Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
De Nederlandsche BankStaatscourant 2006, 249 pagina 91Besluiten van algemene strekking

Regeling staten financiële ondernemingen Wft

Regeling van de Nederlandsche Bank N.V. van 12 december 2006, nr. Juza/2006/02470/IH, houdende uitvoering van de artikelen 131, eerste lid, 133, eerste lid, en 135, tweede en vijfde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft (Regeling staten financiële ondernemingen Wft)

De Nederlandsche Bank N.V.,

Na raadpleging van de betrokken representatieve organisaties;

Gelet op de artikelen 131, eerste lid, 133, eerste lid, en artikel 135, tweede en vijfde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft;

Besluit:

Hoofdstuk 1

Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. Besluit: Besluit prudentiële regels Wft;

b. DNB: de Nederlandsche Bank N.V.;

c. financiële onderneming: beleggingsonderneming, clearinginstelling, kredietinstelling, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 130, eerste lid, aanhef, tweede lid, aanhef en het derde lid, van het Besluit;

d. wet: Wet op het financieel toezicht.

Hoofdstuk 2

Staten financiële ondernemingen

Artikel 1

1. De modellen van de staten, bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit, worden vastgesteld voor:

a. een verzekeraar of een bijkantoor als bedoeld in artikel 130, tweede lid, aanhef, van het Besluit, zoals opgenomen in de bijlagen 1 en 2 bij deze regeling;

b. een bank of clearinginstelling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, aanhef, en een bijkantoor als bedoeld in artikel 130, derde lid, van het Besluit, zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling;

c. een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 130, eerste lid, aanhef, van het Besluit, zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling;

d. een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, aanhef, van het Besluit, zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.

2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, worden de modellen van de staten voor een clearinginstelling die tevens een beleggingsonderneming is, niet zijnde een bank, vastgesteld zoals opgenomen in bijlage 4.

3. De regels met betrekking tot de staten, bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdelen b, c, d en f, van het Besluit, zijn opgenomen in de modellen van de staten, bedoeld in het eerste lid, en de bijbehorende toelichting op de staten.

Artikel 2

1. Een clearinginstelling, beleggingsonderneming en kredietinstelling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, aanhef, van het Besluit en een bijkantoor als bedoeld in artikel 130, derde lid, van het Besluit, verstrekken de staten als bedoeld in artikel 130, eerste en derde lid, aan DNB met de frequenties en binnen de termijnen, zoals vermeld in de bijlage 6 bij deze regeling.

2. Een verzekeraar als bedoeld in artikel 130, tweede lid, aanhef, van het Besluit, verstrekt de staten zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling jaarlijks binnen vijf maanden na afloop van ieder boekjaar met betrekking tot dat boekjaar aan DNB.

3. In aanvulling op het tweede lid verstrekt de verzekeraar, op verzoek van DNB, de staten zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling aan DNB per halfjaar of kwartaal, binnen dertig werkdagen na afloop van dat halfjaar onderscheidenlijk kwartaal, indien:

a. de vergunning, gerekend vanaf het begin van elk boekjaar, minder dan drie jaar geleden aan de verzekeraar verleend is;

b. aan de verzekeraar een aanwijzing is gegeven als bedoeld in artikel 1:75, eerste of tweede lid, van de Wet, wegens het niet voldoen aan bij of krachtens de Wet gestelde regels met betrekking tot het garantiefonds, de solvabiliteitsmarge of de technische voorzieningen van de verzekeraar, onderscheidenlijk wegens tekenen van een ontwikkeling die het garantiefonds of de solvabiliteitsmarge van de verzekeraar in gevaar kan brengen; of

c. zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan te verwachten is dat de financiële positie van de verzekeraar zodanig verslechtert, dat deze niet langer zal kunnen voldoen aan de bij of krachtens de Wet gestelde regels met betrekking tot het garantiefonds, de solvabiliteitsmarge of de technische voorzieningen van de verzekeraar.

4. De verzekeraar verstrekt de aanvullende staten, bedoeld in het derde lid, voor het eerst over het halfjaar dan wel kwartaal volgend op het moment dat:

a. de vergunning is verstrekt;

b. de aanwijzing is gegeven;

c. de uitzonderlijke omstandigheden zich voor het eerst voordoen.

5. De verzekeraar verstrekt de aanvullende staten, bedoeld in het derde lid, gedurende:

a. de termijn van drie jaar volgend op het moment dat de vergunning is verstrekt;

b. de termijn binnen welke de in de aanwijzingsbeschikking bepaalde gedragslijn wordt gevolgd, vermeerderd met ten hoogste drie jaar;

c. de termijn dat de uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen.

Artikel 3

1. Een financiële onderneming waardeert de posten in de staten overeenkomstig de waarderingsmethoden die de financiële onderneming in haar jaarrekening toepast.

2. Een financiële onderneming voegt geen posten of rubrieken toe in de staten, tenzij dit in de modellen van de staten is voorzien.

3. De staten van een financiële onderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is bevatten uitsluitend de gegevens die betrekking hebben op het bedrijf uitgeoefend vanuit het bijkantoor in Nederland.

Artikel 4

Een financiële onderneming stelt de geconsolideerde staten op overeenkomstig de regels met betrekking tot consolidatie die de financiële onderneming in haar jaarrekening toepast, voor zover uit de Wet niet anders voortvloeit.

Artikel 5

Een accountant betrekt bij zijn onderzoek, bedoeld in artikel 133, eerste lid, van het Besluit, de staten die zijn opgenomen in bijlage 7 bij deze regeling.

Hoofdstuk 3

Branchegroepen en opgave van gesloten verzekeringen

Artikel 1

Het model van de opgave, bedoeld in artikel 135, eerste lid, van het Besluit, in te dienen door een levensverzekeraar met zetel in Nederland met betrekking tot de vanuit Nederland of vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat gesloten overeenkomsten van verzekering, wordt vastgesteld zoals het is opgenomen in het onderdeel bijkantoren en vrije dienstverrichting levensverzekeraars van bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 2

Het model van de opgave, bedoeld in artikel 135, eerste lid, van het Besluit, in te dienen door een levensverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, met betrekking tot de vanuit een bijkantoor in een staat die geen lidstaat is uit hoofde van het verrichten van diensten naar Nederland gesloten overeenkomsten van verzekering, wordt vastgesteld zoals het is opgenomen in bijlage 8 bij deze regeling.

Artikel 3

Het model van de opgave, bedoeld in artikel 135, eerste lid, van het Besluit, in te dienen door een levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, met betrekking tot de vanuit een bijkantoor in Nederland uit hoofde van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat gesloten overeenkomsten van verzekering, wordt vastgesteld zoals het is opgenomen in het onderdeel bijkantoren en vrije dienstverrichting levensverzekeraars van bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 4

De branchegroepen en het model van de opgave, bedoeld in artikel 135, tweede lid, van het Besluit, in te dienen door een schadeverzekeraar met zetel in Nederland, met betrekking tot de vanuit Nederland of vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat gesloten overeenkomsten van verzekering, worden vastgesteld zoals zij zijn opgenomen in het onderdeel bijkantoren en vrije dienstverrichting schadeverzekeraars van bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 5

De branchegroepen en het model van de opgave, bedoeld in artikel 135, tweede lid, van het Besluit, in te dienen door een schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, met betrekking tot de vanuit een bijkantoor in een staat die geen lidstaat is uit hoofde van het verrichten van diensten naar Nederland gesloten overeenkomsten van verzekering, worden vastgesteld zoals zij zijn opgenomen in bijlage 9 bij deze regeling.

Artikel 6

De branchegroepen en het model van de opgave, bedoeld in artikel 135, tweede lid, van het Besluit, in te dienen door een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, met betrekking tot de vanuit een bijkantoor in Nederland uit hoofde van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat gesloten overeenkomsten van verzekering, worden vastgesteld zoals zij zijn opgenomen in het onderdeel bijkantoren en vrije dienstverrichting schadeverzekeraars van bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 7

Het model van de opgave, bedoeld in artikel 135, derde lid, van het Besluit, in te dienen door een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:87, eerste lid, van de wet, wordt vastgesteld zoals het is opgenomen in bijlage 10 bij deze regeling.

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 1

Ten aanzien van de staten waarvan de gegevens betrekking hebben op 2006 of voorafgaande verslagperiodes en die na inwerkingtreding van deze regeling worden ingediend, blijft het bepaalde bij en krachtens de artikelen 8 en 8a van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002, artikel 55 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, de artikelen 33, 33a en 50 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf dan wel de artikelen 72, 72a, 100 en 100a van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 van toepassing zoals deze artikelen luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van onderhavige regeling,

Artikel 2

Een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling die artikel VIII, vijfde lid, van het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2 toepast, past het bepaalde ingevolge artikel 55 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 dan wel de artikelen 8 en 8a van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 toe, zoals dat luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van onderhavige regeling, voor zover niet opgenomen in hoofdstuk 10 van het Besluit.

Artikel 3

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit in werking treedt.

Artikel 4

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling staten financiële ondernemingen.

De regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 1 tot en met 5, die ter inzage worden gelegd bij DNB.

De Nederlandsche Bankde Directeur, A. Schilder.de Directeur, D.E. Witteveen.

