Vergoedingenregeling Raad van Toezicht Politieacademie
Besluit van 20 maart 2006, DGV/DPOL/O&L, nr. 2006-0000087622, houdende vaststelling van het bedrag van de tegemoetkoming aan de voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht Politieacademie ingevolge artikel 8, zesde lid, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Gelet op artikel 8, zesde lid, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder ‘raad van toezicht’:
de raad van toezicht van het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politieonderwijs- en kenniscentrum, bedoeld in artikel 8 van de Wet op het Landelijk selectie-en opleidingsinstituut politie, Politieonderwijs- en kenniscentrum;
Artikel 2
1. De voorzitter en de andere leden van een raad van toezicht hebben per kalenderjaar aanspraak op een tegemoetkoming.
2. De tegemoetkoming aan de voorzitter en aan de andere leden van een raad van toezicht bedraagt per kalenderjaar respectievelijk € 11.345,– en € 9.076,–.
3. De tegemoetkoming wordt naar evenredigheid verminderd, indien het voorzitterschap of het lidmaatschap van de raad van toezicht in de loop van een kalenderjaar is aangevangen of beëindigd.
Artikel 3
Deze regeling kan worden aangehaald als: Vergoedingenregeling Raad van Toezicht Politieacademie.
Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.W. Remkes.
Toelichting
Algemeen
De Raad van Toezicht van het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politieonderwijs- en kenniscentrum is op basis van artikel 4 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs aangemerkt als orgaan van de Politieacademie.
De Raad van Toezicht is belast met het bewaken van de doelstelling en de strategie (van de Politieacademie) en het toezien op de taakuitoefening door het college van bestuur. Daarnaast besluit de Raad van Toezicht over organisatiewijzigingen en handelingen ten aanzien van onroerende zaken en geeft de raad ‘gevraagd en ongevraagd het College van bestuur zijn zienswijze over de taakuitoefening door het College van Bestuur.’ De raad bestaat uit tenminste vijf en ten hoogste zeven leden, die worden benoemd voor een periode van vier jaar.
De Wet op het LSOP en het politieonderwijs vermeldt voorts de samenstelling van de raad en gaat in op de benoemingsprocedure en de bekostiging van de vergoedingen van de leden van de raad.
Op basis van artikel 8 zesde lid van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs kent de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de leden van de raad van toezicht, ten laste van de Politieacademie, een vergoeding toe voor hun werkzaamheden. De leden hebben aanspraak op vergoeding door de Politieacademie van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfkosten.
Artikelsgewijs
Artikel 2, onder 2
De hier opgenomen vergoedingen voor de leden van de Raad van Toezicht Politieacademie zijn gelijk aan de vergoedingen aan de leden van te vergelijken Raden van Toezicht binnen de Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW). De hoogte van deze vergoeding kan bij ministeriële regeling worden aangepast.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes