Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2006, 228 pagina 9Besluiten van algemene strekking

Besluit aangewezen staten Wft

Besluit van de Minister van Financiën van 13 november 2006, nr. FM 2006-02503 M, tot aanwijzing van staten waarin adequaat toezicht wordt uitgeoefend op banken, beleggingsinstellingen en clearinginstellingen (Besluit aangewezen staten Wft)

13 november 2006

Nr. FM 2006-02503 M

Directie Financiële Markten

De Minister van Financiën,

Gelet op de artikelen 2:6, tweede lid, 2:8, tweede lid, 2:66, eerste lid, en 3:2, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wet op het financieel toezicht, 5 en 34 van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft en 27, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft;

Besluit:

Artikel 1

Als staat in de zin van de artikelen 2:6, tweede lid, en 2:8, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht worden aangewezen: Australië, België, Canada, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Hongarije, Italië, Japan, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Zweden en Zwitserland, met dien verstande dat, wanneer in een staat een beleggingsonderneming bevoegd is het bedrijf van clearinginstelling uit te oefenen en uit dien hoofde toezicht wordt uitgeoefend op het uitoefenen van het bedrijf van clearinginstelling door die beleggingsonderneming, de aanwijzing van die staat slechts geldt voor zover de beleggingsonderneming een vergunning heeft die het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in de onderdelen c, d of f in de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, omvat.

Artikel 2

Als staat in de zin van artikel 2:66, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht worden aangewezen:

a. Guernsey, voorzover het betreft het toezicht op:

1°. ‘Class A’ of ‘Class B’ beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald; en

2°. beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming niet op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald;

b. Ierland;

c. Luxemburg; en

d. de Verenigde Staten van Amerika, voorzover het betreft het toezicht op belegginginstellingen die bij de Securities and Exchange Commission zijn geregistreerd.

Artikel 3

Als staat in de zin van artikel 3:2, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wet op het financieel toezicht worden aangewezen: Australië, Canada, Japan, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland.

Artikel 4

Als staat in de zin van artikel 27, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft worden aangewezen: alle lidstaten, Australië, Canada, Japan, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland.

Artikel 5

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aangewezen staten Wft.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën, G. Zalm.

Toelichting

De Wet op het financieel toezicht (Wft) voorziet in een verlicht toezichtregime op beleggingsinstellingen en clearinginstellingen met zetel in een staat waarin toezicht wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de Wft beoogt te beschermen. Daarnaast is een van de voorwaarden voor de uitzondering op het toezicht op (kort gezegd) concernfinancieringsmaatschappijen (artikel 3:2 van de wet) dat een garantie wordt afgegeven door bijvoorbeeld een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is waar toezicht wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de Wft beoogt te beschermen. Een vergelijkbare voorwaarde geldt voor het verlenen van een ontheffing van het verbod op het aantrekken van opvorderbare gelden: in artikel 27, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft is bepaald dat onder andere een garantie moet worden verstrekt door bijvoorbeeld een bank met zetel in een staat waar toezicht wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen.

De staten waar een dergelijk adequaat toezicht wordt uitgeoefend op banken, beleggingsinstellingen en clearinginstellingen worden in dit besluit aangewezen op grond van de artikelen 2:6, tweede lid, 2:8, tweede lid, 2:66, eerste lid, 3:2, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wft en artikel 27, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft.

De inhoud van dit besluit is als onderdeel van de Uitvoeringsregeling Wft ter consultatie aan marktpartijen en het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) voorgelegd. Relevante opmerkingen van marktpartijen zijn in dit besluit meegenomen. Actal heeft geen opmerkingen gemaakt over in dit besluit opgenomen bepalingen.

Artikel 1

Op grond van artikel 2:6 eerste lid, van de wet bestaat voor clearinginstellingen met zetel buiten Nederland de plicht om een vergunning te hebben voor de uitoefening van hun bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.

Op grond van artikel 2:8, eerste lid, van de wet bestaat voor clearinginstellingen met zetel buiten Nederland die voornemens zijn hun bedrijf naar Nederland uit te oefenen door middel van diensverrichting de plicht de Nederlandsche Bank (DNB) kennis te geven van dat voornemen en aan te tonen dat zal worden voldaan aan de ingevolge artikel 3:57 van de wet gestelde eisen met betrekking tot de solvabiliteit.

