Vaststelling selectielijst neerslag handelingen Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beleidsterrein Gratie vanaf 1945

15 augustus 2006

Nr. C/S&A/06/1894

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 28 april 2006, nr. arc-2006.02861/2);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Gratie over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Een belanghebbende kan tegen dit besluit beroep instellen bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan hij zijn woonplaats heeft.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Den Haag, 15 augustus 2006.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de Algemene Rijksarchivaris, M.W. van Boven.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
namens deze:
de P. Hennephof, plv. Secretaris-Generaal

BASISSELECTIEDOCUMENT – Gratie

Een instrument voor de selectie van de administratieve neerslag van het handelen van de overheidsorganen in de periode vanaf 1945

Concept ten behoeve van de ter inzagelegging

Februari 2006

1. Afkortingen en begrippen

ARA: Algemeen Rijksarchief

BSD: Basis Selectiedocument

KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

OCenW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

RAD: Rijksarchiefdienst

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

Trb.: Tractatenblad

WVC: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

actor: overheidsorgaan of particuliere organisatie/persoon die een rol speelt op een beleidsterrein

handeling: complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid

B: de selectiebeslissing ‘(blijvend) te bewaren’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling

V: de selectiebeslissing ‘(op termijn) te vernietigen’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling

2. Verantwoording

2.1. Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven

Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder archiefbescheiden worden niet slechts papieren documenten te verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht hun vorm – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.

Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband kent de Archiefwet 1995 zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als een overbrengingsplicht (art. 12). Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.

De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Algemeen Rijksarchief (ARA) in Den Haag. Het ARA is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de Minister van OCenW en staat onder leiding van de Algemeen Rijksarchivaris.

In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.

Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.

Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1, van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:

1. de taak van het desbetreffende overheidsorgaan;

2. de verhouding van dit overheidsorgaan tot andere overheidsorganen;

3. de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed;

4. het belang van de in de bescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen, recht- of bewijszoekenden en historisch onderzoek.

Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995 bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn een deskundige op het gebied van de organisatie en taken van het desbetreffende overheidsorgaan, een deskundige ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van dat orgaan en (een vertegenwoordiger van) de Algemeen Rijksarchivaris.

Wat betreft de geldigheidsduur van het BSD als selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst.

2.2. Het Basis Selectiedocument

Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van een enkele organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.

Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

Het niveau waarop geselecteerd wordt is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, enz.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.

Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OCenW) en de betrokken zorgdrager(s).

2.3. Het BSD Gratie

Het PIVOT-rapport De schoonste parel op de Kroon : Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de overheidsorganen op het beleidsterreinGratie (1945–2000) vormt de grondslag voor dit BSD. Het RIO geeft een historische beschrijving van het beleidsterrein Gratie. Met dit beleidsterrein wordt beoogd vorm en samenhang te geven aan het gratiebeleid van de Nederlandse overheid, alsmede aan de tenuitvoerlegging daarvan.

Deze doelstelling kan als volgt worden geconcretiseerd:

– het krachtens de Grondwet leveren van een bijdrage aan rechtvaardigheid en doelmatigheid bij de tenuitvoerlegging van in de wet genoemde en door de onafhankelijke rechter opgelegde straffen en maatregelen;

– het bevorderen van verantwoorde gratiebeslissingen van de Kroon in individuele gevallen;

– het zorgdragen voor een juiste uitvoering van gratiebeslissingen.

De gratieprocedure is als volgt: De Minister van Justitie stuurt het gratieverzoek niet naar de adviserende rechter maar naar de verslag uitbrengende officier van justitie. De officier van justitie wint inlichtingen in bij de politie van de woonplaats van de veroordeelde en stuurt het geheel naar de adviserende rechter. Deze stuurt het terug naar de officier, die het op zijn beurt aan het ministerie retourneert.

De belangrijkste actoren op het beleidsterrein Gratie zijn de Minister van Justitie, het openbaar ministerie en de verschillende gerechten.

Het onderzoek naar dit beleidsterrein werd uitgevoerd in het kader van de tussen de Algemene Rijksarchivaris en de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie gesloten convenant. In dit convenant zijn afspraken vastgelegd inzake de overdracht van de na 1940 gevormde archieven.

Het institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein Gratie is verricht in de periode december 2000 tot april 2001. Het rapport zal, nadat het is vastgesteld door het Ministerie van Justitie, worden gepubliceerd in de PIVOT-reeks.

De in dit BSD opgenomen waarderingen zijn bepalend voor de selectie van de administratieve neerslag van de handelingen van de overheid op het beleidsterrein Gratie.

Hierbij dient de volgende kanttekening te worden gemaakt. De handelingen die de rechterlijke macht verricht op het beleidsterrein Gratie, zijn wel opgenomen in het RIO. Weliswaar heeft men er vanuit de rechterlijke organisatie voor gekozen om een eigen, organisatiegerichte selectielijst op te stellen, maar omdat de rol van de rechterlijke macht zo essentieel is op het beleidsterrein Gratie, is besloten de handelingen van de rechterlijke macht toch in het RIO op te nemen. Dit is overigens ook bij een aantal andere RIO’s het geval geweest. Bij de vaststelling van de v-termijnen voor de neerslag van handelingen van de rechterlijke macht is ter afstemming het BSD voor de rechterlijke macht geraadpleegd (zie ook de later in dit document genoemde bijzondere selectiecriteria).

