Mandaatregeling directeuren DJI 2006

Regeling van de sectordirecteuren en stafdirecteuren van de Dienst Justitiële Inrichtingen van 29 augustus 2006, 5384287/06/DJI, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan onder hen ressorterende directeuren (Mandaatregeling directeuren DJI 2006)

De sectordirecteuren en stafdirecteuren Dienst Justitiële Inrichtingen,

Gelet op artikel 2 van de Mandaatregeling sectordirecteuren en stafdirecteuren DJI 2006;

Besluiten:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. hoofddirecteur: de hoofddirecteur Dienst Justitiële Inrichtingen;

b. sectordirecteur: de sectordirecteur Gevangeniswezen, de sectordirecteur Justitiële Jeugdinrichtingen, de sectordirecteur TBS of de directeur Tijdelijke Directie Bijzondere Voorzieningen;

c. stafdirecteur: de directeur Concernstaf Bedrijfsvoering, de wnd directeur Concernstaf Bedrijfsvoering (portefeuillehouder Personeel en Organisatie), de directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid en de wnd directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid;

d. directeur: het hoofd van dienst van een cluster, inrichting of dienst;

e. cluster: een verzameling van penitentiaire inrichtingen die aangemerkt wordt als een bestuurlijke eenheid binnen de sector Gevangeniswezen van de Dienst Justitiële Inrichtingen;

f. inrichting: een justitiële jeugdinrichting, tbs-kliniek, detentiecentrum of uitzetcentrum die ressorteert onder de Dienst Justitiële Inrichtingen;

g. dienst: het Opleidingsinstituut DJI, ICT Services DJI, een regionaal gevestigd onderdeel van het Shared Service Center DJI.

Artikel 2

1. Van het ingevolge artikel 2 van de Mandaatregeling sectordirecteuren en stafdirecteuren DJI 2006 aan de sectordirecteuren en stafdirecteuren verleende ondermandaat wordt ondermandaat verleend aan de directeuren en aan projectleiders die door de sectordirecteur of de stafdirecteur krachtens hun bevoegdheid bij separaat besluit zijn aangewezen, ten aanzien van de aangelegenheden die hun cluster, inrichting, dienst of project betreffen;

2. Van het ingevolge artikel 2 van de Mandaatregeling sectordirecteuren en stafdirecteuren DJI 2006 aan de sectordirecteuren en stafdirecteuren verleende ondermandaat wordt door de sectordirecteur Gevangeniswezen ondermandaat verleend aan de plv sectordirecteur Gevangeniswezen betreffende door de sectordirecteur Gevangeniswezen krachtens hem toekomende bevoegdheid vastgestelde taken.

3. Van het ingevolge artikel 2 van de Mandaatregeling sectordirecteuren en stafdirecteuren DJI 2006 aan de sectordirecteuren en stafdirecteuren verleende ondermandaat wordt door de sectordirecteur TBS ondermandaat verleend aan het hoofd van de afdeling Individuele tbs-zaken (ITZ) van de sector TBS voor zover het betreft beslissingen ten aanzien van:

a. plaatsing en overplaatsing van ter beschikking gestelden als bedoeld in hoofdstuk III van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;

b. verlenging van de termijnen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en artikel 76, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet;

c. het verlenen van de machtiging voor het toekennen van verlof en proefverlof aan ter beschikking gestelden als bedoeld in Hoofdstuk XI van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;

d. administratieve handelingen naar aanleiding van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

Artikel 3

1. Aan de sectordirecteur of stafdirecteur blijft voorbehouden:

a. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten van kwantitatieve of kwalitatieve aard betreffende functies die zijn of dienen te worden ingedeeld in salarisschaal 12 of hoger van bijlage B het BBRA 1984.

b. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten betreffende een herinrichting van de organisatie van (een deel van) een cluster, de inrichting of de dienst die leiden tot inhoudelijke, kwalitatieve of kwantitatieve wijzigingen van de onder het eerste lid genoemde functies.

c. onverminderd artikel 3, onder b, van de Mandaat regeling sectordirecteuren en stafdirecteuren DJI 2006, de bevoegdheid tot het nemen van besluiten inzake de rechtspositie van individuele medewerkers wier functie is of wordt ingedeeld in salarisschaal 14 en hoger van bijlage B van het BBRA 1984.

d. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten die afwijken van door het Bureau Integriteit en Veiligheid aan de directeur afgegeven adviezen naar aanleiding van uitgevoerde antecedenten- en/of veiligheidsonderzoeken.

