Wijziging Regeling dierlijke bijproducten

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 december 2006, nr. TRCJZ/2006/3608, houdende wijziging van de Regeling dierlijke bijproducten in verband met de uitvoering van enkele Europese verordeningen

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op de volgende verordeningen:

– verordening (EG) nr. 79/2005 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 januari 2005 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het gebruik van melk, melkproducten en melkderivaten die in die verordening zijn omschreven als categorie 3-materiaal (PbEU L 16);

– verordening (EG) nr. 92/2005 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 januari 2005 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de methoden voor de verwijdering of het gebruik van dierlijke bijproducten en tot wijziging van bijlage VI daarbij voor wat betreft de omzetting in biogas en de verwerking van gesmolten vet (PbEU L 19);

–  verordening (EG) nr. 181/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 2006 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 wat andere biologische meststoffen en bodemverbeteraars dan mest betreft en tot wijziging van die verordening (PbEU L 29);

– verordening (EG) nr. 197/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 februari 2006 inzake overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 wat betreft het verzamelen, het vervoer, de behandeling, het gebruik en de verwijdering van voormalige voedingsmiddelen (PbEU L 36);

– verordening (EG) nr. 209/2006 van de Commissie van 7 februari 2006 tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 809/2003 en (EG) nr. 810/2003 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de overgangsmaatregelen voor composteer- en biogasinstallaties krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 36);

Gelet op artikel 23 van de Destructiewet;

Besluit:

Artikel I

De Regeling dierlijke bijproducten1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Voor artikel 1 wordt een opschrift ingevoegd, dat luidt:

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

B

Onder vervanging van een punt door een puntkomma aan het slot van artikel 1, onderdeel d, worden de volgende onderdelen toegevoegd:

e. verordening (EG) nr. 853/2004: verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU L 139);

f. verordening (EG) nr. 79/2005: verordening (EG) nr. 79/2005 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 januari 2005 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het gebruik van melk, melkproducten en melkderivaten die in die verordening zijn omschreven als categorie 3-materiaal (PbEU L 16);

g. verordening (EG) nr. 92/2005: verordening (EG) nr. 92/2005 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 januari 2005 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de methoden voor de verwijdering of het gebruik van dierlijke bijproducten en tot wijziging van bijlage VI daarbij voor wat betreft de omzetting in biogas en de verwerking van gesmolten vet (PbEU L 19);

h. verordening (EG) nr. 181/2006: verordening (EG) nr. 181/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 2006 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 wat andere biologische meststoffen en bodemverbeteraars dan mest betreft en tot wijziging van die verordening (PbEU L 29);

i. verordening (EG) nr. 197/2006: verordening (EG) nr. 197/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 februari 2006 inzake overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 wat betreft het verzamelen, het vervoer, de behandeling, het gebruik en de verwijdering van voormalige voedingsmiddelen (PbEU L 36).

C

Voor artikel 2 wordt een opschrift ingevoegd, dat luidt:

Paragraaf 2. Aangeven, bewaren en ophalen van dierlijke bijproducten

D

Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6

1. De eigenaar of houder van categorie 3-materiaal draagt er zorg voor dat het materiaal tot het moment waarop het wordt opgehaald op een zodanige manier wordt bewaard:

a. dat het niet vrij toegankelijk is voor anderen dan de houder of eigenaar en het bedrijf dat het materiaal ophaalt;

b. dat materiaal wordt bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10 °C, tenzij het materiaal binnen twaalf uur na het ontstaan wordt opgehaald om overeenkomstig artikel 6, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002 te worden verwerkt of verwijderd.

2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op categorie 3-materiaal dat wordt verwerkt in een biogasinstallatie of een composteerinstallatie, die beschikken over een erkenning als bedoeld in artikel 15 van verordening (EG) nr. 1774/2002.

E

Voor artikel 7 wordt een opschrift ingevoegd, dat luidt:

Paragraaf 3. Europese voorschriften

F

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7

In afwijking van de artikelen 7 en 8, eerste lid, van het Destructiebesluit, is het toegestaan om melk, melkproducten en melkderivaten als bedoeld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 79/2005, te verzamelen, vervoeren, verwerken, gebruiken en op te slaan, onder de voorwaarden, bedoeld in verordening (EG) nr. 79/2005.

