Bestuursovereenkomst realisatie van werken Zuid-Willemsvaart

Bestuursovereenmonst tussen de Staat der Nederlanden, de Provincie Noord-Brabant, de gemeenten Eindhoven, Veghel, ’s-Hertogenbosch, Laarbeek, Son en Breugel en SRE, betreffende de realisatie van werken in en aan de Zuid-Willemsvaart

De ondergetekenden,

1. mw. drs. K.M.H. Peijs, minister van Verkeer en Waterstaat, handelende als bestuursorgaan en als vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden, hierna genoemd ‘de Staat’;

2. de heer dr. E.J. Janse de Jonge, gedeputeerde van de provincie Noord-Brabant, handelende ter uitvoering van het besluit van Provinciale Staten van 1 oktober 2004 inzake de vaststelling van de ‘Provinciale visie Brabantse vaarwegen 2004-2050’ en met gebruikmaking van de hem verleende machtiging ingevolge artikel 176, tweede lid, van de Provinciewet, hierna genoemd ‘de Provincie’;

3. de heer drs. H.J.A. van Merrienboer, wethouder verkeer en vervoer van de gemeente Eindhoven en gevolmachtigd op basis van artikel 171, tweede lid, van de Gemeentewet ter uitvoering van het besluit van de gemeenteraad d.d. 20 juni 2005,

4. de heer J.R.M. Kerkhof, wethouder ruimtelijke ordening, verkeer- en vervoersbeleid van de gemeente Veghel en gevolmachtigd op basis van artikel 171, tweede lid, van de Gemeentewet ter uitvoering van het besluit van de gemeenteraad d.d. 16 december 2004,

5. de heer dhr. G.J. Snijders, wethouder van de gemeente ’s-Hertogenbosch en gevolmachtigd op basis van artikel 171, tweede lid, van de Gemeentewet ter uitvoering van de besluiten van de gemeenteraad d.d. 21 december 2004 en 5 juli 2005,

6. de heer drs. J.H. Vereijken, wethouder financiën van de gemeente Laarbeek en gevolmachtigd op basis van artikel 171, tweede lid, van de Gemeentewet ter uitvoering van het besluit van de gemeenteraad d.d. 3 februari 2005,

7. de heer ir. J.C.H. Overbeek, wethouder ruimtelijke ontwikkeling, volkshuisvesting, verkeer en vervoer van de gemeente Son en Breugel en gevolmachtigd op basis van artikel 171, tweede lid, van de Gemeentewet ter uitvoering van het besluit van de gemeenteraad d.d. 24 februari 2005. (onder de voorwaarden c.q. voorbehouden opgenomen in het bijbehorende raadsvoorstel d.d. 8 februari 2005 van het college van burgemeester en wethouders)

De partijen als bedoeld onder 3 tot en met 7 worden hierna genoemd: ‘de Gemeenten’;

8. de heer drs. H.J.A. van Merrienboer, portefeuillehouder verkeer en vervoer van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven en gevolmachtigd op basis en ter uitvoering van het besluit 23 juni 2005 van de Regioraad, van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, hierna genoemd ‘SRE’;

De partijen als bedoeld onder 1 tot en met 8 worden hierna genoemd: ‘de Partijen’;

Overwegende dat:

- de Staat en de Provincie op 7 juli 2005 een ‘memorandum van overeenstemming’ (bijlage 1) hebben afgesloten, waarbij geconstateerd is dat de Staat en de Provincie ieder de intentie hebben uitgesproken maximaal € 30 miljoen in hun begroting te reserveren, en de Gemeenten, het Waterschap Aa en Maas en het bedrijfsleven langs de Zuid-Willemsvaart maximaal € 30 miljoen bijdragen aan de uitvoering van werken ter vervanging van de sluizen 4, 5 en 6 naar klasse IV, aanpassing van de Erpse brug, aanleggen van passageplaatsen en zwaaikommen;

- de Provincie, de Gemeenten, SRE, en het bedrijfsleven, het ondertekenen van een uitvoeringsconvenant ter uitvoering en financiering van de werken afhankelijk hebben gesteld van het standpunt over een opwaardering van de Zuid-Willemsvaart op het gedeelte tussen de Maas en Den Dungen tot een klasse IV vaarweg door de ministers van Verkeer en Waterstaat en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

- de minister van Verkeer en Waterstaat op 10 maart 2006 mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een standpunt heeft ingenomen inzake het project ‘Zuid-Willemsvaart, gedeelte Maas-Den Dungen’;

- de initiatieven omschreven in artikel 5 en 7 van het ‘memorandum van overeenstemming van 7 juli 2005’ voor Partijen in voldoende mate zijn genomen;

- Partijen hebben afgezien van de in artikel 5, lid c van het memorandum genoemde marktverkenning om inzicht te verkrijgen in de benodigde kosten van de werken. Partijen conformeren zich aan de door de Staat (Rijkswaterstaat, Dienst Noord-Brabant) opgestelde projectraming.