De afbakening ten opzichte van andere beleidsterreinen is verantwoord in hoofdstuk 1 van het RIO De schoonste parel op de Kroon. Hier kan dus worden volstaan met deze verwijzing.

Voor het gebruik van dit BSD is het raadzaam om eerst de leeswijzer bij de handelingenlijst te raadplegen. Afwijkingen van de handelingenlijst uit het RIO worden hierin toegelicht.

2.4. Selectiedoelstelling

Het BSD is opgesteld in overeenstemming met de selectiedoelstelling van de RAD/PIVOT. Bij de behandeling van het ontwerp van de Archiefwet 1995 in de Tweede Kamer op 13 april 1994 verwoordde de Minister van WVC deze doelstelling als volgt: het mogelijk maken van een reconstructie van de hoofdlijnen van het handelen van de overheid. Door het Convent van Rijksarchivarissen is de selectiedoelstelling vertaald in de richting van de (bewaar)doelstelling van de RAD: de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur worden veilig gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zo ver deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

De algemene selectiedoelstelling is in dit BSD geoperationaliseerd voor het beleidsterrein Gratie. Bij de hier geformuleerde selectievoorstellen stond steeds de vraag centraal: ten aanzien van welke handelingen is de administratieve neerslag noodzakelijk om een reconstructie mogelijk te maken van de hoofdlijnen van het overheidshandelen op het beleidsterrein Gratie?

2.5. Selectiecriteria

Uitgaande van de algemene selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1998 een (gewijzigde) lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht.

De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria.

Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het ARA. De neerslag van een handeling die niet aan één van de selectiecriteria voldoet, wordt op termijn vernietigd. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (‘vernietigen’), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, is dus niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.

Overigens verlangt art. 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 dat selectielijsten de mogelijkheid bieden om neerslag die met een V is gewaardeerd in exceptionele gevallen te bewaren op grond van een uitzonderingscriterium. PIVOT heeft daarom het volgende uitzonderingscriterium geformuleerd1 :

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

In het concrete geval voor gratie betekent dit dat er voor bepaalde gratiedossiers een uitzondering zou kunnen worden gemaakt op de voorgestelde waardering.

Gedacht kan worden aan de dossiers met betrekking tot bepaalde maatschappelijk relevante gebeurtenissen of groeperingen (zoals de Indië-weigeraars en de Molukse treinkapers).

Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de volgende algemene selectiecriteria:

Algemeen selectiecriterium

1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6. Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten.

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

In juli 2001 is het ontwerp-BSD door de Minister van Algemene Zaken, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Financiën, de Minister van Justitie, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 maart 2006 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de betrokken zorgdragers, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie / regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 28 april 2006 bracht de RvC advies uit (arc.2006.02861/2), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

– Abusievelijk zijn de handelingen van de actoren het Openbaar Ministerie,

– de Arrondissementsrechtbank, de Arrondissementskrijgsraad, de Permanente Krijgsraad Nederland voor de Zeemacht en het Hoog Militair Gerechtshof in de ontwerp-lijst blijven staan. Deze zullen worden verwijderd. De handelingen van deze actoren worden opgenomen in andere selectielijsten, o.a. Rechterlijke Macht. De ontwerp-lijst zal worden aangepast.

– De handelingen van het Bijzonder Gerechtshof en de Bijzondere Raad van Cassatie zullen ook niet worden opgenomen in deze selectielijst. De ontwerp-lijst en het driehoeksverslag zullen worden aangepast.

– In het driehoeksverslag wordt abusievelijk vermeld dat de handelingen van de actor de Hoge Raad niet opgenomen worden in de selectielijst Gratie. De handelingen van de Hoge Raad worden wel in deze selectielijst opgenomen. Het driehoeksverslag zal worden aangepast.

– De Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming is inderdaad de taakopvolger van de Centrale Raad van Advies voor het gevangeniswezen, de Psychopatenzorg en de Reclassering. Dit gegeven zal in de ontwerp-lijst en het driehoeksverslag duidelijk vermeld worden.

– De huidige selectiedoelstelling zal worden toegevoegd aan de ontwerp-lijst.

– De waardering 31 zal worden gewijzigd in ‘V 25 jaar’.

– (handeling 29 is een handeling van de actor de Arrondissementskrijgsraad en komt te vervallen, zie eerste punt)

– De waardering van handeling 49 zal worden gewijzigd in ‘V 7 jaar’.

– Bijzondere selectiecriteria

– De Raad constateert dat de twee bijzondere selectiecriteria geen rol hebben gespeeld in het driehoeksoverleg. Deze constatering is juist, de genoemde criteria zijn abusievelijk in de ontwerplijst blijven staan. (bijv.: – de waardering van handeling [nummer] is gewijzigd van V in B [of van B in V])

Daarop werd het BSD op 15 augustus 2006 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Algemene Zaken (C/S&A/05/1475), de Minister van Buitenlandse Zaken (C/S&A/06/1892), de Minister van Financiën (C/S&A/06/1888), de Minister van Justitie (C/S&A/06/1893), de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap(C/S&A/06/1889), de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (C/S&A/06/1894) en de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (C/S&A/06/1890) vastgesteld.

