Mandaatregeling sectordirecteuren en stafdirecteuren DJI 2006

Regeling van de hoofddirecteur van de Dienst Justitiële Inrichtingen van 29 augustus 2006, 5384287/06/DJI, houdende verlening van ondermandaat en het doorgeven van volmacht en machtiging aan de sectordirecteuren, stafdirecteuren, de wnd stafdirecteuren bij besluit aangewezen projectleiders en de hoofden van dienst van de Dienst Vervoer en Ondersteuning, de Dienst Geestelijke Verzorging, de dienst FPD/PBC en het Bureau Integriteit en Veiligheid (Mandaatregeling sectordirecteuren en stafdirecteuren DJI 2006)

De hoofddirecteur Dienst Justitiële Inrichtingen,

Gelet op artikel 1, onderdeel e, van de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties Justitie 2005;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. hoofddirecteur: de hoofddirecteur Dienst Justitiële Inrichtingen;

b. sectordirecteur: de sectordirecteur Gevangeniswezen, de sectordirecteur Justitiële Jeugdinrichtingen, de sectordirecteur TBS of de directeur Tijdelijke Directie Bijzondere Voorzieningen;

c. stafdirecteur: de directeur Concernstaf Bedrijfsvoering of de directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid;

d. wnd directeur Concernstaf Bedrijfsvoering: de door de hoofddirecteur aangewezen functionaris die, uiterlijk tot de reorganisatie van DJI in het kader van De Nieuwe Inrichting is gerealiseerd, een deel van de taken van de directeur Concernstaf Bedrijfsvoering uitvoert (portefeuillehouder Personeel en Organisatie);

e. wnd directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid: de door de hoofddirecteur aangewezen functionaris die, uiterlijk tot de reorganisatie van DJI in het kader van De Nieuwe Inrichting is gerealiseerd, een deel van de taken van de directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid uitvoert.

Artikel 2

1. Van het ingevolge artikel 1, onderdeel e, van de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties Justitie 2005 aan de hoofddirecteur verleende ondermandaat wordt, met uitzondering van de aangelegenheden bedoeld in het tweede lid, ondermandaat verleend aan de sectordirecteuren en de stafdirecteuren ten aanzien van de aangelegenheden die hun directie of dienst betreffen.

2. Van het ingevolge artikel 1, onderdeel e, van de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties Justitie 2005 aan de hoofddirecteur DJI verleende ondermandaat wordt ondermandaat verleend aan de wnd directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid en de wnd directeur Concernstaf Bedrijfsvoering ten aanzien van de hen toegewezen taken of de hen toegewezen afdelingen of dienstonderdelen.

Artikel 3

Aan de hoofddirecteur blijft voorbehouden:

a. onverminderd artikel 2, eerste lid, van de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties Justitie 2005, de bevoegdheid tot het nemen van besluiten betreffende de inrichting van de organisatie en de kwalitatieve invulling van de organieke formatie betreffende functies die zijn of behoren te worden ingedeeld in salarisschaal 14 of hoger van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

b. onverminderd artikel 2, eerste lid, van de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties Justitie 2005 de bevoegdheid tot het nemen van besluiten betreffende de rechtspositie van functionarissen op managementfuncties van schaal 14 of hoger van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 betreffende:

1. het verlenen van een aanstelling;

2. het benoemen in een andere functie;

3. het beëindigen van de aanstelling;

4. het vaststellen van de salarisschaal;

5. het vaststellen van het salaris;

6. het toekennen van een salarisverhoging anders dan de jaarlijkse periodieke salarisverhoging;

7. het onthouden van de jaarlijkse periodieke salarisverhoging;

8. het toekennen van een eenmalige of periodieke toeslag;

9. het geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren, verminderen of inhouden van de bezoldiging;

10. het opleggen van een schorsing;

11. het opleggen van een disciplinaire straf.

c. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten betreffende de inrichting van de organisatie die leiden tot inhoudelijke, kwalitatieve of kwantitatieve wijzigingen van de onder a bedoelde functies, alsmede van functies die door de wijziging tot deze categorie gaan toebehoren;

d. de bevoegdheid tot het nemen van besluiten tot afwijking van de standaardindeling van de functies die behoren tot het functielandschap van de Dienst Justitiële Inrichtingen.