Bijlage 6

Bijlage bij artikel 2:2, eerste lid

Frequentie en indieningstermijn staten

6.1 Banken en clearinginstellingen in Nederland

Staat

Frequentie

Indieningstermijn

Rapportage geldt voor

   

een bank en clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de Wft

Een bank als bedoeld in artikel 3:77 van de Wft

COREP

    

CA

Per kalenderkwartaal

Uiterlijk op de laatste werkdag van de maand, volgend op de verslagperiode (1)

Ja

Nee

CR SA

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

CR IRB

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

CR EQU IRB

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

CR SEC SA

Per kalenderjaar

Idem (1)

Ja

Nee

CR SEC IRB

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

CR SEC Details

Per kalenderkwartaal voor IRB

Per kalenderjaar voor SA

Idem (1)

Ja

Nee

MKR SA FX

Per kalenderkwartaal

Uiterlijk op de tiende werkdag van de tweede maand, volgend op de verslagperiode. (2)

Ja

Nee

MKR SA COM

Per kalenderkwartaal

Idem (2)

Ja

Nee

MKR SA EQU

Per kalenderkwartaal

Idem (2)

Ja

Nee

MKR SA TDI

Per kalenderkwartaal

Idem (2)

Ja

Nee

MKR IM

Per kalenderkwartaal

Idem (2)

Ja

Nee

MKR IM Details

Per kalenderkwartaal

Idem (2)

Ja

Nee

CR TB SETT

Per kalenderkwartaal

Idem (2)

Ja

Nee

OPR

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

Group Solvency Details

Per kalenderjaar

Uiterlijk de laatste werkdag van de tweede maand, volgend op de verslagperiode (3)

Ja

Nee

FINREP (IAS/IFRS)

    

1. Balance sheet statement

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

2. Profit & loss account

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

3. Breakdowns of certain financial assets portfolios

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

4. Breakdowns of certain financial liabilities portfolios

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

5. Impairment flow statement

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

6. Related party disclosures

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

7. Analysis of equity

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

FINREP (Titel 9 banken)

   

1. Balance sheet statement

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

2. Profit & loss account

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

3. Breakdowns of certain financial assets portfolios

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

4. Breakdowns of certain financial liabilities portfolios

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

6. Related party disclosures

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

7. Analysis of equity

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

Pillar II

    

Renterisico- rapportage

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

Bedrijfssector- concentratie- risico

Per kalenderjaar

Idem (1)

Ja

Nee

Concentratie- risico op landen

Per kalenderjaar

Idem (1)

Ja

Nee

Overige rapportages

    

8011

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Ja

Nee

8017

Per kalenderkwartaal

Idem (2)

Ja

Nee

8028

Per kalendermaand

Idem (1)

Ja

Ja

8029

Per kalendermaand

Idem (1)

Ja

Ja

8040

Per kalendermaand

Idem (1)

Ja

Ja

6.2 elektronischgeldinstellingen

Staat

Frequentie

Indieningstermijn

COREP

CA

Per kalenderkwartaal

Uiterlijk op de laatste werkdag van de maand, volgend op de verslagperiode (1)

MKR SA FX

Per kalenderkwartaal

Uiterlijk op de tiende werkdag van de tweede maand, volgend op de verslagperiode.

FINREP (Titel 9)

1. Balance sheet statement

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

2. Profit & loss account

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Overige rapportages

8011

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

8018

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Verklaring voorblad

Per kalendermaand

Idem (1)

6.3 Beleggingsondernemingen in Nederland

Staat

Frequentie

Indieningstermijn

COREP

  

CA

Per kalenderkwartaal

Uiterlijk op de laatste werkdag van de maand, volgend op de verslagperiode (1)

CR SA

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

CR IRB

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

CR EQU IRB

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

MKR SA FX

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

MKR SA COM

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

MKR SA EQU

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

MKR SA TDI

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

MKR IM

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

MKR IM Details

Per kalenderkwartaal

Idem (1) Zal alleen op ad hoc-basis kunnen worden opgevraagd.

CR TB SETT

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

OPR

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Group Solvency Details

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

FINREP (IAS/IFRS)

  

1. Balance sheet statement

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

2. Profit & loss account

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

3. Breakdowns of certain financial assets portfolios

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

6. Related party disclosures

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

8. Breakdowns of certain income and expense items

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

9. Scope of application

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

FINREP (Titel 9 banken)

  

1. Balance sheet statement

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

2. Profit & loss account

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

3. Breakdowns of certain financial assets portfolios

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

6. Related party disclosures

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

8. Breakdowns of certain income and expense items

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

9. Scope of application

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

Overige rapportages

  

Vastekosteneis

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

8011 Grote posten rapportage

Per kalenderkwartaal

Idem (1)

8040/voorblad (incl. compliance)

Per kalendermaand

Idem (1)

Bijlage 7

Bijlage bij artikel 2:5

Overzicht van de staten die de accountant betrekt bij zijn onderzoek

Kredietinstellingen en clearinginstellingen

  

Categorie

IFRS

BW 2.9

   

Jaarverslag, jaarrekening, overige gegevens

  

Balance sheet statement

ja

ja

Income statement

ja

ja

Information that can be required throughout the tables

ja

nvt

AFS assets

ja

nvt

Loans, Receivables, HTM investments

ja

ja

Info on impairment and past due assets

ja

ja

Fin liabilities design. at Fair value trough PL

ja

nvt

Fin liab. measused at amortised cost

ja

ja

Minority interest: revaluation res and other valuation differences

ja

ja

Allowances movements for credit losses

ja

nvt

Related party disclosures

ja

ja

Loan commitments, fin guarantees, and other comm. (off balance)

ja

ja

Analyses of equity

ja

ja

   

Aanvullende financiële gegevens

  

Geen

  
   

Andere financiële gegevens

  

Capital Adequacy

ja

ja

Group Solvency Details

ja

ja

Credit Risk SA

ja

ja

Credit Risk F-IRB

ja*

ja*

Credit Risk A-IRB

ja*

ja*

Credit Risk Equity Simple Risk Weight

ja

ja

Credit Risk Equity Internal Models

ja*

ja*

Credit Risk Securitisations SA ja ja

ja

ja

Credit Risk Securitisations IRB

ja*

ja*

Credit Risk Sec Detailed SA

ja

ja

Credit Risk Sec Detailed IRB

ja*

ja*

Credit Risk Trading Book Settlements

ja

ja

Market Risk TDI SA

ja

ja

Market Risk Equities SA

ja

ja

Market Risk FX SA

ja

ja

Market Risk Commodities SA

ja

ja

Market Risk Internal Models

ja*

ja*

Market Risk Int Models Details

ja*

ja*

Op Risk BIA

ja

ja

Op Risk STA/ASA

ja

ja

Op Risk AMA

ja*

ja*

Landenrisico rapp

ja

ja

Renterisico rapp

ja

ja

Overige rapp

nee

nee

*): Bij de rapportages waar ‘ja*’ is aangegeven gelden specifieke afspraken over te verifiëren onderdelen van de rapportage. Deze specifieke afspraken zijn nog onderwerp van nader overleg. Elementen van dit overleg zijn onder meer de mate waarin gegevens door de kredietinstelling zelf gegenereerd, veelal met een prospectief karakter, onder de specifieke afspraken zullen vallen. Voorts zal nog overleg plaatsvinden omtrent de tekst van de accountantsverklaring bij deze specifieke en ook bij de overige rapportages.

Verzekeraars

  

Categorie

IFRS

BW 2.9

   

Leven

  

Jaarverslag, jaarrekening, overige gegevens

  

Alle hier opgenomen tabbladen

ja

ja

   

Aanvullende financiële gegevens

  

Alle hier opgenomen tabs behalve

  

actuarieel verslag

ja

ja

Actuarieel verslag

nee

nee

   

Categorie IFRS BW 2.9

  
   

Andere financiële gegevens

  

Solvabiliteit

ja

ja

Herverzekering

ja

ja

Standgegevens

ja

ja

Alle andere tabs

nee

nee

   

Schade

  

Jaarverslag, jaarrekening, overige gegevens

 

Alle hier opgenomen tabbladen

ja

ja

   

Aanvullende financiële gegevens

  

Resultatendeling en kortingen

ja

ja

Actuarieel verslag

nee

nee

   

Andere financiële gegevens

  

Solvabiliteit

ja

ja

Herverzekering

ja

ja

Standgegevens

ja

ja

Resultaten per te rapporteren groep

ja

ja

Schade- en afloopstatistiek

ja

ja

Aanvullende informatie zorgverzekeraars

ja

ja

Alle andere tabs

nee

nee

   

Natura-uitvaart

  

Jaarverslag, jaarrekening, overige gegevens

  

Alle hier opgenomen tabbladen

ja

ja

   

Aanvullende financiële gegevens

  

Alle hier opgenomen tabs behalve

  

actuarieel verslag

ja

ja

Actuarieel verslag

nee

nee

   

Categorie

IFRS

BW2.9

   

Andere financiële gegevens

  

Solvabiliteit

ja

ja

Herverzekering

ja

ja

Standgegevens

ja

ja

Pakketwaarde

ja

ja

Alle andere tabs

nee

nee

Kwartaalrapportages verzekeraars

Voor geen van de kwartaalrapportages voor verzekeraars zal certificering door de externe accountant gevraagd gaan worden.

