Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatscourant 2006, 200 pagina 22Overig

Informatiestatuut VWS ‐ NZa

De partijen,

1. de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

en:

2. de Nederlandse Zorgautoriteit,

overwegende dat:

- artikel 22 van de Wet marktordening gezondheidszorg voorschrijft dat de minister van VWS en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gezamenlijk een informatiestatuut vaststellen waarin inhoudelijke en procedurele afspraken met betrekking tot de wederzijdse informatieverstrekking worden vastgelegd;

- de Wet marktordening gezondheidszorg de taken en bevoegdheden van de NZa en de relatie tussen de minister en de NZa beschrijft. De wet beoogt een stabiel klimaat voor partijen in de sector te scheppen. De minister bepaalt, in samenspraak met het parlement, het beleid en stelt daarbij de kaders vast. Hij is daarbij ook politiek verantwoordelijk voor de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de wettelijke taken door de Zorgautoriteit. De NZa heeft vervolgens de ruimte om zelf invulling te geven aan de uitvoering van die wettelijke taken en bevoegdheden. Binnen deze kaders dienen zowel de minister als de NZa alle voor het uitoefenen van hun taken benodigde inlichtingen van de andere partij te krijgen;

- beide partijen de intentie hebben om elkaar goed op de hoogte te houden en elkaar niet te verrassen met welke vorm van informatie of publiciteit dan ook, met inachtneming van ieders taken en bevoegdheden

- beide partijen bij het bevragen van de andere partij oog hebben voor een doelmatige bedrijfsvoering van die ander en dat afspraken over procedures rondom informatievragen en -leveringen deze doelmatigheid bevorderen;

- het voor de beleidsvoorbereiding en beleidsverantwoording van wezenlijk belang is dat de minister uit kan gaan van een goede kwaliteit van de ontvangen informatie;

- beide partijen van mening zijn dat informatievragen met minimale administratieve lasten beantwoord worden;

zijn het volgende overeengekomen:

1. Inleidende bepalingen

1.1. In dit informatiestatuut wordt verstaan onder:

a. de minister: minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. NZa: Nederlandse Zorgautoriteit;

c. VWS: het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

d. Wmg: Wet marktordening gezondheidszorg;

e. wet: Wmg;

f. informatie: inlichtingen, gegevens, bescheiden, rapporten, adviezen en signalen die voorzien of onvoorzien en gevraagd of ongevraagd uitgewisseld kunnen worden tussen NZa en de minister;

g. bedrijfsvertrouwelijke informatie:

1°. aan de NZa dan wel de minister door een individuele zorgaanbieder of ziektekostenverzekeraar verstrekte informatie over haar respectievelijk zijn bedrijfsvoering met een concurrentiegevoelig karakter;

2°. aan de NZa dan wel de minister door een in artikel 17, eerste lid, van de wet genoemde instantie verstrekte informatie over de bedrijfsvoering van een individuele zorgaanbieder of ziektekostenverzekeraar met een concurrentiegevoelig karakter;

3°. door een derde in vertrouwen aan de NZa dan wel de minister verstrekte informatie over de bedrijfsvoering van een individuele zorgaanbieder of ziektekostenverzekeraar met een concurrentiegevoelig karakter;

4°. reeds voor de inwerkingtreding van de Wmg aan de rechtsvoorgangers van de NZa verstrekte informatie over de bedrijfsvoering van een individuele zorgaanbieder of ziektekostenverzekeraar met een concurrentiegevoelig karakter.

1.2. De afspraken in dit informatiestatuut beperken zich tot de inhoud van en de procedures rondom informatie-uitwisseling tussen de minister en NZa. Dit informatiestatuut gaat niet over de uitwisseling van gegevens en inlichtingen tussen personen die met toezicht of opsporing in het kader van de wet zijn belast.

1.3. In dit statuut wordt onder zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars mede verstaan:

• rechtspersonen, bedoeld in artikel 40 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten,

• verzekeraars, bedoeld in artikel 35, vijfde lid, van de wet en

• degene bedoeld in artikel 44 van de wet.