G

Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8

Een melkverwerkend bedrijf, dat overeenkomstig artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 is erkend, is tevens geregistreerd als bedoeld in artikel 4 van verordening (EG) nr. 79/2005.

H

Na artikel 8 worden de volgende artikelen ingevoegd:

Artikel 8a

1. De minister kan op aanvraag een veehouderij een vergunning als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 79/2005 verstrekken.

2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt schriftelijk ingediend bij de Voedsel en Waren Autoriteit.

3.

De minister kan in het kader van de risicobeoordeling, bedoeld in bijlage II, onderdeel B, onder b, bij verordening (EG) nr. 79/2005, voorwaarden aan de vergunning verbinden.

Artikel 8b

1. De minister kan op aanvraag toestemming verlenen om, in afwijking van artikel 4 van het Destructiebesluit, categorie 1-materiaal overeenkomstig de methoden, bedoeld in de bijlagen I, III, IV en VI bij verordening (EG) nr. 92/2005, te behandelen, te verwerken of te verwijderen.

2. De minister kan op aanvraag toestemming verlenen om, in afwijking van artikel 5 van het Destructiebesluit, categorie 2-materiaal overeenkomstig de methoden, bedoeld in de bijlagen I tot en met VI bij verordening (EG) nr. 92/2005, te behandelen, te verwerken of te verwijderen.

Artikel 8c

1. In afwijking van artikel 7 van het Destructiebesluit, is het toegestaan categorie 3-materiaal te behandelen, te gebruiken of te verwijderen overeenkomstig de methoden, bedoeld in de bijlagen I tot en met VII bij verordening (EG) nr. 92/2005.

2. In afwijking van artikel 5 van het Destructiebesluit, is het toegestaan mest en de inhoud van het maagdarmkanaal te behandelen, te gebruiken of te verwijderen overeenkomstig de methode, bedoeld in bijlage VII bij verordening (EG) nr. 92/2005.

Artikel 8d

Het is verboden zonder erkenning als bedoeld in artikel 3 van verordening (EG) 92/2005, een installatie bestemd voor gebruik overeenkomstig de methoden, bedoeld in de bijlagen I tot en met VI bij verordening (EG) nr. 92/2005, in werking te hebben.

Artikel 8e

Het is ten aanzien van de behandeling, verwerking of verwijdering van dierlijke bijproducten, overeenkomstig een van de methoden, bedoeld in de bijlagen I tot en met VII bij verordening (EG) nr. 92/2005, verboden in strijd te handelen met artikel 4 van verordening (EG) nr. 92/2005.

Artikel 8f

1. Het is ten aanzien van de behandeling, verwerking of verwijdering van categorie 1-materiaal als bedoeld in artikel 8b, eerste lid, verboden in strijd te handelen met bijlage I, III, IV en VI bij verordening (EG) nr. 92/2005.

2. Het is ten aanzien van de behandeling, verwerking of verwijdering van categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 8b, tweede lid, verboden in strijd te handelen met bijlage I tot en met VI bij verordening (EG) nr. 92/2005.

3. Het is ten aanzien van de behandeling, verwerking of verwijdering van categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 8c, eerste lid, verboden in strijd te handelen met bijlage I tot en met VII bij verordening (EG) nr. 92/2005.

4. Het is ten aanzien van de behandeling, verwerking of verwijdering van mest en de inhoud van het maagdarmkanaal als bedoeld in artikel 8c, tweede lid, verboden in strijd te handelen met bijlage VII bij verordening (EG) nr. 92/2005.

Artikel 8g

Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 3 tot en met 8 van verordening (EG) nr. 181/2006.

Artikel 8h

In afwijking van de artikelen 7 en 8 van het Destructiebesluit, is het onder de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 van verordening (EG) nr. 197/2006, toegestaan voormalige voedingsmiddelen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van verordening (EG) nr. 1774/2002, te verzamelen, te vervoeren, te behandelen, te gebruiken en te verwijderen.

Artikel 8i

In afwijking van artikel 9, vijfde lid, van het Destructiebesluit, kan de minister op aanvraag toestemming verlenen voor het invoeren van dierlijke bijproducten voor het gebruik, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EG) nr. 1774/2002.

Artikel 8j

In afwijking van artikel 37, vierde lid, onderdeel a, van het Destructiebesluit, is artikel 37, eerste lid, van het Destructiebesluit, ten aanzien van biogasinstallaties en composteerinstallaties van toepassing tot 1 januari 2008.