Bijlage 8

Bijlage bij artikel 3:2 van de Regeling staten financiële ondernemingen Wft

Het model van de opgave, bedoeld in artikel 135, eerste lid, van het Besluit, in te dienen door een levensverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, met betrekking tot de vanuit een bijkantoor in een staat die geen lidstaat is uit hoofde van het verrichten van diensten naar Nederland gesloten overeenkomsten van verzekering.

Naam levensverzekeraar .....................:

Boekjaar .....................:

Zetel: ...........

 

Betreft dienstverlening naar lid-staat: ..................................

 

premie x EUR 1000

Branches

 

1. Levensverzekering algemeen

..........

2. Levensverzekering i.v.m. huwelijk of geboorte

..........

3. Levensverzekering verbonden met beleggingsfondsen

..........

4. Permanent health insurance

..........

5. Deelneming in spaarkassen

..........

6. Kapitalisatieverrichtingen

..........

Ondertekening door bestuurder

 

naam:

.......................

handtekening:

.......................

plaats:

.......................

datum:

.......................

Bijlage 9

Bijlage bij artikel 3:5 van de Regeling staten financiële ondernemingen Wft

De branchegroepen en het model van de opgave, bedoeld in artikel 135, tweede lid, van het Besluit, in te dienen door een schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, met betrekking tot de vanuit een bijkantoor in een staat die geen lidstaat is uit hoofde van het verrichten van diensten naar Nederland gesloten overeenkomsten van verzekering.

Naam schadeverzekeraar:

.....................

Boekjaar:

.....................

Zetel: ...........

 

Betreft dienstverrichting naar Nederland vanuit: ......................

  

× EUR 1000

1. Branchegroepen

 

premies

schaden

provisies

(volgens de nummering van artikel 15 van de WTV 1993)

   

– Ongevallen en ziekte (1 en 2)

 

.....

.....

.....

– Voertuigenverzekering (3, 7, 10A en 10B)

 

.....

.....

.....

– Brand en andere schaden aan zaken (8 en 9)

 

.....

.....

.....

– Luchtvaart-, zee-, en transportverzekering (4, 5, 6, 7, 11 en 12)

 

.....

.....

.....

– Algemene Wettelijke aansprakelijkheid (13)

 

.....

.....

.....

– Krediet en borgtocht (14 en 15)

 

.....

.....

.....

– Overige branches (16, 17 en 18)

 

.....

.....

.....

     

2. Aansprakelijkheid motorrijtuigen (10A)

    

frequentie schadegevallen

gemiddelde kosten schadegevallen

premies

schaden

provisies

.....

.....

.....

.....

.....

Ondertekening door bestuurder

 

naam:

.......................

handtekening:

.......................

plaats:

.......................

datum:

.......................

Bijlage 10

Bijlage bij artikel 3:7 van de Regeling staten financiële ondernemingen Wft

Het model van de opgave, bedoeld in artikel 135, derde lid, van het Besluit, in te dienen door een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:87, eerste lid, van de wet.

Naam natura-uitvaartverzekeraar: .....

Boekjaar: ......

Zetel: ...........

 

Betreft dienstverrichting naar Nederland vanuit: ......................

 

x EUR 1000

Premie

 

Ondertekening door bestuurder

 

naam:

.......................

handtekening:

.......................

plaats:

.......................

datum:

.......................

Toelichting

1. Algemeen

Met onderhavige regeling wordt invulling gegeven aan de delegatiegrondslagen die zijn opgenomen in de artikelen 131, eerste lid, 133, eerste lid, en 135, tweede en vijfde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft (verder: Besluit). Voornoemde artikelen zijn opgenomen in hoofdstuk 13 van het Besluit, het hoofdstuk dat regels stelt ten aanzien boekhouding en rapportages. In hoofdstuk 2 van onderhavige regeling worden de modellen van de staten vastgesteld voor financiële ondernemingen, bedoeld in artikel 130 van het Besluit, en worden andere regels voorgeschreven die met de staten verband houden, zoals de indieningstermijn en -frequentie. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de branchegroepen en modellen vastgesteld waarmee verzekeraars opgave dienen te doen van gesloten verzekeringen. Daarmee wordt in hoofdstuk 3 invulling gegeven aan de delegatiegrondslag die is opgenomen in artikel 135, tweede en vijfde lid, van het Besluit.

De modellen van de staten en de opgaven van gesloten verzekeringen zijn opgenomen in de bijlagen bij de Regeling. Vanwege de grote omvang van de staten is er voor gekozen de bijlagen 1 tot en met 5 niet te publiceren in de Staatscourant, maar ter inzage te leggen bij De Nederlandsche Bank N.V. (verder: DNB). Tevens zijn deze bijlagen te raadplegen om de website van DNB: www.DNB.nl. Het format van enkele modellen wordt mogelijk nog gewijzigd, omdat deze nog e-line proof moeten worden gemaakt. Inhoudelijk zullen zij echter niet wijzigingen. Een overzicht van de bijlagen bij onderhavige regeling is hieronder opgenomen:

Modellen van de staten, bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit

Bijlage 1: Verzekeraar, bedoeld in artikel 130, tweede lid, aanhef, van het Besluit – jaarrapportage.

Bijlage 2: Verzekeraar, bedoeld in artikel 130, tweede lid, aanhef, van het Besluit- kwartaalrapportage.

Bijlage 3: Bank, clearinginstelling of elektronischgeldinstelling, bedoeld in artikel 130, tweede lid, aanhef, van het Besluit

Bijlage 4: Beleggingsonderneming, bedoeld in artikel 130, eerste lid, aanhef, van het Besluit.

Bijlage 5: Elektronischgeldinstelling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, aanhef, van het Besluit

Overzicht van de frequentie en indieningstermijn staten

Bijlage : Clearinginstellingen, kredietinstellingen en beleggingsondernemingen

Overzicht van de staten die de accountant betrekt bij zijn onderzoek

Bijlage 7: Clearinginstelling, kredietinstelling en verzekeraar

Modellen van de opgave van gesloten verzekeringen + branchegroepen

Bijlage 8: Levensverzekeraar met zetel in een andere lidstaat

Bijlage 9: Schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat

Bijlage 10: Natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:87, eerste lid, van de wet

2. Gevolgen voor het bedrijfsleven en de burger

In deze paragraaf worden de gevolgen voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven besproken. Voor de administratieve lasten voor de burger heeft deze regeling geen gevolgen.

Hoofdstuk 3 is een beleidsarme ‘verhanging’ van de bestaande Regeling opgave financiële gegevens verzekeringsbedrijf 1994 van 13 juni 1994 (Strct. 1994, 120) en de Regeling opgave financiële gegevens verzekeringsbedrijf 1994. De verhanging heeft derhalve geen gevolgen voor administratieve lasten. In deze paragraaf wordt wel ingegaan op de administratieve lasten die voortvloeien uit hoofdstuk 2 ‘Staten financiële ondernemingen’.

In toelichting op de eerste nota van wijziging van het Wetsvoorstel Wft (Kamerstukken II 2004/05, 29 708, nr. 10) en in de nota van toelichting op het Besluit zijn de volgende administratieve lasten die verband houden met de rapportage door middel van staten reeds als volgt gekwantificeerd.

Artikel

Verlichting

Verzwaring

Toelichting

130

 

€ 61.560

Invoering rapportages voor clearinginstellingen

131, eerste lid, onderdeel a

€ 17.600.000

 

Vermindering met 40 procent van het aantal aanpassingen van het rapportagekader van kredietinstellingen

 

€ 10,75 tot 12 mln

 

Verlaging rapportagefrequentie voor kredietinstellingen

131, eerste lid, onderdeel h,

tweede lid

€ 140.000

 

Verlaging frequentie voor beleggingsondernemingen van één maal per maand tot maximaal één maal per kwartaal

  

€ 1.800.000

Verhoging maximumfrequentie voor verzekeraars van een deel van de staten van één maal per jaar tot één maal per kwartaal

Zoals aangekondigd in paragraaf 5 van de nota van toelichting op het Besluit wordt in onderhavige toezichthouderregeling ingegaan op de gevolgen voor de administratieve lasten die voortkomen uit de modernisering van het rapportagekader van verzekeraars. Daarnaast worden voor de banken berekeningen voor aanlevering van informatie aan DNB verfijnd die zijn opgenomen in de Memorie van Toelichting op de Wet implementatie kapitaalakkoord Bazel 2 (Kamerstukken II 2005–2006, 30 672, nr. 3, blz. 12–21) en in de nota van toelichting op het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2. De administratieve lasten voor beleggingsondernemingen behoeven geen verdere verfijning.

De verlichting als gevolg van de modernisering van de rapportages voor verzekeraars is berekend ten opzichte van de nulmeting ad € 18,6 miljoen, en de reeds eerder toegelichte lastenverzwaringen uit hoofde van de invoering van nieuwe regels voor de toereikendheidstoets (+ € 320.000), en de hogere ICT-kosten (+ € 450.000), en ten slotte de inschatting van de verzwaring vanwege de kwartaalrapportages (+ € 1.800.000). De lasten die voortvloeien uit de modernisering van de rapportages voor verzekeraars zijn in deze regeling berekend op € 12,6 miljoen, zodat de netto verlichting ten opzichte van de inschattingen € 6 miljoen bedraagt. Daarnaast zijn de berekeningen voor de kwartaalrapportages van € 1,8 miljoen verder verfijnd, wat een verlaging heeft opgeleverd van € 1, 5 miljoen.

