Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatscourant 2006, 246 pagina 21Besluiten van algemene strekking

Regeling geurhinder en veehouderij

Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 december 2006, nr. BWL/2006333382, Directoraat-Generaal Milieubeheer, Directie Bodem, Water en Landelijk Gebied, Afdeling Landbouw, houdende vaststelling van geuremissiefactoren, minimumafstanden voor pelsdieren, de wijze van omrekening naar geurbelasting en van de wijze van afstandsbepaling (Regeling geurhinder en veehouderij)

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op de artikelen 1, 4, tweede lid, en 10 van de Wet geurhinder en veehouderij;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

bijlage: bij deze regeling behorende bijlage;

wet: Wet geurhinder en veehouderij;

emissiepunt: punt waar een relevante hoeveelheid geur buiten:

a. het geheel overdekt dierenverblijf treedt, dan wel wordt gebracht; of

b. het overdekte gedeelte van het gedeeltelijk overdekt dierenverblijf treedt, dan wel wordt gebracht.

Artikel 2

1. De geurbelasting vanwege een veehouderij wordt berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel ‘V-Stacks vergunning’.

2. Het geometrisch gemiddelde van de emissiepunten wordt aangemerkt als punt waar de geur uit het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.

3. De geurbelasting wordt bepaald op de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object, gerekend vanaf het geometrisch gemiddelde van de emissiepunten.

4. Indien het dierenverblijf niet is overdekt, wordt de geurbelasting bepaald op de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object, gerekend vanaf het punt van de begrenzing dat het dichtst is gelegen bij het desbetreffende geurgevoelig object.

5. De geuremissie vanuit een veehouderij is de som van de voor de verschillende diercategorieën, gehouden in de onderscheiden dierenverblijven, berekende aantallen odour units per seconde per dier.

6. Het aantal odour units per seconde per dier van een diercategorie, is het aantal dieren van een diercategorie vermenigvuldigd met de voor de betreffende diercategorie in bijlage 1 opgenomen geuremissiefactor.

7. Indien voor een diercategorie geen geuremissiefactor is vastgesteld, wordt de diercategorie in de berekening van de geurbelasting buiten beschouwing gelaten.

Artikel 3

De afstand, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet is opgenomen in bijlage 2.

Artikel 4

1. De afstand, bedoeld in de artikelen 3, tweede en derde lid, en 4, eerste lid, van de wet wordt gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt.

2. Indien het dierenverblijf niet is overdekt, wordt de afstand gemeten vanaf de buitenzijde van een geurgevoelig object tot het punt van de begrenzing van het dierenverblijf dat het dichtst is gelegen bij het desbetreffende geurgevoelig object.

Artikel 5

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.

Artikel 6

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geurhinder en veehouderij.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 8 december 2006.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, P.L.B.A. van Geel.

Bijlage 1, als bedoeld in artikel 2, zesde lid (geuremissiefactoren)

RAV-nr.

Diercategorie

Geuremissiefactor

Rundvee

A 1

Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

niet vastgesteld

A 2

Zoogkoeien ouder dan 2 jaar

niet vastgesteld

A 3

Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

niet vastgesteld

A 4

Vleeskalveren tot 8 maanden

35,6

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

24,9

A 5

Vleesstierkalveren tot 6 maanden

35,6

A 6

Vleesstieren en overig vleesvee van 6 tot 24 maanden (roodvleesproductie)

35,6

A 7

Fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar

niet vastgesteld

   

Schapen

B 1

Schapen ouder dan één jaar, inclusief lammeren tot 45 kilo1, 2

7,8

   

Geiten

C 1

Geiten ouder dan één jaar

18,8

C 2

Opfokgeiten van 61 dagen tot en met één jaar

11,3

C 3

Opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen

5,7

   

Varkens3

D 1

Fokzeugen, inclusief biggen tot 25 kilo

 

D 1.1

Biggenopfok (gespeende biggen)

 
 

emissiearme huisvesting (a.e. ≤ 0,3 kg/dierplaats)4

5,4

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

3,8

 

– biologische luchtwasser (45% reductie)

3,0

 

overige huisvesting

7,8

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

5,5

 

– biologische luchtwasser (45% reductie)

4,3

 

– gecombineerd luchtwassysteem BWL 2006.14 (70% reductie)

2,3

 

– gecombineerd luchtwassysteem BWL 2006.15 (80% reductie)

1,6

D 1.2

Kraamzeugen (inclusief biggen tot spenen)

