Regeling bijzondere opsporingsgelden

Aan: de voorzitter van het College van procureurs-generaal

de hoofdofficieren van justitie

de korpsbeheerders

de korpschefs van de regionale politiekorpsen

de korpschef van het Korps landelijke politiediensten

de bevelhebber der Koninklijke marechaussee

de directeur van de Rijksrecherche

de bijzondere opsporingsdiensten FIOD-ECD, AID, VROM-IOD en SIOD

Onderdeel: Bureau Operationele Zaken

Datum: 1 februari 2006

Kenmerk: 5389067/505

Code: 1.871.21

Bijzonderheden: Vervangt de Regeling bijzondere opsporingsgelden van 2 april 2005

Aard: Beleidsregels

Geldig van/tot: 2 april 2006 tot 2 april 2010

Bijlage(n): Div.

Onderwerp: Regeling inzake de toekenning en beschikbaarstelling van bijzondere opsporingsgelden

Regeling Bijzondere Opsporingsgelden, houdende regels van de Minister van Justitie inzake het toekennen en beschikbaar stellen van gelden ten behoeve van de financiële beloning van informanten, burgerinfiltranten, burgerpseudokopers, burgerpseudodienstverleners en tipgevers, alsmede voor het toekennen en beschikbaar stellen van toon-, pseudokoop-, opkoop- en andere bijzondere gelden ter ondersteuning van de opsporing.

§ 1

Algemene bepalingen

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

1. Bureau Operationele Zaken

Het bureau Operationele Zaken (BOZ) van het directoraat-generaal Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie.

2. Aangewezen ambtenaar

Een door het hoofd van het bureau Operationele Zaken aangewezen ambtenaar, die bevoegd is namens hem, binnen de grenzen van het verleende mandaat, voor de uitvoering van deze regeling op te treden.

Van een aanwijzing worden de hoofdofficieren van justitie schriftelijk in kennis gesteld.

3. Opsporingsdienst

a. de regionale politiekorpsen;

b. het Korps landelijke politiediensten;

c. de onderdelen van de Koninklijke Marechaussee die door het bevoegd gezag zijn aangewezen om een reguliere politietaak te vervullen;

d. de Rijksrecherche; en

e. de bijzondere opsporingsdiensten (BOD’en) die, in overleg met het College van procureurs-generaal, door de Minister van Justitie schriftelijk zijn aangewezen.

4. Betrokken hoofdofficier van justitie

De hoofdofficier van justitie onder wiens verantwoordelijkheid het desbetreffende strafrechtelijke onderzoek loopt of heeft gelopen, dan wel binnen wiens arrondissement een geval, waarop deze regeling ziet, zich voordoet of heeft voorgedaan.

5. Informant

Een persoon die heimelijk aan een opsporingsambtenaar informatie verstrekt omtrent strafbare feiten, die door anderen zijn of worden gepleegd of verricht, welke verstrekking gevaar voor deze persoon of voor derden oplevert en die ingeschreven staat in het informantenregister van een opsporingsdienst.

6. Burgerinfiltrant

De burger, zoals bedoeld in de artikelen 126w en 126x van het Wetboek van Strafvordering.

7. Burgerpseudokoper en -dienstverlener

De burger, zoals bedoeld in de artikelen 126ij en 126z van het Wetboek van Strafvordering.

8. Tipgeld

a. Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Justitie beschikbaar wordt gesteld voor een informant, burgerinfiltrant, burgerpseudokoper of burgerpseudodienstverlener wegens door hem verstrekte inlichtingen of door hem verrichte diensten, die hebben geleid of mede hebben geleid tot de opheldering van een strafbaar feit.

b. Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Justitie beschikbaar wordt gesteld voor een informant, burgerinfiltrant, burgerpseudokoper of burgerpseudodienstverlener wegens door hem verstrekte concrete inlichtingen, die hebben geleid tot de inbeslagneming van contant geld dan wel ander waardevol (on)roerend goed, en welke inbeslagneming zonder die inlichtingen niet zou hebben kunnen plaatsvinden, voorzover het Openbaar Ministerie de ontneming dan wel verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen contant geld dan wel ander waardevol (on)roerend goed vordert of heeft gevorderd.

c. Geld dat, zonder dat de verstrekte inlichtingen of de verrichte diensten tot opheldering van een strafbaar feit hebben geleid, op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Justitie beschikbaar wordt gesteld voor een informant of een burgerinfiltrant in een geval dat:

i. het plegen van een strafbaar feit, op grond van veiligheidsrisico’s of andere zwaarwegende belangen in opdracht van het openbaar ministerie door de politie is voorkomen;

ii. de met betrekking tot een strafbaar feit verstrekte inlichtingen het algemeen belang of een zwaarwegend economisch belang hebben gediend;

iii. de inlichtingen hebben geleid tot de opsporing van zaken van (nagenoeg) onvervangbare waarde;

iv. de informant of burgerinfiltrant in opdracht van het openbaar ministerie niet langer in een onderzoek kan worden gebruikt in verband met zijn veiligheid of met het afbreukrisico voor dit onderzoek;

v. de informant of burgerinfiltrant, gelet op de duur van het onderzoek waarin hij wordt gebruikt, naar het oordeel van het openbaar ministerie, een incidentele aanmoedigingspremie in de vorm van een voorschot op het naar verwachting toe te kennen tipgeld dient te worden verstrekt;

vi. op grond van prioriteitstelling door het openbaar ministerie, het tactisch onderzoek naar aanleiding van de verstrekte inlichtingen gedurende langere tijd wordt uitgesteld.

vii. de verstrekte inlichtingen hebben geleid tot een voltooide opkoop, zoals bedoeld in artikel 1, lid 14 van deze regeling; of

viii. de verstrekte inlichtingen een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het in kaart brengen van een zogenoemd crimineel samenwerkingsverband en er naar aanleiding van deze inlichtingen een strafrechtelijk onderzoek is of wordt gestart.

9. Voorschot

Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie, bij wijze van voorschot op tipgeld, door de Minister van Justitie beschikbaar wordt gesteld.

10. Pseudokoop

Hetgeen daaronder wordt verstaan in de artikelen 126i en 126q (politiële pseudokoop) en de artikelen 126ij en 126z (burgerpseudokoop) van het Wetboek van Strafvordering.

11. Pseudokoopgeld

Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Justitie beschikbaar wordt gesteld voor een pseudokoop.

12. Tipgever

De burger die, anders dan als informant of burgerinfiltrant, inlichtingen heeft verstrekt die (mede) hebben geleid tot de aanhouding althans het bekend worden van de dader(s) van een ernstig misdrijf, waarvoor door de betrokken hoofdofficier van justitie in het belang van het onderzoek, met voorafgaande machtiging van de Minister van Justitie en met inachtneming van de in artikel 16, aanhef en onder b van deze regeling gestelde publicatievereisten, een financiële beloning in het vooruitzicht is gesteld.

13. Beloning

Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Justitie beschikbaar wordt gesteld voor een tipgever.

14. Opkopen

Het met toestemming van de betrokken hoofdofficier van justitie, zonder strafvorderlijk oogmerk, kopen van een voor het leven of de gezondheid van personen bijzonder gevaarlijk goed, waarvan het ongecontroleerd bezit bovendien in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

15. Opkoopgeld

Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Justitie beschikbaar wordt gesteld voor het opkopen van een goed.

16. Toongeld

Geld dat op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie door de Minister van Justitie voor bepaalde duur ter beschikking wordt gesteld om een infiltrant van een opsporingsdienst in staat te stellen blijk te geven van zijn belangstelling en kredietwaardigheid voor de aankoop van criminele goederen.

17. Onkosten- en uurvergoedingen

De geldelijke vergoeding aan een informant of burgerinfiltrant ter goedmaking van of tegemoetkoming in de met machtiging van het Openbaar Ministerie en op verzoek van een opsporingsdienst met betrekking tot het inwinnen van criminele inlichtingen gemaakte onkosten of gewerkte uren.

18. Schadevergoeding

De geldelijke vergoeding aan de burger die, in een geval waarop de Regeling bijzondere opsporingsgelden ziet, bijstand heeft verleend aan de politie, ter goedmaking van of tegemoetkoming in geleden materiële schade met betrekking tot de normale lijfsgoederen, alsmede met betrekking tot een voertuig of een ander privé-eigendom, dat op verzoek van een opsporingsdienst en met machtiging van het openbaar ministerie met betrekking tot de bijstandsverlening is gebruikt.

19. Procedureregeling ‘Kasvoorschot Ministerie van Justitie’

De regeling houdende procedureafspraken tussen de Minister van Justitie, de betrokken financiële instelling, het openbaar ministerie en het Korps landelijke politiediensten inzake het beschikbaar stellen van contant geld dat op grond van de Regeling bijzondere opsporingsgelden is toegekend.

Artikel 2

Soorten toe te kennen bijzondere opsporingsgelden

1. Op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie kan de Minister van Justitie op grond van deze regeling de volgende gelden toekennen:

a. (een voorschot op) tipgeld;

b. een beloning;

c. pseudokoopgeld;

d. opkoopgeld; en

e. toongeld.

2. Onkosten- en uurvergoedingen, als bedoeld in artikel 1, zeventiende lid en schadevergoedingen, als bedoeld in artikel 1, achttiende lid, worden in beginsel uit de financiële middelen van de betrokken opsporingsdienst betaald. In bijzondere gevallen kan de Minister van Justitie, op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie, echter besluiten een onkosten-, uur- of schadevergoeding toe te kennen.

3. In het belang van de opsporing van een ernstig misdrijf of de voorkoming daarvan, of indien andere zwaarwichtige redenen in het kader van de opsporing daartoe aanleiding geven, kan de Minister van Justitie onder nader te stellen voorwaarden, op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie, ook in andere gevallen dan genoemd in het eerste en tweede lid, bijzondere gelden toekennen.

§ 2

De rol van het Korps landelijke politiediensten (KLPD)

Artikel 3

Centrale registratie, advisering en uitvoering

1. Het KLPD registreert in een doorlopend register alle zaken waarbij het in het kader van de uitvoering van deze regeling betrokken is geweest.

2. Het KLPD draagt zorg voor de advisering of uitvoering zoals omschreven in onderstaande aangelegenheden:

a. tipgeld

In tipgeldzaken (en eventuele voorschotten daarop) heeft de Nationale Criminele Inlichtingen Eenheid (NCIE) van het KLPD een adviserende taak met betrekking tot de toekenning en de hoogte van het bedrag. De NCIE is intermediair tussen de opsporingsdiensten en het bureau Operationele Zaken van het Ministerie van Justitie. De tussenkomst van de NCIE bij tipgeldaanvragen is voor de opsporingsdiensten verplicht.

b. beloning

Met betrekking tot de door de hoofdofficieren van justitie uitgeloofde beloningen draagt het KLPD zorg voor de vervaardiging en landelijke verspreiding van de raambiljetten. Tevens draagt het KLPD ervoor zorg dat aan de desbetreffende zaak aandacht wordt besteed in een landelijk televisieprogramma van een zendgemachtigde waarmee het Openbaar Ministerie een samenwerkingscontract voor de opsporingsberichtgeving heeft gesloten.

c. pseudokoop-, toon- en opkoopgeld en overige bijzondere gelden

Het KLPD geeft desgevraagd advies aan het bureau Operationele Zaken en de betrokken hoofdofficier van justitie over de praktische uitvoering van een pseudokoop-, toongeld of opkoopzaak of een zaak als bedoeld in artikel 2, derde lid, alsmede over de hoogte van het in een concreet geval gebruikelijke bedrag.

Het KLPD coördineert en ondersteunt desgevraagd de zaken waarbij het in de uitvoering is betrokken.

d. Ter beschikking stellen van contant geld

Het KLPD draagt in een concrete zaak, op verzoek van de aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken zorg dat op grond van deze regeling toegekend geld dat in contanten ter beschikking moet worden gesteld van de verzoekende hoofdofficier van justitie, wordt opgehaald en afgeleverd overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de procedureregeling, zoals bedoeld in artikel 1, negentiende lid, van de Regeling bijzondere opsporingsgelden.

Op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie draagt het KLPD zorg dat het geld op de aan te geven wijze wordt geprepareerd en verpakt.

e. jaaroverzicht

Jaarlijks, in de maand maart, zendt de korpschef van het KLPD, door tussenkomst van de directeur-generaal Rechtshandhaving, aan de Minister van Justitie een overzicht van de zaken waarin in het voorafgaande kalenderjaar tipgeld is toegekend. De directeur-generaal Rechtshandhaving zendt een exemplaar van dit overzicht ter kennisneming aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal.

Dit overzicht bevat, uitgesplitst per opsporingsdienst:

1. het totaal aantal zaken per delictsoort;

2. het gemiddeld uitbetaalde bedrag per delictsoort;

3. het totale bedrag aan tipgeld dat is toegekend; en

4. de door derden, al dan niet met een afgegeven garantstelling, in het vooruitzicht gestelde of uitbetaalde financiële beloningen ten behoeve van informanten.

Het jaaroverzicht bevat voorts het aantal en de soort zaken (met vermelding van de bedragen), waarin het KLPD bij de uitvoering van toongeld-, pseudokoopgeld- of opkoopgeldzaken, dan wel zaken als bedoeld in artikel 2, derde lid, een adviserende, ondersteunende of uitvoerende rol heeft gespeeld.

In het jaaroverzicht worden geen gegevens vermeld die herleidbaar zijn tot concrete zaken of personen.

§ 3

Aanvraagprocedures

Artikel 4

Tipgeld

1. Aanvragen voor toekenning van tipgeld tot een bedrag van € 225,– worden niet in behandeling genomen.

2. Indien het hoofd van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van een opsporingsdienst het wenselijk acht dat tipgeld wordt toegekend, treedt hij of een door hem aangewezen andere leidinggevende binnen de CIE, na verkregen toestemming van de betrokken CIE-officier van justitie, voor het inwinnen van advies over de hoogte van het tipgeldbedrag en in voorkomend geval over de toepasselijkheid van de tipgeldregeling in overleg met de betrokken ambtenaar van de NCIE.

3. Naar aanleiding van het in het tweede lid bedoelde overleg bespreekt de ambtenaar van de NCIE de zaak telefonisch met de aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken en adviseert hem over de toekenning en de hoogte van het tipgeldbedrag.

4. De aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken neemt een beslissing ten aanzien van de toekenning en bepaalt, bij een positieve beslissing, de hoogte van het tipgeldbedrag. De uitkomst wordt medegedeeld aan de ambtenaar van de NCIE.

5. Indien de hoogte van het toe te kennen bedrag buiten het mandaat van de aangewezen ambtenaar valt, legt deze de zaak ter beslissing voor aan de in casu wel bevoegde ambtenaar bij het Ministerie van Justitie of in voorkomend geval aan de Minister van Justitie.

De aangewezen ambtenaar stelt de aanvragende opsporingsdienst, door tussenkomst van de NCIE, op de hoogte van de genomen beslissing.

6. Bij een positieve beslissing dient de opsporingsdienst ter verdere afhandeling van de zaak bij de betrokken CIE-officier van justitie een rapport in, overeenkomstig het model dat als bijlage 2 bij deze regeling is opgenomen.

De CIE-officier van justitie, die het rapport voor akkoord heeft ondertekend, geleidt dit door naar de betrokken hoofdofficier van justitie.

7. De hoofdofficier van justitie verzoekt vervolgens bij brief, overeenkomstig het model van bijlage 2a bij deze regeling, waarbij het in het zesde lid bedoelde rapport is gevoegd, om de beschikbaarstelling van het toegezegde tipgeld. Deze brief dient te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken, die vervolgens voor de betaalbaarstelling van het tipgeld zorgdraagt.

8. Voor de opsporingsdienst aan welke het tipgeld betaalbaar is gesteld, bestaat een terugstortverplichting voorzover het tipgeld niet of niet geheel binnen zes maanden na ontvangst is uitgekeerd aan de desbetreffende informant, dan wel zodra duidelijk is geworden dat het tipgeld niet binnen zes maanden zal worden uitgekeerd aan de desbetreffende informant. Het niet uitgekeerde tipgeld dient teruggestort te worden op rekeningnummer 192.325.000 ten name van het Ministerie van Justitie, onder vermelding van het corresponderende NCIE-nummer.

Op grond van dit artikellid teruggestort tipgeld blijft maximaal vijf jaar na bijschrijving op de daartoe bestemde rekening van het Ministerie van Justitie opeisbaar door de hoofdofficier van justitie ten behoeve van de desbetreffende informant.

9. Het in de leden 1 tot en met 8 van dit artikel bepaalde is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een voorschot op tipgeld.

Artikel 5

Beloning

1. Aanvragen voor toekenning van een beloning tot een bedrag van € 4.500,– worden niet in behandeling genomen.

2. Indien het wenselijk wordt geacht dat in een opsporingsonderzoek een beloning wordt uitgeloofd, neemt de officier van justitie, na verkregen instemming van de hoofdofficier van justitie, telefonisch contact op met een aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken, licht de zaak toe en verzoekt om toekenning van een beloning.

3. Indien de aangewezen ambtenaar een beloning toekent, deelt deze tevens zijn beslissing over de hoogte van de beloning mee aan de officier van justitie.