De in de Memorie van Toelichting op de Wet implementatie kapitaalakkoord Bazel 2 opgenomen mutaties in de administratieve lasten voor de aanlevering van informatie door banken zijn als volgt.

Kostencategorie

Kleine banken

Middelgrote

banken

Grote banken

Zeer grote banken

Totaal

Aanleveren van informatie

€ 774.000

€ 396.000

€ 198.000

€ 2.160.000

€ 3.528.000

Afschrijving rapportagesystemen*

€ 0

€ 220.000

€ 2.200.000

€ 12.000.000

€ 14.420.000

* = Deze administratieve lasten zijn incidenteel en betreffen jaarlijkse afschrijvingen voor een periode van 10 jaar.

In deze regeling is een verlichting berekend als gevolg van de invoering van de nieuwe rapportages voor banken ten opzichte van de eerder in diverse toelichtingen opgenomen geschatte effecten van de wijziging in rapportagefrequenties (van maand naar kwartaal), de afname van het aantal wijzigingen (van 5 naar 3, een besparing van 40%), en de invoering van de nieuwe COREP en FINREP rapportages (inclusief wijziging van enkele andere rapportages, zoals landenrisico en renterisico). In eerdere toelichtingen zijn effecten opgenomen ten opzichte van de nulmeting bestaande uit € 44 miljoen aan incidentele ICT-kosten en € 26,8 miljoen aan structurele kosten van indiening, tezamen € 70,8 miljoen. De uiteindelijke ingeschatte lasten komen op basis van de eerdere toelichtingen uit op een bedrag van € 59,1 miljoen (€ 70,8 minus € 17,6 minus € 12 plus € 14,4 plus € 3,5 miljoen). In onderhavige regeling worden die lasten verfijnd en zijn de lasten uiteindelijk berekend op € 57,8 miljoen. De verfijning levert een verlichting op van € 1,3 miljoen ten opzichte van de eerdere berekeningen van het Ministerie van Financiën.

Bij de berekeningen is uitgegaan van de uitgangspunten zoals ook door het Ministerie van Financiën is gehanteerd. Zo zijn de afschrijvingslasten over een periode van 10 jaar berekend. Voor de berekening van de splitsing van de kosten over incidentele en structurele kosten is de nulmeting als basis gebruikt. Tijdens de verfijningsactiviteiten is geconstateerd dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden van structurele naar incidentele kosten, deze verschuiving is in onderhavige berekeningen ongedaan gemaakt.

De tabel die hieronder is weergegeven bevat een overzicht van de in deze toelichting gekwantificeerde administratieve lasten.

Artikel

Verlichting

Toelichting

130, tweede lid

€ 7,5 mln

Modernisering rapportagekader verzekeraars

131, eerste en tweede lid

€ 1,5 mln

Correctie verhoging maximumfrequentie voor verzekeraars van een deel van de staten van één maal per jaar tot één maal per kwartaal

131, eerste en tweede lid

€ 1,3 mln

Verfijning schattingen in eerdere toelichtingen bij Wet en Besluit en invoering Bazel 2 rapportages voor banken

Administratieve lasten indiening verzekeringstaten

DNB heeft tegelijk met de invoering van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) de verzekeringstaten gemoderniseerd. De wijzigingen in het rapportagekader zijn in nauw overleg met de sector en met het Ministerie van Financiën tot stand gekomen. Centraal in dit proces stonden aspecten zoals het verkrijgen van adequate informatie van verzekeraars om de toezichttaak goed te kunnen uitvoeren, het zo veel mogelijk gebruik maken van al bestaande data en rapportagemethoden van verzekeraars, rekening houdend met andere, statistische doelstellingen van informatie-uitvraag bij verzekeraars. De modernisering resulteert in een betere aansluiting bij gegevens die verzekeraars toch al beschikbaar hebben voor andere rapportagedoeleinden zoals de jaarverslaggeving. Hierdoor kunnen verzekeraars de interne procedures om jaarrekening enerzijds en de staten anderzijds op te stellen dichter bij elkaar brengen, dit vergt dan minder tijd om de staten in te vullen. De gegevens die DNB uitvraagt voor het opstellen van de jaarrekening zijn kritisch beoordeeld op hun noodzaak. Het onderdeel jaarrekening van het nieuwe statenpakket is op onderdelen flink verminderd, of in zijn geheel geschrapt. Echter als gevolg van een meer risicogebaseerde insteek van de toezichthouder is met name de aanvullende prudentiële rapportages op onderdelen uitgebreider. Aan de andere kant is het nieuwe pakket meer op maatwerk gericht dan het voorgaande pakket, waar alle verzekeraars alle staten in principe dienden in te vullen. In de nieuwe situatie is toegewerkt naar rapportagesets die voor bepaalde verzekeraars relevant zijn; niet alles hoeft te worden ingevuld. Zo zijn er afzonderlijke sets voor levensverzekeraars, voor schadeverzekeraars inclusief zorgverzekeraars, en voor natura- uitvaartverzekeraars. Voorts zijn sets ontwikkeld gebaseerd op de keuze van waarderingsgrondslagen, in casu op basis van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel de internationale verslaggevingstandaarden IAS/IFRS. Bovendien is aandacht besteed aan de wijze waarop de gegevens van de verzekeraar naar DNB worden verstuurd. DNB maakt het invoeren van de gegevens zo eenvoudig mogelijk doordat een internetapplicatie wordt gehanteerd, genaamd e-Line DNB. Deze applicatie is geschikt om gegevens met behulp van moderne transmissie (via internet op basis van XML/XBRL) te verzenden. Gebruik maken van deze moderne middelen kan belangrijke administratieve lastenverminderingen voor de verzekeraars opleveren. Te meer omdat de onder toezicht staande ondernemingen via de toepassing van XML/XBRL voor de prudentiële rapportages beter kan aansluiten bij de XBRL-taxonomie van het Nederlandse XBRL-platform. Deze toepassingen liggen in elkaars verlengde, waardoor voorkomen is dat onder toezicht staande ondernemingen met twee aparte systemen geconfronteerd worden.

Bij het bepalen van de wijzigingen in de rapportagesets is rekening gehouden met wijzigingen in verslaggevingsregels, waaronder de bepaling voor levensverzekeraars dat zij een toereikendheidstoets dienen uit te voeren en daarover in de jaarrekening een toelichting dienen te verschaffen. Hierdoor is voorkomen dat verzekeraars tweemaal in korte tijd geconfronteerd worden met wijzigingen. De toereikendheidstoets, die naast voor levensverzekeraars ook voor schade- en natura-uitvaartverzekeraars geldt, is zodanig opgezet dat verzekeraars kunnen blijven volstaan met éénsporige verslaggeving; dat wil zeggen dat alle keuzemogelijkheden die verslaggevingregels bieden, door verzekeraars toegepast kunnen worden en dat deze cijfers de basis vormen voor het invullen van de nieuwe staten. Ook hierdoor zijn de administratieve lasten van verzekeraars tot een minimum beperkt. Eén van de informatiebehoeften van toezichthouders, namelijk tijdig geïnformeerd worden over risicovolle situaties, heeft ertoe geleid dat naast de jaarset rapportages voor sommige verzekeraars ook kwartaalsets uitgevraagd zullen worden. Naar verwachting zal dit slechts voor een beperkte hoeveelheid verzekeraars gelden, waardoor ook deze additionele administratieve lasten zo klein mogelijk zijn gehouden. Ten slotte is gekeken naar de mate waarin gegevens in de bestaande praktijk veelal via ad hoc rapportages werden uitgevraagd. Vanuit de ervaring dat het reguleren van dit soort rapportages leidt tot lastenreducties voor verzekeraars, zijn sommige gegevens in het nieuwe rapportagekader meegenomen. Het kan zijn dat het uitvragen van bepaalde gegevens tijdelijk tot (procesmatige) knelpunten leidt bij verzekeraars. In die gevallen zal DNB met de desbetreffende verzekeraar bespreken hoe de knelpunten binnen een nader te bepalen termijn opgelost kunnen worden. Deze benaderingswijze van DNB is er ook op gericht om de lasten voor verzekeraars te beperken.

De ontwikkeling van de nieuwe rapportagesets heeft ertoe geleid dat het aantal nieuwe rapportages lager uitpakt dan voorheen. Vanwege de modulaire opzet van de nieuwe rapportages en de keuzemogelijkheden die verzekeraar behouden voor wat waarderingsgrondslagen betreft, hoeven verzekeraars alleen de voor hen relevante rapportages in te vullen. Omdat een betere aansluiting wordt gerealiseerd op interne processen bij verzekeraars zijn minder manuren nodig om de nieuwe rapportages bij de toezichthouder in te dienen. Ondanks een lastenstijging als gevolg van het aanpassen van rapportages (en interne systemen) is voor de gehele sector per saldo een verlaging van de administratieve lasten gerealiseerd van bijna € 6 miljoen ten opzichte van de nulmeting. Voor levens- en schadeverzekeraars is een verlaging van de administratieve lasten berekend van € 6,1 miljoen, voor natura-uitvaartverzekeraars is een lastenverzwaring berekend van € 0,1 miljoen. Voor deze categorie verzekeraars wordt het pakket rapportages minder verlaagd (had al een relatief laag niveau), waardoor de kosten van aanpassing van de systemen relatief harder aantikken. Voorts wordt voorzien dat slechts een beperkt aantal verzekeraars onder de plicht van kwartaalrapportages komt te vallen, waardoor de administratieve lasten hiervan lager uitkomen dan eerdere schattingen.