 
 

emissiearme en overige huisvesting

27,9

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

19,5

 

– biologische luchtwasser (45% reductie)

15,3

 

– gecombineerd luchtwassysteem BWL 2006.14 (70% reductie)

8,4

 

– gecombineerd luchtwassysteem BWL 2006.15 (80% reductie)

5,6

D 1.3

Guste en dragende zeugen

 
 

emissiearme en overige huisvesting

18,7

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

13,1

 

– biologische luchtwasser (45% reductie)

10,3

 

– gecombineerd luchtwassysteem BWL 2006.14 (70% reductie)

5,6

 

– gecombineerd luchtwassysteem BWL 2006.15 (80% reductie)

3,7

D 2

Dekberen, 7 maanden en ouder

 
 

emissiearme en overige huisvesting

18,7

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

16,1

 

– biologische luchtwasser (45% reductie)

12,7

 

– gecombineerd luchtwassysteem BWL 2006.14 (70% reductie)

5,6

 

– gecombineerd luchtwassysteem BWL 2006.15 (80% reductie)

3,7

D 3

Vleesvarkens, opfokberen van 25 kilo tot 7 maanden, opfokzeugen van 25 kilo tot eerste dekking5

 
 

emissiearme huisvesting (a.e. ≤ 1,5 kg/dierplaats)

17,9

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

12,5

 

– biologische luchtwasser (45% reductie)

9,8

 

overige huisvesting

23,0

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

16,1

 

– biologische luchtwasser (45% reductie)

12,7

 

– gecombineerd luchtwassysteem BWL 2006.14 (70% reductie)

6,9

 

– gecombineerd luchtwassysteem BWL 2006.15 (80% reductie)

4,6

   

Kippen

E 1

Opfokhennen en hanen van legrassen; jonger dan 18 weken

 
 

Batterijhuisvesting

 
 

emissiearme en overige huisvesting

0,18

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

0,13

 

Niet-batterijhuisvesting

 
 

emissiearme en overige huisvesting

– chemische luchtwasser (30% reductie)

0,18

0,13

E 2

Legkippen en (groot-)ouderdieren van legrassen

 
 

Batterijhuisvesting

 
 

Mestopslag onder de batterij

0,69

 

emissiearme en overige huisvesting

0,35

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

0,25

 

Niet-batterijhuisvesting

 
 

emissiearme en overige huisvesting

0,34

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

0,23

E 3

(Groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok, jonger dan 19 weken

 
 

emissiearme en overige huisvesting

0,18

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

0,13

E 4

(Groot-)ouderdieren van vleeskuikens

 
 

emissiearme en overige huisvesting

0,93

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

0,65

E 5

Vleeskuikens

 
 

emissiearme en overige huisvesting

0,24

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

0,17

   

Kalkoenen

F 1

Ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6 weken

0,29

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

0,20

F 2, F 3

Ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok vanaf 6 weken

1,55

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

1,09

F 4

Vleeskalkoenen

1,55

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

1,09

   

Eenden

G 1

Ouderdieren van vleeseenden

0,49

G 2

Vleeseenden

0,49

   

Parelhoenders

J 1

Parelhoenders voor de vleesproductie

0,24

 

– chemische luchtwasser (30% reductie)

0,17

   

Overig

M 1

Landbouwhuisdieren die in veehouderijen worden gehouden

niet vastgesteld

Eindnoten:

1 De geuremissie heeft betrekking op een stalperiode van maximaal drie maanden in de winter.

2 De geuremissiefactor geldt inclusief opfok, zodat die opfok niet meetelt voor de berekening van de geuremissie.

3 Een stalsysteem met spoelgoten wordt niet gewaardeerd als emissiearme huisvesting maar als overige huisvesting.

4 a.e. is de afkorting van ammoniakemissie.

5 Voor opfokzeugen na de eerste dekking wordt de geuremissiefactor voor fokzeugen gehanteerd.

Bijlage 2, als bedoeld in artikel 3 (afstanden pelsdieren)

De afstanden voor pelsdieren (nertsen en vossen) worden als volgt bepaald.

RAV-nr.

Diercategorie

Aantal fokteven

Pelsdieren

H 1

Nertsen

1–1000

1001–1500

1501–3000

3001–6000

6001–9000

Binnen bebouwde kom

175 meter

200

225

250

275

Buiten bebouwde kom

100

125

150

175

200

In de berekening worden jongen en reuen buiten beschouwing gelaten.

