Ontwerp-besluit houdende algemene regels voor inrichtingen

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer maakt ingevolge artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer en artikel 33a, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bekend dat gedurende zes weken na dagtekening van deze Staatscourant een ieder schriftelijk zijn zienswijze naar voren kan brengen over onderstaand ontwerp van een algemene maatregel van bestuur.

Adres: Ministerie van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

t.a.v. DGM/SB/RB - IPC 660

Postbus 30945

2500 GX Den Haag

Besluit van ... houdende algemene regels voor inrichtingen (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van ..., nr. ..., Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op de artikelen 8.1, tweede lid, 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer, en op de artikelen 2a, eerste en tweede lid, 2b en 2c, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;

De Raad van State gehoord (advies van ..., nr. ...);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van ..., nr. ..., Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1 Algemeen

Afdeling 1.1 Begripsbepalingen, reikwijdte en procedurele bepalingen

§ 1.1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet voor de betrokken inrichting te verlenen of de waterkwaliteitsbeheerder, indien het lozen betreft als bedoeld in artikel 1, eerste tot en met vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de uitzondering, bedoeld in artikel 1, tweede lid, eerste zin, van die wet niet van toepassing is;

bijlage 1: de bij dit besluit behorende bijlage 1;

bijlage 2: de bij dit besluit behorende bijlage 2;

inrichting type A: inrichting:

- die geen inrichting als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de wet is,

- die niet behoort tot een categorie van inrichtingen als bedoeld in artikel, 8.1, tweede lid, van de wet,

- waar, indien binnen een afstand van 50 m van de grens van de inrichting geluidsgevoelige objecten aanwezig zijn, in de periode tussen 19.00 en 7.00 uur geen transportbewegingen plaatsvinden,

- waarbij mede op basis van de aard van de inrichting, niet aannemelijk is dat in enig vertrek van de inrichting het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

1°. 70 dB(A), indien dit vertrek in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

2°. 80 dB(A), indien dit vertrek niet in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige objecten;

- waar in de buitenlucht of op een open terrein van de inrichting geen muziek ten gehore wordt gebracht, en

- die geen van de in hoofdstukken 3 of 4 of in artikel 1.5, onder b genoemde activiteiten verricht, tenzij het één of meer van de volgende (deel)activiteiten betreft:

• vervaardigen van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken in de inrichting,

• aanwezig hebben van centrale verwarmingsinstallaties,

• aanwezig hebben van koelinstallaties zonder ammoniak, voor zover het gaat om airco’s en koelmeubelen,

• bieden van parkeergelegenheid voor maximaal 30 personenauto’s;

• aanwezig hebben van een noodstroomaggregaat,

• opslag van propaan,

• doorvoeren, bufferen of keren van rioolwater, drinkwater of verwarmingswater,

• lozen van huishoudelijk afvalwater in een vuilwaterriool,

• lozen van afvloeiend hemelwater,

• lozen van koelwater anders dan in een vuilwaterriool,

• lozen van grondwater, waaraan geen verontreinigingen zijn toegevoegd en waarbij de concentratie van verontreinigingen niet door bewerking is toegenomen, op of in de bodem, in dezelfde laag als waaruit het grondwater afkomstig is;

• opslaan van niet-gevaarlijke stoffen in tanks;

inrichting type B: inrichting:

- die geen inrichting als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de wet is,

- die niet behoort tot een categorie van inrichtingen als bedoeld in artikel, 8.1, tweede lid, van de wet, en

- die geen inrichting type A of C is;

inrichting type C: inrichting:

- die behoort tot een categorie van inrichtingen als bedoeld in artikel, 8.1, tweede lid, van de wet,

- waarop het Besluit landbouw milieubeheer van toepassing is, of

- die een glastuinbouwbedrijf type B als bedoeld in het Besluit glastuinbouw is;

vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de wet;

wet: Wet milieubeheer.

2. Naast de in het eerste lid genoemde begripsbepalingen zijn tevens de begripsbepalingen, genoemd in bijlage 2 van toepassing.

§ 1.1.2 Reikwijdte en andere procedurele bepalingen

Artikel 1.2

1. Degene die een inrichting type A drijft, voldoet aan het bepaalde bij of krachtens dit besluit, met uitzondering van afdeling 1.2.

2. Degene die een inrichting type B drijft, voldoet aan het bepaalde bij of krachtens dit besluit.

3. Degene die een inrichting type C drijft, voldoet aan het bepaalde bij of krachtens

a. hoofdstuk 3 van dit besluit,

b. hoofdstuk 4 van dit besluit, voor zover dit betrekking heeft op het lozen in het oppervlaktewater,

c. artikel 1.5 onder b van dit besluit,

d. hoofdstuk 1, hoofdstuk 2, afdelingen 1 en 2 en hoofdstuk 5 van dit besluit, voor zover dit betrekking heeft op de (deel)activiteiten van de inrichting, bedoeld onder a, b en c.

4. Naast degene die een inrichting type A, inrichting type B of inrichting type C drijft, voldoet voor het lozen waarvoor de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag is, een ieder die vanuit het desbetreffende type inrichting loost aan het bij of krachtens het eerste tot en met derde lid bepaalde, met uitzondering van afdeling 1.2.

Artikel 1.3

De in artikel 8.1, tweede lid, van de wet bedoelde categorieën van inrichtingen worden in bijlage 1 genoemd.

Artikel 1.4

1. De verboden, bedoeld in artikel 1, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren gelden niet voor het lozen vanuit:

a. inrichtingen type A of inrichtingen type B, of

b. inrichtingen type C, voor zover het lozen betrekking heeft op de activiteiten genoemd in:

- hoofdstuk 3, of artikel 1.5, onder b;

- hoofdstuk 4 en het lozen in het oppervlaktewater plaatsvindt.

2. Dit besluit is niet van toepassing op:

a. het in het oppervlaktewater, dan wel op of in de bodem onder oppervlaktewater toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit;

b. het lozen waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens het Lozingenbesluit Wvo vaste objecten;

c. het lozen waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens het Besluit glastuinbouw;

d. het lozen waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij;

e. het lozen waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens het Besluit landbouw milieubeheer.

Artikel 1.5

Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat:

a. ter bescherming van het milieu regels worden gesteld ter uitwerking van de voorschriften in de hoofdstukken 2, 3 en 4,

b. ter bescherming van het milieu regels worden gesteld voor de volgende activiteiten, die niet zijn genoemd in de hoofdstukken 3 en 4 van dit besluit:

- noodstroomaggregaat,

- acculaders,

- rioolgemalen,

- elektrolyse,

- opslaan van nitraathoudende kunstmeststoffen;

- bedrijfsmatig houden van dieren;

- opslaan van vaste en dunne mest;

- opslaan van medisch afval;

c. ter bescherming van het milieu regels worden gesteld omtrent de maatwerkvoorschriften die het bevoegd gezag kan stellen met betrekking tot de regels, bedoeld onder a en b, en de mate waarin bij die maatwerkvoorschriften kan worden afgeweken van de regels, bedoeld onder a en b,

d. ter uitwerking van de bij of krachtens dit besluit voor het lozen in het oppervlaktewater gestelde voorschriften, oppervlaktewateren worden aangewezen, die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven,

e. regels worden gesteld omtrent de bij de toepassing van dit besluit in acht te nemen tekst van de bij of krachtens dit besluit genoemde niet-publiekrechtelijke regelingen, en

f. bodembedreigende activiteiten worden aangewezen, waarop afdeling 2.4 niet van toepassing is.

Artikel 1.6

Indien bij of krachtens dit besluit is bepaald dat daarbij aangegeven maatregelen ter bescherming van het milieu moet worden toegepast, meldt degene die de inrichting drijft en die voornemens is een andere maatregel toe te passen, dit voornemen ten minste vier weken voordat hij die andere maatregel wil toepassen aan het bevoegd gezag, onder overlegging van gegevens waaruit blijkt dat die maatregel eenzelfde beschermingsniveau inhoudt. Het bevoegd gezag beslist of de gekozen maatregel kan worden toegepast.

Artikel 1.7

1. Met goederen als bedoeld bij of krachtens dit besluit worden gelijkgesteld goederen die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

2. Met keuringsverklaringen als bedoeld bij of krachtens dit besluit worden gelijkgesteld keuringsverklaringen, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.

3. Met beroepseisen als bedoeld bij of krachtens dit besluit worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 1.8

1. Op het stellen van maatwerkvoorschriften bij of krachtens dit besluit is artikel 8.40, tweede en derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.

2. In het belang van de bescherming van het milieu dan wel voor zover het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften bij of krachtens dit besluit wijzigen, aanvullen of intrekken.

3. Van de beschikking waarbij bij of krachtens dit besluit een maatwerkvoorschrift wordt gesteld, wordt kennisgegeven in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.

Afdeling 1.2 Melding

Artikel 1.9

1. Degene die een inrichting opricht, meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een inrichting en het veranderen van de werking daarvan. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en niet ingevolge de artikelen 1.10 , 1.11 en 1.12 andere gegevens zouden moeten worden verstrekt.

3. Bij de melding wordt vermeld:

a. het adres en het nummer van de Kamer van Koophandel van de inrichting;

b. de naam en het adres van degene die de inrichting opricht dan wel verandert of de werking daarvan verandert, en, indien dit iemand anders is, van degene die de inrichting drijft of zal drijven;

c. het tijdstip waarop de inrichting of de verandering daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn;

d. de aard en omvang van de activiteiten en processen binnen de inrichting, en

e. een plattegrond van de inrichting.

Artikel 1.10

1. Bij de melding, bedoeld in artikel 1.9, wordt tevens een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek als bedoeld in de eerste volzin, niet is vereist als aannemelijk is dat het geluid afkomstig van de inrichting niet bijdraagt aan de geluidsbelasting op de zonegrens.

2. Bij de melding, bedoeld in artikel 1.9, wordt tevens een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien in de periode tussen 19.00 en 7.00 uur transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg, tenzij binnen een afstand van 50 m van de grens van de inrichting geen geluidsgevoelige objecten aanwezig zijn en tenzij het gaat om de openbare verkoop aan derden van motorbrandstoffen voor het wegverkeer.

3. Bij de melding, bedoeld in artikel 1.9, wordt tevens een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien het, mede op basis van de aard van de inrichting, aannemelijk is dat:

a. in enig vertrek van de inrichting het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

1°. 70 dB(A), indien dit vertrek in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

2°. 80 dB(A), indien dit vertrek niet in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige objecten; of

b. in de buitenlucht of op een open terrein van de inrichting muziek ten gehore zal worden gebracht.

4. Bij de melding, bedoeld in artikel 1.9, wordt tevens een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien er sprake is van het omzetten van windenergie in elektrische energie in één of meer windturbines en de afstand van een windturbine tot de dichtstbijzijnde geluidgevoelige object kleiner is dan:

a. 100 m voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 20 m en tot 30 m;

b. 200 m voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 30 m en tot 50 m, en

c. 300 m voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 50 m.

5. Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek als bedoeld in het tweede, derde of vierde lid niet is vereist, indien aannemelijk is dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en de maximale geluidniveaus (LAmax) veroorzaakt door de inrichting niet meer bedragen dan de waarden, bedoeld in artikel 2.17.

6. Indien aannemelijk is dat, in andere gevallen dan die genoemd in het tweede, derde en vierde lid, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten of in geval van een melding als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt door de verandering daarvan, meer bedragen dan de waarden, bedoeld in artikel 2.17, 2.19 en 2.20, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de volledige melding besluiten dat tevens een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd.

7. Uit het rapport van een akoestisch onderzoek blijkt op grond van verrichte geluidmetingen of geluidberekeningen of aan de waarden, bedoeld in artikel 2.17, 2.19 en 2.20 kan worden voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de in de eerste volzin bedoelde waarden worden overschreden.

Artikel 1.11

Bij een melding als bedoeld in artikel 1.9 van een lozing vanuit een bodemsanering of een proefbronnering als bedoeld in artikel 3.1 worden met betrekking tot het lozen de volgende gegevens gemeld:

a. de plaats van het lozen;

b. het tijdstip van de aanvang, de verwachte duur en het maximale debiet van het lozen.

Artikel 1.12

Bij een melding als bedoeld in artikel 1.9 van een lozing van grondwater in het oppervlaktewater, of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in artikel 3.2, tweede tot en met vijfde lid, worden met betrekking tot het lozen de volgende gegevens gemeld:

a. de plaats van het lozen;

b. het tijdstip van de aanvang, de verwachte duur en het maximale debiet van het lozen.

Hoofdstuk 2 Inrichtingsgerelateerde aspecten

Afdeling 2.1 Zorgplicht

Artikel 2.1

1. Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens het besluit gestelde voorschriften, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

2. Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu wordt verstaan:

a. een doelmatig gebruik van energie;

b. de bescherming van bodem en grondwater;

c. het voorkomen van het ontstaan van afvalwater en, voorzover dat niet mogelijk is het doelmatig beheer van afvalwater;

d. de bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater en het voorkomen dan wel het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het oppervlaktewater;

e. doelmatig beheer van afvalstoffen;

f. het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting;

g. het voorkomen, dan wel tot een aanvaardbaar en acceptabel niveau beperken van geluidhinder, trillinghinder, geurhinder, stofhinder of lichthinder;

h. het voorkomen dan wel het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging;

i. het voorkomen dan wel het zoveel mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte verontreinigingen over lange afstand of grensoverschrijdende verontreinigingen;

j. het voorkomen dan wel het zoveel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden;

k. het voorkomen van ongevallen, dan wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van de kans dat ongevallen optreden en, indien een ongeval optreedt, van de nadelige gevolgen ervan voor het milieu;

l. het voorkomen dan wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu die kunnen worden veroorzaakt door onvoldoende onderhoud van de inrichting.

3. Het bevoegd gezag kan, ter uitwerking van het in het eerste lid bepaalde, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de te nemen maatregelen, ten aanzien van aspecten waarvoor bij of krachtens artikel 1.5, onder b, afdeling 2.2 tot en met 2.12, hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 niet in de mogelijkheid voor maatwerkvoorschriften is voorzien.

Afdeling 2.2 Lozingen

Artikel 2.2

1. Het lozen in het oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, die geen vuilwaterriool is, is verboden, tenzij het lozen bij of krachtens artikel 1.5, onder b of bij of krachtens de in hoofdstukken 3 en 4 gestelde voorschriften is toegestaan.

2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat lozen anders dan bedoeld in het eerste lid is toegestaan.

3. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot:

a. de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van de lozing;

b. de voorafgaand aan de lozing te treffen maatregelen, en

c. de duur van de lozing en de plaats van het lozingspunt.

Artikel 2.3

1. Indien zich binnen een inrichting een ongewoon voorval of uitzonderlijke omstandigheid voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater of voor de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, treft degene die loost onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de bedoelde gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, om deze zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

2. Indien zich binnen een inrichting een voorval of omstandigheid als bedoeld in het eerste lid voordoet of heeft voorgedaan, maakt degene die loost zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 8 uur, melding van dat voorval aan de waterkwaliteitsbeheerder binnen wiens gebied het lozen heeft plaatsgevonden.

3. Indien zich buiten de inrichting een ongewoon voorval of uitzonderlijke omstandigheid voordoet of heeft voorgedaan en de waterkwaliteitsbeheerder maatregelen van tijdelijke aard voorschrijft ter voorkoming van ernstige verontreiniging van oppervlaktewateren of van belemmering van de doelmatige werking van het zuiveringstechnische werk, is degene die loost verplicht deze maatregelen onverwijld te treffen.

4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing voor zover hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer van toepassing is.

Afdeling 2.3 Lucht

Artikel 2.4

1. Indien de massastroom van een stof of de opgetelde gelijktijdig optredende massastromen van stoffen binnen eenzelfde stofklasse vanuit alle bronnen in de inrichting, de in tabel 2.4 genoemde grensmassastroom van die stofklasse overschrijdt, is, met uitzondering van stoffen uit de stofklassen S en sO, op al die bronnen afzonderlijk, de in tabel 2.4 genoemde emissieconcentratie-eis behorende bij die stofklasse, van toepassing.

2. Voor stofklasse S geldt dat alle bronnen in de inrichting afzonderlijk:

a. niet meer dan 5 mg/Nm3 emitteren, indien de massastroom van een stof of de opgetelde gelijktijdig optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die bronnen, groter of gelijk is aan 200 g/uur; of

b. niet meer dan 50 mg/Nm3 emitteren, indien de massastroom van een stof of de opgetelde gelijktijdig optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die bronnen, kleiner is dan 200 g/uur.

3. Voor stofklasse sO geldt dat alle bronnen in de inrichting afzonderlijk:

a. niet meer dan 5 mg/Nm3 emitteren, indien de massastroom van een stof of de opgetelde gelijktijdig optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die bronnen, groter of gelijk is aan 100 g/uur; of

b. niet meer dan 50 mg/Nm3 emitteren, indien de massastroom van een stof of de opgetelde gelijktijdig optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die bronnen, kleiner is dan 100 g/uur.

4. Indien voor een bron geen filtrerende afscheider kan worden toegepast, dan geldt voor die bron:

a. in afwijking van het tweede lid, onder a, dat deze bron afzonderlijk niet meer dan 20 mg/Nm3 emitteert; en

b. in afwijking van het derde lid, onder a, dat deze bron afzonderlijk niet meer dan 20 mg/Nm3 emitteert.

5. Voor stofcategorieën MVP, sA en gO geldt tevens dat:

a. indien de optelling van de massastroom van de in nummer laagste stofklasse bij de gelijktijdig optredende massastroom van de in nummer eerstvolgende stofklasse binnen één stofcategorie vanuit alle bronnen in de inrichting, de in tabel 2.4 genoemde grensmassastroom van de laatstgenoemde stofklasse overschrijdt, voor al die bronnen afzonderlijk de in tabel 2.4 bij die stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis van toepassing is; en

b. indien de optelling van gelijktijdig optredende massastromen van afzonderlijke stofklassen binnen één stofcategorie vanuit alle bronnen in de inrichting, de in tabel 2.4 genoemde grensmassastroom van de in nummer hoogste stofklasse uit de stofcategorie overschrijdt, voor al die bronnen afzonderlijk de in tabel 2.4 bij die stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis van toepassing is.

Tabel 2.4

Stofcategorie

Stofklasse

Grensmassastroom

Emissieconcentratie-eis

  

g/uur

mg/Nm3

MVP

MVP1

0,15

0,05

 

MVP2

2,5

1

S

S

-

5 – 20 – 50

sO

sO

-

5 – 20 – 50

sA

sA.1

0,25

0,05

 

sA.2

2,5

0,5

 

sA.3

10

5

gA

gA.1

2,5

0,5

 

gA.2

15

3

 

gA.3

150

30

 

gA.4

2000

50

gO

gO.1

100

20

 

gO.2

500

50

 

gO.3

0,5

100

Artikel 2.5

1. Voor het optellen van massastromen als bedoeld in artikel 2.4, worden de massastromen van de daarin genoemde stoffen opgeteld die onder normale procesomstandigheden in één uur naar de lucht worden geëmitteerd.

2. Het toetsen aan emissieconcentratie-eisen als bedoeld in artikel 2.4 wordt uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 3.7 van de NeR.

Artikel 2.6

Indien de massastroom van een bron op jaarbasis kleiner is dan de in tabel 2.6 genoemde vrijstellingsgrens, gelden in afwijking van artikel 2.4, de daarin genoemde emissieconcentratie-eisen niet voor de emissie van die bron.

Tabel 2.6

Stof-

categorie

stofklasse

Vrijstellingsgrens

(kg/jaar)

MVP

MVP1

0,075

 

MVP2

1,25

S

S

100

sO

sO

50

sA

sA.1

0,125

 

sA.2

1,25

 

sA.3

5

gA

gA.1

1,25

 

gA.2

7,5

 

gA.3

75

 

gA.4

1000

 

gA.5

1000

gO

gO.1

50

 

gO.2

250

 

gO.3

250

Artikel 2.7

De artikelen 2.4 tot en met 2.6 zijn uitsluitend van toepassing op emissies van stoffen waarvoor bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld.

Artikel 2.8

1. In afwijking van de artikelen 2.4 tot en met 2.7 en in afwijking van de emissie-eisen voor stoffen waarvoor in de hoofdstukken 3 en 4 eisen ten aanzien van de emissies naar de lucht zijn gesteld, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift andere emissie-eisen stellen.

2. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het controleren van emissies naar de lucht als bedoeld in de artikelen 2.4 tot en met 2.7, ten aanzien van alle activiteiten waarvoor bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld.

3. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende techniek die door de inrichting wordt ingezet om aan de artikelen 2.4 tot en met 2.7 te voldoen.

Artikel 2.9

1. Indien bij of krachtens dit besluit is bepaald dat daarbij aangegeven maatregelen ter bescherming van het milieu kunnen worden toegepast en degene die de inrichting drijft op een andere wijze voldoet aan de emissie-eisen ten aanzien van stoffen die bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 zijn gesteld, dan:

a. wordt éénmalig aangetoond dat de grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.4 en in de hoofdstukken 3 en 4, vanwege het in werking zijn van de inrichting, niet overschreden worden, of

b. wordt, indien één of meer grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.4 worden overschreden, éénmalig aangetoond dat voldaan wordt aan de emissie-eisen ten aanzien van stoffen waarvoor in hoofdstuk 3 en 4 eisen zijn gesteld door middel van een emissiemeting, dan wel door middel van een emissieberekening mits dit is goedgekeurd door het bevoegd gezag. Een emissiemeting wordt uitgevoerd conform de bepalingsmethode voor die betreffende stof of groep van stoffen zoals genoemd in lid 2, dan wel een andere, door het bevoegd gezag goedgekeurde methode.

2. Het gestelde in het eerste lid, onder a en b is van overeenkomstige toepassing op een verandering van de inrichting indien de verandering naar verwachting zal leiden tot een significante toename van de emissie.

3. Het aantonen zoals bedoeld in het eerste lid, onder a, b en het tweede lid wordt uitgevoerd op aangeven van het bevoegd gezag.

4. Emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissie-eisen worden uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 3.7 van de NeR en volgens:

a. de meetmethode, bedoeld in NEN-EN 13284-1, dan wel in het geval van continue metingen, de meetmethode, bedoeld in NEN-EN 13284-2, ten aanzien van totaal stof (S);

b. de meetmethode, bedoeld in ISO 167740, ten aanzien van chroom(VI)-verbindingen;

c. de meetmethode, bedoeld in NEN-EN 14385, ten aanzien van zware metalen;

d. de meetmethode, bedoeld in NEN-EN 1911-1, 1911-2 en 1911-3, dan wel in het geval van continue metingen volgens de meetmethode, bedoeld in VDI 3480-3, ten aanzien van zoutzuur;

e. de meetmethode, bedoeld in NEN 2819, ten aanzien van waterstoffluoride;

f. de meetmethode, bedoeld in NEN-EN 14792, dan wel in het geval van continue metingen volgens de meetmethode, bedoeld in NEN-ISO 10849, ten aanzien van stikstofoxiden; en

g. de meetmethode, bedoeld in NEN 2826, ten aanzien van ammoniak.

Afdeling 2.4 Bodem

Artikel 2.10

1. Indien binnen een inrichting bodembedreigende activiteiten plaatsvinden worden bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen getroffen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.

2. Bij een inrichting die reeds is opgericht voor de inwerkingtreding van dit besluit en waarvan het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico redelijkerwijs niet kan worden gevergd, wordt een aanvaardbaar risico op aantasting of verontreiniging van de bodem gerealiseerd.

Artikel 2.11

1. Indien binnen de inrichting een bodembedreigende activiteit wordt uitgevoerd, wordt uiterlijk binnen drie maanden na oprichting van de inrichting, een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de nulsituatie van de bodemkwaliteit toegestuurd aan het bevoegd gezag.

2. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het uitvoeren van een onderzoek naar de nulsituatie van de bodemkwaliteit bij een verandering van de inrichting, indien het gelet op de aard of de mate waarin de inrichting verandert, nodig is het referentieniveau van de bodemkwaliteit vast te leggen met het oog op een mogelijke aantasting of verontreiniging van de bodem die kan ontstaan door een bodembedreigende activiteit.

3. Indien binnen de inrichting een bodembedreigende activiteit is uitgevoerd wordt uiterlijk binnen drie maanden na het buitenwerking stellen van de inrichting een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de eindsituatie van de bodemkwaliteit toegestuurd aan het bevoegd gezag.

4. De onderzoeken, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, worden uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.

5. Indien uit het rapport met de resultaten van het bodemonderzoek, bedoeld in het derde lid, blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat binnen zes maanden na toezending van het rapport aan het bevoegd gezag wordt aangevangen met het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan.

6. De drijver van de inrichting draagt er zorg voor dat het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan, geschiedt door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.

7. De drijver van de inrichting meldt de afronding van de werkzaamheden, bedoeld in het vijfde lid direct aan het bevoegd gezag door middel van een verklaring van de persoon of instelling, bedoeld in het zesde lid.

Afdeling 2.5 Afvalbeheer

Artikel 2.12

1. Afval van papier en karton, kunststoffolie, elektrische en elektronische apparatuur worden gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven.

2. Gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de bijlage bij de Europese afvalstoffenrichtlijn worden van elkaar en van andere afvalstoffen gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven.

3. Andere dan de in het eerste en het tweede lid bedoelde afvalstoffen worden gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Artikel 2.13

Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, producten en materialen van welke aard dan ook, die uit de inrichting afkomstig zijn en die binnen een straal van omstreeks 100 m van de inrichting in de openbare ruimte terechtkomen.

Artikel 2.14

Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het als grondstof inzetten van een afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof of textiel voor het vervaardigen, samenstellen of repareren van producten of onderdelen daarvan bestaande uit metaal, hout, kunststof of textiel, indien de eigenschappen van de afvalstof afwijken van de gangbare grondstof.

Afdeling 2.6 Energiebesparing

Artikel 2.15

1. Indien het energiegebruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 200.000 kWh aan elektriciteit of groter is dan 75.000 m3 equivalenten aan aardgas of andere brandstoffen, neemt degene die de inrichting drijft, energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder of die een positieve netto contante waarde hebben bij een interne rentevoet van 15%.

2. Indien aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan het eerste lid, kan het bevoegd gezag degene die de inrichting drijft verzoeken om binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn, onderzoek te verrichten of te laten verrichten waaruit blijkt dat aan het eerste lid wordt voldaan.

3. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, blijkt dat niet alle in het eerste lid bedoelde maatregelen zijn genomen, neemt de drijver van de inrichting deze maatregelen binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn.

Afdeling 2.7 Verkeer en vervoer

Artikel 2.16

1. Indien binnen in een inrichting meer dan 500 werknemers werkzaam zijn en aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.1, tweede lid onder f, kan het bevoegd gezag degene die de inrichting drijft verzoeken om binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn onderzoek te verrichten of te laten verrichten dan wel aannemelijk te maken dat aan het bepaalde in artikel 2.1, tweede lid onder f wordt voldaan.

2. Indien in een inrichting dagelijks meer dan 500 bezoekers komen, neemt degene die de inrichting drijft, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, maatregelen om de nadelige gevolgen voor het milieu ten gevolge van vervoer door of vanwege bezoekers tegen te gaan.

3. Indien sprake is van meer dan 1.000.000 eigen of 2.000.000 ingehuurde transportkilometers per jaar, neemt degene die een inrichting drijft, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, maatregelen om de nadelige gevolgen voor het milieu ten gevolge van dit vervoer tegen te gaan.

Afdeling 2.8 Geluidhinder

Artikel 2.17

1. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, geldt dat:

a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

Tabel 2.17a
 

07:00–19:00

19:00–23:00

23:00–07:00 uur

LAr,LT op de gevel van geluidgevoelige gebouwen

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAr,LT in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax op de gevel van geluidgevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

b. de in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximaal geluidsniveau (LAmax) niet van toepassing zijn op laad en losactiviteiten;

c. de in tabel 2.17a aangegeven waarden binnen in- of aanpandige geluidsgevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze geluidsgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen, en

d. de in tabel 2.17a aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidgevoelige terreinen op de grens van het terrein.

2. Het bovenstaande is niet van toepassing indien en voor zover in dit besluit voor een specifieke activiteit of installatie anders is bepaald.

3. Indien binnen een afstand van 50 m van een inrichting die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein, geen geluidsgevoelige objecten zijn gelegen, geldt voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door die inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, in afwijking van artikel 2.17, eerste lid dat de niveaus op de in tabel 2.17b genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden:

Tabel 2.17b
 

07.00–19.00 uur

19.00–23.00 uur

23.00–07.00 uur

LAr,LT op een afstand van 50 m vanaf de grens van de inrichting

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

4. In afwijking van het eerste en het tweede lid, geldt voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax), bij een inrichting voor openbare verkoop van motorbrandstoffen aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer, dat:

a. de geluidniveaus op de in tabel 2.17c genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

b. de in de periode tussen 07.00 uur en 21.00 uur in tabel 2.17c opgenomen maximaal geluidsniveaus (LAmax) niet van toepassing zijn op het laden en lossen;

Tabel 2.17c
 

07:00–21:00

21:00–07:00 uur

LAr,LT op de gevel van geluidgevoelige gebouwen

50 dB(A)

40 dB(A)

LAmax op de gevel van geluidgevoelige gebouwen

70 dB(A)

60 dB(A)

c. de in tabel 2.17c aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidgevoelige terreinen op de grens van het terrein.

5. Voor een inrichting, die onder de werking viel van het Besluit tankstations milieubeheer, die redelijkerwijs niet kan voldoen aan de niveaus, bedoeld in tabel 2.17c, ter plaatse van een geluidgevoelig object waarvoor op basis van het Besluit tankstations milieubeheer, geen geluidgrenswaarden golden, gelden de niveaus uit tabel 2.17c gedurende 5 jaren na inwerkingtreding van dit besluit niet.

6. Voor een inrichting, die onder de werking viel van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer, Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, Besluit jachthavens, Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, Besluit tandartspraktijken milieubeheer, Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer of Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer en die redelijkerwijs niet kan vol voldoen aan de niveaus, bedoeld in tabel 2.17a, ter plaatse van een geluidgevoelig object waarvoor op basis van hiervoor genoemde besluiten, geen geluidgrenswaarden golden, gelden de niveaus uit tabel 2.17a gedurende 5 jaren na inwerkingtreding van dit besluit niet.

Artikel 2.18

1. Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in artikel 2.17, blijft buiten beschouwing:

a. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;

b. het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

c. het geluid van traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang bij militaire inrichtingen;

d. het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur op het terrein van een militaire inrichting.

2. Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in artikel 2.17, wordt voor muziekgeluid geen bedrijfsduurcorrectie toegepast.

3. In gevallen waarin een inrichting, die onder de werking viel van het Besluit horeca-, sport-, en recreatie-inrichtingen milieubeheer, is opgericht voor 1 december 1992, is tot 1 december 2007 het tweede lid niet van toepassing voor de toetsing van de geluidsniveaus gedurende de periode van 23.00 tot 07.00 uur, tenzij voor de inrichting op grond van een verleende vergunning het toepassen van bedrijfsduurcorrectie niet was toegestaan. Indien ingevolge het voorgaande een bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast, is het door de inrichting veroorzaakte geluidniveau gedurende de bedrijfstijd tussen 23.00 en 07.00 uur niet hoger dan op grond van artikel 2.17 is toegestaan tussen 19.00 en 23.00 uur.

4. In gevallen waarin een inrichting onder de werking van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer viel, is in de periode tussen 23.00 uur en 07.00 het in tabel 2.17a van artikel 2.17 opgenomen maximaal geluidsniveau (LAmax) niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij laad-en losactiviteiten, mits degene die de inrichting drijft aantoont dat het maximaal geluidsniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen en het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65 dB(A).

5. In gevallen waarin een inrichting onder de werking viel van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer, zijn tot 1 december 2007, het in de periode tussen 19.00 uur en 21.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveau (LAmax) van artikel 2.17 niet van toepassing op laad-en losactiviteiten in de onmiddellijke nabijheid van en ten behoeve van een inrichting.

6. Bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau (LAmax), bedoeld in artikel 2.17, tabel 2.17a, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

a. het komen en gaan van bezoekers;

b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

7. Dit artikel is niet van toepassing op situaties zoals bedoeld in artikel 2.17, vierde lid.

Artikel 2.19

1. Burgemeester en wethouders kunnen bij gemeentelijke verordening gebieden vaststellen waarin geluidsnormen gelden die afwijken van de normen, bedoeld in artikel 2.17.

2. In een gebied als bedoeld in het eerste lid bedragen de waarden binnen een geluidgevoelig gebouw op de volgende tijdstippen niet meer dan de in tabel 2.19 aangegeven waarden:

Tabel 2.19
 

07.00–19.00 uur

19.00–23.00 uur

23.00–07.00 uur

LAr,LT

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

3. Bij de vaststelling van de geluidsnormen, bedoeld in het eerste lid, wordt tenminste rekening gehouden met het in het gebied heersende referentieniveau.

4. Bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau (LAmax), bedoeld in het tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

a. het komen en gaan van bezoekers;

b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

Artikel 2.20

1. In afwijking van de waarden, bedoeld in artikel 2.17, en de waarden, bedoeld in artikel 2.19, kan het bevoegd gezag andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax) vaststellen.

2. Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarden vaststellen als bedoeld in het eerste lid, indien binnen geluidgevoelige gebouwen, die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, de waarden uit tabel 2.20 zijn gewaarborgd.

Tabel 2.20
 

07.00–19.00 uur

19.00–23.00 uur

23.00–07.00 uur

LAr,LT

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

3. De in het tweede lid bedoelde etmaalwaarde geldt niet indien de gebruiker van deze geluidgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen.

4. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de plaats waarvandaan de waarden, bedoeld in artikel 2.17 en artikel 2.19, voor een inrichting gelden.

5. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht en gedragsregels die in acht moeten worden genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen.

Artikel 2.21

1. De bij of krachtens dit besluit geldende geluidsnormen zijn, voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of delen van dagen in verband met de viering van:

a. festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;

b. andere festiviteiten die plaatsvinden binnen de inrichting, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of delen van dagen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar.

2. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen voorwaarden worden verbonden aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

3. Een festiviteit als bedoeld in het eerste lid die maximaal een eetmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 2.22

1. De bij of krachtens dit besluit geldende geluidsnormen zijn, voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of delen van dagen in verband met activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld in artikel 2.21, die plaatsvinden binnen de inrichting, waarbij de som van het aantal dagen of delen van dagen gebaseerd op dit artikel en artikel 2.21 niet meer mag bedragen dan twaalf dagen per kalenderjaar.

2. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften vaststellen met betrekking tot het maximum aantal dagen of dagdelen per kalenderjaar met een maximum van twaalf dagen of dagdelen, de duur van de activiteiten, het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, de maximale geluidsniveaus en het treffen van maatregelen.

3. Een activiteit als bedoeld in het eerste lid die maximaal een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op een dag.

Afdeling 2.9 Trillinghinder

Artikel 2.23

1. Trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen, alsmede de tot de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, bedragen in geluidgevoelige gebouwen niet meer dan de trillingsterkte, zoals te bepalen volgens tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen.

2. De waarden gelden niet indien de gebruiker van deze geluidgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van trillingmetingen.

3. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift een andere trillingsterkte toelaten. Deze trillingsterkte mag niet lager zijn dan de streefwaarden die zijn gedefinieerd voor de gebouwfunctie wonen in de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, uitgave 2002.

Afdeling 2.10 Geurhinder

Artikel 2.24

Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen om de geurbelasting nabij geurgevoelige objecten als gevolg van het in werking zijn van de inrichting te verlagen, of te beperken tot specifieke tijdstippen.

Afdeling 2.11 Lichthinder

Artikel 2.25

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen met betrekking tot de te treffen maatregelen of voorzieningen ter bescherming van de duisternis en het donkere landschap, indien de inrichting is gelegen in een gebied waarvoor bij of krachtens beleidsregel, bestemmingsplan of verordening eisen ten aanzien van de bescherming van de duisternis of het donkere landschap zijn vastgesteld.

Afdeling 2.12 Financiële zekerheid

Artikel 2.26

1. Degene die een vloeibare brandstof of afgewerkte olie opslaat in een ondergrondse tank of degene die een tankstation voor het wegverkeer drijft, stelt door verzekering of anderszins financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid die voortvloeit uit verontreiniging van de bodem als gevolg van dat opslaan of het drijven van het tankstation. Deze verplichting geldt niet voor het Rijk.

2. De zekerheid bedraagt € 226.890,11 per ondergrondse tank. Bij meer dan zes ondergrondse tanks bedraagt de zekerheid in totaal € 1.361.340,65.

3. De zekerheid wordt in stand gehouden vanaf het tijdstip waarop het opslaan begint tot vier weken nadat de resultaten van het rapport overeenkomstig artikel 2.11, derde lid, aan het bevoegd gezag zijn gemeld.

4. Indien bij de toezending van een rapport als bedoeld in artikel 2.11, derde lid, blijkt dat de bodem met vloeibare brandstof of met afgewerkte olie is verontreinigd, wordt, in afwijking van het bepaalde in het derde lid, de financiële zekerheid in stand gehouden tot het tijdstip waarop gedeputeerde staten aan degene die opslaat of een tankstation voor het wegverkeer drijft, schriftelijk hebben verklaard dat de door hen nodig geachte maatregelen zijn genomen. Degene die opslaat of een tankstation voor het wegverkeer drijft, kan gedeputeerde staten schriftelijk verzoeken om een verklaring als bedoeld in de eerste volzin. Gedeputeerde staten beslissen op het verzoek uiterlijk vier weken nadat het is verzonden.

Artikel 2.27

Degene die een tankstation voor het wegverkeer drijft of degene die een vloeibare brandstof of afgewerkte olie opslaat in een ondergrondse tank, legt binnen vier weken nadat hij met deze activiteit is aangevangen aan het bevoegd gezag één of meer schriftelijk bewijsstukken over, waaruit blijkt dat de financiële zekerheid voldoet aan de artikelen 2.26 en 2.28.

Artikel 2.28

Uit de schriftelijke bewijsstukken, bedoeld in artikel 2.27, blijkt:

a. dat wordt voldaan aan artikel 2.26, vierde lid,

b. dat degene die contractueel instaat voor de financiële dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, voor zover sprake is van het drijven van een tankstation voor het wegverkeer, het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis zal stellen van het tijdstip waarop die zekerheid is of zal komen te vervallen, alsmede van de opneming van uitsluitingen en andere fundamentele wijzigingen in de afgesloten overeenkomst die de gestelde zekerheid inperken, en

c. dat de persoon, bedoeld in onderdeel b, tot een jaar na de in dat onderdeel bedoelde schriftelijke kennisgeving garant staat voor herstel of vergoeding van schade die is ontstaan tijdens de looptijd van de financiële zekerheid.

Artikel 2.29

Degene die een tankstation voor het wegverkeer drijft, draagt er zorg voor dat de vorm van de financiële zekerheid en de hoedanigheid van degene die contractueel instaat voor de financiële dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, niet wordt gewijzigd dan nadat aan het bevoegd gezag een schriftelijk bewijsstuk is overgelegd, waaruit blijkt dat de nieuwe financiële zekerheid voldoet aan de artikelen 2.26 en 2.28.

Artikel 2.30

Burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, ’s-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht, van gemeenten die zijn aangewezen krachtens artikel 88, negende lid, van de Wet bodembescherming, en een regionaal openbaar bestuur als bedoeld in de Kaderwet bestuur in verandering, treden voor de toepassing van de artikel 2.26, vierde lid, in de plaats van gedeputeerde staten. Een regionaal openbaar lichaam als bedoeld in de vorige volzin treedt slechts in de plaats van gedeputeerde staten, indien de in dit artikel bedoelde bevoegdheden bij algemene maatregel van bestuur zijn overgedragen.

Hoofdstuk 3 Bepalingen met betrekking tot activiteiten in inrichtingen, tevens geldend voor inrichtingen type C

Afdeling 3.1 Afvalwaterbeheer

§ 3.1.1 Reinigen van grond of grondwater

Artikel 3.1

1. Het lozen van grondwater vanuit een bodemsanering of een proefbronnering, die plaatsvindt in het kader van een saneringsonderzoek in de zin van de Wet bodembescherming, en waarbij de bodemverontreiniging is veroorzaakt door:

- chemische wasserijen;

- tankstations voor het wegverkeer;

- be- en verwerkende bedrijven van afgewerkte olie en autowrakken;

- herstelinrichtingen voor motorvoertuigen;

- opslagtanks van benzine, diesel of huisbrandolie, dan wel motorbrandstoffen ten behoeve van het wegverkeer of minerale olie,

in het oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan indien wordt voldaan aan het bij of krachtens het eerste tot en met het vierde lid en het zevende tot en met het negende lid bepaalde.

2. Bij het lozen in oppervlaktewateren die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, bedraagt het gehalte aan verontreinigende stoffen in enig steekmonster niet meer dan:

Tabel 3.1a

verontreinigende stoffen

gehalte

bepalingsmethode

BTEX-som

50 µg/l

NEN 6407

VOCl-som alifatisch

20 µg/l

NEN 6401

VOCl-som aromatisch

20 µg/l

NEN-EN-ISO 6468

Minerale olie

500 µg/l

NEN-EN-ISO 9377-2

Naftaleen

0,1 µg/l

NEN 6407

PAK’s

0,003 µg/l

O-NEN 6527

Cadmium (Cd)

4 µg/l

NEN 6426

Kwik (Hg)

1 µg/l

NEN-EN 1483

Koper (Cu)

11 µg/l

NEN 6426

Nikkel (Ni)

41 µg/l

NEN 6426

Lood (Pb)

53 µg/l

NEN 6426

Zink (Zn)

120 µg/l

NEN 6426

Chroom (Cr)

24 µg/l

NEN 6426

IJzer (Fe)

10 mg/l

NEN 6426

Onopgeloste bestanddelen

50 mg/l

NEN-EN 12880

3. Bij het lozen in oppervlaktewateren, anders dan bedoeld in het tweede lid, bedraagt het gehalte aan verontreinigende stoffen in enig steekmonster niet meer dan:

4. Bij het lozen op of in de bodem bedraagt het gehalte aan verontreinigende stoffen in enig steek-monster niet meer dan de streefwaarden in de circulaire Streefwaarden- en interventiewaarden bodemsanering.

5. Indien het lozen in het oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, redelijkerwijs niet mogelijk is:

a. is het lozen vanuit een proefbronnering in het vuilwaterriool toegestaan,

b. kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift het lozen vanuit een bodemsanering in een vuilwaterriool onder voorwaarden toestaan.

6. Bij het lozen als bedoeld in het vijfde lid, onder b, bedraagt, tenzij bij het maatwerkvoorschrift als bedoeld in dat lid een hoger gehalte is bepaald, het gehalte aan verontreinigende stoffen in enig steekmonster niet meer dan:

Tabel 3.1b

verontreinigende stoffen

gehalte

bepalingsmethode

Benzeen

2 µg/l

NEN 6407

Tolueen

7 µg/l

NEN 6407

Ethylbenzeen

4 µg/l

NEN 6407

Xyleen

4 µg/l

NEN 6407

Tetrachlooretheen

3 µg/l

NEN 6401

Trichlooretheen

20 µg/l

NEN 6401

1,2-dichlooretheen

20 µg/l

NEN 6401

1,1,1,-trichloorethaan

20 µg/l

NEN 6401

Vinylchloride

8 µg/l

NEN 6401

Monochloorbenzeen

7 µg/l

NEN-EN-ISO 6468

Dichloorbenzenen

3 µg/l

NEN-EN-ISO 6468

Trichloorbenzenen

1 µg/l

NEN-EN-ISO 6468

Minerale olie

50 µg/l

NEN-EN-ISO 9377-2

Naftaleen

0,01 µg/l

NEN 6407

PAK’s

0,0003 µg/l

O-NEN 6527

Cadmium (Cd)

0,4 µg/l

NEN 6426

Kwik (Hg)

0,1 µg/l

NEN-EN 1483

Koper (Cu)

1,1 µg/l

NEN 6426

Nikkel (Ni)

4,1 µg/l

NEN 6426

Lood (Pb)

5,3 µg/l

NEN 6426

Zink (Zn)

12 µg/l

NEN 6426

Chroom (Cr)

2,4 µg/l

NEN 6426

onopgeloste bestanddelen

20 mg/l

NEN-EN 12880

IJzergehalte

5 mg/l.

NEN 6426

Tabel 3.1c

verontreinigende stoffen

gehalte

bepalingsmethode

onopgeloste bestanddelen

30 mg/l

NEN-EN 12880

BTEX-som

100 µg/l

NEN 6407

VOCl-som alifatisch

20 µg/l

NEN 6401

VOCl-som aromatisch

20 µg/l

NEN-EN-ISO 6468

Minerale olie

10 mg/l

NEN-EN-ISO 9377-2

Naftaleen

40 µg/l

NEN 6407

PAK 10

50 µg/l

O-NEN 6527

Cadmium (Cd)

4 µg/l

NEN 6426

Kwik (Hg)

1 µg/l

NEN-EN 1483

Koper (Cu)

500 µg/l

NEN 6426

Nikkel (Ni)

500 µg/l

NEN 6426

Lood (Pb)

500 µg/l

NEN 6426

Zink (Zn)

500 µg/l

NEN 6426

Chroom (Cr)

500 µg/l

NEN 6426

Tin

500 µg/l

NEN 6426

7. Bij het lozen in het oppervlaktewater bedraagt het zuurstofgehalte tenminste 5 mg/l.

8. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift:

a. gehalten bepalen voor andere stoffen dan de stoffen, bedoeld in het tweede, derde en zesde lid;

b. hogere gehalten bepalen dan de gehalten, bedoeld in het tweede, derde en zesde lid;

c. een lagere waarde voor het zuurstofgehalte bepalen dan het zuurstofgehalte, bedoeld in het zevende lid.

9. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

§ 3.1.2 Lozen van grondwater, niet zijnde verontreinigd grondwater in het kader van een bodemsanering

Artikel 3.2

1. Het op of in de bodem lozen van grondwater is toegestaan indien het lozen plaatsvindt in dezelfde laag als waaruit het grondwater afkomstig is, aan het grondwater geen verontreinigingen zijn toegevoegd en het gehalte aan verontreinigingen niet door bewerking is toegenomen, en als gevolg van het lozen geen wateroverlast ontstaat.

2. Het lozen van grondwater in het oppervlaktewater is toegestaan, indien aan het grondwater geen verontreinigingen zijn toegevoegd en het gehalte aan verontreinigingen niet door bewerking is toegenomen, het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 50 mg/l bedraagt, het zuurstofgehalte tenminste 5 mg/l bedraagt en het ijzergehalte ten hoogste 5 mg/l bedraagt.

3. Het bevoegd gezag kan bij het lozen, bedoeld in het tweede lid, bij maatwerkvoorschrift andere gehalten vaststellen dan de gehalten, bedoeld in dat lid.

4. Het in een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel lozen van grondwater is toegestaan indien aan het grondwater geen verontreinigingen zijn toegevoegd en het gehalte aan verontreinigingen niet door bewerking is toegenomen, het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 50 mg/l bedraagt en het ijzergehalte ten hoogste 5 mg/l bedraagt.

5. Bij lozen als bedoeld in het vierde lid kunnen bij maatwerkvoorschrift of bij verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de wet andere gehalten worden vastgesteld dan de gehalten, bedoeld in dat lid.

6. Het in een vuilwaterriool lozen van grondwater is toegestaan indien aan het grondwater geen verontreinigingen zijn toegevoegd en het gehalte aan verontreinigingen niet door bewerking is toegenomen, het lozen ten hoogste 4 weken duurt en de geloosde hoeveelheid ten hoogste 5m3 per uur bedraagt.

7. Bij maatwerkvoorschrift of bij verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de wet kunnen met betrekking tot de tijdsduur en de hoeveelheid, bedoeld in het zesde lid, andere waarden worden vastgesteld.

8. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het zesde lid bij maatwerkvoorschrift ander lozen in een vuilwaterriool dan lozen als bedoeld in dat lid toestaan.

9. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater als bedoeld in het eerste, tweede, vierde, zesde en achtste lid op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

10. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient de per tijdseenheid geloosde hoeveelheid afvalwater als bedoeld in het zesde lid op een doelmatige wijze te kunnen worden bepaald.

§ 3.1.3 Lozen van afvloeiend hemelwater

Artikel 3.3

1. Onverminderd het elders bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 bepaalde ten aanzien van het lozen van afvloeiend hemelwater is het lozen van afvloeiend hemelwater toegestaan, indien wordt voldaan aan het bij het tweede tot en met het derde lid bepaalde.

2. Indien het op of in de bodem, in een openbaar hemelwaterstelsel of in het oppervlaktewater lozen van afvloeiend hemelwater van daken en verhardingen, dat aanvangt na het in werking treden van dit besluit redelijkerwijs niet mogelijk is, is het in een vuilwaterriool lozen van dat hemelwater toegestaan.

3. Indien afvloeiend hemelwater vanaf een bodembeschermende voorziening wordt geloosd dient het voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

§ 3.1.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 3.4

1. Indien de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:

a. 40 m bij minder dan 10 inwonerequivalenten;

b. 100 m bij meer dan 10 doch minder dan 25 inwonerequivalenten;

c. 600 m bij 25 tot 50 inwonerequivalenten;

d. 1500 m bij 50 tot 100 inwonerequivalenten, en

e. 3000 m bij 100 doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten,

is het toegestaan het huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater of op of in de bodem te lozen.

2. Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 regelmatig plaatsvond, wordt de afstand berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk bevindt.

3. Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater dat voor 1 maart 1997 plaatsvond, wordt de afstand berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk bevindt.

4. Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater anders dan het lozen, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt de afstand berekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt.

5. Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt de afstand berekend langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

6. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van de bodem of de kwaliteit van het oppervlaktewater zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen op of in de bodem of in het oppervlaktewater toestaan voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een afschrijvingstermijn van de bij de aanleg van het vuilwaterriool of het zuiveringstechnisch werk reeds bestaande zuiveringsvoorziening.

Artikel 3.5

1. Voorafgaand aan het lozen in de bodem of in het oppervlaktewater wordt het huishoudelijk afvalwater gezuiverd.

2. Bij lozen in de bodem wordt het huishoudelijk afvalwater op een zodanige wijze geloosd, dat de nadelige gevolgen voor het milieu zo veel mogelijk worden beperkt.

§ 3.1.5 Lozen van koelwater

Artikel 3.6

1. Het lozen van koelwater waaraan geen chemicaliën zijn toegevoegd in het oppervlaktewater of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater die geen vuilwaterriool is, is toegestaan indien de warmtevracht niet meer bedraagt dan:

a. 1.106 Joule per seconde, indien het oppervlaktewateren betreft, die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven;

b. 1.104 Joule per seconde, indien het andere oppervlaktewateren betreft dan oppervlaktewateren als bedoeld onder a.

2. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van de termen:

a. het lozingsdebiet van koelwater in m3 per seconde;

b. het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewater in graden Celsius;

c. de warmtecapaciteit van het koelwater hetgeen gelijk is aan 4,19.106 Joule per m3 per graad temperatuursverhoging.

3. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen met een hogere warmtevracht dan lozen als bedoeld in het eerste lid of het lozen waaraan in beperkte mate chemicaliën zijn toegevoegd toestaan.

4. Het lozen van koelwater in een vuilwaterriool is toegestaan, indien het lozen van het koelwater op of in de bodem, in een openbaar hemelwaterstelsel of in het oppervlaktewater redelijkerwijs niet mogelijk is.

5. De warmtevracht van een lozing van koelwater dient op een doelmatige wijze te kunnen worden bepaald, dan wel door degene die de inrichting drijft aannemelijk te worden gemaakt.

Afdeling 3.2 Installaties

§ 3.2.1 In werking hebben van een warmte-krachtinstallatie

Artikel 3.7

1. Van de warmtekrachtinstallatie is het jaargemiddeld rendement ten minste 65%, berekend volgens de formule: de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht plus tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte (ηe + 2/3•ηth).

2. Een warmtekrachtinstallatie die in gebruik is genomen voor de inwerkingtreding van dit besluit, haalt een jaargemiddeld rendement van ten minste 60%, berekend volgens de formule: de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht plus tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte (ηe + 2/3•ηth).

3. De warmtekrachtinstallatie wordt zodanig in bedrijf gehouden dat de hoeveelheid warmte die nuttig gebruikt wordt zo hoog mogelijk is en de hoeveelheid warmte die ongebruikt aan de omgeving wordt afgegeven zo klein mogelijk is. Onder ongebruikte warmte wordt mede verstaan de warmte die door de noodkoeler wordt afgegeven.

Artikel 3.8

1. Jaarlijks wordt het brandstofverbruik en de geproduceerde elektriciteit geregistreerd.

2. Indien de warmtekrachtinstallatie is aangesloten op een noodkoeler wordt jaarlijks de hoeveelheid nuttig toegepaste warmte geregistreerd.

3. Indien de warmtekrachtinstallatie niet is aangesloten op een noodkoeler wordt het thermisch rendement eenmaal per twee kalenderjaren vastgesteld.

4. Onderstaande documenten of een kopie daarvan zijn gedurende vijf kalenderjaren na dagtekening binnen de inrichting aanwezig, of, binnen een termijn die wordt gesteld door degene die toeziet op de naleving van dit besluit voor deze beschikbaar:

a. onderhoudscontract(en) van de installatie;

b. certificaten of bewijzen van periodiek onderhoud of keuring van de installatie;

c. de registratie van het brandstofverbruik, de geproduceerde en nuttig toegepaste warmte en de geproduceerde elektriciteit.

§ 3.2.2 In werking hebben van een installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit

Artikel 3.9

1. Voor gasdrukmeet- en regelstations categorie B en C is een bedrijfsnoodplan aanwezig, dat ter informatie wordt toegestuurd aan het bevoegd gezag of de (regionale) brandweer. Deze eis geldt niet indien een bedrijfsnoodplan is vastgesteld op regionaal niveau.

2. De plaatsing van de apparatuur en materiaal dat nodig is voor onderzoek/metingen naar het functioneren van het aardgasmeet- en/of regelstation wordt in een register van wijzigingen opgenomen dat ter inzage is voor het bevoegd gezag.

3. De drijver van de inrichting heeft op inzichtelijke wijze de volgende documentatie beschikbaar:

a. een actueel schema voor onderhoud, keuringen en metingen en de resultaten ervan;

b. een schema van de in- en uitgaande leidingen met hun afsluiters;

c. een schema van de gasdrukregel- en meetinstallatie.

4. Met betrekking tot de opstelplaats van een gasdrukregel- en meetstation ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten, worden de in de onderstaande tabel opgenomen afstanden in acht genomen:

Tabel 3.9 veiligheidsafstanden

Categorieindeling

Opstellingswijze

Kwetsbare objecten

beperkt kwetsbare objecten

B

Kast

4 m

2 m

 

(semi-)Ondergronds station

4 m

2 m

 

Kaststation

6 m

4 m

 

Open opstelling/vrijstaand gebouw

10 m

4 m

    

C

Alle stations t/m 40 000 m03/h aardgas

15 m

4 m

 

Alle stations boven 40 000 m03/h aardgas

25 m

4 m

5. De in de tabel genoemde afstanden voor een (semi-)ondergronds station mogen worden gehalveerd indien het gasvoerende deel geheel ondergronds ligt. Kasten mogen tegen gebouwen worden geplaatst mits wordt voldaan aan de bepalingen van NEN 1059.

6. Voor een gasdrukmeet- en regelstation,

a. opgericht voor 1 december 2001 en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was en dat viel onder het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer of;

b. dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was;

is het vierde lid niet van toepassing voorzover de afstanden afwijken van de afstanden, bedoeld in tabel 3.9. Afstanden mogen niet kleiner zijn dan waarvoor de vergunning is verleend.

7. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de veiligheid, voor die situatie, bedoeld in het zesde lid, voorzover de afstanden afwijken van de afstanden, bedoeld in tabel 3.9.

8. Dit artikel is niet van toepassing op gasdrukmeet- en regelstations categorie A.

§ 3.2.3 In werking hebben van een windturbine

Artikel 3.10

Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het in werking hebben van een windturbine maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van het voorkomen of het beperken van hinder door slagschaduw of lichtschittering.

Artikel 3.11

1. Een windturbine voldoet aan de veiligheidseisen opgenomen in:

a. IEC 61400-2 «Safety requirements of small wind turbines» indien het beslagen rotoroppervlak kleiner is dan 40 m2;

b. NVN 11400-0 «Windturbines - Deel 0: Voorschriften voor typecertificatie - Technische eisen» indien het beslagen rotoroppervlak 40 m2 of groter is, tenzij de windturbine op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en daarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was.

2. Voor een windturbine die op 1 december 2001 reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was, gelden de in die vergunning opgenomen voorschriften met betrekking tot de veiligheid van de installatie.

3. Een windturbine wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar beoordeeld op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties door een deskundige met vakbekwaamheid op het gebied van windturbines.

4. Indien wordt geconstateerd of indien het redelijk vermoeden bestaat dat een onderdeel of onderdelen van de windturbine een gebrek bezitten, waardoor de veiligheid voor de omgeving in het geding is, wordt de windturbine onmiddellijk buiten bedrijf gesteld en het bevoegd gezag daaromtrent geïnformeerd. De windturbine wordt eerst weer in bedrijf genomen nadat alle defecte onderdelen zijn gerepareerd of zijn vervangen.

5. Indien een windturbine als gevolg van het in werking treden van een beveiliging buiten bedrijf is gesteld, wordt deze pas weer in werking gesteld nadat de oorzaak van het buiten werking stellen is opgeheven.

6. Een windturbine wordt niet in werking gesteld als zich een zodanige ijslaag op de rotorbladen heeft afgezet, dat door loslatend ijs de veiligheid voor de omgeving in het geding is.

Artikel 3.12

1. Metingen van de geluidemissie ter bepaling van de bronsterkte van een windturbine worden uitgevoerd volgens IEC 61400-11 «Wind turbine generator systems -Part 11: Acoustic noise measurements techniques» of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode.

2. Metingen worden uitgevoerd bij een gemiddelde windsnelheid van 7 m/s waarbij een maximale afwijking is toegestaan van plus of min 2 m/s. De bronsterktespectra worden bepaald in octaafbanden.

3. Metingen ten behoeve van de bepaling van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) op de gevel van een geluidgevoelig gebouw of op de erfgrens van een geluidgevoelig terrein en de beoordeling daarvan, worden uitgevoerd met inachtneming van de windnormcurve, bedoeld in grafiek 3.12 (windnormcurve).

4. Een meting als bedoeld in het eerste lid kan indien nodig op een afwijkend meetpunt worden uitgevoerd onder voorwaarde dat het bevoegd gezag daarmee instemt.

5. Tijdens het uitvoeren van de metingen overeenkomstig het eerste lid wordt gelijktijdig de ter plaatse heersende windsnelheid gemeten op een hoogte van ten minste 10 m boven het maaiveld. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag een meethoogte van 10 m redelijkerwijs niet kan worden gerealiseerd, kan het bevoegd gezag een andere meethoogte aanwijzen.

6. Indien voor de inrichting een andere norm Lar,LT dan 40 dB(A) in de nachtperiode is vastgesteld, wordt de windnormcurve, bedoeld in grafiek 3.12, met deze hogere of lagere waarde in overeenstemming gebracht.

stcrt-2006-124-p27-SC75808-1.gif

Afdeling 3.3 Voorzieningen

§ 3.3.1 Afleveren en opslaan van motorbrandstoffen ten behoeve van openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer; vaste en mobiele installaties

Artikel 3.13

De bufferopslag bij een aardgas-afleverstation voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas aan voertuigen die aardgas als motorbrandstof gebruiken moet zich op een afstand van ten minste 20 m van woningen van derden en kwetsbare objecten bevinden, de afleverzuil moet zich op een afstand van ten minste 10 m van woningen van derden en kwetsbare objecten bevinden.

Artikel 3.14

1. Het afleveren van benzine aan motorvoertuigen voor het wegverkeer ten behoeve van openbare verkoop aan derden geschiedt via een systeem voor dampretour Stage-II. Deze verplichting geldt niet

a. voor het afleveren van benzine met een maximale afleversnelheid van 10 l/minuut of minder en,

b. voor het afleveren van benzine met mengsmering met een maximale afleversnelheid van 45l/minuut of minder of,

c. voor inrichtingen die zijn opgericht voor 1 juli 1995 en waarvan de doorzet aan benzine minder bedraagt dan 500 m3/jaar. Als bewijs dat de doorzet aan benzine in enig jaar minder heeft bedragen dan 500 m3 moet uiterlijk op 31 maart van het daarop volgende jaar een afschrift van een accountantsverklaring daaromtrent in de inrichting aanwezig zijn.

2. Het gebruikte systeem voor dampretour Stage-II moet ten minste 75% van de uit de brandstofreservoirs van de motorvoertuigen verdreven dampen naar de ondergrondse opslagtank terugvoeren.

3. Een systeem voor dampretour Stage-II moet zijn goedgekeurd overeenkomstig de «Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen voor Nederland» van het Nederlands Meetinstituut door een keuringsinstantie, welke daartoe door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd op grond van NEN-EN 45001 dan wel ISO 17025.

4. Een systeem voor dampretour Stage-II wordt voor ingebruikname en daarna eenmaal per drie jaar worden gecontroleerd op de goede werking. Deze controle moet overeenkomstig de «Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen voor Nederland» van het Nederlands Meetinstituut plaatsvinden door een onafhankelijke inspectie-instelling.

6. Indien tijdens de uitvoering van de in het vijfde lid bedoelde controle afwijkingen worden geconstateerd ten opzichte van de eisen gesteld in het tweede en derde lid, worden deze afwijkingen onverwijld opgeheven.

7. De keuringscertificaten zijnde de resultaten van de keuring en de controle, bedoeld in het derde onderscheidenlijk vierde lid, worden binnen de inrichting bewaard.

8. Het bevoegd gezag kan met het oog op:

a. het voorkomen van stankhinder ten gevolge van het afleveren van benzine, of

b. het beperken van de emissies van benzeen ten gevolge van het afleveren van benzine,

bij maatwerkvoorschrift bepalen welke maatregelen bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder c, worden getroffen. Indien andere maatregelen niet afdoende zullen zijn, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder c, een systeem voor dampretour Stage-II wordt aangebracht.

Artikel 3.15

1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening waarboven het afleveren van motorbrandstoffen plaatsvindt, wordt voldaan aan het bij het tweede tot en met het vierde lid bepaalde.

2. Het afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoet aan NEN-EN 858.

3. Het gehalte aan olie in het afvalwater na de afscheider bedraagt niet meer dan 200 mg/l in enig steekmonster bepaald overeenkomstig de bepalingsmethode, bedoeld in NEN-EN-ISO 9377-2.

4. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

§ 3.3.2 Het wassen van motorvoertuigen

Artikel 3.16

1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening waarop motorvoertuigen worden gewassen, wordt voldaan aan het bij het tweede tot en met het vierde lid bepaalde.

2. Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan:

a. 20 mg/l aan olie, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2.

b. 300 mg/l aan onopgeloste bestanddelen bepaald volgens NEN 6621.

3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 mg/l in enig steekmonster bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2, bedragen, indien het afvalwater, voor vermenging met ander afvalwater, wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoet aan en wordt gebruikt conform NEN-EN 858.

4. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

§ 3.3.3 Tandheelkunde en tandtechnische bewerkingen

Artikel 3.17

Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van tandheelkundige bewerkingen wordt het amalgaamhoudend afvalwater geleid door een amalgaamafscheider, die een afscheidingsrendement heeft van ten minste 95%, bepaald volgens de bij dit besluit behorende regeling.

§ 3.3.4 Opslaan van propaan

Artikel 3.18

1. Met betrekking tot de opstelplaats van een reservoir voor de opslag van propaan, het vulpunt van het reservoir voor de opslag van propaan en de opstelplaats van de tankwagen voor de opslag van propaan zijn ten opzichte van buiten de inrichting gelegen woningen en objecten categorie I en II, de in onderstaande tabel opgenomen afstanden in acht genomen:

Tabel 3.18 veiligheidsafstanden
 

Woningen

object cat. I

object cat. II

Opstelplaats tankwagen/vulpunt

   

reservoir t/m 13 m3

20 m

20 m

20 m

reservoir 0,15 t/m 1 m3

25 m

25 m

20 m

reservoir 1 t/m 2 m3

30 m

30 m

20 m

reservoir 2 t/m 3 m3

35 m

35 m

20 m

reservoir 3 t/m 5 m3

40 m

40 m

20 m

reservoir 5 t/m 8 m3

50 m

50 m

20 m

reservoir 8 t/m 13 m3

60 m

60 m

20 m

2. Een reservoir voor de opslag van propaan is gelegen op een afstand van ten minste 15 m van binnen de inrichting gelegen reservoirs voor de opslag van andere brandbare vloeistoffen, indien deze reservoirs bovengronds zijn gelegen en op een afstand van ten minste 1,5 m van de horizontale projectie van het reservoir, indien deze reservoirs ondergronds of ingeterpt zijn gelegen.

3. Een reservoir voor de opslag van propaan is gelegen op een afstand van ten minste 5 m van een ander tot de inrichting behorend reservoir.

4. Een reservoir voor de opslag van propaan is gelegen op een afstand van ten minste 7,5 m van woningen en objecten categorie I of II, die zelf beschikken over een reservoir voor de opslag van propaan.

Hoofdstuk 4 Bepalingen met betrekking tot overige activiteiten in inrichtingen; niet geldend voor inrichtingen type C met uitzondering van het lozen op oppervlaktewater

Afdeling 4.1 Op- en overslaan van (gevaarlijke) stoffen en gassen en het vullen van gasflessen

§ 4.1.1 Opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen (niet zijnde vuurwerk en andere ontplofbare stoffen)

Artikel 4.1

1. Indien in een opslagvoorziening bestemd voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen meer dan 2.500 kg gevaarlijke stoffen, niet zijnde gasflessen behorende tot de klasse 2, aanwezig zijn, bedraagt de afstand tussen de opslagvoorziening en de dichtstbijzijnde woning van derden ten minste 20 m.

2. Indien de opslagvoorziening bestemd voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen is uitgevoerd als brandcompartiment of indien tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een brandwerende voorziening van voldoende omvang aanwezig is, kan de afstand van 20 m worden teruggebracht tot 8 m.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien in de opslagvoorziening geen brandbare gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.

4. Indien in een in de buitenlucht gesitueerde opslagvoorziening bestemd voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen meer dan 1.000 l gasflessen met brandbare inhoud aanwezig zijn, bedraagt de afstand tussen de opslagvoorziening en de dichtstbijzijnde woning van derden ten minste 15 m. Deze afstand van 15 m kan worden teruggebracht tot 7,5 m indien tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een brandwerende voorziening van voldoende omvang aanwezig is.

5. Het voorhanden hebben en het gebruik van gasflessen die gevuld zijn met autogas, is verboden, evenals het voorhanden hebben en het gebruik van vloeibaar gas in een autogastank anders dan voor de tractie van motorvoertuigen.