4. Indien de hoogte van het toe te kennen bedrag buiten het mandaat van de aangewezen ambtenaar valt, legt deze het verzoek ter beslissing voor aan de in casu wel bevoegde ambtenaar bij het Ministerie van Justitie of in voorkomend geval aan de Minister van Justitie.

De aangewezen ambtenaar stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk telefonisch op de hoogte van de genomen beslissing.

5. Bij een positieve beslissing over de toekenning van een beloning informeert de officier van justitie de politie over de inhoud van de toezegging en verzoekt hem telefonisch contact op te nemen met de Dienst Nationale Recherche Informatie (DNRI) van het KLPD. De DNRI draagt zorg voor de vervaardiging en landelijke verspreiding van de raambiljetten. Tevens draagt de DNRI ervoor zorg dat aan de desbetreffende zaak aandacht wordt besteed in een landelijk televisieprogramma van een zendgemachtigde waarmee het Openbaar Ministerie een samenwerkingscontract voor de opsporingsberichtgeving heeft gesloten.

6. De mondelinge toezegging dient in een schriftelijke machtiging te worden vastgelegd. Hiertoe dient de officier van justitie, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, uiterlijk vier weken na de mondelinge toezegging, een verzoek in overeenkomstig het model dat als bijlage 3 bij deze regeling is opgenomen. Dit verzoek dient te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken, ter attentie van de behandelend ambtenaar.

Deze laatste draagt zorg voor toezending van de machtiging aan de hoofdofficier van justitie.

7. Indien de hoofdofficier van justitie een beroep wenst te doen op de machtiging, verzoekt hij de Minister van Justitie het toegezegde beloningsgeld geheel of ten dele beschikbaar te stellen. Dit verzoek dient schriftelijk, overeenkomstig het model dat als bijlage 4a bij deze regeling is opgenomen, te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken.

Bij het verzoek van de hoofdofficier van justitie wordt het advies gevoegd van de officier van justitie, overeenkomstig het model dat als bijlage 4 bij deze regeling is opgenomen.

Het hoofd van het bureau Operationele Zaken draagt zorg dat het geld voor de beloning betaalbaar wordt gesteld.

Artikel 6

Toongeld

1. Aanvragen voor het beschikbaarstellen van toongeld worden niet in behandeling genomen voor bedragen beneden de € 50.000,–, tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden.

2. Indien het Openbaar Ministerie ermee heeft ingestemd dat een opsporingsdienst in een opsporingsonderzoek een toongeldactie uitvoert, dient die opsporingsdienst een verzoek in voor de beschikbaarstelling van het gewenste bedrag aan toongeld bij de betrokken officier van justitie. Dit verzoek geschiedt schriftelijk overeenkomstig het model, dat als bijlage 5 bij deze regeling is opgenomen.

3. Indien de officier van justitie een beroep wenst te doen op het budget van het Ministerie van Justitie neemt deze telefonisch contact op met de aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken en licht het verzoek toe. De officier van justitie geeft daarbij aan of er sprake is van spoedeisende omstandigheden. Indien dat het geval is, dient de aanvraagprocedure als omschreven in artikel 10 te worden gevolgd.

4. Indien de aangewezen ambtenaar het beschikbaarstellen van toongeld toezegt, deelt deze tevens zijn beslissing over de hoogte van het toongeldbedrag mee aan de officier van justitie.

5. Indien de hoogte van het toe te kennen bedrag buiten het mandaat van de aangewezen ambtenaar valt, legt deze het verzoek ter beslissing voor aan de in casu wel bevoegde ambtenaar bij het Ministerie van Justitie of in voorkomend geval aan de Minister van Justitie.

De aangewezen ambtenaar stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk telefonisch op de hoogte van de genomen beslissing.

6. Bij een positieve beslissing dient de officier van justitie, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, een schriftelijk verzoek in voor de beschikbaarstelling van het toegezegde toongeld, overeenkomstig het model dat als bijlage 5a bij deze regeling is opgenomen. Bij dit verzoek wordt gevoegd het verzoek van de opsporingsdienst als bedoeld in bijlage 5 bij deze regeling. Het verzoek dient te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken. Deze laatste draagt zorg dat het geld beschikbaar wordt gesteld aan de hoofdofficier van justitie door overmaking op het rekeningnummer zoals bedoeld in artikel 18.

7. De officier van justitie zendt een kopie van het in het zesde lid bedoelde schriftelijk verzoek aan het College van procureurs-generaal (afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken). Voorzover het verzoek ziet op de beschikbaarstelling van ten minste € 50.000,– kan de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal het bureau Operationele Zaken om informatie verzoeken over de afdoening van het verzoek.

8. De hoofdofficier van justitie waaraan het geld beschikbaar is gesteld, draagt zorg dat het toongeld uiterlijk op de vijfde werkdag na de toongeldactie wordt teruggeboekt op rekeningnummer 192.325.000 ten name van het Ministerie van Justitie, onder vermelding van het kenmerk van de zaak.

9. Uiterlijk binnen twee weken na de toongeldactie zendt de officier van justitie, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, een afloopbericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken. Hierbij wordt tevens melding gemaakt van de datum waarop opdracht is gegeven aan de bank tot terugboeking van het beschikbaar gestelde toongeld.

10. De officier van justitie zendt een kopie van het in het negende lid bedoelde afloopbericht aan het College van procureurs-generaal (afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken).

Artikel 7

Pseudokoopgeld en opkoopgeld

1. Aanvragen voor toekenning van pseudokoopgeld en opkoopgeld tot een bedrag van € 1.000,– worden niet in behandeling genomen.

2. Indien het Openbaar Ministerie ermee heeft ingestemd dat een opsporingsdienst in een opsporingsonderzoek een pseudokoop of een opkoop doet, dient die dienst een verzoek in voor de beschikbaarstelling van het gewenste bedrag aan pseudokoopgeld of opkoopgeld bij de betrokken officier van justitie. Dit verzoek geschiedt schriftelijk overeenkomstig het model, dat als bijlage 6 respectievelijk bijlage 7 bij deze regeling is opgenomen.

3. Indien de officier van justitie een beroep wenst te doen op het budget van het Ministerie van Justitie neemt de officier van justitie daarover telefonisch contact op met de aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken en licht het verzoek toe. De officier van justitie geeft daarbij aan of er sprake is van spoedeisende omstandigheden. Indien dat het geval is, dient de aanvraagprocedure als omschreven in artikel 10 te worden gevolgd.

4. Indien de aangewezen ambtenaar het beschikbaarstellen van pseudokoopgeld of opkoopgeld toezegt, deelt deze tevens zijn beslissing over de hoogte van het bedrag voor de pseudokoop of opkoop mee aan de officier van justitie.

5. Indien de hoogte van het toe te kennen bedrag buiten het mandaat van de aangewezen ambtenaar valt, legt deze het verzoek ter beslissing voor aan de in casu wel bevoegde ambtenaar bij het Ministerie van Justitie of in voorkomend geval aan de Minister van Justitie.

De aangewezen ambtenaar stelt de officier van justitie telefonisch op de hoogte van de genomen beslissing.

6. Bij een positieve beslissing dient de officier van justitie, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, een schriftelijk verzoek in voor de beschikbaarstelling van het toegekende pseudokoopgeld of opkoopgeld, overeenkomstig het model dat als bijlage 6a respectievelijk bijlage 7a bij deze regeling is opgenomen. Bij dit verzoek wordt gevoegd het verzoek van de opsporingsdienst als bedoeld in bijlage 6 respectievelijk bijlage 7 bij deze regeling. Het verzoek dient te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken. Deze laatste draagt zorg dat het geld beschikbaar wordt gesteld door overmaking op het rekeningnummer zoals bedoeld in artikel 18.

7. De officier van justitie zendt een kopie van het in het zesde lid bedoelde schriftelijk verzoek aan het College van procureurs-generaal (afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken). Voorzover het verzoek ziet op de beschikbaarstelling van ten minste € 50.000,– kan de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal het bureau Operationele Zaken om informatie verzoeken over de afdoening van het verzoek.

8. De hoofdofficier van justitie, waaraan het geld giraal beschikbaar is gesteld, draagt zorg dat niet gebruikt pseudokoopgeld of opkoopgeld uiterlijk op de vijfde werkdag na de pseudokoopactie of de opkoopactie wordt teruggeboekt op rekeningnummer 192.325.000 ten name van het Ministerie van Justitie, onder vermelding van het kenmerk van de zaak.

9. Uiterlijk binnen twee weken na de pseudokoopactie of de opkoopactie legt de officier van justitie, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken door middel van een gedetailleerde specificatie van de (op)gekochte goederen schriftelijke verantwoording af over het bestede geld. In geval van een pseudokoopactie wordt tevens het strafvorderlijk resultaat van de actie vermeld.

10. De officier van justitie zendt een kopie van de in het negende lid bedoelde specificatie, onder vermelding van het strafvorderlijk resultaat in geval van een pseudokoopactie, aan het College van procureurs-generaal (afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken).

Artikel 8

Onkosten-, uur- of schadevergoedingen

1. Indien de officier van justitie voor een onkosten-, uur- of schadevergoeding een beroep wenst te doen op het budget van het Ministerie van Justitie neemt de officier van justitie daarover telefonisch contact op met de aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken en licht het verzoek toe.

2. In het geval dat de aangewezen ambtenaar een vergoeding toekent, deelt deze tevens zijn beslissing over de hoogte van het bedrag voor de vergoeding mee aan de officier van justitie.

3. Indien de hoogte van de toe te kennen vergoeding buiten het mandaat van de aangewezen ambtenaar valt, legt deze het verzoek ter beslissing voor aan de in casu wel bevoegde ambtenaar bij het Ministerie van Justitie of in voorkomend geval aan de Minister van Justitie.

De aangewezen ambtenaar stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk op de hoogte van de genomen beslissing.

4. Bij een positieve beslissing dient de officier van justitie, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, een schriftelijk verzoek in voor de beschikbaarstelling van de toegezegde vergoeding. Het verzoek dient te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken en bevat in elk geval een duidelijke omschrijving van de bijzondere omstandigheden van het geval, de gevraagde en toegekende vergoeding en een specificatie van hetgeen vergoed is of zal worden.

5. Het hoofd van het bureau Operationele Zaken draagt, na ontvangst van het in het vierde lid genoemde verzoek, zorg dat het geld beschikbaar wordt gesteld door overmaking op het rekeningnummer zoals bedoeld in artikel 18.

Artikel 9

Gelden voor niet geregelde gevallen

1. Aanvragen voor toekenning van gelden voor gevallen als bedoeld in artikel 2, derde lid, tot een bedrag van € 1.000,– worden niet in behandeling genomen.

2. Indien de officier van justitie in gevallen als bedoeld in artikel 2, derde lid, een beroep wenst te doen op het budget van het Ministerie van Justitie neemt de officier van justitie daarover telefonisch contact op met de aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken en licht het verzoek toe. De officier van justitie geeft daarbij aan of er sprake is van spoedeisende omstandigheden. Indien dat het geval is, dient de aanvraagprocedure als omschreven in artikel 10 te worden gevolgd.

3. In het geval dat de aangewezen ambtenaar een vergoeding toekent, deelt deze tevens zijn beslissing over de hoogte van het bedrag voor de vergoeding mee aan de officier van justitie.

4. Indien de hoogte van de toe te kennen vergoeding buiten het mandaat van de aangewezen ambtenaar valt, legt deze het verzoek ter beslissing voor aan de in casu wel bevoegde ambtenaar bij het Ministerie van Justitie of in voorkomend geval aan de Minister van Justitie.

De aangewezen ambtenaar stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk op de hoogte van de genomen beslissing.

5. Bij een positieve beslissing dient de officier van justitie, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, een schriftelijk verzoek in voor de beschikbaarstelling van het toegezegde bedrag. Het verzoek dient te worden gericht aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken en bevat in elk geval een duidelijke omschrijving van de bijzondere omstandigheden van het geval en het toegekende bedrag. Het hoofd van het bureau Operationele Zaken draagt zorg dat het geld beschikbaar wordt gesteld door overmaking op het rekeningnummer zoals bedoeld in artikel 18.

6. De officier van justitie zendt een kopie van het in het vijfde lid bedoelde schriftelijk verzoek aan het College van procureurs-generaal (afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken). Voorzover het verzoek ziet op de beschikbaarstelling van ten minste € 50.000,– kan de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal het bureau Operationele Zaken om informatie verzoeken over de afdoening van het verzoek.

7. De hoofdofficier van justitie, waaraan het geld giraal beschikbaar is gesteld, draagt zorg dat het niet gebruikte geld binnen vijf dagen nadat kenbaar is geworden dat dit geld niet gebruikt is, wordt teruggeboekt op rekeningnummer 192.325.000 ten name van het Ministerie van Justitie, onder vermelding van het kenmerk van de zaak.

8. Uiterlijk binnen twee weken nadat het beschikbaar gestelde geld is gebruikt voor hetgeen waarvoor het is aangevraagd, legt de officier van justitie, door tussenkomst van de hoofdofficier van justitie, aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken een schriftelijke verantwoording af over het bestede geld. Daarbij wordt tevens het strafvorderlijk resultaat gemeld.

9. De officier van justitie zendt een kopie van de in het achtste lid bedoelde schriftelijke verantwoording, onder vermelding van het strafvorderlijk resultaat, aan het College van procureurs-generaal (afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken).

Artikel 10

Spoedprocedure

1. In spoedeisende omstandigheden kan van de aanvraagprocedures als bedoeld in de artikelen 6, 7 en 9 worden afgeweken, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 7, eerste lid en artikel 9, eerste lid van overeenkomstige toepassing is.

2. De betrokken officier van justitie dient in dat geval, met toestemming van de hoofdofficier van justitie, telefonisch contact op te nemen met de aangewezen ambtenaar van het bureau Operationele Zaken en onder toelichting van de zaak de toekenning en beschikbaarstelling van het geld te verzoeken.

3. Indien de aangewezen ambtenaar het gevraagde geld toezegt, deelt hij tevens zijn beslissing over de hoogte van het beschikbaar te stellen bedrag mee aan de officier van justitie.

4. Toekenningen van gelden tot € 50.000,– dienen in beginsel door de opsporingsdienst te worden voorgeschoten, tenzij de bank waarbij de opsporingsdienst een rekening heeft, niet tijdig aan het gevraagde kan voldoen.

5. Onmiddellijk aansluitend aan het in het tweede lid bedoelde telefonische contact, zendt de officier van justitie een faxbericht, overeenkomstig het model dat als bijlage 8 bij deze regeling is opgenomen, aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken, ter attentie van de behandelend ambtenaar.

6. Indien de hoogte van het toe te kennen bedrag buiten het mandaat van de aangewezen ambtenaar valt, legt deze het verzoek ter beslissing voor aan de in casu wel bevoegde ambtenaar bij het Ministerie van Justitie of in voorkomend geval aan de Minister van Justitie. De aangewezen ambtenaar stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk op de hoogte van de genomen beslissing.

7. Bij een positieve beslissing op het verzoek draagt het hoofd van het bureau Operationele Zaken zorg dat het toegekende geld beschikbaar wordt gesteld overeenkomstig de bepalingen van de in artikel 1, negentiende lid, bedoelde procedureregeling of, indien de opsporingsdienst het toegekende geld voorschiet, door overmaking op het rekeningnummer zoals bedoeld in artikel 18.

8. Bij een positieve beslissing worden voor de verdere afhandeling van de zaak de geheel ingevulde modelformulieren of het schriftelijke verzoek als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van deze regeling, door tussenkomst van de betrokken hoofdofficier van justitie, zo spoedig mogelijk aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken nagezonden. Op dit na te zenden verzoek dient, onder verwijzing naar het faxbericht als bedoeld in het vijfde lid, te worden gemeld dat met toepassing van de spoedprocedure het geld spoedheidshalve reeds door de Minister van Justitie is toegekend en, indien van toepassing, beschikbaar is gesteld.

9. De officier van justitie zendt een kopie van de in het achtste lid bedoelde modelformulieren of het schriftelijke verzoek aan het College van procureurs-generaal (afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken). Voorzover het verzoek ziet op de beschikbaarstelling van ten minste € 50.000,– kan de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal het bureau Operationele Zaken om nadere informatie verzoeken over (de afdoening van) het verzoek.

10. De hoofdofficier van justitie, waaraan het geld in contanten beschikbaar is gesteld, draagt zorg dat niet gebruikt geld, uiterlijk op de tweede werkdag na de desbetreffende actie, overeenkomstig de bepalingen van de in artikel 1, negentiende lid, van deze regeling bedoelde procedureregeling, door het KLPD wordt teruggebracht naar de financiële instelling waar het is opgehaald. Indien het geld giraal beschikbaar is gesteld, zijn artikel 6, achtste lid, artikel 7, achtste lid, en artikel 9, zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

11. Schriftelijke verantwoording over het bestede geld geschiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, negende en tiende lid, artikel 7, negende en tiende lid, en artikel 9, achtste en negende lid.

