Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2006, 235 pagina 8Besluiten van algemene strekking

Regeling afsluiten elektriciteit en gas van kleinverbruikers

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 29 november 2006, nr. WJZ 6101739, houdende regels over het beëindigen van het transport naar of de levering van elektriciteit en gas aan een kleinverbruiker (Regeling afsluiten elektriciteit en gas van kleinverbruikers)

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 95b, achtste lid, van de Elektriciteitswet 1998 en 44, achtste lid, van de Gaswet;

Besluit:

§ 1

Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder kleinverbruiker: een afnemer als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 43, eerste lid, van de Gaswet

§ 2

Afsluiting

Artikel 2

Een netbeheerder beëindigt het transport van elektriciteit of gas naar een kleinverbruiker niet in de periode van 1 oktober tot 1 april van enig jaar behoudens:

a. op verzoek van de kleinverbruiker;

b. ingeval van fraude of misbruik door de kleinverbruiker;

c. ingeval de onveiligheid van de installatie afsluiting noodzakelijk maakt;

d. ingeval op de aansluiting van de kleinverbruiker bij de netbeheerder geen vergunninghouder bekend is.

Artikel 3

Een vergunninghouder beëindigt de levering van elektriciteit of gas aan een kleinverbruiker niet in de periode van 1 oktober tot 1 april van enig jaar behoudens:

a. op verzoek van de kleinverbruiker;

b. ingeval van fraude of misbruik door de kleinverbruiker;

c. ingeval de desbetreffende overeenkomst afloopt.

Artikel 4

1. Een netbeheerder of een vergunninghouder beëindigt het transport van elektriciteit of gas naar of de levering van elektriciteit of gas aan een kleinverbruiker in de periode van 1 oktober tot 1 april van enig jaar evenmin wegens wanbetaling van de kleinverbruiker:

1°. indien de kleinverbruiker binnen een door de netbeheerder of de vergunninghouder vast te stellen redelijke termijn na de in artikel 5, eerste lid, bedoelde herinnering, een bewijs overlegt dat hij heeft verzocht om schuldbemiddeling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet, of om toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in titel III van de Faillissementswet, totdat op dat verzoek negatief is beslist,

2°. indien de vordering van de netbeheerder of de vergunninghouder binnen de in onderdeel 1° bedoelde termijn betrokken wordt bij een lopende schuldsaneringsregeling van de kleinverbruiker, gedurende de looptijd van die schuldsaneringsregeling, of

3°. indien de kleinverbruiker binnen de in onderdeel 1° bedoelde termijn een verklaring overlegt van een behandelend arts die inhoudt dat de beëindiging zeer ernstige gezondheidsrisico’s tot gevolg zou hebben voor de kleinverbruiker of huisgenoten van de kleinverbruiker.

2. Een netbeheerder of een vergunninghouder past het eerste lid uitsluitend toe nadat de in de artikelen 5 en 6 beschreven procedure is gevolgd.

Artikel 5

1. Indien een kleinverbruiker niet binnen de gestelde termijn een vordering tot betaling van een netbeheerder of een vergunninghouder voldoet, doet de desbetreffende netbeheerder of vergunninghouder de kleinverbruiker ten minste eenmaal een schriftelijke herinnering daaromtrent toekomen.

2. De netbeheerder of de vergunninghouder:

a. wijst de kleinverbruiker bij die herinnering op de mogelijkheden voor schuldhulpverlening,

b. vermeldt bij de herinnering dat de kleinverbruiker niet wordt afgesloten indien deze kan aantonen dat hij voldoet aan de eisen van artikel 4, eerste lid, onderdelen 1°, 2° of 3°, en

c. biedt bij de herinnering aan met schriftelijke instemming van de kleinverbruiker onder vermelding van diens persoonsgegevens en de hoogte van zijn schuld, schuldbemiddeling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet in te schakelen.