De administratieve lasten voor het indienen van de rapportages in de nulmeting bedroegen € 18,2 miljoen voor levens- en schadeverzekeraars en € 0,35 miljoen voor natura-uitvaartverzekeraars. De nieuwe rapportages bevatten voor levens- en schadeverzekeraars respectievelijk 24 en 21 rapportages die nauwer aansluiten bij gegevens die de desbetreffende verzekeraar ook al nodig heeft om de jaarverslaggeving op te stellen tegenover respectievelijk 16 en 12 rapportages in de oude situatie. Als aanvullende prudentiële rapportages worden in de nieuwe rapportagesets respectievelijk 9 en 11 rapportages uitgevraagd tegenover 20 respectievelijk 36 in de oude situatie. Hier is duidelijk zichtbaar dat beter is aangesloten bij al bestaande gegevens en dat de toezichthouder terughoudend is bij het uitvragen van aanvullende rapportages. Voor natura-uitvaartverzekeraars zijn de aantallen als volgt: 24 nieuwe rapportages die aansluiten bij jaarverslaggeving tegenover 13 in de oude situatie en 8 nieuwe aanvullende rapportages tegenover 20 in de oude situatie.

Doordat de nieuwe rapportages beter aansluiten bij gegevens die toch al moeten worden verzameld uit oogpunt van jaarverslaggeving zullen substantieel minder manuren benodigd zijn om tevens de staten in te vullen. Uitgaande van een proportionele verhouding per in te vullen staat wordt verondersteld dat levens- en schadeverzekeraars circa 61% minder manuren nodig zullen hebben, natura-uitvaartverzekeraars naar verwachting 39% minder manuren. Voor het uitvragen van kwartaalrapportages wordt verwacht dat dit voor circa 40 levens- of schadeverzekeraars zal gelden en voor circa 5 natura-uitvaartverzekeraars (ongeveer 11% van het totaal). In tegenstelling tot de lasten die hiervoor zijn berekend in de toelichting op het Besluit vloeien hier niet € 1,8 miljoen administratieve lasten uit voort, maar € 0,3 miljoen. In de nota van toelichting was er vanuit gegaan dat de kwartaalrapportages bij een grotere groep verzekeraars zal worden opgevraagd.

De verplichting op grond van de Wft voor alle verzekeraars om een toereikendheidstoets uit te voeren leidt voor levens- en schadeverzekeraars tot een lastenstijging van € 0, 28 miljoen en voor natura-uitvaartverzekeraars van € 0,04 miljoen.

Deze effecten resulteren in een administratieve last voor levens- en schadeverzekeraars van € 12,1 miljoen, wat een verlaging is van € 6,1 miljoen ten opzichte van € 18,2 miljoen van de nulmeting. Voor natura-uitvaartverzekeraars resulteren de administratieve lasten in € 0,47 miljoen, een administratieve lastenverzwaring van ongeveer 0,1 miljoen ten opzichte van de oorspronkelijke € 0,35 miljoen. In deze bedragen zijn, anders dan in de nulmeting, tevens de lasten berekend voor de aanpassing van de interne systemen van de verzekeraars.

De administratieve lasten worden onderscheiden in structurele en incidentele lasten. De incidentele lasten worden gevormd door de investeringen in rapportagesystemen. De structurele lasten worden gevormd door het invullen en aanleveren van de rapportagestaten. De totale lasten voor levens- en schadeverzekeraars ad € 12,1 miljoen zijn onder te verdelen naar € 5,6 miljoen incidentele lasten (uitgaande van de onaangepaste afschrijvingsgrondslag van 10 jaar) en € 6,5 miljoen structurele lasten. Voor natura-uitvaartverzekeraars zijn de bedragen als volgt: € 163.000 voor incidentele lasten en € 311.000 voor structurele lasten, tesamen € 474.000.

Tabel 1 toont onafgeronde bedragen voor leven- en schadeverzekeraars en natura-uitvaartverzekeraars die voortvloeien uit het nieuwe rapportagekader. In tabel 2 is vervolgens aangegeven het verschil in administratieve lasten ten opzicht van de nulmeting. Totaal komt de reductie van het nieuwe rapportagekader verzekeraars neer op € 6 miljoen.

Tabel 1: Totaal overzicht administratieve lasten nieuwe rapportagekader verzekeraars
 

Leven- en schadeverzekeraars

Natura-uitvaartverzekeraars

Structurele AL

6.542.200

311.200

Incidentele AL

5.579.800

162.800

Totaal

12.104.000

474.000

Tabel 2: Administratieve lasten ten opzichte van de nulmeting
 

Leven- en schadeverzekeraars

Natura-uitvaartverzekeraars

Structurele AL

– 11.693.800

– 33.800

Incidentele AL

5.579.800

162.800

Totaal

– 6.114.000

129.000

Administratieve lasten banken

Met de invoering van de Wft is tevens een nieuw rapportagekader voor beleggingsondernemingen en banken ingevoerd. Dit rapportagekader is nagenoeg geheel ontleend aan het rapportagekader dat door Europese toezichthouders (CEBS) is ontwikkeld, deels op basis van de nieuwe solvabiliteitsvoorschriften uit hoofde van richtlijn nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177/1 (hierna: herziene richtlijn banken), richtlijn nr. 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177/201) (herziene richtlijn kapitaaltoereikendheid) en deels op basis van internationale jaarverslaggevingstandaarden (IAS/IFRS). De keuze om een internationaal afgesproken framework te hanteren biedt de banken voordelen. Belangrijk is dat daarmee gegevens meer geharmoniseerd uitgevraagd kunnen worden, waardoor internationale bankengroepen kunnen volstaan met minder ‘reporting’-applicaties om, binnen Europa, aan verzoeken van toezichthouders te kunnen voldoen. Voor de Nederlandse toezichthouder was deze ontwikkeling tevens aanleiding om kritisch te kijken naar de operationele informatiebehoeften van toezichthouders. Eén en ander heeft ertoe geleid dat het nieuwe pakket rapportages in de praktijk minder omvangrijk is dan voorheen. Vooral omdat onder het nieuwe solvabiliteitsraamwerk van de herziene richtlijnen banken en herzien richtlijn kapitaaltoereikendheid, banken meerdere keuzes hebben die leiden tot het invullen van alleen voor hen relevante rapportages. Het nieuwe pakket concentreert zich naast algemene financiële informatie (FINREP) op de risico´s behorende bij de eerste pijler van het nieuwe solvabiliteitsraamwerk (krediet-, markt-, en operationeel risico, COREP). Daarnaast zijn nog een tweetal andere risico´s vervat in rapportages, te Weten rente- en concentratierisico, waarmee voorkomen wordt dat banken worden geconfronteerd met ad hoc opvragingen door toezichthouders. De nieuwe rapportages kunnen ook via moderne datatransmissie (via internet obv XML/XBRL) aan de toezichthouder worden gezonden, iets dat gunstig uitwerkt op de kosten van banken. Te meer omdat de onder toezicht staande ondernemingen via de toepassing van XML/XBRL voor de prudentiële rapportages beter kan aansluiten bij de XBRL-taxonomie van het Nederlandse XBRL-platform. Deze toepassingen liggen in elkaars verlengde, waardoor voorkomen is dat onder toezicht staande ondernemingen met twee aparte systemen geconfronteerd worden.

Eén van de wijzigingen die sinds de nulmeting van administratieve lasten in 2002 zijn doorgevoerd is de verlaging van de frequentie van indiening. De maandfrequentie is voor financiële en solvabiliteitsrapportages, niet voor liquiditeitsrapportages, teruggebracht naar een kwartaalfrequentie en de administratieve lasten reductie die hieruit voortvloeit is reeds in kaart gebracht in de nota van toelichting op het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2. Voorts mag worden verwacht dat het aantal wijzigingen in rapportagestaten in de toekomst op een lager niveau zal liggen dan voorheen, mede omdat bij het wijzigen rekening gehouden moet worden met internationale ontwikkelingen (in CEBS met name).

De administratieve lasten voor het indienen van de rapportages in de nulmeting bedroegen € 69,7 miljoen. Eerdere schattingen in toelichtingen bij de Wft gaan uit van een startpunt van € 70,8 miljoen (zijnde € 44 miljoen plus € 26,8 miljoen). Ten behoeve van berekeningen in deze regeling is uitgegaan van het startpunt van € 69,7 miljoen. In deze nulmeting berekeningen was uitgegaan van 5 wijzigingen in rapportages per jaar gemiddeld. Door de invoering van het Bazel II-rapportagekader worden voor de zeer grote banken 19 rapportages gewijzigd, voor grote banken 18, voor middelgrote banken 16, en voor kleine banken 10. Voor de periode na deze wijzigingen wordt verwacht dat zich gemiddeld 3 wijzigingen per jaar zullen voordoen. Eerdere inschattingen van het aantal te wijzigen rapportages, in de toelichting op de Wet implementatie Kapitaalakkoord Bazel 2, gaven 19 wijzigingen aan voor zeer grote banken, 11 wijzigingen voor grote banken, 5 wijzigingen voor middelgrote banken en 0 wijzigingen voor kleine banken. Uitgegaan wordt van de veronderstelling dat de wijzigingen uit hoofde van COREP in de schattingen betrokken zijn, terwijl daarnaast FINREP tot wijzigingen heeft geleid en tevens de rapportages voor landenrisico en renterisico zijn aangepast. De lastenverzwaringen als gevolg van de uiteindelijke wijzigingen in rapportages zijn in onderhavige berekeningen meegenomen.