I

Voor artikel 9 wordt een opschrift ingevoegd, dat luidt:

Paragraaf 4. Overige bepalingen en slotbepalingen

J

Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9

1. De ambtenaren, bedoeld in artikel 3 van het Destructiebesluit zijn de ambtenaren van de Voedsel en Waren Autoriteit en de Algemene Inspectiedienst.

2. De ambtenaren, bedoeld in artikel 13 van het Destructiebesluit zijn de ambtenaren van de Voedsel en Waren Autoriteit.

K

Na artikel 9 worden de volgende artikelen ingevoegd:

Artikel 9a

De minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in:

a. de artikelen 4, eerste lid en 5 van verordening (EG) nr. 79/2005;

b. de artikelen 1, 2, en 3 van verordening (EG) nr. 92/2005 en bijlage VI, onderdeel 2, bij verordening (EG) nr. 92/2005;

c. artikel 9, derde lid, van verordening (EG) nr. 181/2006 en de bijlage, deel III, eerste lid, en deel IV bij verordening (EG) nr. 181/2006.

Artikel 9b

Als dienst, bedoeld in artikel 9, tweede lid, en artikel 17, derde lid, van het Destructiebesluit, wordt de Voedsel en Waren Autoriteit aangewezen.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.P. Veerman.

Bijlage: Implementatietabel

Verordening (EG) nr. 79/2005

Regeling dierlijke bijproducten

Artikel 1

Artikel 7

Artikel 2

Artikel 7

Artikel 3

Artikel 7

Artikel 4

Artikelen 8 en 8a

Artikel 5

Artikelen 8 en 8a

Artikel 6

Behoeft geen uitwerking

Artikel 7

Behoeft geen uitwerking

  

Verordening (EG) nr. 92/2005

Regeling dierlijke bijproducten

Artikel 1

Artikel 8b, eerste lid

Artikel 2

Artikel 8b, tweede lid, en artikel 8c

Artikel 3

Artikel 8d

Artikel 4

Artikel 8e

Artikel 5

Artikel 9a

Artikel 6

Behoeft geen uitwerking

Artikel 7

Behoeft geen uitwerking

  

Verordening (EG) nr . 181/2006

Regeling dierlijke bijproducten

Artikel 1

Behoeft geen uitwerking

Artikel 2

Behoeft geen uitwerking

Artikel 3

Artikel 8g

Artikel 4

Artikel 8g

Artikel 5

Artikel 8g

Artikel 6

Artikel 8g

Artikel 7

Artikel 8g

Artikel 8

Artikel 8g

Artikel 9

Artikel 9a

Artikel 10

Behoeft geen uitwerking

  

Verordening (EG) nr. 197/2006

Regeling dierlijke bijproducten

Artikel 1

Artikel 8h

Artikel 2

Artikel 8h

Artikel 3

Artikel 8h

Artikel 4

Artikel 9a

Artikel 5

Behoeft geen uitwerking

  

Verordening (EG) nr. 209/2006

Regeling dierlijke bijproducten

Artikel 1

Artikel 8j

Artikel 2

Artikel 8j

Artikel 3

Behoeft geen uitwerking

Toelichting

§ 1. Algemeen

Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (hierna: verordening (EG) nr. 1774/2002) stelt voorschriften inzake het verzamelen, vervoeren, opslaan, hanteren, verwerken en gebruiken van dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide producten. Naast verordening (EG) nr. 1774/2002 zijn op het gebied van niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten diverse zogenoemde uitvoeringsverordeningen van kracht.

De onderhavige regeling geeft uitvoering aan enkele verordeningen waarbij verordening (EG) nr. 1774/2002 wordt gewijzigd dan wel uitvoering wordt gegeven aan deze verordening. Het betreft de volgende verordeningen:

– Verordening (EG) nr. 79/2005 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 januari 2005 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het gebruik van melk, melkproducten en melkderivaten die in die verordening zijn omschreven als categorie 3-materiaal (hierna: verordening (EG) nr. 79/2005);

– Verordening (EG) nr. 92/2005 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 januari 2005 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad voor wat betreft de methoden voor de verwijdering of het gebruik van dierlijke bijproducten en tot wijziging van bijlage IV daarbij voor wat betreft de omzetting in biogas en de verwerking van gesmolten vet (hierna: verordening (EG) nr. 92/2005);