Artikel 4

Van het ingevolge artikel 1, onderdeel e, van de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties Justitie 2005 aan de hoofddirecteur verleende ondermandaat wordt in afwijking van artikel 2 ondermandaat verleend aan de sectordirecteur Gevangeniswezen voor het verrichten van alle handelingen en het nemen van alle besluiten voortvloeiende uit de verkrijging en besteding van ESF-gelden door de Dienst Justitiële Inrichtingen.

Artikel 5

1. Van het ingevolge artikel 1, onderdeel e, van de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie Jeugd en Sancties Justitie 2005 aan de hoofddirecteur verleende ondermandaat wordt ondermandaat verleend aan de direct onder hem ressorterende hoofden van dienst van de Dienst Vervoer en Ondersteuning, de Dienst Geestelijke Verzorging, het Bureau Integriteit en Veiligheid en projectleiders die door de hoofddirecteur krachtens zijn bevoegdheid bij separaat besluit zijn aangewezen ten aanzien van de aangelegenheden die hun dienst of project betreffen, met uitzondering van de bevoegdheid om besluiten te nemen betreffende de rechtspositie van individuele medewerkers wier functie is of wordt ingedeeld in salarisschaal 14 of hoger van bijlage B van het BBRA 1984.

2. Van het ingevolge artikel 1, onderdeel e, van de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie Jeugd en Sancties Justitie 2005 aan de hoofddirecteur verleende ondermandaat wordt ondermandaat verleend aan het hoofd van de dienst FPD/PBC ten aanzien van de aangelegenheden die zijn dienst betreffen.

Artikel 6

Ten aanzien van het in artikel 2 en artikel 5 bedoelde mandaat gelden de volgende instructies betreffende de bevoegdheid tot het opleggen van strafontslag, zoals bedoeld in artikel 81, eerste lid, onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement:

a. over het voornemen tot het opleggen strafontslag, wordt schriftelijk advies gevraagd aan Shared Service Center Zuidwest;

b. een afschrift van het genomen besluit wordt vergezeld van het advies van Shared Service Center Zuidwest aan de hoofddirecteur gezonden.

Artikel 7

Ingeval van beroep tegen een door de sectordirecteur, stafdirecteur, wnd directeur Concernstaf Bedrijfsvoering, wnd directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid of een door het hoofd van dienst van de Dienst Vervoer en Ondersteuning, de Dienst Geestelijke Verzorging, de dienst FPD/PBC, het Bureau Integriteit en Veiligheid of een door een projectleider die door de hoofddirecteur krachtens zijn bevoegdheid bij separaat besluit is aangewezen, genomen beslissing op een bezwaar gericht tegen een besluit van een onder hem ressorterende functionaris, is deze bevoegd om:

a. in naam van de Minister van Justitie hoger beroep in te stellen, een verzoek in te dienen tot het treffen van een voorlopige voorziening en een verzoek in te dienen tot herziening van die uitspraak;

b. als gemachtigde van de Minister van Justitie op te treden of een gemachtigde van de Minister van Justitie aan te wijzen.

Artikel 8

Onverminderd artikel 3, tweede lid, van de Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2005, kunnen de hoofden van dienst van de Dienst Vervoer en Ondersteuning, de Dienst Geestelijke Verzorging, de dienst FPD/PBC en het Bureau Integriteit en Veiligheid en projectleiders die door de hoofddirecteur krachtens zijn bevoegdheid bij separaat besluit zijn aangewezen, geen ondermandaat verlenen tot het nemen van besluiten tot:

a. het opdragen van een andere functie anders dan met schriftelijke instemming van betrokkene;

b. het beëindigen van een aanstelling in vaste dienst anders dan op aanvraag van betrokkene of wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van betrokkene.

Artikel 9

Het Mandaatbesluit personele aangelegenheden sectordirecteuren DJI van 13 december 2001 (kenmerk 5092009/01/DJI), de Mandaatregeling Tijdelijke wet noodvoorzieningen drugskoeriers directeur TDBV van 23 december 2003 (kenmerk 5262611/03/DJI), het Mandaatbesluit personele aangelegenheden binnen het Hoofdkantoor DJI van 16 juli 2001 en de Tijdelijke Mandaatregeling Dienst Justitiële Inrichtingen voor de sector TBS 2005 van 30 juni 2005 (kenmerk 538817/05/DJI) worden ingetrokken.

Artikel 10

Deze regeling treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 20 juli 2005.

Artikel 11

Deze regeling wordt aangehaald als de Mandaatregeling sectordirecteuren en stafdirecteuren DJI 2006.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 29 augustus 2006.
De hoofddirecteur Dienst Justitiële Inrichtingen,
G.J.M. Wouters.

Toelichting

Algemeen

Met de vaststelling van deze mandaatregeling wordt naar aanleiding van de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties Justitie 2005 binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen ondermandaat verleend aan de sectordirecteuren, de directeur van de Tijdelijke Directie Bijzondere Voorzieningen (verder begrepen onder de aanduiding sectordirecteur), de stafdirecteuren en de wnd. directeuren Concernstaf Uitvoeringsbeleid en Concernstaf Bedrijfsvoering. Daarnaast wordt een mandaat verleend aan de directeur van de Dienst Vervoer en Ondersteuning en de hoofden van de Dienst Geestelijke Verzorging, het Bureau Integriteit en Veiligheid en projectleiders die door de hoofddirecteur krachtens zijn bevoegdheid bij separaat besluit daartoe zijn aangewezen. Tot slot is in deze mandaatregeling het mandaat geregeld van de directeur van de dienst FPD/PBC, nu deze dienst thans rechtstreeks onder de hoofddirecteur DJI is gepositioneerd.

Het verleende mandaat betreft een algemeen mandaat. Dat betekent dat het in tegenstelling tot het verleden niet alleen de personele bevoegdheden regelt, maar tevens ook alle overige bevoegdheden met betrekking tot de onder deze directeuren en hoofden ressorterende directies, clusters, inrichtingen of diensten. De mandaatregeling kan gezien de wijze van opbouw niet los gezien worden van de bijgevoegde en bovenliggende mandaatregelingen van kort samengevat het ministerie van Justitie, de secretaris-generaal en de directeur-generaal Preventie, Jeugd en Sancties. Specifieke voorbehouden in deze mandaatregelingen werken direct door in de onderliggende mandaten. Deze doorwerking wordt hieronder onder andere verduidelijkt bij het uitbetalen van schadevergoedingen.

Het algemene mandaat wordt beperkt door enkele specifiek gemaakte voorbehouden en instructies welke worden gegeven voor de uitvoering van bepaalde bevoegdheden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2, eerste lid

In dit artikel wordt het zogenaamde algemeen mandaat verleend dat de gehele bedrijfsvoering omvat. Dit mandaat omvat uitdrukkelijk ook het mandaat van bevoegdheden die bij of krachtens de beginselenwetten1 aan de minister van Justitie zijn toegekend, zoals bijvoorbeeld het aanwijzen van inrichtingen of het benoemen van leden van een commissie van toezicht.

Een specifiek ondermandaat staat vermeld in artikel 4. Daarnaast gelden vanzelfsprekend de regels die gelden voor de gehele rijksdienst en met inachtneming van door of vanwege de minister van Justitie vastgestelde regels en beleidsregels en gegeven algemene en specifieke instructies.

Het in artikel 2 verleende mandaat omvat ook het mandaat ten aanzien van de zogenaamde personele aangelegenheden. Denk hierbij aan de bevoegdheid om besluiten te nemen ten aanzien van:

a. de inrichting van de organisatie en de kwantitatieve en kwalitatieve invulling van de organieke formatie;

b. het beleid gericht op het bevorderen van optimale arbeidsomstandigheden en het voldoen aan de overige verplichtingen die bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet aan een werkgever worden opgelegd;

c. het overige personeelsbeleid;

d. de rechtspositie van individuele medewerkers.

Ten aanzien van het formatieve mandaat betekent dit bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het nemen van besluiten betreffende de inrichting van de organisatie en de kwantitatieve en kwalitatieve invulling van de formatie onder meer dat:

a. moet worden zorg gedragen voor een adequate en geactualiseerde formatieadministratie waarin tenminste zijn opgenomen:

a. de besluiten of het besluit waarin (gedeelten van) de inrichting van de vigerende organisatie en de vigerende organieke formatie zijn vastgelegd, inclusief de organisatie- en formatierapporten en andere toelichtingen waarop de besluiten zijn gebaseerd;

b. een kwantitatief en kwalitatief overzicht van de bezetting van de organieke formatie, alsmede de totaal ingezette personeelscapaciteit.

b. gebruik moet worden gemaakt van de binnen het ministerie van Justitie voorgeschreven centrale geautomatiseerde personeelsinformatiesystemen en het rijksfunctiewaarderingssysteem Fuwasys.

