De Minister van Economische Zaken,
Procesverloop
- Ascent Resources plc (hierna te noemen Ascent) heeft op 29 september
2005 een aanvraag voor een opsporingsvergunning ingevolge artikel 6, van de
Mijnbouwwet voor koolwaterstoffen voor blok P5 ingediend;
- Wintershall Noordzee B.V. (hierna te noemen Wintershall) en Dyas
B.V. hebben op 2 november 2005 een aanvraag ingediend om een opsporingsvergunning
ingevolge artikel 6, van de Mijnbouwwet (Stb. 2002, 542) voor koolwaterstoffen
voor blok P5, welk blok is aangegeven op de als bijlage 3 bij de Mijnbouwregeling
(Stcrt. 2002, 245) gevoegde kaart;
- Naar aanleiding van de onderhavige aanvragen is in het Publicatieblad
van de Europese Unie van 28 december 2005, nr. C 331, en in de Staatscourant
van 11 januari 2006, nr. 8, een uitnodiging geplaatst voor het indienen van
concurrerende aanvragen om een opsporingsvergunning voor het blok P5;
- Binnen de periode van dertien weken na plaatsing van bovenbedoelde
uitnodiging in het Publicatieblad van de Europese Unie is geen andere aanvraag
om een opsporingsvergunning voor dit blok ontvangen;
- TNO Bouw en Ondergrond, adviesgroep Economische Zaken en Staatstoezicht
op de mijnen hebben op verzoek van de Minister van Economische Zaken bij brieven
gedateerd op 29 mei 2006 en 1 juni 2006 advies uitgebracht;
- De Mijnraad heeft op 7 juli 2006 op basis van artikel 105, derde
lid, van de Mijnbouwwet advies uitgebracht (kenmerk MIJR/6050542).
Overwegingen:
- Voor het gebied waarvoor de opsporingsvergunning wordt aangevraagd
zijn geen opsporings-, winnings- of opslagvergunningen in werking;
- Wintershall heeft als operator ervaring met het opsporen en winnen
van koolwaterstoffen in Nederland. De vergunningaanvraag geeft een goede onderbouwing
van de geologische structuur. Het werkprogramma sluit goed aan op de onderkende
mogelijkheden voor exploratie;
- Ascent heeft in Nederland geen organisatie en de ervaring met betrekking
tot het verrichten van mijnbouwkundige activiteiten is gering. De onderbouwing
van de aanvraag en het werkprogramma zijn beperkt. Ascent wordt, gezien de
organisatie en ervaring in het buitenland, in staat geacht om opsporingsactiviteiten
in Nederland uit te kunnen voeren. De geologische onderbouwing en het werkprogramma
van Ascent zijn minder dan die van Wintershall;
- De Mijnraad adviseert de Minister van Economische Zaken de opsporingsvergunning
aan Wintershall en Dyas te verlenen in overeenstemming met het ingediende
werkprogramma voor een periode van 7 jaar;
- Gelet op bovenstaande adviezen en afwegingen en de criteria van
artikel 9, eerste lid onder a en b, van de Mijnbouwwet heeft verlening van
de opsporingsvergunning voor blok P5 aan Wintershall en Dyas B.V. de voorkeur;
Gelet op:
De artikelen 6, 7, 9, 11, 12, 15, 17, artikel 22, vijfde en zesde lid,
82 en 105, derde lid, van de Mijnbouwwet, alsmede artikel 1.3.7 van de Mijnbouwregeling;
Besluit:
Artikel 1
Aan Wintershall Noordzee B.V. en Dyas B.V. wordt een opsporingsvergunning
voor koolwaterstoffen verleend.
Artikel 2
De vergunning geldt voor het blok P5 als aangegeven op de kaart die als
bijlage 3 bij de Mijnbouwregeling is gevoegd.
Artikel 3
De vergunninghouder geeft uitvoering aan het werkprogramma dat onderdeel
uitmaakt van zijn op 2 november 2005 ingediende aanvraag.
Artikel 4
Wintershall Noordzee B.V. wordt aangewezen als de persoon die de feitelijke
werkzaamheden verricht of daartoe opdracht verleent.
Artikel 5
Energie Beheer Nederland B.V. wordt aangewezen als de vennootschap als
bedoeld in artikel 82 van de Mijnbouwwet.
Artikel 6
De vergunning geldt voor een tijdvak van zeven jaren, nadat de beschikking
onherroepelijk is geworden.
Artikel 7
De vergunning treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de
beschikking is bekendgemaakt.
Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvragers.
Van deze beschikking wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Tegen dit besluit kan degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit
is betrokken binnen 6 weken na verzending van dit besluit een gemotiveerd
bezwaarschrift indienen bij de Minister van Economische Zaken, Directie Wetgeving
en Juridische Zaken (ALP: L/1410), Postbus 20101, 2500 EC ’s-Gravenhage.
Dit besluit is verzonden op de in de aanhef vermelde datum.