Instellingsbesluit Commissie Doorlichting Interbestuurlijke Toezichtarrangementen

22 augustus 2006

Nr. 2006-0000291091

DGKB/GSIB/IB

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad;

Besluit:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. commissie: Commissie Doorlichting Interbestuurlijke Toezichtarrangementen (Commissie DIT);

b. minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Artikel 2

Er is een Commissie Doorlichting Interbestuurlijke Toezichtarrangementen (Commissie DIT).

Artikel 3

De commissie heeft tot taak:

a. het begeleiden van de doorlichting van bestaande en in ontwikkeling zijnde wetgeving op het terrein van interbestuurlijk toezicht, op basis van het Kabinetsstandpunt Interbestuurlijk Toezicht en het daarbij behorend stappenplan van de Bestuurlijke Werkgroep Alders. De doorlichting wordt uitgevoerd door de departementen die het aangaat, elk op zijn eigen beleidsterrein, en komt tot stand in overleg met de koepelorganisatie van bij de betreffende interbestuurlijke toezichtarrangementen betrokken overheden;

b. het opstellen van een beoordelingsrapport over de doorlichting per departement, bezien in relatie tot het Kabinetsstandpunt Interbestuurlijk Toezicht, en, waar zij daarvoor aanleiding ziet, vergezeld van een advies over maatregelen waartoe de doorlichting en de beoordeling daarvan aanleiding geven;

c. het uitbrengen van een eindverslag, met een eindadvies.

Artikel 4

1. De commissie brengt haar beoordelingsrapporten en haar eindverslag uit aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, alsmede aan de desbetreffende vakministers.

2. De beoordelingsrapporten en het eindverslag van de commissie zullen door de Minister van BZK ter bespreking worden voorgelegd aan het Overhedenoverleg en ter besluitvorming aan de ministerraad.

Artikel 5

1. De commissie bestaat uit: mr. dr. M. Oosting (voorzitter), J.G.M. Alders, drs. L.A.M. van Halder, mr. A.W. Kist, drs. Y.C.Th.J. Kortmann en drs. K. van der Steenhoven.

2. Het secretariaat van de commissie wordt gevormd door ambtenaren van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

3. Het secretariaat wordt bij de uitoefening van zijn taak rechtstreeks aangestuurd door de voorzitter van de commissie.

4. De commissie kan, met inachtneming van de bepalingen van dit besluit, haar werkwijze en die van het secretariaat regelen.

Artikel 6

1. De commissie zal in november 2006 verslag doen van haar werkzaamheden tot dan toe en zal daarbij rekening houden met de prioriteiten zoals die gesteld zijn in het Kabinetsstandpunt Interbestuurlijk Toezicht.

2. De commissie wordt opgeheven na het uitbrengen van het eindverslag, maar uiterlijk 2 jaar na de instelling.

Artikel 7

1. Op de commissie is het Vacatiegeldenbesluit 1988 (Stb. 1988, 205) van toepassing.

2. De leden van de commissie kunnen desgewenst een vacatiegeld van € 200 per vergadering ontvangen voor hun werkzaamheden.

Artikel 8

Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt met inachtneming van de beheersregels op grond van de Archiefwet (Stb. 1995, 276) en het Archiefbesluit (Stb. 1995, 671). De bescheiden worden na het beëindigen van de werkzaamheden overgedragen aan het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel 10

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie Doorlichting Interbestuurlijke Toezichtarrangementen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.W. Remkes.

Toelichting

Algemeen

Op 19 mei 2006 heeft de ministerraad ingestemd met het kabinetsstandpunt Interbestuurlijk Toezicht. Daarin is vastgelegd dat er een doorlichting wordt uitgevoerd aan de hand van het stappenplan van de Bestuurlijke Werkgroep Alders op in ontwikkeling zijnde en bestaande wet- en regelgeving op het terrein van interbestuurlijk toezicht.

De verantwoordelijkheid voor de doorlichting wordt gedragen door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De sturing van de doorlichting komt in handen van een commissie.

Artikelsgewijs

Artikel 3

De commissie begeleidt de doorlichting zoals uitgevoerd door departementen in overleg met de organisaties van de betrokken overheden. De commissie zal de uitvoering van de doorlichting beoordelen conform de afspraken die zijn vastgelegd in het kabinetsstandpunt Interbestuurlijk Toezicht. Daarbij let de commissie op aspecten als volledigheid, consistentie en de mate waarin voldaan is aan de doelstellingen van het standpunt zoals vermindering van toezichtlasten, een effectievere en efficiënte toezichtfunctie en stroomlijning van de informatievoorziening.

De commissie zal per departementale doorlichting een beoordelingsrapport uitbrengen. De doorlichtingsrapportages van de departementen en de beoordelingsrapportages van de commissie zullen aanbevelingen bevatten op het terrein van de verbetering van de interbestuurlijke toezichtarrangementen.

De commissie zal naast en op basis van de beoordelingsrapportages een eindrapport met een advies uitbrengen. Daarin zal ook aandacht worden besteed aan zaken als: de positionering van een eventueel in te stellen interbestuurlijk toezichtorgaan, de positie van de Commissaris van de Koningin, de ministeriële verantwoordelijkheid en de Europese verplichtingen ten aanzien van toezicht.

Artikel 4

De commissie rapporteert over de uitkomst van haar werkzaamheden aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en aan de betreffende vakministers. De rapportages worden tevens beschikbaar gesteld aan (de voorzitters van) IPO, VNG en, voorzover relevant, de Unie van Waterschappen.

De rapporten van de commissie, vergezeld van de rapporten van de departementen, zullen, met het oog op de adviezen in deze rapporten, door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ter bespreking worden voorgelegd aan het Overhedenoverleg en ter besluitvorming aan de ministerraad.

Artikel 5

Bij de samenstelling van de leden van de commissie is gelet op een evenwichtige deelname van vertegenwoordigers van de Rijksoverheid en vertegenwoordigers van de medeoverheden. Voor het voorzitterschap en één lid zijn externe deskundigen aangezocht.

Artikel 6

In het Kabinetsstandpunt Interbestuurlijk Toezicht is aangegeven dat de doorlichting eind 2006 afgerond zou moeten zijn. Met het oog op de komende verkiezingen en de daarop volgende formatie wordt de mogelijkheid voor een langere doorlooptijd, van ten hoogste twee jaar, open gehouden. In het licht van allerlei actuele wetgevingstrajecten waarin ook het interbestuurlijk toezicht een onderwerp van discussie vormt, blijft echter een voortvarende aanpak gevraagd. Daarbij blijft ook van belang dat bij de doorlichting, de beoordeling en het advies voorrang gegeven wordt aan die beleidsdomeinen waar de wetgevingstrajecten zich in een vergevorderd stadium bevinden zoals ruimtelijke ordening, water, milieu en veiligheid. In november 2006 zal de commissie tussentijds verslag uitbrengen waarin zij de door haar gekozen aanpak van haar werkzaamheden en de stand van zaken op dat moment zal aangeven.

Naar boven