Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2006, 251 pagina 9Besluiten van algemene strekking

Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen

12 december 2006

Nr. DB 2006-658 M

Directoraat-generaal voor Fiscale Zaken, Directie Directe Belastingen

De Minister van Financiën,

Handelende wat de artikelen 13, 15c en 17 van de Wet op de loonbelasting 1964, onderscheidenlijk artikel 3.22 van de Wet inkomstenbelasting 2001, onderscheidenlijk de artikelen 3.42, 3.42a en 10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, onderscheidenlijk de Minister van Verkeer en Waterstaat, onderscheidenlijk de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op de artikelen 1.5, 3.22, 3.27, 3.42, 3.42a, 3.52, 3.104, 5.17, 6.17, 6.27, 10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 5b, 13, 13bis, 15a, 15b, 15c, 15d, 16a, 17, 19f, 19g, 25, 28, 28a, 29, 31 en 33 van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel XXIII van het Belastingplan 2007, de artikelen 6, 14 en 15 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, de artikelen 9 en 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, artikel 53b van de Successiewet 1956, de artikelen 3, 6, 19 en 39 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 26 van de Invorderingswet 1990, artikel 18 van de Wet waardering onroerende zaken en artikel 17 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;

Besluit:

Artikel I

De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 20011 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 wordt ‘€ 386’ vervangen door: € 393.

B

Artikel 9a wordt vervangen door:

Artikel 9a

Constatering van het niet afgenomen zijn van de netto-tonnage van bepaalde schepen

Met betrekking tot het kalenderjaar 2007 wordt voor de toepassing van artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, van de wet vastgesteld dat de netto-tonnage van kwalificerende schepen in de periode 2003 tot en met 2005 ten opzichte van de periode 2002 tot en met 2004 niet is afgenomen.

C

In artikel 10, tweede lid, wordt ‘als bedoeld in de Pensioen- en spaarfondsenwet’ vervangen door: als bedoeld in de Pensioenwet.

D

Artikel 17, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

i. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Tijdelijke regeling verstrekkingen gerepatrieerden Libanon.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i (nieuw) door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

j. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Tijdelijke regeling voortzetting verstrekkingen gerepatrieerden Libanon.

E

In artikel 31, onderdeel a, wordt ‘een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die niet langer dan acht jaar geleden tot stand is gekomen’ vervangen door: een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of naamloze vennootschap, die niet langer dan acht jaren geleden tot stand is gekomen, dan wel een rechtspersoon met een in aandelen verdeeld kapitaal die:

1°. is opgericht naar het recht van de Nederlandse Antillen, Aruba, een lidstaat van de Europese Unie of een staat in de relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is waarin een bepaling is opgenomen die discriminatie naar nationaliteit verbiedt voor rechtspersonen die overigens in dezelfde omstandigheden verkeren als een naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of naamloze vennootschap;

2°. naar aard en inrichting vergelijkbaar is met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of naamloze vennootschap; en

3°. niet langer dan acht jaren geleden tot stand is gekomen.

F

In artikel 37, eerste lid, wordt de tabel vervangen door:

Voor het dieet bij het ziektebeeld en de aandoening

Op welk dieet de typering van toepassing is

Bedragen de extra uitgaven

Algemene symptomen

groei-achterstand bij kinderen

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 1118

  

energieverrijkt

€ 1118

  

vloeibaar energieverrijkt

€ 639

 

ondervoeding

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 1118

  

energieverrijkt

€ 1118

  

vloeibaar energieverrijkt

€ 809

 

decubitus

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 1118

Hypertensie en hartziekten

hypertensie

natriumbeperkt

€ 420

 

decompensatio cordis, hartfalen

natriumbeperkt

€ 420

  

sterk natriumbeperkt

€ 505

Luchtwegen

chronische obstructieve longziekten (COPD)

energieverrijkt

€ 1118

Maag-, darm- en leverziekten

dumping syndroom

lactosebeperkt

€ 431

 

chronische pancreatitis

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 1118

 

cystic fibrosis

energieverrijkt

€ 1118

  

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 1118

 

coeliakie en ziekte van Dühring

glutenvrij

€ 1222

  

glutenvrij in combinatie met lactosebeperkt

€ 1484

 

short bowel

energieverrijkt

€ 1118

  

energieverrijkt in combinatie met MCT verrijkt

€ 1696

 

leverziekte

energieverrijkt in combinatie met MCT verrijkt, tevens alcoholvrij

€ 1612

  

energieverrijkt in combinatie met MCT verrijkt, tevens natriumbeperkt en alcoholvrij

€ 2021

 

overige

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 1118

  

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en lactosebeperkt

€ 1361

  

matig vetbeperkt in combinatie met MCT of ander preparaat, tevens energieverrijkt

€ 1035

Metabole ziekten

diabetes

diabetes dieet

€ 288

  

diabetes dieet natriumbeperkt

€ 420

 

hypercholesterolemie

verzadigd vetzurenbeperkt en cholesterolbeperkt in combinatie met visverrijkt, groentenverrijkt en fruitverrijkt

€ 288

  

verzadigd-vetbeperkt en cholesterolbeperkt in combinatie met visverrijkt, groentenverrijkt en fruitverrijkt met plantensterolen

€ 304

  

cholesterolverlagend en natriumbeperkt

€ 420

 

vetstofwisselingsstoornis

sterk vetbeperkt in combinatie met MCT of ander preparaat

€ 1035

 

fructose intolerantie

sterk fructosebeperkt

€ 740

 

galactosemie

galactosevrij

€ 657

 

sacharase isomaltase deficiëntie

polysacharidenverrijkt meervoudig-onverzadigde- vetzurenverrijkt in combinatie met sacharosebeperkt, fructosebeperkt, matig vetbeperkt, matig natriumbeperkt en calciumbeperkt

€ 1746

 

eiwitstofwisselingsstoornis (b.v. PKU en hyperlysinemie)

natuurlijk eiwitbeperkt

€ 2145

Infectieziekten

aids

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 1118

Nierziekten

nierziekten

natriumbeperkt

€ 394

 

chronische nierinsufficiëntie met hemodialyse

eiwitaangewezen in combinatie met matig natriumbeperkt

€ 394

 

nefrotisch syndroom

natriumbeperkt

€ 394

Oncologie

oncologie

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 1118

Overige

voedselovergevoeligheid

koemelkeiwitvrij

€ 535

  

soja-eiwitvrij

€ 358

  

kippenei-eiwitvrij

€ 360

  

lactosebeperkt

€ 431

  

tarwevrij

€ 1026

  

koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij

€ 503

  

koemelkeiwitvrij in combinatie met soja-eiwitvrij

€ 664

  

koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij en soja-eiwitvrij

€ 1338

  

koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij, soja-eiwit en tarwe-vrij

€ 1717

  

koemelkeiwitvrij in combinatie met glutenvrij

€ 1514

 

brandwonden

energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

€ 1118

G

In artikel 38, eerste lid, worden ‘€ 310’, ‘€ 620’ en ‘€ 775’ vervangen door € 300, respectievelijk € 600 en € 750.

H

Na artikel 40 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 40a

Scholingsuitgaven; afgifte EVC-verklaringen

Als instanties als bedoeld in artikel 6.27, tweede lid, van de wet worden aangewezen:

a. het Kwaliteitscentrum examinering beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 7.4.9a, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

b. een Visiterende en Beoordelende Instantie als bedoeld in artikel 5a.8a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

c. een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen nader te bepalen accrediterende partij.

Artikel II

In artikel 2, eerste lid, van de Meldingsregeling milieu-investeringsaftrek 20012 wordt ‘Aanwijzingsregeling milieu-investeringsaftrek 2003’ vervangen door: Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving milieu-investeringen en milieu-investeringsaftrek 2007.

Artikel III

De Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek Nederlandse Antillen en Aruba 20013 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt ‘een energiebesparingsnorm van ten minste 0,4 Nm3 aardgasequivalenten per jaar per geïnvesteerde € 0,45’ vervangen door: een energiebesparingsnorm van ten minste 0,3 Nm3 aardgasequivalenten per jaar per geïnvesteerde € 0,45.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, wordt na onderdeel c een onderdeel ingevoegd, luidende:

d. – voor zover voor het bedrijfsmiddel ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie een milieuvergunning of soortgelijke vergunning noodzakelijk is – de belastingplichtige ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet, houder is van een door het bevoegde gezag voor dat bedrijfsmiddel afgegeven milieuvergunning of vergelijkbare vergunning.

B

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

5. De belastingplichtige legt ten behoeve van het in behandeling nemen van een verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de Minister van Economische Zaken daarom verzoekt, een kopie van de afgegeven milieuvergunning of vergelijkbare vergunning over indien artikel 7, onderdeel d, van toepassing is.

2. In het zesde lid (nieuw) wordt ‘artikel 7, onderdeel b’ vervangen door: artikel 7, onderdelen b, c en d.

3. In artikel 12, eerste lid, wordt ‘Aanwijzingsregeling milieu-investeringsaftrek 2005’ vervangen door: Aanwijzingsregeling milieu-investeringsaftrek 2007.

Artikel IV

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 20014 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘de artikelen 6, 8’ vervangen door ‘de artikelen 5b, 6, 8’. Voorts wordt ‘15d, 16a, 16c, 17’ vervangen door: 15d, 17.

B

Artikel 2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c vervalt.

2. De onderdelen d tot en met i worden geletterd c tot en met h.

C

In hoofdstuk 2 wordt vóór artikel 3 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2a

Gezelschappen met hoofdzakelijk leden uit verdragslanden, Nederlandse Antillen of Aruba

1. Aan het in artikel 5b, eerste lid, onder 2°, van de wet bedoelde aannemelijk maken wordt voldaan, indien degene met wie het gezelschap het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of degene van wie het gezelschap de gage ontvangt, voor aanvang van het optreden of de sportbeoefening aan de hand van een document – waarvan hij een afschrift voor controle beschikbaar houdt – als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht, van ten minste het merendeel van de leden heeft vastgesteld dat zij inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, de Nederlandse Antillen of Aruba.

2. Aan het in artikel 5b, eerste lid, onder 2°, van de wet bedoelde aannemelijk maken is ook voldaan, indien degene met wie het gezelschap het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of degene van wie het gezelschap de gage ontvangt, beschikt over de volgende documenten:

a. een afschrift van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht dat betrekking heeft op de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap;

b. een schriftelijke verklaring van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap dat het gezelschap hoofdzakelijk bestaat uit leden die inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, de Nederlandse Antillen of Aruba;

c. een schriftelijke overeenkomst betreffende het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland, of een afschrift van die overeenkomst, waarin het gezelschap als vestigingsland vermeldt een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, de Nederlandse Antillen of Aruba; en

d. een afschrift van een bank- of girorekening waaruit blijkt dat de gage van het gezelschap is overgemaakt naar een rekeninghouder die woont of is gevestigd in het in onderdeel c bedoelde vestigingsland.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien aan degene met wie het gezelschap het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of aan degene van wie het gezelschap de gage ontvangt, onjuiste verklaringen, documenten of gegevens zijn verstrekt en deze dit weet of redelijkerwijs had moeten weten.

D

Na artikel 19 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 20

Waarde van het genot van ter beschikking gestelde communicatiemiddelen

De waarde van het genot van ter beschikking gestelde communicatiemiddelen – niet zijnde computers en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur –, waarvan het zakelijke gebruik van niet meer dan bijkomstig belang is, wordt gesteld op de daaraan in het economische verkeer verbonden kosten.

E

In artikel 21 wordt ‘€ 29,00’ vervangen door: € 28,75.

F

In artikel 21b wordt ‘kinderopvang als bedoeld in artikel 16c, vierde lid, van de wet’ vervangen door ‘kinderopvang waarvoor aanspraak op een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming kan ontstaan op de voet van artikel 5 van de Wet kinderopvang’ en wordt ‘artikel 7, vierde lid, van de Wet kinderopvang’ vervangen door: artikel 7, tweede lid, van de Wet kinderopvang.

G

Artikel 21c, vierde lid, vervalt.

H

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt ‘en voorzover de vergoedingen meer bedragen dan de volgende bedragen: per persoon die van dat recht gebruik kan maken, minderjarige kinderen en pleegkinderen van de werknemer daaronder niet begrepen, € 54,00 per jaar dan wel, indien recht bestaat op reizen per 1e klas, € 82,00 per jaar’.

2. In het tweede lid vervalt ‘en voorzover de waarde in het economische verkeer van de verstrekkingen hoger is dan de volgende bedragen: per persoon die van dat recht gebruik kan maken, minderjarige kinderen en pleegkinderen van de werknemer daaronder niet begrepen, € 54,00 per jaar, dan wel, indien recht bestaat op reizen per 1e klas, € 82,00 per jaar’.

I

Artikel 28 komt te luiden:

Artikel 28

Vaste vergoedingen ter zake van vervoer bij hoofdzakelijk reizen naar een vaste plaats van werkzaamheden

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vaste vergoedingen ter zake van vervoer die worden berekend op basis van ten hoogste € 0,19 per kilometer alsof de werknemer op 214 dagen per kalenderjaar naar een vaste plaats van werkzaamheden reist ingeval hij dat in het kalenderjaar ten minste op 150 dagen doet en het vervoer niet plaatsvindt per taxi, luchtvaartuig of schip of met een ter beschikking gesteld vervoermiddel.

2. Indien de werknemer een vierdaagse, een driedaagse, een tweedaagse of een eendaagse werkweek heeft, worden de in het eerste lid genoemde aantallen dagen vermenigvuldigd met viervijfde, drievijfde, tweevijfde of een vijfde.

3. De in het eerste lid genoemde aantallen dagen worden naar tijdsgelang herrekend bij:

a. de aanvang of het einde van de dienstbetrekking in de loop van het kalenderjaar;

b. een wijziging van de reisafstand in de loop van het kalenderjaar;

c. het beëindigen van de vergoeding in de loop van het kalenderjaar.

J

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van bedrijfsfitness, indien:

a. deelneming aan de fitness openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers of voor alle of nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers, en

b. de fitness plaatsvindt op de werkplek, op een vaste door de inhoudingsplichtige aangewezen locatie die geldt voor alle werknemers of op een vaste door de inhoudingsplichtige aangewezen locatie die geldt voor alle werknemers met dezelfde niet in de woning van een van deze werknemers gelegen arbeidsplaats.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van bedrijfsfitness, indien:

a. deelneming aan de fitness openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers of voor alle of nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers, en

b. de fitness plaatsvindt op de werkplek, op een vaste door de inhoudingsplichtige aangewezen locatie die geldt voor alle werknemers of op een vaste door de inhoudingsplichtige aangewezen locatie die geldt voor alle werknemers met dezelfde niet in de woning van een van deze werknemers gelegen arbeidsplaats.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Dit artikel is niet van toepassing op vergoedingen en verstrekkingen die uitsluitend toekomen aan een werknemer van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en waarin de werknemer, al dan niet tezamen met zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is, of aan diens partner in de zin van genoemd artikel 1.2.

K

Artikel 32 komt te luiden:

Artikel 32

Personeelsverenigingen

1. Tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen behoren vergoedingen en verstrekkingen, in redelijkheid, ter zake van personeelsverenigingen en dergelijke waaraan deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers.

2. Personeelsverenigingen in de zin van dit artikel hebben als doel en feitelijke werkzaamheden het organiseren van incidentele activiteiten en ondergeschikte voorzieningen met een gezamenlijk karakter ten behoeve van de werknemers.

3. Artikel 29, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. Tot de vrije verstrekkingen behoren de verstrekkingen door personeelsverenigingen van de in het tweede lid bedoelde incidentele activiteiten en ondergeschikte voorzieningen.

L

Na artikel 32 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 32a

Personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen

1. Tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen behoren vergoedingen en verstrekkingen, in redelijkheid, ter zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen die een gezamenlijk karakter dragen en waaraan deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid.

2. Artikel 29, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

M

Artikel 34, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘€ 13,25’ vervangen door € 13,00.

2. In onderdeel b worden ‘€ 42,75’, ‘€ 9,75’ en ‘€ 1,95’ vervangen door € 49,00, respectievelijk € 11,25 en € 2,25.

3. In onderdeel c worden ‘€ 23,75’, ‘€ 5,50’ en ‘€ 1,10’ vervangen door € 27,25, respectievelijk € 6,25 en € 1,25.

4. In onderdeel d wordt ‘€ 13,50’, ‘€ 3,00’ en ‘€ 0,60’ vervangen door: € 14,75, respectievelijk € 3,50 en € 0,70.

N

In artikel 35, eerste lid, worden ‘€ 145,50’, ‘€ 33,50’ en ‘€ 6,70’ vervangen door € 148,50, respectievelijk € 34,25 en € 6,85.