Op grond van artikel 2:6, tweede lid, en artikel 2:8, tweede lid, is het eerste lid van artikel 2:6, onderscheidenlijk het eerste lid van artikel 2:8 niet van toepassing op clearinginstellingen met zetel in een staat waar toezicht op de uitoefening van het bedrijf van clearinginstelling wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de Wet op het financieel toezicht beoogt te beschermen.

In artikel 5 van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft zijn de voorwaarden opgenomen waaronder een staat kan worden aangewezen als een staat waar toezicht op de uitoefening van het bedrijf van clearinginstelling wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de Wet op het financieel toezicht beoogt te beschermen. Die voorwaarden zijn:

a. de in de desbetreffende staat geldende regels voor het uitoefenen van het bedrijf van clearinginstelling en het toezicht op de naleving daarvan zijn gelijkwaardig aan het ingevolge de wet bepaalde met betrekking tot:

1°. deskundigheid en betrouwbaarheid;

2°. financiële waarborgen;

3°. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering; en

4°. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de in die staat gestelde regels;

b. de samenwerking tussen DNB en het bevoegde gezag in die staat is gewaarborgd; en

c. voor het bevoegde gezag in die staat gelden regels die gelijkwaardig zijn aan die in Hoofdstuk 1.4 van de wet.

Wanneer is gewaarborgd dat sprake is van een gelijkwaardig toezichtniveau kan een vermindering van toezichtlasten worden gerealiseerd, zowel aan de kant van de clearinginstelling als aan de kant van de Nederlandsche Bank.

DNB vervult een adviserende rol ten behoeve van de beoordeling en de besluitvorming door de minister van Financiën bij het aanwijzen van staten. Mede naar aanleiding daarvan wordt het volgende opgemerkt.

Thans zijn clearinginstellingen met zetel buiten Nederland die in Nederland actief zijn, aangesloten als Clearing Members bij LCH.Clearnet, althans het bijkantoor daarvan. Alhoewel de reglementen van LCH.Clearnet toestaan dat andere ondernemingen dan banken of effecteninstellingen als Clearing Member kunnen worden aangesloten, zijn alle clearinginstellingen met zetel buiten Nederland die in Nederland door middel van een bijkantoor of via het verrichten van diensten actief zijn, tevens bank of effecteninstelling. Daarnaast is er een clearinginstelling die is aangesloten bij de centrale tegenpartij van Endex die noch tevens bank noch tevens effecteninstelling is.

Voor banken geldt op grond van artikel 2:6, vierde lid, van de wet dat, indien zij hun zetel in een andere lidstaat hebben en beschikken over een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende bankvergunning zij niet een vergunning als bedoeld in artikel 2:6, eerste lid behoeven te hebben, ook niet wanneer zij hun zetel hebben in een lidstaat die niet is aangewezen. Dit is slechts anders indien de uitoefening van het bedrijf van clearinginstelling in de in de lidstaat van de zetel verleende bankvergunning is uitgesloten. De reden voor deze specifieke regeling voor banken met zetel in een andere lidstaat is dat clearing kan worden gezien als een combinatie van enkele werkzaamheden die op de lijst van bijlage I van de herziene richtlijn banken (richtlijn 2006/48/EG) staan en daarom onder de wederzijdse erkenning van bankvergunningen vallen.

Een en ander heeft als consequentie dat de aanwijzing van staten in de huidige praktijk slechts van belang is voor de volgende categorieën:

– clearinginstellingen met zetel in een andere lidstaat die geen bank zijn, waarbij het niet relevant is of zij tevens beleggingsonderneming zijn;

– clearinginstellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is, waarbij het niet relevant is of zij tevens beleggingsonderneming zijn, noch of zij tevens bank zijn.

Met andere woorden: voor clearinginstellingen die een bankvergunning hebben, verleend door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, maakt het geen verschil of die lidstaat is aangewezen of niet: op grond van hun Europese paspoort mogen zij werkzaamheden verrichten in Nederland, tenzij in de vergunning clearing is uitgesloten.