- het bedrijfsleven via intentieverklaringen aan de provincie Noord-Brabant heeft aangegeven te willen bijdragen aan de verbetering van de bereikbaarheid via de Zuid-Willemsvaart. De bedrijven Bavaria NV te Lieshout, Van Nieuwpoort Grint en Zand BV te Gouda, Ferm-O-Feed BV te Zeeland, A. Jansen BV te Nuenen, MBI te Veghel, Cehave Landbouwbelang Voeders BV te Veghel, Sondag Voeders BV te Veghel, Regionaal Overslag Centrum Veghel, ACR Logistics Netherlands BV te Veghel, Exel Groep Holding (Nederland) BV te Veghel zullen daarvoor gedurende10 jaar € 0,25 per via het water verplaatste ton (prijspeil 1 januari 2005) afdragen (bijlage: intentieverklaringen bedrijfsleven). De inning van de gelden zal plaatsvinden via de gemeentelijke havengelden.

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1. De Werken.

1. Onder ‘de Werken’ worden de volgende projecten en maatregelen verstaan:

- reconstrueren van de sluizen 4, 5 en 6 in de Zuid-Willemsvaart naar klasse IV;

- bouw van spuiwerken met een capaciteit van 18 m3/s, onder voorwaarde dat de Staat hiertoe een overeenkomst heeft gesloten met het Waterschap Aa en Maas.

2. De Staat zal zich inspannen tot het voorbereiden en uitvoeren van de Werken. De Staat streeft ernaar om de Werken zo spoedig mogelijk aan te vangen, met inachtneming van het bepaalde in deze overeenkomst.

Artikel 2. Uitvoering van de werken

1. Het opdrachtgeverschap van de Werken, alsmede het beheer en onderhoud berust bij de Staat.

2. De Staat zal de aanbestedingsdocumenten opstellen.

3. De Staat zal de aanbestedingsprocedure onder zijn (eind)verantwoordelijkheid voeren.

4. De Staat zal in haar aanbestedingsdocumenten een uiterste realisatietermijn opnemen. De Werken dienen uiterlijk 31 december 2014 gerealiseerd te zijn.

5. De Staat zal voorafgaand aan de biedingprocedure het conceptcontract en het programma van eisen ter goedkeuring aan de Provincie voorleggen. De Staat zal de biedingprocedure niet eerder starten dan na schriftelijke goedkeuring door de Provincie van het conceptcontract en het programma van eisen. De Provincie zal binnen drie weken op het verzoek om schriftelijke goedkeuring reageren.

Artikel 3. Financiering van de Werken

1. De kosten van de Werken (inclusief BTW) worden als volgt verdeeld:

a. De Staat: € 30 miljoen (prijspeil 1 januari 2005);

b. De Provincie: € 30 miljoen (prijspeil 1 januari 2005);

c. De Gemeenten en SRE tezamen: € 15,3 miljoen (prijspeil 1 januari 2005).

2. De onder de Werken vallende spuiwerken worden gefinancierd op grond van een afzonderlijk te sluiten overeenkomst tussen de Staat en Waterschap Aa en Maas.

3. De Provincie zal haar bijdrage en de bijdrage van de Gemeenten en SRE, waartoe Gemeenten en SRE zich hierbij verplichten tot betaling aan de Provincie in de maand maart van ieder genoemd jaar van de bijdrage, betaalbaar stellen aan de Staat. De bijdragen bedragen:

- De Provincie : € 30 miljoen;

- De gemeente Eindhoven: € 6 miljoen;

- De gemeente Veghel: € 3 miljoen;

- De gemeente ’s-Hertogenbosch: € 3 miljoen;

-De gemeente Laarbeek: € 0,8 miljoen;

- De gemeente Son en Breugel: € 0,5 miljoen;

- SRE: € 2 miljoen.

4. De Gemeenten en SRE dragen er zorg voor dat hun in lid 3 opgenomen bijdrage aan de Provincie zullen worden betaald.

5. De Provincie zal zorgdragen voor de ontvangst en doorbetaling van de bijdragen van de gemeenten en SRE aan de Staat.

6. De bedragen zoals genoemd in lid 3 zullen beschikbaar worden gesteld in een dusdanig ritme, dat Partijen ernaar streven dat de realisering van de Werken ongestoord voortgang kan vinden. Op basis van de resultaten van de gunning en de daarbij behorende masterplanning zullen Partijen gezamenlijk de hoogte van de jaarlijks te betalen bijdrage en het daarbij behorende betalingsritme vaststellen.