O

Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf van een fiets, voorzover de vergoeding niet meer bedraagt dan € 749, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een fiets, voorzover de waarde in het economische verkeer niet hoger is dan € 749, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.

3. Het vijfde lid komt te luiden:

5. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen van niet meer dan € 82 in het kalenderjaar ten titel van met een fiets samenhangende zaken alsmede de vergoeding ter zake van een fietsverzekering, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.

4. Het zesde lid komt te luiden:

6. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen tot niet meer dan € 82 in het kalenderjaar van met een fiets samenhangende zaken alsmede de verstrekking van een fietsverzekering, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.

5. Het zevende lid vervalt.

P

Artikel 38 vervalt.

Q

Artikel 39 vervalt.

R

Artikel 40 vervalt.

S

Artikel 42 vervalt.

T

Artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Het eerste lid is niet van toepassing op de vaste vergoedingen, bedoeld in artikel 28.

U

Artikel 49 vervalt.

V

In artikel 51 wordt de tabel vervangen door:

Huisvesting:

per maand

per week

per dag

a. aan boord van binnenschepen – andere dan vissersschepen – en baggermaterieel:

   

1. voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont

   

– van een schip van meer dan 2000 ton:

€ 136,00

€ 31,00

€ 6,20

– van een schip van meer dan 500, doch niet meer dan 2000 ton:

€ 102,00

€ 23,25

€ 4,65

– van een ander schip of van baggermaterieel:

€ 68,00

€ 15,50

€ 3,10

2. voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:

€ 55,00

€ 12,75

€ 2,55

b. aan boord van zeeschepen– andere dan vissersschepen – en op boorplatforms:

   

1. voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont:

  

€ 9,45

2. voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft

   

– voor een kapitein en voor een officier:

  

€ 4,50

– voor een andere werknemer:

  

€ 2,25

c. aan boord van vissersschepen:

   

voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:

  

€ 3,05

d. in pakwagens van kermis- exploitanten:

   

voor de werknemer die in een pakwagen woont en geen gezin heeft:

€ 55,00

€ 12,75

€ 2,55

e. voor de werknemer die niet is aangeduid in de onderdelen a, b, c en d:

nihil

nihil

Nihil

W

Artikel 53 vervalt.

X

Artikel 54 vervalt.

Y

In artikel 59, eerste lid, wordt ‘3,5%’ vervangen door: 4,7%.

Z

In artikel 61f wordt de zinsnede ‘de op de levenslooprekening gekweekte inkomsten en daarmee behaalde rendementen en de met een levenslooprekening van deelnemers behaalde rendementen’ vervangen door: de op de levenslooprekening gekweekte inkomsten en daarmee behaalde rendementen en de met een levenslooprecht van deelneming behaalde rendementen.

AA

In artikel 63, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘260/230’ vervangen door: 260/229.

BB

In artikel 64, eerste lid, wordt ‘de werknemer die niet te kennen heeft gegeven’ vervangen door: de werknemer die niet schriftelijk, gedagtekend en ondertekend te kennen heeft gegeven.

CC

Artikel 65 komt te luiden:

Artikel 65

Opgave van gegevens door de werknemer

1. De werknemer verstrekt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden, dan wel voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen, aan de inhoudingsplichtige schriftelijk, gedagtekend en ondertekend:

a. zijn naam met voorletters;

b. zijn geboortedatum;

c. zijn sociaal-fiscaalnummer;

d. zijn adres met postcode;

e. zijn woonplaats en, ingeval hij niet in Nederland woont, zijn woonland en regio.

Ingeval de werknemer geen werkzaamheden verricht, wordt de in de vorige volzin bedoelde opgave gedaan voordat de werknemer loon van de inhoudingsplichtige geniet.

2. De heffingskorting wordt slechts toegepast ingeval de werknemer daartoe een schriftelijk, gedagtekend en ondertekend verzoek aan de inhoudingsplichtige heeft gedaan. Het verzoek geldt tot het tijdstip waarop de werknemer het verzoek schriftelijk, gedagtekend en ondertekend intrekt.

3. De inhoudingsplichtige bewaart de in de vorige leden bedoelde gegevens tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd.

DD

In Artikel 66, eerste lid, wordt ‘De inhoudingsplichtige stelt zodra de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt diens identiteit vast’ vervangen door: De inhoudingsplichtige stelt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden van de werknemer, dan wel voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen, de identiteit van werknemer vast.

EE

Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, onderdeel a, wordt ‘van de werknemer terugontvangen loonbelastingverklaring’ vervangen door: door de werknemer op grond van artikel 65 verstrekte informatie.

2. In het vijfde lid, onderdeel a, wordt ‘van de werknemer terugontvangen loonbelastingverklaring onjuiste gegevens bevat’ vervangen door: door de werknemer op grond van artikel 65 verstrekte informatie onjuist is.

3. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt ‘hij niet de laatstelijk uitgereikte loonbelastingverklaring ingevuld van de werknemer heeft terugontvangen’ vervangen door: de werknemer geen informatie als bedoeld in artikel 65 heeft verstrekt.

4. In het vijfde lid, onderdeel c, wordt ‘is vrijgesteld van de verplichting tot inlevering van de loonbelastingverklaring’ vervangen door: geen informatie als bedoeld in artikel 65 hoeft te verstrekken.

FF

Artikel 68 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervallen de onderdelen b en d, onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel b.

2. In het eerste lid, onderdeel b (nieuw), vervalt ‘artikel 16c’.

3. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

4. In de aanhef van het tweede lid (nieuw) wordt ‘de in de vorige leden bedoelde gegevens’ vervangen door: de in het eerste lid bedoelde gegevens.

GG

Het opschrift van artikel 75 komt te luiden: Uitzonderingen bij het enkel genieten van bepaalde subsidies

HH

Het opschrift van artikel 76 komt te luiden: Uitzonderingen bij meewerkende kinderen

II

Het opschrift van artikel 77 komt te luiden: Uitzonderingen bij gerechtigden tot de bijstand

JJ

Het opschrift van artikel 78 komt te luiden: Uitzonderingen bij gerechtigden tot de inkomensvoorziening kunstenaars

KK

Artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Geen verplichting tot opgave van persoonlijke gegevens.

2. In het tweede lid wordt ‘met een loonbelastingverklaring’ vervangen door: met overeenkomstige toepassing van artikel 65, tweede lid,.

LL

In artikel 79a, derde lid, wordt ‘Artikel 65, zevende lid’ vervangen door: Artikel 65, derde lid.

MM

Het opschrift van artikel 80 komt te luiden: Verstrekking sociaal-fiscaalnummer als overigens geen persoonlijke gegevens hoeven te worden verstrekt

NN

Aan artikel 80a wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. Indien een correctiebericht betrekking heeft op een aangifte over een tijdvak in een verstreken kalenderjaar kan:

a. de inhoudingsplichtige, in afwijking van artikel 28a, eerste lid, van de wet, dat correctiebericht binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid los van een aangifte aan de inspecteur toezenden;

b. de inspecteur, in afwijking van artikel 28a, tweede lid, van de wet, de inhoudingsplichtige verplichten dat correctiebericht al dan niet gelijktijdig met een aangifte binnen een door hem te stellen termijn aan hem toe te zenden.

OO

Artikel 82, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen b, c, e en f, vervallen, onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel b en de onderdelen g tot en met k tot onderdelen c tot en met g.

2. Na onderdeel g (nieuw) wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g (nieuw) door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

h. h. uitkeringen ingevolge een in verband met het vervallen van een ziektekostenregeling als bedoeld in onderdeel b getroffen overgangsregeling, mits:

1°. de som van de uitkeringen niet hoger is dan 250% van de door de werknemer ingevolge de ziektekostenregeling ontvangen uitkering over het kalenderjaar 2003, 2004 of 2005, en

2°. de overgangsregeling uiterlijk op 1 januari 2015 vervalt.

PP

Artikel 83 vervalt.

QQ

In artikel 84 vervallen de onderdelen f en g, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel e door een punt.

RR

Artikel 87 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. De in Nederland wonende of gevestigde inhoudingsplichtige wordt geacht als onderdeel van het door hem verschuldigde loon van een in Nederland wonende werknemer ter beschikking te stellen het loon dat de werknemer zonder toepassing van dit artikel zou hebben genoten als werknemer van een andere inhoudingsplichtige indien:

a. de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking tevens werkzaam is als werknemer van die andere inhoudingsplichtige onder de verplichting het hem toekomende loon en de bijbehorende vrije vergoedingen af te staan aan de inhoudingsplichtige,

b. die andere inhoudingsplichtige het bedoelde loon en de bijbehorende vrije vergoedingen rechtstreeks afdraagt aan de inhoudingsplichtige en aan de werknemer geen vrije verstrekkingen verstrekt die niet vooraf aan de inhoudingsplichtige zijn medegedeeld, en

c. de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij de inhoudingsplichtige verplicht verzekerde is ingevolge een of meer van de werknemersverzekeringen, genoemd in artikel 2, onderdeel c, van de Wet financiering sociale verzekeringen.

2. Na het eerste lid wordt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid, een lid ingevoegd, luidende:

2. De in het eerste lid, onderdeel c, opgenomen voorwaarde geldt niet ingeval de werknemer zonder toepassing van dit artikel uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij die andere inhoudingsplichtige geen verplicht verzekerde ingevolge een of meer van deze werknemersverzekeringen zou zijn.

3. In het derde lid (nieuw) wordt ‘Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing’ vervangen door: Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing’ vervangen door: De vorige leden zijn slechts van toepassing.

SS

Artikel 105 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Overgangsregelingen loonbelastingverklaringen.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is van toepassing totdat de inhoudingsplichtige op grond van het bepaalde in artikel 65, eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, zoals dat op 31 december 2006 luidde, aan de werknemer een loonbelastingverklaring moet uitreiken of totdat de werknemer op grond van artikel 65, tweede lid, een verzoek doet om toepassing van de heffingskorting dan wel overeenkomstig deze bepaling verzoekt de heffingskorting niet meer toe te passen.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

4. De laatstelijk van de werknemer terugontvangen loonbelastingverklaring als bedoeld in artikel 29, vierde lid, van de wet zoals dat op 31 december 2006 luidde, wordt voor de toepassing van de heffingskorting aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 65, tweede lid, onderscheidenlijk de intrekking van een dergelijk verzoek.

5. De inhoudingsplichtige bewaart de in het vierde lid bedoelde loonbelastingverklaring bij de loonadministratie tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd.

TT

In artikel 109, tweede lid, wordt ‘artikel 32, vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet’ vervangen door: artikel 66 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet.

UU

Vóór artikel 112 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 111b

Toerekening loon van het jaar 2007 aan het jaar 2006

In afwijking van artikel 27 van de wet kan de overeenkomstig een door de inhoudingsplichtige bestendig gevolgde gedragslijn in de maand januari van het jaar 2007 gedane inhouding op loon dat de werknemer met betrekking tot een of meer loontijdvakken binnen het jaar 2006 toekomt, worden begrepen in de laatste aangifte met betrekking tot het jaar 2006. Het loon waarop deze inhouding betrekking heeft wordt voor de berekening van de inhouding gerekend tot het loon van het desbetreffende loontijdvak en wordt, in afwijking van artikel 13a van de wet en artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001, geacht te zijn genoten op 31 december 2006.

Artikel 111c

Toerekening loon aan verstreken tijdvakken binnen het jaar 2007

Ingeval de inhoudingsplichtige loon verstrekt met betrekking tot verstreken loontijdvakken binnen het jaar 2007 is het de inhoudingsplichtige toegestaan dat loon overeenkomstig een door hem bestendig gevolgde gedragslijn aan de desbetreffende loontijdvakken toe te rekenen, zo nodig door het indienen van correctieberichten. Dat loon wordt voor de berekening van de inhouding gerekend tot het loon van het desbetreffende loontijdvak en wordt, in afwijking van artikel 13a van de wet en artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001, geacht in die tijdvakken te zijn genoten.

Artikel V

De Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering5 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, tweede lid, onderdeel a, wordt ‘260:230’ vervangen door: 260:229.

B

In artikel 6 wordt de in het eerste lid opgenomen tabel vervangen door:

Indien hij de leeftijd heeft bereikt van

Doch niet de leeftijd van

 

15 jaren

16 jaren:

€ 4.988

16 jaren

17 jaren:

€ 5.736

17 jaren

18 jaren:

€ 6.567

18 jaren

19 jaren:

€ 7.564

19 jaren

20 jaren:

€ 8.728

20 jaren

21 jaren:

€ 10.224

21 jaren

22 jaren:

€ 12.053

22 jaren

23 jaren:

€ 14.131

23 jaren

 

€ 16.625

C

In artikel 11d wordt ‘onderdelen a en f’ vervangen door ‘onderdelen a, f en g’. Voorts wordt ‘de beroepsgerichte leerweg of basisberoepsgerichte leerweg’ vervangen door: de beroepsgerichte, de basisberoepsgerichte of de beroepsopleidende leerweg.

D

Na artikel 12aa wordt aan hoofdstuk IV een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 12bb

Als instanties als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel h, van de wet worden aangewezen:

a. het Kwaliteitscentrum examinering beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 7.4.9a, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

b. een Visiterende en Beoordelende Instantie als bedoeld in artikel 5a.8a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

c. een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen nader te bepalen accrediterende partij.

Artikel VI

De Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 19716 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘de artikelen 9, 13, 14a, 14b, 15ad, 15b, 21, 23a en 25a’ vervangen door: de artikelen 9, 13, 21 en 25a.

B

In artikel 2 wordt ‘6 percent’ vervangen door: 5 percent.

C

Artikel 2bis vervalt.

D

Artikel 2a wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt ‘artikel 13, tweede lid, laatste volzin, van de wet’ vervangen door: artikel 13, elfde lid, laatste volzin, van de wet.

2. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘waarbij de overnamekas buiten beschouwing blijft’ vervangen door: waarbij kortlopende beleggingen welke worden aangehouden met het oog op de verwerving van deelnemingen buiten beschouwing blijven.

3. Het derde en vierde lid vervallen onder vernummering van het vijfde lid tot derde lid.

E

Artikel 2b vervalt.

F

Artikel 2c vervalt.

G

Artikel 4 vervalt.

Artikel VII

Artikel 7d, zevende lid, van de Uitvoeringsregeling Successiewet 19567 komt te luiden:

7. Artikel 53b, eerste en tweede lid, van de Successiewet 1956 blijven buiten toepassing indien:

a. een gebeurtenis als bedoeld in artikel 53b, derde lid, onderdeel a, van die wet zich voordoet ten gevolge van het overlijden van de verkrijger van de onderneming, onderscheidenlijk de in artikel 53b, derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde aandelen of winstbewijzen geacht worden te zijn vervreemd ten gevolge van het overlijden van de verkrijger van die aandelen of winstbewijzen, een en ander voor zover gedurende het bij overlijden nog resterende gedeelte van de termijn, bedoeld in artikel 53b, eerste lid, van die wet bij diens verkrijgers krachtens erfrecht met betrekking tot de onderneming, aandelen of winstbewijzen zich geen gebeurtenis als bedoeld in artikel 53b, derde lid, van die wet, anders dan ten gevolge van overlijden, voordoet;

b. de in artikel 53b, derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde aandelen of winstbewijzen geacht worden te zijn vervreemd ten gevolge van een overgang onder algemene titel krachtens huwelijksvermogensrecht, voor zover gedurende het bij de overgang onder algemene titel krachtens huwelijksvermogensrecht nog resterende gedeelte van de termijn, bedoeld in artikel 53b, eerste lid, van die wet zich met betrekking tot de aandelen of winstbewijzen geen gebeurtenis als bedoeld in artikel 53b, derde lid, van die wet voordoet en de aandelen of winstbewijzen gedurende dit resterende gedeelte van de termijn tot de huwelijksgemeenschap blijven behoren;

c. in gevallen als bedoeld in onderdeel b tijdens de in dat onderdeel bedoelde resterende termijn de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden en verdeeld, waarbij de aandelen of winstbewijzen worden toegescheiden aan de oorspronkelijke verkrijger en zich gedurende het op dat moment nog resterende deel van de termijn zich met betrekking tot de aandelen of winstbewijzen geen gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 53b, derde lid, van die wet.

Artikel VIII

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 19948 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt.

2. Het derde en vierde lid worden vernummerd tot tweede en derde lid.

B

Artikel 29, onderdeel b, komt te luiden:

b. voor de natuurlijke persoon ter zake van de loonbelasting van de werknemer die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van diens huishouden, daaronder begrepen het verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden: het kalenderjaar;.

C

In artikel 37, tweede lid, en artikel 38, tweede lid, wordt ‘in de serie 70-00 tot en met 88-99’ vervangen door: in de serie 70-00 tot en met 88-99 of in de serie 90-00 tot en met 99-99.

Artikel IX

De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 19909 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1f, tweede lid, tweede volzin, wordt vervangen door:

De termijn van tien jaar vangt aan op de eerste dag na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.

B

Aan artikel 12, tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

g. de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening.

C

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede ‘en de ingehouden pensioenpremies en premies ziektekostenverzekering’ vervangen door: en de ingehouden pensioenpremies, bijdragen ingevolge een levensloopregeling en premies ziektekostenverzekering.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van het eerste lid, onderdeel c, onder 5°, door een puntkomma, wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

6°. de vergoeding voor de verzorging en opvoeding van een pleegkind in het kader van de Wet op de jeugdzorg.

D

Artikel 15, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. betalingen op belastingschulden, met uitzondering van die genoemd in artikel 8, tweede lid, en betalingen op terugvorderingen van tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;.

E

Artikel 17 vervalt.

Artikel X

De Uitvoeringsregeling Belastingdienst 200310 wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 11 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 11a

Met betrekking tot de heffing en invordering van rijksbelastingen, andere dan bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, ten aanzien van Ministers en staatssecretarissen, ressorteren deze personen onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden. Deze bepaling geldt vanaf het belastingjaar waarin deze bewindslieden zijn benoemd tot en met het belastingjaar waarin zij zijn ontslagen.

B

In artikel 16, derde lid, wordt ‘veertiende en vijftiende lid’ vervangen door: veertiende, vijftiende en zestiende lid.

C

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste, tweede en derde kolom vervallen de regels die aanvangen met ‘Liemeer’en ‘Ter Aar’.

2. In de regel die aanvangt met ‘Nieuwkoop’ komen de tweede en derde kolom te luiden: Holland Midden West.

Artikel XI

In artikel 1 van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken11 wordt ‘artikel 18, derde lid’ vervangen door: artikel 18, vierde lid.

Artikel XII

Artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt ‘bedoel’ vervangen door: bedoeld.

2. In het vijfde lid vervalt onderdeel e, onder verlettering van onderdeel f tot onderdeel e.

Artikel XIII

Artikel 68, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, zoals dat luidde op 31 december 2006, blijft van toepassing op de gegevens met betrekking tot uitkeringen en verstrekkingen ter zake van kinderopvang als bedoeld in artikel 16c, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2006.

Artikel XIV

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

2. In afwijking van het eerste lid werkt artikel I, onderdeel D, eerste lid, terug tot en met 18 juli 2006 en werkt artikel I, onderdeel D, tweede lid, terug tot en met 25 oktober 2006.

3. In afwijking van het eerste lid werkt artikel IV, onderdeel Z, terug tot en met 1 januari 2006.

4. In afwijking van het eerste lid werkt artikel V, onderdeel C, terug tot en met 1 januari 2006.

5. In afwijking van het eerste lid werkt artikel VIII, onderdeel C, terug tot en met 1 januari 2006.

6. In afwijking van het eerste lid werkt artikel IX, onderdeel A, terug tot en met 1 januari 2006.

7. In afwijking van het eerste lid werkt artikel X, onderdeel B, terug tot en met 1 januari 2006.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 12 december 2006.
De Minister van Financiën, G. Zalm.

Toelichting

Algemeen

De onderhavige regeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, waarbij een belangrijk deel voortvloeit uit het Belastingplan 2007, het Wijzigingsplan ‘Paarse krokodil’, de wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met het vervallen van de concernfinancieringsregeling, alsmede de Wet werken aan winst. Daarnaast houden wijzigingen verband met het vervallen per 1 januari 2006 van de kapitaalsbelasting (Wet VPB-pakket 2006), de wijziging van de Wet waardering onroerende zaken (meer doelmatige uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken) en de invoering van de wettelijke werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang per 1 januari 2007.

Voorts zijn bedragen aangepast aan loon- of prijsontwikkelingen. Tevens zijn enige omissies hersteld.

Voor zover de voorgestelde wijzigingen van de diverse regelingen effecten hebben op de administratieve lasten, is daarmee reeds rekening gehouden in de paragrafen betreffende de administratieve lasten van de wettelijke bepalingen waaraan deze regeling uitwerking geeft.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Het bedrag aan uitgaven voor levensonderhoud waarbij een ouder geacht wordt een kind in belangrijke mate te onderhouden, is in overeenstemming gebracht met het bedrag dat ter zake per 1 oktober 2006 is vastgesteld in de Regeling forfaitaire bedragen onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag 2006 (Stcrt. 169).

Artikel I, onderdeel B (artikel 9a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Om in aanmerking te komen voor de tonnageregeling geldt als voorwaarde dat een schip slechts onder de regeling kan worden gebracht indien de vlag van één van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte (hierna: de lidstaten) wordt gevoerd. De communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer maken het evenwel mogelijk dat hierop in een drietal situaties een uitzondering wordt gemaakt. Een uitzondering is toegestaan indien op landelijk niveau het aandeel van kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten gemiddeld niet is afgenomen ten opzichte van een voorgaande periode. Dit is het geval indien het nettotonnage van de landelijke vloot onder de vlag van een van de lidstaten als percentage van het netto-tonnage van het totaal van de landelijke vloot, van kwalificerende schepen niet is afgenomen. Nederland heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door een aanpassing van artikel 3.22 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Blijkens artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, juncto artikel 3.22, tiende lid, wordt jaarlijks bij Ministeriële regeling bepaald of op landelijk niveau de netto-tonnage van kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten als percentage van de netto-tonnage van kwalificerende schepen in een bepaalde periode vergeleken met de daaraan voorafgaande periode, niet is afgenomen. De bedoelde Ministeriële regeling wordt vastgesteld in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat. Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 3.22, zesde en tiende lid, en wordt vastgesteld dat op landelijk niveau de netto-tonnage van kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten gedurende de periode 2003 tot en met 2005 ten opzichte van de periode 2002 tot en met 2004 niet is afgenomen. Uit een onderzoeksrapport van Deloitte Consultancy B.V.1 blijkt dat het aandeel van de tonnage onder Nederlandse vlag, of de vlag van een andere lidstaat in de periode 2003 tot en met 2005 ten opzichte van de periode 2002 tot en met 2004 gemiddeld is gestegen van 67,379% naar 70,679%. Dit houdt in dat voor schepen die in het kalenderjaar 2007 in gebruik worden genomen de voorwaarde dat het schip de vlag voert van een van de lidstaten niet geldt.

Artikel I, onderdeel C (artikel 10 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Deze wijziging houdt verband met de vervanging van de Pensioen- en spaarfondsenwet door de Pensioenwet per 1 januari 2007.

Artikel I, onderdeel D (artikel 17 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In de delegatiebepaling van artikel 3.104, onderdeel h, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is de mogelijkheid opgenomen uitkeringen tot bestrijding van bepaalde noodzakelijke kosten die naar aard en strekking overeenkomen met bijstandsuitkeringen die geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van bepaalde noodzakelijke kosten, vrij te stellen. In artikel 17, eerste lid, onderdelen i en j, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 zijn uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Tijdelijke regeling verstrekkingen gerepatrieerden Libanon (Stcrt. 2006, 141) alsmede uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Tijdelijke regeling voortzetting verstrekkingen gerepatrieerden Libanon toegevoegd. Het gaat hierbij om regelingen die zijn getroffen in verband met de crisis in Libanon tijdens de zomer van 2006 in het kader waarvan de Minister van Buitenlandse Zaken had besloten tot evacuatie van de in Libanon wonende Nederlanders, hun echtgenoten/partners en hun eerstegraads familieleden. Voor gerepatrieerden die tijdelijk in Nederland verblijven is de Tijdelijke regeling verstrekkingen gerepatrieerden Libanon getroffen. De in het kader van deze tijdelijke regeling geboden financiële ondersteuning bestaat uit het verstrekken van onder meer ziektekosten en wettelijke aansprakelijkheidsregeling en toelagen voor persoonlijke uitgaven. De Tijdelijke regeling verstrekkingen gerepatrieerden Libanon is in werking getreden per 18 juli 2006 en is dertien weken na deze datum vervallen. Aansluitend is per 25 oktober 2006 de Tijdelijke regeling voortzetting verstrekkingen gerepatrieerden Libanon (Stcrt. 2006, 232) van kracht geworden, die per 1 februari 2007 vervalt. Beide regelingen zijn bedoeld voor gerepatrieerden die tijdelijk in Nederland verblijven. In verband met de bovenstaande inwerkingtredingsdata wordt aan de onderhavige wijziging van artikel 17 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 terugwerkende kracht verleend tot en met 18 juli 2006 onderscheidenlijk tot en met 25 oktober 2006.

Artikel I, onderdeel E (artikel 31 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De wijziging in artikel 31 Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 behelst een codificatie van de praktijk waarin de Tante Agaathregeling ook van toepassing is verklaard indien de startende ondernemer de vorm heeft van een naamloze vennootschap of een buitenlandse rechtspersoon, die vergelijkbaar is met de NV of BV. Is bijvoorbeeld sprake van een Engelse Ltd. waarin in Nederland een onderneming wordt gestart, dan kan gebruik worden gemaakt van de faciliteit, mits wordt voldaan aan de overige voorwaarden van dit artikel.

In het gewijzigde onderdeel a is daarom bepaald dat de beginnende ondernemer als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 kan zijn een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of naamloze vennootschap, dan wel een daarmee vergelijkbare buitenlandse rechtspersoon. Van die laatste categorie is sprake bij een rechtspersoon met een in aandelen verdeeld kapitaal indien deze buitenlandse rechtspersoon naar aard en inrichting vergelijkbaar is met de BV of NV. Het gaat hierbij om rechtspersonen die zijn opgericht naar het recht van de Nederlandse Antillen, Aruba, een lidstaat van de Europese Unie of een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is waarin een bepaling is opgenomen die discriminatie naar nationaliteit verbiedt. Ook voor die buitenlandse rechtspersoon geldt overigens wel de uit onderdeel b voortvloeiende voorwaarde dat in Nederland een onderneming met enige substantie dient te worden gedreven.

Om als beginnende ondernemer te kwalificeren mag de BV, NV of buitenlandse rechtspersoon niet langer dan acht jaren geleden tot stand zijn gekomen.

Artikel I, onderdeel F (artikel 37 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De wijziging van artikel 37 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 regelt dat de bedragen van de extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet worden aangepast aan de prijsstijgingen of -dalingen van dieetproducten en overige voedingsmiddelen.

Artikel I, onderdeel G (artikel 38 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De forfaitaire aftrekbedragen voor kleding en beddengoed in de regeling voor de buitengewone uitgaven zijn geactualiseerd. De daling van de bedragen vloeit voort uit de lagere CBS-indexcijfers voor kleding en schoeisel en voor beddengoed over de periode juli 2005 tot en met juni 2006 ten opzichte van dezelfde cijfers over de twaalf daaraan voorafgaande maanden.

Artikel I, onderdeel H (artikel 40a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 40a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, dat uitvoering geeft aan de in het kader van het Belastingplan 2007 in artikel 6.27, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen delegatiebepaling, zijn de accrediterende instanties opgenomen die een verklaring moeten hebben afgegeven voor een procedure erkenning verworven competenties (EVC-procedure) voordat de ter zake van deze procedure gedane uitgaven in aanmerking kunnen komen voor de aftrek van scholingsuitgaven. Wat betreft de opsomming van deze instanties zij verwezen naar de toelichting op artikel 12bb van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering.

Artikel II (artikel 2 van de Meldingsregeling milieu-investeringsaftrek 2001)

De wijziging in de Meldingsregeling milieu-investeringsaftrek 2001 hangt samen met de inwerkingtreding van de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving milieu-investeringen en milieu-investeringsaftrek 2007.

Artikel III, onderdelen A, B en C (artikelen 7, 10 en 12 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek Nederlandse Antillen en Aruba 2001)

In verband met de aanpassing van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 per 1 januari 2007 is ook de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek Nederlandse Antillen en Aruba 2001 per die datum aangepast. De Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek Nederlandse Antillen en Aruba 2001 kent enkele bijzondere bepalingen voor de toepassing van de energie-investeringsaftrek op de Nederlandse Antillen en Aruba.

De laatstgenoemde regeling wordt als volgt gewijzigd. Ten eerste wordt in artikel 7 een aanpassing aangebracht in de voorwaarden die worden gesteld aan aangewezen investeringen in duurzame energie. Indien voor een investering in duurzame energie een milieuvergunning of vergelijkbare vergunning wordt vereist, dient de belastingplichtige ten tijde van de melding te beschikken over een afgegeven milieuvergunning of vergelijkbare vergunning. In artikel 10 is bepaald dat de Minister van Economische Zaken kan vragen om deze gegevens over te leggen.

Ten tweede geldt een afwijkende energiebesparingsnorm voor investeringen op de Nederlandse Antillen en Aruba ten behoeve van energiebesparing bij apparatuur of processen. Deze wordt verlaagd tot 0,3 Nm3 aardgasequivalent per jaar per geïnvesteerde 0,45 euro.

Artikel IV, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De delegatiebepaling in artikel 16a, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt geschrapt omdat daaraan geen behoefte blijkt te bestaan. Daarom kan de verwijzing naar deze bepaling in artikel 1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 vervallen.

Artikel IV, onderdeel B (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 2, eerste lid, onderdeel c, Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 heeft sinds enige jaren geen functie meer binnen de huidige Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Deze definitiebepaling wordt in de overige artikelen van de uitvoeringsregeling namelijk niet toegepast. De bepaling is dus overbodig en kan daarom komen te vervallen.

Artikel IV, onderdeel C (artikel 2a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

In het wetgevingsoverleg over het Belastingplan 2007, gehouden op 23 oktober 2006, is aandacht gevraagd voor de administratieve lasten van niet in Nederland gevestigde gezelschappen (bijvoorbeeld het Boston Symphony Orchestra). Dit heeft ertoe geleid dat bij tweede nota van wijziging in artikel 5b van de Wet op de loonbelasting 1964 een delegatiebepaling is opgenomen, op basis waarvan volgens bij Ministeriële regeling te stellen regels aannemelijk gemaakt kan worden dat het gezelschap hoofdzakelijk bestaat uit leden die inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten (hierna: verdragsland), de Nederlandse Antillen of Aruba. De hiervoor genoemde regels zijn opgenomen in artikel 2a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Overeenkomstig de doelstelling leidt dit tot een verdere vermindering van de administratieve lasten voor deze gezelschappen.

In beginsel dient degene met wie het gezelschap het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of degene van wie het gezelschap de gage ontvangt (hierna: de organisator) van ten minste het merendeel van de leden aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht vast te stellen dat zij inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in een verdragsland, de Nederlandse Antillen of Aruba en dient hij een afschrift daarvan bij de administratie te bewaren. Deze hoofdregel is opgenomen in het eerste lid van genoemd artikel 2a.

Op grond van het tweede lid van dat artikel kan echter ook worden gekozen voor een administratief eenvoudiger regeling. Indien is voldaan aan de in dit tweede lid opgenomen voorwaarden, is het niet nodig om de in het eerste lid bedoelde documenten van een zo groot mogelijk deel, maar ten minste het merendeel van de leden van het gezelschap aan de organisator te verstrekken. Die voorwaarden houden in dat de organisator beschikt over:

a. een afschrift van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht dat betrekking heeft op de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap;

b. een schriftelijke verklaring van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap dat het gezelschap hoofdzakelijk bestaat uit leden die inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in een verdragsland, de Nederlandse Antillen of Aruba;

c. een schriftelijke overeenkomst betreffende het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland, of een afschrift van die overeenkomst, waarin het gezelschap als vestigingsland vermeldt een verdragsland, de Nederlandse Antillen of Aruba; en

d. een afschrift van een bank- of girorekening waaruit blijkt dat de gage van het gezelschap is overgemaakt naar een rekeninghouder die woont of is gevestigd in het in onderdeel c bedoelde vestigingsland.

Zoals uit het voorgaande volgt, is er sprake van een keuzeregime. Het is denkbaar dat een klein gezelschap eerder zal kiezen voor het in het eerste lid opgenomen regime, omdat dit regime bij kleine gezelschappen wellicht als minder administratief belastend zal worden gezien. Ook deze gezelschappen staat het echter uiteraard vrij om te kiezen voor het in tweede lid opgenomen regime.