Artikel 6

De netbeheerder of de vergunninghouder spant zich in om in persoonlijk contact te treden met de kleinverbruiker teneinde deze te wijzen op mogelijkheden om betalingsachterstanden te voorkomen en te beëindigen.

§ 3

Slotbepalingen

Artikel 7

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Met ingang van 1 december 2007 vervallen het tweede lid van artikel 4 alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid, en de artikelen 5 en 6.

Artikel 8

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling afsluiten elektriciteit en gas van kleinverbruikers.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 29 november 2006.
De Minister van Economische Zaken, J.G. Wijn.

Toelichting

Algemeen

1. Doel en aanleiding

In de artikel 95b van de Elektriciteitswet 1998 en in artikel 44 van de Gaswet zijn enkele bepalingen opgenomen omtrent het voorkomen van het afsluiten van een kleinverbruiker van elektriciteit of gas. Deze bepalingen in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet met betrekking tot afsluiting komen in hoofdlijnen op het volgende neer. De netbeheerder en de vergunninghoudende leverancier (dat is de leverancier voor kleinverbruikers) voeren een beleid, gericht op het voorkomen van het afsluiten van een kleinverbruiker in de periode van 1 oktober tot 1 april van enig jaar. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het beëindigen van de levering van elektriciteit en gas in die periode (artikel 95b, achtste lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 44, achtste lid, van de Gaswet). Energiebedrijven hebben onderling afspraken gemaakt over het afsluitbeleid. Deze zijn vastgelegd in de EnergieNed notities ‘Kernpunten incasso-, einde levering- en afsluitbeleid consumenten elektriciteit en gas’ en ‘Incasso-, af- en heraansluitingbeleid consumenten elektriciteit en gas’. In de winterperiode van 2005–2006 bleek echter dat hiermee schrijnende situaties niet voorkomen konden worden. Derhalve worden in deze ministeriële regeling regels gesteld over het beëindigen van de levering van elektriciteit en gas in de winterperiode. Bij brief van 22 september aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2006/2007, 30212, nr. 48) is de inhoudelijke lijn van deze regeling reeds aangegeven. Zoals ook in die brief is aangegeven, zal deze regeling worden aangepast zodra de wet van 23 november 2006 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer in werking is getreden. In deze wet worden de regels omtrent afsluiting van kleinverbruikers aangescherpt en gepreciseerd en wordt in bepaalde gevallen de verstrekking van persoonsgegevens door het energiebedrijf aan een schuldhulpverleningsinstantie mogelijk gemaakt.

2. Hoofdlijnen ministeriële regeling

Deze ministeriële regeling heeft tot doel te voorkomen dat kleinverbruikers in de winterperiode worden afgesloten. Hiertoe is in de regeling een afsluitverbod voor de winterperiode opgenomen. Op dat verbod gelden de hieronder opgesomde uitzonderingen. Tevens heeft de regeling tot doel het oplopen van betalingsachterstanden bij een kleinverbruiker te voorkomen. Uitgangspunt van deze regeling is dat de afnemer primair verantwoordelijk is voor de betaling van zijn energierekening. In de praktijk is het zo dat het niet alle kleinverbruikers altijd lukt om tijdig hun energierekening te betalen. Om te voorkomen dat betalingsachterstanden enkel oplopen, zonder dat de kleinverbruiker weet hoe en waar hij een oplossing kan vinden voor die betalingsachterstanden, zijn in deze regeling minimumeisen opgenomen ten aanzien van de incassoprocedure van netbeheerders en vergunninghouders.

2.1. Afsluitverbod

In de periode van 1 oktober tot 1 april, zijnde de winterperiode, is het verboden voor de netbeheerder of de vergunninghouder om een kleinverbruiker af te sluiten van gas of elektriciteit, behoudens voor zover de regeling anders bepaalt.

