Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2006, 83 pagina 17Besluiten van algemene strekking

Regeling Inspectie van het onderwijs 2006

28 februari 2006

Nr. T&H/DIR/2005/54907

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Besluit:

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

b. secretaris-generaal: de secretaris-generaal van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

c. inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van het onderwijs,

d. inspectie: de Inspectie van het onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de Wet op het onderwijstoezicht,

e. ministerie: het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

f. instelling:

– school als bedoeld in artikel 1 van de Leerplichtwet 1969, artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs,

– exameninstelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs,

– agrarische innovatie- en praktijkcentra als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs,

– kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen, als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en

– instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 1.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,

g. inspectieproduct: onderwijsverslag als bedoeld in artikel 23, achtste lid, van de Grondwet, of inspectierapport als bedoeld in de artikelen 8, 15, 19 en 20 van de Wet op het onderwijstoezicht,

h. bedrijfsvoering: geheel van activiteiten dat noodzakelijk is voor en samenhangt met:

– de personeelsvoorziening en het personeelsbeleid, daaronder begrepen de toepassing van rechtspositionele regelingen,

– de huisvesting,

– de dagelijkse huishoudelijke gang van zaken,

– het inrichten en functioneren van de organisatie,

– de informatievoorziening, daaronder begrepen automatisering, en

– het beheer van de voor deze activiteiten beschikbaar gestelde middelen.

Hoofdstuk 2

Taakuitoefening

Artikel 2

Jaarwerkplan

1. De inspectie richt haar werkzaamheden in op basis van een jaarwerkplan als bedoeld in artikel 7 van de Wet op het onderwijstoezicht.

2. In het jaarwerkplan wordt in ieder geval een relatie gelegd met de onderscheiden beleidsgebieden waaraan de inspectie in het onderwijsverslag van het betreffende kalenderjaar specifieke aandacht zal besteden.

3. Over de inhoud van het jaarwerkplan pleegt de inspectie overleg met de minister. Ten behoeve van dit overleg legt de inspectie de minister jaarlijks voor 1 juli een concept-jaarwerkplan voor.

4. De inspectie stelt jaarlijks voor 1 oktober het jaarwerkplan vast. Het jaarwerkplan behoeft de goedkeuring van de minister en, voor zover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijk omgeving, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

5. De minister kan de inspectie opdragen aanvullende werkzaamheden te verrichten. In overleg met de inspectie wordt zo nodig bezien wat de gevolgen daarvan zijn voor de uitvoering van het jaarwerkplan.

6. De minister zendt het jaarwerkplan van de inspectie en wijzigingen van het jaarwerkplan aan de Staten-Generaal.

Artikel 3

Onderwijsverslag

1. De inspectie stelt jaarlijks met in achtneming van artikel 8, tweede lid, van de Wet op het onderwijstoezicht het verslag over de staat van het onderwijs vast. In dit onderwijsverslag wordt in ieder geval aandacht besteed aan de beleidsgebieden die in het betreffende jaarwerkplan waren opgenomen.

2. Het onderwijsverslag bevat in ieder geval:

a. een nauwkeurige omschrijving van de mate waarin de wettelijke voorschriften door de instellingen wordt nageleefd,

b. de belangrijkste kwalitatieve ontwikkelingen van het Nederlandse onderwijs, en

c. een beoordeling van de onder b bedoelde ontwikkelingen, voorzover mogelijk in relatie tot relevante ontwikkelingen in de ons omringende landen.

3. De ontwikkeling van het onderwijs, in het bijzonder de kwaliteit ervan, wordt in het onderwijsverslag zoveel mogelijk vastgelegd over meerjarige perioden opdat trends zichtbaar worden.

4. De inspectie kan voor de opstelling van het onderwijsverslag organisatieonderdelen van het ministerie raadplegen.

5. De inspectie stelt conceptteksten van het onderwijsverslag dusdanig tijdig aan het ministerie ter beschikking dat op ambtelijk niveau al het nodige kan worden gedaan om een volledige en adequate beleidsreactie van de minister voor te bereiden. Voor 15 februari legt de inspectie het concept-onderwijsverslag aan de minister voor. In het regulier overleg, bedoeld in artikel 16, worden afspraken gemaakt over de beleidsreactie van de minister en de presentatie van het onderwijsverslag. Voor 1 april legt de inspectie het definitieve onderwijsverslag aan de minister voor.

