Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten

Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 10 januari 2006, nr. WJZ/2006/292 (8157), houdende nadere regels op grond van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 5, 6, eerste lid, en 41, eerste lid, van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten;

Besluit:

Artikel 1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

b. besluit: Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten,

c. werkzaamheden: werkzaamheden ter uitvoering van het instandhoudingsplan, en

d. CBS-categorie: groep van beschermde monumenten op basis van een door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek ontwikkelde indeling.

Artikel 2

Subsidiabele kosten

1. Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen als bedoeld in de Leidraad Brim subsidiabele instandhoudingskosten, opgenomen als bijlage bij deze regeling, met dien verstande dat kosten uitsluitend subsidiabel zijn voorzover de werkzaamheden:

a. strekken tot instandhouding van het beschermde monument en zijn monumentale waarden,

b. sober en doelmatig zijn,

c. technisch noodzakelijk zijn, en

d. de werkzaamheden zijn gericht op maximaal behoud van aanwezige historische materialen en constructies.

2. Kosten voor werkzaamheden die zijn gericht op het voorkomen van verval of het voorkomen van gevolgschade, zijn subsidiabel.

3. Kosten voor werkzaamheden die zijn gericht op vervanging van materialen die hun functie niet meer kunnen vervullen, zijn subsidiabel.

4. Kosten voor werkzaamheden die zijn gericht op reconstructie, zijn niet subsidiabel, tenzij ze in uitzonderlijke gevallen naar het oordeel van de minister ter versterking van de monumentale waarden gewenst zijn.

5. Niet subsidiabel zijn:

a. kosten voor werkzaamheden die voortvloeien uit veranderd gebruik, en

b. kosten voor werkzaamheden die zijn gericht op comfortverbetering.

Artikel 3

Subsidieplafonds

Het subsidieplafond, bedoeld in artikel 5 van het besluit bedraagt voor de jaarlijks te verlenen subsidies:

a. voor monumenten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het besluit: 26 miljoen euro, en

b. voor monumenten als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het besluit: 6 miljoen euro.

Artikel 4

Maximum subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 6, tweede lid, van het besluit, bedraagt het maximum aan subsidiabele kosten waarover per beschermd monument subsidie kan worden verstrekt:

a. voor woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie: 25.000 euro,

b. voor kerkgebouwen: 100.000 euro,

c. voor kastelen en landhuizen 100.000 euro,

d. voor molens en gemalen: 50.000 euro, en

e. voor overige beschermde monumenten: 50.000 euro.

Artikel 5

Gefaseerde inwerkingtreding

1. Het besluit wordt van toepassing op beschermde monumenten met dien verstande dat:

a. de eigenaar van een beschermd monument in aanmerking komt voor subsidie met ingang van 1 januari 2007 voorzover het monumenten betreft die behoren tot de CBS-categorieën: landhuizen, e.d.

1°. molens,

2°. kastelen,

3°. horeca-instellingen,

b. de eigenaar van een beschermd monument in aanmerking komt voor subsidie met ingang van 1 januari 2008 voorzover het monumenten betreft die behoren tot de CBS-categorieën:

1°. agrarische gebouwen,

2°. gebouwen, woonhuizen,

3°. delen van gebouwen en woonhuizen,

4°. weg- en waterwerken,

c. de eigenaar van een beschermd monument in aanmerking komt voor subsidie met ingang van 1 januari 2009 voorzover het monumenten betreft die behoren tot de CBS-categorieën:

1°. openbare gebouwen,

2°. verdedigingswerken,

3°. liefdadige instellingen,

4°. losse objecten, e.d.

d. de eigenaar van een beschermd monument in aanmerking komt voor subsidie met ingang van 1 januari 2010 voorzover het monumenten betreft die behoren tot de CBS-categorie kerkelijke gebouwen en kerk-onderdelen/objecten die als beschermd monument zijn aangewezen met de rijksmonumentnummers 45.950 tot 530.000,

e. de eigenaar van een beschermd monument in aanmerking komt voor subsidie met ingang van 1 januari 2011 voorzover het monumenten betreft die behoren tot de CBS-categorie kerkelijke gebouwen en kerk-onderdelen/objecten die als beschermd monument zijn aangewezen met de rijksmonumentnummers 1 tot 26.099, en

f. de eigenaar van een beschermd monument in aanmerking komt voor subsidie met ingang van 1 januari 2012 voorzover het monumenten betreft die behoren tot de CBS-categorie kerkelijke gebouwen en kerk-onderdelen/objecten die als beschermd monument zijn aangewezen met de rijksmonumentnummers 26.100 tot 45.949.

2. De eigenaar van een beschermd monument als bedoeld in het eerste lid, kan met in achtneming van artikel 10 van het besluit een aanvraag indienen van 1 april tot 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar waarop een eigenaar in aanmerking komt voor subsidie.

3. De eigenaar van een beschermd monument kan omtrent de CBS-categorie van zijn beschermd monument gegevens opvragen bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

Artikel 6

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage die ter inzage wordt gelegd in de bibliotheek van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en die bekend wordt gemaakt op de internetsites www.rdmz.nl, www.racm.nl en www.monumentenzorg.nl.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.C. van der Laan.

Toelichting

1. Strekking

Het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten, het Brim, regelt de financiële ondersteuning van eigenaren ten behoeve van de instandhouding van beschermde monumenten. Met deze regeling worden nadere regels op grond van dat besluit gegeven. Deze ministeriële regeling betreft de volgende onderwerpen:

1. de subsidiabele kosten (artikel 3, tweede lid, van het Brim),

2. de subsidieplafonds (artikel 5 van het Brim),

3. het maximumbedrag aan subsidiabele kosten (artikel 6, eerste lid, van het Brim), en

4. de gefaseerde inwerkingtreding (artikel 41, eerste lid, van het Brim).

Subsidie op grond van het Brim moet worden aangevraagd met behulp van een aanvraagformulier. Hierdoor kan het indienen van aanvragen en het behandelen daarvan ordelijk en efficiënt verlopen. De bevoegdheid om een formulier vast te stellen berust op artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het aanvraagformulier is aan te vragen bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ); de RDMZ zal overigens opgaan in een nieuwe rijksdienst: de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, de RACM. Daar waar verder naar de RDMZ wordt verwezen dient dus in de toekomst de RACM te worden gelezen. Het formulier is ook te verkrijgen via de internetsite van de rijksdienst, www.rdmz.nl en www.racm.nl, en via www.monumentenzorg.nl.

2. De subsidiabele kosten

Op grond artikel 34 van de Monumentenwet 1988 wordt onder instandhouding verstaan de onderhoudswerkzaamheden aan een beschermd monument alsmede werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en die voor het herstel van het monument noodzakelijk zijn. Volgens artikel 1, onder c van het Brim zijn subsidiabele kosten de kosten die naar het oordeel van de minister noodzakelijk zijn om een beschermd monument als zodanig in stand te houden.

Dit betekent in de eerste plaats dat de kosten gericht moeten zijn op instandhouding van de monumentale waarde. Uit de aard der zaak wordt de hoofdstructuur van het monument daartoe gerekend, maar ook bijvoorbeeld interieuronderdelen. Over de subsidiabele kosten zijn bij ministeriële regeling nadere voorschriften gegeven omdat het daarbij gaat om gedetailleerde voorschriften die niet passen in een algemene maatregel van bestuur.

Alleen de werkzaamheden die direct verband houden met het in stand houden van de monumentale waarden van het beschermde monument worden op grond van het Brim gesubsidieerd. In de regeling zelf zijn de basisvoorwaarden opgenomen wanneer sprake is van subsidiabele kosten. In de Leidraad, de bijlage bij de regeling, zijn werkzaamheden die als zodanig kunnen worden aangemerkt, opgenomen. Een en ander neemt niet weg dat deze werkzaamheden niet altijd noodzakelijk zullen zijn en dus ook niet altijd zondermeer subsidiabel zullen zijn. Zo zal herstel van voegwerk dat technisch gezien nog goed is, niet subsidiabel zijn.

Een uitgangspunt voor het subsidiabel zijn van werkzaamheden is dat de werkzaamheden naar het oordeel van de minister op een sobere en doelmatige wijze dienen te worden verricht. Dit houdt in dat de werkzaamheden gericht moeten zijn op het maximale behoud van monumentale waarden, op een vakkundige wijze worden uitgevoerd en dat met de werkzaamheden verval en gevolgschade worden voorkomen. Hieruit vloeit voort dat de instandhouding van het exterieur, de buitenschil van het monument, vóór die van het interieur gaat. Ook vloeit daaruit voort dat behoud vóór herstel gaat, herstel vóór vervanging en vervanging vóór reconstructie. Bij (materiaal)technisch noodzakelijk gebleken vervanging dienen de nieuwe onderdelen in materiaal, vorm, detaillering, uitvoering, afwerking én kwaliteit zoveel mogelijk overeen te komen met de afkomende, te vervangen onderdelen. Van geval tot geval zal een gedegen afweging moeten plaatsvinden of onderdelen en/of elementen gereconstrueerd mogen en kunnen worden en zo ja op welke manier. Werkzaamheden die slechts op comfortverbetering of verfraaiing zijn gericht, komen niet voor subsidie in aanmerking.