Op grond van het derde lid is het tweede lid niet van toepassing indien aan de organisator onjuiste verklaringen, documenten of gegevens zijn verstrekt en deze dit weet of redelijkerwijs had moeten weten. Indien in die situatie evenmin is voldaan aan de in het eerste lid opgenomen voorwaarden, maar wel sprake is van een groep van hoofdzakelijk niet in Nederland wonende natuurlijke personen of gevestigde lichamen, is artikel 5b van de Wet op de loonbelasting 1964 alsnog van toepassing en zal de op grond van die bepaling verschuldigde loonbelasting uiteraard worden nageheven.

Artikel IV, onderdeel D (artikel 20 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het nieuwe artikel 20 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 13, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. De bepaling is bedoeld voor de situatie waarin de terbeschikkingstelling van communicatiemiddelen als telefoon en internet niet vrij is, omdat het zakelijke gebruik daarvan van niet meer dan bijkomstig belang is (anders is op grond van artikel 15b, eerste lid, onderdeel f, in verbinding met artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 sprake van een vrije verstrekking) en beoogt te voorkomen dat dan geschillen over de waardering van het loonvoordeel kunnen ontstaan. Het is praktisch niet mogelijk het daadwerkelijke gebruik voor particuliere doeleinden als loon in natura te belasten. Omdat het zakelijke gebruik in deze situatie niet meer dan bijkomstig is, wordt voor de waardering van het voordeel uitgegaan van de aan het ter beschikking gestelde communicatiemiddel in het economische verkeer verbonden kosten. Daarvan kan bij doorlopende overeenkomsten in de regel worden aangesloten bij de kosten die de aanbieder van deze producten aan de werkgever in rekening brengt. In de situatie dat de werkgever een duur toestel aan de werknemer ter beschikking stelt, wordt eveneens aangesloten bij de kosten van de werkgever, in het bijzonder de afschrijving. Deze waarderingsproblematiek speelt niet bij vergoedingen en verstrekkingen: de vergoedingen worden (als niet is voldaan aan de voorwaarde van meer dan bijkomstig zakelijk gebruik) als zodanig belast en bij een verstrekking wordt uitgegaan van de waarde in het economische verkeer.

Het nieuwe artikel 20 ziet niet op de waarde van het genot van een ter beschikking gestelde computer en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur. Daarvoor is in artikel 21a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 al een regeling opgenomen.

Artikel IV, onderdeel E (artikel 21 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor kleding van een in de onderneming van de ouder meewerkend kind zijn geactualiseerd. De daling van het maandbedrag vloeit voort uit de lagere CBS-indexcijfers voor kleding en schoeisel over de periode juli 2005 tot en met juni 2006 ten opzichte van dezelfde cijfers over de twaalf daaraan voorafgaande maanden. Door de wijze van afronding blijven de bedragen per dag en per week ongewijzigd.

Artikel IV, onderdeel F (artikel 21b van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De wijzigingen in de artikelen 21b en 68, eerste lid, onderdeel b (nieuw), van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 alsmede het vervallen van artikel 49 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 hangen samen met de invoering van de wettelijke werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang per 1 januari 2007. In verband daarmee komt de fiscale vrijstelling zoals die tot en met 31 december 2006 in artikel 16c van de wet is geregeld voor de ‘vrijwillige’ werkgeversbijdrage te vervallen. Dit brengt met zich dat de artikelen 1, 21b en 68, eerste lid, onderdeel b (nieuw), van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 redactioneel worden aangepast en dat artikel 49 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 kan vervallen. Laatstgenoemd artikel regelt thans de verklaring inzake het ontbrekend werkgeversdeel van de partner.

Artikel IV, onderdeel G (artikel 21c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Op grond van artikel 21c, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt een afschrift van een verzoek om een verklaring geen privé-gebruik als bedoeld in artikel 13bis, tiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 gedurende drie maanden nadat het verzoek bij de inspecteur is ingediend gelijkgesteld met de verklaring geen privé-gebruik. Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2006 ingevoerd waarbij is overwogen dat het niet steeds mogelijk is dat op een verzoek om een verklaring is beslist voordat een auto aan de werknemer ter beschikking wordt gesteld of voordat de toen nieuwe wettelijke regeling in werking zou treden. Deze bepaling kan nu vervallen omdat de aanvragen inmiddels op basis van dagproductie worden behandeld. Bovendien blijkt de termijn van drie maanden aanleiding te geven tot misbruik als verklaringen geen privé-gebruik na controle door de Belastingdienst worden ingetrokken. Sommige werknemers dienen dan een nieuwe aanvraag voor een verklaring geen privé-gebruik in en overhandigen een afschrift daarvan aan de werkgever. Op grond van het huidige art. 21c, vierde lid, geldt dit afschrift gedurende drie maanden als verklaring geen privé-gebruik. Op basis van dit afschrift zal inhouding van loonheffing over het privé-gebruik van de ter beschikking gestelde auto veelal ten onrechte achterwege blijven, hetgeen door de Belastingdienst na een volgend onderzoek moet worden gecorrigeerd.

Zoals opgemerkt, verwerkt de Belastingdienst aanvragen voor verklaringen geen privé-gebruik op basis van dagproductie; aanvragen die op een bepaalde dag binnenkomen worden nog diezelfde dag behandeld en leiden indien er geen contra-indicaties zijn ook nog diezelfde dag tot verzending van een verklaring geen privé-gebruik aan de aanvrager. Voor de terbeschikkingstelling van een auto zijn in het algemeen een aantal voorbereidingshandelingen van werkgever en werknemer noodzakelijk waardoor een werknemer enige tijd zal hebben om een verklaring geen privé-gebruik aan te vragen. Doordat de Belastingdienst de verklaring geen privé-gebruik op basis van dagproductie verstrekt, heeft een werknemer voldoende tijd om ervoor zorg te dragen dat zijn werkgever de verklaring geen privé-gebruik in zijn administratie kan opnemen voordat hij feitelijk over de auto van de zaak beschikt. Het is dus niet nodig de voorziening van art. 21c, vierde lid, ongewijzigd in stand te houden. Met het oog op het geconstateerde misbruik komt deze bepaling te vervallen. Het laten vervallen van art. 21c, vierde lid, betekent overigens een vereenvoudiging voor de werkgever. Hij hoeft namelijk geen administratie meer te voeren van gevallen waarin de inhouding wegens privé-gebruik achterwege blijft in verband met een afschrift van de aanvraag voor een verklaring geen privé-gebruik. Bovendien hoeft hij niet meer bij te houden op welk moment het afschrift in zijn administratie vervangen moet zijn door de verklaring geen privé-gebruik.

Artikel IV, onderdeel H (artikel 26 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 26 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 15a, eerste lid, onderdeel i, van de Wet op de loonbelasting 1964. Op grond van laatstgenoemd artikel behoort een vergoeding ter zake van een recht op reizen per openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer tot de vrije vergoedingen, voor zover is voldaan aan bij Ministeriële regeling te stellen regels die mede betrekking kunnen hebben op de mate waarin de vergoeding tot de vrije vergoedingen behoort.

De werkgever kan dus onder bepaalde voorwaarden aan de werknemer belastingvrij een openbaarvervoerkaart (verder: OV-kaart) vergoeden. De voorwaarden zijn uitgewerkt in artikel 26, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Hierin is bepaald dat het recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer mede moet dienen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer en dat de vergoeding is vrijgesteld voor zover deze meer bedraagt dan € 54 per jaar of, bij reizen eerste klas, € 82 per jaar. Deze bedragen gelden per persoon die van het recht gebruik kan maken, waarbij minderjarige (pleeg)kinderen van de werknemer niet worden meegerekend. Het voorgaande is op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 26, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van een OV-kaart.

De niet vrijgestelde bedragen worden op grond van artikel 84, aanhef en onderdelen f en g, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (gebaseerd op artikel 31, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, van de Wet op de loonbelasting 1964) aangemerkt als loon met een bestemmingskarakter. De werkgever is daarover een op basis van het enkelvoudige tarief berekende eindheffing verschuldigd.

Ten behoeve van een vereenvoudiging van de loonadministratie en een vermindering van administratieve lasten vervalt de in verhouding tot de waarde van de OV-kaart kleine eindheffing. Dit betekent dat een door de werkgever aan de werknemer verstrekt recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of mede dient voor woon-werkverkeer volledig vrij is, ook voor zover gezinsleden van de werknemer van dat recht gebruik kunnen maken. De werkgever hoeft de desbetreffende boekingen niet meer uit te voeren. Bovendien is het afschaffen van de normbijtelling voor de OV-kaart een stimulans voor het gebruik van het openbaar vervoer.

Artikel IV, onderdeel I (artikel 28 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het nieuwe artikel 28 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 15b, eerste lid, onderdeel a, slotzinsnede, van de Wet op de loonbelasting 1964. De kern daarvan is dat een vaste vrije reiskostenvergoeding kan worden betaald aan een werknemer die hoofdzakelijk naar een vaste plaats van werkzaamheden reist alsof de werknemer steeds naar die plaats reist.

Deze praktische regeling laat artikel 15b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 verder onverlet. Dit betekent dat moet worden gerekend op basis van ten hoogste het daarin vermelde kilometerbedrag en dat de regeling niet van toepassing is bij vervoer per taxi, luchtvaartuig, schip of ter beschikking gesteld vervoermiddel. Voor de duidelijkheid zijn deze elementen opgenomen in de tekst van artikel 28, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Zo kan de vaste vergoeding niet onbelast doorlopen zodra aan de werknemer een auto ter beschikking wordt gesteld.

De regeling is bedoeld voor de situatie dat een werknemer zijn reispatroon naar een vaste plaats van werkzaamheden af en toe onderbreekt. Binnen de voor de praktische hanteerbaarheid van deze regeling enigszins ruim getrokken grens hoeft de vaste vergoeding, ter verlaging van de administratieve lasten, dan niet te worden herrekend. De marge van 30% die in het begrip hoofdzakelijk in de wettekst ligt besloten, zal in de opzet van de regeling slechts bij uitzondering worden benut.

Bij het begrip vaste arbeidsplaats gaat het bijvoorbeeld om de fabriek, het kantoor of de werkplaats waar wordt gewerkt. Dit begrip is beperkter dan het begrip plaats of plaatsen van werkzaamheden zoals dat bij het reiskostenforfait van toepassing was. Daaronder viel ook het rayon van de werknemer. In de desbetreffende situaties zal de werkgever ook de reizen binnen het rayon vergoeden, waardoor er geen reden is voor een meer forfaitaire regeling voor de reizen naar de grens van het rayon. De beperking tot werknemers met een vaste arbeidsplaats vloeit voort uit het hiervoor genoemde doel van deze regeling.

Om discussies over de berekening van de vaste vergoeding te voorkomen, is het aantal dagen op basis waarvan de vaste vergoeding ten hoogste mag vastgesteld opgenomen in artikel 28, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Dit aantal is gesteld op 214 per kalenderjaar. Als de werknemer op ten minste 150 dagen (hoofdzakelijk, 70% van 214) naar de vaste arbeidsplaats reist, kan de vaste reiskostenvergoeding worden berekend op 214 maal de (enkele) kilometerafstand maal 2 maal € 0,19.

De aantallen van 214 en 150 dagen per kalenderjaar gelden voor werknemers die ten minste een vijfdaagse werkweek hebben. Voor werknemers die een kortere werkweek hebben, worden de aantallen dagen naar evenredigheid verminderd. Dit kan met het volgende voorbeeld worden toegelicht.

Een werknemer heeft een driedaagse werkweek. Hij werkt op het kantoor van zijn werkgever en gaat daar met eigen vervoer naartoe. De vaste vergoeding kan worden berekend alsof de werknemer op 128 dagen (3/5e maal 214) naar het kantoor reist, mits de werknemer dat feitelijk ten minste op 90 dagen (3/5e maal 150 is 90) doet.

Er is van afgezien de regeling te verbijzonderen voor de situatie dat de werknemer deels thuis werkt. Daardoor zou de regeling, ook in geval van een wijziging van het aantal dagen waarop de werknemer thuis werkt, minder toegankelijk worden. Voor de eenvoud is gekozen voor een regeling met algemene criteria.

Desondanks kunnen de in het eerste lid genoemde aantallen dagen niet altijd strikt worden toegepast. Het gaat dan niet alleen om situaties waarin de dienstbetrekking begint of eindigt in de loop van het kalenderjaar maar ook om situaties als de verplaatsing van het bedrijf, een overplaatsing van de werknemer of een verhuizing van de werknemer. Deze situaties worden geregeld in artikel 28, derde lid, onderdelen a en b, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. In onderdeel b wordt daarbij in het algemeen gesproken over een wijziging van de reisafstand. De oorzaak daarvan (een verplaatsing of een verhuizing) is overigens het logische moment om een vaste reiskostenvergoeding (opnieuw) vast te stellen of te beëindigen. In dergelijke situaties worden de in het eerste lid genoemde aantallen dagen naar tijdsgelang herrekend. Dat is niet het geval als de werknemer ziek wordt. De regeling is zo opgezet dat de vaste vergoeding dan in beginsel doorloopt. De vaste vrije vergoeding kan ook doorlopen als de werknemer zijn werkzaamheden gedurende langere tijd onderbreekt, bijvoorbeeld bij arbeidsongeschiktheid, sabbatsverlof of zorgverlof. In afwijking van hetgeen in het algemeen bij vaste vergoedingen geldt, is de 30%-marge bij deze regeling de enige grens. Zodra de 30%-marge wordt overschreden, geldt de wettelijke regeling van ten hoogste een vrije vergoeding van € 0,19 per afgelegde kilometer, met zo nodig voor de werkgever de verplichting tot het indienen van correctieberichten voor de reeds gedane aangiften loonheffingen. Voor het geval de vaste vergoeding daadwerkelijk wordt gestopt, wordt de regeling volgens artikel 28, derde lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wel naar tijdsgelang toegepast. Daardoor hoeft de betaalde vaste vergoeding meestal niet te worden belast. Dit kan met het volgende voorbeeld worden toegelicht.

Een werknemer met een vijfdaagse werkweek krijgt op 15 juli een ernstig ongeluk, waardoor hij zijn werkzaamheden pas weer op 1 december kan hervatten. Als de werkgever de vaste vergoeding met ingang van 1 september stopzet, kan de vaste vergoeding met betrekking tot de maanden januari tot en met augustus vrij blijven, mits de werknemer dan op 100 dagen (8/12e van 150) naar de vaste plaats van werkzaamheden heeft gereisd. Met ingang van 1 december kan dan weer een vaste vergoeding worden betaald als de werknemer die maand op ten minste 12 dagen naar de vaste plaats van werkzaamheden reist.

Uiteraard is de werkgever in het voorbeeld niet verplicht de vergoeding per 1 september te beëindigen, maar als hij de vergoeding laat doorlopen zal hij al gauw de conclusie moeten trekken dat niet is voldaan aan de voorwaarde in artikel 28, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 over het feitelijke aantal reizen, zodat heffing plaats moet vinden.

Artikel 28 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 heeft overigens geen exclusief karakter voor de reiskostenvergoedingen. Als op basis van de hoofdregel in artikel 15b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 met betrekking tot de daadwerkelijk afgelegde reisafstand een hoger bedrag kan worden vergoed (bijvoorbeeld ten aanzien van de werknemer met een zesdaagse werkweek), staat dit de werkgever vrij, uiteraard mits hij de vergoeding kan onderbouwen. In zoverre is volgens de algemene regels overigens een vaste vergoeding mogelijk, mits daarbij wordt voldaan aan de in artikel 47 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 met betrekking tot vaste vergoedingen opgenomen regels (vergelijk onderdeel 3 van het besluit van 7 december 2005, nr. CPP2005/2433M, onder meer gepubliceerd in BNB 2006/60).

De door deze wijziging vervallen tekst van artikel 28 van de Uitvoeringregeling loonbelasting 2001 bevatte de 80-maaltijdenregeling. Met ingang van 1 januari 2007 geldt op grond van artikel 15a, eerste lid, onderdeel ab, van de Wet op de loonbelasting 1964 dat alle maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, vrij kunnen worden vergoed of verstrekt.

Artikel IV, onderdeel J (artikel 29 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 29 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 15b, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964. Ingevolge laatstgenoemde bepaling zijn vergoedingen ter zake van bedrijfsfitness alleen vrijgesteld voor zover is voldaan aan bij Ministeriële regeling te stellen regels. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt hetzelfde voor het verstrekken van bedrijfsfitness.