Artikel 4

Openbaarmaking en voorlichting

1. De inspectie maakt inspectieproducten openbaar met inachtneming van artikel 21 van de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en de volgende artikelleden.

2. Inspectieproducten als bedoeld in artikel 20 van de WOT (instellingsrapporten in het kader van het reguliere toezicht op de instellingen) worden door de inspectie openbaar gemaakt. Indien het in de rede ligt dat een inspectieproduct als hier bedoeld leidt tot publiciteit, stelt de inspecteur-generaal de secretaris-generaal daar ten minste 10 werkdagen voor de voorgenomen openbaarmaking van in kennis.

3. Ten aanzien van niet in opdracht van de minister opgestelde inspectieproducten als bedoeld in artikel 8 van de WOT (waartoe in elk geval de inspectieproducten behoren die voortvloeien uit het Jaarwerkplan van de inspectie) bepaalt de inspectie in welke vorm openbaarmaking en publiciteit plaatsvindt. Met het ministerie vindt tijdig afstemming plaats over verzending, al dan niet met een reactie van de minister, aan de Tweede Kamer, en wordt overleg gepleegd over de wijze waarop openbaarmaking en publiciteit plaatsvindt.

4. Ten aanzien van inspectieproducten als bedoeld in artikel 8 van de WOT die in opdracht van de minister zijn opgesteld, bepaalt de minister in welke vorm openbaarmaking en publiciteit plaatsvindt. De inspectie reikt de minister een voorstel aan omtrent openbaarmaking en publiciteit. Met de inspectie wordt overleg gepleegd over de wijze waarop openbaarmaking en publiciteit plaatsvindt. Indien een inspectieproduct als in dit artikellid bedoeld niet binnen een maand nadat dit door de inspectie voor openbaarmaking en publiciteit aan de minister beschikbaar is gesteld, is openbaar gemaakt, kan de inspectie na overleg met de secretaris-generaal zelf zorgdragen voor openbaarmaking en publiciteit.

5. Aanbieding van inspectieproducten door de inspectie rechtstreeks aan de Tweede Kamer vindt enkel plaats, indien het inspectieproducten betreft waarbij geen reactie van de minister wordt gevoegd, en is enkel mogelijk met instemming van de minister.

6. In situaties waarin deze regeling niet voorziet, vindt overleg plaats tussen de secretaris-generaal en de inspecteur-generaal.

Artikel 5

Ernstig of langdurig tekortschieten van kwaliteit

Indien de inspectie ernstig of langdurig tekortschieten van de kwaliteit van het onderwijs, als bedoeld in artikel 14 van de Wet op het onderwijstoezicht signaleert, treedt de inspectie in overleg met de minister.

Artikel 6

Uitvoeringstoets

1. De inspectie verricht een uitvoeringstoets bij beleidsvoorstellen die gevolgen hebben voor de uitoefening van het toezicht, daaronder begrepen gevolgen voor de capaciteitsinzet van de inspectie. De inspectie kan voorstellen doen voor een effectieve en doelmatige uitvoering van het beleidsvoorstel.

2. De uitvoeringstoets wordt verricht overeenkomstig de daarvoor door de secretaris-generaal vastgestelde procedure.

Hoofdstuk 3

Bedrijfsvoering

Artikel 7

Mandaat

1. De inspecteur-generaal draagt zorg voor de bedrijfsvoering.

2. De inspecteur-generaal heeft mandaat om besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen die ten aanzien van de bedrijfsvoering of anderszins voortvloeiend uit diens functie noodzakelijk zijn, onverminderd de Organisatie- en mandaatregeling OCW met dien verstande dat, waar in die regeling bevoegdheden betreffende functies tot en met schaal 12 onderscheidenlijk 13, worden toegekend, voor de inspecteur-generaal die bevoegdheden gelden tot en met schaal 14.