§ 4

Bijzondere bepalingen aangaande tipgeld

Artikel 11

Geen toekenning of beschikbaarstelling van tipgeld

Onverminderd de overige voorwaarden die in deze regeling aan de toekenning of beschikbaarstelling zijn gesteld, wordt geen tipgeld toegekend of beschikbaar gesteld indien:

a. blijkt dat de persoon die de inlichtingen heeft verstrekt als verdachte kan worden aangemerkt met betrekking tot de strafbare feiten waarover hij informeert;

b. drie of meer jaren zijn verstreken nadat de verstrekte inlichtingen voor tactisch gebruik bij proces-verbaal beschikbaar zijn gesteld dan wel nadat de diensten zijn verricht. Bij langlopende onderzoeken kan op deze termijn een uitzondering worden gemaakt op gemotiveerd verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie; of

c. niet uiterlijk binnen zes maanden na de datum van toekenning van tipgeld de schriftelijke aanvraag voor het beschikbaar stellen van dit geld bij het Ministerie van Justitie is ingediend. Overschrijding van deze termijn heeft stilzwijgende vervallenverklaring van de desbetreffende toekenning tot gevolg.

Artikel 12

Financiële beloning van informanten door derden

1. In het geval met betrekking tot een Nederlands strafrechtelijk onderzoek een derde een financiële beloning ten behoeve van een informant in het vooruitzicht heeft gesteld of aan de desbetreffende opsporingsdienst heeft uitbetaald, wordt in beginsel door de Minister van Justitie geen tipgeld meer beschikbaar gesteld.

2. In het geval de door een derde ten behoeve van een informant in het vooruitzicht gestelde of betaalde financiële beloning meer dan € 225 lager ligt dan de financiële beloning die in het concrete geval door de Minister van Justitie zou zijn toegekend, kan een informant, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, ter aanvulling tot het gebruikelijke bedrag, tipgeld worden toegekend.

3. Door een derde aan een opsporingsdienst in het vooruitzicht gestelde financiële beloningen voor informanten en daartoe afgegeven garantstellingen, alsmede de door een derde in dat kader aan een opsporingsdienst gedane betalingen, worden door de opsporingsdienst onverwijld gemeld aan de NCIE van het KLPD.

Artikel 13

Bepaling hoogte tipgeldbedrag

1. Ter bepaling van de hoogte van het toe te kennen tipgeld vindt zoveel mogelijk vergelijking plaats van het concrete geval met soortgelijke gevallen waarin tipgeld is betaald. Hiertoe wordt de centrale registratie van tipgeldzaken van de NCIE van het KLPD geraadpleegd.

2. Naast het bepaalde in het voorgaande lid, worden de wegingsfactoren gehanteerd, die zijn opgenomen in bijlage 1 van deze regeling.

3. De hoogte van het toe te kennen tipgeld als bedoeld in artikel 1, achtste lid en onder b, wordt als volgt bepaald:

a. indien de waarde van het inbeslaggenomen contant geld of ander (on)⁠roerend goed beneden de € 50.000,– ligt, wordt, indien ook inlichtingen zijn verstrekt met betrekking tot het gronddelict, het tipgeld dat met inachtneming van het bepaalde in de eerste en tweede artikelleden tot stand is gekomen, enigermate verhoogd;

b. indien de waarde van het inbeslaggenomen contant geld of ander (on)⁠roerend goed beneden de € 50.000,– ligt en er niet ook inlichtingen zijn verstrekt met betrekking tot het gronddelict, bedraagt het tipgeld ten minste € 225,– en ten hoogste € 2.000,–;

c. indien de waarde van het inbeslaggenomen contant geld of ander (on)⁠roerend goed € 50.000,– of meer bedraagt, wordt, indien ook inlichtingen zijn verstrekt met betrekking tot het gronddelict, het tipgeld dat met inachtneming van het bepaalde in de eerste en tweede artikelleden tot stand is gekomen, verhoogd met een door het bureau Operationele Zaken vooraf vastgesteld bedrag dat afhankelijk is van de inbeslaggenomen waarde en het moment van indienen van de tipgeldaanvraag;

d. indien de waarde van het inbeslaggenomen contant geld of ander (on)⁠roerend goed € 50.000,– of meer bedraagt en er niet ook inlichtingen zijn verstrekt met betrekking tot het gronddelict, wordt de hoogte van het tipgeld bepaald op een door het bureau Operationele Zaken vooraf vastgesteld bedrag dat afhankelijk is van de inbeslaggenomen waarde en het moment van indienen van de tipgeldaanvraag.

4. Indien de verstrekte inlichtingen hebben geleid tot de opheldering van fiscale, economische of sociaal-frauduleuze delicten waardoor de overheid gelden kan (terug)vorderen, is het bepaalde in het voorgaande lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in dat geval de waarde van het terug te vorderen of op te eisen geld bepalend is voor de hoogte van het tipgeld.

Artikel 14

Tipgeld voor Nederlandse informanten in buitenlandse opsporingsonderzoeken

1. Indien in het kader van internationale samenwerking een Nederlandse opsporingsdienst door een buitenlandse opsporingsdienst wordt verzocht een in Nederland ingeschreven informant in te zetten, dan wel reeds door die informant gegeven inlichtingen te verstrekken ten behoeve van een (nagenoeg) geheel buitenlands opsporingsonderzoek, gaat de betrokken CIE-officier van justitie na of er in het desbetreffende land een regeling bestaat op grond waarvan de informant tipgeld zou kunnen krijgen, dan wel of bij de verzoekende buitenlandse autoriteit anderszins de bereidheid bestaat om tipgeld te betalen voor verstrekte, bruikbare inlichtingen. Het voorgaande geldt ook in geval het voornemen bestaat de inlichtingen ongevraagd aan een buitenlandse opsporingsdienst te verstrekken.

2. In een geval zoals bedoeld in het eerste lid en waarin de buitenlandse autoriteit de informant geen tipgeld zal betalen, kan, indien bij de Nederlandse opsporingsdienst bekend is dat de verstrekte inlichtingen zijn gebruikt en wat daarvan de resultaten zijn, een verzoek om toekenning en beschikbaarstelling van tipgeld bij het Ministerie van Justitie worden ingediend. In geval een voldoende Nederlands belang ontbreekt, bedraagt de hoogte van het tipgeldbedrag maximaal een kwart van het bedrag dat in een overeenkomstig geval ten behoeve van een informant in een Nederlands opsporingsonderzoek zou zijn toegekend en beschikbaar gesteld. Indien voldoende blijkt van een Nederlands belang wordt de hoogte van het tipgeld bepaald overeenkomstig het bepaalde in artikel 13.

3. Met betrekking tot het aanvragen van tipgeld voor een Nederlandse informant in een buitenlands opsporingsonderzoek is artikel 4, met uitzondering van het zesde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

4. In geval telefonisch positief beslist is op het verzoek om toekenning en beschikbaarstelling van tipgeld, richt de hoofdofficier van justitie ter verdere afhandeling van de zaak een schriftelijk verzoek om betaling van tipgeld tot het hoofd van het bureau Operationele Zaken. Bij dit schriftelijk verzoek wordt een rapport van de buitenlandse autoriteit gevoegd waarin de verstrekte inlichtingen, de personalia van de persoon waarover de informant inlichtingen heeft verstrekt, de aard van het gepleegde strafbare feit en de (mede) op grond van de verstrekte inlichtingen behaalde opsporingsresultaten worden vermeld, dan wel een door een Nederlandse opsporingsdienst opgemaakt rapport waarin deze mondeling van de buitenlandse autoriteit verkregen informatie wordt weergegeven. Tevens dient in het rapport dan wel in het verzoek verklaard te worden dat de buitenlandse autoriteit geen tipgeld aan de desbetreffende informant betaalt.

5. Indien met toepassing van dit artikel tipgeld wordt aangevraagd, dienen, behoudens de bijzondere bepalingen van dit artikel, de hier te lande geldende regels voor het toekennen en beschikbaarstellen van tipgeld in acht te worden genomen.

Artikel 15

Tipgeld voor buitenlandse informanten in Nederlandse opsporingsonderzoeken

1. Indien in het kader van internationale samenwerking bij een opsporingsonderzoek dat (uiteindelijk) in Nederland voor de rechter wordt gebracht, informatie is gebruikt van een buitenlandse informant die niet in Nederland als informant is of wordt ingeschreven, kan aan deze informant tipgeld worden toegekend.

2. Behoudens de bijzondere bepalingen van dit artikel is met betrekking tot het aanvragen van tipgeld voor een buitenlandse informant in een Nederlands opsporingsonderzoek artikel 4 van overeenkomstige toepassing.

3. Bij het rapport van de Nederlandse opsporingsdienst, als bedoeld in artikel 4, zesde lid, wordt het proces-verbaal van de desbetreffende buitenlandse opsporingsdienst gevoegd, waarin de inlichtingen van de informant voor operationeel gebruik aan Nederland beschikbaar is gesteld. In het rapport van de Nederlandse opsporingsdienst wordt melding gemaakt van de unieke cijfercode waarmee de buitenlandse informant wordt aangeduid. Deze code, die in eventuele toekomstige gevallen steeds voor deze informant dient te worden gebruikt, treedt zo nodig in de plaats van de hier te lande gebruikte ICS-code. De betrokken Nederlandse opsporingsdienst maakt hierover schriftelijke afspraken met de desbetreffende buitenlandse autoriteit.

4. De in artikel 4, achtste lid, bedoelde terugstortverplichting geldt voorzover het tipgeld niet of niet geheel binnen zes maanden na ontvangst is uitgekeerd aan de desbetreffende buitenlandse opsporingsdienst.

§ 5

Bijzondere bepalingen aangaande een beloning

Artikel 16

Geen toekenning of beschikbaarstelling van een beloning

Onverminderd de overige voorwaarden die in deze regeling aan de toekenning of beschikbaarstelling zijn gesteld, wordt geen tipgeld c.q. een beloning toegekend of beschikbaar gesteld indien:

a. blijkt dat de persoon die de inlichtingen heeft verstrekt als verdachte kan worden aangemerkt met betrekking tot de strafbare feiten waarover hij informeert; of

b. een met machtiging van de Minister van Justitie uitgeloofde beloning niet (tijdig) is gepubliceerd. Publicatie geschiedt door middel van een raambiljet van de betrokken hoofdofficier van justitie, vervaardigd en landelijk verspreid door de DNRI van het KLPD. In plaats van of naast het gebruik van een raambiljet, kan publicatie, na voorafgaande toestemming van de behandelend ambtenaar van het bureau Operationele Zaken, ook plaatsvinden in een landelijk of regionaal televisieprogramma van een zendgemachtigde waarmee het Openbaar Ministerie een samenwerkingscontract voor de opsporingsberichtgeving heeft gesloten.

Artikel 17

Bepaling hoogte van een beloning

1. De hoogte van de beloning bedraagt ten minste € 4.500,– en ten hoogste € 30.000,–.

In bijzondere gevallen kan worden besloten een hoger bedrag dan € 30.000,– toe te kennen.

2. De hoogte van de beloning in een concreet geval is gerelateerd aan de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf en de mate waarin met dit misdrijf een inbreuk op de (lokale) rechtsorde is gemaakt.

§ 6

Overige bepalingen

Artikel 18

Eén rekeningnummer en één beheerder

1. Girale betalingen door het Ministerie van Justitie in het kader van deze regeling worden per ingewilligd verzoek uitsluitend gedaan op één rekeningnummer en aan één beheerder die door het hoofd van de CIE van de desbetreffende opsporingsdienst vooraf schriftelijk aan het bureau Operationele Zaken bekend moeten zijn gesteld. Betalingen aan een onderdeel van een opsporingsdienst dienen door de zorg van die dienst te geschieden.

2. Bij de girale betalingen van tipgeld vermeldt het Ministerie van Justitie geen ander zaakskenmerk dan het door de NCIE aan de zaak toegekende NCIE-nummer. Bij de overige bijzondere opsporingsgelden zal een ander onderscheidend kenmerk opgegeven moeten worden.

Artikel 19

Verplicht volgen aanvraagprocedures en verplicht gebruik modelformulieren

1. Aanvragen voor de toekenning en beschikbaarstelling van de gelden, genoemd in artikel 2, en de afhandeling daarvan geschieden overeenkomstig de procedure zoals voor het betreffende geval in § 3 van deze regeling is voorgeschreven.

2. Aanvragen voor de toekenning en beschikbaarstelling van de gelden, genoemd in artikel 2, eerste lid, worden ingediend door de daartoe bevoegde (hoofd)officier van justitie met gebruikmaking van de in de bijlagen opgenomen modelformulieren. Afwijkende aanvragen worden niet in behandeling genomen.

3. Behoudens een geval, zoals bedoeld in het vierde lid, dient een aanvraag voor de toekenning van tipgeld gelijktijdig voor alle informanten te geschieden door de CIE van de opsporingsdienst waaraan de inlichtingen zijn verstrekt en die deze inlichtingen voor operationeel gebruik heeft aangewend.

4. In geval van een eenmalige informatieverstrekking aan een andere opsporingsdienst over het illegaal voorhanden hebben van een schietwapen, het illegaal houden van een hennepkwekerij of een ander eenvoudig en opzichzelfstaand feit, kan een aanvraag voor de toekenning van tipgeld met betrekking tot dit opzichzelfstaande feit vanuit de CIE van de verstrekkende opsporingsdienst worden gedaan.

Bij het rapport voor de aanvraag van tipgeld, zoals bedoeld in de bijlage 2 van deze regeling, dient dan een proces-verbaal gevoegd te worden van de opsporingsdienst die de inlichtingen operationeel heeft gebruikt. Dit proces-verbaal vermeldt de (strafvorderlijke) resultaten waartoe de verstrekte inlichtingen hebben geleid.

Artikel 20

Gevolgen niet (tijdige) naleving terugstort-, terugbreng- of verantwoordingsverplichting

1. Rentekosten die zijn ontstaan door het niet (tijdig) voldoen aan een terugstort- of terugbrengverplichting worden in rekening gebracht bij de betrokken hoofdofficier van justitie, dan wel, in geval van tipgeld, de betrokken opsporingsdienst.

2. Indien in strijd met de bepalingen van deze regeling beschikbaargesteld geld niet (tijdig) wordt teruggestort of teruggebracht dan wel geen (tijdige) schriftelijke verantwoording van besteed geld heeft plaatsgevonden, wordt in beginsel geen nieuwe aanvraag van de desbetreffende hoofdofficier van justitie, dan wel, in geval van tipgeld, de betrokken opsporingsdienst, in behandeling genomen.

Artikel 21

Verzoek tot herziening van een beslissing

1. Indien (voor een deel) een afwijzende beslissing is genomen op een op grond van deze regeling gedaan verzoek, kan de betrokken hoofdofficier van justitie de Minister van Justitie, door tussenkomst van het hoofd van het bureau Operationele Zaken, uiterlijk binnen zes weken nadat de NCIE de beslissing van het Ministerie van Justitie heeft medegedeeld, verzoeken een nieuwe beslissing te nemen.

2. Een verzoek, als bedoeld in het eerste lid, is schriftelijk en bevat de gronden waarop de bezwaren tegen de beslissing rusten.

3. De Minister van Justitie deelt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek, door tussenkomst van het hoofd van het bureau Operationele Zaken, zijn gemotiveerde beslissing schriftelijk aan de verzoeker mee.

4. In een spoedeisend geval kan de hoofdofficier van justitie, of een door hem gemandateerde officier van justitie, de Minister van Justitie, door tussenkomst van het hoofd van het bureau Operationele Zaken of een aangewezen ambtenaar van dit bureau, telefonisch verzoeken een nieuwe beslissing te nemen. Aansluitend aan dit telefoongesprek neemt de ambtenaar van het bureau Operationele Zaken een beslissing en deelt deze telefonisch aan de verzoeker mee. Zowel het herzieningsverzoek als de beslissing daarop worden onverwijld schriftelijk bevestigd.

§ 7

Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze circulaire treedt in werking op 2 april 2006.

Artikel 23

Citeertitel

Deze circulaire kan worden aangehaald als: Regeling bijzondere opsporingsgelden.

Deze circulaire zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 1 februari 2006.
De Minister van Justitie, J.P.H. Donner.

Toelichting

Algemeen

De groeiende praktijk van het kopen van inlichtingen ten behoeve van de criminaliteitsbestrijding en de inrichting van formele criminele inlichtingendiensten bij de politie, maakten uniforme regeling van de toekenning en beschikbaarstelling van bijzondere opsporingsgelden noodzakelijk. In 1986 zijn daarom de voorwaarden en procedures voor het toekennen en beschikbaarstellen van extra overheidsgeld voor de onderhavige doeleinden vastgelegd in de regeling Tip-, toon- en voorkoopgelden (voorloper van de Regeling bijzondere opsporingsgelden).

Ondanks de sterke groei van verschillende andere tactische en technische opsporingsmethoden in de afgelopen jaren, komt het belang van het betalen voor informatie nog steeds grote en zelfstandige betekenis toe.

In 1998, twaalf jaar na het in werking treden van de eerste tipgeldregeling, was een eerste, grondige herziening van de oude regeling noodzakelijk. De oude regeling was niet meer voldoende toegesneden op de huidige opsporingspraktijk en het op grond van de Politiewet 1993 gereorganiseerde politiebestel. Daarnaast vormden de uitkomsten van de parlementaire enquête inzake het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden (Commissie Van Traa) een belangrijke impuls om onderdelen van de regeling tegen het licht te houden en aan te passen aan de eisen en inzichten van deze tijd. De herziening van de regeling in 1998, die toen de nieuwe naam Regeling bijzondere opsporingsgelden kreeg, schiep nieuwe kaders voor de gevallen waarin, de voorwaarden waaronder en de procedures waarlangs extra gelden ter ondersteuning van de opsporing door de Minister van Justitie konden worden toegekend en beschikbaar gesteld.