– Verordening (EG) nr. 181/2006: Verordening (EG) nr. 181/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 2006 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 wat andere biologische meststoffen en bodemverbeteraars dan mest betreft en tot wijziging van die verordening (hierna: verordening (EG) nr. 181/2006);

– Verordening (EG) nr. 197/2006: Verordening (EG) nr. 197/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 februari 2006 inzake overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 wat betreft het verzamelen, het vervoer, de behandeling, het gebruik en de verwijdering van voormalige voedingsmiddelen (hierna: verordening (EG) nr. 197/2006);

– Verordening (EG) nr. 209/2006 van de Commissie van 7 februari 2006 tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 809/2003 en (EG) nr. 810/2003 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de overgangsmaatregelen voor composteer- en biogasinstallaties krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad (hierna: verordening (EG) nr. 209/2006).

Daarnaast wordt de nationale regelgeving over de koeling van categorie 3-materiaal en het invoeren van dierlijke bijproducten vanuit derde landen voor diagnose, onderwijs en onderzoek, met onderhavige regeling gewijzigd.

§ 2. Systematiek van de uitvoeringsregelgeving

Per 1 september 2005 zijn de uitvoeringsvoorschriften inzake dierlijke bijproducten neergelegd in het op de Destructiewet gebaseerde Destructiebesluit. Op grond van artikel 23 van de Destructiewet mogen gedurende een periode van ten hoogste twee jaar bij ministeriële regeling ter uitvoering van Europese bepalingen uitvoeringsvoorschriften worden gesteld. Daarbij kan zo nodig worden afgeweken van de Destructiewet en het Destructiebesluit.

Van deze mogelijkheid is in de onderhavige regeling gebruik gemaakt: daar waar de Europese voorschriften hiertoe nopen, wordt afgeweken van het Destructiebesluit.

§ 3. Europese verordeningen

In de onderhavige paragraaf worden de desbetreffende Europese verordeningen afzonderlijk besproken.

Verordening (EG) nr. 79/2005

Ingevolge verordening (EG) nr. 79/2005 mogen melk, verwerkte melkproducten, wei, onverwerkte producten en andere melkproducten (zie bijlage I, hoofdstuk 1, onderdeel A, bijlage I, hoofdstuk 2, onderdeel A en bijlage II, onderdeel A bij deze verordening) die afkomstig zijn van een zuivelproductiebedrijf, onder voorwaarden binnen Nederland als voedermiddel worden gebruikt. De voorwaarden die aan dit gebruik zijn verbonden en de voorwaarden voor verzameling, vervoer en opslag van deze producten, zijn neergelegd in artikel 3 van verordening (EG) nr. 79/2005. Voorts zijn ten aanzien van bepaalde melkproducten aanvullende eisen gesteld. Veehouderijen die melkproducten als bedoeld in bijlage I, Hoofdstuk II en Bijlage II (onder andere gepasteuriseerde melkproducten, wei van niet-warmtebehandelde producten, rauwe producten) willen vervoederen, hebben hiervoor een vergunning nodig. Voor het vervoederen van de in bijlage II genoemde producten (onder andere rauwe melkproducten en andere melkproducten dan de in bijlage I en II genoemde producten) zijn bovendien voorwaarden verbonden aan de verplaatsing van dieren. De op de veehouderij aanwezige dieren mogen worden verplaatst naar een in Nederland gelegen slachthuis. Daarnaast mogen de dieren naar een bedrijf binnen Nederland worden gebracht, mits de dieren vervolgens of rechtstreeks naar het slachthuis gaan of tenminste 21 dagen op het nieuwe bedrijf aanwezig zijn geweest voor zij verder verplaatst worden. Deze voorwaarden zijn al lange tijd geldend recht en zijn neergelegd in artikel 16 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.

In de artikelen 8 tot en met 8a wordt aan deze verordening uitvoering gegeven.

Verordening (EG) nr. 92/2005

De artikelen 8b tot en met 8f geven uitvoering aan verordening (EG) nr. 92/2005. In verordening (EG) nr. 92/2005 worden alternatieve verwerkingsmethoden door de Europese Commissie goedgekeurd. Deze verwerkingsmethoden mogen binnen een lidstaat worden toegepast nadat deze de methoden heeft toegestaan. Met de onderhavige regeling worden de nieuwe verwerkingsmethoden toegestaan voor de verwerking van dierlijke bijproducten.