2. Aan de directeur Concernstaf Bedrijfsvoering blijft voorbehouden:

a. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten van kwantitatieve of kwalitatieve aard betreffende functies binnen het Shared Service Center DJI.

b. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten betreffende een inrichting van de organisatie van het Shared Service Center DJI dan wel een regionaal gevestigd onderdeel daarvan.

Artikel 4

1. De directeur maakt ten behoeve van het nemen van de aan hem gemandateerde besluiten op het gebied van functiewaardering, alsmede voor het doen van waarderingsvoorstellen van niet binnen het mandaat vallende functies, gebruik van deskundig personeel op het gebied van formatiemanagement.

2. De directeur draagt zorg voor een deugdelijke administratie van de inrichting van de organisatie, de kwantitatieve en kwalitatieve invulling van de organieke formatie, de bezetting van die formatie en de totale ingezette personele capaciteit.

3. De administratie bevat minimaal:

a. de besluiten of het besluit waarin (gedeelten van) de inrichting van de vigerende organisatie en de vigerende organieke formatie zijn vastgelegd, inclusief de organisatie- en formatierapporten en andere toelichtingen waarop de besluiten zijn gebaseerd;

b. een kwantitatief en kwalitatief overzicht van de bezetting van de organieke formatie, alsmede de totaal ingezette personeelscapaciteit.

Artikel 5

Ten aanzien van het in artikel 2 bedoelde mandaat gelden de volgende instructies betreffende de bevoegdheid tot het opleggen van strafontslag, zoals bedoeld in artikel 81, eerste lid, onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement:

a. over het voornemen tot het opleggen strafontslag, wordt schriftelijk advies gevraagd aan het Shared Service Center Zuidwest;

b. een afschrift van het genomen besluit wordt vergezeld van het advies van het Shared Service Center Zuidwest aan de hoofddirecteur gezonden.

Artikel 6

Onverminderd artikel 3, tweede lid, van de Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2005, kunnen directeuren geen ondermandaat verlenen tot het nemen van besluiten tot:

a. het opdragen van een andere functie anders dan met schriftelijke instemming van betrokkene;

b. het beëindigen van een aanstelling in vaste dienst anders dan op aanvraag van betrokkene of wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van betrokkene;

c. het nemen van een beslissing op bezwaar.

Artikel 7

Ingeval van beroep tegen een door de directeur genomen beslissing op bezwaar of een besluit van een onder de directeur ressorterende functionaris, is de directeur bevoegd om:

a. in naam van de Minister van Justitie hoger beroep in te stellen, een verzoek in te dienen tot het treffen van een voorlopige voorziening en een verzoek in te dienen tot herziening van die uitspraak;

b. als gemachtigde van de Minister van Justitie op te treden of een gemachtigde van de Minister van Justitie aan te wijzen.

Artikel 8

De directeur legt periodiek verantwoording af over de door hen krachtens deze regeling genomen besluiten en over het bij die besluiten gevoerde beleid.

Artikel 9

Het Mandaatbesluit personele aangelegenheden directeuren DJI van 13 december 2001 wordt ingetrokken.

Artikel 10

Deze regeling treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 20 juli 2005.

Artikel 11

Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatregeling directeuren DJI 2006.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 29 augustus 2006.
De sectordirecteur Gevangeniswezen,
P.J.M. van der Sande.
De sectordirecteur Justitiële Jeugdinrichtingen,
B.G.M. Geerdink.
De sectordirecteur TBS,
J.J. Martini.
De directeur Tijdelijke Directie Bijzondere Voorzieningen,
B.C. Kroon.
De directeur Concernstaf Bedrijfsvoering,
P. Scholte.
De directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid,
R.G. Beek.
De wnd directeur Concernstaf Bedrijfsvoering,
M. Dijkstra.
De wnd directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid,
M. Brandsma.

Toelichting

Inleiding

Met deze mandaatregeling wordt het Mandaatbesluit personele aangelegenheden directeuren DJI van 13 december 2001 ingetrokken. De onderhavige mandaatregeling is vastgesteld op grond van de nieuwe Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties Justitie 2005 en de daarop gebaseerde Mandaatregeling sectordirecteuren en stafdirecteuren DJI 2006.