De administratieve lasten voor banken zijn ten opzichte van de nulmeting in 2002 als gevolg van deze ontwikkelingen gedaald met € 11,9 miljoen, van € 69,7 naar € 57,8 miljoen op jaarbasis (minus 17%). Hierin is het lastenverhogende effect van wijzigingen in interne systemen van banken meegenomen.

Als gevolg van voornoemde effecten op de administratieve lasten, waarbij tevens de overgang van maandfrequenties naar kwartaalfrequenties is meegenomen, wijzigen de administratieve lasten (ten opzichte van de nulmeting) voor de zeer grote banken van € 47,9 miljoen naar € 40 miljoen, voor de grote banken van € 17,6 miljoen naar € 14,5 miljoen, voor middelgrote banken van € 3,5 miljoen naar € 2,8 miljoen, en voor kleine banken van € 0,7 miljoen naar € 0,5 miljoen. De uiteindelijke reductie van de administratieve lasten voor banken ten opzichte van de nulmeting komt dus neer op € 11,9 miljoen.

De administratieve lasten worden onderscheiden in structurele en incidentele lasten. De incidentele lasten worden gevormd door de investeringen in rapportagesystemen. De structurele lasten worden gevormd door het invullen en aanleveren van de rapportagestaten. De totale lasten voor kredietinstellingen van € 57,8 miljoen zijn onder te verdelen naar € 28,1 miljoen incidentele lasten (uitgaande van de onaangepaste afschrijvingsgrondslag van 10 jaar) en € 29,7 miljoen structurele lasten. De uitsplitsing over de categrorieën is als volgt:

 

Kleine

banken

Middelgrote banken

Grote

banken

Zeer grote banken

Totaal

Structurele AL

€ 0.3 mln

€ 1.6 mln

€ 7.2 mln

€ 20.6 mln

€ 29.7 mln

Incidentele AL

€ 0.2 mln

€ 1.2 mln

€ 7.3 mln

€ 19.4 mln

€ 28.1 mln

Totaal

€ 0.5 mln

€ 2.8 mln

€ 14.5 mln

€ 40 mln

€ 57.8 mln

3. Toelichting op hoofdstuk 2. Staten

In artikel 130 van het Besluit is bepaald dat de door DNB vastgestelde staten van toepassing zijn op financiële ondernemingen – beleggingsondernemingen, clearinginstellingen, kredietinstellingen (zowel banken als elektronischgeldinstellingen), en verzekeraars – met zetel in Nederland en op Nederlandse bijkantoren van financiële ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is. Op basis van artikel 130, derde lid, van het Besluit, is voorts bepaald dat deze staten op verzoek van DNB ook worden ingevuld door bijkantoren van banken met een zetel in een andere lidstaat ten behoeve van het toezicht op de liquiditeit van het bijkantoor, daartoe dienen deze bijkantoren staten in afkomstig uit het Financial Reporting Framework’ (FINREP). Tenslotte moeten op basis van artikel 3:65 van de Wft en artikel 130, eerste lid, onderdeel b, punt 3, van het Besluit ook bijkantoren van kredietinstellingen gevestigd in een derde land rapporteren in het kader van het liquiditeitstoezicht.

De staten op basis waarvan de financiële ondernemingen hun rapportages indienen, zijn opgenomen in de bijlagen 1 tot en met 5 bij deze regeling. Iedere bijlage bevat voorafgaande aan de staten een inhoudsopgave met de voor de onderscheiden categorie financiële ondernemingen geldende staten en de modellen van die staten. De frequentie en indieningstermijn van de staten zijn, voor zover het financiële ondernemingen betreft die geen verzekeraar zijn, aangegeven in bijlage 6 van deze regeling. De frequentie en indieningstermijn voor verzekeraars zijn aangegeven in artikel 2.2 van deze regeling. Waar nodig geeft een toelichting bij de staten een nadere uitleg voor het invullen van de gevraagde gegevens.

Om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de door de financiële ondernemingen op te stellen jaarrekeningen zijn staten opgenomen voor financiële ondernemingen die hun jaarrekening opstellen volgens de International Financial Reporting Standards (IAS/IFRS) van de International Accounting Standards Board (IASB) omdat zij deze internationale jaarrekening standaarden toepassen en andere staten voor financiële ondernemingen die hun jaarrekening en jaarverslag volledig inrichten volgens de voorschriften van Titel 9 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het merendeel van de staten voor de rapportages ten behoeve van de solvabiliteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen vormt de Nederlandse implementatie van in Europees verband door CEBS vastgestelde rapportagestandaarden, het zogenaamde ‘Common Reporting Framework’ (COREP).

Voor het indienen van de staten heeft DNB een op een internetapplicatie gebaseerd elektronisch rapportagesysteem ontwikkeld, genaamd e-Line DNB. Deze internetapplicatie is geschikt om gegevens met behulp van moderne transmissie (via internet op basis van XML/XBRL) te verzenden. E-Line is erg laagdrempelig in het gebruik. De internetapplicatie is zo opgezet dat de financiële onderneming alleen de voor hem geldende staten ter invulling krijgt aangeboden en via een beveiligde internetverbinding rechtstreeks aan DNB kan rapporteren. Bij het invullen kunnen gegevens uit de systemen van de financiële onderneming direct worden geïmporteerd. Bovendien kunnen handmatig in e-line DNB ingevoerde gegevens worden geëxporteerd naar excel voor verder intern gebruik. In tegenstelling tot de Nederlandse XBRL taxonomie, biedt e-line reeds de faciliteiten om rekenregels, formules en controles uit te voeren op de rapportage en kunnen de rapportages via data entry worden ingevuld. DNB zal zoveel mogelijk aansluiten bij het Nederlandse Taxonomie Project XBRL. Daarbij moet worden vermeld dat DNB ook rekening dient te houden met XBRL initiatieven die in Europees verband plaatsvinden.

Voor verzekeraars is in artikel 2:2, tweede tot en met vijfde lid, van onderhavige regeling de in artikel 131, tweede lid, van het Besluit, verankerde risicogeoriënteerde aanpak nader uitgewerkt. In de toelichting die is opgenomen in de bijlagen bij de staten is deze aanpak verder uitgewerkt.

Voor banken, beleggingsondernemingen, clearinginstellingen en elektronischgeldinstellingen is in de staten een onderscheid aangebracht tussen gegevens die door de toezichthouder als kernachtig zijn aangemerkt en gegevens die indien minder risicovol geacht mogelijk kunnen leiden tot een Besluit dat deze gegevens niet uitgevraagd zullen worden. De risicogeoriënteerde aanpak voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen wordt derhalve gezocht in meer of minder gedetailleerde rapportages. Het verschil in risicogeoriënteerde aanpak tussen verzekeraars en de andere financiële ondernemingen kan worden verklaard door het feit dat de internationale ontwikkelingen op dit vlak nog steeds sectoraal plaatsvinden.

Rapportagestaten voor verzekeraars

Voor de verzekeraars zijn in de rapportagestaten aanzienlijke wijzigingen doorgevoerd. De regeling staten dateerde van 1994 en de informatieverstrekking via die staten is minder effectief geworden. Samen met de in de vorige alinea uiteengezette internationale ontwikkelingen is de regelgeving voor de verzekeringstaten daarom geheel vernieuwd ingepast in het Wft-regime.

In artikel 134 van het Besluit is bepaald welke staten door een verzekeraar openbaar worden gemaakt. In het verlengde hiervan is in de modellen van de staten het onderscheid aangebracht tussen openbare en niet openbare staten. Benadrukt wordt dat de verzekeraar niet aan de plicht ingevolge artikel 134 van het Besluit kan voldoen door de rapportages bij DNB in te dienen; de verzekeraar is zelf verantwoordelijk voor deze publicatieplicht. De rapportages aan DNB (de Wft-staten) kunnen wel als basis dienen. De cijfers van balansen en winst- en verliesrekeningen uit de Wft-staten kunnen zonder meer gebruikt worden voor de jaarrekening die uit hoofde van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek én artikel 134 van het Besluit wordt opgesteld. Qua toelichtingen, directieverslag (‘jaarverslag’) en overige gegevens hangt dit af van de keuzes die de verzekeraar zelf maakt. Deze kan ervoor kiezen om de staten zo in te vullen dat de ingevulde jaarset kan worden gedownload naar een eigen (Excel-) bestand van de verzekeraar om daarmee de publicatiestukken op te stellen, met dien verstande dat de verzekeraar bepaalde toelichtingen zelf verder aanvult. Het staat ook vrij om de staten in de minimale vorm in te vullen en zelf meer dan in vorige situatie aan te vullen om tot uw publicatiestukken te komen.

