Wijziging Tijdelijke stimuleringsregeling buurt, onderwijs en sport

Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 januari 2006, nr. DMO-2651136, houdende wijziging van de Tijdelijke stimuleringsregeling buurt, onderwijs en sport ter verruiming van de mogelijkheden een uitkering te verstrekken en ter afstemming met GSBIII

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 10 van de Welzijnswet 1994 en artikel 3 van de Kaderwet volksgezondheidssubsidies;

Besluit:

Artikel I

De Tijdelijke stimuleringsregeling buurt, onderwijs en sport1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervalt.

2. Het tweede lid vervalt.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. na ‘De minister kan’ wordt ingevoegd: in de periode tot en met 2011;

b. ‘in het jaar 2005, 2006 of 2007’ wordt vervangen door: in de jaren 2005 tot en met 2009;

c. ‘eenzelfde BOS-project’ wordt vervangen door: de bestrijding van dezelfde achterstanden bij dezelfde jeugdigen.

2. Het derde lid vervalt.

3. Het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid.

C

Artikel 3a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. In het eerste lid wordt na ‘in 2006’ ingevoegd: en waarvoor in 2005 een uitkering wordt verleend.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Het beschikbare budget voor het verstrekken van meerjarige uitkeringen ten behoeve van de uitvoering van BOS-projecten die aanvangen na 31 juli 2006 en waarvoor in 2006 een uitkering wordt verleend, bedraagt € 47 000 000.

D

Artikel 4, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘buurt-, onderwijs- en sportorganisaties’ vervangen door: buurt-, onderwijs-, sport- en naschoolse opvangorganisaties.

2. Onder verlettering van de onderdelen b tot en met j tot c tot en met k wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

b. de mate waarin de uitvoering van de activiteiten in het kader van het BOS-project wat betreft tijdstip en locatie aansluiten op de activiteiten en voorzieningen van buurt-, onderwijs-, sport- en naschoolse opvangorganisaties;.

E

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

2. Een aanvraag voor een uitkering voor een BOS-project dat aanvangt in 2006 en waarvoor in 2005 een uitkering wordt verleend, wordt uiterlijk 1 april 2005 bij de minister ingediend.

2. Onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot vierde tot en met zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

3. Een aanvraag voor een uitkering voor een BOS-project dat aanvangt na 31 juli 2006 en waarvoor in 2006 een uitkering wordt verleend, wordt uiterlijk 1 april 2006 bij de minister ingediend.

F

In artikel 6, eerste lid, wordt na ‘bedraagt’ ingevoegd: maximaal.

G

In artikel 7 wordt ‘jaar’ vervangen door: kalenderjaar.

H

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. In het eerste lid wordt ‘projectjaar’ telkens vervangen door: kalenderjaar.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

2. In afwijking van het eerste lid wordt het verslag over 2005 uiterlijk 1 juni 2006 ingediend.

3. De minister kan een formulier vaststellen voor het verslag.

I

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Aan het eerste lid wordt toegevoegd: Dit verslag geeft inzicht in het verloop van het project en de behaalde resultaten.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. De minister kan een formulier vaststellen voor het verslag.

J

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikel 10’ vervangen door: artikel 10, eerste lid.

2. Het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervallen.

K

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede ‘artikel 10’ wordt vervangen door: artikel 10, eerste lid.

2. De zinsnede ‘artikel 11, eerste lid’ wordt vervangen door: artikel 11.

L

In bijlage 2 wordt ‘artikel 2, vijfde lid’ vervangen door: artikel 2, vierde lid.

M

Bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede ‘artikel 2, vijfde lid’ worden vervangen door: artikel 2, vierde lid.

2. Onderdeel A komt te luiden:

A. Totaal begroting van het project (in EUR)

De totale begroting van het project dient te worden aangeleverd op de volgende wijze. Allereerst worden de totale kosten van het BOS-project en de totale bijdrage van VWS aan het BOS-project inzichtelijk gemaakt. Daarna worden per kalenderjaar waarin het BOS-project wordt uitgevoerd de kosten in een tabel als volgt gespecificeerd:

– kosten activiteit(en),

– personeelskosten,

– organisatiekosten,

– investeringskosten in accommodatie,

– investeringskosten in materiaal,

– overige kosten,

– totale kosten.

