Wijziging Vreemdelingencirculaire 2000 (2006/10)

Besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 14 februari 2006, nummer 2006/10, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000 (Staatsblad 2000, 495), het Vreemdelingenbesluit 2000 (Staatsblad 2000, 497) en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Staatscourant 2001, nr. 10);

Besluit:

Artikel I

Hoofdstuk C8/Irak Vreemdelingencirculaire 2000 komt als volgt te luiden:

Het asielbeleid ten aanzien van Irak

1. Datum

Deze versie van dit hoofdstuk is vastgesteld op 14 februari 2006.

2. Achtergrond

Op 15 december 2005 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een ambtsbericht uitgebracht over de situatie in Irak. Dit ambtsbericht is vrijgegeven op 20 januari 2006.

Naar aanleiding hiervan is besloten tot een beleidswijziging ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Irak.

Dit hoofdstuk bevat de uitvoeringsconsequenties van het vastgestelde beleid.

3. Overgangsbeleid

Het beleid zoals weergegeven in het gelijknamige hoofdstuk van 13 juli 2004 komt te vervallen met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze versie van het hoofdstuk.

4. Algemene situatie in Irak

Blijkens de inhoud van het ambtsbericht is er sprake van een aanhoudend zorgwekkende veiligheidssituatie in grote delen van Centraal-Irak. Er kan worden gesteld dat het geweld in toenemende mate langs etnische, of religieuze lijnen loopt. Er zijn tientallen gewapende milities actief. Verder zijn er enige terroristische groeperingen aanwezig. In het huidige klimaat van wetteloosheid komt ook veel misdaad voor. De VN heeft de veiligheidssituatie als instabiel betiteld en benadrukt dat vooral willekeurige burgers het slachtoffer zijn van het geweld. De Iraakse veiligheidstroepen en de buitenlandse troepen zijn onvoldoende in staat de burgers bescherming te bieden. Mensenrechtenschendingen komen voor.

Vanwege de slechte veiligheidssituatie hebben veel hulporganisaties hun activiteiten in Irak gestaakt. De UNHCR heeft een beroep op de staten gedaan geen uitgeprocedeerde asielzoekers van Iraakse nationaliteit uit te zetten.

In Noord-Irak is het daarentegen nog steeds relatief veilig, de algehele situatie is er stabiel.

Daarnaast is gebleken dat België, Den⁠emarken, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland geen speciaal beleid voeren ten aanzien van Irak. Alle asielaanvragen worden er op individuele merites beoordeeld. Verder is bekend dat Duitsland evenmin een speciaal beleid voert ten aanzien van Iraakse asielzoekers. Dit land is aangevangen met het heroverwegen van alle statussen verleend aan Iraakse asielzoekers; de effecten van de intrekkingen van statussen naar aanleiding van deze heroverweging zijn nu merkbaar. Voorts vindt gedwongen terugkeer plaats vanuit het Verenigd Koninkrijk. Vanuit de andere landen wordt vrijwillige terugkeer naar Irak waargenomen.

Gezien het bijzondere belang dat wordt gehecht aan het afstemmen van het Nederlandse beleid met het beleid in andere Europese landen, is, het geheel overziend, besloten het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak te beëindigen.

5. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen

5.1 Intellectuelen en journalisten die zich onafhankelijk opstellen en kritiek uitoefenen

Er bestaat officieel weliswaar persvrijheid, doch de Iraakse pers past uit zelfbehoud zelfcensuur toe. Hoewel de situatie omtrent persvrijheid sinds april 2003 is verbeterd, vindt naar verluidt intimidatie van journalisten en media nog plaats. Volgens verschillende berichten zouden journalisten ook deze verslagperiode zijn lastig gevallen en soms gearresteerd door de Iraakse politie.

Diverse Iraakse en buitenlandse journalisten zijn tijdens de verslagperiode om het leven gekomen ten gevolge van geweld. Het gevaar van ontvoering is nog aanwezig. Bij de indertijd door de coalitie ingestelde media zijn veel journalisten weggegaan, onder meer vanwege het risico geassocieerd te worden met de VS. Voor journalisten kan het riskant zijn kritiek te uiten op militante extremistische groeperingen. Aanslagen, vergeldingsacties en bedreigingen hebben plaatsgevonden.

In de Kurdistan Regional Government (KRG)-gebieden is waargenomen dat herhaaldelijke, persoonlijke kritiek op het centrale leiderschap van de Koerdistaanse Democratische Partij (KDP) en Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) niet wordt getolereerd. Het is voorgekomen dat journalisten door de autoriteiten worden gesommeerd uitleg te geven over kritische berichtgeving over bewindslieden.