De tekst van artikel 29 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 tot 1 januari 2007 stelt in het eerste en tweede lid als voorwaarden voor het belastingvrij vergoeden dan wel verstrekken van bedrijfsfitness dat de fitness geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt gedurende werktijd en dat deelneming aan de fitness openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers of voor alle of nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers. In het derde lid is bedrijfsfitness als bedoeld in deze bepaling gedefinieerd als conditie- of krachttraining van werknemers welke plaatsvindt onder deskundig toezicht en welke georganiseerd of geïnitieerd wordt door de inhoudingsplichtige.

De voorwaarde dat de fitness geheel of nagenoeg geheel tijdens werktijd plaatsvindt, komt per 1 januari 2007 te vervallen. Daarvoor in de plaats wordt in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 de voorwaarde opgenomen dat de bedrijfsfitness plaatsvindt op de werkplek, op een vaste door de inhoudingsplichtige aangewezen locatie die geldt voor alle werknemers of op een vaste door de werkgever aangewezen locatie die geldt voor alle werknemers met dezelfde niet in de woning van een van deze werknemers gelegen arbeidsplaats. Met deze voorwaarde wordt voorkomen dat werknemers in de avonduren vlak bij hun woonplaats op individuele basis onbelast op kosten van de werkgever kunnen gaan fitnessen. De faciliteit is bedoeld voor bedrijfsfitness. De voorwaarde dat de door de werkgever aangewezen vaste locatie – in plaats van voor alle werknemers – ook kan gelden voor alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van de werknemers, is met name bedoeld voor het geval dat een inhoudingsplichtige meerdere vestigingen heeft die op grote afstand van elkaar liggen. In dat geval heeft het immers geen of weinig zin om voor alle werknemers van de verschillende vestigingen dezelfde fitnesslocatie aan te wijzen. Het ontmoet voor de toepassing van artikel 29 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geen bezwaar dat de werkgever voor de ene vestiging wel een bedrijfsfitnessregeling heeft en voor de andere vestiging niet.

In het vierde lid wordt een nieuwe voorwaarde gesteld welke ertoe strekt dat de directeur/aandeelhouder alleen van de regeling gebruik kan maken als andere werknemers aan de bedrijfsfitness deelnemen. Vergoedingen en verstrekkingen ter zake van bedrijfsfitness zijn niet vrij indien deze uitsluitend toekomen aan een werknemer en/of zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 welke werknemer, al dan niet tezamen met zijn partner of zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in de vennootschap waarvoor hij werkzaam is. Door de grens van het bezit van één derde van het geplaatste aandelenkapitaal ziet deze beperking slechts op situaties waarin het aannemelijk is dat de aandeelhouder een belangrijke zeggenschap in de vennootschap heeft. Hierbij maakt het niet uit of de partner al dan niet bij de inhoudingsplichtige vennootschap in dienstbetrekking is.

Met een iets andere tekst wordt aldus aangesloten bij de voor een spaarloonregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 geldende voorwaarde dat deelname aan de spaarloonregeling niet uitsluitend mag zijn opengesteld voor de hier omschreven aandeelhouder/werknemer en zijn partner (artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 23 van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen).

De bijzondere bepaling met betrekking tot directeuren/aandeelhouders bij bedrijfsfitness kan aan de hand van de volgende voorbeelden worden toegelicht:

1. een BV heeft als werknemers alleen de directeur/aandeelhouder en zijn partner; de regeling met betrekking tot bedrijfsfitness is niet van toepassing;

2. een BV heeft een directeur/aandeelhouder en negen andere werknemers waaronder de partner van de directeur/aandeelhouder. De regeling met betrekking tot bedrijfsfitness is alleen van toepassing indien ten minste negen van de tien werknemers daaraan deel kunnen nemen, ook al maakt daarvan behalve de directeur/aandeelhouder en diens partner maar één andere werknemer gebruik. Blijft de feitelijke deelname aan de bedrijfsfitness echter beperkt tot de directeur/aandeelhouder en diens partner, dan is volgens het nieuwe vierde lid de regeling niet van toepassing.

Artikel IV, onderdeel K (artikel 32 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Op grond van het met ingang van 1 januari 2007 ingevoerde nieuwe artikel 15b, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de loonbelasting 1964 behoren tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen niet vergoedingen en verstrekkingen ter zake van personeelsverenigingen en dergelijke, behoudens voor zover is voldaan aan bij Ministeriële regeling te stellen regels. Deze regels worden opgenomen in artikel 32 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

Met betrekking tot personeelsverenigingen geldt volgens artikel 32, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 als voorwaarde dat deelname aan de personeelsvereniging open moet staan voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers. Deze formulering wijkt af van de desbetreffende tekst in artikel 32a (voorheen: artikel 42) van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 met betrekking tot personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen. De achtergrond daarvan is dat een personeelsvereniging per organisatorische eenheid (het managementteam bijvoorbeeld) niet goed denkbaar is, omdat het collectieve karakter dat aan een personeelsvereniging eigen is dan ontbreekt.

In artikel 32, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is de gezamenlijkheidseis opgenomen. Op grond van deze gezamenlijkheidseis moeten doel en feitelijke werkzaamheden bestaan uit het organiseren van incidentele activiteiten en ondergeschikte voorzieningen met een gezamenlijk karakter ten behoeve van de werknemers. In feite ligt dit al besloten in het woord ‘personeelsvereniging’, een gezelligheidsvereniging van het personeel van een bedrijf. Hierin komt tot uitdrukking dat het gaat om een vereniging die als doel heeft het bevorderen en organiseren van sociale en gezelligheidsactiviteiten ten behoeve van de brede werknemerskring.

Bij het organiseren van incidentele activiteiten met een gezamenlijk karakter ten behoeve van de werknemers kan bijvoorbeeld worden gedacht aan sociale activiteiten als een sinterklaas- of een kerstfeest, aan culturele en recreatieve activiteiten. Het is niet de bedoeling dat personeelsverenigingen de functies van andere verenigingen overnemen. Daarom wordt gesproken over incidentele activiteiten.

Bij andere ondergeschikte voorzieningen kan worden gedacht aan het van oudsher gebruikelijke door personeelsverenigingen bedingen van kwantumkortingen ten behoeve van het personeel. Een voorbeeld is de kwantumkorting op de huur van vakantiehuisjes. Het wordt anders als de personeelsvereniging voor gratis vakantiehuisjes weet te zorgen.

Uit het voorgaande volgt dat de vrijstelling voor personeelsverenigingen en dergelijke niet is bedoeld voor fondsen waaruit geldelijke uitkeringen aan werknemers worden gedaan. Er is dan geen sprake van een vereniging die incidentele activiteiten en ondergeschikte voorzieningen organiseert met een gezamenlijk karakter.

Met betrekking tot personeelsverenigingen geldt volgens artikel 32, derde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 de in artikel 29, vierde lid, geregelde beperking ten aanzien van de directeur/aandeelhouder, al is dat bij dit onderwerp vanwege het begrip personeelsvereniging meer ten overvloede.

In het vierde lid wordt vastgelegd dat verstrekkingen door personeelsverenigingen en dergelijke van incidentele activiteiten en ondergeschikte voorzieningen met een gezamenlijk karakter ten behoeve van de werknemers tot de vrije verstrekkingen behoren. Voor de toegankelijkheid is dit in artikel 32 bepaald hoewel regelingen met betrekking tot uitsluitend vrije verstrekkingen in het algemeen aan het slot van hoofdstuk 4 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zijn opgenomen.

De tot en met het jaar 2006 geldende uitsluiting van vergoedingen voor personeelsverenigingen ziet door de woorden ‘en dergelijke’ ook op lief- en leedpotten. Door de gewijzigde tekst (met eveneens de woorden ‘en dergelijke’) vervalt ook de uitsluiting van vergoedingen voor de lief- en leedpotten die bij grotere ondernemingen en organisaties overigens doorgaans per afdeling bestaan. Aldus kunnen ter zake van lief- en leedpotten, in redelijkheid, vrije vergoedingen worden gegeven. Het gaat hierbij uit de aard der zaak om kleine bedragen. Dit sluit aan bij de jurisprudentie met betrekking tot interne representatiekosten. Dat zijn kosten die de ene collega maakt voor attenties aan een of meer andere collega’s (HR 27 september 2002, nr. 37 049, onder meer gepubliceerd in BNB 2002/381, en HR 25 februari 2005, nr. 39 768, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/171).

De door deze wijziging vervallen tekst van artikel 32 van de Uitvoeringregeling loonbelasting 2001 was gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en gaf de normbedragen die bij het loon worden geteld voor meer dan bijkomstig zakelijke maaltijden wanneer deze per jaar het aantal van 80 overschrijden. Omdat de 80-maaltijdenregeling wordt afgeschaft, kan die tekst vervallen.

Artikel IV, onderdeel L (artikel 32a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het nieuwe artikel 32a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op het nieuwe artikel 15b, eerste lid, onderdeel ha, van de Wet op de loonbelasting 1964 en geeft de voorwaarden waaronder vergoedingen en verstrekkingen ter zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen vrij zijn, waarbij in de tekst voor de duidelijkheid tot uitdrukking is gebracht dat aan het algemene criterium ‘in redelijkheid’ moet zijn voldaan.

Net als voor de huidige regeling (in artikel 42) van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geldt dat deelname aan de personeelsreis en dergelijke moet openstaan voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid.

In artikel 32a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, is ter verduidelijking opgenomen dat personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen een gezamenlijk karakter dienen te hebben (HR 20 december 2002, nr. 37 890, onder meer gepubliceerd in BNB 2003/103, en HR 18 november 2005, nr. 39 707, onder meer gepubliceerd in BNB 2006/46).

Nieuw is de in artikel 32a, tweede lid, in verbinding met artikel 29, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 gestelde voorwaarde die ertoe strekt dat de directeur/aandeelhouder alleen van de regeling gebruik kan maken als andere werknemers aan de personeelsreis deelnemen. Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 29, vierde lid.

Artikel IV, onderdeel M (artikel 34 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor de waarde van bewassing en energie zijn geactualiseerd. Door de wijze van afronding blijven de bedragen per dag en per week voor bewassing ongewijzigd. Door de geringe mutatie in de onderliggende indexcijfers blijven ook de bedragen voor water ongewijzigd.

Artikel IV, onderdeel N (artikel 35 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor inwoning zijn geactualiseerd.

Artikel IV, onderdeel O (artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Op grond van de tekst van art. 37, eerste en vierde lid, tot 1 januari 2007 zijn vrij de vergoedingen ter zake van de aanschaf van een fiets, voor zover de vergoeding meer bedraagt dan € 68 en niet meer bedraagt dan € 749, mits:

a. de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruikmaakt van de fiets;

b. in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren ter zake van de aanschaf van een fiets geen vrije vergoeding is betaald, en

c. in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren als vrije verstrekking geen fiets is verstrekt dan wel ter beschikking gesteld.

Ingevolge het tweede lid geldt hetzelfde voor de verstrekking van een fiets. Op grond van het derde lid kan, onder de hiervoor onder a tot en met c genoemde voorwaarden, een fiets tot een waarde van € 749 belastingvrij ter beschikking worden gesteld.

Verder is op grond van het vijfde lid de verstrekking van een fiets die reeds vijf jaar voor woon-werkverkeer aan de werknemer ter beschikking was gesteld en een cataloguswaarde heeft van ten hoogste € 749 volledig belastingvrij, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen de fiets voor woon-werkverkeer blijft gebruiken. In dit geval vindt dus geen bijtelling plaats van € 68. Daartoe is minder aanleiding dan bij het verstrekken van een nieuwe fiets, omdat de desbetreffende fiets reeds langere tijd voor woon-werkverkeer aan de werknemer ter beschikking is gesteld.

Artikel 37, eerste en tweede lid, is per 1 januari 2007 zodanig gewijzigd dat de in verhouding tot de waarde van een fiets kleine bijtelling van € 68 ter verlaging van administratieve lasten komt te vervallen. Daardoor kan de werkgever voortaan tot een bedrag van € 749 volledig belastingvrij de aanschafkosten van een fiets voor woon-werkverkeer vergoeden of verstrekken. Als de werkgever voor een hoger bedrag een fiets vergoedt of verstrekt, is alleen het meerdere belast. Stel hij vergoedt een fiets van € 900, dan is voortaan € 151 (€ 900 – € 749) belast. Thans is dat (€ 900 – € 749) + € 68 = € 219.

Als gevolg van de wijziging van het tweede lid kan tevens het vijfde lid (tekst 2006) vervallen. Nu op grond van het gewijzigde tweede lid bij de verstrekking van een (nieuwe) fiets geen bijtelling van € 68 meer plaatsvindt, hoeft dit voortaan niet afzonderlijk te worden bepaald voor een fiets die reeds vijf jaar ter beschikking is gesteld voor woon-werkverkeer.

Op grond van het zesde en zevende lid (tekst 2006) kunnen met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer tot een bedrag van € 250 per drie jaar belastingvrij worden vergoed of verstrekt, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets. Met het nieuwe vijfde en zesde lid wordt deze regeling vereenvoudigd. Het soms tot discussie leidende criterium ‘direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer’ kan vervallen, zodat voldoende is dat het gaat om met de fiets samenhangende zaken.

Met betrekking tot de vergoedingen geldt voortaan per kalenderjaar een forfait van € 82. Zonder nader bewijs kan tot dit bedrag voor deze zaken een vrije vergoeding worden betaald. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door de woorden ‘ten titel van’. Een hogere vrije vergoeding is niet mogelijk (vanwege de woorden ‘niet meer dan’). De vergoeding moet wel voor de bedoelde zaken zijn bestemd om een samenloop te voorkomen met de verstrekkingen van deze zaken. De regeling met betrekking tot verstrekkingen (met eveneens het maximum van € 82 per kalenderjaar) is per 1 januari 2007 opgenomen in het nieuwe zesde lid. Het bedrag van € 82 per kalenderjaar geldt voor vergoedingen en verstrekkingen tezamen (artikel 22, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001). Dit betekent bijvoorbeeld dat als de werkgever in het kalenderjaar voor € 40 aan bijkomende zaken verstrekt er nog ruimte is voor een vrije vergoeding ter zake van bijkomende zaken, die verder niet gespecificeerd hoeft te zijn, van € 42. Geeft de werkgever een vergoeding van € 82 voor de bijkomende zaken, dan is een vrije verstrekking van dergelijke zaken niet mogelijk.

De fietsregeling blijft verder ongewijzigd. Net als in 2006 kan een fietsverzekering belastingvrij worden vergoed of verstrekt en geldt de voorwaarde dat de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.

Artikel IV, onderdeel P (artikel 38 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 38 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, dat is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, geeft een normregeling voor de vrije vergoedingen en verstrekkingen bij ISDN-abonnementen. De bepaling vervalt in verband met de nieuwe in artikel 15b, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen regeling met betrekking tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen ter zake van telefoon, internet en dergelijke communicatiemiddelen.

Artikel IV, onderdeel Q (artikel 39 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 39 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, dat was gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, gaf een normregeling voor de vrije vergoedingen en verstrekkingen bij een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon. De bepaling vervalt in verband met de nieuwe in artikel 15b, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen regeling met betrekking tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen ter zake van telefoon, internet en dergelijke communicatiemiddelen.

Artikel IV, onderdeel R (artikel 40 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 40 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, dat was gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, bepaalde dat de vergoeding of verstrekking van de tweede of volgende telefoon die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt vrij is. De bepaling vervalt in verband met de nieuwe in artikel 15b, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen regeling met betrekking tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen ter zake van telefoon, internet en dergelijke communicatiemiddelen.

Artikel IV, onderdeel S (artikel 42 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

In artikel 42 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, dat was gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, waren de voorwaarden opgenomen waaronder vergoedingen en verstrekkingen ter zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen vrij zijn. Deze bepaling vervalt omdat thans met betrekking tot dit onderwerp in artikel 15b, eerste lid, onderdeel ha, van de Wet op de loonbelasting 1964 een specifieke delegatiebepaling is opgenomen. Daarop is het hiervoor toegelichte nieuwe artikel 32a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 gebaseerd.

Artikel IV, onderdeel T (artikel 47 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 47 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 15d van de Wet op de loonbelasting 1964 waarin is bepaald dat vaste vergoedingen geen vrije vergoedingen zijn voor zover niet is voldaan aan bij Ministeriële regeling te stellen regels. De in het nieuwe artikel 28 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geregelde vaste vergoeding voor vervoer van de werknemer die hoofdzakelijk naar een vaste plaats van werkzaamheden reist, heeft een deels van de systematiek afwijkend karakter. De wijziging van artikel 47 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 strekt ertoe vast te leggen dat de in dit artikel opgenomen criteria niet gelden voor de op artikel 28 gebaseerde vaste reiskostenvergoedingen. Die vergoedingen kennen een eigen, bijzonder regime. De criteria in artikel 47 blijven van belang voor de overige vaste vergoedingen.