In 2001 is de Regeling bijzondere opsporingsgelden opnieuw herzien. Er werden enige wijzigingen opgenomen die noodzakelijk waren geworden door onder andere, kort na de inwerkingtreding van de Regeling bijzondere opsporingsgelden van 1 juni 1998, de instelling van het nieuwe directoraat-generaal Rechtshandhaving (DGRh) en het bureau Operationele Zaken, waar onder meer de uitvoering van deze regeling werd ondergebracht, en de inwerkingtreding van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) op 1 februari 2000. De begripsbepalingen in de regeling ten aanzien van de informant, burgerinfiltrant, de burgerpseudokoper en burgerpseudodienstverlener zijn voor zoveel mogelijk aan de Wet BOB aangepast. In een aantal gevallen kon worden volstaan met een verwijzing naar de relevante artikelen van de Wet BOB. In 2005 is de regeling van 2001 met een jaar verlengd.

Een van de redenen waarom de thans voorliggende regeling is gewijzigd ten opzichte van die van 2005 is de invoering van de euro. Voorts zijn wijzigingen noodzakelijk als gevolg van de in 2003 in werking getreden procedureregeling ‘Kasvoorschot Ministerie van Justitie’. Deze procedureregeling regelt onder meer de wijze van beschikbaarstelling van contant geld in spoedeisende omstandigheden en de uitvoerende taak van het KLPD hierbij. Per 1 januari 2004 kan ook met betrekking tot vier bijzondere opsporingsdiensten (de FIOD-ECD, de AID, de VROM-IOD en de SIOD) een beroep op de Regeling bijzondere opsporingsgelden worden gedaan. Dit heeft geleid tot een aantal tekstuele aanpassingen.

Ook is in de regeling opgenomen dat met betrekking tot toon-, pseudokoop-, en opkoopgeld en gelden voor niet geregelde gevallen, de officier van justitie een kopie van een dergelijk verzoek dient te zenden aan het College van procureurs-generaal (afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken). Voorzover het verzoek ziet op de beschikbaarstelling van ten minste € 50.000,– kan de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal het bureau Operationele Zaken om informatie verzoeken over de afdoening van het verzoek.

De gevallen waarin tipgeld kan worden toegekend, zijn uitgebreid. Zo is expliciet de mogelijkheid opgenomen dat (extra) tipgeld wordt toegekend in geval een informant dusdanig concrete inlichtingen heeft verstrekt dat contant geld dan wel ander waardevol (on)⁠roerend goed inbeslaggenomen kon worden, terwijl deze inbeslagneming zonder die inlichtingen niet zou hebben kunnen plaatsvinden. Deze verhoging van het tipgeld geldt ook indien de verstrekte inlichtingen hebben geleid tot de opheldering van fiscale, economische of sociaal-frauduleuze delicten waardoor de overheid gelden kan (terug)vorderen. Ook kan voortaan informatie op het inzichtelijk maken van een crimineel samenwerkingsverband worden beloond, indien op grond van deze informatie een strafrechtelijk onderzoek wordt gestart. Voorts is een bepaling opgenomen met betrekking tot tipgeld voor buitenlandse informanten in Nederlandse opsporingsonderzoeken.

Jaarlijks controleert de Departementale Audit Dienst van het Ministerie van Justitie de geheime geldstromen, waartoe ook de geldstromen met betrekking tot de Regeling bijzondere opsporingsgelden behoren, binnen Justitie. De hieruit voortvloeiende aanbevelingen zijn in de onderhavige regeling waar nodig verwerkt.

Met betrekking tot de handelwijze in gevallen waarin vanuit de verzekeringswereld een financiële beloning voor informanten inzake de opheldering van een misdrijf en de opsporing van ontvreemde goederen beschikbaar is gesteld, zijn reeds in 1991 afspraken gemaakt tussen justitie, politie en de verzekeringsbranche. Deze afspraken zijn neergelegd in de Gedragscode 1991. Deze gedragscode is inmiddels herzien en heeft in december 2004 geleid tot het Convenant tipgelden 2004. Dit convenant is als bijlage 10 bij de thans voorliggende regeling opgenomen.

Artikelgewijs

De toelichting beperkt zich tot die artikelen en artikelleden die nadere uitleg behoeven.

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Bij de definiëring van de verschillende begrippen die in de regeling worden gebruikt is voorzover mogelijk aansluiting gezocht bij de overeenkomstige begrippen in het Wetboek van Strafvordering.

2. De aangewezen ambtenaar

De Minister van Justitie heeft bij mandaatbesluit de uitvoering van de Regeling bijzondere opsporingsgelden onder voorwaarden in handen gelegd van de directeur-generaal Rechtshandhaving. De directeur-generaal heeft bij mandaatbesluit de uitvoering van de regeling, tot het maximum van de in het besluit genoemde bedragen, overgedragen aan het hoofd van het bureau Operationele Zaken van het directoraat-generaal Rechtshandhaving. Deze laatste heeft bij mandaatbesluit enige ambtenaren van zijn bureau aangewezen die, tot het maximum van de in het betreffende mandaatbesluit genoemde bedragen, met de dagelijkse uitvoering van de regeling zijn belast. De aangewezen ambtenaren worden bij brief aan de hoofdofficieren van justitie bekendgemaakt.

3. Opsporingsdienst

Sinds 1 januari 2004 kunnen de volgende bijzondere opsporingsdiensten een beroep doen op de Regeling bijzondere opsporingsgelden: de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst/Economische Controledienst (FIOD/ECD) van het Ministerie van Financiën, de Algemene Inspectiedienst (AID) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de VROM-Inlichtingen- en Opsporingsdienst (VROM-IOD) van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

5. Informant

Deze definitie van informant is ontleend aan het wetsvoorstel Regels inzake de verwerking van politiegegevens (Wet politiegegevens), TK 2005–2006, 30 327, nr. 2, die de definitie weer heeft ontleend aan de Regeling criminele inlichtingen eenheden (Stcrt. 2000, 198). Door de definitie van informant zo veel mogelijk op die in voornoemd wetsvoorstel en voornoemde regeling af te stemmen, ontstaat meer eenduidigheid. Hoewel de definitie ziet op informatieverstrekking omtrent strafbare feiten, zal het over het algemeen, mede gelet op artikel 1.1. van de Instructie voor de CIE-officier van Justitie en artikel 1, eerste lid onder l van de Wet Politieregisters, gaan over ernstige misdrijven.

8. Tipgeld

Dit artikellid ziet op betaling van geld wegens verstrekte inlichtingen. Met verstrekte inlichtingen wordt niet alleen bedoeld de informatie die bij proces-verbaal voor operationeel gebruik aan de opsporingsdienst beschikbaar wordt gesteld, maar ook de informatie afkomstig van een informant die niet is opgenomen in een CIE proces-verbaal, maar wel heeft geleid tot prioritering bij het uitvoeren van een onderzoek.

In artikel 1, achtste lid, onder a wordt uitdrukking gegeven aan het uitgangspunt van de regeling: het ’no cure, no pay-beginsel’. Onder ‘cure’ wordt in dit verband bedoeld de opheldering van strafbare feiten, waaronder begrepen de veroordeling van de daders ervan. Het beginsel dat zonder dader geen financiële beloning wordt gegeven, dateert reeds van de eerste tipgeldregeling van 1986. In de opsporingspraktijk bestond echter de behoefte om de gevallen die als ‘cure’ kunnen worden aangemerkt, te verruimen. Strikt toegepast zou het uitgangspunt ‘no cure, no pay’ betekenen dat steeds inlichtingen moeten zijn verkregen die hebben geleid tot de veroordeling in hoogste instantie van één of meer daders. Op dat moment staat pas vast dat de betrokken persoon ook de dader is. Met een dergelijke strikte toepassing van het uitgangspunt ‘no cure, no pay’ zou het gebruik van informanten ernstig onder druk komen te staan. Uitbetaling van tipgeld zou immers in sommige gevallen pas na enkele jaren kunnen plaatsvinden. Daarom wordt in de praktijk sinds jaar en dag reeds tipgeld betaald als de verstrekte informatie heeft geleid tot een veroordeling in eerste aanleg dan wel reeds na aanhouding van een verdachte of het bekend worden van zijn identiteit, gekoppeld aan een positieve vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie.

Artikel 1, achtste lid, onder b kan worden gezien als een species van artikel 1, achtste lid, onder a. Ook hier hebben de verstrekte inlichtingen (mede) geleid tot opheldering van een strafbaar feit. Het bijzondere hierbij is dat op grond van de verstrekte inlichtingen contant geld of ander waardevol (on)roerend goed inbeslaggenomen is, welke inbeslagneming zonder die inlichtingen niet zou hebben kunnen plaatsvinden. Het tipgeld is dus bedoeld voor dat deel van de inlichtingen dat de inbeslagneming mogelijk heeft gemaakt; het gaat derhalve om concrete informatie. Andere voorwaarde voor toekenning is dat het Openbaar Ministerie de ontneming dan wel de verbeurdverklaring vordert. Met het in het vooruitzicht stellen van tipgeld in dergelijke situaties wordt beoogd een bijdrage te leveren aan het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Een probleem dat zich in de praktijk met enige regelmaat voordeed, was dat informanten die goede informatie hadden gegeven, geen tipgeld op grond van de regeling kon worden betaald, omdat de verstrekte inlichtingen of de verrichte diensten niet tot de vereiste strafvorderlijke resultaten hadden geleid. De opsporingsdiensten moesten die informanten dan met lege handen laten staan of uit eigen kas betalen. Daarom zijn sinds de regeling van 1 juni 1998 uitzonderingssituaties op het ‘no cure, no pay-beginsel’ opgenomen. Deze zijn omschreven in artikel 1, achtste lid, onder c, sub i tot en met viii. De situaties genoemd onder i tot en met iii en viii behoeven een nadere toelichting.

De situatie genoemd onder i ziet op het ‘stukmaken’ van de zaak. In beginsel komen alleen misdrijven in aanmerking waarbij in het concrete geval het niet ‘stukmaken’ tot onaanvaardbare risico’s voor leven of gezondheid van de potentiële slachtoffers zal leiden. Bij het ‘stukmaken’ van de zaak kan gedacht worden aan het plaatsen van opvallende politieauto’s voor een bankfiliaal ter voorkoming van een overval, maar ook aan het voorkomen van een liquidatie. Aanleiding voor het ‘stukmaken’ is steeds de informatie van een informant dat een misdrijf op handen is. Voor het stukmaken van de zaak wordt tot nu toe een standaard tipgeldtarief gehanteerd van € 450,–. Van dit tarief kan worden afgeweken afhankelijk van de ernst van het misdrijf en de mate van aannemelijkheid dat het misdrijf zonder de inlichtingen van de informant daadwerkelijk zou zijn gepleegd. De mate van aannemelijkheid wordt bepaald door de concreetheid van de verstrekte informatie (bijvoorbeeld informatie dat een bivakmuts of een wapen in aangeschaft of een vluchtauto is gestolen) en de mate van betrouwbaarheid van de informant, in combinatie met het criminele verleden van de potentiële daders. Naar mate het toe te kennen tipgeldbedrag in een concreet geval boven het standaard tipgeldtarief zal uitstijgen, zullen zwaardere eisen aan de vaststelling van de zekerheid dat het misdrijf zonder de inlichtingen van de informant daadwerkelijk zou zijn gepleegd, worden gesteld. De omstandigheden van de zaak op basis waarvan wordt verondersteld dat een misdrijf op handen is, moeten worden verwoord in het rapport voor de aanvraag van tipgeld.

Onder de situatie genoemd onder ii valt bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van tipgeld voor informatie die heeft geleid tot de inbeslagneming van goederen van grote financiële waarde of van maatschappelijk gevaarlijke goederen zoals verdovende middelen en wapens, zonder dat verdachten worden opgespoord of vervolgd.

Onder zaken van (nagenoeg) onvervangbare waarde, zoals genoemd onder onder iii, wordt bijvoorbeeld nationaal cultureel erfgoed, zoals ‘De Nachtwacht’ van Rembrandt, verstaan.

De situatie genoemd onder viii is opgenomen in de regeling, omdat in de praktijk is gebleken dat dergelijke inlichtingen van groot nut kunnen zijn, terwijl de informant met lege handen bleef staan.

14 en 15. Opkopen en opkoopgeld

Naar aanleiding van een in de opsporingspraktijk gegroeide behoefte zijn de nieuwe begrippen ‘opkopen’ en ‘opkoopgeld’ sinds 1998 in de regeling opgenomen. Het betreft gevallen waarin door bijzondere omstandigheden met het kopen van een zaak (nog) geen strafvorderlijk doel kan worden nagestreefd, maar waarin het belang nadrukkelijk is gelegen in het acuut uit het criminele verkeer halen van een zaak, gelet op het bijzonder gevaarlijke karakter daarvan (bijvoorbeeld springstof, zware schietwapens, ernstig vervuilde drugs of andere zwaar vergiftigde stoffen die een onmiddellijk gevaar voor leven of gezondheid van personen opleveren).

Vanzelfsprekend dienen in beginsel de strafvorderlijke doelen (aanhouding en inbeslagneming) te worden nagestreefd. Deze strafvorderlijke mogelijkheden dienen dan ook eerst zorgvuldig te worden onderzocht. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de strafvorderlijke doelen (nog) buiten bereik liggen en het niet verantwoord is handelend optreden in de vorm van het opkopen van de goederen, gelet op het acuut dreigende gevaar, langer uit te stellen.

De situatie waarin tot een opkoop zou kunnen worden besloten, zal zich in het algemeen voordoen in een CIE-traject waarbinnen een informant inlichtingen heeft verstrekt. Naast het toekennen van opkoopgeld, kan de ingeschreven (of voor de opkoopzaak in te schrijven) informant in aanmerking komen voor tipgeld. De opkoop is daartoe als uitzondering op het ‘no cure, no pay-beginsel’ opgenomen: zie artikel 1, achtste lid onder c, sub vii.

16. Toongeld

Toongeld mag onder geen beding uit handen worden gegeven aan derden, niet zijnde opsporingsambtenaren. Voorts dient bij de uitvoering van de toongeldactie zowel het vervoer als het daadwerkelijk tonen van het geld plaats te vinden onder voortdurende observatie van een politie-eenheid.

19. Procedureregeling ‘Kasvoorschot Ministerie van Justitie’

In de opsporingspraktijk kan het noodzakelijk zijn binnen enkele uren, ook buiten kantooruren, grote bedragen aan contant geld ter beschikking te krijgen. Bijvoorbeeld voor een grote pseudokoop- of toongeldzaak of voor losgeld in geval van een ontvoering. De Minister van Justitie heeft in februari 2003 een regeling getroffen met een bank die, op verzoek van het bureau Operationele Zaken, bereid en in staat is om 24 uur per dag en zeven dagen per week binnen (in beginsel) drie uur grote bedragen aan contant geld beschikbaar te stellen. Van deze regeling kan uitsluitend gebruik worden gemaakt in spoedeisende omstandigheden. Om efficiencyredenen dienen bedragen tot en met € 50.000,– in beginsel door de opsporingsdiensten te worden voorgeschoten indien zij door de Minister van Justitie zijn toegekend. In dat geval wordt het geld, na ommekomst van de voorgeschreven aanvraagformulieren, door het Ministerie van Justitie binnen enkele weken naar het aangegeven rekeningnummer van de voorschietende opsporingsdienst overgemaakt.

Op grond van deze procedureregeling kan ook buitenlands geld beschikbaar worden gesteld. De snelheid waarmee buitenlands geld beschikbaar kan worden gesteld, hangt af van onder meer de soort valuta en de hoogte van het bedrag. De garantie dat dit binnen drie uur beschikbaar komt, kan daarom niet worden gegeven.

Artikel 2 Soorten toe te kennen bijzondere opsporingsgelden

Zoals dat ook in de vorige regeling het geval was, is in artikel 2, tweede lid, het beginsel gehandhaafd dat onkosten-, uur- en schadevergoedingen voor burgers die bijstand aan de opsporing hebben verleend, uit de financiële middelen van de betrokken opsporingsdienst worden betaald. Slechts in bijzondere gevallen kan dit beginsel worden doorbroken. Daarbij valt te denken aan gevallen waarin bedoelde kosten of de schade door de bijzondere omstandigheden van het geval dermate hoog zijn, dat dit in redelijkheid niet ten laste van het budget van de betrokken dienst kan worden gebracht.

In de praktijk kunnen zich situaties voordoen waarin de regeling niet voorziet, terwijl de betrokken hoofdofficier van justitie, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, van oordeel is dat beschikbaarstelling van extra geld in het kader van de ondersteuning van de opsporing wenselijk is. Daarom is de bepaling van artikel 2, derde lid, als kapstokartikel voor bedoelde onvoorziene situaties in de regeling opgenomen. De Minister van Justitie kan (en zal) in een concreet geval voorwaarden stellen aan het toekennen en feitelijk beschikbaar stellen van geld voor het gevraagde doel. Om de reikwijdte van deze bepaling in te kaderen dient dit doel te zijn gerelateerd aan de opsporing of voorkoming van ernstige misdrijven.