Vervolgens wordt per kalenderjaar aangegeven wat de bijdragen in de totale kosten vanuit de gemeente en vanuit VWS zijn. Overeenkomstig de toelichting bij de regeling komen alleen directe kosten die samenhangen met activiteiten die een bijdrage leveren aan het verminderen van de door de gemeente vastgestelde achterstanden voor een uitkering in aanmerking.

N

In bijlage 3 wordt ‘artikel 11, eerste lid’ vervangen door: artikel 11.

O

Bijlage 4 vervalt.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, C.I.J.M. Ross-van Dorp.

Toelichting

Op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling buurt, onderwijs en sport kan aan gemeenten een uitkering verstrekt worden ter bestrijding van achterstanden. Daartoe is voorzien in drie aanvraagronden. Mede in het licht van het belang dat in de Tweede Kamer blijkens de behandeling van de begroting voor het jaar 2006 wordt gehecht aan het bevorderen van sporten door jeugdigen, is naar aanleiding van de ervaringen met de eerste twee aanvraagronden besloten de regeling aan te passen. Met de Kamer ben ik van oordeel dat sport een belangrijk onderdeel van de opvoeding is. Daarom is het van belang om sportactiviteiten tijdens school en bij naschoolse activiteiten te bevorderen. Dat kan door op lokaal niveau samenwerking te stimuleren van sportverenigingen met scholen en organisaties voor naschoolse opvang. Die samenwerking moet ertoe leiden dat het aanbod van die organisaties qua tijd en plaats goed op elkaar afgestemd worden. Dat wordt nu nadrukkelijk tot uitdrukking gebracht in de Tijdelijke stimuleringsregeling buurt, onderwijs en sport die gemeenten in staat stelt om dergelijke arrangementen te ontwikkelen.

Teneinde de belangstelling van gemeenten ten opzichte de eerste twee aanvraagronden te vergroten, worden met de onderhavige wijziging de mogelijkheden om gebruik te maken van de regeling verruimd:

– het aantal projecten per gemeente is niet meer gemaximeerd;

– binnen één projectgebied kunnen meerdere projecten uitgevoerd worden, mits deze zich richten op andere jeugdigen of op een andere achterstand;

– projecten waarvoor nu nog middelen beschikbaar zijn, kunnen gedurende een langere periode starten, namelijk al vanaf 1 augustus 2006 in plaats van 1 januari 2007 en uiterlijk 31 december 2009 in plaats van 31 december 2007. De projecten blijven een looptijd behouden van minimaal twee en maximaal vier jaren, met dien verstande dat uiterlijk tot en met 31 december 2011 projecten kunnen worden uitgevoerd.

Voor de derde, en laatste, aanvraagronde is in totaal € 47 mln. beschikbaar. Per project bedraagt de uitkering ten hoogste 50% van de kosten. De aanvragen moeten vóór 1 april 2006 worden ingediend. Voor gehonoreerde projecten wordt bij de verlening aangegeven welk bedrag per kalenderjaar als voorschot wordt betaald. In verband daarmee dient bij de aanvraag de begroting naar kalenderjaren te worden uitgesplitst in plaats van naar projectjaren.

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van de regeling voor gemeenten en rijk, is ook de periodieke verslaglegging over de projecten nu gekoppeld aan kalenderjaren in plaats van projectjaren en kan voor het verslag een formulier worden vastgesteld. Bij wijze van overgangsmaatregel krijgen gemeenten die in 2005 al projecten uitvoeren iets meer tijd voor het indienen van het verslag over 2005.

Met het oog op de uniformiteit en de continuïteit van door gemeenten te verstrekken informatie, zijn de bepalingen over de periodieke verslaglegging en het eindverslag voor het overige gelijkluidend gemaakt. Op die manier is bijvoorbeeld boven elke twijfel verheven dat ook het eindverslag inzicht dient te verschaffen in de behaalde resultaten. Voor dat inzicht zijn de uitkomsten van de in artikel 3 bedoelde (tussentijdse) evaluaties overigens onmisbaar.

Tot slot is voor de gemeenten die tot de G-30 behoren de samenloop met de verantwoording in het kader van het grotestedenbeleid komen te vervallen, aangezien de rijksbijdrage op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling buurt, onderwijs en sport geen onderdeel uitmaakt van dat grotestedenbeleid.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

C.I.J.M. Ross-van Dorp

  • 1

    Stcrt. 2004, 193; gewijzigd bij ministeriële regeling van 6 april 2005 (Stcrt. 71).

Naar boven