Voorzover het werkzaamheden aan het interieur van het monument betreft moet nog het volgende worden opgemerkt. In de Leidraad is bij de subsidiabele kosten niet telkens een onderscheid gemaakt tussen kosten van werkzaamheden aan de buitenkant van een monument en van werkzaamheden aan de binnenkant van een monument. Weliswaar kunnen ook interieuronderdelen onder de monumentale waarde van een beschermd monument vallen, maar uitgangspunt is dat kosten die betrekking hebben op werkzaamheden aan de binnenkant van een beschermd monument slechts subsidiabel zijn indien die werkzaamheden strekken tot bescherming van de monumentale waarde van het monument of bijvoorbeeld om constructieve reden noodzakelijk zijn. Zo zal het ‘witten’ van binnenmuren in de meeste gevallen niet subsidiabel zijn omdat dit niet noodzakelijk is voor de bescherming van de monumentale waarde of een constructieve noodzaak heeft.

Of interieuronderdelen of objecten daadwerkelijk monumentale waarden bezitten dient in de eerste plaats beoordeeld te worden aan de hand van hetgeen vermeld is in het monumentenregister. Daarnaast kan ook het oordeel van de minister ertoe leiden dat in het kader van de vaststelling van de subsidiabele kosten aan bepaalde onderdelen of objecten monumentale waarde mag worden toegekend.

Het bij de subsidieaanvraag gevoegde instandhoudingsplan zal getoetst worden aan bovengenoemde uitgangspunten om te kunnen bepalen of de werkzaamheden die daarin zijn opgenomen voor subsidie in aanmerking kunnen komen. In alle gevallen geldt dat het oordeel van de minister doorslaggevend is voor de vraag of de werkzaamheden noodzakelijk zijn en sober en doelmatig worden uitgevoerd.

3. De Leidraad Brim subsidiabele instandhoudingskosten

De subsidiabele kosten zijn vastgelegd in de Leidraad Brim subsidiabele instandhoudingskosten. Met die Leidraad wordt gestreefd naar een betere en efficiënte afhandeling van subsidieaanvragen en subsidievaststellingen. Om dat te kunnen bereiken is aangesloten bij de indeling van werkzaamheden bij de reeds bestaande ‘STABU-hoofdcodering’ (STABU staat voor Standaardbestek voor de Burger- en Utiliteitsbouw). Ook voor de onderdelen van het instandhoudingsplan (meerjarenplan, meerjarenbegroting en werkomschrijving/bestek) wordt dit als uitgangspunt genomen. De Leidraad is gebaseerd op dezelfde codering als STABU en heeft voor specifieke werkzaamheden die niet of onvoldoende in de STABU hoofdcodering voorkomen, zoals werktuigbouwkundige installaties en klinkende monumenten, een nog niet bestaande codering toegevoegd.

In de Leidraad wordt uiteengezet welke kosten subsidiabel zijn. Kosten van werkzaamheden die niet zijn opgenomen in de Leidraad komen dus niet voor subsidieverlening in aanmerking. In een aantal gevallen is aangegeven welke kosten niet subsidiabel zijn. Deze niet subsidiabele posten zijn bedoeld ter verduidelijking en als afbakening om aan te geven waar de grens tussen subsidiabel en niet subsidiabel ligt, maar zijn niet limitatief bedoeld.

Tekeningen en andere bescheiden

Afhankelijk van de aard en omvang van de in het instandhoudingsplan opgenomen werkzaamheden moeten stukken bij de subsidieaanvraag gevoegd worden. In de toelichting op het aanvraagformulier is nauwkeurig aangegeven wanneer welke stukken (berekeningen, rapporten, tekeningen en andere bescheiden) bijgevoegd moeten worden en aan welke eisen de betreffende stukken moeten voldoen.