2.6. Leeswijzer bij de handelingenlijst

In hoofdstuk 3 staan de handelingen van overheidsorganen op het beleidsterrein Gratie beschreven. Deze zijn naar actor geordend. De handelingen worden beschreven in een handelingenblok, zoals hierna aangegeven.

(X): Dit is het nummer van de handeling. Deze nummering is uit het bijbehorende RIO overgenomen. Een handeling kan echter door verschillende actoren (gelijktijdig of opeenvolgend in tijd) zijn uitgevoerd. In dit geval is de betrokken handeling in het BSD uitgesplitst naar de betreffende actoren. Een handeling kan dus onder hetzelfde unieke nummer onder meerdere actoren zijn opgenomen.

Handeling: Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

De formulering van de handelingen is in de regel toegespitst op het product. Echter, een handeling als zodanig omvat alle activiteiten die leiden tot het product. Dientengevolge is de neerslag van een handeling niet beperkt tot het (eind)product, maar omvat ze alle archiefbescheiden die in verband daarmee zijn voortgebracht. Zo betreft de neerslag van een beschikkende handeling niet alleen het originele besluit, maar ook alle voorstukken.

Aangezien handelingen voortvloeien uit taken en bevoegdheden is het mogelijk dat een vermelde handeling in de praktijk nimmer (volledig) is uitgevoerd.

Periode: Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling op het moment van het verschijnen van het RIO nog steeds uitgevoerd.

Grondslag: Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht. Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Product: Hier staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren. De gegeven opsommingen van producten zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven voorbeeld.

Opmerking: Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.

Waardering: De afkorting ‘B’ staat voor ‘bewaren’, dat wil zeggen het na afloop van de wettelijke overbrengingstermijn overdragen aan het ARA van de documentaire neerslag (ongeacht de gegevensdrager) van de handeling. Bij een B-handeling is achter de selectiebeslissing aangegeven welk selectiecriterium is toegepast.

De afkorting ‘V’ staat voor ‘vernietigen (op termijn)’, oftewel ‘niet overbrengen’. Bij de desbetreffende handelingen wordt de vernietigingstermijn vermeld. Deze termijn betreft het aantal volle jaren dat dient te zijn verlopen sinds het einde van het jaar waarin een archiefbestanddeel (dossier, register, databestand) dat behoort tot de neerslag van de handeling, is afgesloten.

Terwille van de overzichtelijkheid wordt in de handelingenlijst in tussenkopjes steeds aangegeven:

– wie de actor is van de vermelde handeling(en);

– het onderwerp waarop de handeling(en) betrekking heeft (hebben);

– een verwijzing naar de paragraaf van het RIO waarin de desbetreffende handeling(en) is (zijn) opgenomen.

Steekproef

Om een reconstructie te kunnen maken van de uitvoeringspraktijk op het beleidsterrein Gratie is ervoor gekozen om een steekproef te bewaren van de nog bij Justitie aanwezige gratiedossiers. Van elk jaar worden de eerste en laatste archiefdoos voor bewaring bestemd.

3. Handelingen

3.1. Minister van Justitie

3.1.1. Minister van Justitie; algemene handelingen (RIO: 5)

Beleidsontwikkeling en -evaluatie

(1.)

Handeling: Het voorbereiden, mede vaststellen, coördineren en evalueren van het gratiebeleid.

Periode: 1945–

Product: beleidsnota, beleidsnotitie, rapport, advies, circulaire, evaluatie, kaartenbak bijzondere gratiezaken, bouwstenenboek afdeling Gratie, enz.

Opmerking: Onder deze handeling valt ook:

– het voeren van overleg over het beleid en de uitvoering daarvan met de andere betrokken actoren op het beleidsterrein (met name ook met de ketenpartners);

– het voorbereiden van een standpunt ter inbrenging in de vergaderingen van de Ministerraad voor beraad en besluitvorming betreffende gratie;

– het voeren van overleg met en/of het leveren van bijdragen aan het overleg met het Staatshoofd betreffende gratie;

– het voorbereiden van de Memorie van Toelichting op de Rijksbegroting voor Justitie voor wat betreft het beleidsterrein Gratie;

– het toetsen van de uitvoering van het beleid (evaluatie);

– het aan een externe adviescommissie of stuurgroep verzoeken om advies betreffende het beleidsterrein;

– het informeren van het Kabinet van de Koningin over ontwikkelingen op het beleidsterrein;

– het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid (als beleidsinstrument).

Waardering: B 1, 2

Verantwoording van beleid

(2.)

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal.

Periode: 1945–

Product: antwoord aan de Kamer, brief, notitie

Waardering: B 2, 3

(3.)

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot het onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid.

Periode: 1945–

Product: brief, notitie

Waardering: B 3

(4.)

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over ontwikkelingen op het beleidsterrein Gratie.

Periode: 1945–

Product: verslag

Waardering: jaarverslag: B 3

overige verslagen: V 2 jaar indien een jaarverslag opgemaakt en vastgesteld is

(5.)

Handeling: Het beslissen op beroep-/bezwaarschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende het beleidsterrein.