De nieuwe Wft-staten gelden voor alle verzekeraars die onder de rapportageplicht vallen, maar per verzekeraar gelden alleen de voor hem relevante rapportages. Zo is onderscheid gemaakt naar de aard van de verstrekte vergunningen (leven/schade/natura), de aard van de waarderingsgrondslagen (Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale verslaggevingsstandaarden IAS/IFRS), en de eventueel van toepassing zijnde consolidatieplicht. Binnen de nieuwe rapportages is tevens gebruik gemaakt van keuze-buttons, waardoor alleen nadere informatie-uitvraag plaatsvindt waar dit relevant is. In de rapportages wordt voorzien in materialiteitbepalingen. Hierdoor kan de hoeveelheid in te vullen gegevens ten opzichte van de consultatiesets verder verminderd worden. De keuze voor een bepaalde set staten is de verantwoordelijkheid van de verzekeraar. DNB draagt zorg voor het ter beschikking stellen van de juiste set.

Rapportagekaders voor beleggingsondernemingen, clearinginstellingen en kredietinstellingen

Voor beleggingsondernemingen, clearinginstellingen en kredietinstellingen (banken danwel elektronischgeldinstellingen) hebben er minder vergaande veranderingen plaatsgevonden. Voor deze categorieën financiële ondernemingen is meer sprake van modernisering van de staten ten gevolge van internationale ontwikkelingen op het gebied van de jaarrekening en jaarverslaggeving en de implementatie in de Nederlandse wetgeving van de herziene richtlijn banken en de herziene richtlijn kapitaaltoereikendheid. Met deze richtlijn wijzigingen wordt het internationale kapitaalakkoord Bazel II, gesloten door de G10 landen en Zwitserland in de Europese richtlijnen geïmplementeerd. De richtlijnen worden vervolgens via de nationale regelgeving geïmplementeerd, in Nederland door middel van de Wft en de daarbij behorende lagere regelgeving. De door deze wijzigingen opnieuw opgestelde staten zijn al met de sector geconsulteerd. Daarnaast zijn nog een aantal staten ongewijzigd in het nieuwe rapportage systeem opgenomen. Clearinginstellingen gaan als de banken rapporteren, uiteraard voorzover de staten op hen van toepassing zijn. Clearinginstelling die tevens een beleggingsonderneming zijn, niet zijnde een bank, rapporteren overeenkomstig de staten op beleggingsondernemingen van toepassing zijn.

Het aantal rapportages is door de modernisering tevens aanzienlijk verminderd, zie daarover hierna de paragraaf over administratieve lasten.

In de uitoefening van het toezicht zal de uitvoering van onderhavige regeling geen materiële gevolgen hebben voor de toepassing van het materialiteitsprincipe zoals dat is neergelegd in de circulaire van 11 okotber 2004 betreffende wijzigingen in het rapportageregime voor instellingen ingeschreven in de Afdelingen I, II, en III, van het register, bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992. Krachtens deze circulaire wordt een aantal staten alleen nog ingediend als er sprake is van een materieel risico en het indien van interne management informatie ter zake naar het oordeel van DNB onvoldoende is. Het betreft de formulieren 8003, (positieberekening vreemde valuta´s en goud), de formulieren 8004 tot en met 8010 (berekening van de solvabiliteitseisen voor marktrisico), formulier 8017 (toetsing volgens immobiliaregel) en formulier 8022 (derivatenrapportage). Voor deze formulieren komen, voor zover zij worden gehandhaafd, deels COREP templates in de plaats. Aldus, blijft het bovengenoemd materialiteitsprincipe onder de Wft gehandhaafd.

Artikelsgewijze toelichting hoofstuk 2

Artikel 2:1

In artikel 2:1 worden ter uitvoering van artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit de modellen vastgesteld. De modellen van de staten zijn voor de onderscheiden categorieën financiële ondernemingen opgenomen in bijlagen 1 tot en met 5 bij onderhavige regeling en zijn daarmee onderdeel van de regeling.

Artikel 2:2

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 131, eerste lid, onderdelen g en h, van het Besluit. In het eerste lid is bepaald dat de frequentie en de indientermijnen voor de rapportages door banken, beleggingsondernemingen, clearinginstellingen, elektronischgeldinstellingen en bijkantoren als bedoeld in artikel 130, eerste en derde lid, van het Besluit in de bijlage 6 zijn vastgelegd.

In het tweede lid wordt de frequentie en indieningstermijn bepaald voor de reguliere rapportages door verzekeraars, in casu het standaardpakket aan rapportages dat jaarlijks door verzekeraars wordt verstrekt.

De risicogeoriënteerde aanpak van het toezicht is voor wat betreft de verstrekking van staten met name tot uitdrukking gebracht in artikel 131, tweede lid, van het Besluit. Daarin is verwoord dat de door DNB te stellen regels (betreffende de reikwijdte van toepassing van de staten, de afronding en de termijnen waarbinnen en de frequentie waarmee de staten worden verstrekt) zijn afgestemd op de aard, omvang en solvabiliteit van de financiële onderneming. Voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen is het risicogeoriënteerd toezicht meer tot uiting gebracht in de gedetailleerdheid van de te verstrekken rapportage. Zie hierover ook de algemene inleiding.

De risicogeoriënteerde aanpak voor het toezicht op verzekeraars komt enerzijds tot uitdrukking dat het standaardpakket aan op te vragen staten, die op basis van het tweede lid wordt opgevraagd, tot een minimum is beperkt. Anderzijds dient een verzekeraar in de in het derde lid bepaalde gevallen aanvullende staten aan DNB te verstrekken. Deze aanvullende staten zijn opgenomen in bijlage 2.

Het eerste geval waarin een aanvullende rapportage verlangd wordt, is indien de verzekeraar gedurende minder dan drie jaren een vergunning heeft voor een bepaalde branche in de verzekeringsmarkt. De gedachte die hieraan ten grondslag ligt is dat een verzekeraar die start in een bepaalde branche in de eerste jaren voor de branche meer risico’s loopt dan een meer ervaren verzekeraar. Het is daarom te billijken dergelijke verzekeraars in de beginperiode nauwlettend te volgen.

Het tweede geval betreft de aanwijzing, bedoeld in artikel 1:75, eerste of tweede lid, van de Wft, indien deze is gegeven wegens het niet voldoen aan de regels met betrekking tot het garantiefonds, de solvabiliteitsmarge of de technische voorzieningen, of wegens de tekenen die DNB heeft ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen of de solvabiliteit van de verzekeraar in gevaar kan brengen. Indien DNB een verzekeraar een dergelijke aanwijzing heeft gegeven, dient de verzekeraar de aanvullende staten, bedoeld in bijlage 2, te verstrekken. Deze voorwaarde zorgt ervoor dat de aanvullende rapportage automatisch is verbonden van een aanwijzing als bedoeld in artikel 2:2, derde lid, onderdeel b, van deze regeling.

Aanvullend is in artikel 2:2, tweede lid, onderdeel c, bepaald dat uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de onzekerheden groot zijn en daardoor ook de kans reëel is dat de verzekeraar niet langer zal kunnen voldoen aan de regels met betrekking tot het garantiefonds, de solvabiliteitsmarge of de technische voorzieningen, aanleiding kunnen zijn voor het verstrekken van aanvullende staten. Onder ‘uitzonderlijke omstandigheden’ kan in dit verband worden verstaan een aandelencrash voor verzekeraars die het vorige boekjaar een oversolvabiliteit hadden die als gevolg van die crash nagenoeg verdwenen zal zijn of de invoering van een volledig nieuw wettelijk kader voor een bepaalde branche zoals de in 2006 ingevoerde Zorgverzekeringswet in de branche ziektekosten. Andere voorbeelden die meer gericht zijn op de individuele verzekeraar zijn:

(i) een langdurige computerstoring, waardoor de bedrijfsvoering van die verzekeraar in gevaar is gekomen;

(ii) een ernstig incident met betrekking tot de integriteit van de bestuurders van de verzekeraar;

(iii) een verzekeraar die voornamelijk producten voert met rentegaranties en die te maken heeft met een kapitaalmarktrente die voor langere tijd onder deze rentegaranties beweegt, waardoor de onzekerheid of de verzekeraar kan blijven voldoen aan de wettelijke eisen elk kwartaal toeneemt;

(iv) een aansprakelijkheidsverzekeraar die vanwege het wegvallen van herverzekering in een positie komt te verkeren waarin één of meer claims er onmiddellijk toe kunnen leiden dat de verzekeraar niet langer voldoet aan de regels met betrekking tot het garantiefonds, de solvabiliteitsmarge of de technische voorzieningen.

Bepalend voor het oordeel van DNB of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden is steeds of deze uitzonderlijke omstandigheden dusdanige onzekerheden geeft voor de betreffende verzekeraar dat kans op een financiële positie onder de wettelijke eisen reëel wordt. DNB heeft dan met een hogere frequentie dan op jaarbasis inzicht nodig in de financiële ontwikkeling van het bedrijf om te beoordelen of deze verzekeraar aan de regels met betrekking tot het garantiefonds, de solvabiliteitsmarge en de technische voorzieningen blijft voldoen.