§ 4.1.2 Opslaan van vuurwerk en andere ontplofbare stoffen

Artikel 4.2

1. Consumentenvuurwerk, met uitzondering van ten hoogste 200 kg fop- en schertsvuurwerk en met uitzondering van het voorhanden zijn van ten hoogste 10 kg consumentenvuurwerk overeenkomstig artikel 1.2.4, tweede lid, onder a en b van het Vuurwerkbesluit, wordt opgeslagen overeenkomstig het gestelde in het Vuurwerkbesluit.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op de opslag van theatervuurwerk.

Artikel 4.3

Een opslagvoorziening voor de opslag van zwart buskruit of rookzwak buskruit is gelegen op een afstand van ten minste 8 m van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.

Artikel 4.4

1. Een voorziening voor de opslag van meer dan 10.000 patronen, dan wel onderdelen daarvan voor vuurwapens, is gelegen op een afstand van ten minste 8 m van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.

2. Deze veiligheidsafstand is niet noodzakelijk indien de voorziening in een brandcompartiment is gesitueerd.

§ 4.1.3 Opslaan van stoffen in tanks

Artikel 4.5

De afstand tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is 20 m bij twee tanks gevuld met zuurstof van elk meer dan 25 m3.

§ 4.1.4 Parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen

Artikel 4.6

1. De afstand tussen een geparkeerde vervoerseenheid met gevaarlijke stoffen en een woning van derden bedraagt ten minste 20 m. Deze afstand wordt gemeten van de rand van de vervoerseenheid tot de gevel van de woning.

2. Gevaarlijke stoffen van verpakkingsgroep I en gevaarlijke stoffen van de klasse 1 of 6.2 (behoudens categorie I3 en I4), zijn niet in een geparkeerde vervoerseenheid met gevaarlijke stoffen aanwezig.

3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op het opstellen van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen in verband met aanmelden of andere formaliteiten, of op het opstellen van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen voor het verrichten van laad- of loshandelingen.

§ 4.1.5 Opslaan en overslaan van bulkgoederen en stuksgoederen

Artikel 4.7

Bulkgoederen die volgens bijlage 4.6 van de NeR zijn ingedeeld in de stuifklassen S1 of S3 worden opgeslagen in gesloten ruimtes.

Artikel 4.8

Overslag boven het oppervlaktewater is toegestaan, indien met brongerichte maatregelen verontreiniging van het oppervlaktewater zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Artikel 4.9

Bij de volgende windsnelheden vinden afhankelijk van de stuifgevoeligheid van de bulkgoederen, ingedeeld in stuifklassen volgens bijlage 4.6 van de NeR, geen overslagactiviteiten plaats:

a. S1 en S2 bij een windsnelheid groter dan 8 m/s (windkracht 4 / matige wind)

b. S3 bij een windsnelheid groter dan 14 m/s (windkracht 6 / krachtige wind)

c. S4 en S5 bij een windsnelheid groter dan 20 m/s (windkracht 8 / stormachtige wind)

Artikel 4.10

1. Bulkgoederen worden in de buitenlucht zodanig op- of overgeslagen dat

a. direct bij de bron geen waarneembare stofverspreiding optreedt;

b. verontreiniging van de omgeving, met inbegrip van het oppervlaktewater, zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. met afstromend hemelwater geen bulkgoederen worden meegespoeld.

2. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de opslag van deze goederen.

Artikel 4.11

1. Bij het vanaf de opslag van bulkgoederen in het vuilwaterriool lozen van afvloeiend hemelwater dat met de opgeslagen goederen in contact is geweest, wordt het lozen van de bulkgoederen voorkomen.

2. Voor bij ministeriële regeling aangewezen bulkgoederen is het lozen van het hemelwater dat afstroomt van de opslag van die bulkgoederen in een voorziening voor het beheer van afvalwater, in het oppervlaktewater of op of in de bodem toegestaan. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

3. Indien bij opslag als bedoeld in het tweede lid het hemelwater in het oppervlaktewater wordt geloosd, vindt geen visuele verontreiniging plaats.

4. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het hemelwater op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

Artikel 4.12

1. Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij de binnenop- en overslag, of op- en overslag in gesloten ruimtes van stuifgevoelige goederen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan 5 mg/Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur, en niet meer dan 50 mg/Nm3 bij een massastroom van minder dan 200 g per uur.

2. Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting reeds is opgericht en voor die inrichting onmiddellijk voor dat tijdstip een van de in artikel 5.9 genoemde besluiten van toepassing was, is het eerste lid niet van toepassing tot 30 oktober 2010. De emissie van totaal stof naar de lucht is in deze gevallen niet meer dan 10 mg/Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur, en niet meer dan 50 mg/Nm3 bij een massastroom van minder dan 200 g per uur.

3. De emissie van stof uit een container, bulktransportwagen of ander transportmiddel dat met stuifgevoelige goederen wordt gevuld is niet hoger dan 10 mg/Nm3.

Afdeling 4.2 Installaties

§ 4.2.1 In werking hebben van een stookinstallatie

Artikel 4.13

1. Een niet-gasgestookte verwarmings- of stookinstallatie met een nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kW wordt ten minste eenmaal per twee jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.

2. Een gasgestookte verwarmings- of stookinstallatie met een nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kW wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.

3. Een keuring als bedoeld in het eerste en het tweede lid omvat mede de afstelling voor de verbranding, het systeem voor de toevoer van brandstof en de afvoer van verbrandingsgassen.

4. Een keuring als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verricht door een bedrijf dat beschikt over een geldig certificaat dat is afgegeven door een instelling die door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd teneinde uitvoering te kunnen geven aan de “beoordelingrichtlijn voor het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties” van de Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties of aantoonbaar voldoet aan eisen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die beoordelingrichtlijn.

5. Indien uit een keuring blijkt dat de verwarmings- of stookinstallatie onderhoud behoeft, draagt de drijver van de inrichting er zorg voor dat dat onderhoud binnen twee weken na de keuring plaatsvindt. Degene die dat onderhoud verricht, verstrekt de drijver van de inrichting een bewijs waaruit blijkt wanneer, door wie en welk onderhoud is verricht.

6. De drijver van de inrichting bewaart ten minste de twee laatst opgestelde keuringsrapporten en de twee laatst opgestelde onderhoudsbewijzen.

§ 4.2.2 In werking hebben van een koelinstallatie

Artikel 4.14

In een kunstijsbaan, die is opgericht na inwerkingtreding van dit besluit, wordt uitsluitend een indirect koelsysteem als bedoeld in hoofdstuk 2.4 van PGS 13 toegepast.

Afdeling 4.3 Activiteiten met betrekking tot hout

§ 4.3.1 Mechanische bewerkingen van hout, kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen

Artikel 4.15

1. Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6, is bij mechanische bewerkingen van hout, kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen, de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan 5 mg/Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur en niet meer dan 50 mg/Nm3 bij een massastroom van minder dan 200 g per uur.

2. Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting reeds is opgericht en voor die inrichting onmiddellijk voor dat tijdstip een van de in artikel 5.9 genoemde besluiten van toepassing was, is het eerste lid niet van toepassing tot 30 oktober 2010. De emissie van totaal stof is in deze gevallen niet meer dan 10 mg/Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur, en niet meer dan 50 mg/Nm3 bij een massastroom van minder dan 200 g per uur.

§ 4.3.2 Reinigen, coaten en lijmen van hout, kurk dan wel op houten, kurken of houtachtige voorwerpen

Artikel 4.16

1. Het is verboden om in in de buitenlucht hout, kurk dan wel op houten, kurken of houtachtige voorwerpen te coaten of lijmen door middel van verneveling, of te reinigen met producten die VOS bevatten.

2. Het verbod uit het eerste lid geldt niet indien het onmogelijk is om deze activiteiten in het inpandige deel van de inrichting te verrichten vanwege de omvang van het te bewerken object of als het incidentele kleinschalige activiteiten betreft.

Artikel 4.17

1. Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan 5 mg/ Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur, en niet meer dan 50 mg/ Nm3 indien de massastroom van totaal stof minder is dan 200 g per uur.

2. Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting reeds is opgericht en voor die inrichting onmiddellijk voor dat tijdstip een van de in artikel 5.9 genoemde besluiten van toepassing was, is het eerste lid niet van toepassing tot 30 oktober 2010. De emissie van totaal stof is in deze gevallen niet meer dan 10 mg/Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur, en niet meer dan 50 mg/Nm3 bij een massastroom van minder dan 200 g per uur.

3. Het eerste lid en het tweede lid zijn niet van toepassing op het reinigen, coaten en lijmen in de buitenlucht.

Artikel 4.18

1. Bij het reinigen, coaten of lijmen van hout, kurk dan wel op houten, kurken of houtachtige voorwerpen binnen de inrichting, wordt een registratie bijgehouden van het VOS-verbruik in kg per jaar. In de registratie wordt onderscheid gemaakt in het verbruik ten behoeve van de toepassingen reinigen, coaten, lijmen van hout (waaronder houten voorwerpen) en overige activiteiten.

2. Indien uit de registratie, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat het totale VOS-verbruik meer bedraagt dan 500 kg, en producten worden toegepast waarvoor op basis van het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen Wms geen eisen aan het maximale VOS-gehalten zijn gesteld, geeft de registratie, bedoeld in het eerste lid, tevens inzicht in het VOS-gehalte per product en het verbruik per product, uitgesplitst naar de in het eerste lid onderscheiden toepassingen.

3. Indien uit de registratie, bedoeld in het tweede lid, blijkt dat producten toegepast worden waarvan het gehalte aan VOS meer bedraagt dan 150 g per l gebruiksklaar product, respectievelijk meer bedraagt dan 30% in geval van een reinigingsmiddel, toont de inrichtinghouder op verzoek van het bevoegd gezag haar motivatie dat, in ieder geval ten aanzien van het gebruik van deze producten, alle kosteneffectieve en technisch uitvoerbare VOS-emissiereducerende maatregelen zijn genomen danwel op welke termijn dit het geval zal zijn.

4. Indien uit de registratie, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer van toepassing is, zijn het tweede en derde lid niet van toepassing op de activiteiten waarvoor het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer van toepassing is.

5. De registratie, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden. Deze registratie wordt ten minste vijf jaar bewaard.

Artikel 4.19

1. Het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen, coaten of lijmen van hout, kurk dan wel op houten, kurken of houtachtige voorwerpen in een vuilwaterriool is toegestaan

2. Het afvalwater dat meer dan 2 mg/l lood bevat, bepaald volgens NEN 6426, wordt niet geloosd.

3. Het afvalwater dat meer dan 2 mg/l zink bevat, bepaald volgens NEN 6426, wordt niet geloosd.

4. De in het tweede en derde lid genoemde waarden gelden voor representatieve etmaalmonsters. Voor steekmonsters gelden een factor drie hogere waarden.

5. Het afvalwater dat meer dan 0.3 mg/l dichloormethaan in enig steekmonster bevat, bepaald volgens NEN 6401, wordt niet geloosd.

6. Het afvalwater wordt voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater door een doelmatige controlevoorziening geleid.

Afdeling 4.4 Activiteiten met betrekking tot kunststof

§ 4.4.1 Mechanische bewerkingen van kunststof of kunststofproducten

Artikel 4.20

1. Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij mechanische bewerkingen van kuststof of kunststofproducten de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan 5 mg/Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur en niet meer dan 50 mg/Nm3 bij een massastroom van minder dan 200 g per uur.

2. Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting reeds is opgericht en voor die inrichting onmiddellijk voor dat tijdstip een van de in artikel 5.9 genoemde besluiten van toepassing was, is het eerste lid niet van toepassing tot 30 oktober 2010. De emissie van totaal stof is in deze gevallen niet meer dan 10 mg/Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur, en niet meer dan 50 mg/Nm3 bij een massastroom van minder dan 200 g per uur.

§ 4.4.2 Reinigen, coaten en lijmen van kunststof of kunststofproducten

Artikel 4.21

1. Het is verboden om in de buitenlucht kunststof of kunststofproducten te coaten of te lijmen door middel van verneveling, of te reinigen met producten die VOS bevatten.

2. Het verbod uit het eerste lid geldt niet indien het onmogelijk is om deze activiteiten in het inpandige deel van de inrichting te verrichten vanwege de omvang van het te bewerken object of als het incidentele kleinschalige activiteiten betreft.

Artikel 4.22

1. Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan 5 mg/Nm03, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur, en niet meer dan 50 mg/Nm03 indien de massastroom van totaal stof van minder dan 200 g per uur is.

2. Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting reeds is opgericht en voor die inrichting onmiddellijk voor dat tijdstip een van de in artikel 5.9 genoemde besluiten van toepassing was, is het eerste lid tot 30 oktober 2010 niet van toepassing. De emissie van totaal stof is in deze gevallen niet meer dan 10 mg/Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur, en niet meer dan 50 mg/Nm3 bij een massastroom van minder dan 200 g per uur.

3. Het eerste lid en het tweede lid zijn niet van toepassing op het reinigen, coaten en lijmen in de buitenlucht.

Artikel 4.23

1. Bij het reinigen, coaten of lijmen van kunststof of kunststofproducten binnen de inrichting, wordt een registratie bijgehouden van het VOS-verbruik in kg per jaar. In de registratie wordt onderscheid gemaakt in het verbruik ten behoeve van de toepassingen reinigen, coaten en lijmen.

2. Indien uit de registratie, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat het totale VOS verbruik meer bedraagt dan 500 kg, en producten worden toegepast waarvoor op basis van het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen Wms geen eisen aan het maximale VOS-gehalten zijn gesteld, geeft de registratie, bedoeld in het eerste lid, tevens inzicht in het VOS-gehalte per product en het verbruik per product, uitgesplitst naar de in het eerste lid onderscheiden toepassingen.

3. Indien uit de registratie, bedoeld in het tweede lid, blijkt dat producten toegepast worden waarvan het gehalte aan VOS meer bedraagt dan 150 g per l gebruiksklaar product, respectievelijk meer bedraagt dan 30% in geval van een reinigingsmiddel, toont de inrichtinghouder op verzoek van het bevoegd gezag haar motivatie dat, in ieder geval ten aanzien van het gebruik van deze producten, alle kosteneffectieve en technisch uitvoerbare VOS-emissiereducerende maatregelen zijn genomen danwel op welke termijn dit het geval zal zijn.

4. Indien uit de registratie, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer van toepassing is, zijn het tweede en het derde lid niet van toepassing op de activiteiten waarvoor het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer van toepassing is.

5. De registratie, bedoeld in het eerste en het tweede lid, wordt in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden. Deze registratie wordt ten minste vijf jaar bewaard.

Afdeling 4.5 Activiteiten met betrekking tot metaal

§ 4.5.1 Spaanloze, verspanende en thermische bewerking en mechanische eindafwerking van metalen

Artikel 4.24

Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is, bij smeden, droogverspanende bewerkingen, thermische bewerkingen en bij mechanische eindafwerking van metalen, de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan 5 mg/Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur en niet meer dan

50 mg/Nm3 bij een massastroom van minder dan 200 g per uur.

Artikel 4.25

Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is, bij droogverspanende bewerkingen, thermische bewerkingen en bij mechanische eindafwerking van roestvast staal, de emissieconcentratie van chroom(VI)-verbindingen, berekend als chroom, niet meer dan 0,1 mg/Nm3, indien de massastroom van chroom(VI)-verbindingen, berekend als chroom, meer bedraagt dan 0,5 g/uur.

Artikel 4.26

Bij verspanende bewerkingen waar metaalbewerkingsvloeistoffen worden verneveld en verdampt, worden de emissies van deze vloeistoffen naar de lucht zoveel mogelijk beperkt.

§ 4.5.2 Lassen van metalen

Artikel 4.27

1. Het is verboden om in de buitenlucht laswerkzaamheden te verrichten.

2. Het verbod uit het eerste lid geldt niet indien het onmogelijk is om in het inpandig deel van de inrichting te lassen vanwege de omvang van het te lassen object of als het incidentele kleinschalige activiteiten betreft.

Artikel 4.28

1. Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij laswerkzaamheden behorend tot de klassen III tot en met VII de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan 5 mg/Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur, en niet meer dan 50 mg/Nm3 bij een massastroom van minder dan 200 g per uur.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op het in de buitenlucht lassen.

Artikel 4.29

1. Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij het lassen van roestvast staal of Beryllium-legeringen de emissieconcentratie van:

a. chroom(VI)-verbindingen, berekend als chroom, niet meer dan 0,1 mg/ Nm3, indien de massa stroom van chroom(VI)-verbindingen, berekend als chroom, meer bedraagt dan 0,5 g/uur en;

b. Beryllium-verbindingen, berekend als Beryllium, niet meer dan 0,05 mg/ Nm3 indien de massa stroom van Beryllium-verbindingen, berekend als Beryllium, meer bedraagt dan 0,15 g/uur.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op het in de buitenlucht lassen.

Artikel 4.30

Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij het lassen van materialen die geverfd zijn met loodmenie de emissieconcentratie van lood-verbindingen, berekend als lood (Pb), niet hoger dan 0,5 mg/ Nm3, indien de massastroom van lood-verbindingen, berekend als lood, meer bedraagt dan 2,5 g/uur.

§ 4.5.3 Solderen van metalen

Artikel 4.31

1. Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij solderen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan 5 mg/ Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur en niet meer dan 50 mg/ Nm3 indien de massastroom van totaal stof minder bedraagt dan 200 g per uur.

2. Indien het jaarlijks verbruik van soldeertoevoegmateriaal minder is dan 10 kg, zijn de artikelen 2.4 tot en met 2.6 en het eerste lid van dit artikel niet van toepassing.

3. Met betrekking tot emissies die vrijkomen bij solderen, is artikel 2.7 niet van toepassing.

Artikel 4.32

Op verzoek van het bevoegd gezag, overlegt de inrichtinghouder informatie ten aanzien van:

a. de samenstelling en het verbruik van de verschillende vloeimiddelen en soldeermaterialen, gesorteerd naar de verschillende procesvormen;

b. het aantal uren dat er binnen de inrichting per jaar gesoldeerd wordt, toegespitst naar de verschillende vloeimiddelen en soldeermaterialen die gebruikt worden;

c. een overzicht van de aard en omvang van de emissies naar de lucht die bij dit proces voorkomen.

§ 4.5.4 Stralen van metalen

Artikel 4.33

1. Het is verboden om in de buitenlucht straalwerkzaamheden te verrichten.

2. Het verbod uit het eerste lid geldt niet indien het onmogelijk is om in het inpandige deel van de inrichting te stralen vanwege de omvang van het te stralen object of als het incidentele kleinschalige activiteiten betreft.

Artikel 4.34

1. Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij straalwerkzaamheden de emissieconcentratie van:

a. totaal stof niet meer dan 5 mg/Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan

200 g per uur, en niet meer dan 50 mg/ Nm3 bij een massastroom van minder dan 200 g per uur

b. MVP1 stoffen niet meer dan 0,05 mg/ Nm3, indien de massastroom van de MVP1 stoffen meer

bedraagt dan 0,15 g per uur;

c. sA.1 stoffen niet meer dan 0,05 mg/ Nm3, indien de massastroom van de sA.1 stoffen meer

bedraagt dan 0,25 g per uur;

d. sA.2 stoffen niet meer dan 0,5 mg/ Nm3, indien de massastroom van de sA.2 stoffen meer

bedraagt dan 2,5 g per uur;

e. sA.3 stoffen niet meer dan 5,0 mg/ Nm3, indien de massastroom van de sA.3 stoffen meer

bedraagt dan 10 g per uur;

f. sO stoffen niet meer dan 5,0 mg/ Nm3, indien de massastroom van de sO stoffen meer bedraagt dan 100 g per uur, en niet meer dan 50 mg/ Nm3 bij een massastroom van minder dan 100 g per uur.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op het stralen in de buitenlucht.

§ 4.5.5 Reinigen, lijmen en coaten van metalen (inclusief (delen van) motorvoertuigen)

Artikel 4.35

1. Het is verboden om in de buitenlucht metalen te coaten door middel van verneveling of te reinigen met producten die VOS bevatten.

2. Het verbod uit het eerste lid geldt niet indien het onmogelijk is om deze activiteiten in het inpandige deel van de inrichting te verrichten vanwege de omvang van het te bewerken object of als het incidentele kleinschalige activiteiten betreft.

Artikel 4.36

1. Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan 5 mg/ Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur, en niet meer dan 50 mg/ Nm3 bij een massastroom van minder dan 200 g per uur.

2. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4.35, tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing op het in de buitenlucht coaten.

Artikel 4.37

1. Bij het reinigen, coaten of lijmen van metalen of metalen voorwerpen, niet zijnde voertuigen, binnen de inrichting, wordt een registratie bijgehouden van het VOS-verbruik in kg per jaar. In de registratie wordt onderscheid gemaakt in het verbruik ten behoeve van de toepassingen reinigen, coaten en lijmen.

2. De registratie worden in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden. Deze registratie wordt ten minste vijf jaar bewaard.

Artikel 4.38

1. Bij het reinigen, coaten of lijmen van voertuigen, binnen de inrichting, wordt een registratie bijgehouden van het VOS-verbruik in kg per jaar.

2. Het eerste lid geldt niet voor producten die uitsluitend gebruikt worden voor het overspuiten ten behoeve van schadeherstel van voertuigen.

3. De registratie worden in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden. Deze registratie wordt ten minste vijf jaar bewaard.

Artikel 4.39

1. Indien uit de registratie, bedoeld in de artikelen 4.37 of 4.38, blijkt dat het totale VOS-verbruik meer bedraagt dan 500 kg, en producten worden toegepast waarvoor op basis van het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen Wms, geen eisen aan het maximale VOS-gehalte zijn gesteld, geeft de registratie, bedoeld in de artikelen 4.37 of 4.38, tevens inzicht in het VOS-gehalte per product en het verbruik per product, uitgesplitst naar de in de artikelen 4.37 of 4.38 onderscheiden toepassingen.

2. Indien uit de registratie, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat producten toegepast worden waarvan het gehalte aan VOS meer bedraagt dan 150 g per l gebruiksklaar product, respectievelijk meer bedraagt dan 30% in geval van een reinigingsmiddel, toont de inrichtinghouder op verzoek van het bevoegd gezag in haar motivatie aan dat, in ieder geval ten aanzien van het gebruik van deze producten, alle kosteneffectieve en technisch uitvoerbare VOS-emissiereducerende maatregelen zijn genomen dan wel op welke termijn deze maatregelen genomen zullen worden.

3. Indien uit de registratie, bedoeld in de artikelen 4.37 of 4.38, blijkt dat het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer van toepassing is, zijn het eerste en het tweede lid niet van toepassing op de activiteiten waarvoor het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer van toepassing is.

§ 4.5.6 Aanbrengen anorganische deklagen op metalen

Artikel 4.40

1. Het is verboden om in de buitenlucht anorganische deklagen op metalen aan te brengen.

2. Het verbod uit het eerste lid geldt niet voor schooperen indien het onmogelijk is om deze werkzaamheden in het inpandige deel van de inrichting uit te voeren vanwege de omvang van het te bewerken object of als het incidentele kleinschalige activiteiten betreft.

Artikel 4.41

Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen de emissieconcentratie van:

a. totaal stof niet meer dan 5 mg/Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan

200 g per uur, en niet meer dan 50 mg/Nm3 indien de massastroom van totaal stof minder bedraagt dan 200 g per uur;

b. MVP1 stoffen niet meer dan 0,05 mg/Nm3, indien de massastroom van de MVP1 stoffen meer bedraagt dan 0,15 g per uur;

c. sA.1 stoffen niet meer dan 0,05 mg/Nm3, indien de massastroom van de sA.1 stoffen meer bedraagt dan 0,25 g per uur;

d. sA.2 stoffen niet meer dan 0,5 mg/Nm3, indien de massastroom van de sA.2 stoffen meer bedraagt dan 2,5 g per uur;

e. sA.3 stoffen niet meer dan 5,0 mg/Nm3, indien de massastroom van de sA.3 stoffen meer bedraagt dan 10 g per uur;

f. sO stoffen niet meer dan 5,0 mg/Nm3, indien de massastroom van de sO stoffen meer bedraagt dan 0,10 g per uur.

§ 4.5.7 Beitsen en etsen van metalen

Artikel 4.42

Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij het beitsen en etsen van metalen en metalen voorwerpen de emissieconcentratie van:

a. HF niet meer dan 3 mg/Nm3, indien de massastroom van HF meer bedraagt dan 15 g per uur;

b. HCl niet meer dan 10 mg/Nm3, indien de massastroom van HCl meer bedraagt dan 150 g per uur. In afwijking van deze emissieconcentratie-eis, is de emissieconcentratie van HCl niet meer dan 30 mg/ m03, indien de concentratie aan HCl in de ongereinigde massastroom minder bedraagt dan 1 g/ m03

c. NH3 niet meer dan 30 mg/Nm3, indien de massastroom van NH3 meer bedraagt dan 150 g per uur;

d. stikstofoxiden, berekend als NO2, niet meer 200 mg/Nm3, indien de massastroom van stikstofoxiden, berekend als NO2, meer bedraagt dan 2 kg per uur.

§ 4.5.8 Elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van metaallagen op metalen

Artikel 4.43

Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij het aanbrengen van chroomlagen de emissieconcentratie van chroom(VI)-verbindingen, berekend als chroom, niet meer dan 0,1 mg/Nm3, indien de massastroom van chroom(VI)-verbindingen, berekend als chroom, meer bedraagt dan 0,5 g per uur.

Artikel 4.44

Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij het aanbrengen van nikkellagen de emissieconcentratie van nikkel en nikkelverbindingen, berekend als nikkel, niet meer dan 0,5 mg/Nm3, indien de massastroom van nikkel en nikkelverbindingen, berekend als nikkel, meer bedraagt dan 2,5 g per uur.

§ 4.5.9 Drogen van metalen

Artikel 4.45

1. Bij het drogen van metalen is het gebruik van oplosmiddelen niet toegestaan.

2. In afwijking van het eerste lid, kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen voor het gebruik van oplosmiddelen bij het drogen van metalen.

§ 4.5.10 Aanbrengen van conversielagen op metalen

Artikel 4.46

Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij het chroomuzuuranodiseren de emissieconcentratie van chroom(VI)-verbindingen, berekend als chroom, niet meer dan 0,1 mg/Nm3, indien de massastroom van chroom(VI)-verbindingen ‐ berekend als chroom ‐ meer bedraagt dan 0,5 g per uur.

Artikel 4.47

Het gebruik van PFOS (Perfluoroctaansulfaat) bij anodiseren is verboden.

§ 4.5.11 Thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen

Artikel 4.48

Onverminderd de artikelen 2.4 tot en met 2.6 is bij het thermisch aanbrengen van zinklagen:

a. de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan 5 mg/Nm3, indien de massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 g per uur, en niet meer dan 50 mg/Nm3 bij een massastroom van minder dan 200 g per uur;

b. de emissieconcentratie van zinkchloride niet meer dan 5,0 mg/Nm3, indien de massastroom van zinkchloride meer bedraagt dan 10 g per uur;

c. de emissieconcentratie van chloorverbindingen (niet zijnde zinkchloride) niet meer dan 30 mg/Nm3, indien de massastroom van chloride meer bedraagt dan 150 g per uur.

§ 4.5.12 Lozen van afvalwater afkomstig van activiteiten in § 4.5.1 tot en met 4.5.11

Artikel 4.49

Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van de activiteiten genoemd in § 4.5.1 tot en met 4.5.11 wordt voldaan aan het bij de artikelen 4.50 tot en met 4.54 bepaalde.

Artikel 4.50

1. Het lozen van afvalwater dat minerale olie kan bevatten is toegestaan indien het in enig steek-monster minder bevat dan 20 mg/l aan olie, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 mg/l in enig steekmonster bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2 bedragen, indien het afvalwater wordt geleid door een olie-afscheider die voldoet aan NEN-EN 858.

3. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater, bedoeld in het eerste en het tweede lid, op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

Artikel 4.51

1. Het lozen van metalen en hulpstoffen wordt zoveel mogelijk beperkt.

2. Het gebruik van kwik is verboden.

Artikel 4.52

1. Bij het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een of meer processen als bedoeld in § 4.5.5, § 4.5.7, § 4.5.8 en § 4.5.10, worden de gehalten van de stoffen genoemd in kolom A niet overschreden.

Tabel 4.52

Stof

Gehalte in mg/l

bepalingsmethode

    
 

Kolom A

Kolom B

Kolom C

Chroom

0,5

1,0

NEN 6426

Chroom VI

0,1

0,1

 

Koper

0,5

2,0

NEN 6426

Lood

0,5

2,0

NEN 6426

Nikkel

0,5

2,0

NEN 6426

Zilver

0,1

1,0

NEN 6426

Tin

2,0

3,0

NEN 6426

Zink

0,5

2,0

NEN 6426

Vrij cyanide

0,2

1,0

O-NEN 6655

Genoemde waarden gelden voor representatieve etmaalmonsters. Voor steekmonsters gelden een factor drie hogere waarden. Bepaling van het gehalte vindt plaats volgens de in kolom C aangegeven bepalingsmethode.

2. Bij het lozen op het vuilwaterriool van afvalwater dat vrijkomt bij een of meer processen als bedoeld in het eerste lid bedraagt het gehalte aan vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen, bepaald volgens NEN 6401, niet meer dan 0,1 mg/l.

3. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater als bedoeld in het eerste lid op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

Artikel 4.53

In afwijking van het gestelde in artikel 4.52, eerste lid, kan het bevoegd gezag, indien de bescherming van het milieu zich er niet tegen verzet, bij maatwerkvoorschrift hogere gehalten toestaan die de gehalten van stoffen genoemd in kolom B niet overschrijden, indien aannemelijk is dat:

a. de som van de vrachten van de metalen chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver na het proces maar voor de eindzuivering minder dan 200 g per dag bedraagt, of

b. de doelvoorschriften conform kolom A niet met best beschikbare technieken kunnen worden bereikt.

Artikel 4.54

1. Indien aannemelijk is dat de som van de vrachten van de metalen chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver na het proces maar voor de eindzuivering minder dan 80 g per dag bedraagt, kan het bevoegd gezag in afwijking van het gestelde in artikel 4.52, eerste lid, bij maatwerkvoorschrift toestaan dat geloosd mag worden indien de som van deze metalen in een representatief etmaalmonster niet meer bedraagt dan 15 mg/l. Voor steekmonsters geldt een waarde van 45 mg/l.

2. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

Afdeling 4.6 Activiteiten met betrekking tot motoren, motorvoer- en vaartuigen en andere gemotoriseerde apparaten

§ 4.6.1 Lozen van afvalwater (algemeen)

Artikel 4.55

1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van één of meer activiteiten als bedoeld in § 4.6.2, § 4.6.3, § 4.6.5 en § 4.6.6 wordt voldaan aan het in het tweede tot en met het vijfde lid bepaalde.

2. Afvalwater afkomstig uit een werkplaats of van een vloeistofdichte vloer of voorziening conform CUR PBV wordt niet geloosd, indien het in enig steekmonster meer bevat dan:

a. 20 mg/l aan olie, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2.

b. 300 mg/l aan onopgeloste bestanddelen bepaald volgens NEN 6621.

3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 mg/l in enig steekmonster bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2, bedragen, indien het afvalwater, voor vermenging met ander afvalwater, wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoet aan en wordt gebruikt conform NEN-EN 858.

4. Afvalwater afkomstig van de werkplaats waar motoren worden gereviseerd bevat minder dan 0,1 mg/l VOX, bepaald volgens NEN 6401.

5. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater als bedoeld in het eerste lid op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

§ 4.6.2 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

Artikel 4.56

Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ter beperking van de emissie van benzeen uit een parkeergarage en met betrekking tot de aanzuigopeningen en uitblaasopeningen van de mechanische ventilatie van een parkeergarage alsmede met betrekking tot de uitvoering en het onderhoud van de ventilatoren.

§ 4.6.3 Afleveren van motorbrandstoffen aan vaartuigen

Artikel 4.57

Binnen een afstand van 20 m van een brandstofponton of een bunkerstation is verblijf alleen toegestaan voor het verrichten van handelingen die betrekking hebben op het afleveren van brandstof aan pleziervaartuigen, het vullen van opslagtanks voor brandstof alsmede onderhoud en reparatie van het brandstofponton of bunkerstation en de daarop aanwezige installatie, en voor het verrichten van handelingen die direct betrekking hebben op het afmeren dan wel vaarklaar maken van uitsluitend open pleziervaartuigen.

Artikel 4.58

1. Bij het afleverpunt voor brandstof aan vaartuigen zijn voldoende hulpmiddelen aanwezig voor de eerste bestrijding van een waterverontreiniging ten gevolge van een calamiteit bij het afleveren van brandstof.

2. Een afleverinstallatie voor brandstof, alsmede de daarbij behorende tankinstallatie, die is gelegen in een rivier- of getijdengebied, is uitgevoerd met voorzieningen die de werking van de installatie waarborgen bij hoge en lage waterstanden.

§ 4.6.4 Afleveren van motorbrandstoffen voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer

Artikel 4.59

1. Het afleveren van benzine aan motorvoertuigen geschiedt via een systeem voor dampretour Stage-II. Deze verplichting geldt niet:

a. voor het afleveren van benzine met een maximale afleversnelheid van 10 l/minuten of minder,

b. voor het afleveren van benzine met mengsmering met een maximale afleversnelheid van 45l/minuten of minder, of

c. voor inrichtingen die zijn opgericht voor 1 juli 1995 en waarvan de doorzet aan benzine minder bedraagt dan 500 m3/jaar, waarbij als bewijs dat de doorzet aan benzine in enig jaar minder heeft bedragen dan 500 m3 is uiterlijk op 31 maart van het daarop volgende kalenderjaar een afschrift van een accountantsverklaring daaromtrent in de inrichting aanwezig.

d. tot vijf jaar na inwerking treden van dit besluit voor afleverinstallaties voor eigen gebruik die voor het in werking treden van dit besluit aanwezig waren.