Het verleende mandaat aan de directeuren betreft een algemeen mandaat. Dat betekent dat het in tegenstelling tot het verleden niet alleen de personele bevoegdheden regelt, maar tevens ook alle overige bevoegdheden met betrekking tot de onder deze directeuren ressorterende clusters, inrichtingen of diensten.

Algemeen

Sinds 1 januari 1998 zijn over mandaat regels vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij is onder andere het volgende bepaald:

• Mandaat is de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen (artikel 10:1). Een door de gemandateerde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid genomen besluit geldt als besluit van de mandaatgever (artikel 10:2);

• Mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift kan niet worden verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen (artikel 10:3);

• Een bestuursorgaan kan een algemeen mandaat verlenen of een mandaat voor een bepaald geval. Een algemeen mandaat moet schriftelijk worden verleend (artikel 10:5). Een mandaat voor een bepaald geval kan schriftelijk of mondeling worden verleend. Om bewijstechnische redenen verdient een schriftelijk mandaat de voorkeur;

• De mandaatgever kan de gemandateerde ter zake van de gemandateerde bevoegdheid per geval of in het algemeen instructies geven die de gemandateerde moet opvolgen. De gemandateerde moet de mandaatgever desgevraagd inlichtingen verstrekken over de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid (artikel 10:6);

• De mandaatgever blijft te allen tijde bevoegd om zelf de gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen (artikel 10:7);

• De mandaatgever is te allen tijde bevoegd om het mandaat geheel of gedeeltelijk te beëindigen (artikel 10:8);

• De gemandateerde kan slechts ondermandaat verlenen met toestemming van de mandaatgever. Op ondermandaat zijn van overeenkomstige toepassing de bepalingen inzake mandaat (artikel 10:9);

• In een krachtens mandaat genomen besluit moet duidelijk tot uitdrukking komen namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen (artikel 10:10). Dat geschiedt door het besluit als volgt te ondertekenen:

De Minister van Justitie,

namens deze,

de [functie] [organisatie-eenheid]

Teneinde onnodige doublures te voorkomen zijn in de mandaatregeling geen zaken geregeld die al bij wet zijn geregeld. Het mag echter duidelijk zijn dat de directeur of het hoofd de hem gemandateerde bevoegdheden moet uitoefenen met inachtneming van de regels die gelden voor de gehele rijksdienst en met inachtneming van door of vanwege de minister van Justitie vastgestelde regels en beleidsregels en gegeven algemene en specifieke aanwijzingen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1, aanhef en onder g

Door het opnemen in de definitiebepaling van de zinsnede ’regionaal gevestigd onderdeel van het Shared Service Center DJI’ wordt tot uitdrukking gebracht dat binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen één Shared Service Center fungeert, bestaande uit (vijf) regionaal gevestigde onderdelen.

Artikel 2

In dit artikel wordt het zogenaamde ‘algemeen mandaat’ verleend aan de directeuren en door de sectordirecteuren of stafdirecteuren bij separaat besluit aangewezen projectleiders. Een specifiek ondermandaat aan de plv sectordirecteur GW en het hoofd ITZ staan vermeld in respectievelijke het tweede en derde lid. Daarnaast gelden vanzelfsprekend de regels die gelden voor de gehele rijksdienst en met inachtneming van door of vanwege de minister van Justitie vastgestelde regels en beleidsregels en gegeven algemene en specifieke instructies.

Mandaat personeelsmanagement

Het in artikel 2 verleende mandaat omvat ook het mandaat ten aanzien van de zogenaamde personele aangelegenheden. Denk hierbij aan de bevoegdheid om besluiten te nemen ten aanzien van:

a. de inrichting van de organisatie en de kwantitatieve en kwalitatieve invulling van de organieke formatie;

b. het beleid gericht op het bevorderen van optimale arbeidsomstandigheden en het voldoen aan de overige verplichtingen die bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet aan een werkgever worden opgelegd;

c. het overige personeelsbeleid;

d. de rechtspositie van individuele medewerkers.

Op grond van artikel 2 is de directeur bevoegd tot het vaststellen van het binnen het cluster, de inrichting of de dienst te voeren arbeidsomstandigheden- en personeelsbeleid. Bijvoorbeeld ten aanzien van de werving en selectie, de opleiding en vorming, de personeelsinzet, het houden van functioneringsgesprekken en het bevorderen van de mobiliteit en de brede inzetbaarheid. Bij de uitvoering van deze bevoegdheid gelden vanzelfsprekend de centraal voorgeschreven beleidskaders.