Intellectuelen en journalisten die de grenzen aan de persvrijheid die in de praktijk nog bestaan hebben overschreden en aannemelijk maken dat zij om die reden te vrezen hebben, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning. Enkel een onafhankelijke houding innemen is daarvoor onvoldoende aangezien er wel enige ruimte voor kritiek blijkt te bestaan.

5.2 Personen die vervolging vrezen van het ‘oude’ regime

De val van het regime onder Saddam Hoessein heeft geleid tot een geheel nieuwe machtsstructuur en machtsverdeling. Personen die Irak hebben verlaten omdat zij vervolging vreesden van de zijde van het ‘oude’ regime zullen op grond van de regimewijziging dan ook niet langer bescherming behoeven tegen dit regime. Wanneer de aangedragen problemen beperkt zijn tot vrees voor het ‘oude’ regime zullen deze personen dan ook niet op grond daarvan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vreemdelingenwet.

5.3 Personen die stellen te vrezen voor eerwraak

Eerwraak komt in heel Irak voor. Met eerwraak beoogt de dader de eer van de familie te herstellen door het ongewenste gedrag van een vrouwelijk en in uitzonderlijke gevallen eveneens een mannelijk familielid te bestraffen. Eerwraak kan bestaan uit het lijfelijk straffen, maar in sommige gevallen komt doden voor. Met name in het geval van vrouwen kan het voorkomen dat het niet mogelijk is bescherming in te roepen dan wel anderszins zich aan de dreigende eerwraak te onttrekken. Wel mag worden verwacht dat aannemelijk kan worden gemaakt waarom bescherming in het individuele geval niet (effectief) kan worden geboden. Personen die aannemelijk hebben gemaakt gegronde vrees te hebben voor eerwraak en die geen afdoende bescherming kunnen inroepen, komen, behoudens contra-indicaties, in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet.

5.4 Personen die stellen te vrezen voor intertribale problemen

Personen die stellen te vrezen voor bloedwraak of vergelijkbare intertribale problemen van een andere familie, clan of stam, worden geacht bescherming te kunnen krijgen binnen de eigen familie, clan of stam. Daarnaast kunnen de autoriteiten in sommige gevallen tevens bescherming bieden en bemiddelen bij het conflict. Indien betrokkene aannemelijk heeft gemaakt desondanks geen bescherming te kunnen krijgen, kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet een verblijfsvergunning asiel worden verleend.

5.5 Personen die zichtbaar samenwerken met de regering en /of de MNF

Er vinden veel aanslagen plaats gericht tegen Irakezen die zichtbaar samenwerken met de regering en /of de Multi National Force (MNF). Hierbij valt onder meer te denken aan Iraakse politieke figuren, ambtenaren, personeel van het veiligheidsapparaat (vooral politie en leger), tolken of Irakezen die op andere wijze voor de regering, internationale organisaties en bedrijven in Irak werken alsook Iraakse journalisten en personen die voor hen werken.

Indien betrokkene aannemelijk heeft gemaakt vanwege werkzaamheden voor de regering en /of de MNF een gegronde vrees voor vervolging dan wel onmenselijke behandeling te hebben, waartegen geen bescherming kan worden geboden, kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vreemdelingenwet een verblijfsvergunning asiel worden verleend. Het enkel hebben verricht van werkzaamheden voor de regering en /of de MNF is onvoldoende om reeds tot de conclusie te leiden dat sprake is van voldoende zwaarwegende problemen.

5.6 Schenders van mensenrechten

Bijzondere aandacht dient geschonken te worden aan personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Hierbij moet in eerste instantie gedacht worden aan leden van de voormalige Iraakse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, hooggeplaatste personen in het voormalige Iraakse militaire apparaat, waaronder de gewone strijdkrachten, de Republikeinse Garde, de Fedayeen Saddam en de zogenoemde ‘Jash’ (Koerdische milities, destijds gelieerd aan Saddam Hoessein; ook wel National Defence Batallions/Lichte Brigade/Fursan) alsmede de Koerdische veiligheidsdiensten en het militaire apparaat, de Asayish (het Algemene Veiligheidsdirectoraat), de KDP- en PUK veiligheidsdiensten Rekkhistini Taybeti, respectievelijk Dezgay Zanyari. Tevens dient aandacht te worden besteed aan personen die gewerkt hebben in of voor de militaire industrie ten tijde van het voormalige regime en daarbij (in)direct betrokken zijn geweest bij mensenrechtenschendingen (in het bijzonder indien zij in verband kunnen worden gebracht met de productie of het gebruik van nucleaire, biologische of chemische wapens). Daarnaast kan ook gedacht worden aan militairen (peshmerga’s), voormalige Baath-functionarissen en hogere Baath-leden, leden van verboden Iraanse bewegingen (Mujahedin-Khalq, de Komala en de KDP-i), personen die in het kader van de sjiitische opstand van 1991 mensenrechtenschendingen hebben gepleegd, lijfwachten en politiefunctionarissen, indien in het dossier aanknopingspunten te vinden zijn (verantwoordelijkheid) voor misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