2. Het gebruikte systeem voor dampretour Stage-II voert ten minste 75% van de uit de brandstofreservoirs van de motorvoertuigen verdreven dampen naar de ondergrondse opslagtank terug.

3. Een systeem voor dampretour Stage-II is goedgekeurd overeenkomstig de «Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen voor Nederland» van het Nederlands Meetinstituut door een keuringsinstantie, welke daartoe door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd op grond van NEN-EN 45001 dan wel ISO 17025.

4. Een systeem voor dampretour Stage-II moet voor ingebruikname en daarna eenmaal per drie jaar worden gecontroleerd op de goede werking. Deze controle vindt overeenkomstig de «Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen voor Nederland» van het Nederlands Meetinstituut plaats door een onafhankelijke inspectie-instelling.

5. Indien tijdens de uitvoering van de in het vierde lid bedoelde controle afwijkingen worden geconstateerd ten opzichte van de eisen gesteld in het tweede en derde lid, worden deze afwijkingen onverwijld opgeheven.

6. De keuringscertificaten zijnde de resultaten van de keuring en de controle, bedoeld in het derde onderscheidenlijk vierde lid, worden binnen de inrichting bewaard.

7. Het bevoegd gezag kan met het oog op:

a. het voorkomen van stankhinder ten gevolge van het afleveren van benzine, of

b. het beperken van de emissies van benzeen ten gevolge van het afleveren van benzine,

bij maatwerkvoorschriften bepalen welke maatregelen bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder c, worden getroffen. Indien andere maatregelen niet afdoende zullen zijn, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder c, een systeem voor dampretour Stage-II wordt aangebracht.

Artikel 4.60

1. De bufferopslag bij een aardgas-afleverstation voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas aan voertuigen die aardgas als motorbrandstof gebruiken, bevindt zich op een afstand van ten minste 20 m van woningen van derden en kwetsbare objecten;

2. De afleverzuil bij een aardgas-afleverstation voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas aan voertuigen die aardgas als motorbrandstof gebruiken, bevindt zich op een afstand van ten minste 10 m van woningen van derden en kwetsbare objecten.

Artikel 4.61

1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening waarboven het afleveren van motorbrandstof plaatsvindt, wordt voldaan aan het bij het tweede tot en met het vierde lid bepaalde.

2. Het afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoet aan NEN-EN 858.

3. Het gehalte aan olie in het afvalwater na de afscheider bedraagt niet meer dan 200 mg/l in enig steekmonster bepaald overeenkomstig de bepalingsmethode, bedoeld in NEN-EN-ISO 9377-2.

4. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

§ 4.6.5 Onderhouden en repareren van motoren, motorvoertuigen en andere gemotoriseerde apparaten en proefdraaien van motoren

Artikel 4.62

1. In de inrichting zijn niet meer dan vier autowrakken aanwezig.

2. Het is niet toegestaan een autowrak en de daarin aanwezige materialen of onderdelen te verwijderen of nuttig toe te passen, behoudens:

1o. voorzover het de opslag betreft, of

2o. voorzover het accessoires betreft die worden gedemonteerd omdat de laatste eigenaar of houder van het autowrak hierom anders dan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft verzocht en met als doel die accessoires opnieuw te gebruiken ten behoeve van een ander motorvoertuig waarvan hij eigenaar of houder is.

§ 4.6.6 Onderhouden en repareren, proefdraaien en afspuiten van pleziervaartuigen

Artikel 4.63

Onderhoud, proefdraaien en reparatie van motoren van pleziervaartuigen vinden, voorzover deze werkzaamheden niet binnenin het vaartuig worden verricht, slechts plaats in een daartoe bestemde werkplaats of deel van een werkplaats.

Artikel 4.64

Verfspuitwerkzaamheden bij het onderhouden en repareren van pleziervaartuigen waarbij verf met een nevelspuit wordt opgebracht vinden plaats in een daartoe bestemde ruimte.

§ 4.6.7 Uitrukken motorvoertuigen bij ongevallenbestrijding en brandbestrijding

Artikel 4.65

1. Bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau (LAmax), bedoeld in artikel 2.17, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van het uitrukken van motorvoertuigen ten behoeve van ongevallenbestrijding en brandbestrijding.

2. Het bevoegd gezag kan voorschriften stellen met betrekking tot het treffen van technische en organisatorische maatregelen ten behoeve van het uitrukken van motorvoertuigen bij ongevallenbestrijding en brandbestrijding, indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van het milieu.

Afdeling 4.7 Activiteiten met betrekking tot papier en textiel

§ 4.7.1 Ontwikkelen en afdrukken van foto’s

Artikel 4.66

1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het ontwikkelen en afdrukken van foto’s wordt voldaan aan het bij het tweede tot en met het vijfde lid bepaalde.

2. In het proces worden in goede staat verkerende afkwetstrollen gebruikt en een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.

3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast indien aantoonbaar per jaar minder dan 700 l aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en in de inrichting gedragsvoorschriften aanwezig zijn en worden nageleefd gericht op de beperking van de zilveremissie.

4. Het gehalte aan zilver in het afvalwater afkomstig van het proces bedraagt in enig steekmonster minder dan 4 mg/l, bepaald volgens NEN 6426.

5. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

§ 4.7.2 Zeefdrukken

Artikel 4.67

1. Voor de eindreiniging van zeefdrukramen worden uitsluitend reinigingsmiddelen gebruikt met een vlampunt groter dan 55°C of op waterbasis.

2. Voor eindreiniging in gesloten systemen die in werking waren voor de inwerkingtreding van dit besluit, is het eerste lid niet van toepassing tot 1 januari 2008.

3. Als voor de zeefdruk per jaar meer dan 1.000 kg inkt op basis van organische oplosmiddelen gebruikt wordt, wordt een registratie bijgehouden van het verbruik aan VOS in kg per jaar.

4. De registratie, bedoeld in het derde lid, wordt in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden. Deze registratie wordt ten minste vijf jaar bewaard.

Artikel 4.68

1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van zeefdruk wordt voldaan aan het bij het tweede en derde lid en bij artikel 4.69 bepaalde.

2. Bij het reinigen van zeefdrukramen wordt het lozen van oplosmiddelen en inkten zoveel mogelijk voorkomen door het verwijderen van inkt en het strippen van de sjabloon procesmatig te scheiden. Het lozen mag uitsluitend bestaan uit spoelwater afkomstig van de navolgende bewerkingen van het zeefdrukgaas: polijsten, ontvetten, ontwikkelen, sjabloon-verwijdering, schaduwbeeldverwijdering;

3. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

Artikel 4.69

1. Bij het lozen als bedoeld in artikel 4.68 wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit het toetsingsschema voor water blijkt dat de stof niet loosbaar is, mag deze niet worden geloosd.

2. Van de in gebruik zijnde grond- en hulpstoffen die in het afvalwater, dat wordt geloosd, kunnen geraken is de beschikbare milieu-informatie ten alle tijde voor het bevoegd gezag ter inzage bij het bedrijf.

§ 4.7.3 Overige druktechnieken

Artikel 4.70

1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het bedrukken van papier door middel van offsettechnieken wordt voldaan aan het bij het tweede tot en met het vierde lid bepaalde.

2. Afvalwater dat chroom- of zinkhoudende correctiemiddelen bevat, afkomstig van het bijwerken van offset-platen wordt niet geloosd.

3. Het afvalwater afkomstig van het reinigen van rubberdoeken en drukvormen van offsetpersen bevat, voor vermenging met ander afvalwater, niet meer dan 200 mg/l aan minerale olie in enig steekmonster, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2.

4. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

§ 4.7.4 Reinigen en wassen van textiel

Artikel 4.71

1. De immissie-concentratie van PER in een besloten ruimte van een gevoelig object, die geen deel uitmaakt van de inrichting, is niet meer dan 0,25 mg/Nm3 als weekgemiddelde.

2. Het eerste lid geldt niet indien de gebruiker van een ruimte als bedoeld in dat lid geen toestemming geeft voor het verrichten van een meting als bedoeld in dat lid.

3. De immissie-concentratie van PER ter plaatse van gevoelige objecten en niet tot de inrichting behorende balkons, terrassen of tuinen, is niet meer dan 0,25 mg/Nm3 als jaargemiddelde.

Artikel 4.72

Voor het bepalen van de PER-concentratie in de binnen-of buitenlucht kan één van de volgende methoden worden toegepast:

a. methode met adsorptiemateriaal, of

b. methode met continu registrerende meetapparatuur.

Artikel 4.73

Bij de methode met absorptiemateriaal geldt dat:

a. voor de metingen gebruik wordt gemaakt van monsterneming door middel van adsorptiemateriaal in buisjes of badges. De toe te passen buisjes of badges hebben een detectielimiet van 0,1 mg/Nm3 of lager, en zijn volgens een schriftelijke verklaring van de fabrikant of leverancier geschikt voor de toepassing bij deze meetmethode.

b. bij de toepassing van buisjes of badges de door de fabrikant of leverancier opgestelde gebruiksvoorschriften in acht worden genomen.

c. de bemonstering van de binnen- of buitenlucht zowel passief als actief kan plaatsvinden. In geval van actieve bemonstering vindt deze plaats met een daartoe geschikte pomp.

d. de gasconcentratie in de buitenlucht daarbij na analyse van de koolbuisjes wordt berekend uit het quotiënt van de aangetroffen hoeveelheid PER in de bemonstering en het totaal doorgezogen luchtvolume.

e. de meettijd voor metingen in de binnenlucht tenminste een week en voor de buitenlucht ten minste twee weken bedraagt.

Artikel 4.74

Bij de binnenlucht methode met continu registrerende meetapparatuur geldt dat:

a. voor binnenluchtmetingen gebruik kan worden gemaakt van continu registrerende meetapparatuur, zoals een infraroodspectrometer, die een detectielimiet heeft van 0,1 mg/Nm3 of lager.

b. Gemeten wordt gedurende ten minste één hele werkdag waarbij het begin van een meting ligt op ten minste één uur vóór de start van de bedrijfsvoering en het einde van een meting ligt op één uur na het beëindigen van de bedrijfsvoering.

Artikel 4.75

1. Bij toepassing van de methode met absorptiemateriaal bij de meting van binnenlucht wordt met de buisjes of badges een gemiddelde immissieconcentratie gemeten over de meetperiode.

2. Bij toepassing van de methode met continu registrerende meetapparatuur bij de meting van binnenlucht wordt de weekgemiddelde immissieconcentratie vervolgens berekend door de gemiddelde gemeten immissieconcentratie tijdens de bedrijfsvoering te vermenigvuldigen met het quotiënt van het totaal aantal bedrijfsuren op weekbasis en het totaal aantal uren in een week dat 168 uur bedraagt.

3. De gemeten of berekende immissieconcentratie, bedoeld in het eerste en tweede lid, mag uitsluitend voor de gevoelige objecten worden gecorrigeerd met de expositieduur, op basis van de gemiddelde verblijfstijd in zodanig object die redelijkerwijs mag worden verondersteld.

Artikel 4.76

1. Bij de methode voor de buitenlucht met continu registrerende meetapparatuur worden de metingen zoveel mogelijk uitgevoerd onder de op de meetlocatie van toepassing zijnde meest voorkomende weerscondities met betrekking tot windrichting en windsnelheid.

2. Voor het vaststellen van de meest voorkomende windcondities wordt gebruik gemaakt van de jaargegevens van het KNMI weerstation dat het dichtste bij de locatie is gelegen. Deze gegevens worden in een meetverslag vermeld.

3. De metingen voor de buitenlucht worden uitgevoerd onder weerscondities die geen bijzondere beïnvloeding kunnen uitoefenen op de meetwaarden. Van zodanige weerscondities is sprake als er geen neerslag valt en het niet mistig is.

4. Bij de methode voor de buitenlucht met adsorptiemateriaal wordt geen rekening gehouden met afwijkende weerscondities.

Artikel 4.77

1. Voor de binnenlucht is de te bemonsteren ruimte een ruimte waar personen verblijven of werkzaam zijn en grenst, voor zover mogelijk, direct aan de inrichting.

2. De plaats van monsterneming van de binnenlucht wordt vrij in de betreffende ruimte gepositioneerd op een zodanige plaats dat gassen kunnen worden bemonsterd. De lucht kan er ongehinderd omheen circuleren, niet tegen muren aan, niet in hoeken en op niet minder dan 50 cm afstand van vloer, wanden en plafond.

3. In geval van monsterneming met behulp van buisjes of badges zijnen deze gedurende de voorgeschreven meettijd, in de betreffende ruimte op dezelfde plek aanwezig.

Artikel 4.78

1.Gedurende de bemonsteringsperiode voor de binnenlucht mogen de gebruikers van een te bemonsteren ruimte teneinde beïnvloeding van de meetwaarde tegen te gaan geen gebruik maken van oplosmiddelhoudende materialen, zoals verven, poetsmiddelen, boenwas en lijmen.

2. De individuele omstandigheden in een bemonsterde ruimte ten tijde van de meting wordt vastgelegd. Het betreft daarbij informatie over de duur van de aanwezigheid van personen en de wijze en tijdsduur van eventuele ventilatie in de ruimte.

Artikel 4.79

1.De monstername voor de buitenlucht vindt plaats in de buitenlucht. Bij de keuze van een meetplaats wordt in beschouwing genomen:

a. de afstand van het emissiepunt tot het dichtstebij gelegen gevoelige object, en

b. de te verwachten wijze van emissie (concentratieverloop in de tijd, tijdsduur).

2. In een lijst wordt een overzicht gegeven van aanwezige of mogelijke emissieplaatsen en gevoelige objecten (immissiepunten), overeenkomstig de Selectielijst meetplaatsen PER-immisiemeting. Per emissieplaats wordt de omvang van de emissie ingeschat.

stcrt-2006-124-p27-SC75808-2.gif

3. De afstand tot een gevoelig object wordt bepaald of ingeschat, in een tabel opgenomen en in de volgende categorieën ingedeeld:

* > 5 m

* 5 - 15 m

* 15-25 m

* > 25 m

Uit deze tabel wordt een selectie gemaakt van de gevoelige objecten die de meeste relevantie hebben.

4. Een meting vindt plaats ter plaatse van de geselecteerde gevoelige objecten. Indien dit niet ook de perceelsgrens is, vindt ook op de perceelgrens een meting plaats tenzij dit om praktische redenen niet mogelijk is. In dat geval wordt een plaats genomen die zo dicht mogelijk bij de perceelsgrens ligt.

5. De exacte plaats van elke meetplaats wordt geregistreerd.

6. Als gevoelige objecten worden de volgende plaatsen aangemerkt:

a. te openen ramen, deuren en ventilatieroosters;

b. terrassen;

c. balkons;

d. tuinen, en

e. perceelsgrens.

7. Ter plaatse van een geselecteerde meetplaats wordt het meetinstrumentarium bevestigd.

Artikel 4.80

1. Bij de methode voor de buitenlucht met continu registrerende meetapparatuur wordt de jaargemiddelde immissieconcentratie bepaald door de gemeten gemiddelde immissie te vermenigvuldigen met het quotiënt van het totaal aantal bedrijfsuren op jaarbasis en het totaal aantal uren in een jaar. Het totaal aantal uren in een jaar bedraagt 8760 uren.

2. Vervolgens wordt de gemeten immissie gecorrigeerd met de expositieduur die redelijkerwijs mag worden verondersteld, op het gevoelige object. De toe te passen expositieduur wordt ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd. In het meetrapport wordt zowel de niet gecorrigeerde als de gecorrigeerde waarde van de berekende jaargemiddelde immissie vermeld.

3. De gemeten gemiddelde immissie is het gewogen gemiddelde van de gemeten immissies op de meetdagen, waarbij als weegfactor de procentuele verdeling op jaarbasis van de op de meetdagen heersende windcondities wordt gekozen.

4. Bij de methode voor de buitenlucht met adsorptiemateriaal is de jaargemiddelde immissieconcentratie gelijk aan de gemiddelde concentratie die gedurende twee weken gemeten wordt.

Artikel 4.81

1. Voor het verkrijgen van een reëel beeld van de immissieconcentraties op leefniveau worden de metingen onder representatieve bedrijfsomstandigheden uitgevoerd. Daarbij worden de volgende aspecten in acht genomen en in het meetverslag vastgelegd:

a. Gedurende de meetdagen wordt de reinigingsmachine met de gangbare capaciteit beladen en gebruikt.

b. Gedurende een meetdag worden ten minste 4 tot ten hoogste 9 charges textiel gereinigd.

c. Gegevens met betrekking tot aantal gereinigde charges worden opgenomen in het logboek milieuzorg.

d. De tijdens de meetdag gereinigde textiel wordt gelijktijdig met het reinigen op de aanwezige opmaakapparatuur op een in het betrokken bedrijf gangbare wijze opgemaakt met behulp van stoom.

e. In afwijking van het onder 1 gestelde, worden de reinigingsmachines beladen en gebruikt met een voor het individuele textielreinigingsbedrijf gangbare gemiddelde beladingsgraad. Deze wordt berekend aan de hand van de jaarproductie van in PER gereinigde kleding (in koolwaterstoffen, natgereinigde en natgewassen textiel buiten beschouwing gelaten), de totale machinecapaciteit (uitsluitend PER-reinigingsmachines) en het aantal reinigingscharges in deze PER-machines op jaarbasis

f. Gegevens met betrekking tot de beladingsgraad worden opgenomen in het logboekmilieuzorg.

2.Voorts worden gegevens vastgelegd met betrekking tot:

a. de droogtijd, droogtemperatuur en de PER-concentratie boven het pas geloste textiel bij het drogen van textiel in de reinigingsmachine, en

b. de verversingsgraad van de lucht in de werkruimte, alsmede van de ruimte waarin de reinigingsmachine staat opgesteld.

Artikel 4.82

1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen en wassen van textiel wordt voldaan aan het bij het tweede en derde lid bepaalde.

2. Afvalwater afkomstig van het wasproces bevat in enig steekmonster niet meer dan . 0,1 mg/l PER, bepaald volgens NEN-EN-ISO 10 301.

3. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

Afdeling 4.8 Overige activiteiten

§ 4.8.1 Inwendig reinigen van tanks en tankwagens

Artikel 4.83

1. Bij het inwendig reinigen van tanks en tankwagens wordt het product zoveel mogelijk, eventueel verdund, toegevoegd aan de desbetreffende productstroom binnen het bedrijf.

2. Het afvalwater dat ontstaat bij het inwendig reinigen van tanks en tankwagens wordt gevoegd bij het afvalwater van soortgelijke samenstelling dat ontstaat binnen de inrichting. Eventuele zuiveringsvoorzieningen voor dit afvalwater worden naar rato gedimensioneerd.

§ 4.8.2 Bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen

Artikel 4.84

1. Het lozen van ingezameld huishoudelijk afvalwater en de inhoud van chemische toiletten van pleziervaartuigen vindt plaats in een vuilwaterriool.

2. Bij het in het vuilwaterriool lozen van ingezameld bilgewater wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in het derde tot en met het vijfde lid.

3. Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan:

a. 20 mg/l aan olie, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2.

b. 300 mg/l aan onopgeloste bestanddelen bepaald volgens NEN 6621.

4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 mg/l in enig steekmonster bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2, bedragen, indien het afvalwater, voor vermenging met ander afvalwater, wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoet aan en wordt gebruikt conform NEN-EN 858.

5. Voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater dient het afvalwater op een doelmatige wijze te kunnen worden bemonsterd.

Artikel 4.85

Binnen de inrichting worden de volgende afvalstoffen ingenomen:

1. afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijk afval, de inhoud van chemische toiletten of afvalwater, indien een jachthaven beschikt over meer dan 25 ligplaatsen;

2. afgewerkte olie, indien in de inrichting een brandstofstation voor pleziervaartuigen aanwezig is, of meer dan 50 pleziervaartuigen met een binnenboordmotor een vaste ligplaats hebben en in de jachthaven tevens onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen plaatsvindt;

3. bilgewater, indien in de inrichting meer dan 50 pleziervaartuigen met een binnenboordmotor een vaste ligplaats hebben;

4. gevaarlijke afvalstoffen, niet zijnde afgewerkte olie of bilgewater, indien de inrichting beschikt over meer dan 25 ligplaatsen en in de jachthaven tevens onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen plaatsvindt;

5. huishoudelijk afvalwater van pleziervaartuigen, indien de inrichting beschikt over meer dan 50 ligplaatsen, waaronder niet begrepen ligplaatsen uitsluitend bestemd voor open pleziervaartuigen;

6. de inhoud van chemische toiletten, indien de inrichting beschikt over 250 of meer ligplaatsen;

7. Het vijfde lid is niet van toepassing tot:

a) 1 januari 2008, indien binnen de inrichting meer dan 50 doch niet meer dan 100 ligplaatsen, waaronder niet begrepen ligplaatsen uitsluitend bestemd voor open pleziervaartuigen, aanwezig zijn;

b) 1 januari 2009, indien binnen de inrichting niet meer dan 50 ligplaatsen, waaronder niet begrepen ligplaatsen uitsluitend bestemd voor open pleziervaartuigen, aanwezig zijn.

8. Indien twee of meer inrichtingen waar gelegenheid tot afmeren van pleziervaartuigen wordt geboden in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen kan de in het eerste tot en met zesde lid plaatsvinden door middel van voorzieningen die gemeenschappelijk worden aangebracht en beheerd, indien daartoe een overeenkomst is gesloten. De overeenkomst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.

9. Voor de inzameling, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, wordt geen aparte financiële vergoeding gevraagd aan de gebruikers van de inrichting.

10. Indien een jachthaven op grond van de voorschriften 1 tot en met 6 niet behoeft te beschikken over een voorziening voor de inzameling van een bepaalde categorie afvalstoffen, wordt binnen de jachthaven duidelijk aangegeven waar de gebruikers van de jachthaven hun afvalstoffen kunnen afgeven.

Artikel 4.86

1. Voor zover een inrichting die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen is aangewezen krachtens artikel 6 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, blijft artikel 4.85 buiten toepassing.

2. In afwijking van artikel 4.85, eerste tot en met vijfde lid, worden de in die leden genoemde afvalstoffen in een inrichting die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen ingenomen ongeacht het aantal ligplaatsen in die inrichting.

3. Degene die een inrichting drijft die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, maakt bij de inning van het havengeld kenbaar welk aandeel daarvan bestemd is voor het instandhouden van de voorzieningen voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen.

4. Degene die een inrichting drijft die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, stelt, na overleg met betrokken partijen, eens in de drie jaar een passend plan vast voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen, en legt dit plan ter goedkeuring voor aan het bevoegd gezag.

§ 4.8.3 Vervaardigen van voedingsmiddelen

Artikel 4.87

1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het vervaardigen van voedingsmiddelen wordt voldaan aan het bij het derde tot en met het zesde lid bepaalde.

2. Indien niet in een vuilwaterriool geloosd kan worden, is lozen anders dan in een vuilwaterriool toegestaan. Het afvalwater wordt in dat geval gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd. De voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn in dat geval mede op het zuiveren van het afvalwater van het vervaardigen van voedingsmiddelen berekend.

3. Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

4. Het vethoudende afvalwater afkomstig uit de ruimte waar de activiteit plaats vindt wordt, voor vermenging met een ander afvalwater, geleid door een vetafscheider en slibvangput, die voldoen aan, en worden toegepast volgens NEN-EN 1825-1 en 2.

5. In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen zonder een vetafscheider en slibvangput toestaan.

6. Indien op een inrichting voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een besluit als bedoeld in artikel 5.9 van toepassing was en vanuit die inrichting het afvalwater van het vervaardigen van voedingsmiddelen werd geloosd zonder behandeling in een vetafscheider en slibvangput, wordt voor dat lozen een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het vijfde lid geacht te zijn verleend.

§ 4.8.4 Ambachtelijk slachten van dieren

Artikel 4.88

1. Het slachten van dieren vindt inpandig plaats.

2. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het ambachtelijk slachten van dieren wordt voldaan aan het bij het derde en het vierde lid bepaalde.

3. Indien niet in een vuilwaterriool geloosd kan worden, wordt het afvalwater tezamen met huishoudelijk afvalwater geloosd. De voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn in dat geval mede op het zuiveren van het afvalwater van het vervaardigen van voedingsmiddelen berekend.

4. Het vethoudende afvalwater afkomstig uit de ruimte waar de activiteit plaats vindt wordt, voor vermenging met een ander afvalwater, geleid door een vetafscheider en slibvangput, die voldoen aan, en worden toegepast volgens NEN-EN 1825-1 en 2.

§ 4.8.5 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport

Artikel 4.89

1. De verlichting ten behoeve van sportbeoefening op sportterreinen is uitgeschakeld:

a.tussen 23.00 uur en 07.00 uur, en

b. indien er geen sport beoefend wordt, noch onderhoud plaatsvindt.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of delen van dagen in verband met de viering van:

a. festiviteiten die bij of krachtens een verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;

b. andere festiviteiten of activiteiten die plaatsvinden binnen de inrichting, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of delen van dagen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar.

3. Een festiviteit of activiteit als bedoeld het tweede lid die maximaal een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 5.1

1. Voor een inrichting type A, inrichting type B of inrichting type C die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor op dat tijdstip een vergunning in werking en onherroepelijk was, blijven de voorschriften van die vergunning in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag, alsmede de aanvraag voorzover die deel uitmaakt van de vergunning en gegevens bevat die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften, gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op die inrichting gelden als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften vallen binnen de reikwijdte van een maatwerkvoorschrift en behoudens eerdere wijziging of intrekking van die maatwerkvoorschriften op grond van artikel 1.8, tweede lid.2. De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens de vergunning dan wel krachtens de besluiten, bedoeld in artikel 5.9, blijven na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit gelden als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de reikwijdte van een maatwerkvoorschrift en behoudens eerdere wijziging of intrekking van die maatwerkvoorschriften op grond van artikel 1.8, tweede lid.

Artikel 5.2

1. Voor het lozen vanuit een inrichting type A of een inrichting type B waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in werking en onherroepelijk was, blijven de voorschriften van die vergunning in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag, alsmede de aanvraag voorzover die deel uitmaakt van de vergunning en gegevens bevat die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften, gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op dat lozen gelden als maatwerkvoorschriften, mits het voorschrift valt binnen de reikwijdte van een maatwerkvoorschrift en behoudens eerdere wijziging of intrekking van die maatwerkvoorschriften op grond van artikel 1.8, tweede lid.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het lozen vanuit een inrichting type C, voor zover het lozen betrekking heeft op de activiteiten genoemd in:

- hoofdstuk 3, of

- hoofdstuk 4 of artikel 1.5, onder b, en het lozen in het oppervlaktewater plaatsvindt.

3. De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater of het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering voor het lozen vanuit een inrichting type A, inrichting type B of inrichting type C, blijven na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit gelden als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de reikwijdte van een maatwerkvoorschrift en behoudens eerdere wijziging of intrekking van die maatwerkvoorschriften op grond van artikel 1.8, tweede lid.

Artikel 5.3

1. Een ontheffing als bedoeld in artikel 24, tweede lid, en artikel 25, tweede lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming met betrekking tot het lozen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, wordt gelijkgesteld met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

2. Een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, wordt gelijkgesteld met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

3. Indien op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater was toegestaan op grond van artikel 14 van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, blijft die toestemming gelden gedurende de termijn die volgt uit de toepassing van dat artikel.

Artikel 5.4

1. Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting type B of inrichting type C reeds is opgericht en voor die inrichting onmiddellijk voor dat tijdstip geen vergunning in werking en onherroepelijk was of geen melding was gedaan krachtens een van de in artikel 5.9 genoemde besluiten, meldt degene die de inrichting drijft aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.

2. De melding, bedoeld in het eerste lid, geschiedt ten hoogste vier weken na het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt. Afdeling 1.2 is van overeenkomstige toepassing.

3. Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een aanvraag om een vergunning voor het oprichten van de inrichting bij het bevoegd gezag is ingediend en dit besluit op een inrichting type B van toepassing is, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing. De aanvraag om de vergunning wordt in dat geval aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 1.9.

Artikel 5.5

Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, voor het lozen een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bij het bevoegd gezag is ingediend en dit besluit op die lozing van toepassing is, wordt de aanvraag om de vergunning aangemerkt als:

a. een melding overeenkomstig artikel 1.9, voor zover het lozen bij of krachtens de in hoofdstuk 3 of 4 van dit besluit gestelde voorschriften is toegestaan;

b. een verzoek tot het stellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, voor zover het lozen in het oppervlaktewater plaatsvindt en dat lozen niet bij of krachtens de in de hoofdstukken 3 of 4 van dit besluit gestelde voorschriften is toegestaan.

Artikel 5.6

Op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit lopende termijnen voor keuringen op grond van de besluiten, genoemd in artikel 5.9, blijven van toepassing tot het moment van de eerstvolgende keuring.

Artikel 5.7

Een wijziging van een bij of krachtens dit besluit genoemde niet-publiekrechtelijke regeling gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant van de wijziging van de geldende versie in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.5.

Artikel 5.8

Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.

Artikel 5.9

De volgende besluiten worden ingetrokken:

Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer

Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer

Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer

Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer

Besluit jachthavens

Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998

Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer

Besluit tandartspraktijken milieubeheer

Besluit tankstations milieubeheer

Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer

Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer

Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer

Artikel 5.10

Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 5.11

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

...
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,...