De administratie zal in de praktijk met name bestaan uit organisatie- en formatierapporten en een gedeelte van de databestanden van de personele en financiële registratie- en informatiesystemen. Een organisatie- en formatierapport bevat minimaal de volgende onderdelen:

1. aanleiding organisatie- en formatievaststelling of -wijziging;

2. gekozen benaderingswijze voor de wijziging, inclusief onderbouwing;

3. hiermee samenhangende keuze van de inrichting en structuur van de organisatie, inclusief onderbouwing;

4. de beschrijving van de bijbehorende formatie, inclusief toelichting;

5. de kwantificering en kwalificering van de formatie;

6. beschrijvingen van nieuwe en gewijzigde functies in functiedocumenten;

7. de functiewaarderingen met onderbouwingen;

8. de financiële consequenties voor de kostprijzen, de begroting en de meerjarenraming.

Bij een wijziging van een enkele functie in de formatie of het toevoegen van een enkele functie aan de formatie kan veelal worden volstaan met een korte toelichting, waarin enkele onderwerpen van een organisatie- en formatierapport zijn opgenomen.

Bij het nemen van besluiten met gevolgen voor de rechtspositie van individuele medewerkers dienen onder meer in acht te worden genomen het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984), de Handboeken Rechtspositie, Financiële arbeidsvoorwaarden en Algemeen personeelsbeleid van het ministerie van Justitie en de desbetreffende (DJI-)circulaires. Bij het vaststellen van het arbeidsomstandighedenbeleid gelden op gelijke wijze de regels van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, de Arbeidstijdenwet, het Handboek Arbeidsomstandigheden van het ministerie van Justitie en de desbetreffende circulaires.

Artikel 2, tweede lid

In de afgelopen periode is het takenpakket van zowel de directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid als de directeur Concernstaf Bedrijfsvoering gegroeid. De komende tijd zal als gevolg van de invoering van De Nieuwe Inrichting (DNI) de hoeveelheid werk, alsmede de druk die daar op staat, alleen nog maar toenemen. Zowel met betrekking tot de Concernstaf Uitvoeringsbeleid als de Concernstaf Bedrijfsvoering is daarom besloten tot een personele splitsing in de aansturing. Deze heeft voor de Concernstaf Uitvoeringsbeleid plaatsgevonden per 13 maart 2006 en voor de Concernstaf Bedrijfsvoering per 1 januari 2006. Vanuit pragmatisch oogpunt ten behoeve van de uitoefening van het ondermandaat in de ondertekening en ten behoeve van de leesbaarheid wordt deze functionaris in de ondermandaatregeling en in deze toelichting verder aangeduid als wnd directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid respectievelijk wnd directeur Concernstaf Bedrijfsvoering (doorgaans aangeduid als portefeuillehouder Personeel en Organisatie), in de mandaatregeling tot uitdrukking te brengen.

Het verdient daarbij opmerking dat het in beide gevallen gaat om een tijdelijke situatie die uiterlijk voortduurt tot de reorganisatie van DJI in het kader van De Nieuwe Inrichting is gerealiseerd.

Artikel 3

Artikel 3 van het mandaatbesluit beperkt de reikwijdte van het aan de sectordirecteuren en (wnd) stafdirecteuren verleende mandaat.

≥ 14 BBRA formatief

De bevoegdheid om besluiten te nemen betreffende functies die zijn of behoren te worden ingedeeld in salarisschaal 14 of hoger van bijlage B van het BBRA 1984, wanneer het gaat om besluiten over reorganisaties, die inhoudswijziging of verandering van schaalindeling of kwantiteit van functies in schaal 14 of hoger inhouden, alsmede nieuwe functies in schaal 14 of hoger doen ontstaan, blijven voorbehouden aan de hoofddirecteur.

< € 10.000,- / artikel 99 ARAR

Een ander belangrijk voorbehoud dat is gemaakt door de secretaris-generaal, in de mandaatregeling DG’s en plv. SG 2005, betreft het beëindigen van een aanstelling op grond van artikel 99 van het ARAR, een ontslaggrond in het ARAR welke kan worden toegepast bij de situatie van onverenigbaarheid van karakters. Daarnaast is een voorbehoud gemaakt voor het toekennen van een materiële en/of immateriële schadevergoeding van meer dan € 10.000,-. Dit voorbehoud is in de onderhavige mandaatregeling niet opgenomen omdat het voorbehoud integraal onderdeel uitmaakt van het door de secretaris-generaal verleende ondermandaat. De genoemde besluiten blijven dus voorbehouden aan de secretaris-generaal.