Artikel IV, onderdeel U (artikel 49 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Verwezen wordt naar de toelichting op de wijziging van artikel 21b van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

Artikel IV, onderdeel V (artikel 51 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor huisvesting aan boord van schepen en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten zijn geactualiseerd.

Artikel IV, onderdeel W (artikel 53 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 53 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 was gebaseerd op artikel 17, tweede lid, in verbinding met artikel 15c van de Wet op de loonbelasting 1964 en gaf de normbedragen voor kost aan boord van schepen en baggermateriaal en op boorplatforms. Deze bepaling kan vervallen omdat met ingang van 1 januari 2007 op grond van artikel 15a, eerste lid, onderdeel ab, van de Wet op de loonbelasting 1964 geen bijtellingen meer zullen plaatsvinden voor maaltijden met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter, waaronder de maaltijden aan boord van schepen en baggermateriaal en op boorplatforms.

Artikel IV, onderdeel X (artikel 54 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 54 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 was gebaseerd op artikel 17, tweede lid, in verbinding met artikel 15c van de Wet op de loonbelasting 1964.

Ingevolge deze bepaling behoorde tot de vrije verstrekkingen de verstrekking van het in werktijd mee-eten van werknemers in de geestelijke en lichamelijke gezondheids- of welzijnszorg met de hen toevertrouwde patiënten, pupillen of bewoners, indien zij dit verplicht zijn op basis van de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling op grond van opvoedkundige of therapeutische overwegingen of overwegingen van resocialiserende aard (therapeutisch mee-eten). Deze bepaling kan vervallen omdat met ingang van 1 januari 2007 op grond van artikel 15a, eerste lid, onderdeel ab, van de Wet op de loonbelasting 1964 geen bijtellingen meer zullen plaatsvinden voor maaltijden met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter. Het hiervoor beschreven therapeutisch mee-eten valt onder het begrip ‘maaltijd met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter’.

Artikel IV, onderdeel Y (artikel 59 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het in dit artikel genoemde rentepercentage wordt gesteld op de heffings- en invorderingsrente bij belastingen zoals dat is vastgesteld voor het eerste kalenderkwartaal van het kalenderjaar.

Artikel IV, onderdeel Z (artikel 61f van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Deze bepaling is laatstelijk met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 gewijzigd bij Ministeriële regeling van 6 juli 2006, Stcrt. 2006, 134 (Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen). De bij die wijziging in de nieuwe tekst ontstane redactionele onvolkomenheid wordt met de onderhavige wijziging met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 gecorrigeerd.

Artikel IV, onderdeel AA (artikel 63 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De wijziging van dit artikel houdt verband met de vaststelling van het aantal werkdagen voor het jaar 2007 op 229 voor de werknemer met vakantiebonnen voor 20 of meer vakantiedagen per jaar.

Artikel IV, onderdeel BB (artikel 64 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 64 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1964 is gebaseerd op artikel 25, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. De bepaling wordt gewijzigd in verband met het vervallen van de loonbelastingverklaring. Een verzoek om toepassing van de studenten- en scholierenregeling moet schriftelijk, gedagtekend en ondertekend worden gedaan, maar is verder vormvrij.

Artikel IV, onderdeel CC (artikel 65 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 65 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 29 van de Wet op de loonbelasting 1964 dat op administratieve verplichtingen van de werknemer betrekking heeft. Hoewel de loonbelastingverklaring wordt afgeschaft, blijft opgave door de werknemer van persoonlijke gegevens aan de werkgever nodig, maar dit kan voortaan – afgezien van de voorwaarde dat deze opgave schriftelijk, gedagtekend en ondertekend moet zijn – vormvrij geschieden en wel voor de datum van aanvang van de werkzaamheden, dan wel voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen. Deze termijn is in lijn gebracht met die waarbinnen de eerstedagsmelding volgens artikel 28, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 moet worden gedaan.

Ingeval de werknemer geen werkzaamheden verricht maar bijvoorbeeld pensioen geniet, moet de opgave worden gedaan voordat de werknemer loon van de inhoudingsplichtige geniet.

Het nieuwe artikel 65, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 somt de gegevens op die de werknemer aan de inhoudingsplichtige moet verstrekken zodra hij zijn werkzaamheden aanvangt. Het gaat om zijn naam met voorletters, zijn geboortedatum, zijn sociaal-fiscaalnummer en zijn adres met postcode en woonplaats. Ingeval de werknemer niet in Nederland woont, moet de werknemer hierbij ook zijn woonland en regio vermelden. De werkgever heeft deze gegevens overigens al nodig voor zijn personeelsadministratie. De naam, de geboortedatum en het sociaal-fiscaalnummer van de nieuwe werknemer worden opgenomen in de eerstedagsmelding. De werknemer moet deze gegevens schriftelijk, gedagtekend en ondertekend verstrekken. De wijze waarop (via een formulier van de inhoudingsplichtige, op de kopie van het identiteitsbewijs van de werknemer of anderszins) is verder vrij.

Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 kan de werknemer die over loontijdvakken die geheel of gedeeltelijk samenvallen loon geniet uit meer dan een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking dan wel van meer dan een inhoudingsplichtige en dit loon voor de berekening van de belasting niet wordt samengevoegd, de heffingskorting slechts in een dienstbetrekking dan wel tegenover een inhoudingsplichtige geldend maken. De inhoudingsplichtige is hierbij afhankelijk van gegevens van de werknemer. Artikel 65, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bepaalt dat de heffingskorting slechts wordt toegepast ingeval de werknemer daartoe een schriftelijk, gedagtekend en ondertekend verzoek aan de inhoudingsplichtige heeft gedaan. Gelet op artikel 23, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 kan de werknemer dat verzoek slechts bij één inhoudingsplichtige doen. Als een verzoek om toepassing van de heffingskorting is achterhaald, is de werknemer verplicht het verzoek in te trekken.

De werknemer moet een verzoek met betrekking tot de heffingskorting zoals gezegd schriftelijk, gedagtekend en ondertekend doen. Hetzelfde geldt voor de intrekking daarvan. Deze wijze van vastlegging is vooral van belang voor de vraag aan wie een naheffingsaanslag wordt opgelegd ingeval wordt geconstateerd dat de heffingskorting ten onrechte is toegepast. Daarvoor is van belang dat de door de werknemer gedane mededelingen met betrekking tot de heffingskorting in beeld zijn.

Artikel 65, derde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 verplicht de inhoudingsplichtige de door de werknemer verstrekte opgave van zijn persoonlijke gegevens, een verzoek om toepassing van de heffingskorting en de intrekking daarvan te bewaren tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd. De wijze waarop is overgelaten aan de inhoudingsplichtige. Het ligt voor de hand dat deze gegevens worden bewaard in het personeelsdossier.

Met betrekking tot de situatie dat een werknemer binnen een jaar nadat de dienstbetrekking is geëindigd weer bij de inhoudingsplichtige in dienst treedt, is in het nieuwe artikel 65 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geen bijzondere bepaling meer opgenomen. In een dergelijke situatie ligt het voor de hand dat de gegevens in het dan heropende personeelsdossier van de werknemer op juistheid worden gecontroleerd, waarna de werknemer – als deze gegevens nog juist zijn – daar wederom voor tekent.

Artikel IV, onderdeel DD (artikel 66 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 66 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, dat was gebaseerd op artikel 28, aanhef en onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964, bepaalde wanneer de inhoudingsplichtige de identiteit van de werknemer moet vaststellen. Deze bepaling wordt nu in lijn gebracht met de termijn waarbinnen de eerstedagsmelding moet worden gedaan (artikel 28, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964) en de termijn waarbinnen de werknemer persoonlijke gegevens aan de inhoudingsplichtige moet verstrekken (artikel 65 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001).

Artikel IV, onderdeel EE (artikel 67 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 67 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 28, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel 67, vierde en vijfde lid, wordt gewijzigd in verband met het afschaffen van de loonbelastingverklaring. Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. De inhoudingsplichtige houdt bij het opmaken van de loonstaat rekening met de door de werknemer op grond van artikel 65 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 verstrekte informatie (zowel diens persoonlijke gegevens als een verzoek om toepassing van de heffingskorting of de intrekking daarvan), tenzij de inhoudingsplichtige weet dat deze gegevens onjuist zijn.

Artikel IV, onderdeel FF (artikel 68 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 68 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 28, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Op grond van laatstgenoemde bepaling dient de inhoudingsplichtige een loonadministratie te voeren en daarbij bepaalde, bij Ministeriële regeling aan te wijzen, wettelijk vrijgestelde uitkeringen, verstrekkingen en vergoedingen te administreren.

Door het vervallen van artikel 68, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is de inhoudingsplichtige niet meer verplicht de vrije, niet-vaste vergoedingen van kosten en verstrekkingen die verband houden met vervoer afzonderlijk bij te houden in de loonadministratie. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de vergoeding van een OV-vervoerbewijs (overigens ziet deze bepaling niet slechts op kostenvergoedingen voor het openbaar vervoer). In dit verband komt het tweede lid te vervallen. Het tweede lid schreef voor dat de inhoudingsplichtige per werknemer en per uitbetalingstijdvak het aantal kilometers waarvoor de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde variabele vergoeding is verstrekt, bijhoudt in de loonadministratie.

Voor de toelichting op de wijziging van artikel 68, eerste lid, onderdeel b (nieuw), van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt verwezen naar de toelichting bij de wijziging van artikel 21b van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

Tevens vervalt artikel 68, eerste lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Daardoor is de inhoudingsplichtige niet langer verplicht om vrije vergoedingen en verstrekkingen voor OV-kaarten als bedoeld in artikel 26 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bij te houden in de loonadministratie.

Door de wijzigingen in artikel 68 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 krijgt de inhoudingsplichtige meer ruimte om zijn administratie naar eigen inzicht in te richten. In combinatie met de overige wijzigingen op het gebied van de administratieplicht bij reiskostenvergoedingen wordt aldus een aanzienlijke vereenvoudiging bereikt, met name wat betreft het vergoeden van reizen per openbaar vervoer. Uiteraard blijft de algemene administratieplicht van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing en moet de inhoudingsplichtige aannemelijk kunnen maken dat hij de vergoedingen en verstrekkingen terecht als vrije vergoedingen en verstrekkingen heeft aangemerkt.

Artikel IV, onderdeel GG (artikel 75 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het opschrift van artikel 75 wordt vervangen in verband met het afschaffen van de loonbelastingverklaring.

Artikel IV, onderdeel HH (artikel 76 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het opschrift van artikel 76 wordt vervangen in verband met het afschaffen van de loonbelastingverklaring.

Artikel IV, onderdeel II (artikel 77 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het opschrift van artikel 77 wordt vervangen in verband met het afschaffen van de loonbelastingverklaring.

Artikel IV, onderdeel JJ (artikel 78 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het opschrift van artikel 78 wordt vervangen in verband met het afschaffen van de loonbelastingverklaring.

Artikel IV, onderdeel KK (artikel 79 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het opschrift van artikel 79 wordt vervangen in verband met het afschaffen van de loonbelastingverklaring. Ook het tweede lid is aangepast in verband met het afschaffen van een loonbelastingverklaring. Het gaat om situaties waarin de werknemer ten behoeve van de belastingheffing geen gegevens hoeft te verstrekken en waarbij wordt geregeld of de heffingskorting al dan niet van toepassing is. Voor iemand die bijvoorbeeld de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, wordt de heffingskorting toegepast bij de AOW-uitkering en niet bij een dienstbetrekking. Als de werknemer dit anders wil hebben, kan hij dit met overeenkomstige toepassing van artikel 65, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 aan de Sociale verzekeringsbank en aan de werkgever laten weten. De desbetreffende mededelingen worden door de werknemer schriftelijk, gedagtekend en ondertekend gedaan.

Artikel IV, onderdeel LL (artikel 79a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

In artikel 79a, derde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt de verwijzing naar artikel 65 aangepast.

Artikel IV, onderdeel MM (artikel 80 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het opschrift van artikel 80 wordt vervangen in verband met het afschaffen van de loonbelastingverklaring.

Artikel IV, onderdeel NN (artikel 80a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Bij het constateren van een onjuiste of onvolledige aangifte moet de inhoudingsplichtige volgens artikel 28a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 gelijktijdig met de eerstvolgende aangifte of de daarop volgende aangifte door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens verstrekken. Indien de inspecteur een correctieverplichting oplegt, moet het correctiebericht volgens artikel 28a, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 gelijktijdig met een aangifte worden gedaan.

De koppeling van een correctiebericht met een aangifte levert voor de meeste salarisadministraties echter problemen op als het correctiebericht op een aangifte met betrekking tot een verstreken kalenderjaar betrekking heeft.

Op grond van artikel 28a, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 kunnen bij Ministeriële regeling van de vorige leden afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de verplichting voor de inhoudingsplichtige tot het indienen van een correctiebericht, daaronder begrepen regels over de wijze waarop en de termijn waarbinnen een correctiebericht moet worden ingediend. Daarop is artikel 80a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 gebaseerd, met daarin bijzondere bepalingen voor de situatie dat de inhoudingsplicht is geëindigd en de situatie dat het aangiftetijdvak een kalenderhalfjaar of een kalenderjaar is.

Dit artikel wordt nu aangevuld voor de situatie dat het correctiebericht betrekking heeft op een aangifte over een tijdvak in een verstreken kalenderjaar.

Een dergelijk correctiebericht kan dan volgens het nieuwe vijfde lid, aanhef en onderdeel a, desgewenst los van een aangifte worden ingediend. De inhoudingsplichtige moet dit binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte doen.

Volgens het nieuwe vijfde lid, aanhef en onderdeel b, kan de inspecteur de inhoudingsplichtige verplichten een correctiebericht dat betrekking heeft op een aangifte over een tijdvak in een verstreken kalenderjaar al dan niet gelijktijdig met een aangifte binnen een door hem te stellen termijn aan hem toe te zenden. De inhoudingsplichtige kan bij het voldoen aan die verplichting zelf kiezen tussen het verzenden van een correctiebericht bij een aangifte en een correctiebericht los van een aangifte. Op deze wijze kan zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de voor de inhoudingsplichtige bij zijn loonadministratie passende manier van corrigeren.

Naar aanleiding van ‘losse’ correctieberichten met te betalen bedragen legt de inspecteur een of meer naheffingsaanslagen op. Was de aangifte volgens het correctiebericht te hoog, dan verleent de inspecteur ambtshalve een teruggaaf (uiteraard tenzij er aanleiding is voor een onderzoek).

Artikel IV, onderdeel OO (artikel 82 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 31, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964.

In artikel 82, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (tekst 2006) zijn als eindheffingsbestanddelen aangewezen geschenken ter gelegenheid van een jubileum van de inhoudingsplichtige en geschenken ter gelegenheid van een persoonlijke feestdag van de werknemer. Deze regelingen komen te vervallen.

In artikel 82, eerste lid, aanhef en onderdelen e en f, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (tekst 2006) zijn als eindheffingsbestanddelen aangewezen de ingevolge de 80-maaltijdenregeling belaste normbedragen ter zake van maaltijden met een meer dan bijkomstig zakelijk belang. Deze onderdelen kunnen vervallen omdat de 80-maaltijdenregeling per 1 januari 2007 vervalt. De bedoelde maaltijden zijn voortaan op grond van artikel 15a, eerste lid, onderdeel ab, van de Wet op de loonbelasting 1964 volledig vrijgesteld van belastingheffing.

Voorts worden in onderdeel OO uitkeringen ingevolge een in verband met het vervallen van een ziektekostenregeling als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel b (nieuw), getroffen overgangsregeling onder voorwaarden aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Deze aanwijzing is gebaseerd op de in artikel 31, eerste lid, onderdeel d, Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen delegatiebevoegdheid om loon dat bezwaarlijk kan worden geïndividualiseerd, aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel. Op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, Wet op de loonbelasting 1964 worden deze uitkeringen naar het tabeltarief in de eindheffing betrokken. Voor de toepassing van de eindheffing geldt als voorwaarde dat:

1°. de som van de ingevolge de overgangsregeling te ontvangen uitkeringen niet hoger is dan 250% van de door de betrokkene ingevolge de hiervoor bedoelde ziektekostenregeling ontvangen uitkering over het kalenderjaar 2003, 2004 of 2005, en

2°. de overgangsregeling uiterlijk op 1 januari 2015 vervalt.