2. Uitgangspunten

2.1. De informatievragende partij onderbouwt bij elke informatievraag voor welke taak of welk doel de informatie wordt gevraagd en de termijn waarop de informatie wordt gewenst.

2.2. De aard, inhoud en omvang van de informatieverstrekking door de NZa aan de minister verschilt sterk voor de verschillende NZa taken en de rol die de minister bij de uitoefening van de wet heeft. De NZa stelt in haar uitvoerende rol gerelateerd aan de budgetcyclus omvangrijke en gedetailleerde informatie ter beschikking aan de minister. De informatie-uitwisseling gerelateerd aan het toezicht op de zorgmarkten zal veelal op hoofdlijnen gebeuren. Informatieverstrekking over producten en diensten van zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars ten behoeve van transparantievergroting voor consumenten kan ook omvangrijk zijn in het geval dat VWS daartoe het initiatief heeft.

2.3. De informatie-uitwisseling zoals bedoeld in dit statuut dient, voorzover het persoonsgegevens betreft zoals bedoeld in artikel 60 van de wet, te voldoen aan hetgeen is bepaald in de ministeriële regeling ex artikel 65 van de wet. Conform artikel 22, vierde lid, van de wet zal geen sprake zijn van uitwisseling van medische persoonsgegevens.

2.4. Verstrekking van bedrijfsvertrouwelijke informatie door de NZa aan de minister zal plaatsvinden op een manier die niet herleidbaar is naar individuele onder toezicht gestelde zorgaanbieders of ziektekostenverzekeraars, tenzij dat voor de uitvoering van de wettelijke taken van de NZa of van de minister noodzakelijk is.

2.5. Bedrijfsvertrouwelijke informatie, die op grond van artikel 22 van de wet aan de minister wordt geleverd door de NZa dan wel waar door de minister aangewezen personen toegang tot en/of inzage in hebben, wordt niet door de minister aan derden doorgeleverd noch op een zodanige wijze openbaar gemaakt dat ze herleidbaar is tot individuele partijen waar de informatie betrekking op heeft, tenzij de wet of een andere wet dit voorschrijft. Dit punt vormt een specifieke aanvulling op punt 2.4.

2.6. Bij onderlinge informatie-uitwisseling tussen minister en NZa gelden voor de ontvangende partij dezelfde wettelijke voorschriften inzake geheimhouding van die informatie als voor de verstrekker van de informatie.

2.7. De informatieleverende partij zorgt dat de geleverde informatie van voldoende kwaliteit is. De informatievragende partij maakt kenbaar welke kwaliteit van de informatie wordt gewenst. De kwaliteit dient in redelijke verhouding te staan tot het doel waarvoor de informatie wordt gevraagd. Indien die kwaliteit niet aan het gewenste niveau voldoet of kan voldoen vindt overleg tussen de minister en de NZa plaats.

3. Informatie-uitwisseling

Algemeen

3.1. Indien de minister bij de NZa informatie opvraagt die niet door de NZa openbaar is gemaakt en die, als zij openbaar wordt, naar het oordeel van de NZa gevolgen kan hebben voor het functioneren van de zorgmarkten, zullen de minister en de NZa nadere afspraken maken over openbaarmaking van deze informatie, alvorens deze informatie openbaar wordt gemaakt.

3.2. Indien de minister het wenselijk acht dat de NZa bij zorgverzekeraars of bij AWBZ-verzekeraars onderzoek instelt zoals bedoeld in de artikelen 26 respectievelijk 30 van de wet, zal hij hierover in contact treden met de NZa. De minister en de NZa stellen in onderling overleg de reikwijdte en de diepgang van het onderzoek vast. Ook de wijze waarop de NZa aan de minister bericht wordt in onderling overleg vastgesteld.

Voorzienbare informatievragen

3.3. De minister en de NZa inventariseren jaarlijks welke informatie zij van elkaar nodig hebben in het daaropvolgende jaar.