De directeur is de eindverantwoordelijke voor het organisatie- en formatiemanagement van het cluster, de inrichting of de dienst en wordt ook als zodanig (als enige binnen het cluster, de inrichting of de dienst) door de sectordirecteur of de stafdirecteur benaderd. Verdere decentralisatie van dit management naar een lager niveau dan dat van de directeur is niet wenselijk in verband met de gewenste uniformiteit in het organisatie- en formatiebeheer, de benodigde afstand tussen gemandateerde en mandaatgebied en de zorg voor de benodigde deskundigheid.

Plv sectordirecteur Gevangeniswezen

In artikel 2, tweede lid, is opgenomen dat de plv sectordirecteur Gevangeniswezen een mandaat krijgt. Dit wordt specifiek voor de plv. sectordirecteur Gevangeniswezen geregeld omdat dit binnen DJI de enige functie betreft die als zodanig zelfstandig is vormgegeven. Dit mandaat betekent dat deze ten aanzien van bepaalde taken dezelfde bevoegdheden krijgt als de sectordirecteur Gevangeniswezen zelf heeft. Het mandaat vloeit voort uit de verdeling van taken tussen de sectordirecteur en diens plaatsvervanger. De taakverdeling wordt schriftelijk vastgelegd. Dit mandaat laat onverlet dat de plaatsvervanger ook tekenbevoegdheid heeft als plaatsvervanger van de sectordirecteur.

Hoofd ITZ sector TBS

In artikel 2, derde lid, is opgenomen dat binnen de sector TBS het hoofd van de afdeling Individuele tbs-zaken (ITZ) mandaat krijgt voor een aantal specifieke bevoegdheden uit de Beginselenwet ter beschikking gestelden (Bvt). Artikel 6, tweede lid, van de Bvt bevat een bepaling inzake mandaatverlening, waarmee de minister van Justitie mandaat kan verlenen inzake de uitvoering van het opperbeheer van de rijksinrichtingen alsmede betreffende de hem bij of krachtens de Bvt toegekende overige bevoegdheden aan de hoofddirecteur (het hoofd van de) Dienst Justitiële Inrichtingen. Deze bevoegdheden worden door de sectordirecteur TBS deels gelegd bij het hoofd van de afdeling ITZ. Deze vervult in dit opzicht een vergelijkbare functie als de selectiefunctionaris die krachtens de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in overwegende mate individuele beslissingen jegens justitieel ingeslotenen neemt in de overige sectoren.

Artikel 3

De rechtspositie van medewerkers

Op grond van artikel 3, eerste lid, onder c, zijn de directeuren en projectleiders niet bevoegd om rechtspositionele besluiten te nemen ten aanzien van functionarissen in schaal 14 en hoger. Wel zijn zij bevoegd om ten aanzien van de bij hun dienstonderdeel aangestelde ambtenaren rechtspositionele besluiten te nemen indien deze zijn of worden ingedeeld in schaal 13 of lager van het BBRA 1984. Bij circulaire kunnen nadere beperkingen of aanwijzingen worden vastgesteld.

Formatie

Er zijn drie soorten formaties te onderscheiden:

1. de normatieve formatie die wordt bepaald aan de hand van kwantitatieve en kwalitatieve formatienormen;

2. de organieke (of geplande) formatie, dat wil zeggen de formatie zoals die formeel (onder meer in het personeelsinformatiesysteem) is vastgelegd;

3. de gerealiseerde formatie (of bezetting), dat wil zeggen de feitelijke invulling van de organieke formatie.

De normatieve formatie wordt centraal beheerd en ligt onder meer ten grondslag aan de berekening van de (normatieve) kostprijzen van de producten van de clusters, inrichtingen en diensten.

De directeur is krachtens de voorliggende mandaatregeling bevoegd om besluiten te nemen ten aanzien van de organieke formatie van zijn cluster, inrichting of dienst. Deze bevoegdheid omvat het binnen de daartoe aangereikte kaders en met toepassing van de centraal ontwikkelde normen en standaarden vormgeven van de structuur van de formatie, het vormgeven van de functies, het waarderen van de functies en de kwantitatieve toedeling van functies. De directeur laat zich in deze adviseren door deskundigen van het Shared Service Center Zuidwest. Bij dit Shared Service Center is de landelijke adviserings- en ondersteuningsfunctie ondergebracht op het gebied van de organisatie, formatie en competenties ten behoeve van de clusters, inrichtingen en diensten.