Periode: 1945–

Product: beschikking

Waardering: V, 5 jaar

(6.)

Handeling: Het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratiefrechtelijke organen.

Periode: 1945–

Product: verweerschrift

Waardering: V, 5 jaar

Informatieverstrekking

(7.)

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het beleid ten aanzien van gratie.

Periode: 1945–

Product: brief, notitie

Waardering: V, 1 jaar

(8.)

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten.

Periode: 1945–

Product: voorlichtingsmateriaal

Waardering: V, 2 jaar na vervallen

N.B.: Van het gedrukte voorlichtingsmateriaal wordt één exemplaar bewaard. De voorbereidende stukken worden vernietigd.

Onderzoek

(9)

Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten over gratie

Periode: 1968–

Product: Offerte, brieven en rapport

Waardering: B 5: opdracht en eindproduct

V 10 jaar: overige neerslag

(10)

Handeling: Het begeleiden van (wetenschappelijk) onderzoek naar gratie

Periode: 1968–

Product: Notities, notulen en brieven

Waardering: V, 5 jaar

(48)

Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van (wetenschappelijk) onderzoek naar gratie

Periode: 1968–

Product: Notities, brieven, etc.

Waardering: V, 5 jaar

(49)

Handeling: Het financieren van (wetenschappelijk) onderzoek naar gratie

Periode: 1968–

Product: Rekeningen en declaraties

Waardering: V, 7 jaar

3.1.2. Minister van Justitie; totstandkoming van wet- en regelgeving op het gebied van gratie (RIO: 6)

(11.)

Handeling: Het voorbereiden van de intrekking van het Gratiebesluit van 1887.

Periode: –1976

Product: nota, notitie

Opmerking: Het Gratiebesluit werd voor het laatst gewijzigd in 1932. Daarom betreft deze handeling slechts de intrekking ervan.

Waardering: B 1

(12.)

Handeling: Het instellen van een commissie die advies dient uit te brengen over herziening van het Gratiebesluit van 1887 en aangaande daarmee samenhangende wijzigingen van de gratiebepalingen in het Wetboek van Strafvordering.

Periode: 1960–1966

Grondslag: instellingsbeschikking nr. 514/260, d.d. 8 november 1960

Product: instellingsbeschikking

Waardering: B 1

(14.)

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van de Gratieregeling 1976.

Periode: 19../1960–1987

Product: nota, notitie

Gratieregeling 1976, wijzigingswet

Opmerking: Onduidelijk is wanneer met de voorbereidingen van de totstandkoming exact is begonnen. Als startpunt is gekozen het jaar waarin de Commissie-Kazemier (zie vorige handelingen) is ingesteld.

Waardering: B 1

(15.)

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van de Gratiewet van 1987.

Periode: 19../1985–

Product: nota, notitie

Gratiewet, wijzigingswet

Opmerking: Onduidelijk is wanneer met de voorbereidingen van de totstandkoming exact is begonnen. In 1985 is de ontwerp-Gratiewet bij de Tweede Kamer ingediend.

Waardering: B 1

(16.)

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van de Rijkswet houdende bepalingen inzake de behandeling van en de beschikking op verzoekschriften om gratie van straffen of maatregelen, opgelegd door instanties belast met de militaire strafrechtspraak.

Periode: 19../1985–

Product: nota, notitie

Rijkswet houdende bepalingen inzake de behandeling van en de beschikking op verzoekschriften om gratie van straffen of maatregelen, opgelegd door instanties belast met de militaire strafrechtspraak (Stb. 1987, 599)

Opmerking: Onduidelijk is wanneer met de voorbereidingen van de totstandkoming exact is begonnen. In 1985 is de ontwerp-Rijkswet bij de Tweede Kamer ingediend.

Waardering: B 1

(17.)

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van gratiebepalingen uit het Wetboek van Strafvordering.

Periode: 1945–

Product: nota, notitie

wijzigingswet

Waardering: B 1

3.1.3. Minister van Justitie; bijzondere rechtspleging en gratie; adviescommissies voor gratieverlening (RIO: 7.1)

(18.)

Handeling: Het instellen van een commissie belast met het aan de Minister van Justitie uitbrengen van adviezen met betrekking tot gratieverlening aan jeugdige wapendragers.

Periode: 1948–1951

Bron Handgeschreven antwoord op een vraag van de secretaris-generaal d.d. 24 maart 1950, nota nr. 155

Product: beschikking

Opmerking: In het bovenbedoelde antwoord wordt gesteld dat ‘uit de notulen van de vergadering tot installatie op 5.11.48 de mondelinge instelling’ van deze commissie kan worden gedestilleerd. De commissie wordt bij besluit van 25 januari 1951 opgeheven.

Waardering: B 1, 6

(20.)

Handeling: Het instellen van een commissie belast met het aan de Minister van Justitie uitbrengen van adviezen met betrekking tot de beoordeling van gratiezaken betreffende politieke delinquenten die veroordeeld waren tot levenslange of tijdelijke gevangenisstraf van ten minste vijftien jaar.