3.4. Partijen dragen er zorg voor dat de in punt 3.3 bedoelde informatiebehoefte uiterlijk op 1 juli in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de informatie betrekking heeft, bij de andere partij bekend is.

3.5. In onderling overleg vertalen de minister en de NZa de in de punt 3.4 bedoelde informatiebehoefte in een informatie-aanleverkalender. De informatie-aanleverkalender bevat een globale beschrijving van het onderwerp waarop de informatielevering betrekking heeft en de datum waarop die informatie wordt verstrekt. Voorafgaand aan de verstrekking van de informatie vindt zonodig tijdig nader overleg plaats over nadere specificaties van de informatiebehoefte en de levering.

3.6. De NZa neemt de werkzaamheden rond de opstelling en het actueel houden van de in punt 3.5 bedoelde informatie-aanleverkalender op in het jaarplan zoals bedoeld in artikel 11 van de wet en richt haar organisatie zo in dat de informatievragen tijdig worden beantwoord. Ook neemt de NZa in het werkprogramma en in de begroting een raming op voor de benodigde capaciteit en middelen voor beantwoording van de aan haar gestelde vragen zoals bedoeld in punt 3.5.

3.7. Wijzigingen van informatievragen ten opzichte van de eerder vastgestelde informatiebehoefte worden zo spoedig mogelijk na het ontstaan van de wijzigingsoorzaak ingebracht. Partijen bepalen hierna in onderling overleg een reële datum waarop de informatie wordt verstrekt.

3.8. Indien de onderling afgesproken aanlevertermijn van informatie door één van de partijen niet wordt gehaald, dan stelt de informatieleverende partij de vragende partij daar, onder vermelding van de reden, zo spoedig mogelijk van op de hoogte. Partijen zullen in onderling overleg een nieuwe aanleverdatum vaststellen.

Niet-voorzienbare informatievragen

3.9. Informatievragen die ten tijde van het opstellen van de informatie-aanleverkalender zoals bedoeld in punt 3.5 niet waren voorzien, worden zo spoedig mogelijk na het ontstaan van de informatiebehoefte voorgelegd aan de andere partij met een toelichting op de urgentie van de beantwoording.

3.10. De NZa neemt in het werkprogramma en in de begroting een raming op voor de benodigde capaciteit en middelen voor beantwoording van de aan haar gestelde vragen zoals bedoeld onder 3.9.

3.11. Indien de in punt 3.9 genoemde informatievragen aantoonbaar niet kunnen worden beantwoord met de in het werkprogramma en begroting gereserveerde capaciteit en middelen, dan doet de NZa een voorstel aan VWS waarmee het verzoek toch ingewilligd kan worden.

3.12. De punten 3.5 tot en met 3.8 zijn van overeenkomstige toepassing op de in punt 3.9 bedoelde informatievragen.

Pro-actieve informatie-uitwisseling

3.13. De NZa verstrekt de minister uit eigen beweging tijdig de informatie waarvan de NZa redelijkerwijs kan aannemen dat deze informatie voor de taakuitoefening van de minister benodigd is.

3.14. De minister vertrekt de NZa uit eigen beweging tijdig de informatie waarvan hij redelijkerwijs kan aannemen dat deze informatie voor de taakuitoefening van de NZa benodigd is.

4. Openbaarmaking adviezen en signaleringen

4.1. De NZa stelt vanuit haar taken en bevoegdheden gevraagd en ongevraagd adviezen en signaleringen op aan de minister zoals bedoeld in artikel 21 van de wet.

4.2. De NZa stelt de minister tijdig op de hoogte van een voorgenomen advies of signalering.

4.3. De minister stuurt een advies of signalering van de NZa uiterlijk twee weken na ontvangst door naar de beide Kamers der Staten-Generaal, eventueel voorzien van een beleidsreactie. Hierna maakt de NZa het advies of de signalering openbaar.

4.4. Indien de minister niet binnen de in punt 4.3 genoemde termijn en op de in dat punt genoemde wijze beide Kamers der Staten-Generaal heeft geïnformeerd, kan de NZa zelfstandig tot openbaarmaking van het advies of de signalering overgaan. Wanneer de NZa tot zelfstandige openbaarmaking overgaat, stelt de NZa de minister daarvan voorafgaand op de hoogte.

