Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2006, 252 pagina 23Besluiten van algemene strekking

Wijziging Arbeidsomstandighedenregeling

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 december 2006, nr. ARBO/A&V/2006/99971, tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling (vergroting verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het arbeidsomstandighedenbeleid en beperking en vereenvoudiging van de regelgeving)

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op Richtlijn nr. 2006/15/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschap van 7 februari 2006 tot vaststelling van een tweede lijst van indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling ter uitvoering van Richtlijn 98/24/EG en tot wijziging van de Richtlijnen 91/322/EEG en 2000/39/EG (PbEG L 38);

Gelet op de artikelen 16, 20, eerste lid, 30, eerste lid, en 34, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, artikel 3:2, derde lid, van de Arbeidstijdenwet, artikel 15 van de Brandweerwet 1985, artikel 3, eerste lid, Kaderwet SZW-subsidies, artikelen 5.1, 5.2, 5.2a, 5.3, 5.4 en 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer, artikel 71a, zevende lid, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 17, eerste lid, aanhef en onder ten tweede, van de Wet op de economische delicten, artikel 142, eerste lid onder b en c, en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, het Besluit Buitengewoon opsporingsambtenaar, artikelen 8, zevende lid, en 9 van de Politiewet, artikelen 11, 15c en 17 van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 28, zesde lid, Ziektewet, de artikelen 1.5b, eerste lid, 1.5e, eerste en derde lid, 2.1, 2.9, tweede lid, jo 2.14a, vierde lid, 2.42f, vierde lid, 3.5h, derde en zesde lid, 3.37v, 4.3, eerste lid, 4.9, vierde lid, 4.10b, vierde en vijfde lid, 4.16, eerste lid, 4.62b, 5.12, en 9.20 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, artikel 93 van het Algemeen militair ambtenarenreglement, artikel 58a Algemeen Rijksambtenarenreglement, artikel 15, vijfde lid, Besluit beheer regionale politiekorpsen, artikelen 20, vierde lid, en 84, tweede lid, van het Besluit Stralingsbescherming, artikelen 4.2, derde lid, en 4.13, eerste lid, van het Besluit SUWI, artikel 3, derde lid, van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken, artikel 6, tweede lid, Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, artikelen 74 en 168 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van het Inkomstenbesluit militairen, artikelen 3, eerste lid, onderdeel k, en 10 van Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directoraat-generaal Arbeidsomstandigheden en Sociale Verzekeringen 2004 en de artikelen 8, derde lid, onderdeel a en 22, eerste lid, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2004;

Besluit:

Artikel I

De Arbeidsomstandighedenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1a, onderdeel a, komt te luiden:

a. de door de instelling afgegeven, ingetrokken, geschorste dan wel geweigerde certificaten;.

B

Het opschrift van paragraaf 1.4 komt te luiden:

Paragraaf 1.4 Melding beroepsziekten

C

Artikel 1.10 vervalt.

D

Paragraaf 1.5 vervalt.

E

In artikel 2.0 wordt ‘bijlage IA’ vervangen door: bijlage I.

F

In artikel 2.0c wordt ‘bijlage IB’ vervangen door: bijlage II.

G

Artikel 2.5 vervalt.

H

Artikel 2.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de artikelen 2.1 tot en met 2.6 en 2.12, eerste lid’ vervangen door: de artikelen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.12, eerste lid.

2. In het tweede lid wordt ‘de artikelen 2.1 tot en met 2.6 en 2.13, eerste lid’ vervangen door: de artikelen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.13, eerste lid.

I

In de artikelen 2.12, eerste lid, onderdeel a, en 2.13, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘artikel 2.7, eerste lid’ telkens vervangen door: artikel 2.7, eerste en tweede lid.

J

Artikel 2.14 vervalt.

K

In artikel 3.1 wordt ‘artikel 2.26, eerste lid’ vervangen door: artikel 2.27, eerste lid.

L

Artikel 3.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt ‘bijlage IIIA’ vervangen door: bijlage IV.

2. In onderdeel c wordt ‘bijlage IIIB’ vervangen door: bijlage V.

3. In de onderdelen f en i wordt ‘bijlage IIIC’ telkens vervangen door ‘bijlage VI’ en wordt ‘bijlage IIID’ telkens vervangen door ‘bijlage VII’.

M

Artikel 3.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste, tweede, derde en vijfde lid wordt ‘ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet’ telkens vervangen door: toezichthouder.

2. Het vierde lid vervalt.

3. Het vijfde lid wordt vernummerd tot vierde lid.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. De informatie, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel c, wordt op verzoek van een daartoe aangewezen toezichthouder in tweevoud aan hem toegezonden.

N

Artikel 3.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Het veiligheids- en gezondheidsdocument voor de bijzondere werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdelen a en b, wordt vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden in tweevoud toegezonden aan een daartoe aangewezen toezichthouder.

2. Het derde lid vervalt.

O

In artikel 3.13, derde lid, wordt ‘ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet’ vervangen door: toezichthouder.

P

In artikel 3.14, eerste lid, wordt ‘bijlage IIIE’ vervangen door: bijlage VIII.

Q

Het opschrift van hoofdstuk 4 komt te luiden:

Hoofdstuk 4 Veiligheid tankschepen en gevaarlijke stoffen

R

Artikel 4.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel s komt te luiden:

s. gasdeskundige: een deskundig persoon als bedoeld in artikel 3.5h, derde lid, van het besluit die voldoet aan artikel 4.14;.

2. In onderdeel t wordt ‘als bedoeld in artikel 4.7, derde lid, van het besluit’ vervangen door ‘als bedoeld in artikel 3.5h, derde lid, van het besluit’ en wordt ‘bijlage IVA’ vervangen door ‘bijlage IX’.

S

In artikel 4.2 wordt ‘artikel 4.7, eerste lid, van het besluit’ vervangen door: artikel 3.5h, eerste lid, van het besluit.

T

In artikel 4.3 wordt ‘bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, van het besluit’ vervangen door: bedoeld in artikel 3.5h, eerste lid, van het besluit.

U

In artikel 4.13 wordt ‘de in artikel 24, eerste lid, van de wet daartoe aangewezen ambtenaar’ vervangen door ‘de daartoe aangewezen toezichthouder’ en wordt ‘bijlage IVB’ vervangen door ‘bijlage X’.

V

Artikel 4.14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Er wordt een opschrift ingevoegd:, luidende:

Afgifte certificaat van bekwaamheid gasdeskundige.

2. Het zinsdeel ‘gasdeskundige als bedoeld in artikel 4.7, vierde lid, van het besluit’ wordt vervangen door: gasdeskundige als bedoeld in artikel 3.5h, vierde lid, van het besluit.

W

Het opschrift bij artikel 4.16 komt te luiden:

Artikel 4.16 Afgifte certificaat van vakbekwaamheid springmeester

X

In de artikelen 4.17b, eerste lid, wordt ‘artikel 4.8a’ vervangen door: artikel 4.9.

Y

In artikel 4.17d wordt ‘artikel 4.8a’ vervangen door ‘artikel 4.9’ en wordt ‘bijlage VB’ vervangen door ‘bijlage XI’.

Z

In artikel 4.17e wordt ‘artikel 4.8b’ vervangen door ‘artikel 4.10’ en wordt ‘bijlage VC’ vervangen door ‘bijlage XII’.

AA

Paragraaf 4.3 vervalt.

AB

Artikel 4.19 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikel 4.8c, eerste lid, van het besluit’ vervangen door ‘artikel 4.3, eerste lid, jo. artikel 4.1, tweede lid, onder a, van het besluit’ en wordt ‘bijlage VI’ vervangen door ‘bijlage XIII’.

2. In het tweede lid wordt ‘waarvoor overeenkomstig het eerste lid een grenswaarde is vastgesteld’ vervangen door: waarvoor overeenkomstig het eerste lid en artikel 4.3, tweede lid, van het besluit een grenswaarde is vastgesteld.

AC

In artikel 4.19a wordt ‘artikel 4.8c, tweede lid van het besluit’ vervangen door: artikel 4.3, eerste lid, jo. artikel 4.1, tweede lid, onder b, van het besluit.

AD

Artikel 4.20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘bijlage VII’ vervangen door: bijlage XIII.

2. In het tweede lid wordt ‘waarvoor overeenkomstig het eerste lid een grenswaarde is vastgesteld’ vervangen door: waarvoor overeenkomstig het eerste lid en artikel 4.16, tweede lid, van het besluit een grenswaarde is vastgesteld.