Ten eerste wordt een kleinverbruiker in de winterperiode afgesloten indien hij daartoe zelf een verzoek indient. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een verhuizing. Hieronder valt ook de situatie dat een kleinverbruiker over een zogenaamde prepaidmeter beschikt. De kleinverbruiker koopt energietegoed en kan daarna gewoon energie gebruiken tot dit tegoed op is. Vult de kleinverbruiker dit tegoed aan dan kan hij weer energie afnemen. Zolang hij het tegoed niet aanvult, is hij feitelijk afgesloten.

Ten tweede is afsluiting te allen tijde toegestaan indien er sprake is van fraude, bijvoorbeeld knoeien met de meter, of misbruik, zoals bij voorbeeld illegaal aftappen. Ingeval de netbeheerder of vergunninghouder in zo’n geval wil afsluiten, zal hij aannemelijk moeten kunnen maken dat er sprake is van fraude of misbruik.

Ook in geval van een onveilige situatie, bijvoorbeeld doordat er een gaslek is ontstaan, moet de netbeheerder te allen tijde kunnen afsluiten.

In de geliberaliseerde energiemarkt worden leveringsovereenkomsten voor bepaalde en voor onbepaalde tijd gesloten. Indien een overeenkomst voor bepaalde tijd is afgelopen en de afnemer heeft geen nieuw contract gesloten met zijn huidige of een andere vergunninghouder, dan is er bij de netbeheerder geen vergunninghouder bekend. De netbeheerder is genoodzaakt om – in geval een kleinverbruiker geen vergunninghouder meer heeft – de afnemer af te sluiten. Zou hij dat niet doen dat handelt hij in strijd met de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet omdat hij feitelijk optreedt als leverancier/⁠vergunninghouder.

Ten slotte geldt het afsluitverbod niet indien de kleinverbruiker schuldbemiddeling aanvraagt of ingeval de gezondheid van de kleinverbruiker of zijn huisgenoten ernstig wordt bedreigd. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.

2.2. Schuldhulpverlening

In de meeste gevallen heeft een kleinverbruiker met betalingsproblemen meerdere mogelijkheden om een oplossing te vinden voor zijn betalingsachterstanden. Hieronder volgt een niet-limitatieve beschrijving van de mogelijkheden.

Ten eerste kan hij met de netbeheerder of vergunninghouder tot een betalingsregeling komen voor zijn betalingsachterstand. Het initiatief tot een dergelijke regeling ligt bij één van de betrokken partijen en de betalingsregeling heeft doorgaans enkel betrekking op het aflossen van de energieschuld.

Een tweede mogelijkheid is het treffen van een minnelijke betalingsregeling. Doorgaans wordt bij een dergelijke betalingsregeling niet enkel de energieschuld betrokken maar ook andere schulden bij andere schuldeisers. Een minnelijke betalingsregeling kan tot stand komen op initiatief van de kleinverbruiker zelf maar ook met de hulp van een schuldbemiddelaar. De Wet op het consumentenkrediet bevat regels omtrent schuldbemiddeling. Zo wordt daarin geregeld welke partijen schuldbemiddeling mogen aanbieden. De meest voorkomende aanbieders van schuldbemiddeling zijn de gemeenten of aan de gemeenten gelieerde organisaties. Gemeenten zijn vrij in de invulling van hun beleid. Zo kan een gemeente bijvoorbeeld eisen stellen waaraan de kleinverbruiker zich dient te houden. Indien de kleinverbruiker niet aan de voorwaarden van de schuldbemiddeling voldoet, kan er geen schuldhulpverleningstraject tot stand komen. Daarnaast is er nog een aantal private aanbieders van schuldbemiddeling. Ook zij bepalen zelf onder welke voorwaarden zij schuldbemiddeling en schuldhulpverlening aanbieden.

Ten derde bestaat de mogelijkheid om, indien er geen minnelijke schuldregeling tot stand kan komen met schuldeisers van de kleinverbruiker, bij de rechtbank een verzoekschrift in te dienen om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, geregeld in de Faillissementswet. Wordt ook dat verzoek afgewezen dan mag de kleinverbruiker worden afgesloten van energie.