5. Coördinatie en periodiek overleg

5.1. De minister en de NZa bevorderen de naleving van de afspraken in dit statuut. Hiertoe wijzen partijen ieder een medewerker aan als aanspreekpunt voor informatie-uitwisseling zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van dit statuut. Alle informatievragen en informatieleveringen vinden plaats via of met medeweten van deze medewerkers. Zij hebben regulier contact over de naleving van het informatiestatuut en maken zo nodig nadere werkafspraken.

5.2. Het informatiestatuut wordt tenminste één keer per jaar geagendeerd voor periodiek overleg, en zoveel vaker als partijen dat nodig achten. In dat periodiek overleg zal tenminste eens per jaar de naleving van de in het informatiestatuut vastgelegde afspraken worden geëvalueerd. Indien naar mening van een van beide partijen de noodzaak bestaat om de in het informatiestatuut vastgelegde afspraken te herzien zullen partijen hiertoe in nader overleg treden.

5.3. De in punt 5.1 bedoelde medewerkers dragen zorg voor de inbreng en de voorbereiding van de onderwerpen in het kader van het informatiestatuut in het periodiek overleg.

5.4. Alle geschillen in verband met het informatiestatuut en de daarmee samenhangende afspraken worden door de in punt 5.1 genoemde medewerkers in goed overleg afgestemd. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt zal het geschil ter besluitvorming worden geagendeerd voor periodiek overleg.

6. Slotbepalingen

6.1. Het informatiestatuut treedt in werking de dag nadat het met de toelichting is gepubliceerd in de Staatscourant en werkt terug tot en met de datum van inwerkingtreding van de Wmg.

Den Haag, 2 oktober 2006.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,J.F. Hoogervorst.
De Voorzitter van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Zorgautoriteit,
F.H.G. de Grave.

Toelichting

Algemeen

Artikel 22 van de Wet marktordening gezondheidszorg bepaalt dat de minister van VWS en de NZa elkaar wederzijds alle gegevens en inlichtingen verstrekken die nodig zijn voor de uitoefening van ieders taak. Artikel 22 lid 3 bepaalt vervolgens dat de minister en de NZa gezamenlijk een informatiestatuut vaststellen waarin inhoudelijke en procedurele afspraken rondom het verstrekken van de bedoelde informatie is vastgelegd.

Bij de uitwisseling van informatie dient de rolverdeling in acht genomen te worden zoals die tussen minister en zorgautoriteit is geregeld. De hoofdlijnen van deze rolverdeling zijn beschreven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wmg (Kamerstukken II, 2004/2005, 30186, nr 3). Kern is dat de minister - in samenspraak met het parlement - het beleid bepaalt en in lijn met dat beleid de taken en de kaders voor de zorgautoriteit vaststelt. Vervolgens draagt hij er zorg voor dat de NZa beschikt over de juiste instrumenten voor de uitoefening van haar taken. Binnen de bij wet gegeven kaders voert de NZa het toezicht onafhankelijk uit. Dit betekent dat besluitvorming van de NZa over individuele gevallen plaatsvindt onafhankelijk van politieke organen. Het aanspreekpunt voor marktpartijen in individuele zaken waar de bevoegdheid ligt bij de NZa, is dan ook uitsluitend de NZa. De aard van de gegevens die worden uitgewisseld tussen minister en NZa moet passen binnen de geschetste rolverdeling.

Toezichtinformatie, ofwel de uitwisseling tussen personen die door NZa en VWS zijn aangewezen als toezichthouder op de Wmg, is geen onderdeel van het informatiestatuut. De Wmg kent voor die uitwisseling een exclusieve regeling in artikel 73. Het gaat dan niet om informatie-uitwisseling tussen NZa en minister maar tussen toezichthouders.