Bijlage 1 Lijst van vergunningplichtige inrichtingen

De in artikel 8.1, eerste lid van de wet opgenomen verboden gelden voor de volgende categorieën van inrichtingen:

a) inrichtingen als bedoeld in bijlage II, uitgezonderd categorie 5, en bijlage III van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit;

b) inrichtingen waarop een van de onderstaande besluiten en regelingen van toepassing is:

• Besluit glastuinbouw voor zover het een glastuinbouwbedrijf type A betreft;

• Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen;

• Besluit externe veiligheid inrichtingen;

• Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer;

• Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen;

• Besluit LPG-tankstations milieubeheer;

• Besluit risico’s zware ongevallen 1999;

• Besluit verbranden afvalstoffen;

• Besluit beheer autowrakken;

• Regeling grenswaarde VCM-luchtemissies-PVC-inrichtingen milieubeheer;

• Regeling grenswaarden luchtemissies VCM-inrichtingen milieubeheer;

• Regeling op-, overslag en distributie benzine milieubeheer;

• Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land;

c) inrichtingen waarvoor krachtens artikel 7.2, derde lid, van de wet een milieu-effectrapport moet worden gemaakt dan wel waarvoor het bevoegd gezag krachtens artikel 7.2, vierde lid, van de wet heeft bepaald dat een milieu-effectrapport moet worden gemaakt;

d) inrichtingen waarin zich één of meer broeikasgasinstallaties bevinden als bedoeld in artikel 16.1 van de wet;

e) inrichtingen gevestigd op een stortplaats als bedoeld in artikel 8.48 van de wet;

f) inrichtingen

• waar een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer;

• waar een warmtekrachtinstallatie aanwezig is waarin een andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt;

• waar verbrandingsmotoren aanwezig zijn voor het afremmen van een gezamenlijk motorisch vermogen van 1 MW of meer;

• voor het beproeven van straalmotoren of -turbines;

• waar een of meer installaties aanwezig zijn voor het verstoken of verbranden van andere stoffen dan aardgas, propaangas, butaangas, gasolie of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14.214, met een capaciteit van meer dan 20 kW thermisch vermogen;

• waar sprake is van een crematorium;

g) inrichtingen voor het vervaardigen of verwerken van elastomeren of kunststoffen;

h) inrichtingen voor het vervaardigen van een gevaarlijke stof of een stof die bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten is ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;

i) inrichtingen waar gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen aanwezig zijn met uitzondering van:

I. ten hoogste 25 kg theatervuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit, waarbij voor de bepaling van de hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk als zijnde onverpakt vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, vijfde lid, onder b, van het Vuurwerkbesluit;

II. ten hoogste 1000 kg consumentenvuurwerk, met inachtneming van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;

III. ten hoogste 25 kg in beslag genomen vuurwerk in een politiebureau;

IV. ten hoogste 1 kg zwart buskruit;

V. ten hoogste 50 kg rookzwak buskruit;

VI. ten hoogste 50 kg noodsignaal;

VII. ten hoogste 250.000 munitie- of hagelpatronen dan wel onderdelen daarvan voor vuurwapens;

VIII. pyrotechnisch speelgoed;

IX. 250.000 patronen ten behoeve van plunjerschiethamers;

X. gasflessen of spuitbussen met een verstikkend, oxiderend of brandbaar gas, samengeperste lucht of koelgas als inhoud;

XI. ammoniak in gasflessen tot een hoeveelheid van ten hoogste 1.500 l;

XII. ethyleenoxide in gasflessen tot een hoeveelheid van ten hoogste 1.500 l;

XIII. propaan in ten hoogste twee bovengrondse tanks met een inhoud van ten hoogste 13.000 l per tank;

XIV. zuurstof in bovengrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 100 m3;

XV. koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof in bovengrondse tanks;

XVI. condensaat in ondergrondse tanks, behorende bij een inrichting waar aardgasdruk wordt gereduceerd of aardgashoeveelheid wordt gemeten, met een maximale inlaatzijdige werkdruk van 10.000 kPa en geen drukverhogende installaties (compressoren) of import en geen exportstations aanwezig zijn en voorzover gasdrukmeet- en regelstations een onderdeel vormen binnen aardgastransportsystemen of aardgasdistributiesystemen;

XVII. tetrahydrothiofeen in bovengrondse tanks met een inhoud van ten hoogste 5 m3 behorende bij een inrichting waar aardgasdruk wordt gereduceerd of aardgashoeveelheid wordt gemeten, met een maximale inlaatzijdige werkdruk van 10.000 kPa en geen drukverhogende installaties (compressoren) of import en geen exportstations aanwezig zijn en voorzover gasdrukmeet- en regelstations een onderdeel vormen binnen aardgastransportsystemen of aardgasdistributiesystemen;

XVIII. vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse tanks van staal of kunststof met een capaciteit van ten hoogste 150 m3;

XIX. dieselolie, gasolie of lichte stookolie in bovengrondse tanks in de buitenlucht met een capaciteit van ten hoogste 150 m3;

XX. dieselolie, gasolie of lichte stookolie in bovengrondse tanks inpandig met een inhoud van ten hoogste 15 m3;

XXI. stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse tanks met een totale inhoud van ten hoogste 10 m3;

XXII. gevaarlijke stoffen, voor zover bovenstaand niet genoemd, in verpakking waarbij sprake is van:

• stoffen van de klasse 3,4,5.1, 7 en 9 van het ADR;

• stoffen van de klasse 5.2 van het ADR uitsluitend als LQ tot een hoeveelheid van 1.000 kg;

• stoffen van de klasse 6.2 van het ADR uitsluitend ziekenhuisafval;

• stoffen van de klasse 6.1 van het ADR verpakkingsgroep II en III;

• stoffen van de klasse 6.1 van het ADR verpakkingsgroep I tot een hoeveelheid van ten hoogste 1.000 kg;

• stoffen van de klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep II en III;

• stoffen van de klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep I met aanvullend etiket nr 6.1 van het ADR tot een hoeveelheid van ten hoogste 1.000 kg;

j) inrichtingen waar een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kg aanwezig is;

k) inrichtingen:

• waar gasflessen worden gevuld met uitzondering van het vullen vanuit een gasfles van maximaal 150 l van gasflessen met een inhoud kleiner dan 12 l;

• waar spuitbussen worden gevuld;

• voor het afleveren van LPG aan motorvoertuigen voor het wegverkeer;

• waar warmtepompen, koel- of vriesinstallaties aanwezig zijn, met een inhoud per installatie van meer dan 1.500 kg ammoniak of 100 kg propaan, butaan of een mengsel van propaan en butaan;

• voor het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid, voorzover maximale inlaatzijdige werkdruk meer dan 10.000 kPa bedraagt of drukverhogende installaties (compressoren) of import- en exportstations aanwezig zijn;

• voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer waar aflevering plaats vindt met een pomp die zich onder het vloeistofniveau in de tank bevindt;

• voor het afleveren van motorbrandstoffen aan beroepsvaartuigen;

• voor het afleveren van benzine of gasolie door een afleverzuil waar aflevering zonder direct toezicht mogelijk is, en de kortste afstand tussen de afleverzuil en een woning van derden of een gevoelig object van derden minder bedraagt dan 20 m;

• waar praktijkruimten aanwezig zijn voor chemisch of biochemisch, natuurkundig, technisch, agrarisch of veterinair onderwijs waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek van toepassing is;

• waar laboratoria aanwezig zijn uitgezonderd kleinschalige laboratoria voor interne kwaliteits- of productcontroles of ten behoeve van huisartsen, dierenartsen, tandartsen of tandtechnici;

l) inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, opslaan of overslaan van harsen, dierlijke of plantaardige oliën en vetten, met uitzondering van opslag in verpakking;

m) inrichtingen voor:

• het vervaardigen of bewerken van anorganische nitraathoudende kunstmeststoffen;

• het opslaan van nitraathoudende kunstmest type A of B, bedoeld in PGS 7;

• het bewerken of verwerken van dierlijke of overige organische meststoffen;

• het opslaan van vaste meststoffen of overige organische meststoffen;

• het opslaan van dunne mest;

n) inrichtingen voor:

• het houden van honden of vogels in de buitenlucht;

• het houden van meer dan 10 diersoorten;

• het houden van landbouwhuisdieren;

• het verladen van landbouwhuisdieren;

• het slachten van meer dan 20 dieren per week en het verwerken van producten die bij het slachten vrijkomen;

• het vervaardigen of het industrieel verwerken van huiden, bont, leer of lederhalffabrikaten;

• de activiteiten, genoemd in artikel 5 van de Destructiewet;

o) inrichtingen voor:

• het industrieel vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of grondstoffen daarvoor; hiervan is in ieder geval sprake indien:

i. gebruik wordt gemaakt van een of meer apparaten met een individuele nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kW of een aansluitwaarde van meer dan 130 kW;

ii. de gezamenlijke nominale belasting op bovenwaarde van continu-ovens meer bedraagt dan 200 kw;

• het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen voor dieren;

• het opslaan van ruwe cacao;

p) inrichtingen voor:

• het industrieel vervaardigen in ovens met een gezamenlijk thermisch vermogen hoger dan 5 kW of bewerken van keramische producten, bak-, sier- of bestratingsstenen, dakpannen, porselein of aardewerk;

• het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van asbest of asbesthoudende producten;

• het opslaan of overslaan van ertsen, mineralen of derivaten van ertsen of mineralen;

• het malen, roosten, pelletiseren of doen sinteren van ertsen of derivaten daarvan;

• het vervaardigen van cement of cementklinker en cement- of betonmortel;

• het vervaardigen van cement- of betonwaren met behulp van persen, triltafels of bekistingstrillers;

• het industrieel vervaardigen, bewerken of verwerken van glas of glazen voorwerpen;

• het vervaardigen van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol;

• het vervaardigen van asfalt of asfaltproducten;

• het vervaardigen van cokes uit steenkool;

• het vergassen van steenkool;

• het bewerken of verwerken van gesteente, afkomstig uit kolenmijnen;

• het winnen van steen, met uitzondering van grind en mergel;

• het winnen, breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand of grind, kalkzandsteen, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan;

q) inrichtingen voor:

• het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen;

• het met warm- of koudwalsen tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 m2;

• het met wals- en trekinstallaties tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 m3;

• het met wals- of trekinstallaties produceren van metalen buizen en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 m3;

• het smeden van ankers of kettingen waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 m3;

• voor het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer dan 2.000 m3 bedraagt;

• het samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren waar het niet in een gesloten gebouw ondergebrachte productieoppervlak ten aanzien daarvan meer dan 2.000 m3 bedraagt;

• het gieten van metalen of hun legeringen;

• het harden of gloeien van metalen of het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak, indien daarbij zouten, oliën of gassen anders dan inerte gassen worden toegepast;

• het behandelen van metaaloppervlakken door schoonbranden en pyrolyse;

• het aanbrengen van metaallagen met cyanidehoudende baden, met een totale badinhoud van meer dan 5 l;

r) inrichtingen voor:

• het vervaardigen, onderhouden, repareren, proefdraaien of reinigen van vliegtuigen;

• het vervaardigen of assembleren van automobielen of motoren voor automobielen met een productieoppervlak ten aanzien daarvan van 10.103 m2 of meer;

• het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen voor de beroepsvaart;

• het vervaardigen van pleziervaartuigen;

• het bieden van gelegenheid voor het afmeren van beroepsvaartuigen;

• het reinigen van tankschepen;

• het parkeren van 3 of meer voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg bestemde motorvoertuigen, gelede motorvoertuigen, aanhangwagens of opleggers, waarvan de massa van het ledige voertuig, vermeerderd met het laadvermogen, meer bedraagt dan 3500 kg;

s) spoorwegemplacementen;

t) inrichtingen voor het onderhouden, repareren, keuren, reinigen, verhandelen, verhuren, proefdraaien of behandelen van de oppervlakte van spoorvoertuigen of onderdelen daarvan;

u) inrichtingen voor:

• het vervaardigen van producten van houtmeel-, houtwol- of houtvezels;

• het vervaardigen van triplex-, fineer-, vezel- of spaanplaten;

• het impregneren van hout door middel van spuiten, sproeien of de vacuümdrukmethode;

v) inrichtingen voor:

• het industrieel vervaardigen of verwerken van textiel, woningtextiel, textielgrondstoffen, bont, leer, vlas of producten hiervan;

• het vervaardigen of verwerken van papierstof, papier of producten hiervan;

• het toepassen van de volgende drukprocessen:

i. illustratiediepdruk;

ii. rotatieoffset;

iii. vellen-offsetapparatuur, met een totaal elektromotorisch of verbrandingsmotorisch vermogen groter dan 40 kW;

iv. verpakkingsoffset;

v. flexo en verpakkingsdiepdruk;

vi. rotatie-zeefdruk;

vii. zeefdruk met een emissie groter dan 10.000 kg VOS per jaar;

w) inrichtingen waar met vuurwapens wordt geschoten of met ontvlambare of ontplofbare voorwerpen wordt geworpen;

x) inrichtingen waar:

• gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van gemotoriseerde modelvliegtuigen, -vaartuigen of -voertuigen, bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden;

• het paintballspel wordt beoefend, in de open lucht wordt geschoten met bogen of boogwapens of met wapens, werkend met luchtdruk of gasdruk;

y) inrichtingen voor:

• het omzetten van windenergie in mechanische, elektrische of thermische energie, met een rotordiameter groter dan 2 m en waarbij:

i. de windturbines niet elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast;

ii. de windturbines geen horizontale draaias van de rotor hebben, of

iii. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde geluidgevoelige bestemming kleiner is dan viermaal de ashoogte;

• Het omzetten van hydrostatische energie in elektrische of thermische energie;

• Het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie met een vermogen van meer dan 4 kW;

• het omzetten van thermische energie in elektrische energie;

z) transformatorstations met niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren, met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer;

aa) inrichtingen waar:

• laboratoria, dierverblijven, opslagruimten of kassen aanwezig zijn, die zijn bestemd voor de genetische modificatie van organismen of het voor onderwijs, onderzoek, ontwikkeling of niet-industriële doeleinden vermeerderen, opslaan, toepassen, voorhanden hebben, vervoeren, zich ontdoen of vernietigen van genetisch gemodificeerde organismen in hoeveelheden van niet meer dan 10 l cultuurvloeistof per eenheid of in hoeveelheden die om andere redenen zijn te beschouwen als kleinschalig;

• dierverblijven, opslagruimten, kassen of installaties voor productieprocessen aanwezig zijn, die zijn bestemd voor het niet-kleinschalig vermeerderen, opslaan, toepassen, voorhanden hebben, vervoeren, zich ontdoen of vernietigen van genetisch gemodificeerde organismen;

bb) academische ziekenhuizen als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek, en algemene of categorale ziekenhuizen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder A, sub 1 en 2, van het Besluit aanwijzing inrichtingen Wet ziekenhuisvoorzieningen;

cc) inrichtingen voor het vervaardigen van koolstofelektroden;

dd) inrichtingen voor het inwendig reinigen van:

• drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks, tankwagens, tank- of bulkcontainers inwendig waarin gevaarlijke stoffen, preparaten of producten zijn vervoerd of opgeslagen;

• drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks, tankwagens, tank- of bulkcontainers die niet in de inrichting zijn geladen of gelost;

ee) inrichtingen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken;

ff) rioolwaterzuiveringsinstallaties en zelfstandige afvalwaterzuiveringen;

gg) inrichtingen voor:

• het opslaan van meer dan 35 m3 niet-gevaarlijke afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn;

• het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn, uitgezonderd:

i. het opslaan van autowrakken bij inrichtingen waar onderhoud en reparatie van motorvoertuigen plaats vindt en het opslaan van autowrakken in het kader van hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie;

ii. het opslaan van afgedankte producten, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur die conform artikel 4 van de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur zijn ingenomen bij het ter beschikking stellen van een nieuw product;

iii. afvalstoffen ontstaan bij bouw-, onderhouds- of herstelwerkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft;

iv. ingenomen afvalstoffen voorzover de inname daarvan op grond van artikelen 4.84 tot en met 4.87 verplicht is;

• het overslaan van afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn met een capaciteit van meer dan 1.000 m3/jaar;

• het bewerken of verwerken van afvalstoffen, uitgezonderd het als grondstof inzetten van een niet gevaarlijke afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof of textiel voor het vervaardigen, samenstellen of repareren van producten of onderdelen daarvan bestaande uit metaal, hout, kunststof of textiel;

• het vernietigen van afvalstoffen, waaronder mede begrepen het geheel of gedeeltelijk vernietigen van buiten de inrichting afkomstige genetisch gemodificeerde organismen als afvalstoffen of voorkomend in afvalstoffen;

• het verbranden van afvalstoffen;

• het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen.

Voor de toepassing van gg) blijven buiten beschouwing:

• het opslaan, behandelen of reinigen van afvalwater, gebracht in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;

• het reinigen van drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks, tankauto’s of tank- en bulkcontainers;

• het opslaan, bewerken of verwerken van dierlijke of overige organische meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib.

Bijlage 2 Technische begripsbepalingen

In het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

- aandrijfgeluid van een motorvoertuig: het geluid van de aandrijving van een motorvoertuig, inclusief het geluid van de uitlaatdemper;

- ADR: Accord européen relatif aux transports internationaux de marchandises dangereuses par route;

- afleverinstallatie: geheel van de al dan niet onder de grond liggende tank of tanks met daaraan gekoppelde leidingen, appendages, één of meer afleverzuilen en voorzover aanwezig, een kassa en een betaalautomaat, één of meer afleverzuilen, voorzover aanwezig, een kassa en, voorzover aanwezig, één of meer betaalautomaten;

- afvalwater: alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

- autowrak: autowrak als bedoeld in het Besluit beheer autowrakken;

- bedrijfsafvalwater: afvalwater dat vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater is;

- bedrijfsduurcorrectie: correctie als bedoeld in de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai’, zijnde de logaritmische verhouding tussen de tijdsduur dat de geluidbron gedurende de beoordelingstijd in werking is, en de duur van die beoordelingsperiode;

- beperkt kwetsbaar object: beperkt kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a van het Besluit externe veiligheid inrichtingen met uitzondering van die objecten die behoren tot een risicoveroorzakende inrichting;

- bestrijdingsmiddel: stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;

- bijkomend gevaar: een stof of voorwerp wordt aan de hand van de grootste gevaarseigenschap ingedeeld in een gevarenklasse van het ADR. Heeft die stof of voorwerp nog bijkomende gevaren die van belang kunnen zijn maar niet het grootste gevaar is dan wordt dit als een bijkomend gevaar benoemd;

- bodembedreigende activiteit: een bedrijfsmatige activiteit als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A 3 van de NRB;

- bodembeschermende maatregel: een op de gebezigde stoffen en gebruikte bodembeschermende voorziening toegesneden beheermaatregel gericht op reparatie, schoonmaak, onderhoud, actie bij incidenten, bedrijfsinterne controle, inspectie of toezicht, ter voorkoming van immissies in de bodem of herstel van de effecten van zulke immissies op de bodemkwaliteit, waarvan de uitvoering is gewaarborgd;

- bodembeschermende voorziening: een kerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem;

- brandcompartiment: brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;

- bron: (ten aanzien van luchtemissies) emissie van een bewerkingseenheid, -al dan niet voorzien van emissiebeperkende voorzieningen- en ongeacht de vraag of die emissie gecombineerd met andere emissies wordt geloosd op éen of meer puntbronnen;

- consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit;

- CMR-stof: stoffen of preparaten die volgens bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG geclassificeerd zijn als Kankerverwekkend categorie 1 of 2 en/of als Mutageen categorie 1 of 2 en/of als “voor de voortplanting giftig” categorie 1 of 2.

- emissieconcentratie-eis: (ten aanzien van luchtemissies) de per bron voor onderscheiden afgascomponenten als bovengrens te hanteren emissieconcentratie, uitgedrukt in massa per normaal kubieke meter;

- equivalent geluidsniveau: het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid in dB(A), gemeten in een bepaalde periode;

- fop- en schertsvuurwerk: fop- en schertsvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit;

- gasdrukmeet- en regelstation categorie A: gasdrukmeet- en regelstation met:

- een ontwerpcapaciteit die kleiner of gelijk aan 650 m03/h is met een maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die kleiner of gelijk aan 0,1 bar;

- een ontwerpcapaciteit die kleiner of gelijk aan 10 m03/h met een maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die kleiner of gelijk aan 16 bar is;

- gasdrukmeet- en regelstation categorie B: gasdrukmeet- en regelstation met een ontwerpcapaciteit die kleiner of gelijk aan 6000 m03/h is met een maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die kleiner of gelijk aan 16 bar is, niet zijnde een gasdrukmeet- en regelstation categorie A;

- gasdrukmeet- en regelstation categorie C: gasdrukmeet- en regelstation met een maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die kleiner of gelijk aan 100 bar is, niet zijnde een gasdrukmeet- en regelstation categorie A of gasdrukmeet- en regelstation categorie B;

- gasfles: een verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud van niet meer dan 150 l;

- geluidsniveau: geluidsniveau in dB(A) als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;

- gesloten proces: proces of bewerking waarbij de gebezigde stoffen bij normale bedrijfsvoering binnen de procesomhulling blijven en de desbetreffende installaties niet geopend hoeven te worden;

- geluidgevoelige objecten: geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen;

- geluidgevoelige gebouwen: woningen en andere geluidgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting en gebouwen gelegen op een gezoneerd industrieterrein;

- geluidgevoelige terreinen: geluidgevoelige terreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, met uitzondering van die terreinen behorende bij de betreffende inrichting en terreinen gelegen op een gezoneerd industrieterrein;

- geurbelasting: de hoeveelheid geur in de leefomgeving, uitgedrukt in Europese Odour Units per m3 bij een bepaalde percentielwaarde;

- geurgevoelige objecten: geurgevoelige gebouwen en geurgevoelige terreinen;

- geurgevoelige gebouwen: woningen en andere geluidgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting en gebouwen gelegen op een gezoneerd industrieterrein;

- geurgevoelige terreinen: geluidgevoelige terreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, met uitzondering van die terreinen behorende bij de betreffende inrichting en terreinen gelegen op een gezoneerd industrieterrein;

- gevaarlijke stof: stoffen en voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de International Maritime Dangerous Goods Code (IMDG-Code);

- gevel: gevel als bedoeld in artikel 1 en 1, onderdeel b, sub 5, van de Wet geluidhinder;

- gezoneerd industrieterrein: industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;

- grensmassastroom: per stofklasse verschillende drempelwaarde voor de beoordeling van de milieurelevantie van emissies;

- huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden;

- IMDG-code: International Maritime Dangerous Goods Code;

- kwetsbaar object: kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m van het Besluit externe veiligheid inrichtingen met uitzondering van die objecten die behoren tot een risicoveroorzakende inrichting;

- langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: (LAr,LT ) het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai».

- lozen: het brengen van:

1°. afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater, met behulp van een werk dat niet op een ander werk is aangesloten, of op een andere wijze dan met behulp van een werk;

2°. afvalwater of overige vloeistoffen op of in de bodem;

3°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar hemelwaterstelsel;

4°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar ontwateringsstelsel;

5°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar vuilwaterriool;

6°. afvalwater of andere afvalstoffen in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, of

7°. afvalwater of andere afvalstoffen op een zuiveringstechnisch werk;

- LQ: Limited Quantities, gelimiteerde hoeveelheden als bedoeld in het ADR;

- massastroom: de massa van een bepaalde stof of stoffen die per tijdseenheid worden geëmitteerd;

- maximaal geluidsniveau: (LAmax) maximaal geluidsniveau gemeten in de meterstand ‘F’ of ‘fast’, als vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai’;

- meetmethode: het geheel van monsterneming, monsterbehandeling en analyse ten behoeve van de kwantificering van emissies;

- motorvoertuigen: motorvoertuigen als bedoeld in de Wegenverkeerswet;

- NEN-norm: een door het Nederlandse Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm;

- NeR: Nederlande Emissie Richtlijnen lucht;

- Nitraathoudende kunstmeststoffen type C: meststoffen met een laag gehalte aan ammoniumnitraat die niet behoren tot type A, noch tot type B en derhalve niet kunnen detoneren en deflagreren onder de voorgeschreven proefcondities. Hiertoe worden eveneens meststoffen gerekend zoals kalksalpeter en meststoffen, die geen ammoniakale stikstof bevatten zoals chilisalpeter (natriumnitraat);

- noodsignalen: noodsignalen die onder de klasse 1.3 of klasse 1.4 van het ADR vallen;

- normaal kubieke meter: (Nm3) afgashoeveelheid bij 273,15 K en 101,3 kPa en betrokken op droge lucht;

- NRB: Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten;

- objecten categorie I: a. bejaardenoorden, verpleeginrichtingen, ziekenhuizen en sanatoria, zwakzinnigeninrichtingen en psychiatrische ziekenhuizen, gezinsvervangende tehuizen; b. scholen; c. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijke vloeroppervlak meer dan 1000 m2 bedraagt, en winkels met een totaal vloeroppervlak van meer dan 2000 m2 per object; d. hotels, restaurants en kantoorgebouwen, bestemd voor meer dan 50 personen per object; e. telecommunicatiegebouwen, gebouwen met vluchtleidingsapparatuur en andere kwetsbare objecten met een hoge infrastructurele waarde; f. installaties en bovengrondse opslagtanks voor brandbare, explosieve of giftige stoffen en andere objecten die door secundaire effecten een verhoogd risico met zich meebrengen; g. campings bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen, volkstuincomplexen waarop meer dan 25 tuinhuisjes, mede bestemd voor het verblijf van personen, aanwezig zijn en andere recreatieterreinen, bestemd voor het verblijf gedurende meerdere aaneengesloten dagen van het jaar van meer dan 50 personen;

- objecten categorie II: a. sporthallen en zwembaden; b. winkels, voorzover zij niet onder categorie I vallen; c. hotels, restaurants en kantoorgebouwen voorzover zij niet onder categorie I vallen; d. bedrijfsgebouwen, voorzover zij niet onder categorie I vallen, alsmede incidentele dienst- en bedrijfswoningen die op industrieterreinen voorkomen, met een gemiddelde dichtheid aan dienst- of bedrijfswoningen van ten hoogste één per hectare; e. speeltuinen, sportvelden, openluchtzwembaden en andere recreatieterreinen, voorzover deze recreatieterreinen niet onder categorie I vallen.

- openbaar hemelwaterstelsel: voorziening voor het beheer van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

- openbaar ontwateringsstelsel: voorziening voor de verwerking van grondwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

- openbaar vuilwaterriool: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

- opslagtank of opslagreservoir: een stationaire tank of reservoir, bestemd voor de opslag van gevaarlijke stoffen of bodembedreigende stoffen, niet zijnde een conform het ADR voor het vervoer toegelaten verpakking, tank of reservoir;

- opslagvoorziening: voorziening bestemd voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen;

- personenauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, een gehandicaptenvoertuig een motorrijtuig op vier wielen als bedoeld in onderdeel q of een vierwielige bromfiets, ingericht voor het vervoer van personen, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, of een kampeerauto; in ieder geval wordt als personenauto aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als personenauto is aangeduid;

- PGS: ‘Publicatie in de publicatiereeks gevaarlijke stoffen’;

- pleziervaartuig: schip, bestemd of gebruikt voor sport of vrijetijdsbesteding, ongeacht het type en de wijze van voortstuwing;

- proceseenheid: één of meer bewerkingseenheden, afzonderlijk onderdeel binnen een inrichting, niet als zodanig leidend tot een vermarktbaar product;

- procesemissies: emissies van bedrijfsactiviteiten; hiertoe worden tevens gerekend emissies ten gevolge van aanvoer, op- en overslag en transport van grond- en hulpstoffen en emissies van verbrandingsprocessen die niet onder het Besluit emissie-eisen stookinstallaties vallen;

- referentieniveau: hoogste waarde van de twee genoemde niveaus, bepaald overeenkomstig ‘Richtlijnen voor karakterisering en meting van het omgevingsgeluid, IL-HR-15-01’, te weten:

1. het geluidniveau, uitgedrukt in dB(A), dat gemeten over een bepaalde periode, gedurende 95% van de tijd wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf;

2. het optredende equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door wegverkeersbronnen minus 10 dB(A), met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur alleen wegverkeersbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode;

- rookzwak buskruit: buskruit dat onder de klasse 1.3 van het ADR valt.

- spuitbus: niet-hervulbare houder van metaal, glas of kunststof die een samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas bevat, al dan niet met een vloeibare, pasteuze of poedervormige stof, en voorzien van een aftapinrichting die het mogelijk maakt, dat de inhoud wordt uitgestoten in de vorm van een suspensie van vaste of vloeibare deeltjes in een gas, in de vorm van schuim, pasta of poeder of in vloeibare of gasvormige toestand;

- stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater of ander afvalwater;

- stofcategorie: clustering van stoffen op basis van vergelijkbare fysische of chemische eigenschappen, overeenkomstig paragraaf 4.5 van de NeR;

- stofklasse: onderverdeling binnen een stofcategorie op basis van vergelijkbare (toxicologische) eigenschappen, overeenkomstig paragraaf 4.5 van de NeR;

- systeem voor dampretour Stage-II: geheel van vulpistool, slang, appendages, regelinstrumenten en overige toebehoren waarmee de bij het afleveren van benzine aan motorvoertuigen voor het wegverkeer uit het brandstofreservoir van het motorvoertuig verdreven dampen worden teruggevoerd in de ondergrondse opslagtank van het tankstation;

- theatervuurwerk: theatervuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit;

- totaal stof: stoffen ingedeeld in categorie S van bijlage 4.5. van de NeR, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen deeltjes met een aërodynamische diameter boven respectievelijk onder de 10 micrometer (PM10);

- verpakking: omhulling van goederen of producten, waarbij voor gevaarlijke stoffen deze omhulling is toegelaten voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, inclusief grote verpakking en IBC.

- Verpakkingsgroep: Een groep, waarin bepaalde stoffen op grond van hun gevaarlijkheid tijdens het vervoer conform het ADR zijn ingedeeld voor verpakkingsdoeleinden.

verpakkingsgroep I: zeer gevaarlijke stoffen

verpakkingsgroep II: gevaarlijke stoffen

verpakkingsgroep III: minder gevaarlijke stoffen;

- vervoerseenheid met gevaarlijke stoffen: Een conform het ADR voor het vervoer toegelaten tank, tankcontainer, tankbatterij of laadketel en de laadruimte of laadvloer van een voertuig, oplegger of aanhanger;

- verwaarloosbaar bodemrisico: een situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt;

- vloeibare brandstof: lichte olie, halfzware olie of gasolie als bedoeld in de artikelen 26 en 28 van de Wet op de accijns, met dien verstande dat LPG daar niet onder wordt begrepen;

- vluchtige organische stoffen (VOS): stoffen als bedoeld in het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer;

- VOS-verbruik: verbruik als bedoeld in het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer;

- voertuig: voertuig als bedoeld in het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer;

- voorziening voor het beheer van afvalwater: een openbaar vuilwaterriool, openbaar hemelwaterstelsel, openbaar ontwateringsstelsel, een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, een zuiveringstechnisch werk of een zuiveringsvoorziening;

- vuilwaterriool: een openbaar vuilwaterriool of een andere voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, aangesloten op een zuiveringstechnisch werk of op een zuiveringsvoorziening, die blijkens een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het zuiveren van stedelijk afvalwater is bestemd;

- vuurwerk: vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;

- warmtekrachtinstallatie: installatie voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht waarbij de warmte nuttig wordt aangewend;

- waterkwaliteitsbeheerder: bestuursorgaan dat overeenkomstig artikel 3 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bevoegd zou zijn een vergunning o.g.v. de Wvo te verlenen;

- WBDBO: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag in minuten volgens NEN 6068;

- werkvoorraad: de voorraad gevaarlijke stoffen welke ten behoeve van de bedrijfsvoering/productie in een productieruimte/werkruimte of nabij een procesinstallatie of afvulinstallatie is opgesteld;

- woning: een gebouw of een deel van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd;

- ziekenhuisafval: categorie I3 en I4 van klasse 6.2 ADR (ziekenhuisafval n.e.g., UN 3291 en diagnostische monsters, UN 3373);

- zuiveringstechnisch werk: een werk voor het zuiveren van stedelijk afvalwater, in beheer bij een waterschap of gemeente of in exploitatie bij een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap of een gemeente met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast;

- zuiveringsvoorziening: een werk voor het zuiveren van afvalwater, dat geen zuiveringstechnisch werk is;

- zwart buskruit: buskruit dat onder de klasse 1.1 van het ADR valt.

Inhoudsopgave nota van toelichting Besluit algemene activiteiten voor inrichtingen milieubeheer

Algemeen deel

1. Aanleiding

2. Uitgangspunten bij de modernisering

3. Reikwijdte

3.1 Algemeen

3.2 Meer vergunningplichtige bedrijven onder algemene regels

3.3 Type A-, B- en C-inrichting

3.4 Lozen van afvalwater

3.4.1 Afbakening Wm en Wvo

3.4.2 Nieuw onder het besluit gereguleerde lozingen

4. Eindsituatie

4.1 Activiteiten buiten inrichtingen

5. Wijzigingen in wetgeving met het oog op het activiteitenbesluit

5.1 Wet milieubeheer

5.2 Wet verontreiniging oppervlaktewateren

5.3 Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken

6. Opzet Activiteitenbesluit

6.1 Indeling

6.2 Verdeling besluit en ministeriële regeling

6.3 Doelvoorschriften, maatregelen en zorgplicht

6.4 De doelvoorschriften, verplichte en erkende maatregelen

6.5 De zorgplichtbepaling

6.6 Maatwerkvoorschriften

6.7 De gelijkwaardigheidtoets

7. Inrichtingsgerelateerde voorschriften

7.1 Geluidhinder

7.1.1 Akoestische onderzoeken

7.1.2 Gemeentelijk geluidbeleid

7.1.3 Gezoneerde industrieterreinen

7.2 Geurhinder

7.3 Emissies naar de lucht en luchtkwaliteit

7.3.1 Emissies naar de lucht

7.3.2 Luchtkwaliteit

7.4 Lozingen

7.4.1 Activiteitspecifieke voorschriften

7.4.2 Regels voor lozingen waarvoor geen activiteitspecifieke voorschriften zijn uitgewerkt

7.4.3 De zorgplichtbepaling en lozingen

7.5 Externe veiligheid

7.6 Lichthinder

7.7 Bodembescherming

7.7.1 NRB

7.7.2 Bepalen risico’s

7.7.3 Voorzieningen en maatregelen

7.7.4 Controle effectiviteit voorzieningen en maatregelen

7.7.5 Verwaarloosbaar versus aanvaardbaar risico

7.8 Verruimde reikwijdte algemeen

7.8.1 Energiebesparing

7.8.2 Scheiden van afvalstoffen

7.8.3 Verkeer en vervoer en waterbesparing

8. Ondersteuning van de nieuwe wet- en regelgeving door ICT

9. Samenhang met andere beleidsterreinen

9.1 Modernisering van de algemene regels voor de landbouw

9.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

9.3 Waterwet

9.4 Bouwbesluit en bouwverordening

9.4.1 Bouwbesluit 2003

9.4.2 Gemeentelijke bouwverordening

9.4.3 Besluit gebruik bouwwerken

9.5 Arbo-regelgeving

9.6 Verhouding tot het internationale recht

10. Terugdringing van de administratieve lasten en de gevolgen voor de bestuurlijke lasten en de burger

11. Bedrijfs- en milieueffecten

11.1 Bedrijfseffecten

11.2 Milieueffecten

12. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

12.1 Tot wie richt het besluit zich?

12.2 Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

12.3 Zorgplicht

12.4 Omvang en mogelijkheden tot controle

13. Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure

14. Notificatie

Algemeen deel

1. Aanleiding

Op grond van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) moeten bedrijven die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning beschikken, of voldoen aan algemene regels die regels met betrekking tot de bescherming van het milieu bevatten (de 8.40-AMvB’s).

Ook voor lozingen in het oppervlaktewater of in de bodem is veelal een vergunning of ontheffing vereist, of gelden algemene regels (hierna: ‘lozingenbesluiten’).

Voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit waren voorschriften verdeeld over een groot aantal 8.40-AMvB’s en lozingenbesluiten, gerangschikt naar branche of type lozing.

Er is een aantal aanleidingen om de voormalige 8.40-AMvB’s en de lozingenbesluiten grondig te moderniseren en meer bedrijven en lozingen onder algemene regels te brengen: de vereenvoudiging en vermindering van de regelgeving, de reductie van administratieve lasten die uit de rijksregelgeving voortvloeien en een aantal onderzoeken over de werking van de huidige algemene regels.

Bij het aantreden van het kabinet Balkenende-II zijn vereenvoudiging en vermindering van wet- en regelgeving en administratieve lasten belangrijke uitgangspunten voor de rijksoverheid geworden. In 2003 is het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) dan ook gestart met het project herijking en modernisering van de VROM-regelgeving. Bij de start van dit project is alle wet- en regelgeving op de terreinen wonen, ruimte en milieu doorgelicht. Ook zijn de mogelijkheden voor vereenvoudiging en vermindering van regels bekeken en zijn voorstellen terzake gedaan. In de brief van 17 oktober 2003 (Kamerstukken II 2003/04, 29 200 XI, nr.7) zijn de resultaten van de doorlichting en de voorstellen neergelegd. In deze brief is ook het voornemen opgenomen om de 8.40-AMvB’s grondig te herzien, samen te voegen en er meer inrichtingen onder te brengen: de Modernisering van de algemene regels. Tevens is in de brief aangegeven dat waar mogelijk de regels met betrekking tot lozingen in het oppervlaktewater en op of in de bodem in de AMvB zullen worden opgenomen, zodat bedrijven met minder vergunningen worden geconfronteerd. Met betrekking tot lozingen in het oppervlaktewater vloeit deze vereenvoudiging van regelgeving tevens voort uit het eind 2002 binnen het Ministerie van Verkeer en Waterstaat gestarte ‘Programma Minder lastig voor bedrijven’ (Kamerstukken II 2003/04, 29 515, nr. 4).