De aanvullende staten zijn opgenomen in bijlage 2 en worden dus alleen opgevraagd wanneer aan één of meer van de voorwaarden, bedoeld in artikel 2:2, derde lid, is voldaan. Uit artikel 131, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit vloeit voort dat de frequentie waarmee de staten worden verstrekt niet hoger is dan vier maal per jaar. De frequentie van het opvragen van de aanvullende staten kan door DNB worden op basis van artikel 2:2, derde lid, vastgesteld op twee maal per jaar of vier maal jaar, afhankelijk van de situatie.

Het vierde lid bepaalt dat de aanvullende staten voor het eerst worden verstrekt over het halfjaar dan wel kwartaal dat volgt op de vergunningverstrekking, de aanwijzing of de uitzonderlijke omstandigheden.

Uit het vijfde lid volgt dat de verzekeraar de staten gedurende maximaal drie jaren (ofwel zes halve jaren of twaalf kwartalen) moet blijven verstrekken in het geval waarin de verzekeraar gedurende minder dan drie jaar een vergunning heeft danwel waarin aan de verzekeraar een aanwijzing is gegeven. Uiteraard is het mogelijk dat zich gedurende die drie jaren opnieuw gevallen als bedoeld in het derde lid, onderdeel a of b, voordoen. Dan begint een nieuwe termijn van drie jaren te lopen vanaf het halfjaar/kwartaal dat daarop volgt.

In het geval van een uitzonderlijke omstandigheid ligt het in de rede dat de termijn aansluit bij de termijn gedurende welke deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen

De grondslag voor de risicogeoriënteerde aanpak van het toezicht is artikel 131, eerste lid, onderdeel b, en artikel 131, tweede lid, van het Besluit. Voornoemde grondslag staat los van de bevoegdheid van DNB om op basis van artikel 3:72, zevende lid, van de Wft, op aanvraag, geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing te verlenen van het derde lid van dat artikel 3:72 (betreffende de verstrekking van staten door een verzekeraar aan DNB) indien de verzekeraar aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die het betreffende artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt. Bij de afweging of een verzekeraar redelijkerwijs niet aan de rapportageverplichtingen kan voldoen en of bedoelde doeleinden van de rapportages anderszins worden bereikt, betrekt DNB mede de afweging van de kosten die naleving van de rapportageverplichtingen met zich brengen voor de verzekeraar in kwestie en het belang daarvan (de ‘baten’) voor het toezicht.

Artikel 2:3

Uit het vaststellen van de modellen voor staten in artikel 2:1 vloeit voort dat de staten worden ingevuld conform de toelichting op de invulling van de staten die daartoe zijn opgenomen in de bijlagen. Op basis van artikel 2:1, tweede lid, kunnen deze toelichtingen op de invulling van de staten tevens betrekking hebben op de uitvoering van artikel 131, eerste lid, onderdelen b, c, e, en f, van het Besluit.

In artikel 131, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit is aangegeven dat de waardering van de posten in de verslagstaten geschiedt overeenkomstig de waarderingsmethoden die de financiële onderneming in haar jaarrekening toepast. De criteria, bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdelen e en f, van het Besluit (de te hanteren valuta en rekeneenheid en de afronding) zijn vastgelegd in de desbetreffende modellen van de staten in de bijlagen bij deze regeling.

De bepalingen die zijn opgenomen in het tweede en derde lid van artikel 2:3 zijn overgenomen uit de artikelen 3 en 4 van het Besluit staten verzekeringsbedrijf 1994. In plaats van artikel 2, tweede lid, van laatstgenoemd Besluit (betreffende de ondertekening van de staten door het bestuur van de financiële onderneming) wordt een afzonderlijke staat opgenomen die een verklaring bevat ter ondertekening van de dagelijks beleidsbepalers. Een afzonderlijke bepaling in onderhavige regeling met betrekking tot de ondertekening van de staten is daardoor niet nodig.

Artikel 2:4

In artikel 131, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit is aangegeven dat de modellen van de staten aansluiten aan bij de consolidatie zoals voorgeschreven bij Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de internationale jaarverslaggevingstandaarden.

Artikel 2:5

Op grond van artikel 133 wordt in bijlage 7 van deze regeling bepaald welke staten van een kredietinstelling, clearinginstelling of een verzekeraar in het onderzoek door een accountant of actuaris worden betrokken.

Voor beleggingsondernemingen is in artikel 3:72 van de Wft niet voorgeschreven dat de staten periodiek voorzien zijn van een verklaring omtrent de getrouwheid , afgegeven door een accountant. Uit de toelichting op artikel 3:72 van de Wft blijkt dat DNB slechts om een verklaring van de accountant vraagt indien er twijfel bestaat over de betrouwbaarheid van de informatie.

4. Toelichting op hoofdstuk 3. Branchegroepen en opgave van gesloten verzekeringen

Hoofdstuk 3 van onderhavige regeling geeft de nadere uitwerking van een aantal voorschriften die artikel 135 van het Besluit geeft met betrekking tot de verstrekking van de opgave van gesloten verzekeringen en het vaststellen van branchegroepen ingevolge de artikelen 3:74, 3:78, 3:83 en 3:87 van de Wft. De artikelen die zijn opgenomen in hoofdstuk 3 zijn een ‘verhanging’ van de bestaande Regeling opgave financiële gegevens verzekeringsbedrijf 1994 en de Regeling opgave premies dienstverrichting natura-uitvaartverzekeringsbedrijf (Stcrt. 1995, 245, laatstelijke gewijzigd bij Stcrt. 2001, 213).

Op grond van de genoemde bepalingen wordt door schade-, levens- en natura-uitvaartverzekeraars jaarlijks een opgave gedaan van diverse specifieke financiële gegevens met betrekking tot de omvang van dienstverrichting en vestigingsactiviteiten per afzonderlijke lidstaat. Artikel 135, eerste lid, van het Besluit ziet op nadere specificaties voor de opgave van gesloten levensverzekeringen, terwijl het tweede lid specificaties voor de opgave van gesloten schadeverzekeringen betreft en het derde lid specificaties voor de opgave van gesloten natura-uitvaartverzekeringen.

DNB stelt op grond van artikel 135, tweede lid, van het Besluit regels met betrekking tot de branchegroepen. Op grond van artikel 135, vijfde lid, van het Besluit zijn de artikelen 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 132, eerste lid, van overeenkomstige toepassing op de verstrekking van de opgaven, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid. Dit betekent dat DNB de modellen van de opgaven vaststelt.

De materie die op deze plaats wordt geregeld was voor levens- en schadeverzekeraars onder de Wet toezicht verzekeraars 1993 opgenomen in de artikelen 74, 102, 114 en 119. De vaststelling van de branchegroepen en van de modellen van de opgaven door DNB vond plaats in de Regeling opgave financiële gegevens verzekeringsbedrijf 1994. Voor natura-uitvaartverzerkaars was deze materie opgenomen in artikel 50 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en was het model van opgave opgenomen in de Regeling opgave premies dienstverrichting natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.

Op grond van artikel 2:27, tweede lid, van de Wft worden de branches waarin het bedrijf van levensverzekeraar en het bedrijf van schadeverzekeraar kunnen worden onderscheiden, opgenomen in een bijlage bij de Wft.

5. Toelichting op hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 4:1

Na de inwerkingtreding van de Wft zullen financiële ondernemingen de staten nog indienen over 2006 of voorgaande verslagperiodes. Artikel 4:1 regelt dat de bepalingen met betrekking tot bijvoorbeeld de indieningstermijn en waarmerking onverkort van toepassing blijven op de staten waarvan de gegevens betrekking hebben op 2006.

Artikel 4:2

Artikel VIII van het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2 biedt een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling, die gedurende 2007 voor de berekening van de solvabiliteitsvereisten nog de oude Bazel 1-methode hanteert, twee alternatieve mogelijkheden. Ten eerste heeft zij de mogelijkheid, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, om het Besluit prudentiële regels Wft (Stb. 2006, 519) toe te passen zoals dat luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2 (hierna: ‘Bpr 1’). Ten tweede kan zij kiezen voor de optie uit het zesde lid, van dat artikel, die inhoudt dat genoemde ondernemingen in plaats van de regels met betrekking tot solvabiliteit en rapportage uit het Besluit prudentiële regels Wft onverkort de betreffende regels uit het Handboek Wtk en de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 (hierna: NRpte 2002) kunnen toepassen gedurende 2007.

De optie uit het vijfde lid vereist een nadere overgangsbepaling op het niveau van toezichthouderregel. Blijkens de toelichting bij artikel VIII, vijfde lid, is deze optie gecreëerd om de ondernemingen de mogelijkheid te bieden bepaalde voordelen die de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) biedt, wel al in het boekjaar 2007 te kunnen benutten. De toelichting noemt als voorbeeld van de voordelen van de Wft het herstel van éénsporige verslaggeving en deels lagere rapportagefrequenties.

Indien een onderneming van de mogelijkheid van artikel VIII, vijfde lid, gebruik maakt, gelden de oude toezichthouderregels op het gebied van rapportage van staten voor zover ze niet zijn opgenomen in hoofdstuk 10 van het Bpr 1. De rapportages zijn opgenomen in het bepaalde ingevolge artikel 55 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 dan wel de artikelen 8 en 8a van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002.

De Nederlandsche Bank N.V.de Directeur,

A. Schilder

de Directeur,

D.E. Witteveen