Bij de beoordeling van staten die kunnen worden aangewezen als staten in de zin van artikel 2:6, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 2:8, tweede lid, heb ik mij om praktische redenen beperkt tot staten die lid zijn van de Europese Unie, en Australië, Canada, Japan, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland. Aan deze landen heeft DNB informatie gevraagd.

Op dit moment zijn in Nederland clearinginstellingen actief die hun zetel hebben in België, Duitsland, Frankrijk, Portugal, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland

De staten die desgevraagd informatie hebben verstrekt over het toezicht op clearinginstellingen en waarvan, mede op advies van DNB, is vastgesteld dat dat toezicht in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de Wft beoogt te beschermen zijn Australië, België, Canada, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Hongarije, Italië, Japan, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Zweden en Zwitserland. Deze landen zijn daarom aangewezen als staten in de zin van artikel 2:6, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 2:8, tweede lid, van de wet.

Dat niet alle staten waaraan informatie is gevraagd niet of nog niet zijn aangewezen als staat in de zin van artikel 2:6, tweede lid, onderscheidenlijk 2:8, tweede lid, van de wet, de andere dan de staten waaraan informatie is gevraagd niet of nog niet zijn aangewezen als staat in de zin van artikel 2:6, tweede lid, onderscheidenlijk 2:8, tweede lid, van de wet, behoeft op zich nog niet te betekenen dat het toezicht in die niet-aangewezen staten als onvoldoende is gekwalificeerd. Door sommige landen is geen informatie over het toezicht verstrekt, wat mogelijk samenhangt met de omstandigheid dat in Nederland geen clearinginstellingen werkzaam zijn met zetel in die staten en waarvoor deze regeling van belang zou kunnen zijn.

Met betrekking tot het slot van het artikel, de zinsnede die aanvangt met ‘met dien verstande…’, wordt het volgende opgemerkt. In sommige staten dienen clearinginstellingen bank of beleggingsonderneming te zijn. Ook kan het voorkomen dat in een staat beleggingsondernemingen tevens het bedrijf van clearinginstelling mogen uitoefenen. Het toezicht op clearinginstellingen biedt in deze staten slechts dan voldoende waarborgen ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen, in de zin van de artikelen 2:6, tweede lid en 2:8, tweede lid van de wet, indien de in die staat verleende vergunning voor het verlenen van een beleggingsdienst de activiteiten in onderdeel c, d of f, van de definitie van verlenen van beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, omvat. Heeft een bepaalde onderneming wel een vergunning voor het verlenen van een beleggingsdienst, maar omvat deze vergunning niet een van bedoelde activiteiten, dan kan niet worden gezegd dat het toezicht op deze onderneming adequaat is. In de praktijk komt dit erop neer dat er slechts dan sprake is van adequaat toezicht op een beleggingsonderneming die het bedrijf van clearinginstelling uitoefent indien een minimum eigen vermogen van € 730.000 is vereist, alsmede eisen worden gesteld inzake deskundigheid en bedrijfsvoering die aansluiten bij de eisen die van toepassing zijn op financiële ondernemingen die het bedrijf van clearinginstelling uitoefenen. Overigens laat een en ander de bevoegdheid van de centrale clearingorganisatie om aanvullende eisen te stellen onverlet.

Ter toelichting met betrekking tot de aangewezen staten diene het volgende.

Australië: op grond van section 827D van de Corporations Act 2001 staan de clearing and settlement facility licencees onder een toezicht dat vergelijkbaar is met het in de Wft geïntroduceerde toezicht. Op grond hiervan kan het in Australië uitgeoefende toezicht als adequaat worden beschouwd.

België: Op dit moment zijn alle Belgische clearinginstellingen hetzij bank hetzij beleggingsonderneming. Op grond van de wet van 2 augustus 2002 staan clearinginstellingen onder een vorm van toezicht van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, welke vorm als adequaat kan worden beschouwd.