Zoals ook toegelicht in de visie van de minister op de Nederlandse Zorgautoriteit van 12 september 2005 zijn veel activiteiten van ofwel de minister ofwel de NZa van belang voor de taakuitoefening van de andere partij. Beide partijen achten het van groot belang om elkaar waar nodig te voorzien van alle informatie die nodig is voor een zo optimaal mogelijke taakuitoefening. Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat ze elkaar niet voor verrassingen plaatsen.

Dit informatiestatuut beperkt zich niet tot de geplande en ongeplande wederzijdse informatie-uitwisseling, Minstens zo belangrijk is pro-actieve informatieverstrekking, dus niet naar aanleiding van een specifieke vraag. De NZa zal de minister op de hoogte stellen van de relevante besluiten en andere publicaties die op dat moment worden voorzien. De minister zal de NZa op zijn beurt actief op de hoogte houden van zaken die van belang zijn voor de taakuitoefening van de NZa.

Over de informatie-uitwisseling in concrete gevallen kan bij de vaststelling van het werkplan of bij de aanwijzing voor (beleids)regels nadere afspraken worden gemaakt.

Ter beperking van de administratieve lasten van zorgaanbieders en verzekeraars zullen de minister en de NZa bij de beantwoording van vragen zoveel als mogelijk gebruik maken van bij overheden beschikbare informatie. Belangrijke bronnen zijn bijvoorbeeld de informatie voortvloeiend uit de Maatschappelijke verantwoording, het DBC-informatiesysteem en de AWBZ-brede zorgregistratie.

Hoofdstuk 2 Uitgangspunten

In dit informatiestatuut is een aantal afspraken opgenomen over procedures rondom de informatieverstrekking tussen minister en NZa. Deze procedures passen in een relatie waarin zo veel als mogelijk wordt getracht op voorhand helderheid te scheppen over de wederzijdse verwachtingen. Daarmee bevorderen deze afspraken een zo doelmatig mogelijke bedrijfsvoering. In het kader van dit streven wordt ook verwezen naar de interne processen van de NZa. Voor de NZa is informatiekwaliteit een aandachtspunt. Na overleg tussen VWS en NZa over de gewenste informatiekwaliteit worden knelpunten in de betreffende interne processen geïnventariseerd. Indien nodig neemt de NZa initiatieven om deze knelpunten op te lossen.

In de toezichtvisie van 12 september 2005 is het principe vastgelegd dat de minister “zich niet met individuele gevallen zal bemoeien waar de (uitvoerings-)bevoegdheid expliciet is overgedragen aan de Nederlandse Zorgautoriteit”. Geaggregeerde informatie op sectorniveau of deelmarktniveau zal veelal voldoende zijn voor de taakuitvoering van de minister. Indien het in uitzonderingsgevallen toch noodzakelijk is voor de taakvervulling van de minister om informatie over individuele zorgaanbieders of verzekeraars te ontvangen, dan zal de minister de noodzaak daarvan onderbouwen. Dergelijke uitzonderingsgevallen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op zorginstellingen met zodanige financiële problemen dat de continuïteit van zorg wordt bedreigd.

Los van de uitzonderingsgevallen moet de minister tijdig - minimaal 24 uur voor publicatie - op de hoogte zijn van besluiten van de NZa in individuele gevallen. Dergelijke besluiten kunnen soms zodanig ingrijpend zijn voor de ontwikkeling van de markt of voor de positie van bepaalde individuele marktpartijen, dat het gewenst wordt geacht dat de minister in staat wordt gesteld een reactie op eventuele vragen voor te bereiden. Daarbij blijft gelden dat de minister de betreffende informatie ter kennisgeving krijgt aangereikt en dat de minister dus niet om een oordeel wordt gevraagd. Hierbij dient in acht genomen te worden wat is bepaald over de uitwisseling van persoonsgegevens in de ministeriële regeling ex artikel 65 van de wet.