De tekeningen worden onderscheiden in: opnametekeningen (bestaande toestand en waar doet zich welk gebrek voor), plantekeningen (nieuwe toestand en wanneer en hoe wordt welk gebrek verholpen en/of welke wijzigingen worden aangebracht) en aanvullende tekeningen (zoals bij voorbeeld doorsneden, principedetails en/of werktekeningen).

Het vervaardigen van de tekeningen behoort bij het opstellen van het instandhoudingsplan en is subsidiabel (zie paragraaf 01.04 van de Leidraad bij ‘architecten-/plankosten’).

Veiligheid

De Arbeidsomstandighedenwet stelt eisen met betrekking tot veiligheid, gezondheid en welzijn van degenen die met de uitvoering van werk belast zijn. Deze wet is ook van toepassing op instandhoudingswerkzaamheden. Op grond daarvan moeten zogenoemde Arbo-voorzieningen worden getroffen om risico’s zo veel mogelijk te beperken.

Met betrekking tot de instandhouding van monumenten wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke bouwplaatsvoorzieningen (steigers, dakrandbeveiliging, en dergelijke) en voorzieningen van meer permanente aard (zoals bij voorbeeld ladder-/veiligheidshaken, loopbruggen, luiken en verlichting).

De tijdelijke bouwplaatsvoorzieningen zijn uitsluitend nodig indien ingrijpende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. In de regel wordt hiervoor een (hoofd-)aannemer ingeschakeld. Het treffen van de benodigde tijdelijke voorzieningen valt onder de verantwoordelijkheid van de aannemer en daarvoor wordt verwezen naar de paragrafen 01.04 en 01.05 van de Leidraad.

Het komt vaak voor dat delen van monumenten zeer moeilijk of niet bereikbaar zijn zonder een hoogwerker, kraan of steiger. Om reguliere inspecties en werkzaamheden goed en veilig te kunnen uitvoeren is het in zo’n situatie noodzakelijk voorzieningen van meer permanente aard aan te brengen om die gedeelten steeds gemakkelijk te kunnen bereiken. Voorbeelden van dergelijke voorzieningen zijn loopbruggen in ruimten boven gewelven in kerken, ladder-/veiligheidshaken en klimhaken (voldoende en op de juiste plaats) en dak-/torenspitsluiken. Hoewel zelden een verfraaiing zijn dergelijke Arbo-voorzieningen noodzakelijk om monumenten in stand te kunnen blijven houden. Het aanbrengen, mits deskundig uitgevoerd, is dan ook subsidiabel (zie de paragrafen 32, 33 en 70 van de Leidraad).

Werkzaamheden door derden

Diverse specialistische werkzaamheden worden in de planvorming niet door de restauratiearchitect uitgevoerd maar door andere specialisten. In dit verband kan gedacht worden aan adviezen op bouwfysisch, constructief of installatietechnisch gebied, aan bouw- of interieu⁠ronderzoek en aan beeldhouwwerk, bijzonder schilderwerk en werkzaamheden aan installaties en interieur.

Dergelijke werkzaamheden door derden (adviseurs/onderzoekers/restaurateurs ) zijn subsidiabel mits ze noodzakelijk zijn en voorgeschreven dan wel vooraf goedgekeurd door de minister (zie ook paragraaf 01.04 van de Leidraad onder ‘overige kosten’).

Zelfwerkzaamheid

Voor het in stand houden van een beschermd monument is specifiek vakmanschap onontbeerlijk. De regelgeving biedt een eigenaar van een beschermd monument de ruimte om instandhoudingswerkzaamheden – gedeeltelijk of geheel – zelf uit te voeren dan wel door eigen personeel en/of hemzelf uit te laten voeren in het kader van een door hem gedreven onderneming. Een en ander komt overeen met de wijze waarop hier bij voorgaande subsidieregelingen mee werd omgegaan (zie hiervoor paragraaf 01.04 van de Leidraad).

In het algemeen geldt dat de kosten van ‘eigen arbeid’ alleen dan subsidiabel zijn indien uit een te overleggen accountantsverklaring duidelijk blijkt hoeveel uren door de eigenaar en/of zijn personeel binnen het kader van een door hem gedreven onderneming zijn besteed aan subsidiabele werkzaamheden. Uren die zijn besteed buiten het kader van de door hem gedreven onderneming gelden als ‘doe-het-zelf’-uren en zijn derhalve niet subsidiabel.

