Voorziening tot samenwerking Politie Nederland

23 juni 2006

Nr. 2006-0000199931

De korpsbeheerders van de regionale politiekorpsen, met instemming van de regionale colleges, en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als beheerder van het Korps landelijke politiediensten;

Overwegende dat:

– De Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met het stellen van regels voor het treffen van samenwerkingsvoorzieningen op initiatief van politiekorpsen en voor de informatie- en communicatievoorzieningen van de politie (Stb. 2005, 242) vereist dat alle op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet bestaande samenwerkingsverbanden met betrekking tot het beheer van de politie tussen regio’s onderling, dan wel tussen regio’s en het Rijk of andere rechtspersonen, waarbij een rechtspersoon naar burgerlijk recht is opgericht, uiterlijk twee jaar na dat tijdstip dienen te zijn ontbonden;

– De ICT-Service Coöperatie Politie, Justitie en Veiligheid, de Coöperatie Informatiemanagement Politie en de Stichting Nederlands Politie Instituut worden ontbonden;

– De wettelijke taak van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties om op grond van artikel 53d van de Politiewet 1993 te zorgen voor de landelijke informatie- en communicatievoorzieningen en het beheer daarvan voor de politie en voor voorzieningen op het gebied van de informatie- en communicatiehuishouding en het beheer daarvan noodzakelijk voor de samenwerking van de politie en diensten en organisaties die met de politie samenwerken zal vervallen en als gevolg daarvan de Organisatie Informatie- en communicatietechnologie OOV (ITO) wordt opgeheven;

– De eisen die aan de taakuitvoering van de politiekorpsen worden gesteld onder meer door de anonimisering, de toenemende mobiliteit en de veranderende criminaliteitspatronen als gevolg van de open grenzen die kenmerkend zijn voor de Nederlandse samenleving, het noodzakelijk maken beheerstaken te bundelen ten einde de doelmatigheid en de efficiëntie te vergroten;

– Het noodzakelijk is voorwaarden te scheppen om de samenwerking tussen de politiekorpsen en van de politiekorpsen met andere rechtspersonen en diensten met een publiekrechtelijke taak op het terrein van politie, justitie of veiligheid verder te verbeteren door het verwerven van leveringen en diensten op het gebied van ICT-voorzieningen dan wel ICT-voorzieningen te ontwikkelen, te beheren en te exploiteren die deze samenwerking doelmatiger en efficiënter maken;

– Het wenselijk is dat een aantal beheerstaken van de politiekorpsen wordt overgedragen aan een op te richten voorziening tot samenwerking;

Gelet op de artikelen 47 en 47a van de Politiewet 1993;

Besluiten de volgende voorziening tot samenwerking aan te gaan:

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 1.1

Begripsomschrijvingen

In de voorziening tot samenwerking wordt verstaan onder:

a. minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

b. ICT: informatie en communicatietechnologie;

c. politiekorpsen: regionale politiekorpsen als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de Politiewet 1993 en het Korps landelijke politiediensten;

d. Besluit: Besluit samenwerkingsvoorzieningen politie.

Artikel 1.2

Deelnemers aan de voorziening tot samenwerking

Deelnemers aan de voorziening tot samenwerking zijn de regio’s, genoemd in de bijlage bij de Politiewet 1993 en ten behoeve van het Korps landelijke politiediensten, het Rijk.

Hoofdstuk 2

De voorziening tot samenwerking

Artikel 2.1

De voorziening tot samenwerking

1. Er is een voorziening tot samenwerking genaamd Politie Nederland.

2. Politie Nederland heeft rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te ’s-Gravenhage.

Artikel 2.2

Belang

Politie Nederland behartigt de belangen van de deelnemers door een doelmatig beheer van de politiekorpsen te bevorderen.

Artikel 2.3

Taken

Politie Nederland heeft tot taak:

a. het ontwikkelen, formuleren, onderhouden en uitvoeren van een gemeenschappelijk beleid ten aanzien van een doelmatig beheer, vanuit een gemeenschappelijke missie en visie op de taakuitvoering van de politiekorpsen, gericht op samenhang, standaardisatie en samenwerking;

b. het formuleren van eisen voor de ontwikkeling, de exploitatie en het beheer van de ICT-voorzieningen van de politiekorpsen rekening houdend met de behoeften van organisaties die een publiekrechtelijke taak hebben op het terrein van politie, justitie of veiligheid waarmee de politiekorpsen samenwerken;

c. het verwerven van producten en diensten op het gebied van ICT-voorzieningen dan wel het ontwikkelen, het beheren en exploiteren van ICT-voorzieningen, waaronder begrepen technische standaarden ten behoeve van politiekorpsen, mede ten behoeve van organisaties die een publiekrechtelijke taak hebben op het terrein van politie, justitie of veiligheid indien dit van belang is voor de samenwerking van de politiekorpsen met die organisaties;

d. het formuleren van eisen en wensen met betrekking tot verzekeringen ten behoeve van de politiekorpsen en afsluiten en beheren daarvan;

e. het voeren van secretariaten.

Artikel 2.4

Exclusiviteit

1. Producten en diensten die door Politie Nederland worden verworven of ontwikkeld en activiteiten die door Politie Nederland worden verricht, ter uitvoering van de aan Politie Nederland opgedragen taken, voorkomend op een jaarlijks door het algemeen bestuur bij de begroting vast te stellen overzicht, worden niet ook door de deelnemers zelf of door derden in opdracht van de deelnemers verworven, ontwikkeld of verricht.

2. Indien een deelnemer het voornemen heeft een product of dienst te verwerven of ontwikkelen dat binnen het taakveld ligt van Politie Nederland en niet op het overzicht als in het eerste lid bedoeld voorkomt, meldt deze deelnemer dat onverwijld aan de algemeen directeur.

Artikel 2.5

Organen

Politie Nederland kent de volgende organen: het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

Hoofdstuk 3

Het bestuur

Artikel 3.1

Samenstelling

1. Leden van het algemeen bestuur zijn de beheerders van de regionale politiekorpsen en de minister in zijn hoedanigheid van beheerder van het Korps landelijke politiediensten.

2. De beheerders van de regionale politiekorpsen leggen verantwoording af over het door hen in het algemeen bestuur gevoerde beleid aan het regionaal college van de regio waarvan zij korpsbeheerder zijn.

3. De voorzitter van het algemeen bestuur wordt door het algemeen bestuur uit zijn midden benoemd voor een periode van vier jaar. De voorzitter is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur.

4. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door een ander lid door het algemeen bestuur aan te wijzen.

Artikel 3.2

Taken en bevoegdheden

1. Het algemeen bestuur is belast met het bestuur van Politie Nederland en heeft met betrekking tot de aan Politie Nederland opgedragen taken alle bevoegdheden en verricht alle taken voor zover deze niet aan anderen zijn opgedragen.