2.3. Relatie afsluitverbod en schuldhulpverlening

Indien de kleinverbruiker geen aanvraag doet tot schuldbemiddeling, niet in aanmerking komt voor schuldbemiddeling op grond van de door de schuldbemiddelaar gestelde eisen, geen verzoekschrift indient voor of niet wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsanering, kan niet van de netbeheerder of vergunninghouder worden verwacht dat hij de kleinverbruiker blijft voorzien van elektriciteit en gas. Dit betekent dat de netbeheerder of vergunninghouder de kleinverbruiker mag worden afsluiten van energie.

2.4. Minimumeisen incassoprocedure

Om oplopende betalingsachterstanden te voorkomen is het van belang dat de vergunninghoudende leverancier of de netbeheerder een snelle en zorgvuldige incassoprocedure hanteren. In deze regeling worden minimumeisen gesteld aan deze incassoprocedure.

In de praktijk krijgt de kleinverbruiker vaak een gecombineerde factuur voor de kosten van de netbeheerder en de kosten van de leverancier. Die energierekening bevat in dat geval tevens de kosten die de netbeheerder in rekening brengt (het zogenaamde leveranciersmodel). Er is ook een aantal netbeheerders dat zelf de kosten bij de kleinverbruiker in rekening brengt in plaats van via de leverancier (het zogenaamde netbeheerdersmodel). In dat geval is sprake van twee rekeningen. De eisen die in deze regeling worden gesteld aan de incassoprocedure gelden voor degene die de rekening verstuurt. Bij het leveranciersmodel is dat de leverancier en in het netbeheerdersmodel zijn dat de leverancier en de netbeheerder. In dat geval kan het niet voldoen van één van deze rekeningen tot afsluiting leiden. Overigens geschiedt de feitelijke afsluiting van energielevering altijd door de netbeheerder.

2.5. Betalingsherinneringen

Indien een kleinverbruiker een betalingsachterstand heeft, moet hij ten minste één betalingsherinnering ontvangen. Een betalingsherinnering wordt verstuurd als de rekening niet binnen de gestelde termijn wordt betaald. Aan deze betalingsherinnering wordt een drietal eisen gesteld.

Ten eerste moet de netbeheerder of vergunninghouder in de herinnering wijzen op de mogelijkheden voor een betalingsregeling en voor schuldhulpverlening.

Ten tweede moet in de herinnering worden vermeld dat de kleinverbruiker niet wordt afgesloten indien hij kan aantonen dat hij een aanvraag voor schuldbemiddeling heeft gedaan of gebruik maakt van schuldhulpverlening en de vordering van de leverancier of netbeheerder daarbij wordt betrokken. De netbeheerder of vergunninghouder moet een redelijke termijn stellen waarbinnen de kleinverbruiker een aanvraag kan doen.

Ten derde biedt de netbeheerder of vergunninghouder aan om met de schriftelijke instemming van de kleinverbruiker zijn persoonsgegevens (adresgegevens en omvang van schuld) door te geven aan een schuldbemiddelaar zodat de afnemer hulp kan krijgen bij het oplossen van de betalingsachterstand.

Ten slotte wordt bepaald dat de kleinverbruiker niet wordt afgesloten als daardoor zeer ernstige gezondsheidsrisico’s voor hem of zijn huisgenoten ontstaan.

2.6. Persoonlijk contact

Naast het sturen van betalingsherinneringen geldt er voor de netbeheerder of vergunninghouder een inspanningsverplichting om in persoonlijk contact te treden met de kleinverbruiker. Deze inspanningsverplichting wordt opgenomen omdat wanbetalende afnemers regelmatig hun post niet meer openen. Onder persoonlijk contact wordt verstaan telefonisch contact, persoonlijk contact aan de balie of aan de deur.