Te denken valt aan een geval van ontvoering waarbij door de ontvoerders een hoog bedrag aan losgeld wordt geëist. Uitgangspunt is dat het losgeld door de ontvoerde of diens naaste betrekkingen dan wel het bedrijf of de instelling waaraan de ontvoerde is verbonden, beschikbaar moet worden gesteld. Slechts in gevallen waarin het gevraagde bedrag niet of niet geheel uit genoemde bronnen kan worden verstrekt, zal (aanvullend) geld op grond van dit artikel door de Minister van Justitie beschikbaar kunnen worden gesteld.

Een ander voor de hand liggend voorbeeld waarin de Minister van Justitie onder te stellen voorwaarden kan besluiten met toepassing van dit artikellid geld toe te kennen en beschikbaar te stellen, is een grote afpersingszaak waarbij de afgeperste persoon, overeenkomstig het hierboven bij een ontvoering gestelde, het geëiste bedrag niet zelf kan fourneren.

§ 2. De rol van het Korps landelijke politiediensten (KLPD)

Artikel 3 Centrale registratie, advisering en uitvoering

Het KLPD heeft een adviserende en op onderdelen ook ondersteunende/uitvoerende rol met betrekking tot bepaalde taken die uit deze regeling voortvloeien. Deze rol van het KLPD heeft de afgelopen jaren in belangrijke mate bijgedragen aan de vorming en bewaking van een landelijk uniform beleid, met name op het vlak van (de hoogte van) de tipgelden.

Om adequate invulling te kunnen geven aan deze rol houdt het KLPD een centrale registratie bij van met name de tipgeldzaken, die kwantitatief gezien een zeer prominente plaats innemen bij de adviserende rol van het KLPD. Aanknopend bij de gegroeide praktijk dat de politie in (nagenoeg) alle tipgeldzaken eerst in overleg trad met het KLPD, is reeds in de regeling van 1998 besloten de vrijblijvendheid van de tussenkomst van het KLPD niet langer te handhaven. In de verschillende procedures inzake de uitvoering van deze regeling, wordt sindsdien dan ook de verplichte tussenkomst van het KLPD/NCIE voorgeschreven (artikel 3, tweede lid en onder a).

Ingevolge artikel 3, tweede lid en onder d, is het KLPD belast met een aantal taken op het gebied van het ter beschikking stellen van contant geld. Het KLPD kan worden verzocht contant geld dat door de Minister van Justitie ten behoeve van de opsporing aan een opsporingsdienst is toegekend, op te halen, zo nodig te preparen, te bezorgen of ‘neer te leggen’. Voorheen was deze ondersteuning beperkt tot toon- en losgeld. Met de betrokken financiële instelling, het openbaar ministerie en het KLPD is een vertrouwelijke procedureregeling afgesproken die onder meer ziet op de uitvoering van de hier bedoelde KLPD-taak.

§ 3. Aanvraagprocedures

Artikel 4 Tipgeld

In artikel 4, achtste lid, is een terugstortverplichting voor de opsporingsdienst opgenomen in het geval tipgeld niet of niet geheel binnen zes maanden na ontvangst is uitgekeerd aan de desbetreffende informant. Deze verplichting bestond ook al onder de vorige regeling. Onderzoek van de Departementale Audit Dienst van het Ministerie van Justitie heeft aangetoond dat niet uitbetaald tipgeld in een aantal gevallen niet (tijdig) was teruggestort. Het bureau Operationele Zaken heeft daarom een procedure ingevoerd waarbij de opsporingsdiensten periodiek verantwoording moeten afleggen over de door het Ministerie van Justitie ter beschikking gestelde tipgelden. Ieder kwartaal zal het bureau Operationele Zaken een overzichtsrapportage van uitgekeerde tipgelden naar de rekeningbeheerders van de opsporingsdiensten verzenden met het verzoek deze te laten waarmerken door het hoofd van de afdeling waaronder de Criminele Inlichtingen Eenheid ressorteert. Op deze overzichten dient aangetekend te worden dat betaling aan de informanten heeft plaatsgevonden dan wel de reden waarom de tipgelden (ouder dan zes maanden) nog niet zijn uitbetaald. Ook bij gedeeltelijke uitbetaling dient de reden daarvan gemotiveerd te worden aangegeven. Door het bureau Operationele Zaken kan aan de hand van de terugontvangen, gewaarmerkte overzichten de volledigheid en tijdigheid van de gerestitueerde gelden worden vastgesteld.

Artikel 5 Beloning

Het uitloven van een beloning door de hoofdofficier van justitie was tot juni 1998 niet formeel geregeld. Aanvragen voor dit soort financiële beloningen werden behandeld op grond van een gegroeide praktijk. Besloten werd dit onderwerp in de regeling op te nemen omdat ook hier, zij het geheel in een tactisch traject, evenzeer als in het geval van tipgeld, sprake is van een vorm van kopen van informatie ter opheldering van een misdrijf.

Voor het uitloven van een beloning moet sprake zijn van een ernstig misdrijf waardoor de rechtsorde is geschokt. Onder ernstige misdrijven worden voor de toepassing van de beloningsregeling in elk geval verstaan de misdrijven tegen het leven gericht en overvallen waarbij wapens zijn gebruikt of lichamelijk geweld is aangewend. Ook voor de opsporing van een grote partij ontvreemde vuurwapens of van een voor het brede publiek zeer gevaarlijke voortvluchtige, kan een beloning worden uitgeloofd. De beoordeling van de mate van de ernst van het gepleegde misdrijf en de mate waarin door het gepleegde misdrijf een inbreuk op de rechtsorde is gemaakt, kan lokaal enigszins verschillen.

De hoofdofficier van justitie, die ingevolge artikel 5, zevende lid, een verzoek richt aan de Minister van Justitie om tot uitbetaling van (een gedeelte van) de uitgeloofde beloning over te gaan (modelformulier conform bijlage 4a van de regeling), geeft in dat verzoek aan of het gehele bedrag of slechts een gedeelte daarvan, gelet op zijn inschatting van de toegevoegde waarde van de verstrekte informatie, aan een persoon zal worden uitgekeerd. De vraag die in dit verband beantwoording behoeft, is in hoeverre de recherche-inspanningen van de opsporingsdienst en informatie uit andere bronnen mede aan de opheldering van het misdrijf hebben bijgedragen. In voorkomende gevallen geeft de hoofdofficier van justitie in zijn verzoek gemotiveerd aan dat het gehele bedrag of een gedeelte daarvan in een door hem te bepalen verdeelsleutel aan meerdere personen zal worden uitbetaald.

Artikel 10 Spoedprocedure

In spoedeisende omstandigheden kan worden afgeweken van de ‘gewone’ aanvraagprocedures. Van spoedeisende omstandigheden is uiteraard sprake wanneer op heel korte termijn geld nodig is voor een actie, maar bijvoorbeeld ook indien op een wat langere termijn vreemde valuta nodig is en de opsporingsdienst deze valuta via de bank waarbij de dienst een rekening heeft, niet tijdig kan verkrijgen.

§ 4. Bijzondere bepalingen aangaande tipgeld

Artikel 11 Geen toekenning of beschikbaarstelling van tipgeld

In artikel 11 aanhef en onder a is de verplichting voor de opsporingsdienst neergelegd om in alle gevallen onderzoek te doen naar de eventuele betrokkenheid van de informatieverstrekker bij de strafbare feiten waarover hij heeft geïnformeerd.

Artikel 12 Financiële beloning van informanten door derden

Dit artikel ziet op financiële beloningen voor informanten door derden (in de meeste gevallen verzekeringsmaatschappijen) en de meldplicht van de opsporingsdiensten aan de NCIE inzake garantstellingen en betalingen door die derden.

Het Openbaar Ministerie en het Ministerie van Justitie hebben in 1991 met de verzekeraars afspraken gemaakt hoe de verzekeringsbranche en de opsporingsdiensten dienen te handelen indien een burger zich bij een verzekeraar meldt met informatie over ontvreemde goederen of andere verzekerde belangen (Gedragscode 1991). Deze gedragscode is onlangs herzien en vervangen door het ‘Convenant tipgelden 2004’. Het Verbond van Verzekeraars, het College van procureurs-generaal, de politiekorpsen en de Koninklijke Marechaussee zijn partij bij dit convenant, welk convenant als bijlage 10 bij de onderhavige regeling is opgenomen.

Artikel 13 Bepaling hoogte tipgeldbedrag

Een belangrijk instrument bij de bepaling van de hoogte van een tipgeldbedrag is de vergelijking van een concreet geval met soortgelijke gevallen waarin tipgeld is uitbetaald. De centrale registratie van tipgeldzaken bij het KLPD speelt bij het maken van deze vergelijking een belangrijke rol.

Voorts is voor een juiste bepaling van de hoogte van het toe te kennen tipgeldbedrag zorgvuldige weging noodzakelijk van de relevante factoren. In dat kader is per 1 juni 1991, op advies van Recherche Advies Commissie en met instemming van de toenmalige Vergadering van procureurs-generaal, door de Minister van Justitie een aantal objectieve wegingsfactoren ingevoerd. De effecten van de toepassing van deze wegingscriteria zijn een jaar na de invoering ressortelijk geëvalueerd. Uit die evaluatie kwam naar voren dat toepassing van de wegingsfactoren in de praktijk als een belangrijk instrument werd ervaren bij het bepalen van de hoogte van tipgeldbedragen. Deze wegingsfactoren zijn sindsdien op een enkel punt herzien. De belangrijkste wijziging bestaat erin dat het aantal informanten dat in een onderzoek is gebruikt enige invloed op de hoogte van het toe te kennen tipgeld kan hebben. Om tactische of afschermingsredenen is het soms noodzakelijk meerdere informanten in een onderzoek te gebruiken. Het aantal informanten kan niet leiden tot vermenigvuldiging van het gebruikelijke tipgeldbedrag met het aantal informanten in de zaak. Wel zal dit in sommige gevallen aanleiding kunnen vormen het toe te kennen tipgeldbedrag iets te verhogen. Het is uiteindelijk aan de opsporingsdienst om het tipgeld naar evenredigheid van de ingebrachte informatie, te verdelen. De opsomming van de wegingsfactoren is thans aangevuld met factoren die in de praktijk reeds van invloed bleken op de hoogte van het tipgeld en met factoren waaraan in de praktijk behoefte is gebleken: de geleverde inspanningen van de informant, de hoeveelheid in beslaggenomen goederen en de door het College van procureurs-generaal aangegeven opsporings- en vervolgingsprioriteiten.

De wegingscriteria zijn opgenomen in de bijlage 1 bij de regeling. Zij dienen als voorheen gehanteerd te worden bij de aanvraag door de opsporingsdienst en de advisering door het KLPD, alsmede bij de beslissing van de aangewezen ambtenaar van het Ministerie van Justitie inzake de hoogte van het toe te kennen tipgeldbedrag.

Tot op heden kwam informatie die leidde tot een ontnemingsprocedure dan wel verbeurdverklaring onder de Regeling bijzondere opsporingsgelden nauwelijks voor tipgeld in aanmerking. Dit werd als onwenselijk ervaren omdat in een aantal situaties zonder de informatie van de informant waardevolle goederen niet in beslaggenomen hadden kunnen worden en dus de ontnemingsprocedure dan wel verbeurdverklaring niet zou hebben kunnen plaatsvinden. Deze gangbare praktijk verhoudt zich niet goed met het beleid dat er juist op gericht is om veroordeelden hun financiële winsten behaald met strafbare feiten, af te nemen. Om hieraan tegemoet te komen is in artikel 1, achtste lid en onder b de mogelijkheid tot het betalen van tipgeld in dergelijke situaties opgenomen. Artikel 13, derde lid, geeft vervolgens aan op welke manier de hoogte van het tipgeld in dergelijke situaties wordt bepaald. De hoogte van het tipgeld wordt in de eerste plaats bepaald door de waarde van de goederen die op basis van de informatie zijn gevonden. Voorts is bepalend het moment waarop de tipgeldaanvraag wordt ingediend. De aanvraag kan worden gedaan vanaf het moment dat de goederen in beslag genomen zijn en de officier van justitie van plan is de ontneming dan wel verbeurdverklaring te vorderen tot het moment dat de rechter (in hoogste instantie) ook daadwerkelijk de ontneming of verbeurdverklaring uitspreekt. In het eerste geval zal de informant een lagere beloning toegekend worden, omdat de overheid het risico loopt dat het inbeslaggenomene uiteindelijk niet aan haar toekomt. In het tweede geval zal de informant voor een hogere beloning in aanmerking komen, omdat de overheid er in dat geval zeker van is dat het inbeslaggenomene haar toevalt. Voor de hoogte van het (extra) tipgeld hanteert het bureau Operationele Zaken vaste bedragen. Dit betekent dat andere factoren dan de waarde van de inbeslaggenomen goederen en het moment dat tipgeld wordt aangevraagd niet van invloed zijn op de hoogte van het tipgeldbedrag. De wegingsfactoren, zoals het aantal informanten, zijn in dit geval niet van toepassing.

Artikel 13, vierde lid, geeft vervolgens aan dat, in geval er inlichtingen zijn verstrekt die hebben geleid tot de opheldering van fiscale, economische of sociaal-frauduleuze delicten en waardoor de overheid gelden kan (terug)vorderen, de hoogte van het tipgeld wordt bepaald op overeenkomstige wijze als bij inbeslaggenomen contant geld of ander waardevolle (on)roerende goederen. Hierbij kan gedacht worden aan een tip op bijstandsfraude, maar ook op bijvoorbeeld sigarettensmokkel. De waarde van de te veel betaalde, dus terugvorderbare, uitkering dan wel van de niet betaalde, dus opvorderbare, accijnzen is in dat geval bepalend voor de hoogte van het (extra) tipgeld.

Artikel 14 Tipgeld voor Nederlandse informanten in buitenlandse opsporingsonderzoeken

In dit artikel wordt een regeling gegeven voor de (mogelijkheid tot) betaling van tipgeld aan in Nederland ingeschreven informanten die worden gerund op verzoek van een buitenlandse autoriteit ten behoeve van een (nagenoeg) geheel buitenlands opsporingsonderzoek. Ook indien een Nederlands belang ontbreekt, kunnen de opsporingsdiensten er, met het oog op toekomstige, Nederlandse strafzaken waarbij die informant weer een nuttige rol zou kunnen spelen, waarde aan hechten dat hun informant wordt beloond. Een beloning ligt in dit soort zaken echter wel beduidend lager dan in zaken waarin voldoende blijkt van een Nederlands belang. Bij dit laatste kan worden gedacht aan een lading cocaïne die per schip onderweg is naar Nederland en die in enig buitenland wordt onderschept dankzij informatie van een in Nederland ingeschreven informant.

Basisvoorwaarde voor het in behandeling nemen van een dergelijk verzoek om toekenning en beschikbaarstelling van tipgeld is dat de buitenlandse autoriteit geen tipgeld aan de desbetreffende informant zal betalen. Het is niet de bedoeling dat de informant zowel van de buitenlandse autoriteit als van Nederland tipgeld ontvangt in een zaak. Om die reden dient de betrokken CIE-officier van justitie na te gaan of het desbetreffende land in geval van bruikbare informatie zal overgaan tot betaling van tipgeld. Deze bepaling gaat overigens niet zo ver dat indien de CIE-officier van justitie ambtshalve bekend is dat een bepaald land geen tipgeld betaalt, in elke individuele zaak alsnog het buitenland hierover bevraagd moet worden. Volstaan kan dan worden met een verklaring in het verzoek om toekenning en beschikbaarstelling van tipgeld dat de buitenlandse autoriteit niets betaalt.

Artikel 14 is niet van toepassing op in Nederland ingeschreven informanten die zijn ingezet ten behoeve van internationale opsporingsonderzoeken die in een formeel samenwerkingsverband tussen Nederlandse opsporingsdiensten en opsporingsdiensten van andere Europese lidstaten worden verricht. Het gaat hier om een zogenoemd Joint Investigation Team (JIT). Uit het deelnemen van Nederland aan een gezamenlijk onderzoek met opsporingsdiensten van andere lidstaten van de Europese Unie blijkt immers dat er ook Nederlandse (strafvorderlijke) belangen worden gediend. In die gevallen kan tipgeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 worden aangevraagd en toegekend, met dien verstande dat bij een dergelijke tipgeldaanvraag de formele samenwerking in het desbetreffende opsporingsonderzoek dient te blijken uit een meegezonden kopie van het samenwerkingsconvenant.

Artikel 14 is eveneens niet van toepassing op in Nederland ingeschreven informanten die zijn ingezet ten behoeve van een parallel onderzoek, uitgevoerd in nauwe samenwerking met het buitenland, waarbij ook een Nederlands (strafvorderlijk) belang is gediend. In die gevallen kan tipgeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 worden aangevraagd en toegekend, met dien verstande dat bij een dergelijke tipgeldaanvraag de samenwerking tussen de desbetreffende opsporingsonderzoeken dient te blijken uit een ondertekende verklaring van de betrokken zaaksofficier van justitie.