AE

In artikel 4.20b, vijfde lid, wordt ‘artikel 4.10b, eerste lid, onder c’ vervangen door: artikel 4.10b, eerste lid.

AF

Het opschrift van paragraaf 4.4b komt te luiden:

Paragraaf 4.4b Kankerverwekkende processen

AG

Het opschrift van artikel 4.20c komt te luiden:

Artikel 4.20c Aanwijzing

AH

In artikel 4.32a, derde lid, wordt ‘bijlage VIII’ vervangen door: bijlage XIV.

AI

In artikel 4.32f, tweede en vierde lid, wordt ‘bijlage VIIIA’ vervangen door: bijlage XV.

AJ

De artikelen 5.1 tot en met 5.3 komen te luiden:

Artikel 5.1

Apparatuur en meubilair

Apparatuur en meubilair, in gebruik bij het verrichten van beeldschermwerk, voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:

a. de tekens op het beeldscherm zijn voldoende scherp, duidelijk van vorm en voldoende groot, met voldoende afstand tussen de tekens en de regels;

b. het beeld op het beeldscherm is stabiel;

c. de luminantie van of het contrast tussen de tekens en de achtergrond is gemakkelijk door de gebruiker bij te stellen;

d. het beeldscherm is vrij te plaatsen en gemakkelijk verstelbaar en kantelbaar;

e. het beeldscherm is vrij van voor de gebruiker hinderlijke glans en spiegelingen;

f. het toetsenbord kan hellend worden geplaatst en vormt geen geheel met het beeldscherm;

g. er is voor het toetsenbord voldoende ruimte voor handen en armen van de gebruiker;

h. het toetsenbord heeft een mat oppervlak;

i. de indeling van het toetsenbord en de vorm van de toetsen zijn gericht op vergemakkelijking van het gebruik;

j. de symbolen op de toetsen zijn voldoende contrastrijk en vanuit een normale werkhouding voldoende leesbaar;

k. de werktafel of het werkvlak maakt een comfortabele houding van de gebruiker mogelijk en heeft een reflectiearm oppervlak, is voldoende groot en maakt een flexibele opstelling van beeldscherm, toetsenbord, documenten en accessoires mogelijk;

l. een voor het werk noodzakelijke documenthouder is stabiel en regelbaar en zodanig geplaatst dat oncomfortabele hoofd- en oogbewegingen tot een minimum zijn beperkt;

m. de werkstoel is stabiel, heeft een in hoogte verstelbare zitting en een rugleuning, waarvan de hoogte en hellingshoek verstelbaar zijn en geeft de gebruiker bewegingsvrijheid en een comfortabele werkhouding;

n. indien de gebruiker dat wenst wordt een voetensteun aangebracht.

Artikel 5.2

Inrichting van de beeldschermwerkplek

De omgeving waarin het beeldschermwerk wordt verricht en de inrichting van de beeldschermwerkplek voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:

a. de verlichting van de werkruimte of de beeldschermwerkplek zorgt voor voldoende licht en een passend contrast tussen beeldscherm en omgeving, rekening houdende met de aard van het werk en de visuele behoeften van de gebruiker;

b. mogelijke verblinding en hinderlijke reflecties op het beeldscherm of op apparaten door kunstmatige lichtbronnen zijn vermeden;

c. er treden door raam- en andere openingen, wanden en apparaten geen directe verblinding en hinderlijke reflecties op het beeldscherm op;

d. de ramen zijn uitgerust met passende instelbare helderheidswering om de intensiteit van het licht dat op de beeldschermwerkplek valt te verminderen;

e. het geluid dat de apparatuur voortbrengt veroorzaakt geen verstoring van de aandacht en het gesproken woord;

f. de apparatuur brengt geen voor de werknemers hinderlijke warmte voort;

g. de vochtigheidsgraad is steeds toereikend.

Artikel 5.3

Programmatuur

De programmatuur die wordt gebruikt bij het verrichten van beeldschermwerk voldoet in ieder geval aan de volgende voorschriften:

a. de programmatuur is aangepast aan de te verrichten taak;

b. de programmatuur is gemakkelijk te gebruiken en aan te passen aan het kennis- en ervaringsniveau van de gebruiker;

c. er wordt zonder medeweten van de gebruiker geen gebruik gemaakt van een kwantitatief of kwalitatief controlemechanisme;

d. de systemen verschaffen de gebruiker gegevens over de werking ervan;

e. de systemen maken de informatie zichtbaar in een vorm en een tempo die zijn aangepast aan de gebruiker;

f. bij de verwerking van informatie door de gebruiker moeten de beginselen van de ergonomie worden toegepast.

AK

Artikel 6.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 6.6 Eindtermen.

2. ‘bijlage IX’ wordt vervangen door: bijlage XVI.

AL

In artikel 6.7 wordt ‘bijlage IXA’ vervangen door: bijlage XVII.

AM

Aan artikel 7.7 wordt een opschrift toegevoegd, luidende:

Afgifte certificaat van vakbekwaamheid.

AN

In artikel 8.10 wordt ‘bijlage XIA’ telkens vervangen door: bijlage XVIII.

AO

Artikel 8.18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘een onderbroken signaal’ gewijzigd in ‘een intermitterend signaal’ en wordt ‘het onderbroken signaal’ gewijzigd in ‘het intermitterende signaal’.

2. In het tweede lid wordt ‘een onderbroken lichtsignaal’ gewijzigd in: een intermitterend lichtsignaal.

3. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. De duur en de frequentie van de flitsen van een intermitterend lichtsignaal zijn zodanig dat:

a. de boodschap van het signaal goed wordt begrepen, en

b. er voorkomen wordt dat verwarring ontstaat tussen verschillende lichtsignalen of tussen een continu en een intermitterend lichtsignaal.

AP

Artikel 8.20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

3. De taalvaardigheid van de spreker en het gehoorvermogen van de toehoorder zijn voldoende om een ondubbelzinnige communicatie tot stand te brengen.

2. Na het tot vierde vernummerde lid wordt een lid toegevoegd:

5. Indien de mondelinge mededeling wordt gebruikt in plaats van of ter aanvulling van hand- of armseinen en er geen codes worden gebruikt, worden met name de volgende woorden gebruikt:

a. start, om het begin van een commando aan te duiden;

b. stop, om een beweging te onderbreken of te beëindigen;

c. einde, om de werkzaamheden stop te zetten;

d. hijsen, om een last te doen hijsen;

e. vieren, om een last te doen vieren;

f. vooruit, achteruit, naar rechts, naar links, in combinatie met het juiste hand- of armsein, om een beweging in een bepaalde richting te doen plaatsvinden;

g. gevaar, om een noodstop af te dwingen;

h. snel, om een beweging te versnellen.

AQ

In artikel 8.26 wordt ‘bijlage XIB’ vervangen door: bijlage XIX.

AR

In artikel 9.1 wordt ‘als bedoeld in artikel 2.11, 2.14 tot en met 2.17, 4.14, 4.16, 4.17b, 4.17e, 4.27, 4.31, 7.3, 7.7’ vervangen door: als bedoeld in de artikelen 2.11, 2.14 tot en met 2.17, 4.14, 4.16, 4.17b, 4.17e, 4.27 en 7.7.

AS

Artikel 9.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘gironummer 552712 (Postbank)’ vervangen door:

bankrekeningnummer 19.23.21.366 (Rabobank).

2. Het derde lid vervalt.

AT

De artikelen 9.2d en 9.2e vervallen.

AU

Bijlage I, behorend bij artikel 1.10, vervalt.

AV

De bijlagen IA, behorend bij artikel 2.0, en IB, behorend bij artikel 2.0c, worden vernummerd tot respectievelijk bijlagen I en II.

AW

Bijlage IIIA, behorend bij artikel 3.9, onderdeel b, wordt vernummerd tot bijlage IV en in onderdeel e wordt ‘ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet’ vervangen door: toezichthouder.

AX

De bijlagen IIIB, behorend bij artikel 3.9, onderdeel c, IIIC, behorend bij artikel 3.9, onderdelen f en i, en IIID, behorend bij artikel 3.9, onderdelen f en i, en IIIE, behorend bij artikel 3.14, worden vernummerd tot respectievelijk bijlagen V, VI, VII en VIII.

AY

De bijlagen IVA, behorend bij artikel 4.1, onder t, en IVB, behorend bij de artikelen 4.11, 4.12 en 4.13, worden vernummerd tot respectievelijk bijlagen IX en X.