2. Het algemeen bestuur kan taken en bevoegdheden overdragen en mandateren. Niet kunnen worden overgedragen of gemandateerd:

a. het vaststellen en het wijzigen van de begroting en meerjarenraming, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Besluit;

b. het vaststellen van de jaarrekening, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Besluit;

c. het vaststellen van de kaderbrief, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit;

d. het vaststellen van de rapportage, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van het Besluit;

e. het vaststellen van de bijdragen die de deelnemers jaarlijks maximaal verschuldigd zijn;

f. het vaststellen van de tarieven voor goederen en diensten;

g. het vaststellen van het organisatie- en formatieplan, bedoeld in artikel 6.1.

3. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

4. De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan.

5. De voorzitter vertegenwoordigt Politie Nederland in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gevolmachtigde.

Artikel 3.3

Werkwijze

1. Het algemeen bestuur stelt een reglement vast waarin nadere regels worden gegeven over de werkwijze van het bestuur.

2. De vergaderingen van het algemeen bestuur worden bijgewoond door een vertegenwoordiger van het College van procureurs-generaal, een vertegenwoordiger van de minister en een vertegenwoordiger van de Minister van Justitie. Zij hebben het recht in de vergadering het woord te voeren en hebben een adviserende stem.

3. Over besluiten van het algemeen bestuur die de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de vervulling van taken ten dienste van de justitie raken, wordt voorafgaand overleg gevoerd met het College van procureurs-generaal.

4. Indien het in het derde lid bedoelde overleg niet tot overeenstemming leidt, vraagt het algemeen bestuur over het voorgenomen besluit het oordeel van de minister en de Minister van Justitie.

5. Het algemeen bestuur vergadert minimaal twee maal per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter of ten minste twee van de overige leden van het algemeen bestuur dit nodig achten.

6. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De voorzitter is bevoegd de deuren te sluiten, indien dit uit een oogpunt van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of op gronden ontleend aan het algemeen belang, wenselijk wordt geacht.

Artikel 3.4

Besluitvorming

1. Elk lid van het algemeen bestuur heeft in de vergadering één stem.

2. Besluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag. Het door de voorzitter ter vergadering uitsproken oordeel over de uitslag van de stemming is beslissend. Blanco stemmen zijn niet uitgebracht.

3. In geval toepassing is gegeven aan artikel 3.3, vierde lid, besluit het algemeen bestuur overeenkomstig het gezamenlijk oordeel van de minister en de Minister van Justitie.

4. Het algemeen bestuur kan slechts besluiten nemen in een vergadering waarin ten minste de helft van het aantal leden aanwezig is. Is in een vergadering minder dan de helft van het aantal leden aanwezig, wordt een tweede vergadering bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee en niet later dan vier weken na de eerste vergadering. In de tweede vergadering kan, ongeacht het aantal aanwezige leden, worden besloten over onderwerpen waarover in de eerste vergadering vanwege het ontbreken van ten minste de helft van het aantal leden niet kon worden besloten. Bij de oproep tot genoemde tweede vergadering wordt vermeld dat in deze vergadering op bedoelde wijze kan worden besloten.

5. Indien de voorzitter dit nodig acht met het oog op de voortgang van de werkzaamheden van Politie Nederland, kunnen besluiten buiten de vergadering worden genomen indien alle bestuursleden in de gelegenheid worden gesteld hun stem schriftelijke uit te brengen.

6. Van een buiten de vergadering genomen besluit wordt in de eerstvolgende vergadering mededeling gedaan door de voorzitter. Het besluit wordt in het verslag van de vergadering opgenomen.

Artikel 3.5

Informatieverstrekking

1. Onverminderd artikel 5, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, van het Besluit financiën regionale politiekorpsen, worden de in artikel 3.2, tweede lid, onderdeel a tot en met f, bedoelde stukken na vaststelling zo spoedig mogelijk met de nodige bescheiden en inlichtingen door het algemeen bestuur aan de regionale colleges van de deelnemende regio’s en aan de minister aangeboden.

2. Na aanbieding worden de in artikel 3.2, tweede lid, onderdeel a tot en met f, bedoelde stukken ter inzage neergelegd ten kantore van Politie Nederland. Tegen betaling van kosten wordt een afschrift van de stukken beschikbaar gesteld.

3. Het algemeen bestuur geeft, zo nodig vertrouwelijk mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van een regionaal college van een deelnemende regio of de minister gevraagde inlichtingen. Door leden van een regionaal college gevraagde inlichtingen worden gegeven door tussenkomst van de korpsbeheerder.

Hoofdstuk 4

Het dagelijks bestuur

Artikel 4.1

Samenstelling

1. Het dagelijks bestuur bestaat uit minimaal drie en maximaal zes leden de voorzitter daaronder begrepen.

2. De leden van het dagelijks bestuur worden door en uit het algemeen bestuur voor een periode van vier jaar benoemd.

Artikel 4.2

Taken en bevoegdheden

1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de voorbereiding en uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur.

2. Het dagelijks bestuur oefent toezicht uit op al hetgeen Politie Nederland aangaat.

3. Het dagelijks bestuur beheert de inkomsten en uitgaven van Politie Nederland.

4. Het dagelijks bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die door het algemeen bestuur en krachtens de regeling aan hem zijn opgedragen.

Artikel 4.3

Werkwijze

1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter daarvan of ten minste twee van de overige leden van het dagelijks bestuur dit nodig achten.

2. De vergaderingen van het dagelijks bestuur kunnen worden bijgewoond door een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, een vertegenwoordiger van de minister en een vertegenwoordiger van de Minister van Justitie. Zij hebben het recht in de vergadering het woord te voeren en hebben een adviserende stem.

3. Artikel 3.3, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.4

Besluitvorming

Op de besluitvorming in het dagelijks bestuur is artikel 3.4 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5

Commissies

Artikel 5.1

Commissie multidisciplinaire ICT aangelegenheden

1. Er is een commissie multidisciplinaire ICT aangelegenheden.

2. De leden van de commissie worden benoemd door het algemeen bestuur op voordracht van door de minister aan te wijzen rechtspersonen of diensten met een publiekrechtelijke taak op het terrein van politie, justitie of veiligheid.

3. De voorzitter van de commissie wordt door het algemeen bestuur benoemd, na verkregen instemming van de minister.

4. De commissie heeft tot taak het algemeen bestuur te adviseren over aangelegenheden betreffende de in artikel 2.3, onderdeel c, genoemde taak voor zover van belang voor de samenwerking van de politiekorpsen met andere organisaties die een publiekrechtelijke taak hebben op het terrein van politie, justitie of veiligheid.