3. De inspectie maakt met de secretaris-generaal nadere afspraken over de activiteiten die noodzakelijk zijn voor en samenhangen met de personeelsvoorziening en het personeelsbeleid, daaronder begrepen de toepassing van rechtspositionele regelingen. Deze afspraken worden vastgelegd in de managementafspraak.

Artikel 8

Voorbereiden beslissingen bedrijfsvoering die zijn voorbehouden aan anderen

Met betrekking tot beslissingen over zaken betreffende de bedrijfsvoering van de inspectie die ingevolge een wettelijk voorschrift zijn voorbehouden aan de Kroon, de minister of de secretaris-generaal, bereidt de inspectie de beslissingen voor en doet voorstellen ter zake.

Artikel 9

Voorbehouden met betrekking tot toepassing rechtspositionele regelingen

1. De toepassing van rechtspositionele regelingen jegens de inspecteur-generaal is voorbehouden aan de minister onderscheidenlijk de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. Het voeren van overleg met vertegenwoordigers van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid, daaronder begrepen de financiële gevolgen van dit beleid, alsmede het voeren van overleg hierover met het decentraal georganiseerd overleg of de Departementale ondernemingsraad, is voorbehouden aan de secretaris-generaal.

3. Voorzover het personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid waarover overleg wordt gevoerd, gevolgen heeft voor de inspectie, doet de secretaris-generaal voorstellen daartoe na overleg met de inspectie.

Artikel 10

Overleg medezeggenschapsorganen

De inspecteur-generaal is bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden en voert het overleg met het betreffende medezeggenschapsorgaan.

Artikel 11

Kwaliteitssysteem uitoefening toezicht

1. De inspectie organiseert het toezicht op het onderwijs op zodanige wijze, dat dit leidt tot verantwoorde uitoefening van het toezicht.

2. Het uitvoeren van het eerste lid omvat mede de systematische bewaking, beheersing en zonodig verbetering van de kwaliteit van het toezicht.

3. Ter uitvoering van het eerste lid draagt de inspectie zorg voor:

a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van het toezicht, waaronder opvattingen van betrokkenen bij het onderwijs over de toezichtuitoefening door de inspectie,

b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van de uitvoering van het eerste lid leidt tot verantwoorde toezichtuitoefening, en

c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder b, voorzover er geen sprake is van verantwoorde toezichtuitoefening, veranderen van de wijze waarop het toezicht is georganiseerd.

4. De toetsing, bedoeld in het derde lid, onder b, geschiedt mede door onafhankelijke deskundigen.

Artikel 12

Managementafspraak

1. De secretaris-generaal en de inspecteur-generaal van het onderwijs maken jaarlijks voor 1 november een managementafspraak.

2. In de managementafspraak wordt in ieder geval aandacht besteed aan:

a. de bedrijfsvoering in relatie tot de taakuitoefening door de inspectie;

b. de hoofdlijnen van de uitoefening van het toezicht door de inspectie;

c. de toekenning van het budget aan en de besteding van middelen door de inspectie, aansluitend bij de werkzaamheden uit het jaarwerkplan;

d. de risico’s die door de inspectie gelopen worden en de wijze waarop de inspectie deze risico’s afdekt;

e. de managementrapportages;

f. het jaarverslag en de jaarrekening.

3. De verhouding tussen de managementafspraak en het jaarwerkplan als bedoeld in artikel 2 is zodanig dat inzicht bestaat in de relatie tussen de afzonderlijke inspectieproducten en de bedrijfsvoering.

4. De werkzaamheden uit het jaarwerkplan, inclusief aanvullende werkzaamheden op verzoek van de minister, dienen binnen de voor de inspectie opgenomen gelden in de rijksbegroting voor het ministerie te worden uitgevoerd, tenzij andere afspraken zijn gemaakt met de secretaris-generaal.

5. De inspectie besteedt de beschikbaar gestelde budgetten naar eigen inzicht, met inachtneming van de Comptabiliteitswet, de voor het ministerie geldende interne regelingen en, indien van toepassing, specifieke afspraken die daarover met de inspectie zijn gemaakt.