Apart aandachtspunt is transparantievergroting voor consumenten. De artikelen 38 en 40 van de Wmg bepalen dat zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars informatie openbaar maken op grond waarvan consumenten de producten en diensten van deze partijen kunnen beoordelen en vergelijken. De NZa heeft daarbij de bevoegdheid dergelijke informatie van individuele aanbieders en verzekeraars openbaar en vergelijkbaar te maken als andere partijen op de markt dit niet voldoende doen. Dit alles om de transparantie op de verschillende deelmarkten in de zorg, en daarmee de ontwikkeling van die markten, te bevorderen. In aanloop naar de inwerkingtreding van de Wmg heeft het ministerie van VWS reeds enige jaren geleden het initiatief genomen om de transparantie op deelmarkten in de zorg te vergroten. Daartoe is onder meer de web-site www.kiesbeter.nl. ontwikkeld. Voor de vulling van deze website krijgt het ministerie (i.c. het RIVM) onder meer data over individuele partijen door de NZa aangeleverd. VWS beziet hoe de taken en rollen rondom kiesbeter.nl in de toekomst worden belegd. Zolang hierover nog geen beslissing is genomen zal de informatiestroom tussen NZa en VWS (RIVM) ten behoeve van kiesbeter.nl gehandhaafd blijven.

Hoofdstuk 3 procedures rond informatie-uitwisseling

Algemeen

Centraal in de procedures rond informatie-uitwisseling staat de informatie-aanleverkalender. In eerste instantie zijn alleen rapportages die specifiek op verzoek van de andere partij worden opgesteld onderdeel van de informatie-aanleverkalender zoals bedoeld in punt 3.5. Naar aanleiding van het werkprogramma van de NZa en VWS kan de informatie-aanleverkalender uitgebreid worden met de geplande publicatiemomenten van rapporten of onderzoeken die de NZa of VWS vanuit de eigen taken en verantwoordelijkheid zullen publiceren en welke relevant zijn voor de andere partij. Wanneer in de loop van het jaar de informatiebehoefte van NZa of VWS wijzigt, kunnen ook nieuwe geaccordeerde informatievragen, wijzigingen van informatievragen of vervallen informatievragen in de informatie-aanleverkalender verwerkt worden. De informatie-aanleverkalender zal dan een dynamisch document zijn, wat de samenwerking tussen NZa en VWS versterkt.

De NZa voert op basis van artikel 32 Wmg onderzoek uit waarover zij op basis van artikel 32 kan rapporteren. De NZa is autonoom in het inrichten van haar onderzoek met het oog op haar taken. Welke onderzoeken worden uitgevoerd en welke rapportages hierover worden gepubliceerd is onderdeel van de werkplancyclus van de NZa. De inhoud van de rapportages is de verantwoordelijkheid van de NZa.

Voor het inrichten van toezichtonderzoek en marktmonitors maakt de NZa gebruik van een risicoanalyse. Hiermee worden de werkzaamheden geprioriteerd en de administratieve belasting voor marktpartijen zoveel mogelijk beperkt. Het kan voorkomen dat de minister vanuit de beleidsmatige en politieke context onderwerpen wil toevoegen aan de onderzoeken waarover in de rapportages wordt bericht. Dit kan na goed overleg tussen NZa en minister, rekening houdend met de consequenties van deze toevoeging op het werkplan NZa en de eventuele extra administratieve belasting die daarmee verbonden is.

De minister heeft op basis van de artikelen 26 en 30 van de Wmg de bevoegdheid om de NZa te vragen specifiek onderzoek te (laten) verrichten bij zorgverzekeraars of AWBZ-verzekeraars. De keuze om dit soort onderzoeken te starten is in eerste instantie de bevoegdheid van de NZa.

Als de informatievraag betrekking heeft op informatie van de NZa die al openbaar is, zal deze informatie verstrekt worden. Als de informatie nog niet openbaar is, zal de zorgautoriteit afwegen welke gevolgen het bekend maken van deze informatie kan hebben voor het functioneren van de zorgmarkten. Wanneer sprake is van een risico bij openbaarmaking, dan zal de NZa dit onderbouwen en zullen hierover met de minister nadere afspraken worden gemaakt.