Indien zowel nertsen als vossen, dan wel uitsluitend vossen worden gehouden, worden voor het bepalen van de afstand 10 vossen (fokmoeren) gelijkgesteld met 15 nertsen (fokteven). Indien (nadat de eventueel aanwezige vossen zijn omgerekend naar nertsen) meer dan 9000 fokteven worden gehouden, wordt de afstand voor elke extra 3000 fokteven met 25 meter extra vergroot.

Indien de pelsdieren in emissiearme huisvesting (a.e. ≤ 0,25 kg/dierplaats) worden gehouden, worden de afstanden uit de tweede rij van de tabel (‘buiten bebouwde kom’) met 25 meter verminderd.

Toelichting

1. Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij schept een beoordelingskader voor geurhinder vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven. De artikelen 1, 4, tweede lid en 10 van de wet bepalen dat vier onderwerpen bij ministeriële regeling worden uitgewerkt. Het betreft de:

a. geuremissiefactoren, waarin per diercategorie de geuremissie per dier is vastgelegd, rekening houdend met relevante parameters zoals het toegepaste huisvestingssysteem (artikel 2, zesde lid van de regeling);

b. wijze waarop de geurbelasting op een geurgevoelig object wordt bepaald (artikel 2);

c. wijze waarop de afstand wordt bepaald tussen een geurgevoelig object en een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld (artikel 4); en

d. afstand die ten minste moet worden aangehouden tussen een veehouderij waar pelsdieren worden gehouden en een geurgevoelig object (artikel 3).

In de vier volgende paragrafen wordt achtereenvolgens op deze onderwerpen ingegaan.

2. Geuremissiefactoren

De geuremissiefactoren zijn bijna allen gebaseerd op resultaten van geurmetingen in praktijksituaties. De afgelopen jaren is een meetprogramma aan stalsystemen uitgevoerd. De resultaten tot 2003 -het jaar waarin de voorganger van deze regeling is vastgesteld- zijn vastgelegd in de rapporten ‘Geuremissies uit de veehouderij’, IMAG rapport 2001-14 en ‘Geuremissies uit de veehouderij II’, IMAG, rapport 2002-09. Vanwege het belang van de geuremissiefactoren voor de uitvoeringspraktijk is destijds over de (totstandkoming van de) geuremissiefactoren een contra-expertise uitgevoerd1 .

Sinds 2003 zijn nieuwe metingen uitgevoerd. De meetresultaten tot 1 december 2006 zijn in deze regeling verwerkt.

Meetresultaten komen niet noodzakelijk overeen met de feitelijke emissie vanuit een willekeurig dierenverblijf. De feitelijke emissie vanuit een bepaald stalsysteem zal variëren rond de emissie die tijdens het meetprogramma is vastgesteld. Dat is het gevolg van het grote aantal factoren dat de geuremissie vanuit een stalsysteem beïnvloedt, zoals de binnentemperatuur en de voersamenstelling. De wet gaat niet uit van die feitelijke emissie maar van de emissie die is vastgelegd in bijlage 1.

De geuremissiefactoren zijn uitgedrukt als geuremissie: als aantallen Europese odour units die per seconde per dier worden uitgestoten (ou E/sec/dier). De wettelijke waarden zijn daarentegen uitgedrukt als geurconcentratie: als aantallen Europese odour units die per kubieke meter lucht aanwezig zijn.

De nummerindeling van de diercategorieën en het onderscheid emissiearme en overige huisvesting sluiten aan bij de indeling en het onderscheid in de Regeling ammoniak en veehouderij. Anders dan in de Regeling ammoniak en veehouderij is echter in beginsel niet aan elk stalsysteem afzonderlijk een aparte geuremissiefactor toegekend maar aan een cluster stalsystemen.

Reden voor dit verschil is dat de spreiding in de meetresultaten voor het aspect geur groter is dan voor het aspect ammoniak. De metingen tonen een forse variatie in geuremissie, zowel tussen vergelijkbare stalsystemen als tussen vergelijkbare bedrijven. Op basis van de beschikbare gegevens kunnen onvoldoende statistisch betrouwbare conclusies worden getrokken over de omvang van de geuremissie vanuit een individueel stalsysteem. Conclusies zijn wel mogelijk -op basis van een statistische analyse van de meetresultaten- indien stalsystemen worden geclusterd.