6. De managementafspraak en de managementrapportages vormen de basis voor het regulier overleg tussen de secretaris-generaal en de inspecteur-generaal als bedoeld in artikel 15, tweede lid.

Artikel 13

Jaarverslag inclusief financieel jaarverslag

1. De inspectie stelt jaarlijks voor 1 april een jaarverslag vast. Een financieel jaarverslag maakt deel uit van het jaarverslag. Het jaarverslag bevat gegevens over de uitoefening van het toezicht door de inspectie, de bedrijfsvoering en de ontwikkelingen in de organisatie in het voorgaande kalenderjaar. De inspectie legt jaarlijks voor 1 maart een concept-jaarverslag voor aan de secretaris-generaal.

2. In het financieel jaarverslag legt de inspectie verantwoording af over het financiële beheer van de inspectie over het voorafgaande begrotingsjaar overeenkomstig de daarvoor door de minister vastgestelde specificaties.

3. In het jaarverslag legt de inspectie verantwoording af over de kwaliteit van de toezichtuitoefening in dat jaar. In het verslag geeft de inspectie daartoe onder meer aan:

a. op welke wijze zij de onderwijsinstellingen bij haar kwaliteitsbeleid heeft betrokken en het resultaat daarvan,

b. de frequentie waarmee en de wijze waarop binnen de inspectie de toetsing van de kwaliteit plaatsvond en het resultaat daarvan,

c. de aard en omvang van klachten over de kwaliteit van de toezichtuitoefening en welk gevolg zij heeft gegeven deze klachten, en

d. de activiteiten ter verbetering van de kwaliteit van het toezicht.

4. De minister zendt het jaarverslag aan de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hoofdstuk 4

Overleg en informatievoorziening

Artikel 14

Toezichtberichten

1. De inspectie bericht de minister en de secretaris-generaal ten minste drie keer per jaar over haar waarnemingen in de vorm van een toezichtbericht.

2. De toezichtberichten vormen de basis voor het regulier overleg tussen de minister en de inspecteur-generaal als bedoeld in artikel 15, eerste lid.

Artikel 15

Regulier overleg

1. De minister en de secretaris-generaal voeren vier keer per jaar, dan wel vaker indien daartoe aanleiding bestaat, vertrouwelijk overleg met de inspecteur-generaal over de hoofdlijnen van de uitoefening van het toezicht door de inspectie. Voor zover onderwerpen zich daartoe lenen, neemt de Staatssecretaris van Onderwijs of de Staatssecretaris van Cultuur deel aan het overleg.

2. De secretaris-generaal en de inspecteur-generaal voeren ten minste drie keer per jaar overleg over de uitoefening van het toezicht door de inspectie, de uitvoering van het jaarwerkplan, de bedrijfsvoering en de naleving van deze regeling. De inspecteur-generaal legt daarbij verantwoording af over de besteding van de middelen in relatie tot de behaalde resultaten van de uitvoering van de taken en de bedrijfsvoering.

3. De secretaris-generaal en de directeuren-generaal die het aangaan voeren ten minste vier keer per jaar overleg over de waarnemingen van de inspectie.

Artikel 16

Informatie aan Eerste en Tweede Kamer

1. De inspecteur-generaal kan desgevraagd in de Tweede of Eerste Kamer der Staten-Generaal een feitelijke toelichting geven op het onderwijsverslag.

2. De minister kan in het kader van zijn jaarlijkse financiële verantwoording aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal de medewerking van de inspectie inroepen om het onderwijsverslag van het betreffende jaar in te laten passen in de totale gegevensverstrekking aan de Tweede Kamer.

Hoofdstuk 5

Slotbepalingen

Artikel 17

Intrekking Regeling Inspectie van het onderwijs

De Regeling Inspectie van het onderwijs wordt ingetrokken.

Artikel 18

Bekendmaking

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 20

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Inspectie van het onderwijs 2006.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.J.A. van der Hoeven.