Opgemerkt wordt dat bevoegdheden, die zijn voorbehouden aan de hoofddirecteur en dus niet zijn opgenomen in het mandaat van de sectordirecteuren en stafdirecteuren uit dien hoofde uiteraard niet doorgemandateerd zijn naar de directeuren. Het wijzigen en/of opnieuw vaststellen van functies uit het zogenaamde functielandschap (sleutelfuncties) is hiervan een voorbeeld.

Het mandaat omvat niet de bevoegdheid om besluiten van kwalitatieve of kwantitatieve aard te nemen betreffende functies die behoren tot de topstructuur van een cluster, inrichting of dienst. In artikel 3, onder a, zijn van het mandaat immers uitgezonderd besluiten betreffende functies die zijn of dienen te worden ingedeeld in salarisschaal 12 BBRA 1984 of hoger. Ten overvloede zij opgemerkt dat deze uitzondering bijvoorbeeld ook geldt ten aanzien van besluiten om een functie die is ingedeeld in salarisschaal 11 BBRA 1984 of lager, in verband met een wijziging van de functie te gaan indelen in salarisschaal 12 BBRA 1984 of hoger.

Uit bovenstaande vloeit voort dat het mandaat ook niet de bevoegdheid bevat om besluiten te nemen aangaande de herinrichting van de organisatie of een deel van de organisatie van een cluster, inrichting of dienst, die een inhoudswijziging, een wijziging van de schaalindeling of een kwantitatieve wijziging van de van het mandaat uitgesloten functies inhouden. Dit geldt ook indien door de organisatiewijziging één of meer functies, die vroeger lager waren ingedeeld dan schaal 12 BBRA 1984, in schaal 12 BBRA 1984 of hoger moeten worden ingedeeld. Nieuwe functies in schaal 12 BBRA 1984 en hoger zijn eveneens uitgesloten.

Een specifieke regeling is neergelegd in artikel 3, tweede lid. Op grond van artikel 3, tweede lid, blijft de bevoegdheid tot het nemen van besluiten van kwantitatieve of kwalitatieve aard en betreffende een inrichting van de organisatie van (een regionale gevestigd onderdeel van) het Shared Service Center DJI voorbehouden aan de directeur Concernstaf Bedrijfsvoering.

De reden hiervoor is gelegen in het belang dat binnen DJI wordt gehecht aan uniformering van bedrijfsprocessen en de zienswijze dat sprake is van één SSC-organisatie.

Bij het vaststellen van de formatie door de directeur moeten de verhoudingen tussen de waarderingen van de rijksfuncties gehandhaafd blijven door toepassing van het rijksfunctiewaarderingssysteem Fuwasys.

Het formatiebeheer van de directeur moet in overeenstemming zijn met het DJI-brede beleid en gericht te zijn op de bewaking en bevordering van het effectief en doelmatig toedelen en inzetten van de personele capaciteit. Het dient aldus aan te sluiten op de kwantitatieve en kwalitatieve kaders die ten aanzien van de producten van de inrichtingen zijn gesteld alsmede op de kwantitatieve en kwalitatieve normen die ten grondslag liggen aan de bepaling van de kostprijzen.

Afwijken van adviezen BI&V inzake screening personeel

Het Bureau Integriteit en Veiligheid (BI&V) heeft in algemene zin tot taak om op basis van het DJI-brede integriteitsbeleid een bijdrage te leveren aan de integriteit, veiligheid en betrouwbaarheid van de DJI en haar medewerkers. Met de instelling van het BI&V besloten om beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de screening van het personeel van DJI. Deze regels zijn vastgelegd in de circulaire ‘screening personeel’ van 9 januari 2003, kenmerk 5195519/02/dji.

Het BI&V behandelt alle aanvragen voor een antecedentenonderzoek binnen de DJI organisatie. Het BI&V brengt advies uit aan de opdrachtgever. Indien wordt afgeweken van dit advies wordt daarvan altijd mededeling gedaan aan het BI&V. Naast deze mededelingsplicht is de bevoegdheid om af te wijken van het door BI&V uitgebrachte advies uitdrukkelijk voorbehouden aan de sectordirecteur of stafdirecteur (artikel 3, eerste lid, onder d). Indien een directeur wil afwijken van het advies van BI&V legt deze een gemotiveerd verzoek, vergezeld van het advies van BI&V, voor aan de sectordirecteur of stafdirecteur.