3. Consultatie betrokken partijen

Bij de totstandkoming van deze regeling zijn diverse belanghebbende partijen in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze te geven over de inhoud van de regeling. Geconsulteerd zijn de NMa, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, EnergieNed, een individueel energiebedrijf, DIVOSA (Directeuren van Sociale Diensen), de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK), de Algemene Nederlandse Vereniging Schuldenproblematiek (ANVS) en een individuele schuldbemiddelaar.Bij de vaststelling van deze regeling is, voor zover mogelijk, rekening gehouden met die zienswijze.

4. Administratieve lasten en overige nalevingskosten

In deze ministeriële regeling wordt een aantal verplichtingen opgelegd aan de netbeheerder of vergunninghouder bij het innen van betalingsachterstanden van de kleinverbruiker. Het doel van deze verplichtingen is om de kleinverbruiker tijdig te informeren over het bestaan van een betalingsachterstand en de mogelijkheden om zijn betalingsachterstanden op te lossen. Betrouwbare cijfers over de inningsprocedures zijn niet bekend. In deze toelichting wordt derhalve gebruik gemaakt van de inschattingen die EnergieNed heeft gedaan. Het gaat hierbij om cijfers over de winterperiode (1 oktober–1 april).

Voorafgaand aan de afsluiting van elektriciteit of gas wordt er een incassoprocedure gevolgd. Energiebedrijven zijn vrij om deze procedure naar eigen inzicht in te vullen. In deze ministeriële regeling worden enkel minimumeisen gesteld aan die procedure. De minimumstappen die in deze regeling worden voorgeschreven, sluiten aan bij wat in verreweg de meeste incassoprocedures nu al praktijk is. Zo wordt vanzelfsprekend altijd ten minste één betalingsherinnering gestuurd aan de kleinverbruiker als hij zijn energierekening niet tijdig betaalt. In de meeste gevallen zal ook persoonlijk contact worden gelegd met de kleinverbruiker (door het energiebedrijf zelf dan wel door een incassobureau of deurwaarder). De regeling sluit hierbij aan waardoor er nauwelijks of geen wijzigingen in het administratieve proces nodig zijn. Er is hiermee gekozen voor een minimaal belastende uitwerking.

In de regeling wordt bepaald dat bij uitblijven van betaling tenminste eenmaal een betalingsherinnering moet worden verstuurd. De gemiddelde kosten van het verzenden van een betalingsherinnering zijn € 2. Naar schatting van EnergieNed worden er in de winterperiode in totaal zo’n 5.750.000 eerste betalingsherinneringen verstuurd. Bij deze eerste betalingsherinnering kan de afzender reeds informatie over het oplossen van betalingsachterstanden opnemen. EnergieNed heeft echter aangegeven dat er veel kleinverbruikers zijn die een keer vergeten hun rekening te betalen. Bij veel kleinverbruikers wekt het verstrekken van de informatie in dit stadium tot onnodige irritatie. Het ligt meer in de rede om bij het versturen van een tweede betalingsherinnering de informatie over het oplossen van betalingsachterstanden op te nemen. De omvang van de verzending van de tweede betalingsherinnering wordt geschat op zo’n 2.000.000. De kosten van het sturen van een tweede betalingsherinnering bedragen € 4.000.000.

Deze last wordt gedragen door degene die de rekeningen verstuurt. Zoals is eerder aangegeven, zijn dat in de meeste gevallen de vergunninghouders. Voor de levering van elektriciteit zijn er 37 vergunninghouders, voor de levering van gas zijn het er 28. Dit betekent ongeveer € 60.000 per jaar per vergunninghouder.