Periode: 1951

Product: Ministeriële beschikking van 27 januari 1951 (2e Afdeling B, nr. G 506/09)

Waardering: B 1, 6

3.1.4. Minister van Justitie; bijzondere rechtspleging en gratie; beslissing inzake verlening van gratie (RIO: 7.4)

(25.)

Handeling: Het voorbereiden van de uitoefening door de Kroon van het recht van individuele of collectieve gratie van straffen opgelegd door een Bijzonder Gerechtshof of de Bijzondere Raad van Cassatie.

Periode: 1949–

Grondslag: Bijzonder Gratie-adviesbesluit (Stb. 1943, D 64), art. 1

Grondwet 1948: art. 70

Grondwet 1953, 1956, 1963, 1972: art. 77, lid 1

Grondwet 1983, 1987, 1995: art. 122, lid 1

Product: individuele gevalsbehandeling:

gratie-KB, afwijzingsbeschikking

(individuele) lijstgraties, eventueel met vervolgbesluiten

Staatsbladgratie:

Besluit van 26 augustus 1948 houdende bepalingen met betrekking tot het verlenen van gratie naar aanleiding van het 50-jarige Regeringsjubileum van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina en van de troonopvolging door Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Juliana der Nederlanden (Stb. 1948, I 392)

Opmerking: – Onder deze handeling vallen afgezien van gratiedossiers betreffende gratie van doodstraf en van tijdelijke of levenslange gevangenisstraf (in 1964 lopen er in deze categorie nog slechts vier zaken) met name ook veel dossiers inzake herstel van (kies)rechten.

– Deze handeling heeft ook betrekking op gratie van straffen opgelegd door de rechtsopvolger van het Bijzonder Gerechtshof, de Bijzondere Strafkamer van een arrondissementsrechtbank

Waardering: B 1, 6

3.1.5. Minister van Justitie; commune rechtspleging en gratie; verslag van het Openbaar Ministerie aan de rechter (RIO: 8.1)

(26.)

Handeling: Het geven van nadere voorschriften betreffende vorm en inhoud van het aan het gerecht uit te brengen verslag van het Openbaar Ministerie inzake gratieverlening.

Periode: 1976–

Grondslag: Gratieregeling 1976 (Stb. 1976, 378), art. 5, lid 2

Gratiewet (Stb. 1987, 598), art. 5, lid 3

Product: ministeriële regeling

Opmerking: Het Gratiebesluit zelf bevat reeds dergelijke voorschriften (art. 8).

Waardering: B 5

3.1.6. Minister van Justitie; commune rechtspleging en gratie; beslissing inzake verlening van gratie (RIO: 8.4)

(36.)

Handeling: Het afwijzend beschikken op een individueel gratieverzoek.

Periode: 1945–

Grondslag: KB, nr. 82, van 21 oktober 1856 (niet gepubliceerd)

Gratieregeling 1976 (Stb. 1976, 378), artikel 8, lid 1

Gratiewet (Stb. 1987, 598), art. 8, lid 1

Product: ministeriële beschikking

Opmerking: Al vanaf 1856 is de Minister van Justitie gemachtigd om afwijzend te beschikken, onder meer als hij meent dat het gratieverzoek niet voor inwilliging in aanmerking komt. Het verzoek wordt dan dus buiten de Kroon om afgedaan. Eerst gebeurde dit op basis van het geheime KB, nr. 82, van 21 oktober 1856. Vanaf 1976 is dit in openbare regelgeving opgenomen (Gratieregeling 1976, Gratiewet).

Hieronder valt ook de niet-ontvankelijkverklaring of, in de terminologie van de afdeling Gratie, de beschikking dat het ingediende verzoek buiten behandeling blijft.

Waardering: V, 5 jaar

(37.)

Handeling: Het voorbereiden van de uitoefening door de Kroon van het recht van al dan niet ambtshalve individuele gratieverlening.

Periode: 1945–

Grondslag: Gratiebesluit (Stb. 1887, 215), art. 11

Gratieregeling 1976 (Stb. 1976, 378), art. 9

Gratiewet (Stb. 1987, 598), art. 9

Grondwet 1938, 1946, 1948: art. 70

Grondwet 1953, 1956, 1963, 1972: art. 77, lid 1

Grondwet 1983, 1987, 1995: art. 122, lid 1

Product: individuele gevalsbehandeling:

gratie-KB, afwijzingsbeschikking

(individuele) lijstgraties

Opmerking: Hieronder valt ook de niet-ontvankelijkverklaring of, in de terminologie van de afdeling Gratie, de beschikking dat het ingediende verzoek buiten behandeling blijft.

Waardering: V, 5 jaar (afgewezen gratieverzoek)

V, 25 jaar (ingewilligd gratieverzoek)

(38.)

Handeling: Het voorbereiden van de uitoefening door de Kroon van het recht van ambtshalve collectieve gratieverlening.