Voor zover mogelijk zijn de verschillende types huisvesting (stalsystemen) in twee clusters ingedeeld, in emissiearme huisvesting en overige huisvesting. Indien er van wordt uitgegaan dat een huisvestingssysteem dat de ammoniakemissie reduceert, tevens de geuremissie reduceert, laat statistische analyse van de gehele dataset meetresultaten zien dat stalsystemen die worden aangemerkt als ‘emissiearme huisvesting’ gemiddeld een lagere geuremissie hebben dan ‘overige huisvesting’. De prestaties van emissiearme huisvesting zijn volgens de analyse in het algemeen voldoende onderscheidend ten opzichte van overige huisvesting. Het cluster emissiearme huisvesting omvat daarom de stalsystemen waarin ammoniakemissiereducerende principes zijn toegepast.

In verband met het voorgaande is in bijlage 1 aangegeven dat huisvesting emissiearm is, indien een bepaalde ammoniakemissie (a.e.) niet wordt overschreden. Deze grenswaarden zijn de drempelwaarden die voorheen werden gehanteerd door de Stichting Groen Label. De drempelwaarden legden vast welke ammoniakreductie haalbaar was bij toepassing van de meest recente inzichten op het gebied van huisvestingssystemen.

Het cluster overige huisvesting bestaat voornamelijk uit de stalsystemen die in de praktijk wel worden aangeduid als conventionele stalsystemen.

De geuremissiefactoren uit bijlage 1 zijn bijna allen gebaseerd op meetresultaten. Enkele geuremissiefactoren zijn afgeleid van gemeten emissies van andere diercategorieën, als dat rekening houdend met de meetresultaten verantwoord was. Het belangrijkste voorbeeld is de geuremissiefactor voor parelhoenders die is afgeleid van die voor vleeskuikens. Motivering daarvoor is dat parelhoenders over het algemeen gedurende een beperkt gedeelte van het jaar in dezelfde dierenverblijven worden gehouden, als de vleeskuikens de rest van het jaar. Het diermanagement en de voersamenstelling zijn geheel of grotendeels gelijk. Gewicht en andere relevante soorteigenschappen komen in overwegende mate overeen.

3. Bepalen geurbelasting

De berekening van de geurbelasting (van ‘geuremissie per dier’ naar ‘geurbelasting op een geurgevoelig object’) bestaat uit de volgende onderdelen.

a. Geuremissie per dier vermenigvuldigd met aantal dieren is geuremissie vanuit dierenverblijf.

De geuremissiefactoren uit bijlage 1 zijn een weergave van de geuremissie van één dier van een bepaalde diercategorie, rekening houdende met het toegepaste stalsysteem en luchtbehandelingstechnieken (luchtwassers).

b. Geuremissie vanuit dierenverblijf vermenigvuldigd met aantal dierenverblijven is geuremissie vanuit veehouderij.

De term ‘geuremissie vanuit veehouderij’ laat onverlet dat zich in de veehouderij andere geurbronnen kunnen bevinden, zoals de brijvoerkeuken of de mestsilo. De Wet geurhinder en veehouderij stelt echter uitsluitend een beoordelingskader voor de geurbelasting vanwege dierenverblijven.

c. Geuremissie vanuit veehouderij ingevoerd in het verspreidingsmodel leidt tot geurbelasting op geurgevoelig object.

Het verspreidingsmodel berekent de verspreiding van de geur tussen het emissiepunt (dierenverblijf) en het immissiepunt (geurgevoelig object). Het te gebruiken verspreidingsmodel is het computerprogramma ‘V-Stacks vergunning’, dat in opdracht van het ministerie van VROM is opgesteld en verkrijgbaar is via Infomil te Den Haag.

Ten aanzien van het ‘emissiepunt’ het volgende.

Het gebruik van een verspreidingsmodel impliceert een meer precieze, meer gedetailleerde beoordeling van de geurbelasting. In het verleden werd in de berekeningen de gehele geuremissie toegerekend aan de ventilator of ventilatie-opening (natuurlijke ventilatie) die het dichtst bij het geurgevoelig object is gelegen. Thans wordt uitgegaan van het geometrisch gemiddelde emissiepunt van het stalsysteem. Dit kán betekenen dat als emissiepunt wordt aangemerkt een punt waaruit feitelijk geen emissie plaatsvindt, zoals in het geval dat op een stalsysteem vier ventilatoren in lijnopstelling zijn geplaatst, of in het -enigszins theoretische- geval dat de ventilatieopeningen op de vier hoeken van het stalsysteem zijn gesitueerd.