Artikel 15 Tipgeld voor buitenlandse informanten in Nederlandse opsporingsonderzoeken

In dit artikel wordt een regeling gegeven voor de (mogelijkheid tot) betaling van tipgeld aan in het buitenland ingeschreven informanten die, door tussenkomst van een buitenlandse opsporingsdienst, gevraagd of ongevraagd inlichtingen hebben verstrekt ten behoeve van Nederlandse opsporingsonderzoeken. De inlichtingen moeten een Nederlands strafvorderlijk belang hebben gediend. De bepaling van het tipgeld geschiedt naar Nederlandse maatstaven. Lid 3 stelt nadere eisen aan het rapport van de Nederlandse opsporingsdienst waarbij tipgeld wordt aangevraagd. Het proces-verbaal van de buitenlandse opsporingsdienst, waarin de inlichtingen van de informant voor operationeel gebruik aan Nederland beschikbaar is gesteld, kan ook worden geciteerd in de tipgeldaanvraag. Om dubbele uitbetaling van tipgeld te voorkomen, dient in de tipgeldaanvraag tevens melding gemaakt te worden van de unieke cijfercode waarmee de informant wordt aangeduid.

§ 5. Bijzondere bepalingen aangaande een beloning

Artikel 16 Geen toekenning of beschikbaarstelling van een beloning

In artikel 16 aanhef en onder a is, net als bij tipgeld, de verplichting voor de opsporingsdienst neergelegd om in alle gevallen onderzoek te doen naar de eventuele betrokkenheid van de informatieverstrekker bij de strafbare feiten waarover hij heeft geïnformeerd.

Ingevolge artikel 16 aanhef en onder b wordt geen beloning toegekend of beschikbaar gesteld, indien de uitgeloofde beloning niet of niet tijdig is gepubliceerd. Met het uitloven van een beloning worden potentiële getuigen onder het publiek uitgenodigd om tegen een financiële beloning met informatie over bepaalde, ernstige misdrijven naar voren te treden. Hieruit volgt dat een aanvraag voor een machtiging tot het uitloven van een beloning niet kan worden gehonoreerd in het geval dat het Openbaar Ministerie pas na het moment dat een burger met goede informatie is gekomen, tot deze aanvraag besluit. Ook is pas sprake van een uitgeloofde beloning, indien aan het publicatievereiste zoals verwoord in deze regeling, is voldaan. Dit betekent dat wanneer een burger informatie verschaft nog vóórdat er publiciteit aan het uitloven van de beloning is gegeven, de Minister van Justitie de beloning niet beschikbaar zal stellen. In dat geval kan niet worden gezegd dat die burger naar voren is getreden vanwege de uitgeloofde financiële beloning; hij kon immers nog geen weet hebben van een beloning op het moment dat hij zijn informatie verstrekte. Die burger heeft kennelijk uit andere motieven dan financieel gewin informatie verstrekt. Bijvoorbeeld vanuit een gevoelde burgerplicht.

Aan het publicatievereiste kan op twee manieren worden voldaan. In beginsel zal bij het uitloven van een beloning door de DNRI van het KLPD een raambiljet worden vervaardigd en landelijk verspreid. Er kunnen zich echter gevallen voordoen die zich niet goed lenen voor het verspreiden van een raambiljet. In een dergelijk geval kan, na voorafgaande toestemming van de ambtenaar van het bureau Operationele Zaken die de aanvraag behandelt, de aankondiging van de uitgeloofde beloning worden gedaan in het televisieprogramma ‘Opsporing Verzocht’ of in een televisiebericht in een ander landelijk of regionaal programma van een zendgemachtigde waarmee het Openbaar Ministerie een samenwerkingscontract in het kader van de opsporingsberichtgeving heeft gesloten. Vanzelfsprekend bestaat er geen enkel bezwaar tegen het verspreiden van een raambiljet en het daarnaast ook nog eens aankondigen van die beloning in een daarvoor toegelaten televisieprogramma. Des te groter het bereik van de boodschap, des te groter is ook de kans op de ‘gouden tip’. In de praktijk zal spoedheidshalve de aankondiging op de televisie vaak vooraf gaan aan de landelijke verspreiding van het raambiljet. Ook daartegen bestaat geen enkel bezwaar.

Artikel 17 Bepaling hoogte van een beloning

De hoogte van een beloning wordt in beginsel vastgesteld op een bedrag gelegen tussen de € 4.500 en € 30.000. Beneden de € 4.500 wordt het effect van het middel te gering geacht. Bij een grote wapendiefstal, gelet op het evidente gevaar dat grote aantallen vuurwapens in het criminele milieu terecht zullen komen, kan als richtinggevend bedrag een beloning van € 4.500 redelijk zijn. Inzake een gepleegde moord of doodslag geldt dat in de huidige opsporingspraktijk in de meeste gevallen een beloning van € 20.000 redelijk wordt geacht. Bij meervoudige moorden en doodslagen kan dit oplopen tot € 30.000. In zeer bijzondere gevallen kan op verzoek van de betrokken hoofdofficier van justitie een hogere beloning dan € 30.000 worden toegekend. In alle gevallen geldt dat met locale verschillen in de beoordeling van de mate van de ernst van het gepleegde misdrijf en de mate waarin door het gepleegde misdrijf een inbreuk op de rechtsorde is gemaakt, bij de bepaling van de hoogte van een beloning enige rekening kan worden gehouden.

Opgemerkt zij dat informanten, die inlichtingen hebben verstrekt die leiden tot de aanhouding althans het bekend worden van de dader van een moord of doodslag, in de meeste gevallen lager worden beloond dan tipgevers die reageren op een raambiljet of op een televisiebericht van de hoofdofficier van justitie inzake het uitloven van een beloning. Dit verschil laat zich verklaren door de inschatting dat burgers die geen informant van de politie zijn, uit (al dan niet terechte) angst om als getuige te moeten verschijnen op een terechtzitting of uit angst voor represailles van de dader, in het algemeen terughoudender zullen zijn om met hun informatie over ernstige delicten naar voren te treden dan zich redelijk afgeschermd wetende informanten. Een grotere financiële beloning kan hen wellicht toch over de streep trekken. Dit verschil in beloning laat zich bovendien verklaren uit het feit dat een proces-verbaal, opgemaakt naar aanleiding van de inlichtingen van een informant, niet bestemd is om tot bewijs te dienen. Het proces-verbaal van de tipgever is daarentegen wel bestemd om tot bewijs te dienen. Deze burger legt een in beginsel op een terechtzitting toetsbare getuigenverklaring af.

Bij samenloop van het uitloven van een financiële beloning van tipgevers door derden (vaak een belanghebbende particulier, zoals een slachtoffer of nabestaande) met een uitgeloofde beloning door een hoofdofficier van justitie mag de uitgeloofde beloning van de hoofdofficier van justitie noch worden verweven met, noch, wat betreft de hoogte van het bedrag, worden aangetast door de financiële beloning door een derde.

Hierdoor wordt beoogd te voorkomen dat die derden zich met (eventueel crimineel verdiend) geld financieel kunnen mengen in de opsporingsinspanningen van justitie, gericht op de opheldering van hun eigen zaak (bijvoorbeeld een tegen hen gerichte poging tot liquidatie). In voorkomend geval dient daarom in een openbare aankondiging van een beloning door de hoofdofficier van justitie, zoals in een televisieprogramma, uitdrukkelijk tot uiting te komen dat de beloning van de belanghebbende derde geheel los staat van de beloning door het Openbaar Ministerie. Publieke aankondigingen van beloningen door derden dienen dan ook bij voorkeur niet door een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie of van een opsporingsdienst te worden gedaan.

§ 6. Overige bepalingen

Artikel 19 Verplicht volgen aanvraagprocedures en verplicht gebruik modelformulieren

Ingevolge artikel 19, eerste en tweede lid, worden aanvragen ingediend door de daartoe bevoegde (hoofd)officier van justitie. Het bureau Operationele Zaken had niet de mogelijkheid om na te gaan of de aanvragen ook daadwerkelijk door de bevoegde (hoofd)officier van justitie waren ingediend en ondertekend. Op advies van de Departementale Audit Dienst van het Ministerie van Justitie heeft het bureau Operationele Zaken een mandaat- en handtekeningenregister aangelegd en is het thans in staat om de aanvragen op rechtmatigheid te controleren. Voor de verschillende aanvragen van gelden waarop de regeling ziet, zijn modelformulieren in de bijlagen bij deze regeling opgenomen. Het verplichte gebruik van deze modelformulieren dwingt ertoe dat bij een aanvraag alle benodigde informatie wordt verstrekt die noodzakelijk is voor de beslissing over de toekenning en het beschikbaar stellen van geld. Het gebruik van modelformulieren beoogt voorts bij te dragen aan vereenvoudiging en bespoediging van de afhandeling van de aanvragen. Afwijking van de verplichte modelformulieren dan wel het ontbreken van de handtekening van de bevoegde (hoofd)officier van justitie heeft tot gevolg dat de aanvragen voor aanpassing en of aanvulling worden teruggezonden naar het desbetreffende parket. Om de ter beschikkingstelling van bijzondere opsporingsgelden niet onnodig te vertragen, verdient het aanbeveling mutaties in het mandaat- en handtekeningenregister zo spoedig mogelijk aan het bureau Operationele Zaken te melden.

In het derde lid van artikel 19 is het vereiste opgenomen dat in een onderzoek steeds voor alle informanten tegelijk en door één centrale aanvrager (de opsporingsdienst waaraan de informatie is verstrekt en waar de informatie operationeel is gebruikt) een aanvraag voor de toekenning van tipgeld moet worden ingediend. Deze regel is opgenomen, omdat het in de praktijk regelmatig voorkwam dat informanten van een andere regio bij de tipgeldaanvraag werden vergeten. Is in een dergelijk geval reeds tipgeld betaald en onder de overige informanten in de zaak verdeeld, dan kan aan de ‘vergeten’ informant geen geld meer beschikbaar worden gesteld. Dit vloeit voort uit het gegeven dat de totale (strafvorderlijke) resultaten in het onderzoek reeds zijn gewogen en het op grond daarvan ter beschikking gestelde totaalbedrag reeds is uitbetaald. Om dit soort vervelende situaties te voorkomen, is het ‘gelijktijdige en centrale aanvraagvereiste’ in de regeling opgenomen. Aanvragen voor tipgeld die aan dit vereiste niet voldoen, kunnen, behoudens de uitzondering van artikel 19, vierde lid, niet in behandeling worden genomen. In het vierde lid is, om de bestaande praktijk zo veel mogelijk tegemoet te komen, een uitzonderingsbepaling opgenomen voor eenmalige informatieverstrekkingen inzake eenvoudige, opzichzelfstaande feiten. In die gevallen is het toegestaan dat de verstrekkende opsporingsdienst zelf de aanvraag voor de eigen informant doet. Bij de tipgeldaanvraag dient dan wel een proces-verbaal te zijn gevoegd van de opsporingsdienst dat de informatie heeft gebruikt. Dit proces-verbaal dient de resultaten te vermelden waartoe de verstrekte inlichtingen hebben geleid.

Artikel 21 Verzoek tot herziening van een beslissing

In dit artikel wordt voorzien in een procedure om op te komen tegen een (gedeeltelijk) afwijzende beslissing op een op grond van deze regeling gedaan verzoek.

De praktijk om bij verschil van inzicht over de toepasselijkheid van de regeling of over de hoogte van het toegekende (tip)geldbedrag de Minister van Justitie om een nieuwe beslissing te vragen, werd reeds in de regeling van 1998 geformaliseerd.

Hoewel het artikel voorschrijft dat een verzoek tot herziening van een beslissing schriftelijk is, neemt dit niet weg dat de betrokken CIE-officier van justitie voordat hij een dergelijk verzoek indient, telefonisch contact kan opnemen met het bureau Operationele Zaken teneinde de zaak te bespreken. De CIE-officier van justitie is immers tot dan toe nog niet direct bij de afhandeling van de desbetreffende tipgeldaanvraag betrokken geweest; de aanvraag is namelijk mondeling afgedaan tussen het hoofd van de CIE van een opsporingsdienst, een ambtenaar van de NCIE en een ambtenaar van het bureau Operationele Zaken. Het telefonische contact tussen de CIE-officier van justitie en het bureau Operationele Zaken kan ertoe leiden dat de CIE-officier van justitie afziet van een verzoek tot herziening, dan wel dat de CIE-officier van justitie handvatten worden geboden voor een deugdelijke motivering van de gronden voor het herzieningsverzoek.

De Minister van Justitie,

J.P.H. Donner

Overzicht bijlagen:

1. Wegingsfactoren vaststelling hoogte tipgeldbedragen

2. Modelrapport opsporingsdienst inzake aanvraag tipgeld

2a. Modelbrief hoofdofficier van justitie inzake verzoek beschikbaarstelling tipgeld

3. Modelbrief hoofdofficier van justitie inzake verzoek machtiging uitloven beloning

4. Modelbrief zaaksofficier inzake advies beschikbaarstelling beloning

4a. Modelbrief hoofdofficier van justitie inzake verzoek beschikbaarstelling beloning

5. Modelverzoek opsporingsdienst inzake aanvraag toongeld

5a. Modelbrief hoofdofficier van justitie inzake verzoek beschikbaarstelling toongeld

6. Modelverzoek opsporingsdienst inzake aanvraag pseudokoopgeld

6a. Modelbrief hoofdofficier van justitie inzake verzoek beschikbaarstelling pseudokoopgeld

7. Modelverzoek opsporingsdienst inzake aanvraag opkoopgeld

7a. Modelbrief hoofdofficier van justitie inzake verzoek beschikbaarstelling opkoopgeld

8. Modelfaxbericht van de officier van justitie inzake spoedprocedure ex artikel 16 van de Regeling bijzondere opsporingsgelden.

9. Stroomschema’s aanvragen bijzondere opsporingsgelden

10. Convenant tipgelden 2004

Bijlage 1

Wegingsfactoren vaststelling hoogte tipgeldbedragen

In een concreet geval kunnen één of meer van de onderstaande wegingsfactoren aanleiding vormen het tipgeldbedrag enigermate te verhogen. Deze wegingsfactoren dienen, voor zover van toepassing, in het rapport voor de tipgeldaanvraag van de opsporingsdienst met een korte toelichting tot uitdrukking te worden gebracht:

1. Het risico voor de informant

Iedere informant loopt risico. Dit vloeit voort uit het verstrekken van inlichtingen aan een opsporingsdienst over criminele activiteiten van een ander. In sommige gevallen kan echter de reële inschatting worden gemaakt dat de informant een verhoogd risico loopt.

2. De geleverde inspanningen van de informant

Het betreft hier de duur van de periode waarin de inlichtingen worden verstrekt en de mate van inspanning die het de informant heeft gekost teneinde inlichtingen te kunnen verstrekken.

3. De organisatiegraad van de criminele groepering en het kaliber van de aangehouden verdachten

Het gaat hierbij om informatie die heeft geleid tot het aan het licht brengen van een georganiseerde groepering en de zwaarte van de rol die de verdachten daarin hebben gespeeld.

4. De aan de criminele organisatie toegebrachte schade

Hierbij gaat het om de gevolgen van de aanhoudingen voor de werkzaamheid van de criminele organisatie.

5. Het maatschappelijk belang van de zaak

Van belang is de maatschappelijke impact van de opheldering van het misdrijf, de aanhouding van de verdachte(n) en de inbeslagneming van goederen.

6. De lokale omstandigheden t.a.v. de criminaliteit

In samenhang met punt 5 kunnen lokale omstandigheden van invloed zijn op de hoogte van het tipgeld. In bepaalde delen van Nederland kunnen de criminaliteitscijfers, al dan niet tijdelijk, beduidend hoger liggen dan elders.

7. Kostenbesparing opsporingsdienst

Dit aspect betreft de kostenbesparing voor de opsporingsdienst in verband met de bekorting van een (reeds lopend) opsporingsonderzoek door de verstrekte inlichtingen.

8. De betrouwbaarheid van de informant en de informatie

Hierbij gaat het om de gebleken ‘zakelijke’ betrouwbaarheid van de informant en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie in de voorgaande zaken.

9. Het aantal verdachten

Relevant is het aantal aangehouden verdachten, alsmede de verdachten die nog niet zijn aangehouden maar waarvan de identiteit is komen vast te staan.

10. Het aantal informanten

Het betreft hier het aantal informanten dat in een opsporingsonderzoek inlichtingen heeft verstrekt om het voor tipgeld in aanmerking komende (strafvorderlijke) eindresultaat te bereiken.

11. De hoeveelheid inbeslaggenomen goederen

Dit aspect betreft gelden en of andere waardevolle (on)roerende goederen waarover de informant geen specifieke inlichtingen heeft verstrekt, maar die door en tijdens het opsporingsonderzoek wel in beslag zijn genomen.

12. Prioriteiten College van procureurs-generaal

Het gaat hierbij om de door het College van procureurs-generaal aangegeven opsporings- en vervolgingsprioriteiten.