De modernisering van de algemene regels levert niet alleen effectievere en uniformere regels op. Door het laten vervallen van de vergunningplicht voor een groot aantal bedrijven en het verminderen van de meet-, registratie- en onderzoeksverplichtingen, levert de nieuwe AMvB ook een belangrijke bijdrage aan het voornemen van het kabinet om de administratieve lasten binnen deze kabinetsperiode met 25% te reduceren.

Een andere belangrijke reden om de genoemde AMvB’s grondig te herzien en te moderniseren zijn de praktijkervaringen die hiermee de afgelopen jaren zijn opgedaan. Naar de werking van de 8.40-AMvB’s heeft regelmatig onderzoek plaatsgevonden. Tevens zijn aan het begin van de modernisering van deze AMvB’s alle knelpunten geanalyseerd die door bevoegde gezagsinstanties en bedrijven zijn aangebracht. Hieruit bleek dat veel voorschriften aan een grondige herziening toe waren. De conclusies van de onderzoeken en de knelpunteninventarisatie zijn verder in de tekst van de onderhavige AMvB, de toekomstige ministeriële regeling en de toelichting verwerkt.

Tevens vallen onder het nieuwe Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer meer bedrijven dan onder de voormalige 8.40-AMvB’s. De nieuwe algemene regels en hun grotere toepassingsbereik moeten tot een verbeterde uitvoering en handhaving leiden en daarmee tot een doeltreffender bescherming van het milieu. Tegelijk moeten zij een efficiencywinst opleveren in de vorm van een aanzienlijke reductie van de administratieve lasten waarbij de bestuurlijke lasten niet mogen toenemen.

Het hierboven geschetste leidt al snel tot de conclusie dat het logischer is om algemene regels op te stellen voor activiteiten in plaats van per branche min of meer dezelfde regels te stellen. De voormalige 8.40-AMvB’s kenden veelal gelijke regels voor verschillende branches. Het reguleren op activiteiten is dan een logische vervolgstap. Uit de praktijk is bovendien gebleken dat bij toezicht en handhaving door het bevoegde gezag de activiteiten van het desbetreffende bedrijf centraal staan. Ook voor bedrijven is dit herkenbaar. Om in de toekomst meer bedrijven onder de algemene (milieu)regels te kunnen brengen, is regulering op activiteiten een relatief eenvoudige wijze om dit uit te voeren. In de praktijk wordt deze AMvB dan ook wel het Activiteitenbesluit genoemd.

2. Uitgangspunten bij de modernisering

Bij de modernisering van de algemene regels is een aantal uitgangspunten geformuleerd die zijn neergelegd in de brief van 29 maart 2005 (Kamerstukken II 2004-2005, 29 383, nr. 27). Onderstaand worden deze uitgangspunten kort toegelicht.

- De nieuwe, algemene regels dienen relevante en herkenbare milieudoelen. Activiteiten met een geringe milieubelasting moeten niet of slechts globaal worden gereguleerd zodat bij evidente overtredingen kan worden opgetreden. In het Activiteitenbesluit zijn dan ook geen regels meer opgenomen voor een aantal activiteiten en zijn ondergrenzen aangebracht, waardoor bedrijven met een geringe milieurelevantie slechts met een beperkt aantal voorschriften te maken hebben.

- De nieuwe algemene regels moeten goed uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Om deze reden heeft een uitgebreide inventarisatie van de knelpunten bij de voormalige 8.40-AMvB’s plaatsgevonden. Dit betekent voor de inhoud van de voorschriften onder meer dat deze helder, eenduidig en ook voor kleine bedrijven hanteerbaar moeten zijn. Daar waar dit niet mogelijk is, moet ICT ondersteuning bieden. Het op te stellen besluit moet voorts het bevoegd gezag voldoende mogelijkheden bieden om effectief toezicht te houden en te handhaven. Verderop in de toelichting zal uitgebreider worden ingegaan op de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid en de toets die hierop heeft plaatsgevonden.

- De nieuwe algemene regels moeten zoveel mogelijk uniform zijn, maar ook ruimte bieden voor flexibiliteit en innovatie, en waar nodig maatwerk en gebiedsgerichte normering. In beginsel worden dezelfde activiteiten die binnen verschillende bedrijfstakken plaatsvinden, gelijk geregeld met dezelfde voorschriften. Rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en een effectieve naleving, uitvoering en handhaving zijn hierbij gebaat. Bedrijven en overheden hebben op dit punt behoefte aan duidelijkheid en zekerheid. De regels moeten bedrijven waar mogelijk de vrijheid laten om andere middelen te gebruiken om de voorschriften na te leven zodat innovatie wordt bevorderd. Waar nodig moeten de algemene regels mogelijkheden bieden voor het bevoegd gezag om voorschriften verder te verbijzonderen met maatwerkvoorschriften of met het oog op specifieke, plaatselijke of regionale milieuomstandigheden een afwijkende normering in een gemeentelijke verordening op te nemen. Hiervan zal terughoudend gebruik worden gemaakt. Voor de meeste bedrijven kan volstaan worden met de algemene regels, maar in een aantal gevallen zijn specifieke voorschriften nodig. Dit heeft te maken met de omgeving waarin de inrichting zich bevindt in combinatie met de specifieke activiteiten die een inrichting verricht. Uit de nieuwe algemene regels moeten aanzienlijk minder administratieve lasten voortvloeien. Toegezegd is om € 55 miljoen te besparen die de voormalige 8.40-AMvB’s veroorzaakten. Ook is toegezegd € 161 miljoen te besparen door 20.000 bedrijven onder het Activiteitenbesluit te brengen. Meer gedetailleerd zal hierop worden ingegaan in het hoofdstuk administratieve en bestuurlijke lasten. Van belang hierbij is dat de besparingen op administratieve lasten niet mogen leiden tot een toename van de bestuurlijke lasten. Ook hierop zijn de voorschriften bezien en doorgerekend.

Bij de start van de modernisering van de algemene regels is als randvoorwaarde gesteld dat het beschermingsniveau van de huidige voorschriften niet ter discussie staat. Dit lag alleen anders bij voorschriften waarvan is gebleken dat deze in de praktijk niet goed uitvoerbaar of handhaafbaar zijn of waar met betrekking tot dezelfde activiteit verschillende voorschriften waren opgenomen. In dat geval zijn deze voorschriften herzien en geüniformeerd conform de systematiek van de Wm. De nieuwe normen zijn gebaseerd op de recente en algemeen aanvaarde milieuhygiënische inzichten, vastgelegd als best beschikbare technieken (BBT). Een nieuwe norm zal overigens voor branches niet tot een substantiële lastenverzwaring mogen leiden.

3. Reikwijdte

In vergelijking met de oude 8.40-AMvB’s en lozingenbesluiten kent het Activiteitenbesluit niet alleen een geheel andere opzet, maar omvat ook meer bedrijven. De bedoeling is dat in de toekomst nog meer bedrijven onder de reikwijdte van dit besluit worden gebracht.

3.1 Algemeen

In de Wm was als uitgangspunt vastgelegd dat een bedrijf een milieuvergunning dient te hebben, tenzij het onder de algemene regels krachtens artikel 8.40 Wm valt. Thans is deze systematiek omgedraaid en wordt ervan uitgegaan dat een inrichting onder de algemene regels valt tenzij deze is uitgezonderd. Deze uitzondering wordt in het Activiteitenbesluit aangeven. Dit sluit beter aan bij de huidige praktijk, aangezien het merendeel van de inrichtingen onder algemene regels valt en dit aantal in de toekomst verder zal toenemen. In de eindsituatie zal alleen een beperkt aantal bedrijven, waar activiteiten plaatsvinden met omvangrijke en complexe milieueffecten, nog een milieuvergunning nodig hebben. In het algemeen zullen dit bedrijven zijn die thans onder de werking van één of meer Europese richtlijnen vallen, zoals de IPPC-richtlijn.

Voor wat betreft de reikwijdte dient duidelijk te zijn wanneer een inrichting onder het Activiteitenbesluit valt, wanneer het vergunningplichtig is en wanneer deze onder het zogenaamde lichte regime valt. Met het lichte regime wordt gedoeld op die bedrijven die geen melding meer hoeven te doen en waarvoor slechts een beperkt aantal voorschriften geldt. In het kader van de omkering van de systematiek is in het Activiteitenbesluit een uitputtende lijst van vergunningplichtige inrichtingen (zie Bijlage 1) opgenomen. In de artikelsgewijze toelichting wordt deze lijst nader toegelicht.

3.2 Meer vergunningplichtige bedrijven onder algemene regels

In vergelijking met de ingetrokken 8.40-AMvB’s wordt de reikwijdte van het Activiteitenbesluit aanzienlijk uitgebreid door de toevoeging van de nieuwe categorieën van bedrijven. Voor deze bedrijven vervalt de vergunningplicht. Het gaat om drie categorieën van bedrijven.

- In de eerste plaats betreft het bedrijven die door de samenvoeging van de ingetrokken 8.40-AMvB’s ‘automatisch’ onder het Activiteitenbesluit vallen omdat het ‘in-hoofdzaak-criterium’ is vervallen voor deze categorieën. Deze inrichtingen waren voorheen vergunningplichtig omdat ze niet in hoofdzaak onder één AMvB onder te brengen waren.

- In de tweede plaats gaat het om bedrijven die voorheen vergunningplichtig waren en waarvoor nieuwe activiteiten met voorschriften worden opgesteld. Deze zijn afgeleid van bij de betreffende bedrijven thans algemeen toegepaste vergunningvoorschriften en uitvoeringsdocumenten, zoals branchewerkboeken. Deze bedrijven vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit. Het betreft bedrijven die behoren tot de metaal- en elektrotechnische industrie. Deze sector, ook wel de metalectro-industrie genoemd, wordt gekenmerkt door een groot aantal verschillende typen van bedrijven met veel uiteenlopende bewerkingsprocessen die voorheen grotendeels onder de vergunningplicht vielen. Geschat wordt dat het om een aanzienlijke bedrijfstak gaat. Een aanzienlijk deel van deze bedrijven valt in de categorie midden- en kleinbedrijf, waarvoor het vervallen van de vergunningplicht uit het oogpunt van administratieve lasten grote voordelen biedt. In de toekomst is het bijvoorbeeld niet meer noodzakelijk om een oprichting-, wijzigings- of revisievergunning aan te vragen of een melding te doen krachtens artikel 8.19 Wm. Bij het opstellen van de activiteiten en de daaraan gekoppelde voorschriften voor deze bedrijven wordt het bestaande beschermingsniveau gehanteerd. Dit is vastgelegd in verschillende richtlijnen en regelgeving die worden gebruikt om invulling te geven aan het BBT-beginsel, zoals de Nederlandse emissierichtlijn lucht en het Oplosmiddelenbesluit. Voor het opstellen van de middelvoorschriften zijn de maatregelen zoals deze zijn beschreven in het werkboek metalectro gehanteerd. In dit besluit wordt en voor deze sector een aantal hoofdactiviteiten onderscheiden, die in de artikelsgewijze toelichting nader worden uitgewerkt.

- In de derde plaats betreft het bedrijven die uitgezonderd waren van de algemene regels omdat deze onder een of meerdere uitsluitcriteria vielen van de voormalige 8.40-AMvB’s. Veel van deze uitsluitcriteria zijn vervallen of zijn opgehoogd, waardoor feitelijk meer bedrijven dan voorheen onder de algemene regels komen te vallen. Nu gekozen is voor regulering op activiteiten, is het eenvoudiger geworden om voorschriften op te nemen voor een aantal voormalige uitsluitcriteria.

- Naast het vervallen van de Wm-vergunningplicht voor bedrijven is ook het vereiste van een vergunning of ontheffing voor verschillende categorieën lozingen vervangen door algemene regels. Hierop wordt nader ingegaan in 3.4.1.

3.3 Type A-, B- en C-inrichting

Om recht te doen aan de uitgangspunten kent het Activiteitenbesluit drie verschillende typen van inrichtingen.

- Type A-inrichtingen: inrichtingen die onder het zogenaamde lichte regime van het Activiteitenbesluit vallen. Deze inrichtingen hoeven geen melding te doen bij oprichting of wijziging aan het bevoegde gezag. Voor dit type inrichtingen geldt met uitzondering van enkele specifieke voorschriften slechts het inrichtinggerelateerde gedeelte van het Activiteitenbesluit. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kantoren, een groot deel van de schoolgebouwen, kleine detailhandel en zorginstellingen. Deze inrichtingen vielen voorheen onder een van de ingetrokken 8.40-AMvB’s, maar waren wel meldingsplichtig.

- Type B-inrichtingen: inrichtingen waarvoor geen vergunningplicht (meer) geldt en die geheel onder het Activiteitenbesluit vallen. Het gaat hierbij om:

1. de overige inrichtingen die voorheen onder de ingetrokken 8.40-AMvB’s vielen;

2. een groot aantal inrichtingen uit de metalectro-industrie, en

3. inrichtingen die door ophoging of het vervallen van de uitsluitcriteria en het in hoofdzaakcriterium onder het Activiteitenbesluit vallen.

- Type C-inrichtingen: inrichtingen waarvoor de vergunningplicht blijft gelden, maar die voor een deel van de activiteiten te maken krijgen met de voorschriften die in hoofdstuk 3 van dit besluit zijn opgenomen. Het betreft activiteiten die voorheen in het Besluit tandartspraktijken milieubeheer, in bijlage 1 van het Besluit voorzieningen en installaties en in bijlage I van het Besluit tankstations milieubeheer waren opgenomen, aangevuld met een aantal activiteiten met betrekking tot (het lozen van) afvalwater die bij veel inrichtingen plaatsvinden (o.a. het lozen van huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater). Daarnaast kan een beperkt aantal voorschriften uit hoofdstuk 4 op deze inrichtingen van toepassing zijn, voor zover deze voorschriften betrekking hebben op het -(direct)- lozen in het oppervlaktewater. Zowel de specifieke voorschriften uit hoofdstuk 3 als de bijbehorende algemene voorschriften uit hoofdstuk 1, hoofdstuk 2, afdelingen 1 en 2 en hoofdstuk 5 (bijvoorbeeld die betreffende de melding of maatwerk) zijn bij de vergunningplichtige inrichtingen van toepassing voor zover de algemene voorschriften betrekking hebben op de (deel)activiteiten van de inrichting die in hoofdstuk 3 en 4 worden geregeld. Eventuele voorschriften die met betrekking tot deze activiteiten in de vergunning waren opgenomen zijn van rechtswege vervallen; het overgangsrecht voorziet er wel in dat deze in principe gedurende drie jaar als maatwerkvoorschrift blijven gelden. Het algemene gedeelte waarin de inrichtingsgerelateerde normen zijn opgenomen, is overigens niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat juist voor deze inrichtingsgerelateerde normen de huidige vergunningen afwijkende normen kennen.

3.4 Lozingen van afvalwater

Zoals reeds in paragraaf 1 is aangegeven zijn in dit besluit waar mogelijk de regels met betrekking tot lozingen in het oppervlaktewater en op of in de bodem opgenomen. Het betreft daarbij zowel lozingen die direct in het oppervlaktewater of in de bodem plaatsvinden, als de zogenaamde indirecte lozingen, waarbij primair lozing in rioolstelsels plaatsvindt. Laatstbedoelde lozingen worden overwegend via de Wm gereguleerd, en werden veelal al in de bestaande 8.40-AmvB’s gereguleerd. Dit besluit is dan ook gebaseerd op twee wetten, namelijk de Wm en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo). Beide wetten hebben betrekking op (afvalwater)lozingen. De afbakening tussen beide wetten met betrekking tot lozingen wordt hieronder nader toegelicht.

3.4.1 Afbakening Wm en Wvo

De meeste lozingen vanuit de onder dit besluit vallende bedrijven vinden niet rechtstreeks in het milieu plaats, maar in rioolstelsels, die in de meeste gevallen door gemeenten worden beheerd. In de Wm worden deze stelsels aangeduid met de term «voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater». Deze lozingen die dus niet «direct in het milieu» plaatsvinden en vandaar ook veelal met de term «indirecte lozingen» worden aangeduid, vallen onder de Wm. Voor indirecte lozingen die via rioolstelsels uiteindelijk het oppervlaktewater bereiken volgt dit uit artikel 1, tweede lid, van de Wvo in samenhang met het vierde lid van artikel 22.1 van de Wm; in de terminologie van de Wvo worden die indirecte lozingen aangeduid als ‘lozingen met behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten’. Een uitzondering hierop vormen indirecte lozingen die rechtstreeks op een door de waterbeheerder beheerde inrichting voor het zuiveren van afvalwater plaatsvinden, waaruit vervolgens in het oppervlaktewater wordt geloosd. Die indirecte lozingen vallen (voor zover het de wateraspecten betreft) niet onder de Wm, maar uitsluitend onder de Wvo. Daarnaast is er een categorie indirecte lozingen, die op dit moment zowel onder de Wm als de Wvo vallen. Het betreft lozingen uit een twintigtal categorieën bedrijven, aangewezen op grond van artikel 1, tweede lid van de Wvo. De bewindslieden van VROM en Verkeer en Waterstaat hebben in een brief aan de Tweede Kamer aangegeven dat alle vergunningen die betrekking hebben op de waterketen, en dus ook de vergunningen voor deze nu nog onder zowel de Wm als de Wvo vallende indirecte lozingen, in de omgevingsvergunning zullen worden geïntegreerd (Tweede Kamer, 2005-2006, 29 383, nr. 40), waardoor de dubbele bevoegdheid voor deze lozingen zal vervallen. Omdat dit besluit eerder dan beide wetsvoorstellen in werking treedt wordt hierin nog wel van de dubbele bevoegdheid voor deze categorieën indirecte lozingen uitgegaan. Na de inwerkingtreding van bovengenoemde wetsvoorstellen zal het besluit op dit punt worden aangepast.

Met betrekking tot de directe lozingen is de verhouding tussen beide wetten als volgt.

- De Wm is van toepassing op directe lozingen vanuit inrichtingen op of in de bodem. Die lozingen kunnen ook op grond van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) worden gereguleerd. Gelet op het voornemen om de Wet bodembescherming in de Wm te integreren, is in dit besluit voor een regeling op grond van de Wm gekozen.

- De Wvo is van toepassing op directe lozingen in het oppervlaktewater (inclusief de bodem onder het oppervlaktewater). In de terminologie van die wet gaat het om «lozingen met behulp van een werk», in de praktijk veelal een lozingspijp, dakgoot e.d. (zie artikel 1, eerste lid, van de Wvo), en lozingen op een andere wijze dan met behulp een werk, waarbij de verontreinigende stoffen op een andere wijze het oppervlaktewater bereiken, bijvoorbeeld door directe afstroming vanuit een verhard oppervlak (zie artikel 1, derde lid, van de Wvo).

3.4.2 Nieuw onder het besluit gereguleerde lozingen

Met betrekking tot lozingen in het oppervlaktewater die thans onder de Wvo vallen en lozingen in de bodem die thans op grond van de Wbb zijn gereguleerd is het streven er op gericht waar mogelijk de vergunningplicht of ontheffingsplicht te vervangen door algemene regels, en voor zover de lozingen plaatsvinden vanuit inrichtingen, deze algemene regels op te nemen in onderhavig besluit. Voorgaande houdt in dat gedeelten van huidige AMvB’s op grond van de Wvo en de Wbb die betrekking hebben op lozingen vanuit inrichtingen naar dit besluit zijn overgeheveld. Dit betreft met name het Lozingenbesluit bodembescherming, het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater en het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering. Maar ook lozingen waarvoor nu nog vergunningen of ontheffingen nodig zijn worden zo veel mogelijk in dit besluit algemeen gereguleerd. Wat betreft de Wvo vergunningplichtige lozingen gaat het om ca 1300 bedrijven voor het grootste deel afkomstig uit de galvanoindustrie, de zeefdrukkerijen, de fotografische industrie en de op- en overslagbedrijven. Daarnaast worden in dit besluit ook de lozingen van koelwater en hemelwater gereguleerd, waarvoor het reguleren door middel van algemene regels in het rapport Kleine en kortdurende lozingen van de Commissie Integraal Waterbeheer uit 2001 is aanbevolen.

De bovenbedoelde AMvB’s, waarvan onderdelen naar dit besluit worden overgeheveld, worden overigens niet ingetrokken omdat ze nog relevant zijn voor lozingen van afvalwater anders dan vanuit inrichtingen en huishoudens. De lozingen vanuit huishoudens zullen via het Besluit afvalwater huishoudens worden gereguleerd. In de eerdergenoemde herijking van de VROM-regelgeving, alsmede het Programma Minder lastig voor bedrijven van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat bestaat het voornemen om ook de resterende regels voor lozingen (dus anders dan vanuit inrichtingen en huishoudens) te integreren in AMvB’s op grond van de Wm en de Wvo. Eerst bij die gelegenheid zal de genoemde regelgeving kunnen worden ingetrokken.

Lozingen vanuit type A- en B-inrichtingen vallen volledig onder de werking van onderhavig besluit.

Met betrekking tot type C-inrichtingen vallen in beginsel enkel de lozingen waarvoor in hoofdstuk 3 voorschriften zijn opgenomen onder de reikwijdte van onderhavig besluit. Dit betreft lozingen die bij veel inrichtingen plaatsvinden (o.a. het lozen van huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater) en waarvoor nu veelal op vrij uniforme wijze voorschriften zijn opgenomen in een ontheffing of vergunning. Voor het direct lozen in het oppervlaktewater ingevolge de Wvo zijn daarnaast de daarop betrekking hebbende voorschriften uit hoofdstuk 4 op deze inrichtingen van toepassing. Voor de overige lozingen vanuit deze inrichtingen is gezien de mogelijke (grotere) aard en omvang daarvan onverminderd een ontheffing, dan wel vergunning noodzakelijk.

Daarnaast is onderhavig besluit niet van toepassing op het lozen waarvoor regels zijn gesteld bij op krachtens het Besluit bodemkwaliteit, het Lozingenbesluit Wvo vaste objecten, het Besluit Glastuinbouw en het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Voor de lozingen die onder voornoemde besluiten vallen is reeds of zal nog in een nieuw daarop afgestemd kader van algemene regels (worden) voorzien.

Tenslotte is in aansluiting bij de reikwijdte ingevolge de Wvo voorzien in een verbreding van de normadressaat door deze voor wat betreft het (in)direct lozen in oppervlaktewater als bedoeld in de Wvo niet enkel te beperken tot degene die de inrichting drijft, maar te verbreden tot een ieder die vanuit de desbetreffende inrichting loost.

4. Eindsituatie

Met de inwerkingtreding in 2007 worden circa 20.000 voorheen vergunningplichtige bedrijven onder het Activiteitenbesluit gebracht. Het laten vervallen van de vergunningplicht voor bedrijven en deze onder algemene regels brengen vindt ook in de landbouwsector plaats. Zo zullen circa 25.000 vergunningplichtige landbouwbedrijven onder het nieuwe Besluit landbouw milieubeheer komen te vallen en is de intentie om ook de intensieve veehouderij onder algemene regels te brengen. Hiermee wordt de trend om meer bedrijven onder algemene regels te brengen onverminderd doorgezet. Het streven is erop gericht om ook na 2007 meer bedrijven of bedrijfstakken in hun geheel onder de werking van dit Activiteitenbesluit te brengen. Voor deze bedrijven zullen specifieke activiteiten worden gereguleerd. Thans vindt hiertoe onderzoek plaats.

4.1 Activiteiten buiten inrichtingen

Zoals hierboven uiteen is gezet, is het streven op termijn alle algemene regels over bedrijfsmatige milieurelevante activiteiten in één besluit onder te brengen. Er geldt wel een beperking: het moet gaan om activiteiten binnen een ‘inrichting’ in de zin van de Wm. Bedrijfsactiviteiten die buiten een inrichting plaatsvinden vallen vooralsnog buiten de reikwijdte van de nieuwe algemene regels. Met name bij landbouwbedrijven komen dergelijke activiteiten veelvuldig voor. Op grond van de jurisprudentie worden landbouwgronden immers over het algemeen niet tot de inrichting gerekend. Daarnaast vallen ook kortdurende activiteiten, zoals bepaalde bodemsaneringen, buiten het begrip inrichting. Veel milieurelevante activiteiten buiten inrichtingen vallen overigens momenteel wel onder algemene regels, zoals het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij (een Wvo-AMvB) en het Besluit gebruik meststoffen (een AMvB gebaseerd op de Wet bodembescherming). In beginsel is het mogelijk ook activiteiten die niet onder het begrip inrichting vallen in de nieuwe algemene regels onder te brengen en in dat kader de algemene regels voor inrichtingen samen te voegen met de algemene regels voor andere bedrijfsactiviteiten. Om het project beheersbaar te houden is daarvoor thans niet gekozen. Voor de langere termijn (na 2007) wordt een verdere uitbouw en samenvoeging van de algemene regels echter uitdrukkelijk overwogen.

Wel is het mogelijk om door middel van een maatwerkvoorschrift dat is gekoppeld aan de zorgplicht, indirecte hinder veroorzaakt door een inrichting te reguleren. Bijvoorbeeld de geluidoverlast veroorzaakt door het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting, buiten de grenzen van de inrichting.

5. Wijzigingen in wetgeving met het oog op het activiteitenbesluit

5.1. Wet milieubeheer

Om de nieuwe algemene regels mogelijk te maken, is de Wm gewijzigd1. Het doel van deze wetswijziging is het bieden van een juridische grondslag voor de wijziging van de algemene regels. De nieuwe bepalingen in de Wm over het stellen van algemene regels maken de volgende veranderingen mogelijk:

- .in tegenstelling tot het huidige systeem in hoofdstuk 8 van de Wm, hanteert het nieuwe systeem het uitgangspunt dat voor het oprichten of wijzigen van een inrichting of de werking daarvan geen vergunning vereist is, maar dat daarbij moet worden voldaan aan voorschriften uit algemene regels. Slechts een beperkt aantal inrichtingen zal vergunningplichtig blijven;

- bij amvb kan worden bepaald, of de oprichting of verandering van een inrichting aan het bevoegd gezag gemeld moet worden. Voorafgaand aan de wetswijziging was deze melding altijd vereist;

- er wordt een delegatiemogelijkheid aan de AMvB-regelgever geboden. In het nieuwe besluit zijn voornamelijk doelvoorschriften opgenomen; de voorschriften met betrekking tot de te nemen (technische) maatregelen worden voornamelijk gesteld in een ministeriële regeling;

- de wet biedt de mogelijkheid om bij amvb te bepalen dat in plaats van bij of krachtens het besluit aangegeven (technische) maatregelen andere, tenminste gelijkwaardige maatregelen kunnen worden toegepast;

- er is behoefte aan meer duidelijke en meer effectieve mogelijkheden voor maatwerk. De voorheen geldende mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen bleek in dit verband niet toereikend. De wetswijziging maakt het mogelijk om ruimere maatwerkvoorschriften op te nemen;

- het onderscheid tussen algemene regels voor vergunningplichtige inrichtingen (artikel 8.44 Wm) en voor niet-vergunningplichtige inrichtingen (artikel 8.40 Wm) is vervallen.

5.2 Wet verontreiniging oppervlaktewateren

Conform de bestaande systematiek voor algemene regels naast of in de plaats van de vergunningplicht is om de nieuwe algemene regels mogelijk te maken overwegend aansluiting gezocht bij de wijzigingen die in de Wm worden doorgevoerd. Hierdoor zal ook de Wvo voorzien in de hierboven beschreven mogelijkheden tot subdelegatie, het stellen van maatwerkvoorschriften en het achterwege kunnen laten van de meldingsplicht. Daarnaast is tevens een gelijkwaardigheidsbepaling opgenomen. In tegenstelling tot de Wm wordt in lijn met de Waterwet wel onverkort vastgehouden aan het vooropstellen van de vergunningplicht en werd al geen onderscheid gemaakt tussen algemene regels voor niet-inrichtingen enerzijds en inrichtingen anderzijds.

5.3 Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken

Parallel aan de voorbereiding van dit besluit vindt ook wijziging van een aantal wetten plaats in verband met de aanpassing van gemeentelijke waterzorgplichten en het bijbehorend bekostigingsinstrumentrium2. In kader van die wetswijziging worden ook begripsomschrijvingen met betrekking tot afvalwater aangepast, worden de gemeentelijke afvalwaterzorgplichten verduidelijkt, wordt een voorkeursvolgorde voor het om aan met afvalwater geïntroduceerd en wordt gemeenten de mogelijkheid geboden om bij verordening regels te stellen met betrekking tot lozingen van afvloeiend hemelwater en van grondwater. Dit besluit is op deze wijzigingen in de wetgeving met betrekking tot afvalwater afgestemd.

6. Opzet Activiteitenbesluit

Hieronder wordt een toelichting gegeven op de opzet van het besluit.

6.1 Indeling

De voormalige 8.40-besluiten kenden een regulering per branche. Het onderhavige Activiteitenbesluit kent een geheel andere opzet en verlaat daarmee de branchegerichte aanpak. In het onderhavige besluit worden enerzijds in een algemeen deel (hoofdstuk 2) die onderwerpen geregeld die op de gehele inrichting betrekking hebben. Anderzijds worden per activiteit of installatie specifieke eisen gesteld (hoofdstukken 3 en 4). Het reguleren op activiteiten maakt het mogelijk om successievelijk steeds meer thans nog vergunningplichtige bedrijfstakken betrekkelijk eenvoudig onder het besluit te brengen. Het besluit is als volgt ingedeeld:

- Hoofdstuk 1: Algemeen (begripsbepalingen, reikwijdte, procedurele bepalingen en de melding);

- Hoofdstuk 2: Inrichtingsgerelateerde aspecten;

- Hoofdstuk 3: Bepalingen met betrekking tot activiteiten in inrichtingen, tevens geldend voor inrichtingen type C (bepalingen die ook voor vergunningplichtige inrichtingen gelden);

- Hoofdstuk 4: Bepalingen met betrekking tot overige activiteiten in inrichtingen; niet geldend voor inrichtingen type C met uitzondering van het lozen op oppervlaktewater; en

- Hoofdstuk 5: Overgangs -en slotbepalingen.

6.2 Verdeling besluit en ministeriële regeling

In het onderhavige besluit zijn voorschriften opgenomen die bepalend zijn voor de omvang van de verplichtingen die gelden voor de drijver van de inrichting of die noodzakelijk zijn in het kader van de bescherming van het milieu. Het gaat daarbij om de volgende voorschriften:

- verbodsbepalingen;

- doelvoorschriften;

- de gelijkwaardige voorziening (bij verplichte maatregelen);

- maatwerkbepalingen voor zover gekoppeld aan de doelvoorschriften;

- afstandsnormen;

- meet- en controlebepalingen;

- van toepassingverklaringen van andere besluiten.

Op het niveau van de ministeriële regeling zijn de volgende voorschriften uitgewerkt:

- middelvoorschriften (verplichte en erkende maatregelen);

- maatwerkvoorschriften gekoppeld aan de middelvoorschriften;

- actualisering van publiekrechtelijke normen.

Specifiek voor de directe lozingen wordt in de ministeriële regeling onderscheid gemaakt tussen oppervlaktewateren, die met het oog op het lozen bijzondere bescherming behoeven en oppervlaktewateren, waar dat niet voor nodig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan wateren, waar een speciale functie aan is toegekend, zoals de zwemwaterfunctie of wateren, die op grond van de Kader richtlijn water speciale bescherming behoeven. Over het algemeen zal dat samenvallen met het onderscheid tussen grote en kleinere wateren. Daarbij zal aansluiting worden gezocht bij de bestaande ministeriële regeling op grond van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewateren bescherming.

Voordeel van de ministeriële regeling is dat hierin voor bedrijven herkenbare, concrete verplichte en erkende middelvoorschriften zijn opgenomen waarmee in combinatie met de in het besluit vermelde doelvoorschriften, aan de van toepassing zijnde voorschriften wordt voldaan. Wegens de voortdurende technische ontwikkelingen is het noodzakelijk dat deze snel en eenduidig doorwerken in de nieuwe voorschriften. Gezien de snelheid van totstandkoming is de ministeriële regeling hiervoor het geëigende instrument. Door middelvoorschriften bij AMvB te stellen worden de innovatiemogelijkheden van het bedrijfsleven beperkt. De ministeriële regeling biedt aldus de mogelijkheid om in het bedrijfsleven ontwikkelde alternatieven voor reeds geldende voorschriften op een vlotte en generieke wijze onder de werkingssfeer van het besluit te brengen. Gezien het belang van deze regeling en met het oog op de kenbaarheid wordt ten slotte opgemerkt dat aanpassing van de regeling zal geschieden na overleg met het betrokken bedrijfsleven en de betrokken overheden.

De hierboven beschreven verdeling betekent overigens dat voor een specifiek aantal activiteiten in het besluit geen voorschriften zijn opgenomen. Voor de volgende installaties en activiteiten zijn voorschriften opgenomen in de ministeriële regeling voor de volgende aspecten:

- voor noodstroomaggregaten wordt geregeld dat deze installaties niet structureel gebruikt worden voor elektriciteitsopwekking;

- Voor acculaders en opslag van accu’s worden bodembeschermende voorzieningen voorgeschreven;

- voor het doorvoeren of bufferen van rioolwater wordt een voorschrift gesteld om geurhinder te voorkomen;

- aan de opslag van bepaalde nitraathoudende kunstmeststoffen (type C) wordt een aantal voorschriften uit de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen gesteld;

- voor dierenpensions hoeven geen specifieke voorschriften gesteld te worden, met dien verstande dat de voorschriften uit het Besluit landbouw milieubeheer voor de opslag van vaste mest gelden.