AZ

Bijlage VB, behorend bij artikel 4.17d, wordt vernummerd tot bijlage XI en in het opschrift en de onderdelen 1A, onder f, en 4 wordt ‘artikel 4.8a’ vervangen door: artikel 4.9.

BA

Bijlage VC, behorend bij artikel 4.17e, wordt vernummerd tot bijlage XII.

BB

Bijlage VI, behorend bij artikel 4.19, eerste lid, wordt vervangen door de bij deze regeling gevoegde bijlage XIII.

BC

Bijlage VII, behorend bij artikel 4.20, eerste lid, vervalt.

BD

De bijlagen VIII, behorende bij artikel 4.32a, derde lid, onderdeel a, en VIIIA, behorende bij artikel 4.32f, tweede lid, onder a, en vierde lid, worden vernummerd tot respectievelijk bijlage XIV en XV.

BE

De bijlagen IX, behorend bij artikel 6.6, en IXA, behorend bij artikel 6.7, worden vernummerd tot respectievelijk XVI en XVII.

BF

De bijlagen XIA, behorend bij artikel 8.10, en XIB, behorend bij artikel 8.26, worden vernummerd tot respectievelijk XVIII en XIX.

Artikel II

De Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 1.1, onderdeel a, 3.1, 3.2, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, 3.3, 4.1, tweede lid, 7.1, derde lid, en 8.1 wordt ‘Arbeidsomstandighedenwet 1998’ telkens vervangen door: Arbeidsomstandighedenwet.

B

Artikel 1.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid, onderdelen a, b en c, komt te luiden:

a. de Arbeidsomstandighedenwet: de artikelen 6, eerste lid, onderdeel b en 7, eerste lid;

b. het Arbeidsomstandighedenbesluit: de artikelen 1.5b, derde lid, 2.5g, eerste lid, 2.27, eerste lid, 2.42c, eerste en tweede lid, 3.5h, vijfde lid, 3.37b, eerste lid, 4.8, vierde lid, 4.9, derde lid, 4.10, derde lid, 4.10c, vijfde lid, 4.47c, eerste lid, 4.50, zesde lid, 4.54a, zesde lid, 4.54d, negende lid, 4.94, eerste lid, 4.95, 4.96, 6.10, achtste lid, 6.10a, tweede lid, onderdeel c, 6.16, achtste lid, 6.17, eerste lid, 6.19, tweede lid, 6.20b, vierde lid, 7.4a, zesde lid, 7.20, zevende lid, 7.27, eerste lid, 7.29, tiende lid, 7.32, tweede lid, 9.15, onderdelen a en b, en 9.34, tweede lid;

c. de Arbeidsomstandighedenregeling: de artikelen 3.11, 3.12, eerste lid, en 3.13, derde lid, en 4.13.

2. Het vierde lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. de Arbeidsomstandighedenwet: de artikelen 9, eerste lid, 27, eerste lid, 28, eerste lid, 28a, 29, vierde lid, en 30, tweede lid;

C

Artikel 3.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdelen a en b, komt te luiden:

a. de Arbeidsomstandighedenwet: de artikelen 9, eerste lid, 27, eerste lid, 28, eerste lid, 28a en 29, vierde lid;

b. het Arbeidsomstandighedenbesluit: de artikelen 7.4a, zesde lid, 7.20, zevende lid, 7.27, eerste lid, en 7.29, tiende lid.

2. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. de Arbeidsomstandighedenwet: artikel 30, tweede lid;

D

Artikel 3.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdelen a en b, komt te luiden:

a. de Arbeidsomstandighedenwet: de artikelen 27, eerste lid, 28, eerste lid, 28a en 29, vierde lid;

b. het Arbeidsomstandighedenbesluit: de artikelen 7.4a, zesde lid, en 7.20, zevende lid.

2. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. de Arbeidsomstandighedenwet: artikel 30, tweede lid;

E

Artikel 3.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdelen a en b, komt te luiden:

a. de Arbeidsomstandighedenwet: de artikelen 9, eerste lid, 27, eerste lid, 28, eerste lid, 28a en 29, vierde lid;

b. het Arbeidsomstandighedenbesluit: 3.5h, vijfde lid, 7.4a, zesde lid, 7.20, zevende lid, 7.27, eerste lid, en 7.29, tiende lid.

2. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. de Arbeidsomstandighedenwet: artikel 30, tweede lid;

F

Artikel 4.2, onderdelen a en b, komt te luiden:

a. de Arbeidsomstandighedenwet: de artikelen 9, eerste lid en 29, vierde lid

b. het Arbeidsomstandighedenbesluit: de artikelen 7.4a, zesde lid, en 7.20, zevende lid, 7.27, eerste lid, en 7.29, tiende lid

G

Artikel 7.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. arbeid op, vanaf of ten behoeve van werken waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken nodig is, die zich in de territoriale zee of op het continentaal plat bevinden.

2. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. arbeid op, vanaf of ten behoeve van werken waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken nodig is, die zich in de territoriale zee of de exclusieve economische zone bevinden.

3. Het derde lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. arbeid op, vanaf of ten behoeve van werken waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken nodig is, die zich in de territoriale zee of de exclusieve economische zone bevinden.

H

Artikel 7.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, onderdelen a, b en c komt te luiden:

a. de Arbeidsomstandighedenwet: de artikelen 9, eerste lid, 27, eerste lid, 28, eerste lid, 28a en 29, vierde lid;

b. het Arbeidsomstandighedenbesluit: de artikelen 2.42c, eerste en tweede lid, 3.37b, eerste lid, 3.5h, vijfde lid, 4.8, vierde lid, 6.16, achtste lid, 6.17, eerste lid, 6.19, tweede lid, 6.20b, vierde lid, 7.4a, zesde lid, 7.20, zevende lid, 7.27, eerste lid, en 7.29, tiende lid.

c. de Arbeidsomstandighedenregeling: de artikelen 3.11, 3.12, eerste lid en 3.13, derde lid.

2. Het derde lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. de Arbeidsomstandighedenwet: artikel 30, tweede lid;

I

In artikel 8.1 wordt ‘Arbeidsomstandighedenwet 1998’ vervangen door: Arbeidsomstandighedenwet.

J

Artikel 8.2 komt te luiden:

Artikel 8.2

Aanwijzing ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken

De ambtenaren, bedoeld in artikel 8.1, worden voor de in artikel 8.1 bedoelde arbeid aangewezen als ambtenaar, bedoeld in de artikelen 27, eerste lid, 28, eerste lid, 28a en 29, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.

Artikel III

Het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit Arbeidsinspectie 2005 wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen 8, tweede lid, onderdeel c, 9, tweede lid, onderdeel c, 16, derde lid, onderdeel i, 17, tweede lid, onderdelen a en i, wordt ‘Arbeidsomstandighedenwet 1998’ vervangen door: Arbeidsomstandighedenwet.

B

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. de artikelen 27, eerste lid, 28, eerste lid, 28a en 29 vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;

2. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. artikel 30, tweede lid, Arbeidsomstandighedenwet;

3. In het vierde lid wordt ‘Arbeidsomstandighedenwet 1998’ vervangen door: Arbeidsomstandighedenwet.

Artikel IV

De Regeling waarschuwingssignalering ioniserende straling wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 2, eerste lid, wordt ‘bijlage XIA, onderdeel 2, van de Arbeidsomstandighedenregeling’ vervangen door: bijlage XVIII, onderdeel 2, van de Arbeidsomstandighedenregeling.

2. In artikel 5, eerste lid, wordt ‘bijlage XIA, onderdeel 1, van de Arbeidsomstandighedenregeling’ vervangen door: bijlage XVIII, onderdeel 1, van de Arbeidsomstandighedenregeling.

Artikel V

Artikel 9, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 komt te luiden:

2. De inrichting van de werkruimte in de woning, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel q, onder 2º, van de wet, moet voldoen aan de in de artikelen 5.4, 5.12 en 6.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit gestelde voorwaarden.

Artikel VI

In artikel 15, eerste, derde en vierde lid, van de Regeling risico’s zware ongevallen 1999 wordt ‘ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998’ telkens vervangen door: toezichthouder.