<14 BBRA rechtspositie

Ten aanzien van medewerkers die functie uitoefenen op het niveau van salarisschaal 14 of hoger is de sectordirecteur of stafdirecteur niet bevoegd een aantal expliciet genoemde besluiten te nemen. Deze “zware” beheersbeslissingen behoren op grond van de mandaatregeling van de directeur-generaal Preventie Jeugd en Sancties nu in de meeste gevallen2 wel tot de bevoegdheid van de hoofddirecteur DJI. Dit leidt er bijvoorbeeld toe dat de hoofddirecteur beslist over de toekenning van een toelage beschikbaarheid en bereikbaarheid, maar dat na de toekenning de sectordirecteuren en stafdirecteuren beslissen over de ingediende declaraties.

Sleutelfuncties

Het mandaat omvat verder niet de bevoegdheid om af te wijken van de standaardindeling van de zogenoemde sleutelfuncties. Afwijking van de standaardindeling van deze functies leidt tot een majeure wijziging van het functiegebouw van DJI en is van grote invloed op de aanwezige loopbaanpaden. De bevoegdheid tot afwijking is daarom voorbehouden aan de hoofddirecteur. Benadrukt wordt dat de bevoegdheid om in individuele gevallen andere taken op te dragen en daarmee af te wijken van de standaardfunctie hierdoor niet wordt aangetast.

De betreffende functies, die deels zijn opgenomen in het naar aanleiding van het project functiedifferentiatie vastgestelde functiegebouw van DJI met de daarbij behorende loopbaanregelingen, zijn kenmerkend voor de sectoren van DJI, betreffen de directe uitvoerders van primaire taken en beslaan in aantal het grootste gedeelte van de formatie.

Het betreft de volgende functies:

i. de medior en senior penitentiair inrichtingswerker bij de sector Gevangeniswezen;

ii. de medior en senior vreemdelingenbegeleider bij de sector Gevangeniswezen;

iii. de medior en senior zorg/behandelinrichtingswerker bij de sector Gevangeniswezen;

iv. de medior en senior bewaarder complexbeveiliger bij de sector Gevangeniswezen;

v. de medior en senior groepswerker of overeenkomstige functionaris bij de sector Gevangeniswezen;

vi. de medior en senior medewerker visitatie/badmeester bij de sector Gevangeniswezen;

vii. de medior en senior medewerker arbeid bij de sector Gevangeniswezen;

viii. de medior en senior transportgeleider bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning;

ix. de medior en senior complexbeveiliger bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning;

x. de medior en senior groepsleider bij de sector JJI;

xi. de AID/complexbeveiliger en de senior AID/complexbeveiliger bij de sector JJI;

xii. de sociotherapeutisch medewerker, de sociotherapeut en de coördinerend sociotherapeut bij de sector TBS;

xiii. de activiteitenbegeleider bij de sector TBS;

xiv. de werkmeester diversen of overeenkomstige functionaris (standaardindeling hoofd- en niveaugroep IId conform salarisschaal 6;

xv. de overige werkmeesters (standaardindeling hoofd- en niveaugroep IIIb conform salarisschaal 6);

xvi. de maatschappelijk werker of overeenkomstige functionaris binnen de sectoren JJI en TBS (standaardindeling hoofd- en niveaugroep IVb conform salarisschaal 9);

xvii. de forensisch milieuonderzoeker of overeenkomstige functionaris bij de dienst FPD/PBC (standaardindeling hoofd- en niveaugroep IVc, conform salarisschaal 10).

Artikel 4

Naast het algemene mandaat aan de sectordirecteuren en (wnd) stafdirecteuren kan de hoofddirecteur aan één van deze directeuren een specifieke bevoegdheid mandateren. De andere sectordirecteuren en stafdirecteuren zijn dan niet bevoegd ten aanzien van deze specifieke aangelegenheid. Hiervan is gebruik gemaakt in artikel 4. Er is uit het oogpunt van efficiëntie ondermandaat verleend aan de sectordirecteur Gevangeniswezen voor de handelingen en besluiten die samenhangen met de verkrijging en besteding van ESF gelden.