De onder 1° genoemde voorwaarde houdt in dat de uitkeringen die gedurende de looptijd van de overgangsregeling worden verstrekt in totaal niet hoger zijn dan 250% van de door de betrokkene over het kalenderjaar 2003, 2004 of 2005 in totaal ontvangen uitkeringen ingevolge de vervallen ziektekostenregeling. Het is daarbij niet van belang of bijvoorbeeld een eenmalige uitkering van 250% wordt verstrekt of bijvoorbeeld vijf keer een uitkering van 50%. Voor de bepaling of de som van de uitkeringen niet is hoger is dan 250% van de uitkering over één van de genoemde kalenderjaren, mag naar keuze het kalenderjaar 2003, 2004 of 2005 als basis genomen worden.

Als gevolg van de aanwijzing van de uitkering als eindheffingsbestanddeel, behoort de ingevolge deze overgangsregeling ontvangen uitkering – net als de uitkeringen ingevolge een ziektekostenregeling als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel b (nieuw) – niet tot het toetsingsinkomen voor inkomensafhankelijke regelingen en heeft deze uitkering derhalve geen invloed op de hoogte van bijvoorbeeld de huur- of zorgtoeslag.

Artikel IV, onderdeel PP (artikel 83 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 31, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 en bepaalt dat eindheffing mogelijk is over het – ten gevolge van de overschrijding van de normbedragen – belaste deel van de vergoedingen of verstrekkingen ter zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen als bedoeld in artikel 42 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Deze bepaling kan vervallen omdat vergoedingen en verstrekkingen ter zake van dergelijke personeelsvoorzieningen, onder de voorwaarden gesteld in het nieuwe artikel 32a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, voortaan volledig vrij zijn.

Artikel IV, onderdeel QQ (artikel 84 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Deze wijziging is toegelicht bij de wijziging van artikel 26 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

Artikel IV, onderdeel RR (artikel 87 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 87 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geeft een praktische regeling voor de situatie dat een werknemer uit hoofde van zijn ene dienstbetrekking een andere dienstbetrekking vervult onder de verplichting het desbetreffende loon af te staan aan de werkgever bij wie hij de eerstgenoemde dienstbetrekking vervult. Zonder deze zogenoemde doorbetaaldloonregeling zouden met betrekking tot het loon uit de andere dienstbetrekking afzonderlijk loonheffingen zijn verschuldigd. Materieel geniet de werknemer echter alleen loon uit zijn ‘hoofdbetrekking’ en het is praktisch, ook voor de pensioenopbouw, dat de loonheffingen daarbij aansluiten.

Het standpunt is ingenomen dat deze bepaling niet van toepassing is indien de werknemer uit hoofde van de andere dienstbetrekking verplicht verzekerde is ingevolge een of meer van de werknemersverzekeringen, genoemd in artikel 2, onderdeel c, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Naar aanleiding van de desbetreffende vraag bij de behandeling van het wetsvoorstel Wijzigingsplan ‘Paarse krokodil’ is de conclusie getrokken dat deze omstandigheid niet altijd aan toepassing van de doorbetaaldloonregeling in de weg hoeft te staan.

Overeenkomstig de aankondiging in onderdeel 2.7.1 van de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Wijzigingsplan ‘Paarse krokodil’ (Kamerstukken II 2006/07, 30 577, nr. 7, blz. 9–10), is een en ander thans neergelegd in de tekst van artikel 87 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

Uitdrukkelijk wordt in het eerste lid als derde (cumulatieve) voorwaarde voor toepassing van de doorbetaaldloonregeling gesteld dat de werknemer bij de ‘hoofdbetrekking’ verplicht verzekerde voor de werknemersverzekeringen is. Deze voorwaarde geldt op grond van het tweede lid niet als de werknemer bij de dienstbetrekking bij de andere inhoudingsplichtige niet onder de werknemersverzekeringen valt.

Indien de doorbetaaldloonregeling van toepassing is, vloeit uit de scherper geformuleerde fictie in de aanhef van artikel 87, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 voort dat er alleen bij de ‘hoofdbetrekking’ sprake is van loon, zodat bij de andere betrekking geen premies werknemersverzekeringen zijn verschuldigd en ook geen recht op een uitkering krachtens een verplichte werknemersverzekering ontstaat. Daar staat tegenover dat als gevolg van dit artikel bij de ‘hoofdbetrekking’ in beginsel hogere premies voor de werknemersverzekeringen zijn verschuldigd en sprake is van een hoger uitkeringsloon.

Artikel IV, onderdeel SS (artikel 105 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 105 bevatte tot 1 januari 2007 een overgangsbepaling met betrekking tot de Belastingherziening 2001. Op grond daarvan kon de inhoudingsplichtige ten aanzien van de op 31 december 2000 bij hem in dienst zijnde werknemer aan de hand van de gegevens in de al ingeleverde loonbelastingverklaring beoordelen of de heffingskorting van toepassing is, totdat aan de werknemer een nieuwe loonbelastingverklaring moest worden uitgereikt. De tekst hiervan is per 1 januari 2007 aangepast in verband met het afschaffen van de loonbelastingverklaring. Hoewel dat vanzelf spreekt, is in de nieuwe tekst tevens tot uitdrukking gebracht dat de op 1 januari 2001 bestaande situatie met betrekking tot de heffingskorting wordt gewijzigd als de werknemer overeenkomstig het nieuwe artikel 65, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 verzoekt de heffingskorting toe te passen of juist niet.

In verband met het afschaffen van de loonbelastingverklaring worden met ingang van 1 januari 2007 tevens twee leden aan artikel 105 toegevoegd.

In het nieuwe vierde lid wordt bepaald dat de laatstelijk van de werknemer terugontvangen loonbelastingverklaring (in de zin van de tot en met 2006 geldende wetgeving) voor de toepassing van de heffingskorting wordt aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 65 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 onderscheidenlijk de intrekking van een dergelijk verzoek. Het is uiteraard niet nodig dat alle werknemers per 1 januari 2007 een nieuw verzoek met betrekking tot de heffingskorting moeten doen. Uitgegaan wordt van de eind 2006 met betrekking tot de heffingskorting volgens de dan geldende wetgeving bestaande situatie, waarvoor op enkele specifiek geregelde uitzonderingen na de laatste loonbelastingverklaring van de werknemer beslissend is, totdat de werknemer ingevolge genoemd artikel 65 aan de inhoudingsplichtige verzoekt de heffingskorting toe te passen of juist niet.

Omdat de ingevolge de tot en met 2006 geldende wetgeving ingeleverde loonbelastingverklaringen hun belang behouden, moeten zij overeenkomstig de daarvoor al geldende termijn door de inhoudingsplichtige worden bewaard. Dit is geregeld in het nieuwe vijfde lid.

Artikel IV, onderdeel TT (artikel 109 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

In de oude tekst van artikel 109, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt verwezen naar de op grond van artikel 32, vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet toegestane afkoop van prepensioen ter financiering van een storting in de levensloopregeling. Deze afkoopmogelijkheid wordt per 1 januari 2007, op welke datum de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt vervangen door de Pensioenwet, opgenomen in artikel 66 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet. In verband daarmee wordt per 1 januari 2007 de verwijzing in genoemd artikel 109 aangepast.

Artikel IV, onderdeel UU (artikelen 111b en 111c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De in dit onderdeel opgenomen artikelen 111b en 111c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zijn gebaseerd op artikel XXIII van het Belastingplan 2007. Daarin is bepaald dat met betrekking tot de kalenderjaren 2006 en 2007 bij Ministeriële regeling van de Minister van Financiën van artikel 13a en artikel 27 van de Wet op de loonbelasting 1964 en van artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001 afwijkende regels kunnen worden gesteld op grond waarvan loon overeenkomstig een door de inhoudingsplichtige bestendig gevolgde gedragslijn aan een of meer verstreken loontijdvakken wordt toegerekend.

Op grond van artikel III van de regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de staatssecretaris van Financiën en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/F&W/05/98614, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 met het oog op een goede invoering van de Wet financiering sociale verzekeringen en tot invoering van overgangsrecht betreffende beschikkingen op grond van artikel 85 van de Werkloosheidswet (Stcrt. 2005, 248), komen onder meer de artikelen 111 en 111a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 met ingang van 1 januari 2007 te vervallen.

De regelingen in artikel 111 (toerekening van loon van het jaar 2006 aan het jaar 2005) en artikel 111a (toerekening van loon aan verstreken tijdvakken binnen het jaar 2006) worden met de invoering van de nieuwe artikelen 111b en 111c feitelijk met een jaar verlengd, in afwachting van de afronding van het onderzoek naar eventuele wetswijzigingen op dit punt. Hiermee wordt ook voor het jaar 2007 tegemoet gekomen aan de praktijk waarin het wettelijke genietingsmoment niet voor alle loonelementen op dezelfde wijze wordt toegepast. Afgezien van de jaartallen zijn de nieuwe bepalingen identiek aan de per 1 januari 2007 vervallen artikelen 111 en 111a. De nieuwe bepalingen (de artikelen 111b en 111c) zijn doorgenummerd om verwarring te voorkomen met de voor het jaar 2006 geldende bepalingen.

Artikel 111b van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 heeft betrekking op in januari 2007 betaald loon dat op het jaar 2006 betrekking heeft. Onder de voorwaarde van een bestendige gedragslijn van de inhoudingsplichtige kunnen deze betalingen nog in de laatste aangifte over het jaar 2006 worden verwerkt. De werknemer wordt dan geacht dit loon op 31 december 2006 te hebben genoten.

Artikel 111c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 heeft betrekking op betalingen van loon over verstreken loontijdvakken binnen het jaar 2007, bijvoorbeeld een loonsverhoging met terugwerkende kracht. Eveneens onder de voorwaarde van een bestendige gedragslijn van de inhoudingsplichtige kunnen deze betalingen worden toegerekend aan de loontijdvakken waarop zij betrekking hebben, zo nodig door middel van correctieberichten. De werknemer wordt dan geacht dit loon in die tijdvakken te hebben genoten. De regeling is niet van toepassing voor zover een nabetaling op een vorig jaar betrekking heeft. Als ook een dergelijke nabetaling zou worden toegerekend aan de loontijdvakken waarop zij betrekking heeft, zou dat betekenen dat de loonadministratie van een vorig jaar moet worden herzien, waaraan allerlei onpraktische consequenties zouden zijn verbonden.

De bepalingen hebben geen dwingend karakter. De bedoelde lonen en de inhoudingen daarop kunnen volgens de wettelijke systematiek worden verantwoord in de aangifte loonheffingen met betrekking tot het tijdvak waarin de feitelijke betaling van het loon heeft plaatsgevonden. Worden de bepalingen toegepast, dan hebben zij voor de aangiften verder uiteraard wel een dwingend karakter.

Met de zinsnede ‘overeenkomstig een door de inhoudingsplichtige bestendig gevolgde gedragslijn’ in artikel XXIII van het Belastingplan 2007 en de artikelen 111b en 111c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is tot uitdrukking gebracht dat het om voortzetting van een bestaande praktijk moet gaan en dat de inhoudingspichtige hierin consequent is. Het is niet mogelijk dat de inhoudingsplichtige bij eenzelfde loonbetaling met een terugwerkend karakter bij werknemer A kiest voor toerekening aan het loontijdvak waarop de betaling betrekking heeft en bij werknemer B voor toerekening aan het loontijdvak waarin de betaling plaatsvindt.

De artikelen 111b en 111c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 werken door naar de andere loonheffingen die in beginsel bij het fiscale loon aansluiten. Zij werken eveneens door naar de inkomstenbelasting, waarmee in het bijzonder wordt voorkomen dat de werknemer voor zijn aangiften inkomstenbelasting met het feitelijke tijdstip van loonbetalingen rekening moet houden ingeval de werkgever gebruik maakt van de mogelijkheid in januari 2007 uitbetaald loon dat op het jaar 2006 betrekking heeft aan het jaar 2006 toe te rekenen. De werknemer dient dus uit te gaan van de jaaropgaven die hij van de werkgever krijgt.

Artikel V, onderdeel A (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De wijziging van dit artikel houdt verband met de vaststelling van het aantal werkdagen voor het jaar 2007 op 229 voor de werknemer met vakantiebonnen voor 20 of meer vakantiedagen per jaar.

Artikel V, onderdeel B (artikel 6 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De bedragen van de tabel van artikel 6 zijn geactualiseerd voor 2007.

Artikel V, onderdeel C (artikel 11d van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

Artikel 11d van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering geeft uitvoering aan de in artikel 15 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) opgenomen delegatiebepaling. De wijziging van artikel 11d bewerkstelligt dat de in dat artikel opgenomen afwijkende bewaarplicht ook geldt zolang de inhoudingsplichtige nog niet beschikt over een door alle partijen getekende overeenkomst als bedoeld in het in het kader van het Belastingplan 2007 opgenomen nieuwe onderdeel g van artikel 14, eerste lid, WVA. Deze afwijkende bewaarplicht houdt in dat zolang de inhoudingsplichtige nog niet beschikt over een door alle partijen getekende overeenkomst als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel g, van de WVA, hij bij de loonadministratie een verklaring van het Regionaal Opleidingscentrum bewaart waaruit blijkt dat de desbetreffende leerling de beroepsopleidende leerweg volgt. Op grond van dat nieuwe onderdeel g wordt de afdrachtvermindering onderwijs, onder voorwaarden, ook van toepassing voor degenen die binnen de beroepsopleidende leerweg een stage volgen op MBO-1 of 2 niveau.

Ingevolge artikel XIV werkt de wijziging van artikel 11d van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering terug tot en met 1 januari 2006.

Artikel V, onderdeel D (artikel 12bb van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

In artikel 12bb van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering, dat uitvoering geeft aan de in artikel 14, eerste lid, onderdeel h, van de WVA opgenomen delegatiebepaling, zijn de accrediterende instanties opgenomen die een verklaring moeten hebben afgegeven voor een procedure erkenning verworven competenties (EVC-procedure) voordat een inhoudingsplichtige in aanmerking kan komen voor de afdrachtvermindering onderwijs voor personen die een dergelijke EVC-procedure volgen.

Het KCE (Kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen), bedoeld in artikel 7.4.9a, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, VBI’s (Visiterende en Beoordelende Instanties onder toezicht van het NVAO (Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie)) als bedoeld in artikel 5a.8a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs en door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen accrediterende organisaties gaan het kwaliteitskader voor EVC van het kenniscentrum EVC hanteren. Dit wordt meegenomen bij de audits van KCE, VBI’s en de aan te wijzen accrediterende organisaties. Dit leidt tot een rapportage waarin staat voor welke functie-, opleidings- of beroepsstandaard de onderwijsinstelling EVC-erkenning heeft. Deze rapportage dient als de noodzakelijke verklaring voor de fiscaliteit. De EVC-aanbieder verklaart hiermee richting de inhoudingsplichtige dat de desbetreffende persoon een EVC-procedure heeft gevolgd waarvoor de onderwijsaanbieder is erkend.

Omdat het de nodige tijd duurt voordat opleidingen een rapportage hebben, kunnen EVC-aanbieders die onder het toezicht van de onderwijsinspectie en KCE/NVAO vallen al vanaf 1 januari 2007 als goedgekeurd voor de regeling worden beschouwd. Daartoe moeten ze zijn opgenomen in het register voor voorlopig erkende aanbieders. Dit register is bekend bij en wordt gehanteerd door KCE/NVAO. De EVC-aanbieder voorziet de inhoudingsplichtige van een verklaring voor de fiscaliteit waaruit blijkt dat de desbetreffende persoon een EVC-procedure heeft gevolgd waarvoor de EVC-aanbieder voorlopig erkend is. Deze systematiek inzake de voorlopige erkenning geldt ook voor instanties die na 1 januari 2007 EVC-procedures gaan aanbieden en nog niet zijn meegenomen in de eerstvolgende accreditatieronde (omdat deze rondes slechts periodiek plaatsvinden). Voor de toepassing van de afdrachtvermindering door de inhoudingsplichtige geldt de voorlopige erkenning van de aanbieder als volledige erkenning. Als deze voorlopige erkenning wordt ingetrokken, heeft dit dus geen gevolgen voor de tot dat moment toegepaste afdrachtvermindering door de inhoudingsplichtige aan wie een ‘verklaring voorlopige erkenning’ is afgegeven. Op grond van de ‘verklaring voorlopige erkenning’ kan de afdrachtvermindering worden toegepast tot en met het loontijdvak waarin de intrekking van de voorlopige erkenning plaatsvindt (mits uiteraard ook aan de overige voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering wordt voldaan).