In de regeling is de inspanningsverplichting opgenomen dat er persoonlijk contact moet worden opgenomen met de kleinverbruiker om hem mondeling te wijzen op de mogelijke consequenties van de betalingsachterstanden en de mogelijkheden om het probleem op te lossen. De goedkoopste manier is het telefonisch contact opnemen met de kleinverbruiker. Naar schatting van EnergieNed kost dit € 20 per kleinverbruiker. Het aantal kleinverbruikers waarmee persoonlijk contact moet worden gelegd ligt tussen de 2.000.000 (kleinverbruikers die een tweede betalingsherinnering ontvangen) en de 17.500 (huidig aantal afgesloten kleinverbruikers in de winterperiode). Na de eerste betalingsherinnering daalt het aantal wanbetalers met een derde. Ervan uitgaande dat het aantal wanbetalers na de tweede betalingsherinnering ook met een derde afneemt, betekent dit dat er naar schatting ongeveer 670.000 keer persoonlijk contact moet worden gezocht in de winterperiode. De kosten hiervan bedragen € 13.400.000. Per bedrijf is dit ongeveer € 200.000 per jaar. In totaal bedragen bovengenoemde kosten ongeveer € 17,4 mln., oftewel ongeveer € 0,25 mln. per vergunninghouder per jaar. Alle bovengenoemde verplichtingen sluiten aan bij de gangbare praktijk.

Op enkele punten is er wel sprake van nieuwe verplichtingen. Bij de betalingsherinnering moet informatie worden verstrekt over de mogelijke gevolgen van een betalingsachterstand, en over manieren om betalingsproblemen te voorkomen en op te lossen. Dit betekent dat éénmalig de standaardherinnering, die verder vormvrij is, moet worden aangepast. Bovendien moet worden aangeboden om schuldhulpverlening in te schakelen. Ervan uitgaande dat dit per vergunninghouder één dag werk is, met een gemiddeld uurtarief van € 60, betekent dit voor de 65 vergunninghouders tezamen (37 elektriciteit en 28 gas) een eenmalige kostenpost van € 31.200.

Indien de kleinverbruiker instemt met het aanbod om schuldhulpverlening in te schakelen, zal de vergunninghouder persoonsgegevens doorgeven aan een schuldbemiddelaar. Het doorgeven van deze gegevens kost € 2,50 per keer dat gegevens worden doorgegeven. Onduidelijk is hoeveel kleinverbruikers hun toestemming zullen geven. Daarom is bij de kwantificering uitgegaan van een minimum- en een maximumvariant. Indien wordt uitgegaan van 2.000.000 tweede herinneringen, en indien in 5% van de gevallen toestemming wordt gegeven om schuldhulpverlening in te schakelen, bedragen de structurele kosten € 250.000 per jaar. Indien er in 50% van de gevallen op het aanbod wordt ingegaan bedragen de structurele kosten € 2,5 mln. Gemiddeld is dit ruim 1 miljoen. Oorspronkelijk was in de conceptregeling de verplichting opgenomen om ten minste twee betalingsherinneringen te sturen waarbij aan de tweede betalingsherinnering inhoudelijke eisen werden gesteld. Van deze inhoudelijke eisen moet een preventieve werking uitgaan zodat kleinverbruikers tijdig een oplossing zoeken voor hun betalingsachterstanden. De Adviescommissie administratieve lasten (Actal) heeft in het advies over deze ministeriële regeling de suggestie gedaan om bijvoorbeeld de eerste betalingsherinnering per mail te sturen. In bijgaande regeling is ervoor gekozen om de verplichting tot het verzenden van ten minste twee betalingsherinneringen te verlagen tot ten minste één. In die verplichte betalingsherinnering zal de informatie over de mogelijkheden voor het oplossen van betalingsachterstanden moeten worden opgenomen. Het staat het energiebedrijf natuurlijk vrij om meerdere betalingsherinneringen te sturen aangezien deze regeling minimumeisen stelt aan de incassoprocedure. Met deze wijziging komen de totale administratieve lasten van deze regeling op ongeveer € 18,5 miljoen. Dit is een aanzienlijke stijging van de administratieve lasten. Daarom is er voor gekozen om de artikelen in de regeling waar de administratieve lasten uit voortvloeien, te laten gelden tot 1 december 2007. Na de eerste ervaringen met de preventieve maatregelen zoals die hierboven zijn omschreven, zal worden gekeken welk effect deze maatregelen in de praktijk hebben gehad. Aan de hand van die effectmeting zal moeten worden bepaald of de preventieve maatregelen zullen worden gehandhaafd of gewijzigd. Tot slot zij opgemerkt dat Actal in haar advies de overweging meegeeft om dit onderwerp niet in regelgeving vast te leggen. In paragraaf 1 van het algemeen deel van deze toelichting is reeds aangegeven wat de aanleiding en noodzaak was om het afsluitbeleid van energiebedrijven wel in regelgeving vast te leggen.