6.3 Doelvoorschriften, maatregelen en zorgplicht

Onder het Activiteitenbesluit valt een breed scala aan activiteiten, die uiteenlopende gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. Mede gelet daarop is het uitputtend reguleren van al deze activiteiten en de daaraan gekoppelde mogelijke milieugevolgen, om daarmee op voorhand te verzekeren dat de belasting van het milieu in alle situaties voldoende wordt teruggedrongen, niet mogelijk. Om dat te waarborgen zou immers ook aan de gemiddeld genomen milieuhygiënisch minder relevante activiteiten en aspecten aandacht moeten worden besteed. Ook zou expliciet moeten worden aangegeven welke handelingen - hoe theoretisch misschien ook - zondermeer achterwege moeten blijven, om daarmee ook de handelswijze van een minder milieubewuste ondernemer in concrete ver- en geboden te vatten. Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke wijze van reguleren tot een veel meer omvangrijk besluit zou leiden, waarin veel voorschriften zouden staan die in een gemiddelde situatie overbodig overkomen. Een dergelijke wijze van reguleren zou bovendien op gespannen voet staan met de voornemens van het kabinet om het aantal regels te beperken en meer verantwoordelijkheid te leggen bij de doelgroepen.

Daarom is er voor gekozen om in het besluit en de daarop gebaseerde regeling niet voor alle potentiële activiteiten en de milieugevolgen daarvan voorschriften uit te werken, maar deze te beperken tot de meer milieurelevante activiteiten (zoals verschillende activiteiten met betrekking tot metaal) en daarbinnen de meest relevante aspecten (zoals de emissie van bepaalde stoffen naar lucht en water als gevolg van die activiteiten). Voor de minder milieurelevante activiteiten en aspecten of meer theoretische handelingen is in het besluit een zorgplichtbepaling opgenomen, die als uitgangspunt heeft dat de ondernemer ook bij niet concreet gereguleerde situaties de nodige aandacht aan de bescherming van het milieu dient te besteden.

In het navolgende wordt achtereenvolgend ingegaan op de doelvoorschriften en de verplichte en erkende maatregelen, op de zorgplichtbepaling en het daaraan gekoppelde maatwerkvoorschrift en op de gelijkwaardigheidstoets.

6.4 De doelvoorschriften, verplichte en erkende maatregelen

Zoals hierboven reeds is aangegeven zijn in dit besluit voor de meer milieurelevante activiteiten en aspecten concrete voorschriften uitgewerkt. Waar mogelijk is dit gedaan in de vorm van gekwantificeerde doelvoorschriften (zoals emissiegrenswaarden). Dergelijke gekwantificeerde doelvoorschriften geven veelal eenduidig aan wat de maximaal toegestane milieubelasting als gevolg van een activiteit is. Zo wordt bijvoorbeeld de maximaal toegestane concentratie van een bepaalde stof in de afgassen of afvalwater aangegeven, waarbij tevens aangegeven wordt op welke wijze bemonstering moet plaatsvinden en welke analysemethode gebruikt moet worden voor het bepalen van de concentratie. Dergelijke doelvoorschriften bieden de maximale vrijheid voor de keuze van de maatregelen om aan het doelvoorschrift te voldoen. Dit voordeel heeft echter voor die ondernemers, die duidelijkheid over welke maatregelen genomen moeten worden verkiezen boven keuzevrijheid, ook een nadeel. Ze kunnen uit het besluit immers niet aflezen, welke (technische) maatregelen genomen moeten worden om aan het besluit te voldoen. Om dit bezwaar weg te nemen is er bij een deel van de doelvoorschriften voor gekozen om in de ministeriële regeling erkende maatregelen op te nemen, die gekoppeld zijn aan een gekwantificeerd doelvoorschrift. Door het treffen van een erkende maatregel wordt voldaan aan het doelvoorschrift. Hierbij is uiteraard van belang dat het bedrijf de maatregel op de goede wijze uitvoert. Het toezicht beperkt zich hierbij tot controle of de erkende maatregel conform de voorschriften is uitgevoerd. Indien blijkt dat de maatregel niet goed is uitgevoerd, kan het bevoegd gezag direct handhaven op de maatregel. Om de flexibiliteit te waarborgen kan een bedrijf ook een andere maatregel treffen, die eenvoudig kan worden getoetst aan een gekwantificeerd doelvoorschrift. Dit is een eigen verantwoordelijkheid voor de ondernemer, die voor het treffen van een dergelijke maatregel geen voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag behoeft.

Naast de gekwantificeerde doelvoorschriften en erkende maatregelen zijn in het besluit en de ministeriële regeling ook maatregelen opgenomen die met het oog op de bescherming van het milieu dusdanig van belang worden geacht dat ze in beginsel verplicht moeten worden toegepast: de verplichte maatregelen. Voor deze maatregelen is veelal gekozen daar waar het formuleren van een gekwantificeerd doelvoorschrift niet mogelijk is gebleken of daar waar toetsing aan een gekwantificeerd doelvoorschrift niet te allen tijde op een eenvoudige wijze mogelijk is. Deze maatregelen zijn veelal gekoppeld aan de zorgplicht. Evenals bij de erkende maatregel beperkt het toezicht zich tot controle of de verplichte maatregel conform de voorschriften is uitgevoerd. Ook hier wordt gehandhaafd op de maatregel. Het besluit biedt wel de ruimte voor het toepassen van alternatieve, aan een verplichte maatregel gelijkwaardige maatregelen. Omdat deze gelijkwaardigheid niet op elk moment eenvoudig kan worden getoetst aan een gekwantificeerd doelvoorschrift is er voor gekozen om in dit geval wel voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag te vereisen, waarbij het bedrijf moet aantonen dat de maatregel voldoet (zie verder onderdeel 6.7).

6.5 De zorgplichtbepaling

Om het aantal regels te beperken worden - zoals bovenstaand is aangegeven - voor de minder milieurelevante activiteiten of (deel)aspecten of de meer theoretische handelingen geen voorschriften uitgewerkt.

In het besluit is een zorgplichtbepaling opgenomen, waarin aangegeven is dat degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij het besluit gestelde voorschriften, verplicht is alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. De zorgplichtbepaling geeft vervolgens concreter aan, welke doelen met die maatregelen moeten worden nagestreefd. Ook is in de zorgplichtbepaling het bevoegd gezag de mogelijkheid geboden om met betrekking tot de te nemen maatregelen maatwerkvoorschriften te stellen. De zorgplichtbepaling is overigens niet nieuw - ook in de ingetrokken 8.40-AMvB’s was een bepaling met vergelijkbare strekking opgenomen.

Wat de verhouding tussen de gekwantificeerde doelvoorschriften, erkende en verplichte maatregelen en de zorgplicht betreft kan het volgende worden gesteld.

Wanneer voor een bepaald aspect concrete voorschriften zijn uitgewerkt in de vorm van kwantitatieve doelvoorschriften dan wel wanneer is bepaald dat bij of krachtens dit besluit aangegeven middelen ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast of als erkende maatregel kunnen worden toegepast, is toepassing van de zorgplichtbepaling voor dit aspect niet aan de orde. De houder van een inrichting kan ervan uitgaan dat er geen reden is voor de toepassing van de zorgplichtbepaling of het daaraan gekoppelde maatwerkvoorschrift indien hij aan die concrete voorschriften voldoet. Bij concrete voorschriften is het stellen van een maatwerkvoorschrift alleen mogelijk indien het concrete voorschrift zelf die mogelijkheid biedt.

Een maatwerkvoorschrift op grond van de zorgplichtbepaling kan ook niet worden gesteld indien in het besluit voor een bepaald onderwerp reeds een daarop toegesneden maatwerkbepaling is opgenomen. Dit is het geval bij geur- en lichthinder. Dit volgt uit het derde lid van artikel 2.1.

Indien voor een aspect geen concrete voorschriften zijn uitgewerkt, vervult de zorgplichtbepaling en het daaraan gekoppelde maatwerkvoorschrift wel een functie. Met toepassing daarvan kan worden voorkomen dat voor de niet in het besluit concreet uitgewerkte aspecten de belangen van de bescherming van het milieu geschaad zouden worden. De verwachting is dat dit niet vaak aan de orde is. Wanneer immers een activiteit voor een bepaald aspect in veel gevallen strijd met het belang van de bescherming van het milieu kan opleveren, mag er in beginsel van worden uitgegaan dat voor dat aspect concrete voorschriften bij of krachtens het besluit zijn uitgewerkt.

Indien door het bevoegd gezag wordt geconstateerd dat in een bijzondere situatie met betrekking tot een milieuaspect waarvoor geen concrete voorschriften zijn uitgewerkt het belang van de bescherming van het milieu wordt geschaad, kan direct met toepassing van de zorgplichtbepaling worden gehandhaafd of kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld.

Direct handhavend optreden is aan de orde wanneer het belang van de bescherming van het milieu wordt geschaad als gevolg van handelen, waarbij degene die de inrichting drijft in redelijkheid had kunnen overzien dat er sprake is van strijd met de in de zorgplichtbepaling verwoordde belangen van de bescherming van het milieu. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de lozing op het vuilwaterriool van (afval)stoffen die evident schadelijk zijn voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater, zoals (meer dan marginale hoeveelheden) motorolie, bestrijdingsmiddelen of vast afval. Het vuilwaterriool is immers, ondanks het daaraan gekoppelde zuiveringstechnisch werk, geen afvalput met een onbegrensde verwerkingscapaciteit, en afvalstoffen die in redelijkheid daaruit weggehouden kunnen worden dienen op andere wijze te worden afgevoerd.

In gevallen waarbij degene die de inrichting drijft in redelijkheid niet had kunnen weten dat door zijn handelen het belang van bescherming van het milieu wordt geschaad ligt direct handhavend optreden met gebruik van de zorgplichtbepaling minder voor de hand. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien bij lozing van afvalwater op een openbaar riool door de geloosde hoeveelheid de capaciteit van dat riool wordt overschreden, waardoor de doelmatige werking van dat riool in gevaar komt. Omdat dit afhankelijk is van de kenmerken van het rioolstelsel en van de omvang van de overige lozingen daarop, zal degene die de inrichting drijft veelal niet zelf kunnen inzien dat zijn handelen tot verstoring van de doelmatige werking van het riool kan leiden. Door het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt ten aanzien van de te lozen hoeveelheid water een grens gesteld, die in het vervolg aan alle partijen duidelijkheid biedt. Overigens is het uiteraard ook zeer wel mogelijk dat de lozer na een aanschrijving van het bevoegd gezag of naar aanleiding van overleg met het bevoegd gezag zelf vrijwillig besluit om bepaalde maatregelen te treffen, zodat het stellen van een maatwerkvoorschrift niet nodig is. Wanneer wel een maatwerkvoorschrift wordt gesteld, kan deze vervolgens op dezelfde manier gehandhaafd worden als de overige voorschriften uit het besluit.

6.6 Maatwerkvoorschriften

Het besluit geeft het bevoegd gezag op verschillende plaatsen de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften.

In de eerste plaats is de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften opgenomen voor die onderwerpen, waarbij in specifieke gevallen de voorschriften van het besluit nadere invulling, aanvulling of afwijking kunnen behoeven. Dit is dan steeds bij het desbetreffende voorschrift expliciet aangegeven. In een aantal gevallen is daarbij ook aangegeven, dat het bevoegd gezag kan afwijken van normen in het besluit. Het spreekt voor zich dat het bevoegd gezag slechts maatwerkvoorschriften kan stellen binnen de in het desbetreffende voorschrift aangegeven ruimte.

In de tweede plaats is aan de zorplichtbepaling (artikel 2.1) een bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften gekoppeld. Deze maatwerkvoorschriften kunnen zonodig worden gesteld met betrekking tot onderwerpen waarvoor juist niet in concrete voorschriften is voorzien in paragraaf 6.5 is hier reeds op ingegaan.

Het instrument ‘maatwerkvoorschrift’ maakt het mogelijk om te komen tot een op een concrete situatie toegesneden, doelmatige oplossing. Gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument kan worden verwacht dat het gebruik beperkt zal blijven tot bijzondere en incidentele gevallen.

Vooral de mogelijkheid om van een in het besluit opgenomen doelvoorschrift af te wijken, die voor een aantal onderwerpen is opgenomen, is een verruimde mogelijkheid voor maatwerk ten opzichte van de zogenoemde nadere eis zoals die mogelijk was in de oorspronkelijke 8.40-AMvB’s. Gaandeweg zijn bij aanpassingen van deze 8.40-AMvB’s deze nadere eisen geëvolueerd, waardoor ze naast de oorspronkelijke met name beoogde toepassing (nadere detaillering van een algemene regel) soms een bredere rol zijn gaan vervullen. Zo is al in een aantal gevallen in de AMvB’s de mogelijkheid geboden om bij nadere eis af te wijken van een in de AMvB gesteld voorschrift, of om aanvullende voorschriften te stellen. In artikel 8.42 van de wet is in lijn met deze ontwikkeling de term ‘nadere eis’ vervangen door het ruimere ‘maatwerkvoorschriften’.

In de oude 8.40-AMvB’s waren de mogelijkheden voor nadere eisen niet bij de betreffende onderwerpen ondergebracht, maar stonden deze in een aparte lijst aan het eind van de bijlage met voorschriften. Omwille van de kenbaarheid van de mogelijkheden tot maatwerk zijn de voorschriften die maatwerk mogelijk maken in dit besluit opgenomen direct bij het voorschrift waarop het maatwerkvoorschrift betrekking heeft.

Het bevoegd gezag heeft de keuze om van haar bevoegdheid voor het opleggen van een maatwerkvoorschrift al of niet gebruik te maken en in de wijze van invulling van deze bevoegdheid. De bevoegdheid voor het opleggen van maatwerkvoorschriften reikt van zelfsprekend niet verder dan bepaald in de specifieke bepalingen van dit besluit en onderliggende ministeriële regeling. Indien een maatwerkbepaling uit het besluit bijvoorbeeld stelt dat er voorzieningen opgelegd kunnen worden die nodig zijn om aan een bepaalde norm uit het besluit te voldoen dan behelst dit niet de tevens de bevoegdheid voor het bevoegd gezag om op basis van dit betreffende maatwerkbepaling een onderzoeksverplichting naar de mogelijkheden van de te treffen voorzieningen aan het bedrijf op te leggen, Daarnaast mogen onderwerpen welke in andere wetgeving zijn geregeld niet door middel van een maatwerkvoorschrift onder de werking van de Wet milieubeheer worden getrokken. Een voorbeeld hiervan is parkeren op de stoep. Dit is een aspect dat valt onder de werking van de Wegenverkeerswet. Daarnaast dient het middel maatwerkvoorschrift niet toegepast te worden om een goede ruimtelijke ordening te creëren, maar dient ter invulling van de mate van de bescherming van het milieu.

Bij de invulling van de beslissingsvrijheid die op grond van het besluit aan het bevoegd gezag wordt toegekend is zij niet geheel vrij. het betreffende bestuursorgaan dient bij de besluitvorming de geschreven en ongeschreven beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Door de afdeling rechtspraak van de Raad van State zal het besluit ten aanzien van de beslissingsruimte marginaal worden getoetst. Dit houdt in dat de afdeling rechtspraak van de Raad van State niet in de plaats van het bestuursorgaan zal treden ten aanzien van de van de belangenafwegingen die ten grondslag liggen aan het betreffende besluit maar met name de totstandkoming van het besluit zal toetsen. Slechts indien het maatwerkvoorschrift kennelijk onredelijk is zal de afdeling rechtspraak van de Raad van State tot vernietiging van het besluit overgaan ten aanzien van de gemaakte beleidskeuzen. Het ‘willekeurverbod’ is impliciet begrepen in het tweede lid van artikel 3.4 Algemene wet bestuursrecht.

De Algemene wet bestuursrecht bevat verder verschillende bepalingen die bij de totstandkoming van het besluit en met betrekking tot de inhoud van het besluit door het bevoegd gezag in acht genomen dienen te worden, ongeacht haar beslissingsvrijheid. Zo dient een maatwerkvoorschrift zorgvuldig voorbereid te worden. Dit houdt met name in dat het bevoegd gezag onderzoek dient te verricht naar de gevolgen van het maatwerkvoorschrift. Artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht legt het bevoegd gezag een actieve onderzoeksplicht op. Zoals reeds hierboven ter sprake is gekomen dient er een zorgvuldige en evenredige afweging plaats te vinden van alle rechtstreeks bij het besluit berokken belangen voorzover dit niet wordt beperkt door de betreffende maatwerkbepaling in het besluit of op basis van de Wet milieubeheer (artikel 3.4 Algemene wet bestuursrecht). Bedrijfseconomische belangen, milieubelangen en belangen van derden spelen een belangrijke rol. Een andere belangrijke eis bij het opleggen van een maatwerkvoorschrift is die van een kenbare en deugdelijke motivering (afdeling 3.7 Algemene wet bestuursrecht). De motivering moet het besluit kunnen dragen. Indien een maatwerkbepaling bijvoorbeeld stelt dat er een voorzieningen of een maatregel opgelegd mag worden die nodig is om aan de normen uit het besluit te kunnen voldoen, dient het bevoegd gezag aan te tonen dat het betreffende maatwerkvoorschrift ook nodig is om aan de normen uit het besluit te voldoen. Het motiveringsbeginsel houdt mede in dat bij toepassing van een beleidsregel door het bestuursorgaan beoordeeld moet worden of er in het specifieke geval een reden is om af te wijken van die beleidsregel. Verder is het belangrijk dat het maatwerkvoorschrift duidelijk en ondubbelzinnig is geformuleerd, zodat de drijver van de inrichting weet wat van hem wordt verlangt.

Het bedrijf heeft in de procedure van het maatwerkvoorschrift de gebruikelijke middelen om tegen het besluit in te gaan, wanneer in zijn ogen de eisen onredelijk zouden zijn of wanneer op een ander wijze in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur wordt gehandeld.

6.7 De gelijkwaardigheidtoets

Zoals hiervoor beschreven, heeft de gelijkwaardigheidstoets betrekking op een alternatief voor een verplichte maatregel in verband met de voorafgaande toets wegens het ontbreken van een voldoende gekwantificeerd doelvoorschrift. Om dezelfde reden is voorafgaande toetsing van alternatieven voor erkende maatregelen niet noodzakelijk en kunnen deze door de inrichtinghouder zonder meer worden toegepast.

De procedure voor de toetsing is sterk vergelijkbaar met de oude procedure en werkt in grote lijnen als volgt. De inrichtinghouder dient bij het bevoegd gezag een verzoek in om een alternatief middel te mogen toepassen. Hij doet dit 4 weken voordat hij dit middel wil toepassen. Het bevoegd gezag beslist over de gelijkwaardigheid van het gekozen middel door middel van een beschikking, waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.

In het kader van dit besluit kan het bevoegd gezag advies inwinnen bij een werkgroep gelijkwaardige beoordeling. Gekozen is deze werkgroep niet wettelijk te regelen en daarmee te centraliseren. Het gaat immers primair over een beslissing van het lokaal bevoegd gezag, die na overleg met de inrichtinghouder een besluit moet nemen over het alternatief. In dat kader kan het bevoegd gezag ervoor kiezen om de werkgroep in te schakelen. Overigens sluit dit ook aan bij het uitgangspunt van deregulering, alsook bij de gelijkwaardigheidtoets (deskundigenwerkgroep) in het kader van het huidige Bouwbesluit.

Naast de hierboven omschreven individuele toetsing kan ook in meer algemene zin een verzoek worden gedaan om een alternatief voor een erkende of verplichte maatregel in de ministeriële regeling op te nemen. Gedacht kan worden aan een verzoek van een brancheorganisatie of een of meerdere gemeenten. Dit wordt dan bij het ministerie van VROM ingediend, dat vervolgens de mogelijkheid heeft om de werkgroep in te schakelen teneinde een advies uit te brengen. Op basis van dit advies kan worden besloten om het alternatief in de ministeriële regeling op te nemen. De verwachting is dat hierdoor regelmatige actualisering van de in de ministeriële regeling opgenomen maatregelen zal plaatsvinden.

In het kader van haar taak is van belang dat de werkgroep zodanig is samengesteld om met gezag te adviseren. Dit betekent onder meer dat sprake moet zijn van voldoende deskundigheid, gezag en uitstraling. Het ministerie van VROM zal de oprichting hiervan faciliteren.

7. Inrichtinggerelateerde milieuvoorschriften

Onderstaand wordt een toelichting gegeven op de in hoofdstuk 2 van het besluit geregelde milieuaspecten, die betrekking hebben opde inrichting als geheel. Achtereenvolgend zullen de volgende aspecten worden behandeld:

- geluidhinder;

- geurhinder;

- emissies naar de lucht en luchtkwaliteit;

- lozingen;

- externe veiligheid;

- lichthinder;

- bodembescherming;

- energiebesparing;

- scheiden van afvalstoffen;

- waterbesparing en verkeer en vervoer.

7.1 Geluidhinder

Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste elementen van het nieuwe geluidbeleid. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

7.1.1 Akoestische onderzoeken

In vergelijking met de oude systematiek is de verplichting tot het uitvoeren van akoestische onderzoeken in die gevallen gehandhaafd waarin op voorhand sprake kan zijn van significante gevolgen voor geluid. Voor die gevallen heeft het bevoegde gezag inzicht nodig in de werkelijke geluidssituatie om een goed beheer van de ruimte te kunnen uitvoeren. Voor de overige activiteiten is een bevoegdheid opgenomen voor het bevoegd gezag om gemotiveerd een akoestisch onderzoek te vragen. Voorkomen moet immers worden dat het bedrijfsleven met een te grote administratieve last wordt opgezadeld doordat het bevoegd gezag zonder motivatie de verplichting kan opleggen een akoestisch rapport te overleggen. Vooral bij kleinere bedrijven en bedrijven waarbij in de directe nabijheid geen woningen en dergelijke zijn gelegen is dit vaak onnodig.

7.1.2 Gemeentelijk geluidbeleid

De nieuwe voorschriften bevatten de mogelijkheid voor gemeenten om bij verordening gebieden aan te wijzen waar de normering hoger of lager kan liggen dan de standaard geluidsnorm. Geluid is bij uitstek een milieuaspect dat betrekking heeft op de directe leefomgeving en voornamelijk een rol speelt op lokale schaal. Per gebiedstype kan blijken dat de standaardnorm niet passend is. Daarom wordt de systematiek uit Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, die ook in enkele oude besluiten op grond van artikel 8.40 Wm vorm had gekregen, voortgezet. Het is bijvoorbeeld goed denkbaar dat een gemeente in een drukke binnenstad een hogere geluidswaarde wil toelaten dan in een rustige woonwijk of landelijk gebied. In een verordening kan het gemeentebestuur voor een bepaald gebied een hogere of lagere norm vaststellen. Uiteraard moet aan het gemeentelijke beleid een goede motivering ten grondslag liggen. Een verschil met de oude situatie is dat nu de nieuwe norm in één keer in een verordening kan worden vastgelegd, terwijl in de oude situatie per inrichting een nadere eis gesteld moest worden. Dit brengt een vermindering van bestuurlijke lasten met zich mee.

7.1.3 Gezoneerde industrieterreinen

Op gezoneerde industrieterreinen komen zeer veel 8.40-inrichtingen voor die zich daar met een melding kunnen vestigen en binnen de normen van de AMvB een bepaalde, veelal niet-gebruikte geluidsruimte hebben. De staatssecretaris heeft bij de behandeling van de wijziging van de Wet geluidhinder in juni 2005 reeds aangegeven deze problematiek te willen aanpakken3. Kern hiervan is de herintroductie van een criterium voor de hoogte van het geluidsniveau en een afstand waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat het bedrijf is gevestigd op een bedrijfsterrein of een gezoneerd industrieterrein. Dit is voor veel gevallen slechts een theoretische aanscherping ten opzichte van de huidige situatie en resulteert in beperking van de ongebruikte geluidruimte. Deze ruimte kan vervolgens worden gebruikt ten gunste van de uitbreiding van bestaande of vestiging van nieuwe bedrijven, waardoor industrieterreinen optimaler worden benut.

7.2 Geurhinder

Geur is de eigenschap van (een combinatie van) stoffen om met behulp van zintuigen in de neus te worden waargenomen. Geurhinder treedt op als de herhaaldelijk waargenomen geur als onaangenaam wordt beoordeeld, het welbevinden daardoor negatief wordt beïnvloed en indien onttrekking aan die waarneming niet eenvoudig mogelijk is. Geurhinder leidt tot gewijzigd gedrag of gedragsaanpassing en leidt daarmee tot beperking van mogelijkheden van gehinderden. Geurhinder veroorzaakt bij de mens verschillende reacties en effecten, die bij toenemende blootstelling kunnen leiden tot lichamelijke klachten.

Uitgangspunten geurbeleid

Het geurbeleid is nog steeds gebaseerd op de brief van de minister van VROM van 30 juni 1995. In die brief informeert de minister de bevoegde gezagsinstanties (provincies en gemeenten) over het stankbeleid dat is geformuleerd in de Herziene Nota Stankbeleid in samenhang met de aanpassingen daarop in de brieven van 31 januari 1995 en van 21 maart 1995 en die zijn geaccordeerd door de Tweede Kamer. De beleidslijn die uit die brief volgt is:

- als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;

- als er wel hinder is, worden maatregelen gebaseerd op toepassing van de beste beschikbare technieken;

- de mate van hinder kan onder andere worden bepaald via een belevingsonderzoek, hinderenquête of klachtenregistratie. In bijzondere regelingen wordt het hinderniveau voor specifieke bedrijfstakken vastgelegd;

- de mate van hinder die nog acceptabel is, wordt vastgesteld door het bevoegd bestuursorgaan.

De Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: NeR) is in beginsel bedoeld om de milieuvergunningverlening voor het compartiment lucht te harmoniseren en heeft in beginsel geen wettelijke status, tenzij daar in de regelgeving expliciet naar verwezen wordt. Dit beleid blijft in het kader van de toepassing van het onderhavige besluit ongewijzigd. De NeR wordt door de gezamenlijke overheden - het ministerie van VROM, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en Unie van Waterschappen (UvW) vastgesteld en geactualiseerd op basis van voorstellen die door vertegenwoordigers van overheidsinstanties en van overkoepelende organisaties uit het bedrijfsleven zijn voorbereid.

De systematiek van de NeR is gebaseerd op algemene eisen aan emissieconcentraties, die overeenkomen met de stand der techniek van emissiebeperking. Voor specifieke activiteiten en bedrijfstakken zijn bijzondere regelingen opgesteld. De aanpak van geurhinder wijkt af van deze algemene systematiek. In de paragrafen 2.9 en 3.6 beschrijft de NeR een alternatieve systematiek waarmee ‘het acceptabel hinderniveau’ kan worden bepaald. Tevens worden methoden geschetst waarmee een beeld van het hinderniveau kan worden verkregen. In de artikelsgewijze toelichting op de doelvoorschriften ten aanzien van geur is de reikwijdte van het begrip ‘acceptabel hinderniveau’ uiteengezet. Tevens is daarbij ingegaan op de begrippen ‘geurbelasting’ en ‘geurgevoelige objecten’ buiten de inrichting.

Het algemene, niet-gekwantificeerd doelvoorschrift is opgenomen in het algemeen deel van het onderhavige besluit in de vorm van een zorgplicht. Voorts zijn in de op dit besluit gebaseerde ministeriële regeling een aantal verplichte maatregelen opgenomen voor die activiteiten waarbij geurhinder te verwachten is en waardoor in het de meeste gevallen geurproblemen worden voorkomen.

Op grond van de ingetrokken 8.40-AMvB’s waren geen voorschriften gesteld voor activiteiten waar geurhinder incidenteel voor komt. In dat kader werd veelal beroep gedaan doen op de algemene nadere-eis mogelijkheid voor onvoorziene milieugevolgen. Hierover is één uitspraak van de Raad van State4 bekend waarin de Afdeling goedkeurt dat een nadere eis voor geurhinder wordt gesteld, maar dat in het onderhavige geval is nagelaten een acceptabel hinderniveau vast te stellen waardoor de nadere eis onvoldoende gemotiveerd is. Voortzetting van deze lijn zou leiden tot problemen bij de uitvoering omdat een acceptabel hinderniveau niet eenvoudig is vast te stellen. Om die reden is in het onderhavige besluit een mogelijkheid opgenomen tot het stellen van een maatwerkvoorschrift, waardoor het bevoegd gezag eisen kan stellen om de geurbelasting nabij geurgevoelige objecten te verlagen of te beperken tot bepaalde tijdstippen. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een extra emissiebeperkende maatregel voor activiteiten waarbij ondanks een verplichte maatregel geurhinder niet wordt voorkomen, bijvoorbeeld vanwege de omvang en aard van de geuremissie in combinatie met de ligging van het bedrijf ten opzichte van gevoelige objecten. Maar er zijn ook meer creatieve oplossingen mogelijk, zoals het beperken van de activiteit tot tijdstippen waarop geen of minder hinder op zal treden.

7.3 Emissies naar de lucht en luchtkwaliteit

7.3.1 emissies naar de lucht

Met het uitbreiden van de werkingssfeer komen ook bedrijven onder dit besluit waarbij de emissies naar de lucht een steeds grotere rol spelen. Het gaat hierbij met name om de bedrijven uit de metalectro-branche. Naast de verschillende 8.44-AMvB’s, zoals het Oplosmiddelenbesluit en het Besluit emissie-eisen stookinstallaties, wordt in Nederland ten aanzien van de emissies naar de lucht bij de vergunningverlening gebruik gemaakt van de NeR. Bij het opstellen van het Activiteitenbesluit is voor de activiteiten waarbij relevante emissies naar de lucht kunnen optreden gebruik gemaakt van de NeR. De in de AMvB opgenomen normen en drempels zijn hiervan afgeleid. Tevens is ook de systematiek van de toetsing en de vrijstellingsbepaling opgenomen. De NeR biedt daarnaast nog verschillende handvatten om flexibel om te gaan met de eisen uit de NeR bij vergunningverlening. In dit besluit zijn deze niet allemaal opgenomen om te voorkomen dat het besluit te complex zou worden en teveel afwijkt van het systeem van algemene regels. Gemotiveerd afwijken van de gestelde normen is wel mogelijk door het stellen van een maatwerkvoorschrift door het bevoegd gezag.

In hoofdstuk 2, afdeling 2.3, is een algemene, op de NeR gebaseerde regeling opgenomen betreffende de sommatie van emissies van verschillende activiteiten binnen een inrichting en meetbepalingen betreffende de emissie van schadelijke stoffen. In artikel 2.7 is bepaald dat de sommatiebepalingen van toepassing zijn op activiteiten waarvoor in de hoofdstukken 3 en 4 van het besluit emissie-eisen zijn gesteld.

Artikel 2.8, eerste lid, bevat de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften vast te stellen voorzover emissienormen in die hoofdstukken zijn opgenomen. Kern van deze mogelijkheid is dat een alternatief voorschrift wordt gesteld die meer past bij de bijzonderheden van het specifieke bedrijf met handhaving van milieubeschermingsniveau. Hierin kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een emissieplafond voor het hele bedrijf in plaats van emissienormen voor individuele bedrijfsonderdelen. De NeR (gebaseerd op BBT) is hierbij leidend en begrenst deze bevoegdheid. De verwachting is dat maatwerkvoorschriften vooral zullen worden toegepast bij de metaalelekro-bedrijven.

7.3.2 Luchtkwaliteit

De onder het onderhavige besluit vallende inrichtingen zijn verantwoordelijk voor de emissies vanuit de inrichting naar de buitenlucht. Deze emissies kunnen directe gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit en inherent daaraan het woon- en leefklimaat (milieukwaliteit).

De laatste jaren is steeds meer de nadruk komen te liggen op het tegengaan van luchtvervuiling als gevolg van de toename van schadelijke stoffen in de atmosfeer. Verbrandingsprocessen in de industrie, verkeer en huishoudens vervuilen de buitenlucht met luchtverontreinigende stoffen. Voorbeelden hiervan zijn stikstofdioxide, zwaveldioxide, koolmonoxide, vluchtige organische stoffen (VOS), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en zware metalen als lood, zink, cadmium, arseen en benzeen. Ook fijn stof, die de gezondheid van mens en milieu kan schaden, staat op de publieke en politieke agenda. Het kabinet beschouwt het terugdringen van schadelijke luchtverontreiniging dan ook als een prioriteit. In die zin zijn in het Besluit luchtkwaliteit 2005 normen opgenomen om een acceptabele luchtkwaliteit te waarborgen.

De luchtkwaliteitseisen richten zich tot overheden, die tot taak hebben om hiermee rekening te houden bij de uitoefening van de hen toegekende bevoegdheden. Wat de Wm betreft, betekent dit dat bij de vaststelling van het onderhavige besluit rekening is gehouden met het Besluit luchtkwaliteit 2005. In vergelijking met de in de ingetrokken 8.40-besluiten opgenomen voorschriften is - mede gezien de aard en omvang van de activiteiten - besloten om ook in het onderhavige besluit op voorhand geen extra voorschriften op te nemen. Daarbij komt dat de kwaliteitseisen van het Besluit luchtkwaliteit 2005 zich immers veelal tot lokale overheden richten, die tot taak hebben maatregelen te nemen bij (dreigende) overschrijding van de normen. Voorzover in een bepaald gebied in een gemeente de milieukwaliteitsnormen (dreigen te) worden overschreden, is het aan de gemeente om te bepalen op welke wijze aan de norm kan worden voldaan. Het is ook om die reden onmogelijk de algemene kwaliteitseisen op voorhand om te zetten in concrete verdergaande maatregelen dan waar het onderhavige besluit reeds in voorziet.