Artikel VI, onderdelen A tot en met F (artikelen 1, 2, 2bis, 2a, 2b en 2c van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971)

Artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 regelt aan welke wettelijke regelingen de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 uitvoering geeft. Omdat de delegatiebevoegdheden opgenomen in de artikelen 14a en 14b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn vervallen en de artikelen 15ad en 15b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geheel zijn vervallen, terwijl ook geen uitvoering meer wordt gegeven aan artikel 23a, wordt de vermelding van deze artikelen in het eerste lid van artikel 1 van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 geschrapt.

Met de wijziging van artikel 2 van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 wordt het percentage van de redelijke rente voor ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen aangepast aan de renteontwikkelingen van de laatste jaren. Dit percentage wordt berekend aan de hand van het gemiddelde effectieve rendement van staatsleningen gedurende de laatste 15 jaar. Daarbij wordt voor de jaren na 2003 alleen het effectieve rendement van de jongste tienjarige staatslening meegenomen, omdat met ingang van 1 januari 2004 het effectieve rendement op andere staatsleningen niet meer door het CBS wordt bijgehouden.

Artikel 2bis van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 vervalt omdat artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vervallen.

De aanhef van artikel 2a, eerste lid, is aangepast aan de nieuwe redactie van artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Voorts vervallen het derde en vierde lid van dit artikel. Deze leden vervallen omdat ze invulling gaven aan het begrip ‘overnamekas’. Zoals tijdens de behandeling van de Wet werken aan winst is aangegeven, wordt het begrip ‘overnamekas’ niet langer kwantitatief begrensd, maar wordt met ingang van 1 januari 2007 kwalitatief beoordeeld of, en zo ja in hoeverre, sprake is van een overnamekas.

Artikel 2b van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 vervalt omdat artikel 15b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vervallen.

Artikel 2c van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 vervalt omdat de delegatiebevoegdheden opgenomen in de artikelen 14a en 14b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn vervallen en artikel 15ad van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vervallen, waarbij voor de nog niet in aftrek gekomen rente een overgangsregeling is getroffen in artikel VIIIc van de Wet werken aan winst.

Artikel VI, onderdeel G (artikel 4 van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971)

Artikel 4 van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 was bedoeld voor gevallen van afkoop van aanspraken door directeuren-grootaandeelhouders welke door de Pensioen- en spaarfondsenwet werden toegestaan, maar die op grond van artikel 19b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wel in de heffing werden betrokken, in welk geval ook de sanctie van artikel 23a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan de orde kon komen. Het werd als onevenwichtig beschouwd om aan de ene kant de afkoop van het pensioen toe te staan, maar aan de andere kant een sanctie toe te passen op het lichaam waarbij de aanspraak was verzekerd.

Met ingang van 1 januari 2007 is de Pensioen- en spaarfondsenwet vervangen door de Pensioenwet. Onder de vigeur van deze wet, in samenhang met de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, doet een als onevenwichtig te beschouwen combinatie van toegestane afkoop en fiscale sanctie zich niet meer voor. Uit dien hoofde is er geen reden om onderhavig artikel 4 te handhaven.

Artikel VII (artikel 7d van de Uitvoeringsregeling Successiewet 1956)

Deze wijziging bewerkstelligt dat de in de Successiewet 1956 opgenomen bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet langer wordt teruggenomen als door het aangaan van een huwelijksgoederengemeenschap binnen de voortzettingsperiode de aandelen waarop de faciliteit is toegepast, binnen de voortzettingstermijn van vijf jaar onder algemene titel overgaan krachtens huwelijksvermogensrecht.

Tot nu toe werden dergelijke overgangen op grond van artikel 53b, vierde lid, van de Successiewet 1956 als een vervreemding van (een deel van) de aandelen aangemerkt, wat leidde tot het geheel of gedeeltelijk terugnemen van de genoten faciliteit. Deze uitkomst wordt als onwenselijk beschouwd. Zoals eerder aangekondigd2 wordt de regeling op dit punt aangepast.

Het kan ook voorkomen dat in de resterende (vijfjaars)termijn de huwelijksgemeenschap wordt aangegaan en dat in deze termijn de huwelijksgemeenschap tevens wordt ontbonden en verdeeld. Indien de aandelen of winstbewijzen worden toegescheiden aan degene door wie de aandelen of winstbewijzen in de huwelijksgemeenschap zijn gebracht en zich gedurende de dan nog resterende termijn geen gebeurtenissen voordoen waardoor de faciliteit zou moeten worden teruggenomen, blijft de faciliteit gelden. Indien de aandelen of winstbewijzen worden toegescheiden aan degene die niet de oorspronkelijke verkrijger is, wordt de faciliteit wel geheel of gedeeltelijk teruggenomen omdat de faciliteit slechts bedoeld is voor de oorspronkelijke verkrijger.

Artikel VIII, onderdeel A (artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Deze wijziging van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 houdt verband met het vervallen per 1 januari 2006 van de kapitaalsbelasting (Wet van 15 december 2005, houdende wijziging van enkele belastingwetten (Wet VPB-pakket 2006), Stb. 2005, 684).

Artikel VIII, onderdeel B (artikel 29 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In de tot en met 2006 geldende tekst van artikel 29, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 is geregeld dat het tijdvak waarover loonbelasting van huispersoneel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 moet worden betaald, op een kalenderjaar wordt gesteld. In verband met het vervallen van de laatstgenoemde bepaling (zie artikel IV, onderdeel B), is de verwijzing naar die bepaling komen te vervallen. De met ingang van 1 januari 2007 geldende tekst van artikel 29, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 ziet op natuurlijke personen die inhoudingsplichtig zijn als werkgever van een werknemer die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van diens huishouden, daaronder begrepen het verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden. Hiermee is aangesloten bij de wijziging van artikel 5 van de Wet op de loonbelasting 1964, waarbij de ‘huishoudhulpregeling’ is vervangen door de regeling ‘dienstverlening aan huis’. Artikel 29, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 ziet daarmee nog steeds op de situaties die in beginsel onder artikel 5 van de Wet op de loonbelasting 1964 zouden kunnen vallen – in welk geval geen sprake zou zijn van inhoudingsplicht – , maar uitsluitend als gevolg van het aantal dagen waarop de diensten worden verricht niet onder dat artikel vallen, zodat de opdrachtgever toch als inhoudingsplichtige wordt aangemerkt.

Artikel VIII, onderdeel C (artikelen 37 en 38 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In artikel 33 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 wordt aan leden van diplomatieke vertegenwoordigingen een aantal vrijstellingen toegekend. Deze zijn van overeenkomstige toepassing op functionarissen van internationale organisaties die in aanmerking komen voor de vrijstellingen zoals die worden verleend aan leden van diplomatieke vertegenwoordigingen.

In 2006 is besloten tot een gelijkschakeling van personeel van internationale organisaties met personeel van vergelijkbare rang van diplomatieke vertegenwoordigingen. Daartoe kunnen internationale organisaties een Aanvullend Verdrag bij hun zetelovereenkomst met Nederland afsluiten. Voor het personeel van internationale organisaties die dat hebben gedaan wordt nu de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 aangepast. Artikel 37 (diplomatieke vrijstelling van motorrijtuigenbelasting (MRB)) en artikel 38 (diplomatieke vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM)) van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 gelden ingevolge artikel 33, vierde lid, mede voor functionarissen van deze internationale organisaties. Voor zover de betrokken functionarissen niet in aanmerking komen voor een CD-kenteken, wordt voor auto’s van deze functionarissen een BN/GN kenteken afgegeven in de serie 90-00 tot en met 99-99. Daarom wordt deze serie toegevoegd aan de artikelen 37 en 38 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. De wijziging werkt terug tot en met 1 januari 2006, omdat de hiervoor bedoelde Aanvullende Verdragen eveneens terugwerken tot en met die datum.

Voor functionarissen van internationale organisaties die geen Aanvullend Verdrag met Nederland afsluiten blijft de vrijstelling van BPM zoals verleend ingevolge artikel 88 van de Douaneregeling van toepassing, voor zover zij daarvoor in aanmerking komen. De onder de vrijstelling van artikel 88 van de Douaneregeling vallende functionarissen hebben eveneens een BN/GN kenteken in de serie 90-00 tot en met 99-99 maar komen anders dan diplomatiek personeel niet in aanmerking voor een vrijstelling van MRB.

Artikel IX, onderdeel A (artikel 1f van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Met de wijziging in artikel 1f, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt aangesloten bij de per 1 januari 2006 doorgevoerde aanpassing van de in artikel 25, vijfde en achtste lid, Invorderingswet 1990 opgenomen uitsteltermijn (Belastingplan 2006, Stb. 2005, 683). Deze wijziging heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006.

Artikel IX, onderdelen B en C, eerste lid, (artikelen 12 en 14 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Door middel van de toevoeging van een nieuw onderdeel g aan artikel 12, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt bepaald dat de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening niet wordt gerekend tot de bezittingen die bepalend zijn voor het vaststellen van het in het kader van de kwijtschelding van belastingen relevante vermogen. Aan artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt toegevoegd dat de bijdragen ingevolge een levensloopregeling in mindering worden gebracht op het netto-besteedbare inkomen. Hierdoor vindt een gelijkschakeling plaats met ingehouden pensioenpremies.

Artikel IX, onderdeel C, tweede lid, (artikel 14 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Bij opname van een pleegkind via een voorziening van pleegzorg, betaalt de pleegzorginstantie een vergoeding voor de kosten die men voor dit kind maakt. Deze pleegzorgvergoeding is een onkostenvergoeding die niet wordt gekort op een eventuele bijstandsuitkering (zie artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand). Pleegouders die geen vergoeding krijgen, kunnen in aanmerking komen voor kinderbijslag.

Omdat de pleegzorgvergoeding qua strekking is te vergelijken met een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet, bepaalt het nieuwe artikel 14, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6°, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 dat deze vergoeding niet wordt meegeteld bij de berekening van het netto-besteedbaar inkomen.

Artikel IX, onderdeel D (artikel 15 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Betalingen op belastingschulden worden op grond van art. 15, eerste lid, onderdeel a, Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 als van het inkomen aftrekbare uitgaven in aanmerking genomen. Het gaat daarbij om betalingen die nog moeten worden gedaan op geformaliseerde belastingaanslagen, waarop het verzoek om kwijtschelding geen betrekking heeft. Terugvorderingen van teveel ontvangen tegemoetkoming in het kader van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn gelijk te stellen met betalingen van belastingschulden en worden daarom opgenomen in artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.

Artikel IX, onderdeel E (artikel 17 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Artikel 17 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 bepaalt dat alleen in zeer bijzondere omstandigheden kwijtschelding wordt verleend in de situatie dat meer dan € 136 wordt afgelost op andere schulden dan fiscale schulden. De achterliggende gedachte hiervan is dat de fiscus niet wijkt voor concurrente schuldeisers. In de praktijk blijkt dat deze bepaling te rigide wordt toegepast. Daarom vervalt deze bepaling en wordt teruggevallen op de hoofdregel van artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990: geen kwijtschelding wordt verleend voor zover het feit dat een belastingaanslag niet kan worden voldaan aan de belastingschuldige is toe te rekenen. In de Leidraad Invordering 1990 zal nader uiteen worden gezet in welke situaties en in welke mate aan andere schuldeisers dan de ontvanger voorrang mag worden gegeven, zonder dat dit prohibitief is voor een verzoek om kwijtschelding.

Artikel X, onderdeel A (artikel 11a van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Het wordt wenselijk geacht dat de behandeling van de fiscale aangelegenheden van bewindslieden (Ministers en staatssecretarissen) centraal plaatsvindt. Het nieuwe artikel 11a van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 bepaalt dat de bewindslieden voor de heffing en invordering van rijksbelastingen (andere dan bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de regeling) ressorteren onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden.

Artikel X, onderdeel B (artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Bij wet van 15 december 2005, houdende Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2006) (Stb. 2005, 683) is artikel 36l van de Wet belastingen op milieugrondslag met ingang van 1 januari 2006 gewijzigd. Onder vernummering van het twaalfde tot en met het vijftiende lid tot dertiende tot en met zestiende lid is een nieuw twaalfde lid ingevoegd. De aanpassing van artikel 16, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 strekt ertoe dit artikel in overeenstemming te brengen met de wijziging van artikel 36l van de Wet belastingen op milieugrondslag.

Bovenstaande wijziging van artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 werkt terug tot en met de datum waarop de wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in werking is getreden (1 januari 2006). Hiermee wordt voorkomen dat onzekerheid kan bestaan over het antwoord op de vraag onder welke inspecteur de betrokkene bij een verzoek om teruggaaf van belasting ressorteert.

Artikel X, onderdeel C (bijlage bij de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Deze wijziging houdt verband met de gemeentelijke herindeling waarbij de gemeenten Liemeer, Ter Aar en Nieuwkoop met ingang van 1 januari 2007 worden samengevoegd tot de gemeente Nieuwkoop.

Artikel XI (artikel 1 Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken)

Als gevolg van de inwerkingtreding per 1 januari 2007 van artikel IV van de Wet van 9 december 2004, houdende wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en van enige andere wetten (meer doelmatige uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken) (Stb. 2004, 656) bij koninklijk besluit van 18 januari 2006, Stb. 43, wordt in artikel 18 van de Wet waardering onroerende zaken, onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, een nieuw derde lid ingevoegd. De verwijzing in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten naar artikel 18, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken wordt als gevolg daarvan gewijzigd in artikel 18, vierde lid, van die wet.

Artikel XII (artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

In artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen worden twee wijzigingen aangebracht. Allereerst wordt in het vierde lid een redactionele omissie hersteld. Daarnaast komt in het vijfde lid onderdeel e te vervallen. In dit onderdeel was de melding van een wijziging in de vrije vergoeding of verstrekking van de werkgeversbijdrage kinderopvang geregeld. Aangezien met ingang van 1 januari 2007 gelijktijdig met de invoering van de wettelijke werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang de ‘vrijwillige’ werkgeversbijdrage komt te vervallen, kan genoemd onderdeel vervallen.

Artikel XIII (overgangsrecht)

De invoering van de wettelijke werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang per 1 januari 2007 brengt met zich dat de fiscale vrijstelling zoals die tot en met 31 december 2006 in artikel 16c van de Wet op de loonbelasting 1964 is geregeld voor de ‘vrijwillige’ werkgeversbijdrage, komt te vervallen. In verband daarmee vervalt eveneens de administratieplicht ter zake van dergelijke vergoedingen en verstrekkingen door de inhoudingsplichtige. De inhoudingsplichtige is uiteraard verplicht de overeenkomstig artikel 68, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (tekst tot en met 31 december 2006) met betrekking tot de kinderopvang bij de loonadministratie opgenomen gegevens gedurende zeven jaar te bewaren (artikel 52, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Na 31 december 2006 kan er met betrekking tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen ter zake van kinderopvang echter nog sprake zijn van nieuwe relevante gegevens, waaronder de situatie dat in het jaar 2007 nog vrije vergoedingen voor kinderopvang worden betaald met betrekking tot het jaar 2006 of eerder als de werknemer uiterlijk op 31 december 2006 een onvoorwaardelijk recht op de vergoeding had. Deze gegevens moeten ook bij de loonadministratie worden bewaard, ook al is dit met ingang van 1 januari 2007 niet meer in genoemd artikel 68 bepaald. Artikel XIII strekt ertoe dit vast te leggen.

Artikel XIV (inwerkingtredingsbepaling)

Deze uitvoeringsregeling treedt in werking op 1 januari 2007. Daar waar gekozen is voor een afwijkende inwerkingtredingsbepaling, is deze bij de artikelsgewijze toelichting toegelicht.

De Minister van Financiën,

G. Zalm

  • 1

    Stcrt. 2000, 250, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 6 juli 2006, Stcrt. 134.

  • 2

    Stcrt. 2000, 250, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 19 december 2002, Stcrt. 248.

  • 3

    Stcrt. 2000, 250, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 16 december 2004, Stcrt. 249.

  • 4

    Stcrt 2000, 251, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 6 juli 2006, Stcrt.134.

  • 5

    Stcrt. 1995, 251, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 6 juli 2006, Stcrt. 134.

  • 6

    Stcrt. 1971, 169, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 12 december 2005, Stcrt. 251.

  • 7

    Stcrt. 1984, 254, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 19 december 2003, Stcrt. 250.

  • 8

    Stcrt. 1994, 114, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 6 juli 2006, Stcrt. 134.

  • 9

    Stcrt. 1990, 103, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 6 juli 2006, Stcrt. 134.

  • 10

    Stcrt. 2002, 247, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 12 december 2005, Stcrt. 251.

  • 11

    Stcrt. 1994, 252, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 16 december 2004, Stcrt. 249.

  • 12

    Stcrt. 2005, 251.