Periode: 1945–

Grondslag: Gratiebesluit (Stb. 1887, 215), art. 17, als gewijzigd bij het besluit van 21 maart 1919 (Stb. 1919, 127)

Gratieregeling 1976 (Stb. 1976, 378), art. 19, lid 1

Gratiewet (Stb. 1987, 598), art. 19, lid 1

Grondwet 1938, 1946, 1948: art. 70

Grondwet 1953, 1956, 1963, 1972: art. 77, lid 1

Grondwet 1983, 1987, 1995: art. 122, lid 1

Product: Staatsbladgraties:

Besluit van 29 april 1946 betreffende gratie van geringe straffen uit den bezettingstijd (Stb. 1946, G 103)

Besluit van 26 augustus 1948 houdende bepalingen met betrekking tot het verlenen van gratie naar aanleiding van het 50-jarige Regeringsjubileum van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina en van de troonopvolging door Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Juliana der Nederlanden (Stb. 1948, I 392)

Besluit van 26 augustus 1948 houdende bepalingen met betrekking tot het verlenen van gratie aan militairen die in de Overzeese Gebiedsdelen in werkelijke dienst zijn of zijn geweest (Stb. 1948, I 426)

Besluit van 1 februari 1951 houdende bepalingen met betrekking tot het verlenen van gratie aan militairen die in Indonesië, Suriname of de Nederlandse Antillen in werkelijke dienst zijn of zijn geweest (Stb. 1951, 34)

Besluit van 25 april 1955 houdende bepalingen met betrekking tot het verlenen van gratie naar aanleiding van de herdenking dat het Vaderland tien jaren geleden werd bevrijd (Stb. 1955, 170)

Besluit van 28 februari 1966 houdende bepalingen met betrekking tot het verlenen van gratie naar aanleiding van het huwelijk van Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Beatrix met Claus George Willem Otto Frederik Geert von Amsberg (Stb. 1966, 73)

Besluit van 17 juli 1975 houdende bepalingen met betrekking tot het verlenen van gratie naar aanleiding van de ontstane achterstand in de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen (Stb. 1975, 400)

(collectieve) lijstgraties

Opmerking: – Deze handeling is een limitatief aantal malen verricht. Na 1975 heeft zij door veranderde inzichten niet meer plaatsgevonden. Het artikel waarop collectieve gratie altijd is gebaseerd geweest, bestaat evenwel nog steeds (zie volgende punt).

– Het verlenen van collectieve gratie berustte altijd op de zinsnede ‘Tenzij, met Onze machtiging, Onze Minister anders bepaalt’ (formulering Gratiewet).

Waardering: B 1, 5

3.1.7. Minister van Justitie; commune rechtspleging en gratie; voorwaardelijke gratie (RIO: 8.5)

(40.)

Handeling: Het verkorten of verlengen van een bij voorwaardelijke gratieverlening vastgestelde proeftijd.

Periode: 1976–

Grondslag: Gratieregeling 1976 (Stb. 1976, 378), art. 14, lid 1

Gratiewet (Stb. 1987, 598), art. 14, lid 1

Product: ministeriële beschikking

Waardering: V, 25 jaar

(41.)

Vervallen; zie selectielijst Reclassering.

(42.)

Handeling: Het voorbereiden van een Koninklijk Besluit tot aanvulling, wijziging of opheffing van aan gratie verbonden voorwaarden.

Periode: 1976–

Grondslag: Gratieregeling 1976 (Stb. 1976, 378), art. 16

Gratiewet (Stb. 1987, 598), art. 16

Product: KB

Opmerking: Het is de Minister van Justitie die hiertoe het voorstel doet, waarna de Kroon beslist. Deze handeling vindt plaats bij separaat Koninklijk Besluit.

Waardering: V, 25 jaar

(44.)

Handeling: Het voorbereiden van een Koninklijk Besluit tot herroeping van een Koninklijk Besluit waarbij voorwaardelijke gratie is verleend.

Periode: 1976–

Grondslag: Gratieregeling 1976 (Stb. 1976, 378), art. 17, lid 1

Gratiewet (Stb. 1987, 598), art. 17, lid 1

Product: KB

Opmerking: Het is de Minister van Justitie die hiertoe het voorstel doet, waarna de Kroon beslist. Herroeping vindt plaats bij separaat Koninklijk Besluit.

3.1.8. Minister van Justitie; commune rechtspleging en gratie; gratiebepalingen uit het Wetboek van Strafvordering (RIO: 8.8)

(47.)

Handeling: Het bepalen dat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf hangende de beslissing op het verzoek tot gratie van die straf wordt of blijft opgeschort dan wel geschorst.

Periode: 1973–

Grondslag: Wetboek van Strafvordering, als gewijzigd bij artikel I van de Wet van 21 maart 1973 houdende herziening van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering omtrent de opschorting van de tenuitvoerlegging van vonnissen of arresten in verband met de indiening van verzoekschriften om gratie (Stb. 1973, 135), art. 560a (vernummerd tot art. 559a bij wet van 18 januari 1996)

Product: ministeriële beschikking

Opmerking: Deze handeling kan plaatsvinden wanneer een verzoekschrift om gratie van een vrijheidsstraf is ingediend en de wet daaraan geen opschorting van de tenuitvoerlegging verbindt.

Waardering: V, 25 jaar

3.2. Commissies ingesteld door de Minister van Justitie

3.2.1. Commissies ingesteld door de Minister van Justitie; bijzondere rechtspleging en gratie; Adviescommissie gratie jeugdige wapendragers (RIO: 7.1)

(19.)

Handeling: Het aan de Minister van Justitie uitbrengen van adviezen met betrekking tot gratieverlening aan jeugdige wapendragers.