Toelichting

Algemeen

Deze regeling vervangt de Regeling Inspectie van het Onderwijs van april 2003 (Uitleg Gele katern 21 mei 2003, nr. 13), welke regeling het gevolg was van de inwerkingtreding per 1 september 2002 van de Wet op het onderwijstoezicht . Deze regeling wordt thans vervangen omdat de werkafspraken tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de Inspectie van het Onderwijs sinds het inwerkingtreden van deze regeling zijn veranderd. In de nieuwe regeling wordt de actuele werkwijze weergegeven. De grootste verandering betreft het hoofdstuk over bedrijfsvoering. De planning & control-cyclus van de Inspectie van het Onderwijs sluit aan op de planning & control-cyclus van het Ministerie van OCW. Verder is het artikel over openbaarmaking en voorlichting verduidelijkt.

Deze regeling gaat over de relatie tussen het Ministerie van OCW en de Inspectie van het onderwijs, en daarmee tussen de minister en de secretaris-generaal van OCW en de inspecteur-generaal van het onderwijs. De Inspectie van het onderwijs houdt sinds 1 augustus 2003 ook toezicht op het landbouwonderwijs. Dit is geregeld in het convenant inpassing Inspectie Landbouwonderwijs en kennisprogramma’s (LOK) dat in juni 2003 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Met de onderbrenging van de Inspectie LOK bij de Inspectie van het onderwijs is geen wijziging gebracht in de formele verantwoordelijkheid van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). De Minister van LNV behoudt zijn verantwoordelijkheid voor het toezicht op het groene onderwijs. De Minister van OCW is echter als enige minister rechtstreeks verantwoordelijk voor de Inspectie van het Onderwijs. Om zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het groene onderwijs waar te kunnen maken, heeft de Minister van LNV wel bevoegdheden ten aanzien van het jaarwerkplan, het onderwijsverslag en de toezichtkaders.

Een belangrijk uitgangspunt van deze regeling is de vergaande mate van zelfstandigheid van de inspectie in de uitoefening van het toezicht. Hiervoor zijn in de Wet op het onderwijstoezicht diverse waarborgen opgenomen. Zo kan de minister geen aanwijzingen geven met betrekking tot kwaliteitsoordelen en geschieden aanwijzingen met betrekking tot de taakuitoefening altijd schriftelijk. Bovendien zal de minister altijd zeer terughoudend omgaan met het geven van aanwijzingen (vergelijk ook Kamerstukken II 2000/01, 27 783, nr. 3, p. 22). De zelfstandigheid van de inspectie komt ook daarin tot uiting dat de inspecteur-generaal mandaat krijgt voor de gehele bedrijfsvoering en hetgeen anderszins voortvloeit uit diens functie (overigens is in de tekst zo veel mogelijk de term ‘inspectie’ gebruikt tenzij expliciet op de inspecteur-generaal wordt gedoeld).

Deze zelfstandigheid laat onverlet dat de inspectie onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt. Het is de minister die volgens de Grondwet aan de Tweede Kamer alle gevraagde inlichtingen moet verstrekken en die verantwoording moet afleggen over het gevoerde beleid. Daarom zullen inspectieproducten altijd een relatie moeten hebben met de toezichtstaken, zoals die uit de Wet op het onderwijstoezicht volgen, en zullen inspectieproducten altijd gebaseerd moeten zijn op waarnemingen die de inspectie doet in het kader van het toezicht.

In deze regeling wordt op diverse plaatsen verwezen naar organisatieonderdelen van het ministerie. Dit laat onverlet de verantwoordelijkheid van directies om in voorkomend geval ook anderen, waaronder uiteraard de minister, in de gelegenheid te stellen hun verantwoordelijkheid waar te maken.

Artikelsgewijs

Artikel 2

Het jaarwerkplan wordt volgens artikel 7 van de Wet op het onderwijstoezicht door de inspectie vastgesteld. Na goedkeuring door de minister zendt de minister het aan de Staten-Generaal. In het jaarwerkplan wordt onder meer aangegeven wat de gevolgen van uitvoering van het jaarwerkplan voor de bedrijfsvoering zijn. Daarbij gaat het vooral om de gevolgen ten aanzien van personele voorzieningen.