Artikel VII

In de volgende ministeriële regelingen wordt in de daarbij aangegeven artikelen en bijlagen ‘Arbeidsomstandighedenwet 1998’ telkens vervangen door ‘Arbeidsomstandighedenwet’:

a. artikel 1.1, eerste lid, van de Aanwijzingsregeling boeteoplegger SZW-wetgeving 2004;

b. artikel 1, onderdelen a en b en artikel 2 van de Bedrijfshulpverleningsregeling BZK;

c. artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Bedrijfshulpverleningsregeling VROM;

d. de bijlage bij het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar IVW 2006;

e. artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Staatstoezicht op de Mijnen 2004;

f. de bijlage bij het Examenreglement adjunct-hoofdbrandmeester 1993;

g. de bijlage bij het Examenreglement brandwacht;

h. de bijlage bij het Examenreglement brandwacht eerste klasse;

i. de bijlage bij het Examenreglement hoofdbrandwacht;

j. de bijlage bij het Examenreglement instructeur 1993;

k. artikel 2, eerste en vierde lid, en artikel 3, tweede en derde lid, van het Mandaatbesluit Arbeidsomstandigheden Justitie 1999;

l. artikel 1, onderdeel a, van de Mandatering van bevoegdheden aan ambtenaren van de Scheepvaartinspectie

m. artikel 12:1 van de Nadere regeling kinderarbeid;

n. artikel 15d, eerste lid, onderdeel b van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten;

o. artikel 3, onderdeel a, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Arbeidsomstandigheden 2005;

p. artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Regeling Bedrijfshulpverlening Financiën (afgekort Regeling-BHV Financiën);

q. artikel 1, tweede lid, van de Regeling luchtkwaliteit ozon;

r. artikel 2, tweede lid, van de Regeling politiecellencomplex;

s. artikelen 1, eerste lid, onder a en b, en 2, eerste lid, van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar;

t. artikel 1.1, onderdeel n, van de Regeling SUWI;

u. artikel 1, onderdeel d, van de Regeling toelage bedrijfshulpverlening en toelage eerste medische bijstand defensiepersoneel;

v. artikel 4, onderdeel d, van de Regeling uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken;

w. artikel 1, onderdeel e, van de Regeling ziek- en herstelmelding defensiepersoneel;

x. artikel 1, onderdeel g, van de Tijdelijke subsidieregeling beëindiging subsidiëring schoonmaakdiensten particulieren;

y. artikel 43, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

Artikel VIII

Artikel II, eerste en derde tot en met twaalfde lid, van de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 25 oktober 1999, nr. ARBO/AIS/99/64079, tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de vaststelling van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Stcrt. 208) vervalt.

Artikel IX

De regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 30 oktober 2000, nr. ARBO/APM/00/67687, tot vaststelling van het tijdstip, bedoeld in artikel II, elfde lid, aanhef en onder d, van de regeling van 25 oktober 1999 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de vaststelling van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Stcrt. 211) wordt ingetrokken.

Artikel X

Artikel II van de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 november 2004, nr. A&G/W&O/2004/11466, tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de verwijzing naar certificatieschema’s (Stcrt. 232) vervalt.

Artikel XI

De regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 18 januari 2001, nr. ARBO/APM/00/86694, tot vaststelling van het tijdstip, bedoeld in artikel II, elfde lid, aanhef en onder e, van de regeling van 25 oktober 1999 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de vaststelling van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Stcrt. 211) wordt ingetrokken.

Artikel XII

Artikel I van de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 november 2006, nr. ARBO/P&G/2006/90644, houdende vaststelling van het tijdstip, bedoeld in artikel II, elfde lid, onder b, van de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 oktober 1999 en tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling (overgangsregeling certificering arbeidshygiënisten)(Stcrt. 232) vervalt.

Artikel XIII

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 6 december 2006.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H.A.L. van Hoof.

Bijlage XIII, behorend bij de artikelen 4.19, eerste lid, en 4.20, eerste lid

Lijst van wettelijke grenswaarden op grond van de artikelen 4.3, eerste lid, en 4.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit

Verklaring van de gebruikte letters en aanduidingen

CAS-nummer

Om eenduidige identificatie te vergemakkelijken is bij elke stof het zogenoemde CAS-nummer opgenomen, dat wil zeggen het nummer waaronder de stof door de ‘Chemical Abstract’ Service is geregistreerd.

TGG

Tijdgewogen gemiddelde. Voor een aantal stoffen is naast de maximale aanvaarde concentratie bij een blootstellingduur tot 8 uur per dag tevens een grenswaarde vastgesteld voor een kortdurende blootstelling van ten hoogste 15 minuten.

C

Ceilingwaarde

Deze aanduiding is toegepast bij stoffen waarvan de grenswaarde een ceilingwaarde of plafondwaarde is. Een dergelijke waarde geeft aan dat overschrijding van deze concentratie in alle gevallen moet worden voorkomen.

H (Huidopname)

Stoffen die relatief gemakkelijk door de huid kunnen worden opgenomen, hetgeen een substantiële bijdrage kan betekenen aan de totale inwendige blootstelling, hebben in de lijst een H-aanduiding. Bij deze stoffen moeten naast maatregelen tegen inademing ook adequate maatregelen ter voorkoming van huidcontact worden genomen.

Respirabel/inhaleerbaar stof

Voor stoffen die ook als deeltjes/aërosolen kunnen voorkomen geldt dat de grenswaarde betrekking heeft op de deeltjes bemonsterd als ‘inhaleerbaar stof’, tenzij anders vermeld. Voor nadere definiëring van inhaleerbaar en respirabel stof en meetaspecten hiervan wordt verwezen naar NEN-norm NEN-EN 481:1994 ‘Werkplekatmosfeer. Definitie van de deeltjesgrootteverdeling voor het meten van in de lucht zwevende deeltjes’.

Respirabele vezels

Respirabele vezels worden als volgt gedefinieerd: vezels die langer zijn dan 5 micrometer, met een diameter kleiner dan 3 micrometer en die een lengte/breedteverhouding hebben van meer dan 3/1. Voor minerale wolvezels geldt nog het extra criterium dat de vezels korter moeten zijn dan 200 micrometer.

De hierna vermelde grenswaarden gelden bij een temperatuur van 20 °C en een druk van 101,3 kPa.

A. Lijst met wettelijke grenswaarden

ISO-naam van de stof

CAS-nummer

TGG 8 uur

mg/m3

C

TGG 15 min

mg/m3

H

Aceetaldehyde

75-07-0

37

 

92

 

Aceton

67-64-1

1210

 

2420

 

Acetonitril

75-05-8

34

   

Allylalcohol

107-18-6

4,8

 

12,1

H

2-Aminoethanol

141-43-5

2,5

 

7,6

H

Ammoniak

7664-41-7

14

 

36

 

Antimoon en -verbindingen (als Sb)

7440-36-0

0,5

   

Barium, oplosbare verbindingen (als Ba)

7440-39-3

0,5

   

Broom

7726-95-6

  

0,2

 

Broomwaterstof

10035-10-6

  

6,7

 

2-Butanon

78-93-3

590

 

900

H

2-Butoxyethanol

111-76-2

100

 

246

H

2-(2-Butoxyethoxy)ethanol

112-34-5

50

 

100

H

2-Butoxyethylacetaat

112-07-2

135

 

333

H

n-Butylacrylaat

141-32-2

11

 

53

 

tert-Butylchromaat (als CrO3)

1189-85-1

0,1

C

 

H

Carbonylfluride en PTFE-pyrolyseproducten, als F

353-50-4

  

1

 

Chloor

7782-50-5

  

1,5

 

Chloorbenzeen

108-90-7

23

 

70

 

Chloordifluormethaan

75-45-6

3600

   

Chloorethaan

75-00-3

268

   

Chloroform

67-66-3

5

 

25

 

Chroom (metallisch)

7440-47-3

0,5

   

anorganische Chroom(II)verbindingen en anorganische Chroom(III)verbindingen (onoplosbaar)

 

0,5

 

1

 

Chroom(III)verbindingen (als Cr), wateroplosbaar

 

0,06

   

Cumeen

98-82-8

100

 

250

H

Cyanamide

420-04-2

0,2

  

H

Cyaniden, incl. cyaanwaterstof (als CN)

74-90-8

1

 

10

H

Cyclohexaan

110-82-7

700

 

1400

 

Cyclohexanon

108-94-1

  

50

H

Dichlooracetyleen

7572-29-4

0,4

C

  

1,2-Dichloorbenzeen

95-50-1

122

 

300

H

1,4-Dichloorbenzeen

106-46-7

150

 

300

 

1,1-Dichloorethaan

75-34-3

400

   

Diethylamine

109-89-7

15

 

30

H

Diethylether

60-29-7

308

 

616

 

Difosforpentaoxide

1314-56-3

1

 

5

 

Difosforpentasulfide

1314-80-3

1

   

N,N,-Dimethylaceetamide

127-19-5

36

 