Artikelsgewijs

Artikelen 2 en 3

In deze artikelen is het verbod op afsluiting in de winterperiode in andere gevallen dan bij wanbetaling neergelegd. Dat laatste is in artikel 4 geregeld. Op dit verbod wordt een aantal limitatief opgesomde uitzonderingsgronden gemaakt. Voor de netbeheerder gelden ten dele andere uitzonderingsgronden dan voor de vergunninghouder. De taak en verantwoordelijkheid van de netbeheerder in de energievoorziening is immers een andere dan die van de vergunninghouder. Een en ander is dan ook in afzonderlijke artikelen (artikel 2 voor de netbeheerder en artikel 3 voor de vergunninghouder) geregeld. Artikel 4 is zowel op de vergunninghouder als op de netbeheerder van toepassing.

De uitzonderingsgronden die zowel voor de netbeheerder als voor de vergunninghouder gelden, zijn afsluiting op verzoek van de kleinverbruiker en fraude of misbruik door de kleinverbruiker (onderdelen a en b van artikel 2 en artikel 3). Deze gronden zijn in paragraaf 2.1 toegelicht.

Ook op de onderdelen c (onveiligheid van de installatie) en d (geen leverancier) van artikel 2 is in die paragraaf ingegaan.

Artikel 3, onderdeel c, bepaalt dat een vergunninghouder de levering van elektriciteit of gas kan beëindigen als de desbetreffende overeenkomst afloopt. Dat is het geval als een overeenkomst voor bepaalde tijd wordt gesloten. Indien een overeenkomst voor bepaalde tijd is afgelopen, is het de verantwoordelijkheid van de kleinverbruiker om een nieuwe leveringscontract aan te gaan bij zijn huidige of een andere vergunninghouder.

Artikel 4

Dit artikel bepaalt wanneer de kleinverbruiker wegens wanbetaling kan worden afgesloten. Zoals in paragraaf 2.4 is vermeld, hangt het van de situatie af of de kleinverbruiker één of twee rekeningen krijgt. Ingeval sprake is van twee rekeningen, zal het niet voldoen van een van deze rekeningen tot afsluiting leiden.

In artikel 4, eerste lid, wordt een drietal gevallen omschreven waarin niet mag worden afgesloten ook al is sprake van wanbetaling.

In het eerste onderdeel wordt bepaald dat niet mag worden afgesloten als de kleinverbruiker kan aantonen dat hij een aanvraag heeft gedaan voor schuldbemiddeling of dat een verzoek is gedaan tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. De netbeheerder of vergunninghouder moet een redelijke termijn stellen waarbinnen de kleinverbruiker een aanvraag kan doen en hij redelijkerwijs het bewijs daarvan kan leveren. De afnemer kan aantonen dat hij een aanvraag heeft gedaan bijvoorbeeld door overlegging van een afschrift van een ontvangstbevestiging of een schriftelijke verklaring van een schuldbemiddelaar als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet. Voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen moet een verzoek aan de rechtbank zijn gedaan. Een kopie van dat verzoek moet dan aan het energiebedrijf worden overgelegd. Zo lang de aanvraag tot schuldbemiddeling loopt of het verzoekschrift door de rechtbank niet is afgehandeld, mag de kleinverbruiker niet worden afgesloten, ook niet als hij op een wachtlijst terecht komt. Wordt het verzoek afgewezen, dan mag uiteraard wel worden afgesloten.

