artikel 53, tweede lid, van de wet. Deze vrijstellingsbepaling regelt tevens een gelijksoortige uitbreiding van de uitzondering als hierboven omschreven ten aanzien van de uitzondering vastgelegd in artikel 36, negende lid, van het besluit ten aanzien van de toepasselijkheid van het eerste tot en met achtste lid van dat artikel.

Ook regelt deze vrijstellingsbepaling, complementair aan de vrijstelling van het toetsen van een stelsel van kredietregistratie, voor de in het eerste lid genoemde aanbieders van krediet tevens een vrijstelling van de verplichting uit artikel 52 van de wet om aangesloten te zijn bij een stelsel van kredietregistratie.

Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de uitzondering in het tweede lid van artikel 59 van het besluit zich niet uitstrekt tot die overeenkomsten waarbij de te belenen effecten dezelfde zijn als de met het krediet te financieren effecten. In dat geval gelden de verplichtingen uit de eerste leden van de artikelen 59, 60 en 61 onverkort. Hetzelfde geldt voor de uitzondering in artikel 36, negende lid, van het besluit.

In de Wet op het financieel toezicht en het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen (waarin bij de inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht, het besluit zal opgaan) zal deze verduidelijking helder en eenduidig worden vastgelegd.

P

Artikel 30a

Dit artikel beperkt de reikwijdte van artikel 27 van het besluit tot reclame-uitingen in verband met complexe producten die zijn gericht op natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een bedrijf op een beroep. Dit is gelijk aan het begrip consument zoals gedefinieerd in artikel 1, onderdeel g, van de wet. Artikel 6 van de wet breidt de reikwijdte van dit begrip, voor de toepassing van de wet en de daarop gebaseerde regelgeving, echter uit voor wat de dienstverlening ten aanzien van verzekeringen betreft. Bij dienstverlening ten aanzien van verzekeringen worden ook natuurlijke personen en rechtspersonen die in de uitoefening van hun bedrijf of beroep handelen (zakelijke afnemers) onder de term consument begrepen. Dienstverlening aan deze laatste groep wordt hier dus uitgezonderd van de bijzondere informatieverplichtingen in verband met complexe producten. Vanzelfsprekend gaat het daarbij dus over complexe producten met een verzekeringscomponent. Deze uitzondering heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat in reclame-uitingen over complexe producten die zich richten tot zakelijke afnemers (bijvoorbeeld werkgevers die hun werknemers een collectieve pensioenverzekering willen aanbieden) de risico’s van het product niet behoeven te worden aangeduid door het weergeven van een risico-indicator. Deze vrijstelling is in lijn met artikel 38, derde lid, onder b, van het besluit, waarin de verplichting tot het beschikbaar houden van een financiële bijsluiter en het, desgevraagd, verstrekken van een financiële bijsluiter, wordt uitgezonderd indien het een complex product betreft ten aanzien waarvan uitsluitend financiële diensten worden verleend aan zakelijke afnemers, zoals werkgevers die een collectieve pensioenverzekering kopen ten behoeve van hun werknemers.

Artikel 30b

Op grond van het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet financiële dienstverlening en het Besluit financiële dienstverlening (Stb. 677), treedt artikel 35, eerste lid, van het besluit, op grond waarvan aanbieders van beleggingsobjecten een beleggingsobjectprospectus beschikbaar dienen te hebben en op verzoek van een consument dienen te verstrekken, met ingang van 1 mei 2006 in werking. Na plaatsing van het inwerkingtredingsbesluit in het Staatsblad is gebleken dat de definitieve nadere regeling van de Autoriteit Financiële Markten ter uitvoering van artikel 35 van het besluit niet eerder dan begin maart 2006 gepubliceerd kon worden. Dit zou betekenen dat financiële dienstverleners al binnen twee maanden na publicatie van de definitieve uitvoeringsregels zouden moeten voldoen aan de nieuwe regels inzake het beleggingsobjectprospectus. Deze voorbereidingstijd is dermate kort dat is besloten om tot 1 juni 2006 vrijstelling te verlenen van artikel 35, eerste lid, van het besluit. Dit komt neer op een nader uitstel van 1 maand.