5. De commissie adviseert in ieder geval over de besluiten genoemd in artikel 3.2, tweede lid, onderdeel a tot en met f.

6. Het dagelijks bestuur houdt bij het nemen van besluiten en het doen van voorstellen met betrekking tot de in artikel 2.3, onderdeel c, genoemde taak rekening met het advies van de commissie. Voor zover van toepassing geven zij aan op welke onderdelen is afgeweken van dit advies en wat de reden daarvan is.

Artikel 5.2

Overige commissies

1. Het algemeen bestuur kan met betrekking tot een of meer in artikel 2.3 genoemde taken commissies van advies instellen.

2. Het algemeen bestuur regelt de taken, de bevoegdheden en de samenstelling van de commissies.

Hoofdstuk 6

De organisatie, de directie en de secretaris

Artikel 6.1

De organisatie

Het algemeen bestuur regelt de inrichting van de organisatie van Politie Nederland en stelt daartoe in ieder geval een organisatie- en formatieplan vast.

Artikel 6.2

De algemeen directeur

1. Er is een algemeen directeur. De algemeen directeur wordt, de minister gehoord, door het algemeen bestuur benoemd, geschorst of ontslagen.

2. De algemeen directeur woont de vergaderingen bij van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. In deze vergaderingen heeft hij een adviserende stem.

3. Het algemeen bestuur regelt de vervanging van de algemeen directeur bij zijn verhindering of ontstentenis.

4. Het algemeen bestuur stelt voor de algemeen directeur een instructie vast.

5. De algemeen directeur is in dienst van Politie Nederland en heeft de leiding over het personeel van Politie Nederland dat hij benoemt, schorst en ontslaat.

6. De algemeen directeur is tevens secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. In die hoedanigheid staat hij het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur bij de uitoefening van hun taak terzijde en is het tweede lid ook op hem van toepassing.

7. Alle stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris mede ondertekend.

Artikel 6.3

De directie

1. De overige leden van de directie worden, in afwijking van artikel 6.2, vijfde lid, de minister gehoord, op voordracht van de algemeen directeur door het algemeen bestuur, benoemd, geschorst en ontslagen.

2. De overige directieleden zijn verantwoording schuldig aan de algemeen directeur.

3. Het algemeen bestuur regelt de taken, bevoegdheden en verantwoording van de directie in een directiestatuut.

Hoofdstuk 7

Beheers- en financiële bepalingen

Artikel 7.1

Het financieel statuut

1. Het algemeen bestuur stelt een financieel statuut vast.

2. In het financieel statuut worden regels gegeven over de uitgangspunten voor het financiële beleid, het financiële beheer, de inrichting van de financiële organisatie en de controle op het financiële beheer en daarbij behorende rapportages alsmede over de inbreng van activa en passiva door de deelnemers.

3. De regels bedoeld in het tweede lid over de uitgangspunten voor het financiële beleid omvatten mede regels over reservevorming en de verstrekking van de bijdragen.

Artikel 7.2

Bekostiging

1. De voor de uitvoering van de voorziening tot samenwerking benodigde financiële middelen worden door de deelnemers verschaft door middel van het verstrekken van jaarlijkse bijdragen aan Politie Nederland en betaling van kostendekkende tarieven voor geleverde goederen en diensten.

2. De jaarlijkse bijdragen kunnen bestaan uit een basisbijdrage en een of meer bestemmingsbijdragen voor de uitoefening van bepaalde taken.

3. De jaarlijkse bijdragen verschuldigd door de deelnemers worden naar evenredigheid vastgesteld op basis van de financiële verhoudingen tussen de korpsen, zoals deze kunnen worden afgeleid uit de op grond van de krachtens artikel 2 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen vastgestelde budgetverdeeleenheden in het jaar waarvoor de begroting geldt. Voor de berekening van de bijdragen van de minister wordt door hem op basis van de begroting van de Korps landelijke politiediensten een fictief aantal budgetverdeeleenheden vastgesteld.

4. In de begroting voor het desbetreffende kalenderjaar wordt aangegeven welke bijdrage elke deelnemer dat jaar verschuldigd is aan Politie Nederland.

5. De deelnemers betalen telkens voor 16 januari, 16 april, 16 juli en 16 oktober een vierde van de voor dat jaar vastgestelde bijdrage.

6. De deelnemers dragen er zorg voor dat Politie Nederland te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

Artikel 7.3

De begroting

1. Het algemeen bestuur stelt jaarlijks uiterlijk 1 juli de voorgenomen activiteiten vast en de bijdragen die de deelnemers in het daarop volgende jaar verschuldigd zijn. Tevens stelt het algemeen bestuur uiterlijk 1 juli de tarieven vast die per goed of dienst door Politie Nederland in het daaropvolgende kalenderjaar ten hoogste in rekening worden gebracht. De voorgenomen activiteiten, de verschuldigde bijdragen en de tarieven worden zodra ze zijn vastgesteld meegedeeld aan de regionale colleges en aan de minister in de vorm van de kaderbrief bedoeld in artikel 6 van het Besluit.

2. Het dagelijks bestuur stelt een ontwerpbegroting en meerjarenraming op. De vergadering van korpschefs wordt in de gelegenheid gesteld daarover aan het algemeen bestuur advies uit te brengen. Daartoe zendt het dagelijks bestuur de ontwerpbegroting en meerjarenraming ten minste zes weken voordat ze door het algemeen bestuur worden vastgesteld aan de voorzitter van vergadering van korpschefs.

3. Het algemeen bestuur stelt jaarlijks uiterlijk 15 november de sluitende begroting voor het volgende kalenderjaar vast en een sluitende meerjarenraming.

4. De begroting bevat een beleidsmatige onderbouwing en geeft inzicht in de financiële verhoudingen tussen de voorziening tot samenwerking en de deelnemers wat betreft het vermogen en het resultaat. De meerjarenraming bevat een uitgewerkt overzicht van de te ondernemen activiteiten in de drie jaar die volgen op het begrotingsjaar.

5. Het algemeen bestuur kan de begroting wijzigen op voordracht van het dagelijks bestuur.

6. Indien een wijziging van de begroting aanleiding geeft de tarieven, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, aan te passen, deelt het algemeen bestuur de gewijzigde tarieven, nadat ze zijn vastgesteld, onverwijld mee aan de deelnemers.

Artikel 7.4

De jaarrekening

1. Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks zo spoedig mogelijk de rekening over het afgelopen kalenderjaar aan het algemeen bestuur aan.

2. De jaarrekening bevat een beleidsmatige onderbouwing en geeft inzicht in de financiële verhoudingen tussen de voorziening tot samenwerking en de deelnemers wat betreft het vermogen en het resultaat.

3. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid en een verslag van bevindingen, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

4. Indien de in het derde lid bedoelde accountant geen deel uitmaakt van een departementale accountantsdienst, kan de jaarrekening op verzoek van een departementale accountantsdienst eveneens worden onderzocht door een accountant van deze dienst. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor het verlenen van medewerking aan dat onderzoek.

5. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening en stelt deze vast uiterlijk 31 maart, volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft.

6. Vaststelling van de jaarrekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschriften of andere onregelmatigheden.

Artikel 7.5

Resultaten jaarlijkse exploitatie

1. Een batig saldo, blijkend uit de vastgestelde jaarrekening, kan worden bestemd voor de vorming van of toevoeging aan de algemene reserve van Politie Nederland.

2. Voor zover een batig saldo niet wordt aangewend voor de algemene reserve wordt dit aan de deelnemers uitgekeerd naar rato van hun jaarlijkse bijdrage aan Politie Nederland voor het betreffende jaar.

3. Een negatief saldo kan worden onttrokken aan een aanwezige algemene reserve. Bij het ontbreken van een algemene reserve wordt het negatieve saldo in rekening gebracht bij de deelnemers naar rato van hun jaarlijkse bijdrage aan Politie Nederland voor het desbetreffende jaar.

Hoofdstuk 8

Het archief

Artikel 8

Archief

1. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van Politie Nederland, overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995. Het algemeen bestuur stelt hiervoor beheersregels vast.

2. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor voldoende ruimte voor de archiefbescheiden en ziet erop toe dat hiervoor voldoende deskundig personeel wordt aangesteld.

Hoofdstuk 9

Wijziging, opheffing, toetreding en uittreding

Artikel 9.1

Wijziging en opheffing

1. De voorziening tot samenwerking kan worden opgeheven of gewijzigd met een daartoe strekkend besluit van alle deelnemers.

2. Met betrekking tot de regio’s worden de in het eerste lid bedoelde besluiten genomen door de korpsbeheerder, na instemming van het regionaal college van de regio waarvan hij korpsbeheerder is, voor het Rijk door de minister.

3. De in het eerste lid bedoelde besluiten kunnen niet worden genomen dan na een voorstel daartoe van het algemeen bestuur.

4. In geval van opheffing van de voorziening tot samenwerking regelt het algemeen bestuur de financiële gevolgen van de opheffing in een liquidatieplan. Hierbij kan van bepalingen van de voorziening tot samenwerking worden afgeweken.

5. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de regionale colleges en de minister gehoord, vastgesteld.

6. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers om alle rechten en verplichtingen van Politie Nederland aan de deelnemers over te dragen op een in het plan te bepalen wijze.

7. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel.

8. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

9. De organen van Politie Nederland blijven ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

Artikel 9.2

Toetreding

1. Verzoeken tot deelname aan de voorziening tot samenwerking worden gericht tot het algemeen bestuur.

2. Het algemeen bestuur zendt het verzoek, voorzien van een advies, aan de regionale colleges en de minister. Het advies bevat mede de voorwaarden en de gevolgen van de toetreding voor de voorzienig tot samenwerking.

3. Artikel 9.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot toetreding.

4. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan aan de toetreding nadere voorwaarden verbinden.

Artikel 9.3

Uittreding

1. Uittreding uit de voorziening tot samenwerking geschiedt door toezending van een daartoe strekkend besluit van de deelnemer aan het algemeen bestuur.

2. De deelnemer doet van het besluit tot uittreding gelijktijdig mededeling aan de minister.

3. Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, vindt de uittreding niet eerder plaats dan op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur van het besluit tot uittreden in kennis is gesteld.

4. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding.

5. De kosten voor Politie Nederland die rechtstreeks het gevolg zijn van de uittreding komen voor rekening van de uittredende deelnemer. Het algemeen bestuur stelt de hoogte van deze kosten vast.

Artikel 9.4

Bekendmaking van wijzigingen, opheffing, toetreding en uittreding

1. Het algemeen bestuur draagt zorg voor de bekendmaking van besluiten over wijziging, opheffing, toetreding en uittreding in de Staatscourant.

2. Besluiten als bedoeld in het eerste lid worden schriftelijk kenbaar gemaakt aan de minister.

Hoofdstuk 10

Overgangsbepalingen

Artikel 10

Overgangsbepaling

1. In afwijking van artikel 7.3, eerste lid, kan het algemeen bestuur besluiten dat de voorgenomen activiteiten, de verschuldigde bijdragen en de tarieven in de jaren 2006 en 2007 op een later tijdstip worden vastgesteld dan 1 juli.

2. In afwijking van artikel 7.3, derde lid, kan het algemeen bestuur besluiten dat de begroting en de meerjarenraming voor het jaar 2006 op een later tijdstip wordt vastgesteld dan 15 november.

3. In het organisatie- en formatieplan als bedoeld in artikel 6.1 worden de gevolgen van de oprichting van Politie Nederland voor de organisatie en formatie van de deelnemers aangegeven.

4. De inbreng van passiva en activa vindt plaats door het inbrengen van passiva en activa van de ICT-Service Coöperatie Politie, Justitie en Veiligheid, de Coöperatie Informatiemanagement Politie, de Organisatie Informatie- en communicatietechnologie OOV en de Stichting Nederlands Politie Instituut.

Hoofdstuk 11

Slotbepalingen

Artikel 11.1

Inwerkingtreding

Deze voorziening tot samenwerking treedt in werking met ingang van 1 juli 2006.

Artikel 11.2

Titel

Deze regeling wordt aangehaald als: Voorziening tot samenwerking Politie Nederland.

De voorziening tot samenwerking zal met de toelichting door de minister in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.W. Remkes.

Toelichting

Algemeen

Inleiding

De politieregio’s en het Rijk treffen ter bevordering van een doelmatig beheer van de politie, een voorziening tot samenwerking als bedoeld in de artikelen 47 en 47a van de Politiewet 1993. Alle politieregio’s en het Rijk nemen deel aan de voorziening tot samenwerking. De regio’s worden daarbij vertegenwoordigd door de korpsbeheerders. Het Rijk wordt vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties in zijn hoedanigheid van beheerder van het Korps landelijke politiediensten.

Het bundelen van een aantal beheerstaken van de politiekorpsen in één organisatie is noodzakelijk geworden door de steeds hogere eisen die aan de taakuitvoering van de politiekorpsen worden gesteld. Door bundeling van beheerstaken wordt de doelmatigheid van het beheer vergroot. Voorts is het noodzakelijk voorwaarden te scheppen om de samenwerking van de politiekorpsen en met andere rechtspersonen en diensten met een publiekrechtelijke taak op het terrein van politie, justitie of veiligheid verder te verbeteren door ICT-voorzieningen te ontwikkelen, te beheren en te exploiteren die voor die samenwerking van belang zijn.