Als de betalingsachterstanden ontstaan gedurende een lopende schuldsaneringsregeling, wordt de kleinverbruiker niet afgesloten indien hij binnen de redelijke termijn kan aantonen dat de betalingachterstanden worden betrokken bij de lopende schuldsaneringsregeling (tweede onderdeel). Hij kan dat bijvoorbeeld aantonen door een schriftelijke verklaring van een schuldbemiddelaar dat de kleinverbruiker gebruik maakt van schuldhulpverlening en de vordering van de netbeheerder of de vergunninghouder daarbij wordt betrokken.

Ten slotte wordt op grond van het derde onderdeel een kleinverbruiker met betalingsachterstanden niet afgesloten ingeval de afsluiting ernstige gezondsheidsrisico’s van de afnemer of zijn huisgenoten tot gevolg heeft. De kleinverbruiker moet hieromtrent een doktersverklaring overleggen. In deze verklaring dient duidelijk te zijn verwoord dat afsluiting zeer ernstige gezondheidsrisico’s tot gevolg heeft. De verklaring kan worden opgesteld door de huisarts, een behandelend specialist of een onafhankelijk arts, waarbij gedacht kan worden aan de regionale GGD’s. De medische situatie ontslaat de afnemer niet van zijn betalingsverplichting; deze doet er dan ook verstandig aan schuldhulpverlening in te schakelen. Indien het gaat om een ander dan de afnemer zelf, moet aannemelijk worden gemaakt dat inderdaad sprake is van een huisgenoot. Door bij voorbeeld een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie kan worden aangetoond dat die huisgenoot inderdaad op het desbetreffende adres woonachtig is.

Artikelen 5 en 6

Artikel 5 bevat een aantal bepalingen met betrekking tot de incassoprocedure van de netbeheerder of vergunninghouder, die met name betrekking hebben op het verstrekken van informatie aan de kleinverbruiker over mogelijke oplossingen voor zijn betalingsproblemen.

De procedure is in paragraaf 2.5 toegelicht. Zoals daar reeds is vermeld, moet het energiebedrijf de kleinverbruiker informeren over de mogelijkheden voor schuldbemiddeling. De afnemer heeft dan de keuze: of hij kan zelf contact opnemen met een schuldbemiddelaar naar keuze en een aanvraag indienen, of hij kan de netbeheerder of de leverancier schriftelijk toestemming geven om zijn persoonsgegevens (adresgegevens en omvang van schuld) door te geven aan een schuldbemiddelaar naar keuze van de netbeheerder of leverancier.

In paragraaf 2.6 is reeds ingegaan op de in artikel 6 vervatte eis van persoonlijk contact.

Artikel 7

Het is met het oog op de bescherming van kwetsbare kleinverbruikers gewenst dat deze regeling zo spoedig mogelijk na publicatie in werking treedt. Het eerste lid voorziet daarin. Dat is ook mogelijk omdat de energiebedrijven betrokken zijn bij de voorbereiding van deze regeling en daarop hebben kunnen anticiperen.

Vanwege de administratieve lasten die de artikelen 5 en 6 met zich mee brengen, zal de effectiviteit van deze maatregelen worden geëvalueerd na de eerste winterperiode. Aan de hand van die effectmeting zal moeten worden bepaald of de preventieve maatregelen zullen worden gehandhaafd of gewijzigd. Derhalve zullen deze bepalingen op grond van het tweede lid een tijdelijke werking hebben tot 1 december 2007.

De Minister van Economische Zaken,

J.G. Wijn