7. De betalingen van de Provincie aan de Staat worden verricht in het desbetreffende jaar, binnen een termijn van 30 dagen na daartoe van de Staat een declaratie te hebben ontvangen, onder verrekening van de IBOI index voor de grond-, weg- en waterbouw en overige overheidsinvesteringen vanaf 1 januari 2005.

8. De betalingen van de Gemeenten en SRE aan de Provincie worden verricht in het desbetreffende jaar, binnen een termijn van 30 dagen na daartoe van de Provincie een declaratie te hebben ontvangen.

9. Onverlet het bepaalde in deze overeenkomst is, indien de Provincie niet tijdig tot betaling overgaat van de in lid 3 genoemde bedragen, de Provincie aan de Staat de wettelijke rente verschuldigd.

10. Onverlet het bepaalde in deze overeenkomst is, indien de Gemeenten en SRE niet tijdig tot betaling overgaat naar de Provincie van de in lid 3 genoemde bedragen, de genoemde gemeenten en het SRE aan de Provincie wettelijke rente verschuldigd.

11. In het geval er financieel voordeel optreedt bij of ten gevolge van de aanbesteding van de Werken dan wel anderszins in de projectkosten dan zal het financiële voordeel binnen een half jaar na oplevering van de werken naar rato van de bijdrage van de Staat en de Provincie (de Gemeenten en SRE daaronder begrepen) aan hen worden terugbetaald.

12. De Staat zal de Provincie op diens verzoek alle inzichten verschaffen van het financiële verloop van het project. De Staat zal de Provincie halfjaarlijks rapporteren over de stand van zaken van het project in het bijzonder wat betreft de aspecten tijd/planning, geld en risicomanagement.

13. Partijen treden met elkaar in overleg indien zich na gunning overschrijdingen van het beschikbare budget voordoen. Zij zullen in goed overleg bezien welke maatregelen noodzakelijk zijn en zullen zonodig deze overeenkomst daaraan aanpassen.

Artikel 4. Beheer en onderhoud en bijkomende infrastructurele voorzieningen

De Staat en de Provincie zullen zich ertoe inspannen dat er, vóór beëindiging van deze overeenkomst, met het betrokken bedrijfsleven in een separate overeenkomst nadere afspraken worden vastgelegd over financiering van het beheer en onderhoud en bijkomende infrastructurele voorzieningen (waaronder de vervanging van de Erpse brug en het aanleggen van passageplaatsen en zwaaikommen) op en in het vaarweggedeelte tussen Veghel en Helmond.

Artikel 5. Planologische inpassing en vergunningen

1. De Provincie en de Gemeenten zullen voor zover passend binnen haar taken en bevoegdheden, bestuurlijke planologische medewerking verlenen aan het realiseren van de Werken.

2. De Staat, Provincie en gemeenten zullen zich, voor zover passend binnen hun taken en bevoegdheden, inspannen voor het tijdig beschikbaar stellen van benodigde vergunningen en overige besluiten ten behoeve van de Werken, behoudens overmacht door bezwaren van derden.

Artikel 6. Planschade en nadeelcompensatie

De Staat draagt het risico voor planschade en nadeelcompensatie, voor zover direct verband houdend met de uitvoering van de Werken.

Artikel 7. Onvoorziene omstandigheden

1. Partijen treden met elkaar in overleg indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van deze overeenkomst niet mag worden verwacht. Zij zullen in goed overleg bezien voor wiens rekening de onvoorziene omstandigheden behoren te komen en zullen zonodig deze overeenkomst daaraan aanpassen.

2. Partijen merken als onvoorziene omstandigheid in elk geval aan de situatie dat formele regelingen of besluiten leiden tot de niet of slechts gedeeltelijke goedkeuring, de schorsing of de vernietiging van besluiten die uit deze overeenkomst voortvloeien, één en ander met inbegrip van wijzigingen van regelingen, beleidswijzigingen of onherroepelijke beslissingen van een overheid of rechterlijke instantie.

Artikel 8. Ontbindende voorwaarde

1. Indien de Staat na overleg met de Provincie tot de door de private partijen gedane biedingen besluit dat de aanleg van de Werken niet haalbaar is binnen het beschikbare budget, is de Staat gerechtigd tot ontbinding van de overeenkomst. Dit kan echter alleen dan plaatsvinden, nadat er overleg heeft plaatsgevonden tussen de Partijen.