Taken

Vooralsnog worden alleen de taken, vermeld in artikel 2.3 door de regio’s en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties aan de voorziening tot samenwerking overgedragen. Het streven is erop gericht in de nabije toekomst ook andere taken over te dragen zoals taken op het gebied van human resource management, andere shared services en inkoop van goederen en diensten.

De beleidstaak ten aanzien van beheer heeft onder meer betrekking op de inrichting van processen en de organisatie, en de zorg voor informatie, mensen en middelen. Een belangrijk element hierbij is het ontwikkelen, valideren, vaststellen en beheren van de proces- en informatiearchitectuur van de Nederlandse politie. Door standaardisatie van processen is een betere sturing mogelijk ten aanzien van de wijze van uitvoering en de weg waarlangs de politiekorpsen hun resultaten behalen. Het proces is het voertuig naar de resultaten. Beheersing van deze processen levert de korpsen voordelen op in termen van kwaliteit, efficiency, herkenbaarheid en samenwerking (met elkaar en binnen de keten).

Ook kan hierdoor de relatie worden versterkt tussen te bereiken resultaten en de inzet van mensen en middelen en de benodigde competenties en voorzieningen.

Het verwerven van producten en diensten op het gebied van ICT-voorzieningen dan wel het ontwikkelen, het beheren en exploiteren van ICT-voorzieningen, waaronder begrepen technische standaarden ten behoeve van politiekorpsen (artikel 2.3, onderdeel c), zullen ook kunnen worden gedaan ten behoeve van organisaties die een publiekrechtelijke taak hebben op het terrein van politie, justitie of veiligheid (zoals bijvoorbeeld de brandweer en de ambulancediensten) indien dit van belang is voor de samenwerking van de politiekorpsen met die organisaties. Belangrijk is immers dat er een gezamenlijke informatiehuishouding tot stand komt en in stand wordt gehouden, waarbij gegevens eenduidig worden gedefinieerd en vastgelegd, binnen korpsen eenvoudig kunnen worden ontsloten en tussen korpsen en andere publiekrechtelijke organisaties indien nodig kunnen worden uitgewisseld. Voorbeelden zijn het Gemeenschappelijk Meldkamer Systeem en C2000. Voor de politiekorpsen is het van belang dat de ICT-voorzieningen die door voorziening tot samenwerking met het oog op die samenwerking worden ontwikkeld, ook (kunnen) worden geïmplementeerd bij de organisaties waarmee de politie samenwerkt.

Commissie multidisciplinaire ICT aangelegenheden

Voor de advisering aan het algemeen bestuur over de multidisciplinaire ICT aangelegenheden is voorzien in een breed samengestelde commissie. De commissie heeft een plaats gekregen in de regeling van de voorziening tot samenwerking opdat van te voren zekerheid wordt verkregen over mogelijkheid van de inbreng van de diensten en organisaties waarmee de politie samenwerkt als het gaat om de in artikel 2.3, onderdeel c, genoemde aangelegenheden. Door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties aan te wijzen rechtspersonen of diensten met een publiekrechtelijke taak op het terrein van politie, justitie of veiligheid krijgen het recht een lid voor te dragen.

Justitie

Beslissingen met betrekking tot het beheer van de politiekorpsen kunnen ook gevolgen hebben voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de vervulling van taken ten dienste van de justitie. Daarbij valt met name te denken aan besluiten op het terrein van ICT. Daarom is bepaald dat een vertegenwoordiger van het College van procureurs-generaal en een vertegenwoordiger van de Minister van Justitie de vergaderingen van het algemeen bestuur bijwonen. Zij hebben het recht in de vergadering het woord te voeren en hebben een adviserende stem (artikel 3.3, tweede lid). Dit betekent dat men voorafgaand aan de vergadering tijdig ook de agenda en de stukken ontvangt. Het advies van de vertegenwoordiger van het College van procureurs-generaal zal gegeven worden tegen de achtergrond van de verantwoordelijkheden van het openbaar ministerie voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en dan wel de vervulling van taken ten dienste van de justitie.

De vergaderingen van het dagelijks bestuur kunnen worden bijgewoond door een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, een vertegenwoordiger van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en een vertegenwoordiger van de Minister van Justitie. Zij hebben het recht in de vergadering het woord te voeren en hebben een adviserende stem (artikel 4.3, tweede lid). Ook hier geldt dat dit inhoudt dat men voorafgaand aan de vergadering tijdig ook de agenda en de stukken ontvangt.

Bepaald is ook dat over besluiten van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur die de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de vervulling van taken ten dienste van de justitie raken, voorafgaand overleg wordt gevoerd met het College van procureurs-generaal (artikel 3.3, derde lid en artikel 4.3, derde lid). Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, is het algemeen bestuur en het dagelijks besuur gehouden over het voorgenomen besluit het oordeel van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie te vragen (artikel 3.3, vierde lid en artikel 4.3, derde lid). Beide besturen zijn vervolgens gehouden te besluiten overeenkomstig het gezamenlijk oordeel van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie (artikel 3.4, derde lid en artikel 4.4).

Opheffen van andere organisaties

Met de voorziening tot samenwerking wordt tevens de publiekrechtelijke rechtspersoon Politie Nederland ingesteld. Politie Nederland is de opvolger van de ICT-Service Coöperatie Politie, Justitie en Veiligheid (ISC), de Coöperatie Informatiemanagement Politie (CIP) en de Stichting Nederlands Politie Instituut (NPI).

Bij de oprichting van het ISC is door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Staten-Generaal, 27 850, nrs. 350 en 1) in het verleden opgemerkt dat de coöperaties vervangen zouden worden door publiekrechtelijke rechtspersonen. Daarvoor geeft de Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met het stellen van regels voor het treffen van samenwerkingsvoorzieningen op initiatief van politiekorpsen en voor de informatie- en communicatievoorzieningen van de politie (Stb. 2005, 242) (Wet samenwerkingsvoorziening politie, verder te noemen Wet VtS) thans de grondslag. De artikelen 47 en 47a van de Politiewet 1993 bieden onder meer de politieregio’s en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties als beheerder van het Korps Landelijke politiediensten de mogelijkheid tot het treffen van voorzieningen tot samenwerking ter bevordering van een doelmatig beheer van de politie, waarbij een publiekrechtelijke rechtspersoon kan worden opgericht.

De wettelijke taak van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties om op grond van artikel 53d van de Politiewet 1993 te zorgen voor de landelijke informatie- en communicatievoorzieningen en het beheer daarvan voor de politie en voor voorzieningen op het gebied van de informatie- en communicatiehuishouding en het beheer daarvan noodzakelijk voor de samenwerking van de politie en diensten en organisaties die met de politie samenwerken zal op grond van de Wet VtS vervallen. Als gevolg daarvan zal de Organisatie Informatie- en communicatietechnologie OOV (ITO) worden opgeheven. Reeds vanaf 1 januari 2004 is sprake van een operationele integratie van het agentschap ITO en het ISC. De voorziening tot samenwerking gaat de werkzaamheden van het ITO overnemen. Passiva en activa van het ITO zullen dan ook evenals die van het ISC worden ingebracht in Politie Nederland (artikel 10, vierde lid).