72

H

Dimethylamine

124-40-3

1,8

   

Dimethylether

115-10-6

950

 

1500

 

Dipropyleenglycolmethylether

34590-94-8

300

   

Ethaan-1,2-diol

- damp

- druppels

107-21-1

52

10

 

104

H

Ethylamine

75-04-7

9

   

Ethylbenzeen

100-41-4

215

  

H

Fenol

108-95-2

8

  

H

2-Fenylpropeen

98-83-9

20

   

Fluor

7782-41-4

  

0,5

 

Fluoriden, anorganisch en oplosbaar (als F)

   

3,5

 

Fluorwaterstof (als F)

7664-39-3

  

1

 

Formaldehyde

50-00-0

0,15

 

0,5

 

Fosfine

7803-51-2

0,14

 

0,28

 

Fosforpentachloride

10026-13-8

1

   

Fosforzuur

7664-38-2

1

 

2

 

Fosgeen

75-44-5

0,08

 

0,4

 

n-Heptaan

142-82-5

1200

 

1600

 

2-Heptanon

110-43-0

233

   

3-Heptanon

106-35-4

163

   

n-Hexaan

110-54-3

72

 

144

 

1,6-Hexanolactam

- damp

- stof

105-60-2

20

1

   

Isopentaan

78-78-4

1800

   

Kobalt (stof en rook) (als Co)

7440-48-4

0,02

   

Kobalthydrocarbonyl (als Co)

16842-03-8

0,1

   

Kooldioxide

124-38-9

9000

   

Koolmonoxide

630-08-0

29

   

Koper en anorganische koperverbindingen (inhaleerbaar)

7440-50-8

0,1

   

Lasrook

 

1

   

Litiumhydride

7580-67-8

0,025

   

Lood, zie artikel 4.19a Arbeidsomstandighedenregeling

     

Mesithyleen (trimethylbenzenen)

 

100

   

Methanol

67-56-1

260

 

520

H

2-(Methoxyethoxy)ethanol

111-77-3

45

  

H

1-Methoxy-2-propanol

107-98-2

375

 

563

H

1-Methoxy-2-propylacetaat

108-65-6

550

   

1-Methylbutylacetaat

620-11-1

  

530

 

2-Methylbutylacetaat

625-16-1

  

530

 

5-Methylheptaan-3-on

541-85-5

133

   

5-Methylhexaan-2-on

110-12-3

233

   

4-Methyl-2-pentanon

108-10-1

104

   

Mierenzuur

64-18-6

  

5

 

Morfoline

110-91-8

36

 

72

H

Naftaleen

91-20-3

50

 

80

 

Natriumazide

26628-22-8

0,1

 

0,3

H

Neopentaan

463-82-1

1800

   

Nicotine

54-11-5

0,5

  

H

Nitrobenzeen

98-95-3

1

  

H

Olienevel (minerale olie)

 

5

   

Oxaalzuur

144-62-7

1

   

Ozon

10028-15-6

0,12 (TGG 1 uur)

   

n-Pentaan

109-66-0

1800

   

n-Pentylacetaat

628-63-7

  

530

 

iso-Pentylacetaat

123-92-2

  

530

 

tert-Pentylacetaat

625-16-1

  

530

 

Perfluorisobutyleen

382-21-8

0,082

C

  

Piperazine

110-85-0

0,1

 

0,3

 

Platina, metallisch

7440-06-4

1

   

Propionzuur

79-09-4

31

 

62

 

Pyrethrum

8003-34-7

1

   

Pyridine

110-86-1

0,9

   

Resorcinol

108-46-3

10

   

Salpeterzuur

7697-37-2

  

1,3

 

Seleenhexafluoride (als Se)

7783-79-1

0,2

   

Seleenwaterstof (als Se)

7783-07-5

0,1

   

Stibine

7803-52-3

0,5

   

Stikstofdioxide

10102-44-0

0,4

 

1

 

Stikstofmonoxide

10102-43-9

0,25

   

Talk (respirabel)

14807-96-6

0,25

   

Tetraethyldithiopyrofosfaat

3689-24-5

0,1

  

H

Tetrahydrofuraan

109-99-9

300

  

H

Tolueen

108-88-3

150

 

384

 

1,2,4-Trichloorbenzeen

120-82-1

7,55

 

37,8

H

1,1,1-Trichloorethaan

71-55-6

555

   

Triethylamine

121-44-8

4,2

 

12,6

H

1,2,3-Trimethylbenzeen

526-73-8

100

 

200

 

1,2,4-Trimethylbenzeen

95-63-6

100

 

200

 

Vanadiumoxiden (als V)

 

0,01

 

0,03

 

Xyleen, o-, m-, p-isomeren

1330-20-7

210

 

442

 

Zilver, metallisch

7440-22-4

0,1

   

Zilver, oplosbare verbindingen (als Ag)

 

0,01

   

Zoutzuur

7647-01-0

8

 

15

 

Zwaveldioxide

7446-09-5

1,3

 

2,6

 

Zwavelwaterstof

7783-06-4

2,3

   
B. Lijst met wettelijke grenswaarden voor kankerverwekkende stoffen

ISO-naam van de stof

CAS nummer

TGG 8 uur

mg/m3

TGG 15 min

mg/m3

H

Aflatoxines

 

0,0051)

  

Arseenpentoxide (als As)

1303-28-2

0,025

0,05

 

Arseentrioxide (als As)

1327-53-3

0,025

0,05

 

Arseenzuur (als As)

7778-39-4

0,025

0,05

 

in water oplosbare zouten van arseenzuur (als As)

 

0,025

0,05

 

in water onoplosbare zouten van arseenzuur (als As)

 

0,05

0,1

 

Asbest, zie artikel 4.46 Arbobesluit

    

Azathioprine

446-86-6

0,005

  

Bariumchromaat (als Cr)

10294-40-3

 

0,025

 

Benzeen

71-43-2

3,25

 

H

Benzine2

 

240

480

 

1,3-Butadieen

106-99-0

46,2

  

Cadmiumchloride (als Cd)

10108-64-2

0,005

  

Cadmiumoxide (rook) (als Cd)

1306-19-0

0,005

  

Cadmiumsulfaat (als Cd)

10124-36-4

0,005

  

Calciumchromaat (als Cr)

13765-19-0

 

0,01

 

Carbadox

5-7-6804

0,003

  

4-Chloor-o-fenyleendiamine

95-83-0

0,2

  

Chroom(III)chromaat (als Cr)

24613-89-6

 

0,01

 

Chroom(VI)-oplosbare verbindingen

 

0,025

0,05

H

Chroomtrioxide (als Cr)

1333-82-0

0,025

0,05

 

Cisplatin

15663-27-1

0,00005

  

Dacarbazine

4342-03-4

0,0009

  

1,2-Dibroomethaan

106-93-4

0,002

  

1,2-Dichloorethaan

107-06-2

7

  

2,2'-Dichloor-4,4'- Methyleendianiline

101-14-4

0,02

 

H

Epichloorhydrine

106-89-8

1,9

  

1,2-Epoxypropaan

75-56-9

6

  

Ethyleenoxide

75-21-8

0,84

  

Hardhoutstof3

 

2

  

Hexachloorbenzeen

118-74-1

0,03

  

Keramische vezels

 

0,54)

  

Loodchromaat (als Cr)

7758-97-6

 

0,025

 

2-Methylaziridine

75-55-8

0,65)

  

4,4'-Methyleendianiline

101-77-9

0,2

 

H

Metrodinazol

443-48-1

0,00066)

  

2-Nitropropaan

79-46-9

0,036

  

N-Nitrosodimethylamine

62-75-9

0,0002

  

Procarbazine hydrochloride

366-70-1

0,002

  

Silicium(di)oxide:

    

– kwarts

14808-60-7

0,0757)

  

– cristoballiet

14464-46-1

0,0758)

  

– tridymiet

15468-32-3

0,0759)

  

Strontiumchromaat (als Cr)

7789-06-2

 

0,01

 

1,2,3-Trichloorpropaan

96-18-4

0,108

 

H

Vinylbromide

593-60-2

0,012

  

Vinylchloridemonomeer

75-01-4

7,77

  

Zinkchromaat (als Cr)

13530-65-9

 

0,01

 

1) µg/m3.

2) Als brandstof voor verbrandingsmotoren.

3) Definitie van hardhout volgens de International Agency for Research on Cancer (IARC) van hout op basis van botanische karakteristiek: hout van bedektzadigen = hardhout.

4) Respirabele vezels per cm3 lucht, TGG 8 uur.