Artikel 4

De directeur moet op grond van artikel 4 zorgdragen voor een goede administratie van de inrichting van de organisatie en de organieke formatie van zijn cluster, inrichting of diensten van de feitelijke bezetting daarvan, alsmede de totale ingezette personele capaciteit (dus inclusief overwerk en inhuur). In de praktijk btekent dit dat deze taak wordt verricht door het shared service center van de regio waartoe zijn cluster, inrichting of dienst behoort. Hierbij dient uiteraard gebruik gemaakt te worden van de voorgeschreven informatiesystemen overeenkomstig de daaromtrent gestelde voorschriften. Deze administratie moet het mogelijk maken dat de door de directeur genomen besluiten en het daaraan ten grondslag liggende beleid toetsbaar zijn.

De administratie zal in de praktijk met name bestaan uit organisatie- en formatierapporten en een gedeelte van de databestanden van de personele en financiële registratie- en informatiesystemen. Een organisatie- en formatierapport bevat minimaal de volgende onderdelen:

1. aanleiding organisatie- en formatiewijziging;

2. gekozen benaderingswijze voor de wijziging, inclusief onderbouwing;

3. hiermee samenhangende keuze van de inrichting en structuur van de organisatie, inclusief onderbouwing;

4. de beschrijving van de bijbehorende formatie, inclusief toelichting;

5. de kwantificering en kwalificering van de formatie;

6. beschrijvingen van nieuwe en gewijzigde functies in functiedocumenten;

7. de functiewaarderingen met onderbouwingen;

8. de financiële consequenties voor de kostprijzen, de begroting en de meerjarenraming.

Bij een wijziging van een enkele functie in de formatie of het toevoegen van een enkele functie aan de formatie kan veelal worden volstaan met een korte toelichting, waarin enkele onderwerpen van een organisatie- en formatierapport zijn opgenomen.

Artikel 5

In artikel 5 worden met betrekking tot de bevoegdheid tot het verlenen van strafontslag nadere instructies gegeven:

a. ten aanzien van het voornemen tot het opleggen van strafontslag, dient schriftelijk advies van de sectie rechtspositie en arbeidsvoorwaarden van het Shared Service Center Zuidwest, te worden gevraagd;

b. een afschrift van het uiteindelijk genomen besluit (ook als niet tot strafontslag is overgegaan) dient vergezeld van het advies van het Shared Service Center Zuidwest aan de hoofddirecteur te worden gezonden.

Artikel 6

Ondermandaat algemeen

In artikel 3, tweede lid, van de Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2005 is de bevoegdheid neergelegd om verleende ondermandaten verder door te verlenen in de ambtelijke hiërarchie. De bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat staat daarom niet vermeld in deze mandaatregeling.

Bij elke doormandatering kunnen door de doorverlenende functionaris bepaalde bevoegdheidsvoorbehouden worden gemaakt. Ten aanzien van het in artikel 2 verleende mandaat is een bevoegdheidvoorbehoud gemaakt. Het verlenen van ondermandaat kan niet omvatten de bevoegdheid tot het nemen van een de “zware” besluiten, en tot het nemen van een beslissing op een bezwaarschrift.

Binnen deze grenzen staat het de directeur vrij om te bepalen aan welke functionarissen hij welk ondermandaat verleent. Zeker bij grote inrichtingen ligt het in de rede om niet alleen aan de leden van het managementteam ondermandaat te verlenen maar ook aan de leden van het middenkader. Uiteraard dient daarbij de reikwijdte van het ondermandaat te worden afgestemd op de aard en het niveau van de betrokken functionaris. Zo zal het ondermandaat aan een locatiedirecteur of een unitdirecteur veel verder kunnen reiken dan het ondermandaat aan een afdelingshoofd.

Indien een voorgenomen besluit tot verlening van een ondermandaat of tot wijziging van een reeds verleend ondermandaat zal leiden tot een belangrijke wijziging in de verdeling van de bevoegdheden binnen het cluster, de inrichting of de dienst, dient het voorgenomen besluit tijdig voor advies te worden voorgelegd aan de lokale ondernemingsraad (artikel 25, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet op de ondernemingsraden).