Bijlage 2

stcrt-2006-39-p11-SC73899-1.gifstcrt-2006-39-p11-SC73899-2.gif

Bijlage 2a

stcrt-2006-39-p11-SC73899-3.gif

Bijlage 3

stcrt-2006-39-p11-SC73899-4.gif

Bijlage 4

stcrt-2006-39-p11-SC73899-5.gif

Bijlage 4a

stcrt-2006-39-p11-SC73899-6.gif

Bijlage 5

stcrt-2006-39-p11-SC73899-7.gif

Bijlage 5a

stcrt-2006-39-p11-SC73899-8.gif

Bijlage 6

stcrt-2006-39-p11-SC73899-9.gif

Bijlage 6a

stcrt-2006-39-p11-SC73899-10.gif

Bijlage 7

stcrt-2006-39-p11-SC73899-11.gif

Bijlage 7a

stcrt-2006-39-p11-SC73899-12.gif

Bijlage 8

stcrt-2006-39-p11-SC73899-13.gifstcrt-2006-39-p11-SC73899-14.gif

Bijlage 9

stcrt-2006-39-p11-SC73899-15.gifstcrt-2006-39-p11-SC73899-16.gifstcrt-2006-39-p11-SC73899-17.gifstcrt-2006-39-p11-SC73899-18.gifstcrt-2006-39-p11-SC73899-19.gif

Bijlage 10

Convenant Tipgelden 2004

(September 2004 (aanvulling artikel 12 d.d. 10 augustus 2004)

Partijen hebben overwogen dat:

– belangrijke ontwikkelingen en veranderingen onder meer in de wet- en regelgeving, aanleiding geven de Gedragscode van 1991 inzake het beschikbaar stellen van tipgelden door verzekeraars en/of expertisebureaus te herzien;

– de gedragscode 1991 enkele spanningsvelden in de praktijk ongeregeld liet;

– de belangen van het Openbaar Ministerie en van verzekeraars optimaal moeten worden gediend in het kader van hun maatschappelijke verantwoordelijkheden;

– het van belang is een juiste en eenduidige werkwijze tussen partijen vast te leggen in een convenant;

– het doel van dit convenant is het regelen van die situaties waarin met behulp van betaalde informatie kan worden bijgedragen aan criminaliteitsbestrijding;

– dit convenant moet worden beschouwd in samenhang met het Fraudeprotocol, opgesteld door het Verbond van Verzekeraars en met de Regeling Bijzondere Opsporingsgelden opgesteld door het Ministerie van Justitie.

De partijen bij het Convenant Tipgeld 2004, vertegenwoordigd;

– namens het college van procureurs-generaal,……………………….

– namens het Verbond van Verzekeraars,……………………………….

– namens de Raad van Hoofdcommissarissen……………………….

zijn, omtrent de regeling inzake financiële beloningen (tipgelden), overeengekomen dat zij zich overeenkomstig dit Convenant zullen gedragen.

Artikel 1 begripsbepalingen

In dit convenant wordt verstaan onder:

Verzekeraar: een bij het Verbond van Verzekeraars aangesloten verzekeringsmaatschappij.

Bureau Justitiële Zaken: het Bureau bij het Verbond van Verzekeraars met als doelstelling belangenbehartiging op verzoek van verzekeraars en van politie/justitie in actuele zaken van verzekeringsfraude en criminaliteitsbeheersing. Het Bureau geeft invulling aan het Fraudeloket Verzekeringsbedrijf.

Fraudecoördinator: Medewerker van een verzekeraar, belast met de interne werking en toepassing van het Fraudeprotocol Verzekeringsbedrijf van het Verbond van Verzekeraars.

Onderzoeksbureau: een particulier bureau met vergunning op grond van de Wet Particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, dat niet tot het concern van de verzekeraar behoort en dat in opdracht van de verzekeraar de schadetoedracht onderzoekt dan wel de hoogte van de schade vaststelt.

NCIE: Nationale Criminele Inlichtingen Eenheid (onderdeel van politie)

CIE: Criminele Inlichtingen Eenheid van een betrokken opsporingsinstantie (onderdeel van politie)

Tipgever: Voor de toepassing van dit convenant: de burger die informatie verstrekt over een strafbaar feit, waarbij de verzekeraar een financieel belang heeft.

Tipgeld: Voor de toepassing van dit convenant: de financiële beloning voor de tipgever betaald door de verzekeraar(s) via de CIE.

Betalingsgarantie: een op grond van artikel 6:198 e.v. of artikel 7:850 e.v. Burgerlijk Wetboek gegeven garantie tot betaling die in beginsel wordt afgegeven door Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars.

Beloningsadvertentie: de advertentie zoals wordt bedoeld in artikel 9 van dit convenant.

Regeling Bijzondere Opsporingsgelden: de beleidsregels neergelegd in de vigerende circulaire van de Minister van Justitie.

Artikel 2 verplichtingen van partijen

De partijen die dit convenant hebben ondertekend, stellen alles in het werk om binnen hun organisatie op een juiste wijze uitvoering te geven aan deze regeling. Verzekeraars geven de door hen ingeschakelde onderzoeksbureaus opdracht overeenkomstig dit convenant te handelen.

Artikel 3 reikwijdte

In dit convenant zijn afspraken opgenomen tussen de politie, het Openbaar Ministerie en het Verbond van Verzekeraars over de omgang met de tipgever. Conform het Convenant wordt degene die zich bij de verzekeraar meldt met informatie, altijd doorgeleid naar de politie (CIE), zie artikel 4 van het Convenant. De politie beoordeelt namelijk of de burger vinder is of tipgever. Het convenant is niet van toepassing op de omgang met de burger, die de vindplaats een onbeheerde zaak aanwijst (= vinder). Uit het bijgevoegde stroomdiagram (bijlage 4) blijkt, hoe de verhouding tussen de tipgever en de vinder is geregeld.

Artikel 4 afstemming tussen politie en de fraudecoördinator van de verzekeraar inzake de omgang met de tipgever

1. Teneinde vast te stellen of er een verzekerd belang is, neemt het hoofd van de CIE contact op met Bureau Justitiële Zaken of met de fraudecoördinator van de bekende verzekeraar. Uitbetaling van tipgeld geschiedt steeds door tussenkomst van de CIE.

2. Wanneer een verzekeraar zelf in contact komt met een burger die informatie wil geven, verwijst hij deze met inachtneming van artikel 6 lid 2 van dit convenant zo snel mogelijk via zijn fraudecoördinator door naar het hoofd van de betrokken CIE.

Artikel 5 hoogte van tipgelden

1. Tipgeld wordt in beginsel betaald indien een strafbaar feit wordt opgehelderd en het goed – conform de in artikel 8 lid 2 gestelde voorwaarde – wordt opgespoord.

2. Ter bepaling van de hoogte van de toe te kennen bedragen vindt vergelijking plaats van het concrete geval met soortgelijke gevallen . In dit kader houden het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars en de NCIE een register bij. Verzekeraars raadplegen het centrale register van Bureau Justitiële Zaken en politie raadpleegt haar eigen NCIE-register. Het beschikbaar te stellen bedrag hangt in concrete gevallen af van de toegevoegde waarde van de burger bij het opsporingsonderzoek en van het verzekerde belang.

Artikel 6 afscherming identiteit

1. Met het oog op de afscherming van de identiteit van de tipgever door de CIE wordt zijn naam niet aan de betrokken verzekeraar medegedeeld, en wordt de naam van de verzekeraar niet aan de tipgever medegedeeld.

2. Indien de tipgever zich meldt bij de verzekeraar, zal de verzekeraar de identiteit van de tipgever afschermen en deze alleen doorgeven aan de CIE.

Artikel 7 betalingsgarantie tipgeld

1. De betalingsgarantie geschiedt uitsluitend vóóraf en wordt schriftelijk vastgelegd.

2. In beginsel staat Bureau Justitiële Zaken garant voor het betalen van tipgeld als een verzekeraar niet bekend of niet bereikbaar is.

3. Bureau Justitiële Zaken verleent een betalingsgarantie voor Nederlandse verzekeraars. Indien blijkt, dat het gaat om een niet bij het Verbond van Verzekeraars aangesloten verzekeraar of een buitenlandse verzekeraar, wordt de betalingsgarantie omgezet in een bemiddeling.

4. De garantstelling wordt in beginsel afgegeven voor een beperkte termijn van 6 maanden. Voor motorrijtuigen geldt in beginsel een termijn van 30 dagen, die mogelijk twee maal verlengd kan worden.

Artikel 8 betaling tipgeld en teruggave goederen

1. Het ter beschikking gestelde tipgeld wordt door de verzekeraar rechtstreeks ter beschikking gesteld ten behoeve van de tipgever aan het hoofd van de CIE die zorgdraagt voor uitbetaling.

2. De verzekeraar stelt het tipgeld pas na terugkeer van het door misdrijf verdwenen goed in zijn beschikkingsmacht ter beschikking. Indien de betalingsgarantie wordt verstrekt door Bureau Justitiële Zaken, geschiedt de teruggave van de goederen via Bureau Justitiële zaken.

Artikel 9 beloningsadvertenties

1. Beloningsadvertenties worden door de verzekeraar uitsluitend volgens de modeltekst van bijlage 3 gepubliceerd.

2. Beloningen worden door de verzekeraar of de door hen ingeschakelde derden alleen uitgeloofd indien daarmee ook het ophelderen van een of meer misdrijven wordt beoogd. De burger die reageert op beloningsadvertenties wordt gelijkgesteld met tipgever en valt onder de werking van dit convenant.

Artikel 10 Platform Tipgelden

1. Bij dit convenant wordt het Platform Tipgelden ingesteld. Het platform volgt de ontwikkelingen die van belang zijn voor een optimale samenwerking tussen de partijen, signaleert knelpunten en evalueert werkwijzen. Het platform komt ten minste tweemaal per jaar bijeen.

2. Het platform zal bestaan uit drie vertegenwoordigers van het Verbond van Verzekeraars inclusief 1 voorzitter; twee vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie en twee vertegenwoordigers van het Openbaar ministerie/politie.

Artikel 11 evaluatie

De bepalingen van het Convenant Tipgelden 2004 zullen om de drie jaar door de betrokken partijen worden geëvalueerd.

Artikel 12 publicatie

De integrale tekst van deze regeling wordt door het college van procureurs-generaal bekendgemaakt binnen het Openbaar Ministerie, door de Raad van Hoofdcommissarissen breed verspreid onder de politiekorpsen en door het Verbond van Verzekeraars bekend gemaakt aan de leden.

Artikel 13 inwerkingtreding

Dit convenant treedt in werking op 6 april 2005.

Toelichting

De regels die gelden voor het betalen voor inlichtingen ten behoeve van criminaliteitsbestrijding zijn reeds in 1986 vastgelegd in de toenmalige Regeling tip-, toon- en verkoopgelden. Deze regeling onderscheidde de tipgelden die werden betaald door politie en justitie, verzekeraars, banken en andere derden. Ook werd onderscheid gemaakt tussen voorkoopgelden, toongelden en onkostenvergoedingen/werkgelden. In 1991 is er bij deze Regeling een Gedragscode opgesteld die van toepassing is indien verzekeraars, Stichting CIS en/of expertisebureaus tipgelden beschikbaar stellen. In deze Gedragscode is vastgelegd dat bij het beschikbaar stellen van tipgelden moet worden gehandeld conform de Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden.

De oude Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden is inmiddels door het Ministerie van Justitie herzien in de Regeling Bijzondere Opsporingsgelden (RBO). Belangrijke ontwikkelingen als de veranderende opsporingspraktijk, de veranderingen in de politie-organisatie en de uitkomsten van de parlementaire enquête inzake het gebruik van bijzondere opsporingsbevoegdheden (Commissie van Traa), gaven hier aanleiding toe. Inmiddels is het hoog tijd om ook de geldende Gedragscode van 1991 aan te passen. De uitwerking hiervan is vastgelegd in het onderhavige Convenant. De rol van de Stichting CIS onder de gedragscode van 1991 is inmiddels overgenomen door het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars.

Doel van dit convenant is het regelen van die situaties waarin met behulp van door verzekeraars te betalen informatie kan worden bijgedragen aan criminaliteitsbestrijding en wel zodanig dat de belangen van de politie, het Openbaar Ministerie en van de verzekeraars worden gediend in het kader van hun maatschappelijke verantwoordelijkheden, zonder dat daarbij de tipgevende burger en de dader in één persoon verenigd zijn. Het convenant sluit aan bij de regels die partijen hanteren en schept de voorwaarden voor een integere en uniforme werkwijze ten aanzien van het werken met betaalde informatie.

Het betalen voor informatie bij de opsporing in het algemeen van strafbare feiten is in toenemende mate te zien als een werkwijze die bij het opsporingswerk moeilijk kan worden gemist. Bij het ophelderen van een misdrijf en het opsporen van door misdrijf verdwenen goederen is de rol van betaalde informatie vaak doorslaggevend. Het is niet bezwaarlijk dat de politie op dergelijke aanbiedingen ingaat, mits daarbij niet alleen de goederen worden teruggevonden, maar óók de daders worden aangehouden. De politie zal zich wel vooraf dienen te overtuigen van de betrouwbaarheid van de burger en er is een aantal stringente voorwaarden waaraan voldaan moet zijn vóórdat tipgeld daadwerkelijk betaald mag worden.

Partijen beogen de uit te betalen tipgelden in de hand te houden. Belangrijk verschil tussen het onderhavige convenant en de gedragscode van 1991 is gelegen in de manier waarop de hoogte van het tipgeld wordt vastgesteld. De gedragscode van 1991 bepaalde dat ‘het tipgeld in beginsel maximaal 10% van de dagwaarde van de verzekerde goederen in de toestand waarin zij ter beschikking van de rechthebbenden zijn gesteld bedraagt’. Deze 10% was een eigen leven gaan leiden en het leek van plafondwaarde in de praktijk soms te zijn verworden tot uniform tarief. In het onderhavige convenant wordt daarom in verband met de hoogte van de tipgelden verwezen naar de centrale registraties van tipgelden van de NCIE en van het Bureau Justitiële Zaken.

Artikel 1 (begripsbepaling)

Verzekeraar: Door de definiëring van verzekeraars in deze gedragscode zijn alle verzekeraars die lid zijn van het Verbond van Verzekeraars gehouden dit convenant na te leven. Het Verbond van Verzekeraars heeft bijna alle in Nederland werkende verzekeringsmaatschappijen – zowel die met een zetel in Nederland als die met een zetel in een andere lidstaat van de Europese Unie – als lid. De ‘dekkingsgraad’ is ongeveer 95%.

Daarnaast zijn er verzekeringsmaatschappijen wier goederen door Nederland heen stromen, maar die hier te lande geheel geen vestiging, of alleen een wettelijk vertegenwoordiger ex artikel 45 van de Wet Toezicht Verzekeringsbedrijf hebben. Bureau Justitiële Zaken zal bemiddelen bij de betaling van tipgelden door buitenlandse verzekeraars of verzekeraars die geen lid zijn van het Verbond van Verzekeraars, conform artikel 7 lid 3 van dit Convenant.

Tipgever: Voor de toepassing van het Convenant Tipgelden: de burger die informatie verstrekt over een strafbaar feit, waarbij de verzekeraar een financieel belang heeft.

De Regeling Bijzondere Opsporingsbevoegdheden die voor de politie van toepassing is, maakt onder andere onderscheid tussen de begripsbepalingen ‘informant’ en ‘tipgever’. Verzekeraars onderhouden – in tegenstelling tot de politie – geen contacten met informanten, hetgeen de reden was om in dit convenant te kiezen voor de term ‘tipgever’. Voor de definitie van ‘tipgever’ in de zin van het onderhavige convenant is niet bepalend of deze reageert op een beloningsadvertentie, maar bepalend is dat hij/zij informatie heeft over een strafbaar feit waarbij de verzekeraar een financieel belang heeft.

Artikel 2 verplichtingen van partijen

Dit artikel is het fundament van dit convenant en geeft de basis voor de inspanningsverplichting van de betrokken partijen. De uitvoering van dit convenant vraagt om alertheid, een consequente werkwijze en voorlichting in de eigen organisatie. Van de partijen wordt verwacht dat zij hieraan de juiste invulling geven. Er kan sprake zijn van conflicterende belangen en van dilemma’s, bijvoorbeeld een opsporingsbelang van het Openbaar Ministerie versus een financieel belang van een verzekeraar.

Van verzekeraars wordt verwacht dat zij accepteren dat door de CIE niet gewerkt kan worden met een bepaalde tipgever. Van het Openbaar Ministerie wordt verwacht ervoor zorg te dragen dat de CIE voldoende investeert in het opsporen en veiligstellen van gestolen goederen. In de praktijk zullen partijen nog vele varianten van tegenstellingen en dilemma’s tegenkomen, maar met de ondertekening van het convenant is de bereidverklaring om tot optimale samenwerking te komen en de wil tot integere criminaliteitsbestrijding en een efficiënte werkwijze zeker gesteld.

Artikel 3 reikwijdte

Indien de burger informatie heeft over zowel de verdachte als de door misdrijf verdwenen goederen, dan wordt de burger als tipgever aangemerkt en dan kan het tipgeld worden uitbetaald conform het Convenant.

Indien de burger alleen informatie heeft die niet leidt tot het aanhouden van de verdachte, zal deze op aangeven van de CIE door de verzekeraars als vinder worden behandeld conform artikel 5:5 van het Burgerlijk Wetboek. Terwijl de identiteit van de tipgever wordt afgeschermd, kan de vinder nooit anoniem zijn. Anders zou de vinder zijn recht ex artikel 5:5 BW niet geldend kunnen maken voor de rechter. Het Verbond van Verzekeraars zal voor de leden een advies opstellen inzake de omgang met de vinder en de rol van Bureau Justitiële Zaken in dit kader.

Het begrip goederen is, als algemeen begrip, de overkoepelende aanduiding voor zowel zaken als vermogensrechten. Het tipgeld kan derhalve óók worden betaald indien blijkt dat de verzekeringnemer zelf betrokken is bij de brandstichting en de verzekeraar daarom geen uitkering doet.