5) µg/m3.

6) Per 1 maart 2008 is de grenswaarde 0,00012 mg/m3)

7) Voor respirabel stof. Voor de bouwnijverheid geldt een wettelijke grenswaarde van 0,15 mg/m3.

8) Voor respirabel stof.

9) Voor respirabel stof

Toelichting

1. Algemeen

De onderhavige regeling strekt er toe de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling) aan te passen aan de Wet van 30 november 2006 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en enige andere wetten in verband met het vergroten van de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het arbeidsomstandighedenbeleid (Stb.2006, 673) (hierna wijzigingswet) en het Besluit van 5 december 2006 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit ter vergroting van de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het arbeidsomstandighedenbeleid en ter beperking en vereenvoudiging van de regelgeving (Stb. 2006, 674) (hierna: wijzigingsbesluit). Als gevolg van deze wijzigingen zijn er twee bijlagen bij de Arboregeling komen te vervallen. Omdat er bij eerdere wijzigingen ook al bijlagen zijn komen te vervallen en zonder vernummering bijlagen zijn tussengevoegd, waren de bijlagen niet logisch meer genummerd. Van de gelegenheid is daarom gebruik gemaakt om de bijlagen te vernummeren, zodat deze weer doorlopend genummerd zijn in de volgorde waarin zij in de regeling voorkomen.

2. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A (artikel 1.1a)

Artikel 1.1a, onderdeel a, is aangepast aan artikel I, onderdeel S, van de wijzigingswet waarin de mogelijkheid is opgenomen om certificaten niet alleen in te trekken maar ook te schorsen.

Onderdeel C (artikel 1.10; vervallen)

Artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) schrijft niet meer voor dat over de aan de Arbeidsinspectie gemelde arbeidsongevallen zo spoedig mogelijk daarna schriftelijk moet worden gerapporteerd. Alleen als daartoe aanleiding is, kan de Arbeidsinspectie na een melding van een ernstig arbeidsongeval bepaalde nadere informatie schriftelijk opvragen. Het is derhalve niet langer nodig om een standaard voor de schriftelijke rapportage van arbeidsongevallen te regelen. Gelet hierop is bij het wijzigingsbesluit de delegatiebepaling in artikel 2.1 Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) aangepast en kan artikel 1.10 vervallen alsmede de hierbij behorende bijlage I bij de Arboregeling.

Onderdeel D (paragraaf 1.5; vervallen)

In deze paragraaf was in artikel 1.12 per 15 maart 2006 een tijdelijke vrijstellingsregeling opgenomen. Vooruitlopend op de wijzigingswet werd ten behoeve van werkgevers waar vrijwilligers werkzaam zijn ten aanzien van die vrijwilligers vrijstelling verleend van enkele verplichtingen uit de Arbowet 1998 en het gehele Arbobesluit, met uitzondering van in deze vrijstelling genoemde voorschriften die betrekking hebben op ernstige arbeidsrisico’s. Met de vrijstelling werd beoogd om de administratieve lasten voor het vrijwilligerswerk te reduceren en een balans aan te brengen tussen lastenverlichting enerzijds en bescherming anderzijds.

Deze bepaling is geschrapt omdat thans in artikel 9.5a van het Arbobesluit de voorschriften zijn aangewezen die ten opzichte van vrijwilligers moeten worden nageleefd door degenen bij wie vrijwilligers werkzaam zijn. Het betreft hier voorschriften met betrekking tot de ernstige arbeidsrisico’s, die zijn ontleend aan artikel 1.12 van de Arboregeling.

Onderdeel G (artikel 2.5; vervallen)

De taak van een gecertificeerde deskundige of een arbodienst om een arbeidsomstandighedenspreekuur te houden, bedoeld in het voormalige artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van de Arbowet, is vervallen. In verband hiermee is eveneens artikel 2.14a, derde lid, van het Arbobesluit, vervallen. Dit brengt met zich mee dat voorts het onderhavige artikel, dat nadere regels stelt aan deze taakuitoefening, eveneens kan vervallen.

Onderdeel J (artikel 2.14; vervallen)

Artikel 2.14 is vervallen in verband met de wijziging van artikel 2.7 van het Arbobesluit. Bij deze wijziging is bepaald dat een inschrijving als bedrijfsarts in het register van erkende sociaal geneeskundigen, dat wordt bijgehouden door de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst, wordt aangemerkt als een certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. Een apart certificaat behoeft niet meer te worden verstrekt zodat artikel 2.14 kan vervallen.

Onderdeel M (artikel 3.11)

De verplichting om het addendum grote wijzigingen van te voren in tweevoud toe te zenden aan het Staatstoezicht op de mijnen is geschrapt. De mijnbouwondernemingen pakken dit onderwerp (opstellen addendum grote wijzigingen) inmiddels goed op. Het accent van de toezichthouder ligt nu op verificatie ervan in het veld. Toesturen is daarom niet meer nodig. Dit betekent een administratieve lastenvermindering voor de mijnbouwonderneming.

De verplichting om de informatie met betrekking tot het brandbestrijdingsplan desgevraagd in tweevoud aan het Staatstoezicht toe te zenden is overgeheveld van artikel 3.12, derde lid, naar artikel 3.11, zesde lid. Door deze overheveling wordt voorkomen dat de zo belangrijke informatie met betrekking.tot het brandbestrijdingsplan door het Staatstoezicht slechts op het mijnbouwwerk kan worden ingezien, terwijl tegelijkertijd wordt voorkomen dat een automatische extra administratieve belasting ontstaat door een generieke opzendverplichting.

Onderdeel N (artikel 3.12)

De verplichting om het veiligheids- en gezondheidsdocument voor bijzondere werkzaamheden van te voren in tweevoud toe te zenden aan het Staatstoezicht op de mijnen wordt beperkt tot de in artikel 3.7, eerste lid, onder a en b bedoelde werkzaamheden. Hiermee wordt de administratieve last voor het bedrijfsleven verminderd, omdat het veiligheids- en gezondheidsdocument voor het gelijktijdig uitvoeren van werkzaamheden, als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onder c, niet meer behoeft te worden toegezonden.

Er is gebleken dat het opstellen van dit document inmiddels goed gebeurt. Het hoeft niet meer te worden toegestuurd; het accent van de toezichthouder ligt nu op verificatie ervan in het veld.

Onderdelen M, N, O en U (artikelen 3.11 tot en met 3.13 en 4.13)

De formulering van de artikelen 3.11 tot en met 3.13 en 4.13 is aangepast aan de nieuwe terminologie van de Arbowet (zie artikel I, onderdeel A, van de wijzigingswet). In de artikelen wordt nu verwezen naar de toezichthouder, zoals gedefinieerd in artikel 1, derde lid, onderdeel d, van de Arbowet. Onder toezichthouder wordt aldaar verstaan: de toezichthouder, bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, en als zodanig aangewezen op grond van artikel 24 van de Arbowet.

Onderdeel Q (opschrift hoofdstuk 4)

In verband met de overbrenging van de bepaling met betrekking tot de veiligheid aan, op of in tankschepen van hoofdstuk 4 naar hoofdstuk 3 van het Arbobesluit (artikel 3.5h) is het opschrift van hoofdstuk 4 van de Arboregeling aangepast, zodat ook daaruit blijkt dat artikel 3.5h niet onder het hoofdstuk gevaarlijke stoffen valt.

Onderdelen R, S, T en V (artikelen 4.1 tot en met 4.3 en 4.14)

In verband met de vernummering in het wijzigingsbesluit van artikel 4.7 tot artikel 3.5h zijn de verwijzingen in de artikelen 4.1, 4.2, 4.3 en 4.14 aangepast.

Onderdeel AA (paragraaf 4.3)

Paragraaf 4.3 en het enige in die paragraaf opgenomen artikel 4.18 dat met betrekking tot gevaarlijke stoffen een recirculatieverbod bevatte is vervallen, omdat de inhoud van dit artikel is overgebracht naar artikel 4.5, tweede tot en met vierde lid, van het Arbobesluit.

Onderdelen AB en AD (artikelen 4.19 en 4.20)

De artikelen 4.19, tweede lid, en 4.20, tweede lid, zijn zodanig aangepast dat de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Arbobesluit, niet alleen moeten worden getoetst aan wettelijke grenswaarden, maar, als die ontbreken, ook aan de door de werkgever zelf op basis van de artikelen 4.3, tweede lid, en 4.16, tweede lid, van het Arbobesluit vastgestelde grenswaarden.