Daarnaast is in het tweede lid een algehele uitzondering opgenomen van artikel 35, eerste lid, van het besluit voor de financiële dienstverlener wiens werkzaamheden met betrekking tot een beleggingsobject zich beperken tot het uitsluitend beheren of uitvoeren van bestaande overeenkomsten inzake dat beleggingsobject (of het assisteren daarbij), voorzover die overeenkomsten zijn aangegaan voor de datum van inwerkingtreding van de wet.

Vanwege de ruime definitie van ‘aanbieden’ (artikel 7 van de wet) valt ook het uitsluitend beheren of uitvoeren van bestaande overeenkomsten inzake een financieel product onder het begrip aanbieden. Zonder de vrijstelling opgenomen in het tweede lid zouden de verplichtingen inzake het beleggingsobjectprospectus ook van toepassing zijn op aanbieders van beleggingsobjecten die uitsluitend bestaande overeenkomsten ‘uitdienen’ zonder nieuwe overeenkomsten inzake dat beleggingsobject aan te gaan. Omdat het beleggingsobjectprospectus met name beoogt duidelijkheid te bieden in de precontractuele fase is besloten tot deze vrijstelling.

Artikel 30c

Het eerste lid van dit artikel voorkomt dat voor een product twee verschillende verplichte precontractuele documenten beschikbaar moeten worden gehouden. Wanneer artikel 38 inzake de financiële bijsluiter van toepassing is op een product met een kredietelement, hoeft er geen kredietprospectus te worden verstrekt. De algemene informatieverplichtingen uit de wet blijven wel van kracht. Die verplichting krijgt echter gedeeltelijk een vormvrij karakter. De verplichting in een reclame-uiting inzake krediet te verwijzen naar het prospectus, zoals vastgelegd in artikel 28, elfde lid, van het besluit is in dat geval eveneens niet van toepassing.

Het tweede lid bevat een vrijstelling voor financiële dienstverleners wiens werkzaamheden met betrekking tot het krediet zich beperken tot het beheren of uitvoeren van overeenkomsten inzake krediet (of het assisteren daarbij). De achtergrond van deze vrijstelling is gelijk aan de achtergrond bij de vrijstelling opgenomen in artikel 30b, tweede lid. Vanwege de ruime definitie van ‘aanbieden’ (artikel 7 van de wet) valt ook het uitsluitend beheren of uitvoeren van bestaande overeenkomsten inzake een financieel product onder het begrip aanbieden. Zonder de vrijstelling opgenomen in het tweede lid zouden de verplichtingen inzake het kredietprospectus ook van toepassing zijn op financiële dienstverleners ten aanzien van krediet die uitsluitend bestaande overeenkomsten ‘uitdienen’ zonder nieuwe overeenkomsten inzake dat krediet aan te gaan. Omdat het kredietprospectus met name beoogt duidelijkheid te bieden in de precontractuele fase is besloten tot onderhavige vrijstelling.

Artikel 30d

Ook de achtergrond van de vrijstelling opgenomen in deze bepaling is gelijk aan de achtergrond bij de vrijstelling opgenomen in artikel 30b, tweede lid. Vanwege de ruime definitie van ‘aanbieden’ (artikel 7 van de wet) valt ook het uitsluitend beheren of uitvoeren van bestaande overeenkomsten inzake een financieel product onder het begrip aanbieden. Zonder de vrijstelling opgenomen in het tweede lid zouden de verplichtingen inzake de financiële bijsluiter ook van toepassing zijn op financiële dienstverleners ten aanzien van complexe producten die uitsluitend bestaande overeenkomsten ‘uitdienen’ zonder nieuwe overeenkomsten inzake dat complexe product aan te gaan. Omdat de financiële bijsluiter met name beoogt duidelijkheid te bieden in de precontractuele fase is besloten tot onderhavige vrijstelling.

Artikel II

De Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998 (Riav) en de Regeling informatieverstrekking WTN zijn geïncorporeerd in het besluit en kunnen om die reden vervallen. Omdat de wettelijke grondslag van deze regelingen vooralsnog blijft bestaan (artikel 51 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, respectievelijk artikel 25 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf), dienen beide regelingen te worden ingetrokken. Daarmee vervallen ook de op de Riav gebaseerde Beleidsregels inzake de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998, waarin onder meer de productleeswijzer wordt voorgeschreven.

De Minister van Financiën,

G. Zalm