Dit betekent dat naast de in de artikelen 4, 5 en 6 van verordening (EG) nr. 1774/2002 opgesomde verwijderings- en verwerkingsmethoden nu tevens mag worden verwerkt overeenkomstig de in artikel 2 van verordening (EG) nr. 92/2005 genoemde verwerkingsmethoden. Dit betreffen alkalische hydrolyse, biogasproductie door middel van hydrolyse bij verhoogde druk, biodieselproductie, hydrolyse bij verhoogde temperatuur en druk, Brookes-vergassing, verbranding van dierlijk vet in een thermische ketel en thermo-mechanische biobrandstofproductie. De voorwaarden, die zijn verbonden aan deze methoden, zijn nader omschreven in bijlage I tot en met VII bij verordening (EG) nr. 92/2005. Aan het toepassen van deze verwerkingsmethoden is de voorwaarde verbonden dat de bedrijven zijn erkend en voldoen aan de artikelen 3 en 5 van voornoemde verordening.

Verordening (EG) nr. 181/2006

Verordening (EG) nr. 181/2006 stelt eisen aan het gebruik op het land van biologische meststoffen en bodemverbeteraars. Deze eisen hebben betrekking op de bestrijding van ziekteverwekkers, de verpakking en etikettering van de biologische meststoffen en bodemverbeteraars en het vervoer hiervan. Daarnaast gelden speciale beperkingen inzake begrazing op het land waar de biologische meststoffen en bodemverbeteraars zijn gebruikt: Vee mag niet op land komen waarop biologische meststoffen en bodemverbeteraars zijn gebruikt voordat 21 dagen zijn verstreken vanaf het moment dat deze voor het laatst zijn gebruikt.

In artikel 8g worden handelingen in strijd met deze verordening strafbaar gesteld.

Verordening (EG) nr. 197/2006

In artikel 8h wordt uitvoering gegeven aan verordening (EG) 197/2006. Voormalige voedingsmiddelen vallen onder de reikwijdte van verordening (EG) 1774/2002. Op grond van verordening (EG) 197/2006 geldt tot 31 juli 2007 een lichter regime voor het verzamelen, het vervoer, de behandeling, het gebruik en de verwijdering van niet-rauwe voormalige voedingsmiddelen, zoals brood, deegwaren en gebak.

Verschil ten opzichte van de voorschriften van verordening (EG) 1774/2002 voor rauwe voormalige voedingsmiddelen, is dat tijdens het verzamelen en het vervoer de niet-rauwe voedingsmiddelen niet vergezeld hoeven te gaan van een handelsdocument. Er worden ook geen eisen gesteld aan de identificeerbaarheid van het materiaal, de recipiënten of het transportmiddel, noch aan reiniging en ontsmetting van de vervoermiddelen.

Een van de voorwaarden bij het gebruik van niet-rauwe voedingsmiddelen in voedermiddelen is dat zij niet in aanraking mogen zijn geweest met rauwe voormalige voedingsmiddelen. Tevens moet aan de Voedsel en Waren Autoriteit en de Algemene Inspectiedienst aangetoond kunnen worden dat het gebruik van niet-rauwe voedingsmiddelen in voedermiddelen geen gevaar oplevert voor de volksgezondheid of diergezondheid.

Verordening (EG) nr. 209/2006

Verordening (EG) nr. 209/2006 verlengt de geldigheidsduur van de overgangsmaatregelen van verordening (EG) nr. 809/20031 wat betreft composteerinstallaties en verordening (EG) nr. 810/20032 wat betreft biogasinstallaties tot 1 januari 2007. Recentelijk heeft de Europese Commissie besloten deze overgangsmaatregelen te verlengen tot 1 januari 20083 . De publicatie van deze wijziging in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt eerdaags verwacht. Vooruitlopend hierop voorziet artikel 8j reeds in een overgangstermijn tot 1 januari 2008.

§ 4. Koeling van categorie 3-materiaal

In artikel 6 van de Regeling dierlijke bijproducten is de eis opgenomen dat categorie 3-materiaal wordt bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10 graden Celsius, tenzij het materiaal binnen 12 uur na het ontstaan wordt opgehaald om te worden verwerkt of verwijderd. Vanuit veterinair oogpunt is de voornoemde koelingeis niet langer noodzakelijk voor categorie 3-materiaal, dat bestemd is om te worden verwerkt in een biogas- of composteerinstallatie. Voorwaarde hierbij is wel dat de biogas- of composteerinstallatie beschikt over een erkenning als bedoeld in artikel 15 van verordening (EG) 1774/2002.