Artikel 3

Dit artikel bevat onder meer de procedure rond de totstandkoming van het onderwijsverslag. Het onderwijsverslag wordt conform artikel 8, tweede lid, van de Wet op het onderwijstoezicht door de inspectie vastgesteld. Voor 15 februari legt de inspectie het concept-onderwijsverslag aan de minister voor. Hierbij gaat het in de praktijk om de drukproef van het onderwijsverslag.

Artikel 4

Artikel 4 heeft betrekking op de actieve openbaarmaking en voorlichting van alle inspectieproducten (dit zijn alle documenten van de inspectie die bestemd zijn voor publicatie) en dus ook op de rapportages van de inspectie, bedoeld in artikel 8 van de Wet op het onderwijstoezicht (themarapportages e.d.). Dit artikel heeft geen betrekking op verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Een belangrijk uitgangspunt bij de voorlichting is dat alle inspectieproducten in beginsel actief openbaar worden gemaakt (uiteraard met inachtneming van de Wob). Slechts indien de Wob zich daartegen verzet, kan openbaarmaking achterwege blijven. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de minister de inspectie heeft verzocht om een vertrouwelijk onderzoek te doen.

De publiciteit over inspectieproducten die niet in opdracht van de minister zijn verstrekt (in elk geval de inspectieproducten die voortvloeien uit het jaarwerkplan), is de verantwoordelijkheid van de inspectie zelf. Overigens moet bij reguliere en incidentele onderzoeken op grond van de Wet op het onderwijstoezicht eerst afstemming hebben plaatsgevonden met de betrokken instelling. Ook moet de directie voorlichting van het ministerie hiervan tijdig op de hoogte zijn gebracht. Bij periodieke inspectieonderzoeken als bedoeld in artikel 11 van de Wet op het onderwijstoezicht is dit niet noodzakelijk tenzij de betekenis van een rapportage dat naar verwachting rechtvaardigt.

Bij het uitzetten van door de minister gevraagd onderzoek zullen vooraf altijd afspraken met de inspectie moeten worden gemaakt over de openbaarmaking en publiciteit (bij door de minister gevraagd onderzoek gaat het om producten die naast het jaarwerkplan van de inspectie tot stand zijn gekomen, waaronder die welke voortvloeien uit door de minister aan de Tweede Kamer gedane toezeggingen). De publiciteit rond inspectieproducten die in opdracht van de minister zijn verstrekt, is immers de verantwoordelijkheid van de minister. Volgens het vijfde lid reikt de inspectie bij een inspectieproduct dat is opgesteld in opdracht van de minister, de minister een voorstel aan omtrent openbaarmaking en publiciteit. Uit het vijfde lid volgt ook dat de minister uiteindelijk over het voorstel van de inspectie beslist.

Gelet op de bijzondere verantwoordelijkheid van de inspectie, is er in voorzien dat de inspectie zelf de publiciteit kan zoeken wanneer een inspectieproduct dat in opdracht van de minister is opgesteld, niet binnen een maand voor openbaarmaking en publiciteit beschikbaar is gesteld (met dien verstande dat de inspectie alleen met instemming van de minister rechtstreeks inspectieproducten naar de Tweede Kamer kan sturen).

Bij de gevallen, bedoeld in het laatste lid, kan worden gedacht aan incidenten, crisissituaties e.d.

Artikel 5

Het signaleren van ernstig of langdurig tekortschieten van de kwaliteit van het onderwijs en het doen van voorstellen omtrent mogelijk te treffen maatregelen, geschiedt overeenkomstig daarvoor door de secretaris-generaal in overleg met de inspectie vastgestelde procedures. Daarbij kan worden gedacht aan procedures zoals die ook voor HO en BVE gelden.