Bij het horen van personen die bovengenoemde functies of posities hebben bekleed, dient doorgevraagd te worden over de functie, de activiteiten en mogelijke betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen.

Indien er aanwijzingen zijn dat artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is, dient conform C3/10.14 contact te worden opgenomen met de unit 1F te Schiphol.

6 Bijzondere aandachtspunten

In deze paragraaf wordt ingegaan op meer algemene omstandigheden die van belang (kunnen) zijn bij de beoordeling of de asielzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.

6.1 Categoriale bescherming

Het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van de personen afkomstig uit Centraal-Irak is beëindigd. De beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid geldt tevens voor personen die in het betreffende beleid gelijk waren gesteld met personen afkomstig uit Centraal-Irak, te weten personen geboren buiten Irak met de Iraakse nationaliteit.

Met betrekking tot vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vreemdelingenwet, zal een herbeoordeling van de verleende verblijfsvergunning plaatsvinden. Indien deze herbeoordeling niet tot gevolg heeft dat wordt geoordeeld dat de vreemdeling op basis van één van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, Vreemdelingenwet verblijf toekomt, zal de verblijfsvergunning worden ingetrokken, dan wel de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden afgewezen. Dit geldt overeenkomstig voor de houders van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vreemdelingenwet en waarbij de verblijfsvergunning van de hoofdpersoon op grond van het bovenstaande wordt ingetrokken.

Verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd zal op normale wijze plaatsvinden indien de geldigheid van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde is verlopen voorafgaand aan de beëindiging van het beleid van categoriale bescherming, voor zover de vreemdeling ook aan de overige vereisten voor verlening voldoet.

6.2 Besluitmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Irak geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vreemdelingenwet.

6.3 Veilig land van herkomst

Irak wordt niet beschouwd als een veilig land van herkomst.

6.4 Veilig derde land / land van eerder verblijf

Irak wordt niet beschouwd als een veilig derde land.

6.5 Vlucht- en/of vestigingsalternatief

Gezien de algehele situatie in Irak wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen aan personen die in Irak een gegronde vrees voor vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 EVRM hebben.

6.6 Traumatabeleid

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C1/4.4 is van toepassing.

6.7 Alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Ten aanzien van alleenstaande minderjarige vreemdelingen uit Irak kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.

6.8 Driejarenbeleid

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/9, is van toepassing.

6.9 Iraakse Fayli-Koerden en Irakezen van Iraanse afkomst

De nieuwe concept-nationaliteitswet bevat voorwaarden om de nationaliteitsrechten van Fayli-Koerden te laten herleven. Ook is in de Transitional Administrative Law (TAL) en in de grondwet een aantal aspecten van de nationaliteitswetgeving opgenomen. De concept-nationaliteitswet is nog niet geheel voltooid. Het is in de praktijk voor Fayli-Koerden nog niet mogelijk om via de centrale overheid in Bagdad het Iraakse staatsburgerschap terug te krijgen. De decreten van de Revolutionaire Commandoraad (onder meer decreet 666 van 1980), die de ontneming van het Iraakse staatsburgerschap betroffen, zijn komen te vervallen.

In het KRG/PUK-gebied geldt naar verluidt een speciale regeling voor de terugkeer van Fayli-Koerden. Hier is een commissie ingesteld bestaande uit twee Fayli-Koerden, waaronder de PUK-minister van Samenwerking en Internationale Relaties, die bevoegd is een echtheidscertificaat te ondertekenen. Volgens deze minister kan de aanvrager op basis van dit certificaat zijn Iraakse burgerschap terugvorderen. Deze procedure geldt alleen voor Fayli-Koerden in dit gebied.