Voorzienbare informatievragen

Zowel de minister als de NZa hechten aan een doelmatige en zelfstandige bedrijfsvoering van de NZa, waarbij zo min mogelijk onverwachte activiteiten worden gevraagd. In dat kader stellen beide partijen jaarlijks vooraf hun voorzienbare informatiebehoefte bij de ander vast. De ervaring leert dat het merendeel van die informatie-uitwisseling betrekking zal hebben op vragen van VWS aan de NZa en veelal gerelateerd is aan de budgetcyclus. Om de NZa de gelegenheid te geven om de werkzaamheden voor de informatieleveringen in het werkplan en de begroting te verwerken, zullen partijen de voorzienbare informatiebehoefte in een concept-informatiekalender uiterlijk op 1 juli voorafgaand aan het jaar waarop de informatie betrekking heeft aan elkaar kenbaar maken. VWS en NZa zullen vervolgens gezamenlijk de informatiebehoefte verwerken in een informatie-aanleverkalender waarin is vastgelegd wanneer welke informatie door de partijen aan elkaar wordt geleverd. Deze informatie-aanleverkalender zal door de NZa worden opgenomen in het jaarplan en verwerkt in het werkprogramma en begroting die conform artikel 11 van de wet uiterlijk 1 oktober aan de minister worden gezonden.

Het kan voorkomen dat na vaststelling van de informatie-aanleverkalender zich wijzigingen voordoen in de informatiebehoefte. Dergelijke wijzigingen worden zo spoedig mogelijk aan de andere partij kenbaar gemaakt. Uitgangspunt is dat de wijzigingen - voor zover mogelijk - minimaal twee maanden voor de geplande leveringsdatum worden doorgegeven. Met deze termijn hebben partijen voldoende gelegenheid de wijzigingen te bezien, hierover te overleggen en vervolgens gezamenlijk de gevolgen in de aanleverkalender te verwerken.

Datzelfde geldt voor nadere specificaties van de informatievragen in de informatie-aanleverkalender. Omdat de aanleverkalender veelal de informatiebehoefte op hoofdlijnen weergeeft, is het voor beide partijen belang dat zo snel mogelijk gestart wordt met het verder uitwerken van de informatiebehoefte.

Doel is om uiterlijk één maand van tevoren overeenstemming over alle détails van een levering te hebben zodat deze zorgvuldig en tijdig uitgevoerd kan worden.

Niet voorzienbare informatievragen

Niet alle informatievragen kunnen worden voorzien. Dergelijke niet planbare informatievragen kunnen bijvoorbeeld ontstaan door calamiteiten in de zorgsector, informatieverzoeken vanuit het parlement e.d. De minister kan de NZa verzoeken ook deze informatie te leveren, waarbij hij de urgentie van beantwoording aangeeft en toelicht.

De NZa reserveert in het jaarplan capaciteit en middelen voor het beantwoorden van dit type vragen. Mocht de hoeveelheid, de intensiteit of de urgentie van de niet in de aanleverkalender opgenomen informatievragen niet kunnen worden beantwoord met de in het jaarplan gereserveerde capaciteit en middelen, dan treedt de NZa in overleg met VWS over de gevolgen. De NZa komt hierbij met een voorstel waarmee het verzoek toch ingewilligd kan worden.

Overeengekomen additionele informatievragen kunnen vervolgens in de informatie-aanleverkalender worden opgenomen. Deze kalender wordt daarmee een dynamisch document.

Pro-actieve informatie-uitwisseling

De voorgaande paragrafen hebben betrekking op informatie-uitwisseling tussen minister en NZa waar door één van de partijen om is gevraagd. Natuurlijk kan er ook sprake zijn van informatie die bij één van de partijen aanwezig is, maar waarvan de andere partij niet weet dat die informatie er is of niet weet dat die informatie openbaar gemaakt gaat worden. Hier geldt het uitgangspunt dat partijen elkaar niet voor verrassingen plaatsen en dat men elkaar in een zo vroeg mogelijk stadium informeert. Dit vraagt een pro-actieve houding van partijen.