§ 5. Het invoeren van dierlijke bijproducten vanuit derde landen

Sinds de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1774/2002 zijn vragen gerezen over de uitleg en toepassing van deze verordening. Dit was voor de Europese Commissie aanleiding om in april jl. een zogenoemd ‘Q&A-document’4 te publiceren om onduidelijkheden over de uitleg en toepassing van verordening (EG) nr. 1774/2002 weg te nemen. Een van de onderwerpen die in dit document behandeld wordt, is de import van dierlijke bijproducten vanuit derde landen voor diagnose, onderwijs en onderzoek. Op de vraag of import van dierlijke bijproducten voor de voornoemde doeleinden is toegestaan, antwoordt de Europese Commissie bevestigend. Artikel 8i van de onderhavige regeling voorziet in deze mogelijkheid.

§ 6. Overige bepalingen en slotbepalingen

In artikel 9a wordt aangeduid wie de bevoegde autoriteit is. Overeenkomstig de Regeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Destructiewet, zijn in het geval dat de bevoegdheden betrekking hebben op controlemaatregelen, de Voedsel en Waren Autoriteit en de Algemene Inspectiedienst de bevoegde autoriteit. In de overige gevallen is de minister de bevoegde autoriteit.

Daarnaast wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de Voedsel en Waren Autoriteit als dienst, bedoeld in de artikelen 9, tweede lid, en 17, derde lid, van het Destructiebesluit, aan te wijzen.

§ 7. Administratieve lasten

De administratieve lasten die uit deze regeling voortvloeien zijn gekwantificeerd en worden per informatieverplichting weergegeven.

A. Vergunning veehouders

Op grond van verordening (EG) nr. 79/2005 heeft een veehouderij, die melkproducten als bedoeld in bijlage I, Hoofdstuk II en Bijlage II, wil vervoederen, een vergunning nodig. Deze vergunning kan schriftelijk (per post of elektronisch) worden aangevraagd bij de Voedsel en Waren Autoriteit. Het aanvragen van een vergunning is in principe eenmalig en kost naar schatting 10 minuten. Uitgaande van een uurtarief van € 30–, bedraagt de administratieve lastendruk € 5,– per veehouder. Verwachting is dat circa 1330 veehouders een dergelijke vergunning zullen aanvragen.

B. Alternatieve verwerking van categorie 1- en 2-materiaal

Voor de alternatieve verwerking van categorie 1- en 2-materiaal is toestemming van de minister vereist. Gelet op de werkgebiedensystematiek, op grond waarvan thans het merendeel van het categorie 1- en 2-materiaal door één bedrijf wordt verwerkt, is de verwachting dat slechts 12 bedrijven een dergelijke toestemming zullen aanvragen. Het aanvragen van de toestemming geschiedt in principe eenmalig en neemt circa een half uur in beslag. Uitgaande van een uurtarief van € 60,–, bedraagt de administratieve lastendruk per bedrijf € 30,–.

C. Toestemming voor het importeren van dierlijke bijproducten uit derde landen

Voor het invoeren van dierlijke bijproducten vanuit derde landen ten behoeve van diagnose, onderwijs en onderzoek, is toestemming van de minister vereist. Er zijn naar verwachting 10 bedrijven die een dergelijke toestemming zullen aanvragen. Het aanvragen van een toestemming neemt circa een half uur tijd in beslag. Uitgaande van een uurtarief van € 60,–, bedraagt de administratieve lastendruk per bedrijf € 30,–.

D. Totale lastendruk

De totale lastendruk bestaat uit de informatieverplichtingen genoemd onder A, B en C.

A. Vergunning veehouders

€ 6650

B. Alternatieve verwerking van categorie 1- en 2-materiaal

€ 360

C. Toestemming voor het importeren van dierlijke bijproducten

€300

D. TOTAAL

€ 7310

Omdat de toename van de administratieve lasten minder dan € 10.000 betreft, is dit dossier niet voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (ACTAL).

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C.P. Veerman

  • 1

    Stcrt. 2005, 168.

Naar boven