4. De subsidieplafonds

Een subsidieplafond geeft het bedrag aan dat beschikbaar is voor de verlening van subsidies. Het is een waarborg om te voorkomen dat sprake is van een openeinderegeling. Opgemerkt zij dat er sprake is van meerjarige subsidiebeschikkingen. De verlening vindt eenmalig plaats in de vorm van één beschikking voor het totale bedrag over de zes jaar waarop het instandhoudingsplan betrekking heeft. Het verleende subsidiebedrag wordt over zes begrotingsjaren uitgesmeerd in zes gelijke delen. Het subsidieplafond houdt in dat de som van de bedragen die worden verleend ten behoeve van uitgaven in het jaar van vaststelling of in de jaren na de vaststelling van het subsidieplafond, een bepaald bedrag (het desbetreffende subsidieplafond) niet overschrijdt.

Het budget dat voor instandhoudingsubsidies beschikbaar is, wordt verdeeld in een budget voor de ‘reguliere’ Brim-subsidies en een budget voor de instandhouding van grote projecten. Voor beide budgetten geldt dat daarvoor afzonderlijke subsidieplafonds worden vastgesteld en dat deze worden verdeeld in de volgorde van ontvangst. De subsidieplafonds kunnen elk jaar worden aangepast door aanpassing van deze regeling.

5. Het maximumbedrag aan subsidiabele kosten

Het maximumbedrag aan subsidiabele kosten wordt vastgesteld om de beperkte middelen beter te kunnen verdelen en aldus te voorkomen dat bepaalde categorieën monumenten een onevenredig beslag leggen op het beschikbare budget.

In artikel 6, tweede lid, van het Brim is erin voorzien dat voor grootschalige projecten (beschermde monumenten die minimaal structureel, dat wil zeggen elke zes jaar, € 700.000,– aan subsidiabele kosten nodig hebben over een periode van zes jaar) een ander maximum geldt, namelijk € 1 miljoen over de periode waarop het instandhoudingsplan betrekking heeft. Voor projecten die eenmalig een dergelijk bedrag nodig hebben is meestal sprake van restauratieachterstand. Hiervoor is in het Brim een apart subsidieartikel opgenomen.

6. De gefaseerde inwerkingtreding

Het budget dat beschikbaar is voor subsidieverlening op grond van het Brim, neemt de eerste jaren na inwerkingtreding van het Brim geleidelijk toe. Om te voorkomen dat door een te klein budget in de eerste jaren een groot aantal subsidieaanvragen afgewezen moet worden, is een ‘instroommodel’ ontwikkeld dat voorziet in gefaseerde inwerkingtreding van het Brim. Omdat de meerjaren-instandhoudings-systematiek van het Brim is gebaseerd op 6 jaren, is ook voor het instroommodel een periode van 6 jaar gehanteerd.

De gefaseerde inwerkingtreding is alleen van toepassing voor de eigenaren die in aanmerking komen voor subsidie. Eigenaren van woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie die op grond van het Brim in aanmerking komen voor een lening, kunnen direct een beroep op het Brim doen zodra dat in werking is getreden.

De eerste groep eigenaren stroomt direct in bij de inwerkingtreding van het Brim. Deze eigenaren kunnen een aanvraag voor subsidie indienen voor de kalenderjaren 2007 tot en met 2012, dat is de periode waarop hun instandhoudingsplan betrekking heeft. Zij kunnen de aanvraag indienen van 1 april 2006 tot 1 september 2006. Vanaf 1 januari 2007 komen zij dus in aanmerking voor subsidie. Er kan worden begonnen met de uitvoering van de eerste instandhoudingsplannen op grond van het Brim zodra de beschikking is afgegeven.

Voor eigenaren van monumenten die nog niet zijn ingestroomd, blijft het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten, het Brom, van toepassing. Voor eigenaren van monumenten die wel zijn ingestroomd, blijft het Brom van toepassing tot 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin zij zijn ingestroomd. De eerste groep eigenaren, die in 2006 instroomt, kan dus tot 1 april 2007 nog een beroep op het Brom doen. Op grond van de systematiek van het Brom wordt subsidie namelijk pas aangevraagd nadat de onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd.

Dezelfde systematiek is ook van toepassing op de monumenten die in de volgende jaren instromen.