Beslissing op bezwaar

Uit artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat de directeur niet bevoegd is om te beslissen op een bezwaar dat is gericht tegen een door hem genomen besluit. Een dergelijke beslissing wordt genomen door de betrokken sectordirecteur of stafdirecteur dan wel de hoofddirecteur. Omdat dit verbod bij wet is geregeld is het niet (meer) opgenomen in de mandaatregeling. Teneinde de eenheid van beleid binnen een inrichting te bevorderen mag de directeur op grond van artikel 6, onder c, geen ondermandaat verlenen tot het nemen van beslissingen op bezwaar. Alle beslissingen op bezwaarschriften betreffende besluiten die zijn genomen door onder de directeur ressorterende functionarissen, moeten gelet hierop door de directeur worden genomen.

Artikel 7

In gevallen waarin bij de rechtbank beroep wordt ingesteld tegen een door de directeur genomen beslissing op bezwaar of tegen een door een onder hem ressorterende functionaris genomen (primair) besluit, is de directeur bevoegd om in naam van de minister van Justitie hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep tegen de uitspraak van de rechtbank inzake het beroep. Gelijktijdig kan de directeur de Centrale Raad van Beroep verzoeken om ter zake van de uitspraak van de rechtbank een voorlopige voorziening te treffen. Verder kan de directeur aan de rechtbank of de Centrale Raad van Beroep verzoeken om een onherroepelijk geworden uitspraak van de rechtbank of de Centrale Raad van Beroep betreffende de hiervoor bedoelde besluiten, wegens nieuwe feiten te herzien. De directeur is in genoemde gevallen tevens bevoegd om als gemachtigde van de minister van Justitie op te treden dan wel een gemachtigde aan te wijzen. In gevallen waarin de directeur het primaire besluit heeft genomen, komen genoemde bevoegdheden toe aan de sectordirecteur of de stafdirecteur.

Artikel 8

In het kader van de planning en control geeft artikel 6 een instructie op grond van artikel 10:6, tweede lid, van de Awb. Afspraken dienen te worden gemaakt over de wijze waarop de in artikel 8 bedoelde verantwoording door de directeur moet worden afgelegd. Bij het afleggen van verantwoording moet het organisatie- en formatiebeheer worden belicht vanuit de invalshoek van organisatie, functiewaardering en begrotingsuitvoering. Indien de gerealiseerde personeelskosten over een jaar wezenlijk afwijken van de personele component van het totaal aan kostprijzen over hetzelfde jaar dient hiervoor een verklaring te worden geleverd.

Bij de verantwoording zal minimaal gebruik moeten worden gemaakt van:

a. jaarplannen, voor wat betreft de plannen aangaande organisatie- en formatiewijzigingen;

b. jaarverslagen, voor wat betreft de beschrijving van ingevoerde organisatie- en formatiewijzigingen;

c. het meerjarenbeleidsplan, voor wat betreft het aangeven van voorgenomen majeure organisatie- en formatiewijzigingen;

d. formatieve gegevens uit de personeelsinformatiesystemen.

Uiteraard laat artikel 8 onverlet dat de sectordirecteur of stafdirecteur te allen tijde de directeur tussentijds om verantwoording kan vragen en audits kan laten uitvoeren.

Artikel 10

Op 20 juli 2005 is de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties Justitie 2005 in werking getreden. Vanaf die datum is hieraan binnen de organisatie, in afwachting van de totstandkoming van de onderhavige regeling, praktisch uitvoering gegeven. Deze regeling kent daarom terugwerkende vanaf de datum dat de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties Justitie 2005 in werking is getreden.

’s-Gravenhage, 29 augustus 2006.

De sectordirecteur Gevangeniswezen,

P.J.M. van der Sande.

De sectordirecteur Justitiële Jeugdinrichtingen,

B.G.M. Geerdink.

De sectordirecteur TBS,

J.J. Martini.

De directeur Tijdelijke Directie Bijzondere Voorzieningen,

B.C. Kroon.

De directeur Concernstaf Bedrijfsvoering,

P. Scholte.

De directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid,

R.G. Beek.

De wnd directeur Concernstaf Bedrijfsvoering,

M. Dijkstra.

De wnd directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid,

M. Brandsma.

Naar boven