Periode: 1948–1950

Bron Handgeschreven antwoord op een vraag van de secretaris-generaal d.d. 24 maart 1950, nota nr. 155

Product: advies

Opmerking: – In de loop van 1949 werden aan de commissie ook gevallen van minder jeugdige wapendragers voorgelegd.

– In de beschikking tot opheffing van de commissie per 1 januari 1951 staat dat de commissie zelf heeft meegedeeld dat zij haar werkzaamheden voor 1 januari 1951 beëindigt.

Waardering: B 6

3.2.2. Commissies ingesteld door de Minister van Justitie; bijzondere rechtspleging en gratie; Commissie-Röling (RIO: 7.1)

(21.)

Handeling: Het aan de Minister van Justitie uitbrengen van adviezen met betrekking tot de beoordeling van gratiezaken betreffende politieke delinquenten die veroordeeld waren tot levenslange of tijdelijke gevangenisstraf van ten minste vijftien jaar.

Periode: 1951–1953

Grondslag: Ministeriële beschikking van 27 januari 1951 (2e Afdeling B, nr. G 506/09)

Product: advies

Waardering: B 6

3.2.3. Commissies ingesteld door de Minister van Justitie; commune rechtspleging en gratie; Commissie Herziening Gratieregeling (Commissie-Kazemier) (RIO: 6)

(13.)

Handeling: Het aan de Minister van Justitie uitbrengen van een advies met betrekking tot herziening van het Gratiebesluit van 1887 en aangaande daarmee samenhangende wijzigingen van de gratiebepalingen in het Wetboek van Strafvordering.

Periode: 1960–1966

Grondslag: instellingsbeschikking nr. 514/260, d.d. 8 november 1960

Product: rapport

Waardering: B 1

3.3. Hoge Raad der Nederlanden

3.3.1. Hoge Raad; bijzondere rechtspleging en gratie; rechterlijk advies aan de Minister van Justitie (RIO: 7.3)

(24.)

Handeling: Het aan de Kroon uitbrengen van een advies inzake gratie van een door een Bijzonder Gerechtshof of de Bijzondere Raad van Cassatie opgelegde straf.

Periode: 1952–

Grondslag: Bijzonder Gratie-adviesbesluit (Stb. 1943, D 64), art. 2, lid 2, en artt. 3, 4 en 5

Product: advies

Opmerking: – In geval van een verzoek om gratie van een door een Bijzonder Gerechtshof opgelegde doodstraf is dit (in een algemene vergadering opgestelde) advies van de Bijzondere Raad van Cassatie een extra advies, naast dat van het Bijzonder Gerechtshof zelf. In geval van een verzoek om gratie van een door de Bijzondere Raad van Cassatie opgelegde doodstraf moet zowel de vonnissende kamer van die raad als de raad in algemene zitting een advies uitbrengen.

– Deze handeling heeft ook betrekking op gratie van straffen opgelegd door de rechtsopvolger van het Bijzonder Gerechtshof, de Bijzondere Strafkamer van een arrondissementsrechtbank

Waardering: B 6

3.3.2. Hoge Raad; commune rechtspleging en gratie; rechterlijk advies aan de Minister van Justitie (RIO: 8.2)

(31.)

Handeling: Het aan de Kroon uitbrengen van een advies inzake gratie van een straf die is opgelegd door een gerecht buiten het Europese deel van het Koninkrijk.

Periode: 1945–1976

Grondslag: Gratiebesluit (Stb. 1887, 215), art. 2 en art. 15, als gewijzigd bij het besluit van 4 mei 1932 (Stb. 1932, 194)

Product: advies

Opmerking: – Deze handeling, uitgevoerd door de Kamer voor strafzaken, heeft betrekking op straffen die zijn opgelegd door een rechter in de koloniën, door een consulaire rechtbank of door een consulaire ambtenaar.

– Op de Nederlandse Antillen en Aruba is het thans de Gouverneur die het recht van gratie heeft van door een burgerlijke rechter opgelegde straffen, waarbij advies wordt ingewonnen bij de gerechten van die Rijksdelen (zie bijv. Staatsregeling Nederlandse Antillen).

Waardering: V 25 jaar

(32.)

Handeling: Het aan de Kroon uitbrengen van een advies inzake gratie van de doodstraf.

Periode: 1945–1987

Grondslag: Gratiebesluit (Stb. 1887, 215), artt. 2, 3 en 16

Gratieregeling 1976 (Stb. 1976, 378), art. 20, lid 1

Product: advies

Opmerking: – Deze handeling heeft betrekking op doodstraffen die zijn opgelegd door een gerecht buiten het Europese deel van van het Koninkrijk (tot 1976) of door een militair gerecht. Het advies dient in pleno te worden vastgesteld.

– Het advies is voor wat betreft militaire zaken een extra advies, naast dat van de rechter die de straf heeft opgelegd (zie eerdere handeling).

Waardering: B 6

(33.)

Handeling: Het op verzoek van de Kroon aan deze uitbrengen van een advies inzake gratie.