De relatieve bijdrage van de ventilatoren of ventilatie-openingen behoeft niet te worden bepaald: alle ventilatoren en ventilatie-openingen worden geacht een even grote bijdrage te leveren aan de geuremissie. De zogenoemde ‘gebouwinvloed’ leidt er namelijk toe dat de geur zich vanaf het stalsysteem als een diffuse wolk verspreidt, waarin de bijdragen van de verschillende ventilatoren en ventilatie-openingen niet kunnen worden onderscheiden. Indien echter blijkt dat vanuit een bepaalde ventilator of ventilatie-opening in het geheel geen geuremissie zal plaatsvinden (bijvoorbeeld omdat een afgescheiden deel van het stalsysteem structureel wordt gebruikt als opslag voor landbouwvoertuigen) dan kan die ventilator of ventilatie-opening buiten beschouwing worden gelaten, in lijn met jurisprudentie.

Voorbeeld:

stcrt-2006-246-p21-SC78215-1.gif

Volledigheidshalve wordt benadrukt dat een emissiepunt per definitie een punt is op een stalsysteem. Bij het bepalen van het emissiepunt wordt de uitloop die behoort bij het stalsysteem buiten beschouwing gelaten. Dit is alleen anders in het zelden voorkomende geval dat een dierenverblijf uitsluitend bestaat uit een open ruimte, zonder stalsysteem of overkapping. In de berekeningen wordt de geurbelasting dan bepaald vanaf het punt van de begrenzing van het dierenverblijf (meestal een omheining of watergang) dat het dichtst bij een geurgevoelig object is gelegen.

Een gemeenteraad kan op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij een andere waarde stellen, die afwijkt van de waarde uit artikel 3 van de wet. Daartoe dienen berekeningen te worden uitgevoerd met gegevens over meerdere veehouderijen en geurgevoelige objecten. Die berekeningen kunnen niet met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning worden uitgevoerd; daarvoor is een ander model, met de naam ‘V-Stacks gebied’, ontwikkeld. Het gebruik van laatstgenoemd model is niet wettelijk voorgeschreven, omdat het gebruik van een alternatief verspreidingsmodel niet bezwaarlijk is. Hierbij past de opmerking dat de relaties tussen geurbelasting en geurhinder zijn bepaald met gebruik van beide modellen; met andere woorden: indien een alternatief verspreidingsmodel wordt toegepast zijn de relaties niet zonder meer van toepassing.

Overigens zullen de relaties in een aparte publicatie worden uiteengezet, zij zijn voor een goede uitvoering van de wet niet noodzakelijk.

Zowel ‘V-Stacks vergunning’ als ‘V-Stacks gebied’ zijn vereenvoudigingen van het Nieuw Nationaal Model dat de standaard is in het industrieel geurbeleid, maar beide modellen zijn toegespitst op de specifieke omstandigheden in de landbouw.

4. Bepalen afstand

Ingevolge artikel 4, eerste lid van de wet dient de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object ten minste 100 meter (indien een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen) of 50 meter (buiten bebouwde kom) te bedragen. Deze afstand wordt gemeten op dezelfde wijze waarop de afstand volgens de oude stankregelgeving (de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996) bepaald moest worden. De afstand tussen dierenverblijf en geurgevoelig object wordt gemeten vanaf het emissiepunt dat het dichtst bij een geurgevoelig object is gelegen. Bij natuurlijk geventileerde stalsystemen is dit punt meestal de ventilatie-uitlaat of andere opening waaruit relevante geuremissies (in jurisprudentie wel ‘relevante ventilatieverliezen’ genoemd) optreden. Bij mechanisch geventileerde stalsystemen is dit punt meestal de ventilatoruitlaat die het dichtst bij een geurgevoelig object is gelegen, voorzover niet op kortere afstand relevante geuremissies optreden.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat per definitie wordt gemeten vanaf een punt op een stalsysteem. Bij het bepalen van het emissiepunt wordt de uitloop die behoort bij het stalsysteem buiten beschouwing gelaten. Dit is alleen anders in het zelden voorkomende geval dat een dierenverblijf uitsluitend bestaat uit een open ruimte, zonder stalsysteem of overkapping. Bij de afstandsbepaling wordt dan uitgegaan van het punt van de begrenzing van het dierenverblijf (meestal een omheining of watergang) dat het dichtst bij een geurgevoelig object is gelegen.