Bij het instroommodel wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘CBS-categorieën’. Het Rijk heeft deze categorieën samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vastgesteld om statistische gegevens over de besteding van subsidies te verkrijgen. Deze CBS-categorieën zijn gebaseerd op de oorspronkelijke functie van de monumenten. Voor alle beschermde monumenten is de CBS-categorie – die overigens niet gelijk is aan de categorie-indeling van het Brim – vastgelegd in de zogenaamde objectendatabank van de RDMZ. Het gaat hierbij om openbare gegevens die bij de RDMZ zijn op te vragen.

Door het gebruik van deze CBS-categorieën kan worden bereikt dat de subsidiebehoefte gelijkmatig wordt gespreid over 6 jaar. Bovendien kan hierdoor bij de subsidieverlening een landelijke spreiding worden bereikt. Voor de CBS-categorie kerkelijke gebouwen is sprake van een nadere onderverdeling omdat de totale behoefte voor deze categorie zodanig groot is dat de subsidiebehoefte over 3 jaren gespreid moet worden. Daarom zijn voor de CBS-categorie kerkelijke gebouwen 3 groepen gevormd op basis van monumentnummer. De volgorde daarbinnen is bepaald naar urgentie per groep.

De volgorde waarin de CBS-categorieën zijn verwerkt in het instroommodel volgt uit de urgentie. Deze urgentie is bepaald op basis van de kans op vervolgschade die een CBS-categorie gemiddeld heeft. Het kan daardoor voorkomen dat een aantal objecten binnen een CBS-categorie die laat instroomt, een grotere urgentie kent dan een aantal objecten in een CBS-categorie die vroeg instroomt.

Voor de CBS-categorieën worden de volgende CBS-codes en CBS-omschrijvingen gehanteerd:

CBS-code

CBS-omschrijving

Voorbeelden

1

Openbare gebouwen

scholen, gerechtsgebouwen, ziekenhuizen, gemeentehuizen en andere voor het publiek toegankelijke gebouwen,

2

Verdedigingswerken

omwalling, gracht, fort,

3

Kerkelijke gebouwen

kapel, kerk,

4

Kerk-onderdelen/objecten

‘vanwege-onderdelen’: onderdeel van een monument waarbij het hele monument als beschermd monument is aangewezen vanwege de monumentale waarde van een orgel, klok, preekstoel,

5

Gebouwen, woonhuizen

woning, winkel, opslagplaats, kantoorgebouw

6

Delen van gebouwen en woonhuizen

beschermd interieur, als zodanig beschermd onderdeel van een woonhuis,

7

Liefdadige instellingen

hofje van liefdadigheid, weeshuis, armenhuizen

8

Agrarische gebouwen

boerderij,

9

Molens

industriemolen, poldermolen,

10

Weg- en waterwerken

brug, waterkering, gemaal,

11

Horeca-instellingen

café, restaurant,

12

Kastelen, landhuizen, e.d.

kasteel, landhuis, buitenplaats,

13

Losse objecten, e.d.

straatmeubilair, gedenkteken, grafzerken, grensafbakeningen.

Voor de vraag of de eigenaar van een beschermd monument subsidie op grond van het Brim kan aanvragen, is de CBS-categorie van zijn monument bepalend. Deze CBS-categorie-indeling is niet gelijk aan de categorie-indeling van het Brim. Het Brim kent de categorieën:

a. woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie,

b. kerkgebouwen,

c. kastelen, buitenplaatsen en landhuizen,

d. molens en gemalen, en

e. overige beschermde monumenten.

De categorie-indeling in het Brim is met name van belang voor de hoogte van de subsidie. Omdat de eigenaar van een beschermd monument moet kunnen weten vanaf welk jaar subsidieverlening op grond van het Brim voor zijn monument mogelijk is, moet hij weten in welke CBS-categorie zijn monument valt. In de bovenstaande tabel is daarom een kolom opgenomen met voorbeelden van soorten monumenten per CBS-categorie. In de objectendatabank van de RDMZ is van alle beschermde monumenten de CBS-categorie opgenomen. De eigenaar kan bij de RDMZ informeren naar de categorie-indeling.

Bij deze gefaseerde inwerkingtreding is geen rekening gehouden met complexen. Het is dan ook mogelijk dat niet alle beschermde monumenten die onderdeel zijn van één complex, in hetzelfde jaar instromen. Een en ander is volledig afhankelijk van de vraag tot welke CBS-categorie de afzonderlijke monumenten kunnen worden gerekend. Dit in tegenstelling tot de hoogte van het subsidiepercentage, dat wel is gerelateerd aan het complex als zodanig.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M.C. van der Laan

Naar boven