Artikel 5

Artikel 5, eerste lid, biedt de directeur van de Dienst Vervoer en Ondersteuning, de hoofden van de Dienst Geestelijke Verzorging, Bureau Integriteit en Veiligheid en projectleiders die door de hoofddirecteur krachtens zijn bevoegdheid bij separaat besluit zijn aangewezen, de bevoegdheid om ten aanzien van de bij hun dienstonderdeel aangestelde ambtenaren rechtspositionele besluiten te nemen. Deze bevoegdheid wordt beperkt tot medewerkers wier functie is of wordt ingedeeld in schaal 13 of lager van het BBRA 1984. Ook bij circulaire kunnen nadere beperkingen worden vastgesteld. Daartoe aangewezen projectleiders kunnen onder meer een personeel mandaat nodig hebben. Om te voorkomen dat hiervoor steeds een separate mandaatregeling moet worden gemaakt is het mandaat voor personele aangelegenheden voor daartoe aangewezen projectleiders omschreven. De projectleiders zijn echter niet met naam en toenaam genoemd, aangezien projectleiderschap per definitie een tijdelijke functie is en daarmee ook de benaming van de functie.

Artikel 5 bepaalt verder dat bovenbedoelde functionarissen bevoegd zijn tot het vaststellen van te voeren arbeidsomstandigheden- en personeelsbeleid, bijvoorbeeld ten aanzien van de werving en selectie, de opleiding en vorming, de personeelsinzet, het houden van functioneringsgesprekken en het bevorderen van de mobiliteit en de brede inzetbaarheid.

Een afwijkende regeling geldt voor de directeur van de dienst FPD/PBC aangezien bij deze dienst veel personeel is ingeschaald op schaal 14 of hoger op niet-managementfuncties. De regeling biedt het hoofd van dienst een algemeen mandaat, met uitzondering van de in artikel 3 genoemde besluiten die aan de hoofddirecteur voorbehouden blijven. De directeur van de Dienst FPD/PBC wordt op deze wijze in staat gesteld om bijvoorbeeld rechtspositionele beslissingen te nemen jegens psychiaters voor zover het gaat om niet-managementfuncties boven salarisschaal 14.

Artikel 6

In artikel 6 worden met betrekking tot de bevoegdheid tot het verlenen van strafontslag nadere instructies gegeven.

Artikel 8

In artikel 3, tweede lid, van de Mandaatregeling Ministerie van Justitie 2005 is de bevoegdheid neergelegd om verleende ondermandaten verder door te verlenen in de ambtelijke hiërarchie. De bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat staat daarom niet apart vermeld in deze mandaatregeling.

Bij elke doormandatering kunnen door de doorverlenende functionaris wel bepaalde bevoegdheidsvoorbehouden worden gemaakt. Ten aanzien van het in artikel 5 verleende mandaat is gelijk aan het aan de algemeen directeuren DJI verleende mandaat een bevoegdheidvoorbehoud gemaakt ten aan zien van de bevoegdheid tot het nemen van besluiten tot het opdragen van een andere functie anders dan met schriftelijke instemming van betrokkene en het beëindigen van een aanstelling in vaste dienst anders dan op aanvraag van betrokkene of wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van betrokkene.

Beslissen op bezwaar

In de mandaatregeling is jegens de sectordirecteur, stafdirecteur, wnd directeur Concernstaf Bedrijfsvoering, wnd directeur Concernstaf Uitvoeringsbeleid of overige hoofden van dienst als bedoeld in deze regeling geen voorbehoud gemaakt terzake de bevoegdheid om een beslissing te nemen op een bezwaar dat tegen één van zijn besluiten is ingediend aangezien dit op grond van artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (reeds) niet is toegestaan. Op bezwaren tegen besluiten van bovengenoemde functionarissen zal in de regel een beslissing worden genomen door de hoofddirecteur.

Artikel 10

Op 20 juli 2005 is de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties Justitie 2005 in werking getreden. Vanaf die datum is hieraan binnen de organisatie, in afwachting van de totstandkoming van de onderhavige regeling, praktisch uitvoering gegeven. Deze regeling kent daarom terugwerkende vanaf de datum dat de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties Justitie 2005 in werking is getreden.

’s-Gravenhage, 29 augustus 2006.

De hoofddirecteur Dienst Justitiële Inrichtingen,

G.J.M. Wouters.

1 De Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Zie ook hetgeen hierover is opgemerkt bij de wijziging van de beginselenwetten per 1 juli 2005 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 413, nr. 3, pagina 9).

2 Zie artikel 2 van de Mandaatregeling directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties Justitie 2005.

Naar boven