2. Elk der Partijen is gerechtigd deze overeenkomst geheel of gedeeltelijk buiten rechte te ontbinden wanneer onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 7 ertoe leiden dat de nakoming van de in deze overeenkomst aangegane verplichtingen geheel of gedeeltelijk redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd. Partijen treden voordat hiertoe wordt overgegaan eerst in overleg met elkaar.

Artikel 9. Geschillenregeling

1. Op deze overeenkomst is het Nederlands recht van toepassing.

2. Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van deze overeenkomst zullen worden beslecht door de bevoegde burgerlijke rechter te Den Haag. Er is sprake van een geschil zodra één van de Partijen dit schriftelijk aan de andere partijen meldt. Partijen dienen hierop met elkaar in overleg te treden teneinde te bezien of in der minne een oplossing voor dit geschil kan worden bereikt.

Artikel 10. Looptijd van de overeenkomst

1. Deze overeenkomst treedt in werking op de dag van ondertekening van deze overeenkomst en eindigt uiterlijk op de datum dat de financiële afwikkeling conform het bepaalde in deze overeenkomst heeft plaatsgevonden, maar niet eerder dan nadat de Werken, met inachtneming van de onderhoudstermijnen van de aannemer, zijn opgeleverd.

2. Rechtsgevolgen welke voortvloeien uit deze overeenkomst en die naar hun aard geacht worden door te werken of eventueel ontstaan na de beëindiging van deze overeenkomst, worden afgehandeld overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst.

Artikel 11. Slotbepalingen

1 Indien bepalingen uit deze overeenkomst afwijken van of strijdig zijn met eerder ten aanzien van tussen de partijen gemaakte afspraken, hoe ook genaamd, gelden de bepalingen uit deze overeenkomst.

2. Alle correspondentie tussen partijen zal in beginsel worden gericht aan:

Provincie Noord-Brabant

t.a.v. directie Economie & Mobiliteit

Postbus 90151

5200 MC ’s-Hertogenbosch

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

t.a.v. Hoofd-ingenieur Directeur van de regionale Directie Noord-Brabant van de Rijkswaterstaat

Postbus 90157

5200 MJ ’s-Hertogenbosch

3. De bijlagen bij deze overeenkomst vormen daarvan een integraal onderdeel.* Ingeval van strijdigheid tussen het bepaalde in een bijlage en de overeenkomst prevaleert de overeenkomst.

4. Indien een bepaling van deze overeenkomst in enige mate als nietig, vernietigbaar, ongeldig, onwettig of anderszins als niet-bindend moet worden beschouwd, zal die bepaling, voorzover nodig, uit deze overeenkomst worden verwijderd en worden vervangen door een bepaling die wél bindend en rechtsgeldig is en die de inhoud van de niet-geldige bepaling zoveel als mogelijk benadert. Het overige deel van de overeenkomst blijft in een dergelijke situatie ongewijzigd.

5. Binnen tien werkdagen na ondertekening van deze overeenkomst wordt de zakelijke inhoud daarvan door de Staat gepubliceerd in de Staatscourant.

Aldus opgemaakt en in achtvoud ondertekend,

te Oss, 22 september 2006.

De Staat,
de minister van Verkeer en Waterstaat,K.M.H. Peijs.
De Provincie,
gedeputeerde Infrastructuur en Mobiliteit,
E.J. Janse de Jonge.
De gemeente Eindhoven,
de wethouder verkeer en vervoer,
H.J.A. van Merrienboer.
De gemeente Veghel,
de wethouder ruimtelijke ordening, verkeers- en vervoersbeleid,
J.R.M. Kerkhof.
De gemeente ’s-Hertogenbosch,
de wethouder verkeer en vervoer,
G.J. Snijders.
De gemeente Laarbeek,
de wethouder financiën,
J.H. Vereijken.
De gemeente Son en Breugel,
de wethouder ruimtelijke ontwikkeling, volkshuisvesting, verkeer en vervoer,
J.C.H. Overbeek.
Samenwerkingsverband
regio Eindhoven,
de portefeuillehouder verkeer en vervoer,
H.J.A. van Merrienboer.

* Bijlage 1, Memorandum van overeenstemming tussen de Staat der Nederlanden en de provincie Noord-Brabant, d.d. 7 juli 2005, is gepubliceerd in Staatscourant 2005, nr. 220.

Bijlage 2, Intentieverklaringen bedrijfsleven, wordt hier niet opgenomen.

Naar boven