Ook het NPI en het CIP worden ontbonden. De taken van het NPI zijn o.a. beleidsadvisering, beleidsontwikkeling, voorbereiding, coördinatie en ondersteuning van besluitvorming, programmamanagement, beheer van standaarden, branchevertegenwoordiging en communicatie. De taken van het CIP zijn o.a. het formuleren van de eisen voor de ontwikkeling, de exploitatie en het beheer van de ICT-voorzieningen van de politiekorpsen en het bevorderen van de inbreng van de politiekorpsen daarbij. Passiva en activa van de organisaties zullen worden ingebracht in Politie Nederland (artikel 10, vierde lid).

Personeel

Op de overgang van het personeel van het ISC, het CIP en het ITO naar Politie Nederland is het in maart 2003 afgesloten Sociaal Statuut van toepassing waarbij de garantie is afgegeven van een dienstverband in de nieuwe publiekrechtelijke organisatie. Artikel 47a, vijfde lid, van de Politiewet 1993 maakt een overgang van rechtswege mogelijk van ambtenaren van politie die in dienst zijn bij een politieregio of het Rijk en in dienst zullen treden bij een nieuw op te richten publiekrechtelijke rechtspersoon. Met de aanwijzing van de betrokken ambtenaren bij koninklijk besluit kan hun overgang, ongeacht hun wijze van aanstelling of benoeming bij het politiekorps waaruit ze afkomstig zijn, in een keer worden geregeld. In artikel III van de Wet VtS wordt geregeld dat ook de ambtenaren die werkzaam zijn bij het huidige agentschap ITO van rechtswege kunnen overgaan naar Politie Nederland.

Artikel 47a, zesde lid, van de Politiewet 1993 geeft aan dat op het personeel van Politie Nederland de regels gesteld bij of krachtens artikel 50 van die wet van overeenkomstige toepassing zijn. Dit betekent dat het personeel in dienst van de voorziening tot samenwerking dezelfde rechtspositie heeft als personeel in dienst van de politiekorpsen. De rechtspositiebesluiten worden gewijzigd, waarbij onder meer begrippen als ambtenaar en bevoegd gezag van toepassing zullen zijn op een voorziening tot samenwerking.

Financiën

Politie Nederland verkrijgt zijn middelen door jaarlijkse financiële bijdragen van de deelnemers. De bijdragen worden omgeslagen over de deelnemers op basis van een objectieve maatstaf. De bijdrage bestaan uit een basisbijdrage en bestemmingsbijdragen voor de uitoefening van bepaalde taken. Voorts zal een deel van de inkomsten bestaan uit de vergoedingen die moeten worden betaald voor de geleverde diensten en goederen. Politie Nederland dient daarvoor kostendekkende tarieven in rekening te brengen.

Toezicht

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties heeft op grond van de Politiewet 1993 een aantal bevoegdheden met betrekking tot de voorziening tot samenwerking. Deze behoeven niet in de voorziening tot samenwerking te worden opgenomen. Soms wordt daar wel in de toelichting naar verwezen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties heeft in het kader van de voorziening tot samenwerking twee functies: die van beheerder van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) en die van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. Als in de toelichting gedoeld wordt op de rol van de minister als beheerder van het KLPD, wordt de minister aangeduid als: de beheerder van het KLPD. Waar het gaat om de toezichthoudende en overige bevoegdheden van de minister wordt gesproken van: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.

Artikelsgewijs

Artikel 2.1. Voorziening tot samenwerking

Gekozen is voor de oprichting van een rechtspersoon omdat Politie Nederland zelfstandig moet kunnen deelnemen aan het rechtsverkeer en bijvoorbeeld overeenkomsten moet kunnen aangaan en personeel in dienst moet kunnen nemen.

Artikel 2.2. Belang

Artikel 47 van de Politiewet 1993 maakt het mogelijk uitsluitend ter bevordering van een doeltreffend beheer van de politie voorzieningen tot samenwerking op te richten. Artikel 2, eerste lid, van het Besluit samenwerkingsvoorzieningen politie (Besluit) schrijft voor dat de voorziening tot samenwerking het belang of de belangen ter behartiging waarvan zij is getroffen vermeldt. Met de omschrijving van het belang in dit artikel wordt het werkgebied van Politie Nederland afgebakend. Uitdrukkelijk is er voor gekozen het terrein van samenwerking zo breed mogelijk te houden. Het ligt in de bedoeling dat te zijner tijd meer taken met het oog op de bevordering van een doelmatig beheer worden toegevoegd. De voorziening tot samenwerking zal dan worden gewijzigd.

Artikel 2.3. Taken

Het voeren van secretariaten in onderdeel e wordt begrensd door het te behartigen belang van Politie Nederland te weten het bevorderen van een doelmatig beheer van de politiekorpsen. Voorbeelden van te voeren secretariaten zijn het secretariaat van de vergadering van korpsbeheerders, de vergadering van korpschefs en de Politieonderwijsraad.

Artikel 2.4. Exclusiviteit

Het feit dat de deelnemers aan de voorziening tot samenwerking de in artikel 2.3 genoemde taken aan Politie Nederland hebben overgedragen, impliceert dat zij in beginsel afstand van de uitvoering van deze taken hebben gedaan en dat zij deze niet meer zelf uitvoeren of laten uitvoeren. Daarom is in het eerste lid bepaald dat producten en diensten die door Politie Nederland worden verworven of ontwikkeld en activiteiten die door Politie Nederland worden verricht, ter uitvoering van de aan Politie Nederland opgedragen taken, niet ook meer door de deelnemers zelf of door derden in opdracht van de deelnemers verworven, ontwikkeld of verricht.

Omdat hetgeen Politie Nederland ontwikkelt in de tijd verandert en geen twijfel over mag bestaan wat tot het domein van Politie Nederland behoort en wat (nog) tot dat van de politiekorpsen, is geregeld dat het algemeen bestuur jaarlijks aangeeft voor welke producten, diensten en activiteiten een en ander geldt.

Alleen de taken (binnen de taakopdracht van artikel 2.3) waaraan Politie Nederland in de praktijk (nog) geen invulling geeft, kunnen derhalve door de deelnemers zelf worden verricht.

Artikel 3.1. De samenstelling van het algemeen bestuur

Overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van het Besluit vormen de korpsbeheerders en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (als beheerder van het KLPD) het algemeen bestuur. Immers zij zijn verantwoordelijk voor het beheer van de korpsen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal zich als beheerder van het KLPD in de praktijk laten vertegenwoordigen.