Alle wettelijke grenswaarden, ook die voor kankerverwekkende stoffen zijn voortaan in één bijlage, nl. bijlage XIII, bij de Arboregeling opgenomen. Onderdeel A van bijlage XIII bevat de grenswaarden voor de niet-kankerverwekkende stoffen en onderdeel B bevat de grenswaarden voor (genotoxische, mutagene) kankerverwekkende stoffen.

Over de keuzes van de stoffen waarvoor een wettelijke (publieke) grenswaarde zal worden gesteld en de hoogte van de grenswaarden is in algemene zin geadviseerd door de Subcommissie MAC-waarden van de Sociaal-Economische Raad (11 mei 2006, kenmerk 06.03718/jjb/ipw) en de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER (2 augustus 2006, kenmerk 06/05832/JJB/ikb). Directe aanleiding voor deze adviezen vormde het voor commentaar voorgelegde onderzoeksrapport van IndusTox: Selectie publieke grenswaarden (november 2005). Dit onderzoeksrapport en het verzoek van SZW aan de Subcommissie MAC-waarden van de SER om commentaar daarop vloeiden voort uit de adviesaanvraag aan deze commissie over een aangepast stelsel van grenswaardenstelling (19 oktober 2004, kenmerk A&G/W&P/04 39991) en het daarop gegeven advies van de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER: Een nieuw grenswaardenstelsel (16 juni 2005, publicatienummer 05/08).

De nadruk ligt thans, in overeenstemming met de verschillende SER-adviezen, op de private grenswaarden. Waar nodig worden wettelijke (publieke) grenswaarden gesteld. Uitgangspunt hierbij is de gezondheidskundige grenswaarde.

Op grond van EG-regelgeving dienen grenswaarden te worden gesteld voor kankerverwekkende stoffen en voor stoffen die genoemd worden in de volgende richtlijnen:

– Richtlijn nr. 91/322/EEG van de Commissie van 29 mei 1991 tot vaststelling van indicatieve grenswaarden ter uitvoering van Richtlijn 80/1107/EEG van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia op het werk (PbEG L177);

– Richtlijn nr. 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk (14e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

– Richtlijn nr. 2000/39/EG van de Commissie van 8 juni 2000 tot vaststelling van een eerste lijst van indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling ter uitvoering van Richtlijn 98/24/EG van de Raad betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk (PbEG L142)

– Richtlijn nr. 2006/15/EG van de Commissie van 7 februari 2006 tot vaststelling van een tweede lijst van indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling ter uitvoering van Richtlijn nr. 98/24/EG van de Raad en tot wijziging van de Richtlijnen 91/322/EEG en 2000/39/EG (PbEG L38).

De laatstgenoemde richtlijn wordt thans bij deze regeling geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Voor de andere genoemde richtlijnen geldt dat deze al eerder in de Nederlandse Arbeidsomstandighedenwetgeving waren geïmplementeerd. De niet-kankerverwekkende stoffen die genoemd worden in deze EG-richtlijnen vormen het merendeel van onderdeel A van bijlage XIII.

Circa 20 procent van onderdeel A van bijlage XIII bestaat uit stoffen die volgen uit de systematiek die gebaseerd is op de resultaten in het onderzoeksrapport van IndusTox. Kenmerkend voor deze systematiek is dat het stoffen betreft waarvan verwacht kan worden dat deze van belang zijn uit het oogpunt van het vóórkomen op de arbeidsplaats en waarvan niet verwacht kan worden dat de werkgever zal kunnen beschikken over goede en goed toegankelijke gezondheidskundige informatie over de betreffende stof. Het gaat hierbij om stoffen die relevant zijn uit het oogpunt van mogelijke gezondheidsschade, gecombineerd met de kans op blootstelling (hoeveelheid en manier van gebruik of vrijkomen op de arbeidsplaats, en fysisch-chemische eigenschappen). De gekozen systematiek is in lijn met de verschillende, in algemene termen gestelde adviezen van de Subcommissie MAC-waarden van de SER en de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER.

Onderdeel B van bijlage XIII is identiek aan de thans vervallen bijlage VII. De verschillende adviezen van de SER pleitten voor handhaving van de huidige procedure voor deze groep stoffen waarvoor geen gezondheidskundige grenswaarde kan worden vastgesteld. De grenswaarde wordt vastgesteld op basis van risicogetallen en een systematiek van risicogrenzen (normaliter een risico van 10-6 en 10-4 doden per jaar als gevolg van blootstelling aan de betreffende kankerverwekkende stof). Op basis van een haalbaarheidstoets op met de gekozen risicogrenzen overeenkomende luchtconcentraties, wordt voor deze stoffen een grenswaarde en zo nodig een stappenplan vastgesteld. Het stappenplan in de tijd is nodig als uit de haalbaarheidstoets blijkt dat de luchtconcentratie die overeenkomt met de risicogrens van 10-6 per jaar niet voor alle bedrijven haalbaar is. Voor alle bedrijven geldt overigens de verplichting om de blootstelling tot zover als technisch mogelijk is te verlagen en in ieder geval om de luchtconcentratie die overeenkomt met een risicogrens van 10-6 als bovengrens aan te houden. Dit betekent onder andere dat, ook als de grenswaarde in onderdeel B van bijlage XIII is gesteld op een hogere grenswaarde dan behorend bij het risicogetal van 10-6 en in een specifiek bedrijf een lagere grenswaarde technisch haalbaar is, dit bedrijf gehouden is aan de lagere grenswaarde te voldoen.

Onderdeel AJ (artikelen 5.1 tot en met 5.3)

In verband met het nieuwe artikel 5.4 van het Arbobesluit (zie artikel I, onderdeel CN, van het wijzigingsbesluit), waarin is bepaald dat werkplekken moeten zijn ingericht volgens de ergonomische beginselen, is het voorschrift dat apparatuur en meubilair, de inrichting van de beeldschermwerkplek en de programmatuur moeten voldoen aan ergonomische eisen geschrapt uit de aanhef van de artikelen 5.1 tot en met 5.3. Omdat de bij beeldschermwerk te gebruiken apparatuur niet valt onder het algemene voorschrift met betrekking tot de inrichting van de werkplek is aan artikel 5.3 een nieuw onderdeel f toegevoegd. Met dit onderdeel wordt punt 3, onder e, geïmplementeerd van Richtlijn nr. 90/270/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 mei 1990 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot het werken met beeldschermapparatuur (vijfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn (89/391/EEG) (PbEG L 156).

Aan artikel 5.1 zijn in de onderdelen m en n voorschriften met betrekking tot de werkstoel en een voetensteun toegevoegd. Deze onderdelen betreffen de implementatie van punt 1, onder e, van de bijlage bij Richtlijn nr. 90/270/EEG en waren voordien geïmplementeerd in het thans vervallen artikel 5.4 dat betrekking had op het ter beschikking stellen van doelmatige zitgelegenheid.

In artikel 5.2 zijn de onderdelen b en c beter afgestemd op punt 2, onderdelen b en c, van de bijlage bij richtlijn nr. 90/270/EEG, waarvan zij de implementatie vormen.

Onderdelen AO en AP

Het betreft de verbetering van de implementatie van bijlage VI, onderdeel 2.1, en bijlage VIII, onderdelen 1.2 en 2.2, van Richtlijn nr. 92/58/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften voor de veiligheids- en/of gezondheidssignalering op het werk (negende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (PbEG L 245).

Onderdeel AR (artikel 9.1)

Uit de opsomming van artikelen in artikel 9.1 zijn de artikelen 4.31 en 7.3 geschrapt.

Artikel 4.31 is al met ingang van 3 december 2004 vervallen, waarbij echter is verzuimd artikel 9.1 aan te passen. Zie artikel I, onderdeel N, van de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 november 2004, Directie Arbeidsveiligheid en -gezondheid, nr. A&G/W&O/2004/11466, tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de verwijzing naar certificatieschema’s (Stcrt. 232). Artikel 7.3 is met ingang van 1 september 2003 vervallen. Ook daarbij is verzuimd artikel 9.1 aan te passen. Zie artikel I, onderdeel L, van de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Economische Zaken van 6 augustus 2003, nr. A&G/W&P/2003/53370, tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling, enkele op de Wet op de gevaarlijke werktuigen en de Warenwet gebaseerde ministeriële regelingen in verband met de integratie van de Wet op de gevaarlijke werktuigen in de Warenwet en enige andere wijzigingen (Stcrt. 157).