Indien een veehouderij zowel diercategorieën houdt waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld als diercategorieën waar een minimumafstand in acht moet worden genomen, wordt het milieuaspect geurhinder volgens twee methoden beoordeeld. De geurbelasting vanwege dierenverblijven wordt berekend met toepassing van artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij. Indien tevens dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, dient daarnaast een afstand van ten minste 100 of 50 meter in acht te worden genomen vanaf de dierenverblijven waarin die dieren worden gehouden (artikel 4, eerste lid van de wet).

5. Afstanden pelsdieren

Voor de hierboven bedoelde diercategorieën is een geuremissiefactor minder opportuun in verband met de omvang van de diercategorie in Nederland. Deels ook zijn op dit moment geen of onvoldoende meetresultaten beschikbaar, dan wel zijn de meetresultaten van dien aard dat op dit moment een adequaat gemotiveerde geuremissiefactor niet kan worden opgenomen. Voor deze diercategorieën is een minimumafstand voorgeschreven, gedifferentieerd naar omgevingscategorie (onderscheid binnen en buiten de bebouwde kom) maar ongeacht het aantal gehouden dieren en het type huisvesting. Een uitzondering op deze algemene regel is de diercategorie pelsdieren.

Voor pelsdieren gelden minimumafstanden die wel zijn gekoppeld aan de omvang van het veebestand. In verband met de aanzienlijke geuremissie door pelsdieren kan niet worden volstaan met een minimumafstand van vijftig dan wel van honderd meter. In deze regeling is in essentie de tabel opgenomen die sinds de Brochure veehouderij en hinderwet uit 1985 wordt gehanteerd. Omdat uit een representatieve steekproef binnen acht gemeenten blijkt dat de meeste geurgevoelige objecten in het verleden moesten worden ingedeeld in ‘categorie I’ of ‘categorie III’, zijn de afstanden overgenomen die behoren bij beide categorieën.

6. Toelichting op bijlage 1, lijst met geuremissiefactoren

De verschillende huisvestingssystemen zijn indien mogelijk ingedeeld in de clusters emissiearme huisvesting of overige huisvesting. De geuremissiefactor is aan het cluster toegekend, en niet aan een bepaald type huisvestingssysteem. Uitzondering op dit principe wordt gevonden in diercategorie E 2 Legkippen en (groot-)ouderdieren van legrassen: aan de Mestopslag onder de batterij, een vorm van batterijhuisvesting voor legkippen, is een aparte geuremissiefactor toegekend. Het betreft een systeem dat inmiddels beperkt wordt toegepast en dat voor het aspect geuremissie consequent zo ver buiten de bandbreedten van het cluster ‘overige huisvesting’ valt dat een aparte geuremissiefactor in de rede ligt.

Tevens zijn geuremissiefactoren opgenomen voor situaties waarin de meest voorkomende emissiereducerende techniek – een chemische of biologische luchtwasser – wordt toegepast. Een biologische luchtwasser presteert volgens de metingen voor het aspect geur beter dan een chemische. Een reden hiervoor is dat de zuren die in een chemische luchtwasser worden gebruikt om ammoniak af te vangen de geurcomponent relatief minder reduceren.

Op dit moment worden in huisvestingssystemen voor kippen, kalkoenen en parelhoenders niet of nauwelijks biologische luchtwassers toegepast. De aanwezigheid van stof in die huisvestingssystemen bemoeilijkt de geuremissiereducerende werking van een biologische luchtwasser. Daarom geeft deze regeling voor die luchtwassers (nog) geen geuremissiefactor.

Het ‘RAV-nr.’ in bijlage 1 verwijst naar de overeenkomstige indeling naar categorieën in de Regeling ammoniak en veehouderij. Een stalsysteem is emissiearm voor het aspect geur, als het dat is voor het aspect ammoniak. Een uitzondering op deze algemene regel is het stalsysteem met spoelgoten dat wordt toegepast in de varkenshouderij. Het emissiereducerend principe van het stalsysteem is gebaseerd op het regelmatig wegspoelen van de mest naar de centrale mestopslag. Daarbij treden piekemissies op die een factor 3 tot 3,5 hoger liggen dan de gemiddelde emissie. In verband met deze inherente piekemissies kan het systeem niet worden beschouwd als geuremissiearm, hoewel het is aangemerkt als ammoniakemissiearm.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P.L.B.A. van Geel