In het tweede lid is bepaald dat de korpsbeheerders verantwoording afleggen over het door hen in het algemeen bestuur gevoerde beleid aan het regionaal college van de regio waarvan zij korpsbeheerder zijn. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal als beheerder van het KLPD verantwoording afleggen aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal. Deze verantwoordingplicht is onderdeel van de plicht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om verantwoording af te leggen over de vervullen van zijn taken meer in het algemeen en behoeft daarom niet nog eens uitdrukkelijk in de regeling te worden opgenomen.

Het derde lid bepaalt dat de voorzitter van het algemeen bestuur voor een periode van vier jaar door het algemeen bestuur uit zijn midden wordt benoemd. Voorstelbaar is dat diegene tot voorzitter wordt benoemd die voorzitter is de vergadering van korpsbeheerders.

Artikel 3.2. Taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur

In het eerste lid is bepaald dat het algemeen bestuur is belast met het bestuur van Politie Nederland en met betrekking tot de aan Politie Nederland opgedragen taken alle bevoegdheden heeft en alle taken verricht voor zover deze niet aan anderen zijn opgedragen. Overeenkomstig artikel 10 van het Besluit verlenen de deelnemers aan de voorziening tot samenwerking hun medewerking aan de uitvoering van besluiten die het algemeen bestuur op grond van de hem toekomende taken en bevoegdheden neemt.

Indien naar het oordeel van het algemeen bestuur een deelnemer niet of onvoldoende medewerking verleent, kan het algemeen bestuur namens en ten laste van die deelnemer een besluit uitvoeren of doen uitvoeren.

Artikel 3.3. Werkwijze van het algemeen bestuur

De in het eerste lid genoemde verplichting tot het opstellen van een reglement met nadere regels over de werkwijze van het bestuur vloeit voort uit artikel 4, zevende lid, van het Besluit. Indien daar behoefte aan bestaat kan in het reglement werkwijze een zogenaamde bestuurskalender worden opgenomen.

In het algemeen deel van de toelichting is aangegeven dat in het tweede lid is bepaald dat een vertegenwoordiger van het College van procureurs-generaal, een vertegenwoordiger van de minister en een vertegenwoordiger van de Minister van Justitie de vergaderingen van het algemeen bestuur bijwoont. Zij hebben het recht in de vergadering het woord te voeren en hebben een adviserende stem.

Hetzelfde geldt voor een vertegenwoordiger van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het advies van deze vertegenwoordiger zal gegeven worden tegen de achtergrond van de verantwoordelijkheden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties ten aanzien van het beheer van de politie zoals die in de Politiewet 1993 zijn opgenomen.

Indien het belang van het beheer van de politie dan wel de samenwerking van de politie met andere organisaties met een publiekrechtelijke taak op het terrein van politie, justitie of veiligheid dit vereist, kan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties overeenkomstig artikel 47a, vierde lid, van de Politiewet 1993 aan het algemeen bestuur aanwijzingen geven. De aanwijzingen worden schriftelijk gegeven en na overleg met het algemeen bestuur.

Artikel 3.5. Informatieverstrekking

Van belang is dat de deelnemers aan de voorziening tot samenwerking de informatie krijgen die voor een beoordeling van het beleid van Politie Nederland nodig is. In artikel 7, derde lid, van het Besluit is een informatieplicht opgenomen. Voor de goede orde is die informatieplicht ook opgenomen in de regeling van de voorziening tot samenwerking (derde lid). Bepaald is dat de gevraagde informatie het regiolid bereikt door tussenkomst van de korpsbeheerder van de regio.

Artikel 4.1. Samenstelling dagelijks bestuur

De leden van het dagelijks bestuur worden voor vier jaar door en uit het algemeen bestuur benoemd. Voorstelbaar is dat die leden worden benoemd die lid zijn van het dagelijkse bestuur van de vergadering van korpsbeheerders.

Artikel 5.1. Commissie multidisciplinaire ICT aangelegenheden

In het algemeen deel van de toelichting is reeds ingegaan op Commissie multidisciplinaire ICT aangelegenheden. Omdat van te voren niet bekend is welke rechtspersonen of diensten met een publiekrechtelijke taak op het terrein van politie, justitie of veiligheid in aanmerking komen voor het recht een lid voor te dragen, is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het recht gegeven deze organisaties aan te wijzen. Dat maakt het tevens mogelijk in te spelen op veranderingen in het veld van organisaties.

Ingevolge het zesde lid heeft het dagelijks bestuur een motiveringsplicht als het afwijkt van de adviezen van commissie.

Artikel 5.2. Overige commissies

Uitgangspunt is dat de meningsvorming en besluitvorming over onderwerpen die tot de taak van Politie Nederland behoren plaatsvinden binnen Politie Nederland. Commissies kunnen een belangrijke functie vervullen bij het inbrengen in Politie Nederland van de aanwezige kennis bij de politiekorpsen. De werkzaamheden van commissies en eventueel daaraan verbonden werkgroepen kunnen voorts bijdragen tot het creëren van draagvlak bij de politiekorpsen voor de activiteiten van Politie Nederland. Daarom is in het eerste lid bepaald dat voor bepaalde (bestuurs)taken commissies kunnen worden ingesteld. Deze commissies kunnen het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de algemeen directeur adviseren over de uitvoering van bepaalde taken.

Artikel 7.1. Het financieel statuut

Om de transparantie naar de deelnemers aan de voorziening tot samenwerking te vergroten is bepaald dat het algemeen bestuur een financieel statuut vaststelt.

Artikel 7.2. De bekostiging

Belangrijk is dat de verhoudingen van de bijdragen van de verschillende regio’s en de beheerder van het KLPD vaststaan. Het algemeen bestuur bepaalt jaarlijks de hoogte van de bijdragen. Bepaald is dat voor de verhouding geldt de op grond van artikel 2 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen jaarlijks vastgestelde budgetverdeeleenheden. Voor de berekening van de bijdragen van de beheerder van het KLPD wordt op basis van de begroting van het KLPD door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties een fictief aantal budgetverdeeleenheden vastgesteld.

Reeds uit artikel 5, derde lid, van het Besluit volgt de plicht voor de deelnemers aan een voorziening tot samenwerking die ook rechtspersoon is er voor te zorgen dat de rechtspersoon te allen tijde aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen. Voor de goede orde is deze verplichting ten opzichte van Politie Nederland nog eens in het zesde lid opgenomen.

Artikel 7.3. De begroting

Het eerste lid bepaalt dat het algemeen bestuur vóór 1 juli aangeeft welke tarieven Politie Nederland het jaar daarop in rekening zal brengen voor de diensten en goederen die door Politie Nederland worden geleverd. De tarieven worden vóór genoemde datum aan de deelnemers bekendgemaakt in de zogenaamde kaderbrief een en ander overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het Besluit. De deelnemers kunnen zodoende bij het opstellen van de eigen begroting rekening houden met de informatie in de kaderbrief.