Hoewel de implementatie met betrekking tot het laten herleven van de nationaliteitsrechten van Fayli-Koerden (in Centraal-Irak) nog niet is afgerond, geven bovenstaande ontwikkelingen aanleiding om Fayli-Koerden aan wie onder het regime van Saddam Hoessein de Iraakse nationaliteit is ontnomen, niet langer als staatloos te beschouwen in het kader van de asielbeoordeling. Op basis van de Iraakse regelgeving kan worden aangenomen dat zij de iure de Iraakse nationaliteit hebben. Daarbij is de omstandigheid dat het verkrijgen van de de facto nationaliteit nog niet in alle gevallen mogelijk is, geen grond om voor de beoordeling van de aanvraag niet van de Iraakse nationaliteit uit te gaan. De asielaanvragen van deze personen zullen dan ook op gebruikelijke wijze getoetst worden naar aanleiding van het beleid zoals in dit hoofdstuk neergelegd, waarbij wordt aangenomen dat zij de iure de Iraakse nationaliteit hebben.

7 Procedurele aspecten

Het gestelde in C3/10 tot en met C3/16 is van toepassing. Het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de gestelde feiten dient te worden opgestart bij het Gemeenschappelijk Centrum Kennis, Advies en Ontwikkeling van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Dit is ook van toepassing indien het onderzoek wordt verricht door derden, zoals het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Een uitzondering hierop vormt het leeftijdsonderzoek in het kader van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Zie C5/24.

8 Terugkeer en uitzetting

8.1 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Irak geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vreemdelingenwet.

8.2 Terug- en overnameovereenkomsten

Met Irak is geen overeenkomst gesloten met betrekking tot de terugname van eigen onderdanen.

8.3 Praktische aspecten terugkeer

Naar Irak is terugkeer praktisch mogelijk.

Artikel II

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst en treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het is geplaatst.

Den Haag, 14 februari 2006.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
namens deze,
de directeur-generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken, R.K. Visser.

Toelichting bij Wijziging 2006/10

Algemeen

Op 15 december 2005 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een ambtsbericht uitgebracht over de situatie in Irak. Dit ambtsbericht is vrijgegeven op 20 januari 2006.

Blijkens de inhoud van het ambtsbericht is er sprake van een aanhoudend zorgwekkende veiligheidssituatie in grote delen van Centraal-Irak. Er kan worden gesteld dat het geweld in toenemende mate langs etnische of religieuze lijnen loopt. Er zijn tientallen gewapende milities actief. Verder zijn er enige terroristische groeperingen aanwezig. In het huidige klimaat van wetteloosheid komt ook veel misdaad voor. De VN heeft de veiligheidssituatie als instabiel betiteld en benadrukt dat vooral willekeurige burgers het slachtoffer zijn van het geweld. De Iraakse veiligheidstroepen en de buitenlandse troepen zijn onvoldoende in staat de burgers bescherming te bieden. Mensenrechtenschendingen komen voor.

Vanwege de slechte veiligheidssituatie hebben veel hulporganisaties hun activiteiten in Irak gestaakt. De UNHCR heeft een beroep op de staten gedaan geen uitgeprocedeerde asielzoekers van Iraakse nationaliteit uit zetten.

In Noord-Irak is het daarentegen nog steeds relatief veilig, de algehele situatie is er stabiel.

Daarnaast is gebleken dat België, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland geen speciaal beleid voeren ten aanzien van Irak. Alle asielaanvragen worden er op individuele merites beoordeeld. Verder is bekend dat Duitsland evenmin een speciaal beleid voert ten aanzien van Iraakse asielzoekers. Dit land is aangevangen met het heroverwegen van alle statussen verleend aan Iraakse asielzoekers; de effecten van de intrekkingen van statussen naar aanleiding van deze heroverweging zijn nu merkbaar. Voorts vindt gedwongen terugkeer plaats vanuit het Verenigd Koninkrijk. Vanuit de andere landen wordt vrijwillige terugkeer naar Irak waargenomen.

Gezien het bijzondere belang dat wordt gehecht aan het afstemmen van het Nederlandse beleid met het beleid in andere Europese landen, is, het geheel overziend, besloten het categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irak te beëindigen.

In dit wijzigingsbesluit zijn de uitvoeringsconsequenties van dat besluit neergelegd.

Voorts is in dit wijzigingsbesluit neergelegd dat Fayli-Koerden aan wie onder het regime van Saddam Hoessein de Iraakse nationaliteit is ontnomen, op basis van de huidige ontwikkelingen in Irak, wederom worden beschouwd de iure in het bezit te zijn van de Iraakse nationaliteit.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

namens deze,

de directeur-generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken,

R.K. Visser

Naar boven