Artikel 7 en 8

De afspraken bedoeld in artikel 7, derde lid, maken deel uit van de jaarlijkse managementafspraak tussen de inspecteur-generaal en secretaris-generaal. Deze afspraken bieden het raamwerk waarbinnen de inspecteur-generaal de in het tweede lid verleende bevoegdheden voor onder meer de personeelszorg hanteert. Bij deze afspraken kan men denken aan zaken als hantering van competentiemanagement, beheersing van ziekteverzuim, personeelsopbouw ook in verhouding tot doelgroepenbeleid etc. Bij het vormgeven van de personeelsparagraaf in de managementafspraak en van de bijbehorende control-cyclus zal steeds acht worden geslagen op de volgende elementen:

– de stand van de ontwikkeling op het kerndepartement,

– de eis van zelfstandigheid van de inspectie bij de oordeelsvorming over de kwaliteit van hetgeen onder inspectietoezicht valt, en

– de doelmatigheid en verklaarbaarheid van verschillen tussen aan het kerndepartement aanpalende organisaties.

Artikel 7 geeft invulling aan de zelfstandigheid van de inspectie in die zin dat de inspecteur-generaal mandaat krijgt voor de gehele bedrijfsvoering, dus ook ten aanzien van de toepassing van rechtspositionele regelingen, zoals het ontslaan en benoemen van het personeel. In artikel 8 is bepaald dat met betrekking tot beslissingen over zaken betreffende de bedrijfsvoering van de inspectie die ingevolge een wettelijk voorschrift zijn voorbehouden aan de Kroon, de minister of de secretaris-generaal, de inspectie de beslissingen voorbereidt en voorstellen ter zake doet.

Wat betreft de relatie met de huidige Organisatie- en mandaatregeling van OCW zij opgemerkt dat die regeling – tenzij anders blijkt – ook van toepassing is op de inspectie. Met de Regeling Inspectie van het onderwijs is immers niet beoogd wijzigingen aan te brengen in de reikwijdte van het mandaat aan de inspectie. Daarom is in het tweede lid ook toegevoegd dat de inspecteur-generaal bevoegdheden heeft met betrekking tot het personeel tot en met schaal 14.

Ook worden met deze regeling geen wijzigingen beoogd wat betreft de relatie met de Comptabiliteitswet 2001 en de Rijksbegrotingsvoorschriften. Ook deze blijven voor de inspectie gelden.

Artikel 9

In dit artikel wordt alleen voor de inspecteur-generaal een inbreuk gemaakt op het uitgangspunt van zelfstandigheid in personele aangelegenheden voor de inspectie. Door deze inbreuk op het bepaalde in artikel 7, tweede lid, daartoe te beperken, is al datgene gedaan wat nodig is om de autonomie van de inspectie bij zijn oordeelsvorming over kwaliteit en het organiseren van de daarvoor noodzakelijke processen te waarborgen.

Artikel 11

Artikel 11 bevat een uitwerking van artikel 22 van de Wet op het onderwijstoezicht. Daarin is bepaald dat de inspectie zorgdraagt voor een verantwoorde uitoefening van het toezicht. Voor de tekst van artikel 11 is aangesloten bij de Kwaliteitswet zorginstellingen.

Overigens ligt het in de rede dat de Raad van Advies een oordeel geeft over de kwaliteitszorg van de inspectie. Dit oordeel kan worden opgenomen in het jaarverslag van de inspectie. De inspectie kan hierover afspraken maken met de Raad van Advies.

Artikel 15

De regeling van het overleg is gebaseerd op een sterke delegatie van verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Wet op het onderwijstoezicht naar de secretaris-generaal. Het overleg, bedoeld in het tweede lid, ziet vooral op beheersmatige aangelegenheden. Het overleg met de minister blijft beperkt tot (beleidsmatige) hoofdzaken.

Artikel 16

In dit artikel is geregeld dat de inspectie desgevraagd in de Tweede of Eerste Kamer der Staten-Generaal een feitelijke toelichting kan geven op het onderwijsverslag. Afzonderlijke toestemming van de minister is daarvoor niet nodig. Die toestemming is wel nodig wanneer sprake is van toelichting door de inspecteur-generaal in de Tweede of Eerste Kamer op andere inspectieproducten.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M.J.A. van der Hoeven