In het tweede lid is bepaald dat de vergadering van korpschefs in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen aan het algemeen bestuur over de ontwerpbegroting van de meerjarenraming. Ingevolge het vierde lid omvat de meerjarenraming ook een uitgewerkt overzicht van de te ondernemen activiteiten in de drie jaar die volgen op het begrotingsjaar.

Artikel 47a, zesde lid, van de Politiewet 1993 bepaalt dat de regels gesteld bij of krachtens de artikelen 45, vierde lid, 50 en 53c van de Politiewet 1993 van overeenkomstige toepassing zijn op een voorziening tot samenwerking die rechtspersoon is, onderscheidenlijk het personeel dan wel het bestuur daarvan.

Artikel 8, eerste lid, van het Besluit financiën regionale politiekorpsen bepaalt dat de korpsbeheerder jaarlijks voor 15 november aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties de vastgestelde organisatie en de formatie voor het volgende jaar verstrekt en eveneens de vastgestelde begroting en het beleidsplan die betrekking hebben op het volgende jaar en de daarop volgende drie jaren. Artikel 6, vijfde lid, van het Besluit legt de verantwoordelijkheid voor toepassing van de artikelen 5, eerste lid, 8, eerste lid, en 9, tweede lid, van het Besluit financiën regionale politiekorpsen bij het bestuur van de voorziening tot samenwerking.

In het derde lid is daarom bepaald dat het algemeen bestuur de begroting uiterlijk 15 november vaststelt.

Artikel 7.4. De jaarrekening

De korpsbeheerders verstrekken met betrekking tot de regionale politiekorpsen jaarlijks overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van het Besluit financiën regionale politiekorpsen uiterlijk 31 maart aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties het vastgestelde jaarverslag en de jaarrekening waarin verantwoording wordt afgelegd over de besteding van de rijksbijdragen en overige baten over het voorafgaande jaar. Overeenkomstig artikel 47a, zesde lid, van de Politiewet 1993 is dat artikel ook op een voorziening tot samenwerking van toepassing die rechtspersoonlijkheid bezit met dien verstande dat de plicht overeenkomstig artikel 6, vijfde lid, van het Besluit wordt gelegd bij het bestuur.

Het vijfde lid schrijft daarom voor dat het algemeen bestuur de jaarrekening uiterlijk 31 maart volgend op het begrotingsjaar waarop deze betrekking heeft, moet vaststellen.

Artikel 8. Archief

Op Politie Nederland is overeenkomstig artikel 1, onderdeel b, van de Archiefwet 1995 een overheidsorgaan in de zin van die wet. Bepalingen van die wet zijn derhalve op Politie Nederland van toepassing. Ook in artikel 9 van het Besluit is nog eens uitdrukkelijk bepaald dat de Archiefwet 1995 van toepassing is op een voorziening tot samenwerking die rechtspersoon is.

In het eerste lid is bepaald dat overeenkomstig artikel 41 van de Archiefwet 1995 het dagelijkse bestuur belast is met de zorg voor de archiefbescheiden en dat het algemeen bestuur ten aanzien van de archiefbescheiden beheersregels vaststelt.

In het tweede lid is bepaald dat het dagelijks bestuur de plicht heeft overeenkomstig artikel 14 van het Archiefbesluit 1995 te zorgen voor voldoende ruimte voor de archiefbescheiden en er op toe te zien dat voldoende, deskundig personeel wordt aangesteld.

Artikel 9.1. Wijziging en opheffing

Overeenkomstig artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 1993 kunnen regio’s een voorziening tot samenwerking treffen. De voorziening wordt getroffen door de korpsbeheerder na instemming van de regionale colleges. Artikel 47, vijfde lid, van de Politiewet 1993 bepaalt dat onder het treffen van een voorziening tot samenwerking tevens wordt verstaan het wijzigen of opheffen van dan wel het toetreden tot of uitreden uit de voorziening tot samenwerking.

In het tweede lid is daarom bepaald dat met betrekking tot de regio’s het besluit tot wijziging of opheffing wordt genomen door de korpsbeheerders. Voor het Rijk wordt het besluit genomen door de beheerder van het KLPD. De korpsbeheerders kunnen een besluit tot wijziging of opheffing nemen nadat het regionale college van het politiekorps waarvan zij korpsbeheerder zijn daarmee heeft ingestemd. Een wijziging of opheffing is overeenkomstig artikel 47a, tweede lid, van de Politiewet 1993 aan goedkeuring onderhevig van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hetzelfde geldt voor toetredingen en uittredingen.

Artikel 9.2. Toetreding

Verzoeken tot deelname aan de voorziening tot samenwerking legt het algemeen bestuur overeenkomstig het tweede lid met een advies voor aan de deelnemers. Het advies is belangrijk omdat daaruit moet blijken wat de gevolgen en voorwaarden zijn van een eventuele deelname. Op grond daarvan kunnen de deelnemers zich dan een oordeel vormen.

Het vierde lid bepaalt dat het algemeen bestuur de gevolgen van de toetreding verder regelt en dat het algemeen bestuur aan de toetreding nadere voorwaarden kan verbinden. Daarbij kan worden gedacht aan een bepaald entreebedrag als bijdrage aan reeds gedane investeringen van Politie Nederland.

Artikel 9.3. Uittreding

Zowel een toetreding als een uittreding is op grond van artikel 47a, tweede lid, van de Politiewet 1993 onderhevig aan de goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. Het tweede lid bepaalt daarom dat van het besluit tot uittreding van een deelnemer uit de voorziening tot samenwerking mededeling moet worden gedaan aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. Het is van belang dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties al in een vroeg stadium op de hoogte is van een wens tot uittreding in verband met het belang dat er kan zijn om een deelneming te handhaven. Op grond van artikel 47, derde lid, van de Politiewet 1993 kan een politieregio immers worden verplicht tot deelname aan een voorziening tot samenwerking indien een zwaarwegend belang van het beheer van de politie dit vereist.

Artikel 10. Overgangsbepalingen

In het derde lid is bepaald dat i n het organisatie- en formatieplan als bedoeld in artikel 6.1 de gevolgen van de oprichting van Politie Nederland voor de organisatie en formatie van de deelnemers worden aangegeven. Hiermee wordt voldaan aan de plicht in artikel 2, eerste lid, van het Besluit om de eventuele gevolgen voor de organisatie en formatie van de deelnemers aan te geven.

In het vierde lid is aangegeven hoe de inbreng van activa en passiva bij de oprichting van Politie Nederland geschiedt. De plicht dit aan te geven vloeit voort uit artikel 4, eerste lid, van het Besluit.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J.W. Remkes

Naar boven