Periode: 1945–

Grondslag: Gratiebesluit (Stb. 1887, 215), art. 13

Gratieregeling 1976 (Stb. 1976, 378), art. 11

Gratiewet (Stb. 1987, 598), art. 11

Product: advies

Opmerking: Het in deze handeling bedoelde advies is facultatief en wordt gevoegd bij het verplichte rechterlijk advies.

Waardering: B 5

3.4. Bijzondere Rechtbank

3.4.1. Bijzondere Rechtbank; commune rechtspleging en gratie; militaire gerechten; rechterlijk advies aan de Minister van Justitie (RIO: 8.2)

(34.)

Handeling: Het aan de Kroon uitbrengen van een advies inzake gratie van de doodstraf, opgelegd door een vonnis van een krachtens de Wet Oorlogsstrafrecht aangewezen bijzondere rechtbank.

Periode: 1976–1987

Grondslag: Gratieregeling 1976 (Stb. 1976, 378), art. 20, lid 2

Product: advies

Opmerking: Zowel de Bijzondere Rechtbank als het Bijzonder Hooggerechtshof brengt in dit geval advies uit.

Waardering: B 6

3.5. Bijzonder Hooggerechtshof

3.5.1. Bijzonder Hooggerechtshof; commune rechtspleging en gratie; militaire gerechten; rechterlijk advies aan de Minister van Justitie (RIO: 8.2)

(34.)

Handeling: Het aan de Kroon uitbrengen van een advies inzake gratie van de doodstraf, opgelegd door een vonnis van een krachtens de Wet Oorlogsstrafrecht aangewezen bijzondere rechtbank.

Periode: 1976–1987

Grondslag: Gratieregeling 1976 (Stb. 1976, 378), art. 20, lid 2

Product: advies

Opmerking: Zowel de Bijzondere Rechtbank als het Bijzonder Hooggerechtshof brengt in dit geval advies uit.

Waardering: B 6

3.6. Raad voor de Kinderbescherming

3.6.1. Raad voor de Kinderbescherming; commune rechtspleging; voorwaardelijke gratie (RIO: 8.5)

(39.)

Handeling: Het aan de Minister van Justitie rapporteren in het kader van het houden van toezicht op de naleving van de aan gratieverlening verbonden voorwaarden.

Periode: 1976–

Grondslag: Gratieregeling 1976 (Stb. 1976, 378), art. 13, lid 4

Gratiewet (Stb. 1987, 598), art. 13, lid 5

Product: rapport

Opmerking: Deze handeling geldt alleen voorzover het voorwaardelijke-gratiebesluit hiertoe een bepaling bevat.

Waardering: V, 10 jaar

3.7. Reclasseringsraad

3.7.1. Reclasseringsraad; commune rechtspleging; gratie aan langgestraften (Samkalden-procedure) (RIO: 8.7)

(46.)

Handeling: Het aan de Minister van Justitie uitbrengen van een advies inzake gratieverlening aan langgestraften.

Periode: 1957–1978

Bron dossier A 62/009, betreffende beleid gratie langgestraften

Product: Advies

Waardering: B1, 5: adviezen m.b.t. beleidsontwikkeling en uitvoering

V, 10 jaar: adviezen m.b.t. individuele zaken

3.8. Centrale Raad van Advies voor het Gevangeniswezen, de Psychopathenzorg en de Reclassering [Sectie Reclassering] (tegenwoordige: Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming)

3.8.1. Centrale Raad van Advies voor het Gevangeniswezen, de Psychopathenzorg en de Reclassering [Sectie Reclassering]; commune rechtspleging; gratie aan langgestraften (Samkalden-procedure) (RIO: 8.7)

(46.)

Handeling: Het aan de Minister van Justitie uitbrengen van een advies inzake gratieverlening aan langgestraften.

Periode: 1963–1978

Bron dossier A 62/009, betreffende beleid gratie langgestraften

Product: advies

Opmerking: De Sectie Reclassering van de Centrale Raad adviseert vanaf 1963 (cf. brief Centrale Raad d.d. 23 oktober 1969). In 1964 wordt de procedure formeel uitgebreid: advies Reclasseringsraad, advies rechter, advies Sectie Reclassering.

Waardering: V, 10 jaar

3.9. Actor Vakminister

(35.)

Handeling: Het op verzoek van de Minister van Justitie aan deze uitbrengen van een advies inzake gratieverlening.

Periode: 1945–

Grondslag: Gratiebesluit (Stb. 1887, 215), art. 12

Gratieregeling 1976 (Stb. 1976, 378), art. 10

Gratiewet (Stb. 1987, 598), art. 10

Product: advies

Opmerking: – Het in deze handeling bedoelde advies is facultatief.

– De mening van de geraadpleegde minister wordt middels een ambtsbrief bij de voordracht van de Minister van Justitie gevoegd of er wordt een gemeenschappelijke voordracht gedaan.

– Voor de Minister van Defensie, die wordt geraadpleegd over verzoeken om gratie van door de militaire rechter opgelegde straffen geldt dat deze handeling reeds is verwoord als handeling 75 van het BSD Militairpersoneel 1945–1993. Deze minister dient derhalve handeling 35 niet in.

Waardering: V 10 jaar

1

In een brief, gedateerd op 2 juni 1999 (R&B/OSTA/99/572), is dit medegedeeld aan de relaties op de ministeries.

Naar boven