Canada: clearinginstellingen dienen lid te zijn van de Canadian Payment Association. Op grond van de Canadian Payments Act komen slechts die financiële ondernemingen – niet alleen clearinginstellingen – in aanmerking voor lidmaatschap van de Canadian Payment Association die voldoen aan wettelijke eisen die vergelijkbaar zijn met de in de Wft gestelde eisen. Op grond hiervan kan het in Canada uitgeoefende toezicht als adequaat worden beschouwd.

Denemarken: op grond van de geconsolideerde Wet van 17 maart 2005 dienen clearinginstellingen aan eisen te voldoen die vergelijkbaar zijn met de in de Wft gestelde eisen. Op grond daarvan kan het in Denemarken uitgeoefende toezicht als adequaat worden beschouwd.

Duitsland: clearinginstellingen dienen bank of beleggingsonderneming te zijn, wier vergunning op grond van sectie 1, § 1a, lid 2, onderdeel 4 van de Kreditwesengesetz ‘Anschaffung und die Veräußerung von Finanzinstrumenten im Wege des Eigenhandels für andere (Eigenhandel)’, omvat. Het in Duitsland uitgeoefende toezicht op beleggingsondernemingen is voldoende om als adequaat te worden beschouwd.

Finland: op grond van de Securities Markets Act van 26 mei 1989 kan aan bepaalde personen worden toegestaan om clearingactiviteiten te verrichten en deze staan onder toezicht op grond van Afdeling 5.10 van de Act on the Financial Supervision dat vergelijkbaar is met het in de Wft geïntroduceerde toezicht. Op grond daarvan kan het in Finland uitgeoefende toezicht als adequaat worden bestempeld.

Frankrijk: op grond van artikel L 442-2 van de wet van 11 december 2002 dienen clearinginstellingen die geen kredietinstelling zijn te voldoen aan de eisen die worden gesteld aan beleggingsondernemingen, met afzonderlijke hogere vereisten voor het minimum eigen vermogen. Op grond hiervan kan het in Frankrijk uitgeoefende toezicht als adequaat worden beschouwd.

Hongarije: op grond van Wet CXII van 1996 dienen clearinginstellingen in beginsel aan dezelfde eisen te voldoen als kredietinstellingen. Op grond hiervan kan het in Hongarije uitoefende toezicht als adequaat worden beschouwd.

Italië: clearinginstellingen dienen hetzij bank hetzij beleggingsonderneming te zijn. Aangezien banken een Europees paspoort hebben, is de aanwijzing van staten alleen van belang voor clearinginstellingen die beleggingsonderneming zijn. Het in Italië op beleggingsondernemingen uitgeoefende toezicht is voldoende om als adequaat te kunnen worden beschouwd.

Japan: de financiële ondernemingen die clearingactiviteiten verrichten dienen toestemming te hebben om dat te doen. Deze toestemming wordt verkregen indien aan bepaalde eisen is voldaan die vergelijkbaar zijn met de in de Wft gestelde eisen. Op grond hiervan kan het in Japan uitgeoefende toezicht worden beschouwd als adequaat.

Oostenrijk: clearinginstellingen dienen bank of beleggingsonderneming te zijn. Het in Oostenrijk uitgeoefende toezicht op beleggingsondernemingen is voldoende om als adequaat te worden beschouwd.

Portugal: op grond van artikel 359 (1) (a) van de Securities Code staan clearinginstellingen onder toezicht van de ‘CMVM’, de Portugese Securities Market Commission. In lagere wetgeving worden eisen gesteld die vergelijkbaar zijn met de in de Wft gestelde eisen. Op grond hiervan kan het in Portugal uitgeoefende toezicht als adequaat worden beschouwd.

Spanje: clearinginstellingen dienen hetzij bank hetzij beleggingsonderneming te zijn. Aangezien banken een Europees paspoort hebben, is de aanwijzing van staten alleen van belang voor clearinginstellingen die beleggingsonderneming zijn. Het in Spanje op beleggingsondernemingen uitgeoefende toezicht is voldoende om als adequaat te kunnen worden beschouwd.

Het Verenigd Koninkrijk: op grond van de Financial Services and Markets Act 2000 zijn clearinginstellingen vergunningplichtig en dienen zij aan bepaalde eisen te voldoen die zijn uitgewerkt in het Financial Services Authority Handbook. Deze eisen zijn vergelijkbaar met de in de Wft gestelde eisen. Op grond hiervan kan het in het Verenigd Koninkrijk uitgeoefende toezicht als adequaat worden beschouwd.