Onderdeel AT (Artikelen 9.2d en 9.2e)

Artikel 9.2d betreft een al geruime tijd uitgewerkte overgangsbepaling met betrekking tot de certificering van duikploegleiders en kan daarom vervallen.

Artikel 9.2e betreft een overgangsbepaling die al sinds 1 januari 2003 van kracht is. Omdat de overgangsregeling als tijdelijk was bedoeld kan deze thans vervallen.

Artikel II, onderdeel G

Bij de regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Economische Zaken van 21 november 2006, nr. ARBO/M&A/2006/89526, tot wijziging van de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW-wetgeving (Stcrt. 232) is artikel 7.1 van de aanwijzingsregeling zodanig gewijzigd dat het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) kan optreden als toezichthouder betreffende de Warenwet, de Arbeidstijdenwet en de Arbeidsomstandighedenwet bij arbeid op, vanaf of ten behoeve van werken op zee, waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2 Wet beheer rijkswaterstaatswerken nodig is. Hierbij dient met name te worden gedacht aan de bouw, het beheer en het onderhoud van windmolenparken en pijpleidingen.

De Arbeidsinspectie (AI) is ter zake ook bevoegd. Op grond van doelmatigheidsoverwegingen en taakverdeling met de AI lag het echter in de rede om de actieradius van het SodM, dat bij mijnbouwactiviteiten in de territoriale wateren (en op het continentaal plat) ook al optrad als hoofdtoezichthouder betreffende bovengenoemde wetten, uit te breiden tot arbeid op, vanaf of ten behoeve van werken waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2 Wet beheer rijkswaterstaatswerken nodig is. Hierbij ging het vooralsnog om optreden als toezichthouder in de territoriale wateren. In de toelichting bij bovengenoemde ministeriële regeling van 21 november 2006 was echter al aangegeven dat de wijzigingswet zou voorzien in een uitbreiding van de werkingssfeer van de Arbeidsomstandighedenwet en de Arbeidstijdenwet tot de exclusieve economische zone (EEZ). De EEZ en het reeds langere tijd gebezigde begrip continentaal plat zijn ruimtelijk en inhoudelijk overlappende zones. Het continentaal plat omvat de zeebodem en de ondergrond, terwijl de EEZ tevens de bovenliggende waterkolom omvat. In de EEZ heeft de kuststaat ook rechtsmacht ten aanzien van de bouw en het gebruik van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen wetenschappelijk zeeonderzoek en de bescherming van het mariene milieu.

De wijzigingswet is inmiddels tot stand gekomen en is per 1 januari 2007 in werking getreden. Een en ander betekende dat het SodM ook kon worden aangewezen als hoofdtoezichthouder op de Arbeidsomstandighedenwet en Arbeidstijdenwet in de EEZ.

Wat betreft de Warenwet zij nog opgemerkt dat deze voorshands alleen van toepassing blijft op technische voortbrengselen die op het continentaal plat, bedoeld in de Mijnbouwwet, worden gebruikt bij verkenningsonderzoek, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte dan wel het opslaan van stoffen als bedoeld in de Mijnbouwwet (artikel 1a, onderdeel a, Warenwet). Om die reden is het eerste lid, onderdeel b, beperkt tot het continentaal plat.

Artikelen VIII tot en met XII

In artikel II van de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst, van 25 oktober 1999, nr. ARBO/AIS/99/64079, tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de vaststelling van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Stcrt. 208) was een zelfstandige overgangsbepaling opgenomen. Deze bepaling was ingevolge artikel XIII van die regeling met ingang van 1 november 1999 in werking getreden.

In het eerste tot en met tiende lid van deze bepaling was, teneinde de bij het certificatiesysteem betrokken aan te wijzen certificerende instellingen de gelegenheid te geven zich voor te bereiden op hun taak met betrekking tot de afgifte van certificaten, ten aanzien van alle op grond van de tot 1 november 1999 bestaande regelgeving verstrekte certificaten gekozen voor een overgangsregeling, waarvan de duur was bepaald door de geldigheidsduur van het desbetreffende certificaat.

Omdat de in artikel II, tweede lid, opgenomen overgangsregeling betreffende het certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne al sinds 1 november 2003 is verstreken, is artikel II, tweede lid, al met ingang van 30 november 2006 vervallen (Zie artikel III van de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 november 2006, nr. ARBO/P&G/2006/90644, houdende vaststelling van het tijdstip, bedoeld in artikel II, elfde lid, onder b, van de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 oktober 1999 en tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling (overgangsregeling certificering arbeidshygiënisten) (Stcrt. 232).

De in artikel II, eerste en derde tot en met tiende lid, opgenomen overgangsregelingen betreffende andere certificaten zijn echter ook alle al geruime tijd verstreken en kunnen derhalve ook vervallen. Artikel VIII van de onderhavige regeling voorziet daarin.

In het elfde en twaalfde lid van de overgangsbepaling was een overgangsregeling opgenomen voor de afgifte van certificaten na 1 november 1999. Deze regeling was opgenomen omdat in een aantal gevallen na 1 november 1999 nog geen certificerende instellingen waren aangewezen. Door voor de afgifte van certificaten tijdelijk nog aan te sluiten bij de voor 1 november 1999 geldende procedures werd het meest tegemoet gekomen aan de bedoeling van de desbetreffende met ingang van 1 november 1999 in werking getreden wettelijke bepalingen.

Voor de in het twaalfde lid bedoelde certificaten werd de overgangsregeling vastgesteld op 1 juli 2000. Deze overgangsregeling is dus al geruime tijd verstreken en kan daarom vervallen. Ook daarin wordt door artikel VIII van de onderhavige regeling voorzien.

Voor de in het elfde lid bedoelde certificaten geldt de overgangsregeling tot een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te bepalen tijdstip.

Voor de in het elfde lid, onder a, bedoelde certificaten is vaststelling van een tijdstip met ingang van 1 januari 2007 niet meer noodzakelijk. Met ingang van die datum is nl. in artikel 2.7, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voorgeschreven dat een deskundige op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde over voldoende deskundigheid en ervaring beschikt indien hij als arts arbeid en gezondheid, bedrijfsarts, is ingeschreven in het register van erkende sociaal geneeskundigen van de Sociaal-Geneeskundigen Registratiecommissie van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst en dat een dergelijke registratie wordt aangemerkt als een certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (Zie artikel I, onderdeel S, van het wijzigingsbesluit.

Voor de in het elfde lid, onder b, bedoelde certificaten is het tijdstip vastgesteld op 3 november 2006 (Zie artikel I van de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 november 2006, nr. ARBO/P&G/2006/90644, houdende vaststelling van het tijdstip, bedoeld in artikel II, elfde lid, onder b, van de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 oktober 1999 en tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling (overgangsregeling certificering arbeidshygiënisten) (Stcrt. 232).

Voor de in het elfde lid, onder c, bedoelde certificaten is het tijdstip vastgesteld op 1 januari 2004 (Zie artikel II van de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 november 2004, nr. A&G/W&O/2004/11466, tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de verwijzing naar certificatieschema’s (Stcrt. 232)).

Voor de in het elfde lid, onder d, bedoelde certificaten is het tijdstip vastgesteld op 1 oktober 2000 (Zie de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 oktober 2000, nr. ARBO/APM/00/67687, tot vaststelling van het tijdstip, bedoeld in artikel II, elfde lid, aanhef en onder d, van de regeling van 25 oktober 1999 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de vaststelling van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Stcrt. 211)).

Voor de in het elfde lid, onder e, bedoelde certificaten is het tijdstip vastgesteld op 1 december 2000 (Zie de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 18 januari 2001, nr. ARBO/APM/00/86694, tot vaststelling van het tijdstip, bedoeld in artikel II, elfde lid, aanhef en onder e, van de regeling van 25 oktober 1999 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de vaststelling van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Stcrt. 211)).

Het voorgaande betekent dat met ingang van 1 januari 2007 alle in het elfde lid opgenomen overgangsregelingen zijn uitgewerkt en dat ook het elfde lid kan vervallen. Artikel VIII van de onderhavige regeling voorziet daar ook in.

Omdat dus met de onderhavige regeling geheel artikel II vervalt, kunnen ook de hiervoor genoemde ministeriële regelingen of artikelen in ministeriële regeling waarbij tijdstippen zijn vastgesteld worden ingetrokken, respectievelijk vervallen. De artikelen XI tot en met XII voorzien daarin.

Artikel XIII

De onderhavige regeling treedt in werking op het zelfde tijdstip als waarop de wijzigingswet en het wijzigingsbesluit in werking treden.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H.A.L. van Hoof