Bij de vraag of voor een onderwerp informatie-uitwisseling tussen minister en toezichthouder nodig is, moet de afweging gemaakt worden tussen de belangen van de minister en de zorgautoriteit. Wanneer de zorgautoriteit bevindingen doet, publicaties uitbrengt of besluiten voorbereidt die de beleidsmatige verantwoordelijkheid van de minister raken, is het van belang dat zij de minister hierover pro-actief informeert. Het moment waarop de NZa de minister informeert kan verschillen afhankelijk van de mate waarin de betreffende publicatie of het betreffende besluit de beleidsmatige verantwoordelijkheid van de minister raakt. Naarmate de beleidsmatige gevoeligheid van een dossier groter is, zal de minister in een eerdere fase worden geïnformeerd. Partijen zijn beide van mening dat over beleidsgevoelige dossiers goed en frequent contact tussen NZa en VWS noodzakelijk is, vanzelfsprekend met in acht neming van de verschillende eigen verantwoordelijkheden.

Voorbeelden van pro-actieve informatieverstrekking van de NZa aan de minister zijn marktmonitors (voor zover deze niet op verzoek van VWS worden uitgevoerd), adviezen, signaleringen en besluiten met financiële gevolgen op macroniveau. Ook voorgenomen persberichten of belangrijke ontwikkelingen in de organisatie en ontwerpafspraken met andere overheidsinstanties over afbakening van werkzaamheden of samenwerking zijn van belang voor de minister.

Onder de inlichtingen en gegevens waarvan de minister redelijkerwijs kan aannemen dat deze van belang zijn voor de taakuitoefening van de NZa zijn begrepen de voor de NZa relevante ontwerpen van wet- en regelgeving en beleidsregels (inclusief de toelichting daarop) en brieven aan het parlement of antwoorden op vragen van het parlement over onderwerpen die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden van de Zorgautoriteit. De minister zal de NZa hiervan tijdig (dat wil zeggen op een moment dat de NZa in staat wordt gesteld hierop adequaat in te springen) op de hoogte stellen. Ook wanneer de minister in gesprek is of gaat met (organisaties van) marktpartijen over toezichtgerelateerde onderwerpen, wordt de zorgautoriteit geïnformeerd over de agenda en de uitkomst van deze gesprekken.

Hoofdstuk 4 Openbaarmaking adviezen en signaleringen

Dit onderdeel van het statuut realiseert dat advisering van de NZa onafhankelijk is en ook openbaar wordt gemaakt, maar niet zonder dat de minister in staat wordt gesteld een passende (beleids-) reactie te geven op het advies of de signalering. Uitgangspunt daarbij is dat over alle adviezen en signaleringen reeds in een vroegtijdig stadium contact is geweest tussen VWS en de NZa zodat de minister voldoende in staat wordt gesteld om waar nodig een inhoudelijke beleidsreactie te formuleren.

Hoofdstuk 5 Coördinatie en periodiek overleg

Om de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de informatie-uitwisseling te bevorderen, zullen VWS en de NZa ieder een medewerker aanwijzen als aanspreekpunt voor de informatie-uitwisseling. Deze medewerkers dragen zorg voor de interne coördinatie van de informatievragen en -leveringen aan de andere partij. Deze medewerkers beheren samen de informatie-aanleverkalender. Omdat deze in de loop van het jaar kan worden aangepast zal adequaat versiebeheer plaatsvinden. Ook de procedures en uitgangspunten rondom het garanderen van de kwaliteit van de informatieleveringen behoort tot de aandachtspunten van deze medewerkers.

Alle informatievragen en -leveringen lopen via of met medeweten van deze medewerkers. Een werkbare situatie vereist ook dat naast de bovengenoemde aanspreekpunten ook de dossierhouders binnen de beide organisaties contact met elkaar hebben om de gestelde vragen of de geleverde informatie te kunnen toelichten. De coördinerende rol is daarom vooral bedoeld om de informatie-uitwisseling te stroomlijnen, om het overzicht te behouden zodat vragen niet dubbel worden gesteld en om te signaleren dat eventuele extra vragen de capaciteit van de beantwoordende partij teveel belasten.