De Verenigde Staten van Amerika: brokers, dealers en Futures Commission Merchants moeten voldoen aan eisen met betrekking tot verslaggeving en minimumkapitaal, welke eisen vergelijkbaar zijn met de in de Wft gestelde eisen. Op grond hiervan kan het in de Verenigde Staten van Amerika uitgeoefende toezicht als adequaat worden beschouwd.

Zweden: op grond van de Securities exchange and clearing operations Act dienen clearinginstellingen aan bepaalde eisen te voldoen die vergelijkbaar zijn met de in de Wft gestelde eisen. Op grond hiervan kan het in Zweden uitgeoefende toezicht als adequaat worden beschouwd.

Zwitserland: de Swiss Federal Banking Commission oefent toezicht uit op de individuele clearinginstellingen, naast het toezicht door de Zwitserse centrale bank op het systeem als geheel (‘oversight’). Dit toezicht is vergelijkbaar met het in de Wft geïntroduceerde toezicht.

Artikel 2

In dit artikel worden op grond van artikel 2:66, eerste lid, van de Wft de staten aangewezen waarin toezicht wordt gehouden op beleggingsinstellingen dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de Wft beoogt te beschermen. De in dit artikel aangewezen staten komen overeen met de staten die zijn aangewezen in het Besluit van de Minister van Financiën van 16 december 2005, FM 2005-00301 N, tot aanwijzing van staten als bedoeld in artikel 17c, eerste lid, van de Wet toezicht belegginginstellingen (Stcrt. 250), zoals gewijzigd bij het Besluit van de Minister van Financiën van 20 februari 2006 (Strcrt. 41) en het Besluit van de Minister van Financiën van 18 oktober 2006 (Strct. 211). Deze staten zijn destijds aangewezen met inachtneming van artikel 81 van het Btb 2005, welk artikel in artikel 34 van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft is overgenomen.

De verwijzing in onderdeel a naar ‘Class A’ en ‘Class B’ beleggingsinstellingen hangt samen met het onderscheid dat de regelgeving in Guernsey maakt tussen de diverse ‘open-end beleggingsinstellingen’. Het toezicht op deze categorieën open-end beleggingsinstellingen kan als adequaat worden aangemerkt. Daarnaast geldt de aanwijzing voor het toezicht op de zogenaamde ‘closed-end beleggingsinstellingen’ in Guernsey.1 In onderdeel a wordt in plaats van de term ‘open-end beleggingsinstellingen’ de formulering ‘beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald’ gebruikt. De term ‘closed-end beleggingsinstellingen’ is vervangen door de formulering ‘beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming niet op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald’. Dit betreft een redactionele wijziging in lijn met de formulering van de Wft.

Het aanbieden van deelnemingsrechten in een beleggingsinstelling met zetel in een van de in dit artikel opgenomen staten valt niet onder de vergunningplicht van artikel 2:65, eerste lid, van de Wft. Wel geldt op grond van artikel 2:73 van de Wft een notificatieplicht voor het in Nederland aanbieden van deelnemingsrechten in deze beleggingsinstellingen. Het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de Wft is niet op deze beleggingsinstellingen en de (eventueel) daaraan verbonden beheerders en bewaarders van toepassing. Het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de Wft is in beperkte mate op deze beleggingsinstellingen en de (eventueel) daaraan verbonden beheerders en bewaarders van toepassing. Zie hiervoor de artikelen 4:8, eerste lid, onderdeel b, 4:12, eerste lid, onderdeel b, en 4:38, tweede lid, van de Wft.2

Artikel 3

De in dit artikel aangewezen staten komen overeen met de in artikel 3, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling Wtk 1992 genoemde staten.

Artikel 4

De in dit artikel aangewezen staten komen overeen met de in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit van 13 augustus 2004, houdende vaststelling van het begrip liquide middelen, bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en houdende regels betreffende de verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, alsmede tot wijziging van artikel 5 van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 (Stb. 442).

De Minister van Financiën,

G. Zalm