Artikel 4 afstemming tussen politie en de fraudecoördinator van de verzekeraar inzake de omgang met de tipgever

Indien een verzekeraar, bijvoorbeeld via een beloningsadvertentie, rechtstreeks in contact komt met een burger die anoniem wil blijven en informatie wil verstrekken (tipgever), dan dient de verzekeraar zo snel mogelijk nadat bekend is om welke goederen het gaat de burger via de fraudecoördinator door te verwijzen naar het hoofd van de CIE van de regio waar het misdrijf heeft plaatsgevonden of van de regio waar de burger woont. Of de goederen verzekerd zijn of niet maakt geen verschil. Indien het de verzekeraar onduidelijk is welke afdeling van politie de meest toepasselijke is om de burger naar te verwijzen, kan Bureau Justitiële Zaken worden geraadpleegd.

De fraudecoördinator is bij de verzekeraar het centrale aanspreekpunt als het gaat om tipgeldzaken. De CIE die in een tipgeldzaak de verzekeraar wil benaderen, zal contact opnemen met de fraudecoördinator van de verzekeraar. Is de naam van de verzekeraar niet bekend, dan neemt de CIE contact op met Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars.

De mogelijkheid dat de burger dubbel spel speelt en als schakel fungeert tussen dief of heler enerzijds en de benadeelde anderzijds, of zelfs de dief is, moet, vooral wanneer het om verzekerde goederen gaat, niet worden uitgesloten. Wanneer de burger daarentegen te goeder trouw is, zal hij met een zekere gevaarzetting voor eigen veiligheid informatie verstrekken die hij uit het criminele milieu heeft verkregen. Het werken met burgers vraagt dan ook een uitermate zorgvuldig optreden van de zijde van politie en verzekeraars. In geval de burger geen contact op wil nemen met de CIE, zal de verzekeraar geen tipgeldregeling treffen.

Het zogenaamde ‘runnen’ van tipgevers is een exclusieve bevoegdheid van daartoe aangewezen (politie)ambtenaren van de CIE. Onder ‘runnen’ wordt verstaan: het contact met en het begeleiden van burgers die, onder waarborging van anonimiteit, – anders dan een getuige en/of verdachte en al dan niet gevraagd –, aan een opsporingsambtenaar inlichtingen vertrekken over gepleegde of nog te plegen criminele feiten.

Verzekeraars doen dat dus niet en wel om de volgende redenen: zowel de daartoe aangewezen (politie)ambtenaren als de tipgevers kunnen aan onaanvaardbare risico’s worden blootgesteld en de succesvolle afloop van een opsporingsonderzoek kan in gevaar komen indien niet op juiste wijze met de tipgever of diens informatie is omgegaan. Alleen de aangewezen (politie)ambtenaar heeft de gevraagde deskundigheid en is op de hoogte van de vereiste procedures om deze risico’s te kunnen inschatten en hiermee zo goed mogelijk om te gaan.

Het kan voorkomen, dat niet met de burger kan worden samengewerkt. Dit oordeel zal doorgaans gebaseerd zijn op de betrouwbaarheid van de burger of diens rol in de onderhavige zaak (b.v. als getuige of als verdachte). De politie kan beschikken over informatie om een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van een burger. De betrokken verzekeraar zal de zienswijze van de politie onderschrijven (zie artikel 2 van het convenant).

Artikel 5 hoogte van tipgelden

De NCIE en het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond houden ieder afzonderlijk een register bij van uitbetaalde tipgelden door politie/Justitie respectievelijk verzekeraars. Het register stelt de verzekeraar in staat zich te vergewissen van betaalde bedragen in vergelijkbare gevallen. Verzekeraars en politie/Justitie kunnen met elkaar overleggen m.b.t. de benodigde gegevens en de criteria voor het bepalen van de hoogte van de tipgelden.

De dagwaarde of marktwaarde van de geretourneerde door misdrijf verdwenen goederen speelt onder meer een rol bij de overweging van de verzekeraar ten aanzien van de maximale hoogte van het bedrag dat hij ter beschikking zou willen stellen. Het spreekt immers vanzelf dat de verzekeraar of eigenaar niet meer zal willen uitgeven aan het terugverkrijgen van een goed dan de waarde die het op het moment van terugkeer in zijn beschikkingsmacht nog heeft.

Bij groepagegoederen bevinden zich in één vrachtwagen, container, etc. goederen van meer dan één eigenaar/verzekeraar. Als de vrachtwagen gestolen wordt is er soms het probleem dat slechts van een deel van de goederen de eigenaren/verzekeraars bekend zijn. Bovendien is vaak de waarde onbekend en is sprake van een groot scala van artikelen. Als de ‘tip’ ook leidt tot het terugvinden van andere goederen uit hetzelfde voertuig als waarvoor getipt was, dan willen tipgevers wel de vraag opwerpen of de waarde van die goederen moet meetellen voor de hoogte van het tipgeld. De bestaande beleidslijn daarop is dat de tipgever alleen tipgeld kan krijgen op de goederen waarop hij voldoende concreet tipt. De vraag hoe de verzekeraar de financiering van het aan de politie uit te betalen tipgeld regelt met de ‘meeliftende’ verzekeraars waarvan de goederen bij toeval ook zijn teruggevonden, is een zaak tussen verzekeraars.

Artikel 6 afscherming identiteit

Tipgever en verzekeraar worden door de CIE wederzijds van elkaar afgeschermd. Met deze afspraak wordt recht gedaan aan het beginsel van waarborgen van anonimiteit aan tipgevers. Het kan voorkomen dat een tipgever zich met naam en toenaam meldt bij een verzekeraar maar toch anoniem wil blijven tegenover de daders van het misdrijf waarover wordt getipt. Het is dan van groot belang de identiteit af te schermen en de personalia van de tipgever alleen te geven aan de aangewezen functionaris van de CIE van een betrokken opsporingsinstantie.

De anonimiteit van de identiteit van een tipgever is nooit absoluut te waarborgen. De rechter kan tijdens de zitting bepalen dat het belang dat de Officier van Justitie tegen openbaarmaking van de identiteit van de tipgever aanvoert niet zwaar genoeg weegt. De rechter kan dan besluiten de tipgever te (laten) horen, waarbij overigens de identiteit niet bekend hoeft te worden bij de verdachte, door bijvoorbeeld het onherkenbaar en met stemvervormer horen van de tipgever. Tevens kan de rechter bepalen dat de tipgever door de rechter-commissaris wordt verhoord waarbij de rechter-commissaris de identiteit van de tipgever wel kent maar de verdachte of zijn raadsman niet.

Artikel 7 betalingsgarantie voor tipgeld

Moment van verstrekking

Betalingsgaranties voor tipgelden kunnen uitsluitend vóóraf worden gegeven, uitbetaling vindt uitsluitend achteraf plaats. Strekking van deze bepaling is dat voorkomen moet worden dat kosten worden gemaakt zonder dat het resultaat voor verzekeraars vaststaat.

Termijn

De betalingsgarantie is beperkt geldig. Het is een mogelijke toekomstige financiële verplichting en komt als zodanig ook in de financiële administratie van het Verbond van Verzekeraars terecht. Als deze garantstelling in tijd onbeperkt zou zijn, zou een ‘stuwmeer’ ontstaan van door de jaren heen toegezegde gelden, waarvan nooit gebruik is gemaakt, terwijl de zaak ook nooit is opgelost. Dit zou tot boekhoudkundige problemen leiden. Daarom wordt de betalingsgarantie in beginsel afgegeven voor de duur van 6 maanden.

Voor motorrijtuigen geldt een specifieke betalingsgarantie-termijn van 30 dagen. Reden voor de 30 dagen termijn is dat de polis bij motorrijtuigenverzekeringen doorgaans een termijn van 30 dagen kent, waarbinnen de verzekeraar het verzekerd object mag teruggeven aan de verzekerde. De verzekeraar is na de 30e dag gehouden een schadeloosstelling te betalen, ook al wordt het motorrijtuig op of na die dag nog opgespoord. Indien het goed binnen die termijn niet kan worden opgespoord, vervalt in beginsel de garantstelling. De garantstelling kan 2 maal worden verlengd, indien de betrokken partijen dit in het kader van het onderzoek wenselijk achten. Hierbij denken we bijvoorbeeld aan de situatie dat het eind van het onderzoek nabij is op het moment dat de 30 dagen termijn verstrijkt. De termijn kan dan op verzoek van politie verlengd worden. Bij elke verlenging van de garantstelling treedt telkens een nieuwe boekhoudkundige verplichting op.

Hoe gaat de betalingsgarantie in de praktijk?

In geval de belanghebbende verzekeraar bekend is kan de CIE zowel deze verzekeraar als Bureau Justitiële Zaken benaderen voor het afgeven van een garantstelling. In geval de belanghebbende verzekeraar niet bekend is, zal de CIE zich wenden tot Bureau Justitiële Zaken. Ook zal de CIE zich wenden tot Bureau Justitiële Zaken indien te verwachten is dat er meerdere betrokken verzekeraars zullen zijn, die belang hebben bij een positieve afronding van de zaak. De financiering van het tipgeld zal dan immers naar evenredigheid van de onderscheidenlijke verzekerde belangen over betrokken verzekeraars verdeeld moet worden.

Bureau Justitiële Zaken zal de belanghebbende verzekeraar(s) trachten te achterhalen. Bureau Justitiële Zaken kan zich garant stellen voor de betaling van tipgeld tot een door de directie van het Verbond van Verzekeraars vastgesteld maximum. Bureau Justitiële Zaken is 24 uur per dag bereikbaar.

Rol Bureau Justitiële Zaken

Bureau Justitiële Zaken speelt in principe een coördinerende rol. Over het algemeen zal Bureau Justitiële Zaken zich terugtrekken indien de contacten tussen de CIE en de belanghebbende verzekeraar goed functioneren. De betalingsgarantie door Bureau Justitiële Zaken is een overeenkomst van borgtocht ex artikel 7:850 Burgerlijk Wetboek.

Deze regeling is getroffen om te vermijden dat burgers of onderzoeksbureaus achteraf tipgeld claimen, omdat dat in de haast van het opsporen, het veilig stellen of terugbezorgen van het goed vergeten is of omdat er geen tijd voor was. Ook tracht deze regeling te vermijden dat onderzoeksbureaus of andersoortige tussenpersonen de verzekeraar of de politie onder (tijds)druk zetten om tipgeld beschikbaar te stellen en uit te betalen, terwijl de burger zelf voor alle partijen anoniem blijft.

De garantstelling geschiedt zonder winstoogmerk op basis van civielrechtelijke zaakwaarneming ex artikel 6:198 en 6:199 Burgerlijk Wetboek, alléén indien en voor zover er een verzekerd belang is. In geval de garantstelling is verleend door Bureau Justitiële Zaken, moeten de goederen via Bureau Justitiële Zaken terug naar de verzekeraar. Bureau Justitiële Zaken heeft in zijn kwaliteit van borg een retentierecht op het goed (art. 7:850 e.v. BW) voor het bedrag van het aan de politie na terugkeer uitbetaalde tipgeld. Bureau Justitiële Zaken kan ook garant staan voor niet bij het Verbond aangesloten verzekeraars (bijvoorbeeld buitenlandse verzekeraars).

Artikel 8 (betaling tipgeld)

De betaling van het tipgeld geschiedt volgens de richtlijnen genoemd in de Regeling Bijzondere Opsporingsgelden.

Deze regeling betreft de voorwaarden waaronder en de procedures waarlangs opsporingsgelden in het kader van bijzondere opsporingsbevoegdheden kunnen worden ingezet.

De door de verzekeraar toegezegde bedragen voor tipgeld worden pas aan de politie uitbetaald als het door misdrijf verdwenen goed in de beschikkingsmacht van de verzekeraar is. Het is voor alle partijen van belang dat het door misdrijf verdwenen goed zo snel als mogelijk in de beschikkingsmacht van de verzekeraar is.

Artikel 9 (beloningsadvertenties)

Beloningsadvertenties dienen overeen te stemmen met de doelstellingen van dit convenant. Daarom is afgesproken dat verzekeraars uitsluitend beloningsadvertenties (laten) plaatsen die de in bijlage 3 neergelegde tekst volgen. Beloningen worden door verzekeraars alleen uitgeloofd indien daarmee ook het ophelderen van één of meer misdrijven wordt beoogd. Beloningsadvertenties zijn niet bedoeld om vindersloon ex artikel 5:5 e.v. van het Burgerlijk Wetboek uit te loven, maar om informatie te verkrijgen over goederen én verdachten. De tekst van de beloningsadvertentie vermijdt altijd het noemen van concrete bedragen of daartoe eenvoudig herleidbare informatie. Het Openbaar Ministerie is niet gehouden uitsluitend deze voorschriften te volgen.

Het noemen van concrete bedragen of daartoe herleidbare informatie kan in de praktijk tipgevers lokken en op korte termijn voor snellere informatie zorgen, zodat de door misdrijf verdwenen goederen eerder terug zijn in de beschikkingsmacht van de rechthebbende verzekeraar. Toch is het noemen van concrete bedragen door verzekeraars in de beloningsadvertentie niet toegestaan. Dit zou namelijk kunnen leiden tot ‘tariefvorming’ voor bepaalde categorieën goederen op grond van de waarde van het verzekerd belang. De waarde van de informatie en de toegevoegde waarde van de burger in het concrete geval zijn echter veel meer van invloed op de hoogte van het tipgeld. Aangezien deze waarde pas duidelijk is op het moment dat de burger zijn verhaal heeft gedaan, kan een beloningsadvertentie nooit bedragen bevatten. Het wekken van zulke financiële verwachtingen kan bovendien aanleiding zijn voor burgers om zèlf strafbare feiten met betrekking tot de goederen te plegen. Ook kan het leiden tot ongewenste claims van burgers. Te allen tijde moeten de advertentieteksten onderhandeling mogelijk maken over de hoogte van het tipgeld. Ook het noemen van percentages van de waarde van de verzekerde goederen is onverstandig, omdat burgers dan vaak in de praktijk voor gedeelten van de ontvreemde partij goederen geld willen incasseren.

Bij de omschrijving van de goederen moet er ook voor worden gewaakt dat die niet van dien aard is dat feitelijk iedereen zich als tipgever kan uitgeven. Als alle details over de door misdrijf verdwenen goederen al worden weggegeven, is aan de hand van de telefonische informatie van de tipgever niet meer te bepalen of zijn informatie waarde heeft en of hij geloofwaardig is.

Artikel 10 Platform Tipgelden

Tussen de partijen die bij dit convenant betrokken zijn kan sprake zijn van verschillen van inzicht en zelfs van tegenstrijdige belangen. Het is van belang dat de partijen met enige regelmaat met elkaar in gesprek blijven over dit onderwerp, zodat zij alert blijven op de aandachtspunten die zich in de praktijk kunnen voordoen. Hiervoor wordt het Platform Tipgelden ingesteld, dat minimaal tweemaal per jaar zal vergaderen. De leden van het platform vertegenwoordigen de bij de uitvoering van dit convenant betrokken partijen.

Artikel 11 evaluatie

De evaluatie van de werking van het convenant om de drie jaar is van belang gelet op de ontwikkeling van de regelgeving en de aandachtspunten die zich in de praktijk kunnen voordoen.

Artikel 12 publicatie

De integrale tekst van deze regeling wordt door het Ministerie van Justitie gepubliceerd in de Staatscourant, door het Openbaar Ministerie in het Handboek Opsporing en door het Verbond van Verzekeraars in een ledencirculaire.

Artikel 13 inwerkingtreding

Bij inwerkingtreding van dit convenant komen de circulaires van het Verbond LV 89/30, LV 91/21; MOT-L-96/46 en TRA-L-96/25 te vervallen.

Bijlage 1: Achtergrondinformatie

Bureau Justitiële Zaken

Het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars is 24 uur per dag bereikbaar via de piketfunctionaris. Tijdens kantooruren 070 – 333 87 12/070 – 333 87 13 en buiten kantooruren: 06 – 65 19 15 21.

Fraudeprotocol Verbond van Verzekeraars

Op te vragen bij Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars. Tijdens kantooruren 070 – 333 87 11 of 070 – 333 87 12.

Regeling Bijzondere Opsporingsgelden

Gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 16 maart 2002, nummer 54. Voor de toepassing van dit convenant geldt de vigerende regeling.

Platform Tipgelden

Het secretariaat van het Platform Tipgelden is bereikbaar via het Verbond van Verzekeraars:

Postbus 93450

2509 AL Den Haag

Telefoon: 070 – 333 86 73

Bijlage 2: Meldingsformulier tipgeldregister

stcrt-2006-39-p11-SC73899-20.gif

Bijlage 3: Adviestekst voor beloningsadvertentie voor verzekeraars

Beloning

Voor aanwijzingen die leiden tot de opheldering van een misdrijf

gepleegd op/omstreeks d.d. ..-..-.… en tot terugverkrijging van ..........… [omschrijving van de zaken]

alles ontvreemd te .....................….

of

waarbij in [omschrijving van het object] brand is ontstaan

Contactpersoon: …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

N.b.:

1. De omschrijving van de zaken moet zodanig zijn dat uitsluitend personen met specifieke informatie reageren.

2. In de beloningsadvertentie kan worden opgenomen dat het aanbod van de beloning tot een bepaalde datum geldig is.

Bijlage 4 Stroomdiagram

stcrt-2006-39-p11-SC73899-21.gif
Naar boven