Mede in het licht van het voornemen de reikwijdte van het Activiteitenbesluit in de toekomst te vergroten, valt echter niet uit te sluiten dat uit het oogpunt van luchtkwaliteitdoelstellingen alsnog aanvullende voorschriften moeten worden gesteld met betrekking tot de genoemde activiteiten.

Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan de situatie waarbij gemeenten op grond van het Besluit luchtkwaliteit 2005 verplicht zijn zogenaamde actieplannen op te stellen indien sprake is van overschrijding van plandrempels. Gezien de in deze eerste fase gereguleerde activiteiten is er in eerste instantie voor gekozen om voor een beperkt aantal activiteiten een voorschrift op te nemen dat de mogelijkheid biedt om in het kader van maatwerk aanvullende eisen te stellen. Het gaat hierbij om het parkeren/stallen van auto’s in parkeergarages (zie par.4.3.19), het afleveren van motorbrandstoffen (zie par.3.3.1) en een aantal activiteiten die verband houden met de bewerking, verwerking of vervaardiging van metalen voorwerpen en hout alsook de opslag van stuifgevoelige goederen (zie par.4.1.5). Gezien de aard en omvang van de gereguleerde activiteiten is de verwachting dat hiermee de doorwerking van de luchtkwaliteitseisen afdoende is geregeld. Voor zover toekomstige ontwikkelingen op het gebied van luchtkwaliteit niettemin nopen tot het treffen van maatregelen die niet in het onderhavige besluit zijn opgenomen, fungeert de zorgplicht als genoemd in artikel 2.1 als vangnet (zie onderdeel 6.6). Op grond daarvan kan alsnog een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Deze mogelijkheid kan met name van belang zijn in verband met de verplichte doorwerking van Europese luchtkwaliteitseisen. De mogelijkheid om een maatwerkvoorschrift te stellen is niet onbegrensd. Het gaat om de ingevolge dit besluit gereguleerde activiteiten in relatie tot de eisen uit het Besluit luchtkwaliteit 2005, welke door het bevoegde gezag worden ‘vertaald’ naar het concrete bedrijfsniveau. Hierbij is van belang dat deze maatregel ook proportioneel moet zijn, waarbij de relatieve bijdrage van een inrichting, activiteit of voorziening aan de normoverschrijding wordt betrokken.

7.4 Lozingen

De regels van dit besluit met betrekking tot het lozen van afvalwater zijn onder te verdelen in drie categorieën:

- de activiteitspecifieke voorschriften,

- regels voor lozingen, waarvoor geen activiteitspecifieke voorschriften zijn uitgewerkt, en

- de zorgplichtbepaling.

7.4.1 Activiteitspecifieke voorschriften

De voorschriften zijn opgenomen in hoofdstukken 3 en 4 van onderhavig besluit. Daarbij betreft het zowel lozingen die als een zelfstandige activiteit worden gereguleerd, als wel lozingen die als onderdeel van een veel bredere activiteit worden gereguleerd. Eerstbedoelde lozingen beperken zich niet tot een of enkele activiteiten, waardoor ze plaatsvinden vanuit veel van de verschillende soorten inrichtingen die onder onderhavig besluit vallen. Het betreft hierbij onder meer het lozen van huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en koelwater. Deze lozingen zijn ondergebracht in hoofdstuk 3, zodat de daarvoor opgenomen voorschriften ook van toepassing zijn op type C-inrichtingen. Dit geldt ook voor lozingen die onderdeel zijn van een activiteit, voor zover de voorschriften met betrekking tot die activiteit in hoofdstuk 3 zijn opgenomen (dit is bijvoorbeeld het geval bij het afleveren van motorbrandstoffen).

Wanneer de voorschriften met betrekking tot een activiteit in hoofdstuk 4 zijn opgenomen, zijn de activiteitspecifieke voorschriften in beginsel niet van toepassing op type C-inrichtingen. Voor directe lozingen in het oppervlaktewater is hierop een uitzondering gemaakt, aangezien deze naar verwachting bij het voldoen aan de in het besluit opgenomen voorschriften ook bij lozing vanuit een inrichting type C geen problemen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater met zich mee zullen brengen, waardoor een individuele beoordeling in kader van een vergunningprocedure niet noodzakelijk wordt geacht. Bijkomend voordeel vanuit het oogpunt van de administratieve en bestuurlijke lasten is dat er daardoor geen noodzaak is voor een zelfstandige vergunning(aanvraag) op basis van de Wvo. De voorschriften voor deze lozingen in hoofdstuk 4 zijn op grond van artikel 1.2, derde lid, onder b dan ook van toepassing op type C-inrichtingen. Voor de indirecte lozingen die onder het bereik van de Wvo vallen wordt, gezien het voornemen om deze over te hevelen naar de Wm en de keuze om in dat kader wel de vergunningplicht aan te houden, nog wel vastgehouden aan de vergunningplicht.

Voor zover ten aanzien van lozingen of aspecten daarvan in uitgewerkte voorschriften in het besluit of de regeling is voorzien, is het afwijken van de daarin opgenomen normering enkel nog mogelijk indien het desbetreffende artikel de mogelijkheid kent om hierin bij maatwerkvoorschrift te voorzien. Voor de toelichting op de activiteitspecifieke voorschriften wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

7.4.2 Regels voor lozingen waarvoor geen activiteitspecifieke voorschriften zijn uitgewerkt

In onderdeel 6.4 is reeds aangegeven dat onder dit besluit een breed scala aan activiteiten valt, die uiteenlopende gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken en dat het niet mogelijk en wenselijk is om alle daaraan gekoppelde milieugevolgen uitputtend te reguleren. Dit geldt ook voor lozingen vanuit de inrichtingen die onder dit besluit vallen. In praktijk zullen zich dan ook lozingen voordoen die niet expliciet in het besluit zijn genoemd en waarvoor dus bij of krachtens het besluit geen specifieke voorschriften zijn opgenomen. In het besluit wordt afhankelijk van het type lozing met deze niet genoemde lozingen verschillend omgegaan.

Bij lozen in een vuilwaterriool zijn ook in het besluit niet expliciet genoemde lozingen in beginsel toegestaan, wanneer wordt voldaan aan de zorgplichtbepaling. Het is daarbij de verantwoordelijkheid van de lozer om - binnen de grenzen van redelijkheid - zich er van te vergewissen of bij een dergelijke lozing het belang van de bescherming van het milieu, zoals in de zorgplichtbepaling verwoord, niet geschaad wordt. Dit kan door het raadplegen van richtlijnen of handboeken met betrekking tot lozingen vanuit de specifieke activiteiten. Uiteraard behoort overleg met het bevoegd gezag ook tot de mogelijkheden (zie verder paragraaf 7.4.3).

Bij het lozen anders dan in een vuilwaterriool zijn lozingen welke bij of krachtens artikel 1.5, onder b, hoofdstuk 3 of 4 van het besluit niet expliciet zijn toegestaan in beginsel verboden. Artikel 2.2. biedt aan het bevoegd gezag wel de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift deze lozingen alsnog toe te staan en daaraan de noodzakelijke voorwaarden te verbinden. Het bevoegd gezag kan hierdoor in het gewenste maatwerk voorzien, zonder dat voor deze lozingen onverminderd de vergunning- of ontheffingsplicht geldt. Voor dit striktere regime dat geldt voor lozingen anders dan in een vuilwaterriool is gekozen mede met het oog op het behalen van de doelstellingen ingevolge de Kaderrichtlijn water. Dit omdat deze lozingen anders dan lozingen in een vuilwaterriool voordat ze het milieu bereiken niet door een zuiveringstechnisch werk worden geleid, waardoor de effecten op het ontvangend oppervlaktewater in theorie groter kunnen zijn. Een toetsing voorafgaand aan het daadwerkelijk lozen wordt daarom wenselijk geacht.

7.4.3 De zorgplichtbepaling en lozingen

Zoals in paragraaf 6.5 reeds is aangegeven vervult de zorgplichtbepaling een rol daar waar met betrekking tot aspecten van in dit geval een lozing of (ingeval het lozen in een vuilwaterriool) de lozing als zodanig geen uitgewerkte voorschriften in het besluit, de regeling of in een maatwerkvoorschrift zijn opgenomen. Op die lozing als zodanig, dan wel de niet uitgewerkte aspecten van de lozing is dan de zorgplichtbepaling van toepassing, waardoor ook hiervoor niet langer een ontheffing, dan wel vergunning noodzakelijk is. De zorgplicht biedt het bevoegd gezag een handvat om, zo nodig na concretisering van de zorgplicht in de vorm van een maatwerkvoorschrift, in te grijpen ten aanzien van lozingen of aspecten daarvan waarmee het belang van de bescherming van het milieu wordt of kan worden geschaad.

Deze systematiek bouwt voort op de bepalingen die voor indirecte lozingen golden als gevolg van de wet van 2 november 1994, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppevlaktewateren (afvalwater) (Stb. 798), waarmee de lozingen van afvalwater op de riolering onder de Wm zijn gebracht. Deze dienen mede ter implementatie van richtlijn nr. 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater en zijn destijds opgenomen in alle algemene regels die betrekking hadden op lozingen op de riolering. Dit is gebeurd bij besluit van 19 januari 1996, houdende het opnemen van voorschriften in enkele algemene maatregelen van bestuur gebaseerd op artikel 8.40 Wm met betrekking tot het brengen van bedrijfsafvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater (Stb. 45). Daarnaast zijn deze ook opgenomen in vele Wm-vergunningen ter vervanging van de daarvóór geldende regels uit de toenmalige gemeentelijke lozingsverordeningen. Deze gemeentelijke verordeningen zijn met het inwerking treden van de landelijke regels komen te vervallen.

Nu in het Activiteitenbesluit ook regels zijn opgenomen ten aanzien van directe lozingen in het oppervlaktewater en op of in de bodem regels, is de zorgplichtbepaling en de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen ook relevant voor die directe lozingen. Een min of meer vergelijkbare, maar specifiekere zorgplichtbepaling is op genomen in het Besluit bodemkwaliteit, waarbij is voortgeborduurd op de reeds bestaande zorgplichtbepaling in het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij.

7.5 Externe veiligheid

Met ingang van 1 juni 2004 is de Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (AGS) benoemd door het Kabinet. Tevens is de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen (CPR) opgeheven. Met de benoeming van de AGS heeft het kabinet uitvoering gegeven aan een van de aanbevelingen van de Commissie Oosting. De CPR bracht publicaties uit, de CPR-richtlijnen, die veelvuldig werden gebruikt bij vergunningverlening en algemene regels (8.40-AMvB’s) op grond van de Wm en binnen de werkterreinen van de arbeidsveiligheid, transportveiligheid en brandveiligheid.

De CPR-richtlijnen zijn onlangs vervangen door de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS). Het doel van deze publicaties is dezelfde als van de CPR-richtlijnen, namelijk het geven van een overzicht, op basis van actuele technieken, van de voorschriften, eisen, criteria en voorwaarden die kunnen worden toegepast door overheden bij de vergunningverlening, het opstellen van algemene regels en het toezicht op bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, waaronder tevens wordt verstaan opslag en transport.

De publicaties komen tot stand op basis van actuele kennis en na overleg tussen rijk, IPO, VNG en bedrijfsleven (VNO-NCW, MKB-Nederland) over de maatschappelijke gevolgen van het hanteren van de publicaties in de praktijk van vergunningverlening en van toezicht. De publicaties zijn een advies aan het betreffende bevoegd gezag waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Tevens kan de Arbeidsinspectie gebruik maken van de publicaties bij het stellen van eisen. In voorkomende gevallen moet een publicatie worden beoordeeld op haar toepasbaarheid in de betreffende specifieke situatie. Het ligt in de rede dat afwijkingen van de publicaties worden gemotiveerd, dat geldt zowel voor afwijkingen voorgesteld door een bedrijf als door het bevoegd gezag.

De technisch wetenschappelijke inhoud van de publicaties zal voor nieuwe publicaties worden gebaseerd op adviezen van de Adviesraad Gevaarlijke Stoffen. Naar het oordeel van IPO, VNG, bedrijfsleven en het rijk kan met de adviezen in veel gevallen een invulling worden gegeven aan het overleg tussen overheid en bedrijfsleven over het verantwoord omgaan met gevaarlijke stoffen of de wijze waarop effecten en risico’s worden berekend en in beeld gebracht. Voorzover van toepassing zijn deze nieuwe publicaties in de PGS-reeks verwerkt in het onderhavige besluit.

Voorzover het Besluit externe veiligheid inrichtingen of het Besluit risico’s en zware ongevallen niet van toepassing is, vallen activiteiten met gevaarlijke stoffen onder dit besluit. Er is in dit besluit geen algemeen geldend doelvoorschrift voor het thema externe veiligheid opgenomen. Een doelvoorschrift 10-6 is voor de inrichtingen die onder dit besluit vallen is niet zinvol, omdat deze contour binnen de inrichting of in sommige gevallen net buiten de erfafscheiding valt. (Het uitgangspunt is dat het voldoen aan de stand der techniek (‘brongericht’) een afdoende bescherming biedt voor de omgeving. Overigens fungeert de in de AMvB opgenomen algemene zorgplichtbepaling als vangnet (zie onderdeel 6.6). In een enkel geval zal het nodig zijn om voor een activiteit met gevaarlijke stoffen een beperkte te waarborgen afstand tot woningen van derden (‘effectgericht’) voor te schrijven. Anders dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen wordt deze afstand niet gekoppeld aan een ruimtelijke verankering (vastleggen in bestemmingsplan). In het voorschrift waarin de afstand is vastgelegd, wordt eveneens de gelijkwaardige maatregel genoemd waarmee door het realiseren van aanvullende voorzieningen afgezien kan worden van de afstandsbepaling.

7.6 Lichthinder

In de Wm wordt onder de gevolgen voor het milieu onder andere verstaan gevolgen voor het fysieke milieu gezien vanuit het belang van de bescherming van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden. De genoemde wet heeft mede tot doel de bescherming van de duisternis en het (donkere) landschap. Naar aanleiding van de geïnventariseerde knelpunten in het kader van de oude 8.40-AMvB’s is besloten om in het algemene deel van het onderhavige besluit een voorschrift ter zake op te nemen. Dit houdt in dat het bevoegd gezag op grond hiervan een maatwerkvoorschrift kan stellen met betrekking tot de te treffen maatregelen of voorzieningen ter bescherming van de duisternis en het donkere landschap, indien de inrichting is gelegen in een gebied waarvoor bij of krachtens een verordening eisen ten aanzien van de bescherming van de duisternis of het donkere landschap zijn vastgesteld. Het voorschrift bevat overigens geen meet- en onderzoeksverlichting voor de inrichtinghouder.

7.7 Bodembescherming

Voor activiteiten binnen inrichtingen geldt het algemene uitgangspunt dat aan het preventieve bodembeschermingsbeleid ten grondslag ligt, te weten dat de gebruiksmogelijkheden van de bodem voor verschillende functies niet mogen verslechteren; waar mogelijk zal verbetering worden gerealiseerd5. Dit uitgangspunt is een uitvloeisel van het stand-still beginsel6. De brongerichte aanpak staat dan ook centraal bij de vormgeving van de bodembeschermingsvoorschriften in het onderhavige besluit. Dat betekent dat bodemverontreiniging en -aantasting zoveel als redelijkerwijs mogelijk is wordt voorkomen.

7.7.1 De NRB

De Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (hierna: NRB) geeft voor bedrijfsmatige activiteiten invulling aan het preventieve bodembeschermingsbeleid. De NRB is een harmoniserend instrument voor de beoordeling van de noodzaak en redelijkheid van bodembeschermende maatregelen en voorzieningen. De NRB geeft voor bodembedreigende bedrijfsmatige activiteiten een beschrijving van geschikte bodembeschermende voorzieningen en maatregelen gebaseerd op de stand der techniek, die is vastgelegd in kennisdocumenten en beoordelingsrichtlijnen. In de NRB staat het begrip ‘verwaarloosbaar bodemrisico’ centraal. Voorzieningen en maatregelen dienen een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren voor de duur van de bedrijfsmatige activiteiten. Dit is in overeenstemming met het hiervoor beschreven uitgangspunt van het preventieve bodembeschermingsbeleid. In een aantal gevallen zijn meerdere keuzes mogelijk.

7.7.2 Bepalen risico’s

Met behulp van de NRB kunnen de risico’s op bodemverontreiniging, als gevolg van de activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden, worden bepaald. Of er sprake is van een bodembedreigende situatie hangt af van de aard van de activiteit en de betrokken stoffen. De NRB somt de bedrijfsactiviteiten op die als bodembedreigend worden beschouwd. Bodembedreigend zijn opslag, overslag en intern transport van bulkvloeistoffen, opslag en verlading van stort- en stukgoed, procesactiviteiten en -bewerkingen en een aantal overige activiteiten. Binnen deze hoofdcategorieën van activiteiten worden diverse subactiviteiten onderscheiden.

7.7.3 Voorzieningen en maatregelen

Bij een bodembedreigende bedrijfsmatige activiteit moeten de voorzieningen en maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om verontreiniging of aantasting van de bodem te voorkomen. Geconstateerde aantasting van de bodemkwaliteit moet worden hersteld.

Preventieve bodembescherming bij bedrijfsmatige activiteiten wordt gerealiseerd met doelmatige combinaties van voorzieningen en maatregelen. De NRB geeft aan waar en hoe een verwaarloosbaar bodemrisico kan worden bereikt. Afhankelijk van de categorie waarin een bedrijfsactiviteit valt zijn er veelal diverse combinaties van voorzieningen en maatregelen mogelijk om de bodem te beschermen. Onder voorzieningen worden fysieke voorzieningen begrepen, zoals vloeistofdichte vloeren en verhardingen, kerende vloeren en lekbakken. Dergelijke voorzieningen dienen altijd in combinatie met de daarbij behorende maatregelen te worden toegepast. Zo dient een vloeistofdichte vloer periodiek op vloeistofdichtheid te worden gekeurd door een gekwalificeerde inspecteur en dienen vloeistofkerende voorzieningen altijd gepaard te gaan met organisatorische beheermaatregelen of incidentenmanagement. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat bij ‘zware’ voorzieningen ‘lichte’ maatregelen voldoende zijn en bij ‘lichte’ voorzieningen ‘zware’ maatregelen nodig zijn. Een ‘zware’ voorziening is bijvoorbeeld een vloeistofdichte vloer of verharding. Een dergelijke voorziening is relatief duur maar vergt veel minder maatregelen dan bijvoorbeeld een vloeistofkerende vloer of verharding.

Bij voorzieningen en maatregelen wordt onderscheid gemaakt tussen brongerichte en effectgerichte voorzieningen en maatregelen. Brongerichte voorzieningen en maatregelen zijn gericht op het voorkomen van emissies. Als voorbeeld kunnen worden genoemd procedures en veranderingen in de bedrijfsvoering die het risico voor de bodem reduceren, zoals vervanging van bodemverontreinigende stoffen door andere stoffen, vermindering van voorraden en het bundelen van bodembedreigende activiteiten. Een ander voorbeeld van brongerichte voorzieningen en maatregelen is het treffen van extra voorzieningen in de installaties om bedreigende stoffen in hun omhulling te houden, zoals verbetering van afdichtingen van apparatuur en flensloze verbindingen en dubbelwandige systemen voorzien van lekdetectie.

Effectgerichte voorzieningen en maatregelen zijn gericht op het tegengaan van indringing in de bodem en hebben tot doel de verspreiding naar en in de bodem (immissie) ten gevolge van buiten hun omhulling getreden schadelijke stoffen (emissie) te voorkomen of te beperken. Voorbeelden van effectgerichte voorzieningen en maatregelen zijn het aanbrengen van vloeistofdichte vloeren of verhardingen en het onmiddellijk opruimen van gemorste vloeistoffen.

Het onderhavige besluit bevat een algemeen doelvoorschrift op basis waarvan degene die de inrichting drijft bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen moet treffen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. De NRB duidt dit verwaarloosbare bodemrisico aan als bodemrisico categorie A.

Dit algemene doelvoorschrift wordt in een ministeriële regeling nader uitgewerkt met specifieke invullingen voor de bodembeschermende voorzieningen en maatregelen. Deze zullen gericht worden op activiteiten die onder verschillende omstandigheden kunnen worden uitgevoerd. De invulling wordt gebaseerd op de bodemrisico checklisten die zijn opgenomen in de NRB. Afhankelijk van de aard van de activiteit en de wijze van uitvoering kunnen verschillende combinaties van voorzieningen en maatregelen leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.

Het onderhavige besluit biedt meer ruimte voor de invulling van de bodembeschermende voorzieningen en maatregelen dan de voormalige algemene maatregelen van bestuur. Laatstgenoemde maatregelen bevatten een beperkte selectie van de mogelijkheden die de NRB biedt. Dit vloeide voort uit de constatering dat, gezien de aard en omvang van de inrichtingen, de doelmatige uitvoering van bodembeschermende maatregelen niet altijd was gewaarborgd.

Naar aanleiding van de problematiek met betrekking tot de inspectie van vloeistofdichte vloeren is begin 2005 een reparatie doorgevoerd in de oude 8.40-AMvB’s op grond van het Besluit inspectie vloeistofdichte vloeren7. Behalve de omzetting van de eis van certificatie naar accreditatie van inspectie-instellingen zijn met dit besluit de mogelijkheden voor het toepassen van kerende voorzieningen verruimd. Op basis van een onderzoek uitgevoerd door TNO in opdracht van een aantal brancheorganisaties is besloten dat het repareren en onderhouden van motorvoertuigen niet langer boven een vloeistofdichte hoeven te worden uitgevoerd. Vanaf dat moment volstaat een vloer die in staat is vrijgekomen stoffen tijdelijk te keren, waarbij deze stoffen worden opgeruimd voordat indringing in de bodem kan plaatsvinden (kerende voorziening). Belangrijk gevolg van deze wijziging is dat de vloeren niet langer gekeurd hoeven te worden. Nadat deze wijziging in het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen was doorgevoerd verzochten ook andere branches om verruiming van de mogelijkheden voor vloeistofkerende vloeren (onder andere transportsector en metaal). Omdat de voorbereidingen voor het Activiteitenbesluit al in volle gang waren en tussentijdse aanpassingen niet wenselijk waren, is telkens aangegeven dat verruimde mogelijkheden pas in het kader van het onderhavige besluit nader worden bekeken. Gezien de precedentwerking van het reparatiebesluit wordt het verzoek tot verruiming ingewilligd. Omdat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden zouden ook activiteiten in andere categorieën van inrichtingen uitgevoerd mogen worden boven vloeistofkerende voorzieningen indien de bodemrisico’s daar hetzelfde zijn. De NRB biedt onder de waarborg van doelmatige beheermaatregelen (zie hierna) deze verruimingsmogelijkheid.

Bij ministeriële regeling zullen nadere regels worden gesteld omtrent de voorzieningen en maatregelen. Indien voldaan wordt aan de in de ministeriële regeling opgenomen regels zal tevens zijn voldaan aan het doelvoorschrift in het besluit. Bij ministeriële regeling zal worden bepaald welke maatregelen bij welke voorzieningen moeten worden getroffen.

7.7.4 Controle effectiviteit voorzieningen en maatregelen

In tegenstelling tot vloeistofdichte vloeren is er bij kerende voorzieningen niet of nauwelijks sprake van een controle op de effectiviteit. Vloeistofdichte vloeren moeten aan allerlei eisen voldoen en dienen periodiek gekeurd te worden. Voor kerende voorzieningen geldt alleen dat stoffen die daarop terecht komen moeten worden opgeruimd voordat indringing in de bodem kan plaatsvinden. De borging bij kerende voorzieningen is gelegen in de organisatorische beheermaatregelen. Simpel gezegd: bedrijven moeten ervoor zorgen dat het personeel is geïnstrueerd over hoe te handelen bij calamiteiten of morsingen en zij dienen zorg te dragen voor voldoende hulpmiddelen waarmee gemorste stoffen kunnen worden opgeruimd voordat deze in de bodem terecht kunnen komen.

In de praktijk is het lastig te toetsen of beheermaatregelen in voldoende mate zijn geïmplementeerd en in de praktijk voldoende werken. De effectiviteit van kerende voorzieningen met beheermaatregelen zou gecontroleerd kunnen worden met periodiek uit te voeren bodemonderzoek (bodemmonitoring). Bedrijfsleven en bevoegd gezag twijfelen echter aan nut en noodzaak van dit bodemonderzoek. Het bedrijfsleven wijst vooral op de extra kosten en lasten die daarmee samenhangen. Daar komt bij dat de huidige algemene regels, met uitzondering van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks en het Besluit tankstations milieubeheer geen verplichtingen bevatten tot het uitvoeren van periodiek bodemonderzoek. Het opnemen van dergelijke verplichtingen in de activiteiten AMvB zou dan ook leiden tot een lastenverzwaring hetgeen haaks staat op één van de uitgangspunten van het onderhavige besluit. Overigens kent de NRB wel het uitgangspunt dat de bodem periodiek moet worden onderzocht om te effectiviteit van de toegepaste voorzieningen en maatregelen te controleren. De NRB is echter eind jaren negentig van de vorige eeuw totstandgekomen en derhalve niet geïmplementeerd in de 8.40-AMvB’s die voor die tijd al in werking waren getreden.

Naast het periodiek uit te voeren bodemonderzoek bestaan er ook het zogenoemde nulsituatie- en eindsituatieonderzoek. Eerst genoemd onderzoek dient ertoe de referentiewaarden van de bodemkwaliteit vast te leggen op het moment dat de bedrijfsactiviteiten nog moeten starten. Laatstgenoemd onderzoek heeft tot doel om na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten vast te stellen of de bodemkwaliteit ten opzichte van de nulsituatie is verslechterd. Indien er inderdaad sprake is van verslechtering dan dient de bodemkwaliteit te worden hersteld naar de nulsituatie. Dit vloeit feitelijk voort uit de zorgplichtbepaling van de Wet bodembescherming (artikel 13).

Ook het nulsituatie- en eindsituatieonderzoek kan worden gezien als controle op de effectiviteit van de toegepaste bodembeschermende voorzieningen en maatregelen.

In tegenstelling tot het periodiek bodemonderzoek bevatten de huidige algemene regels wel de verplichting tot het uitvoeren van nulsituatie- en eindsituatieonderzoek indien tenminste binnen de inrichting bodembedreigende activiteiten worden uitgevoerd. Dit is tevens conform de NRB.

Omdat het onderhavige besluit van toepassing wordt op inrichtingen die al langer in werking zijn, kan de nulsituatie feitelijk niet in kaart worden gebracht. Nulsituatieonderzoek moest op grond van de ingetrokken 8.40-AMvB’s echter ook worden uitgevoerd bij veranderingen van de inrichting. De wenselijkheid om voor de bestaande gevallen wel of geen nulsituatieonderzoek uit te voeren zou eigenlijk van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Niet iedere verandering van de inrichting is namelijk relevant. Het bevoegd gezag kent de locale situatie en het bedrijf en kan dan ook als beste beoordelen of een nulsituatieonderzoek in geval van een verandering van de inrichting nodig is. Het niet bij iedere verandering van de inrichting verlangen van een nulsituatieonderzoek is niet in overeenstemming met de NRB. Desalniettemin past een dergelijke afwijking wel beter binnen het kabinetsbeleid om te streven naar meer deregulering en decentralisatie (locale afwegingen). Daarnaast kan worden opgemerkt dat dit leidt tot een verdergaande reductie van de administratieve lasten zonder dat dit ten koste gaat van het milieu.

Dit Activiteitenbesluit bevat dan ook alleen een verplichting tot nulsituatieonderzoek voor inrichtingen die worden opgericht (nieuwe inrichtingen). In geval van veranderingen van de inrichting dient de noodzaak tot nulsituatieonderzoek door het bevoegd gezag te worden beoordeeld. Daartoe bevat de AMvB een bevoegdheid voor het bevoegd gezag om in bepaalde gevallen in het kader van maatwerk tot nulsituatieonderzoek te verplichten.

Eindsituatieonderzoek blijft nodig om na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten te kunnen beoordelen of de inrichting de bodem heeft verontreinigd of aangetast. Aangezien de algemene regels nu al verplichtingen kennen tot het verrichten van eindsituatieonderzoek en dit tevens conform de NRB en het bodembeleid is, wordt deze verplichting gecontinueerd.

Indien met een eindsituatieonderzoek wordt geconstateerd dat de bodem is verontreinigd of aangetast door de activiteiten van de inrichting, dient deze verontreiniging of aantasting ongedaan te worden gemaakt. Alhoewel deze herstelplicht voortvloeit uit de zorgplichtbepaling van de Wet bodembescherming blijkt dit in de praktijk te leiden tot veel misverstanden en verkeerde toepassingen. De herstelplicht wordt nu voor activiteiten binnen inrichtingen eenduidig geregeld.

Nulsituatie- en eindsituatieonderzoeken moeten worden uitgevoerd door een persoon of instelling die daarvoor is erkend conform het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer. Laatstgenoemd besluit bevat onder meer eisen aan bodemonderzoek waarmee waarborgen zijn ingebouwd voor een kwalitatief goede uitvoering.

Naast het achteraf beoordelen van de effectiviteit van voorzieningen en maatregelen middels bodemonderzoek is het tevens gewenst een (betere) regeling voor borging van beheermaatregelen, die met name behoren bij kerende voorzieningen, op te nemen. Bij zo’n regeling, die in overeenstemming is met de NRB, kan worden gedacht aan minimale eisen waaraan een bedrijf moet voldoen ten einde te borgen dat gemorste stoffen worden opgeruimd voordat deze in de bodem terecht kunnen komen. Het besluit biedt de mogelijkheid om ten aanzien van deze borging bij ministeriële regeling nadere regels te stellen.

7.7.5 Verwaarloosbaar versus aanvaardbaar bodemrisico

Het met bodembeschermende voorzieningen en maatregelen realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vormt het uitgangspunt van het Nederlandse bodembeleid. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij het bereiken van een verwaarloosbaar bodemrisico alleen mogelijk is met zeer kostbare voorzieningen en maatregelen die niet in een evenredige verhouding staan tot het milieudoel. Voor dergelijke situaties is het conform de NRB ook toegestaan dat de bodemrisico’s aanvaardbaar worden gemaakt. De regel is echter dat pas nadat de onredelijkheid van verwaarloosbaar bodemrisico afdoende is aangetoond, de haalbaarheid van aanvaardbaar bodemrisico kan worden afgewogen. De keuze tussen verwaarloosbaar en aanvaardbaar bodemrisico is derhalve geen bedrijfseconomische afweging. In het besluit is dit tot uitdrukking gebracht in de formulering van artikel 2.9. Verwaarloosbaar bodemrisico is het uitgangspunt en aanvaardbaar bodemrisico vormt daarop de uitzondering. Op aanvaardbaar bodemrisico kan dus alleen worden teruggevallen indien het bereiken van een verwaarloosbaar bodemrisico onredelijk hoge investeringen van een bedrijf verlangt die bedrijfseconomisch gezien niet verantwoord zijn. Bovendien dient het dan te gaan om zogenoemde bestaande gevallen. Voor nieuw op te richten inrichtingen geldt derhalve altijd het verwaarloosbaar bodemrisico.

Bij een aanvaardbaar bodemrisico zal de bodemkwaliteit met doelmatig risicobeperkend bodemonderzoek moeten worden bewaakt. Het falen van de bodembescherming wordt door risicobeperkend bodemonderzoek pas ontdekt nadat een bodembelasting is opgetreden. Dergelijk bodemonderzoek is dan ook altijd gekoppeld aan bodemherstel dat altijd afdoende moet zijn gewaarborgd. Indien nodig zullen ook direct tijdelijke beheersmaatregelen moeten worden getroffen.

7.8 Verruimde reikwijdte algemeen

Vanaf 1993 in de Wm expliciet aangegeven dat de onderwerpen grondstoffenbesparing, afvalpreventie, afvalscheiding, waterbesparing, energiebesparing en verkeer vervoer onderdeel uitmaken van het begrip milieu. Met het oog op de reductie van de administratieve lasten is besloten de mogelijkheden voor het opleggen van onderzoeken en het stellen van de nadere eisen voor de verschillende onderwerpen uit de verruimde reikwijdte drastisch te verminderen. Daarnaast is uit de praktijk gebleken dat het invullen van de onderwerpen van de verruimde reikwijdte niet voor alle onderwerpen even goed mogelijk was. Door het bedrijfsleven en een deel van het bevoegd gezag zijn ze ter discussie gesteld. Voor afvalpreventie geldt dat maatwerk zeer belangrijk is. Dit leidt er toe dat er geen lijst van concrete maatregelen kon worden opgesteld. Derhalve is besloten dat het onderwerp afvalpreventie niet meer in deze AMvB zal terugkomen

Geconstateerd is dat aan grondstoffenbesparing nauwelijks aandacht werd besteed. Daarnaast bleek het moeilijk te zijn om maatregelen te stellen die door de afdeling rechtspraak van de Raad van State werden geaccepteerd, omdat deze veelal de inrichting overstegen. Dit betekent niet dat de het besparen van grondstoffen en het verminderen van afvalstoffen geen belangrijke milieuonderwerpen zijn. Voor een effectieve en efficiënte uitvoering zijn echter andere instrumenten dan algemene regels meer geschikt.

7.8.1 Energiebesparing

Het klimaatbeleid van het kabinet is gericht op het terugdringen van broeikasgasemissies in het licht van internationale afspraken binnen de UNFCCC. De broeikasgasemissies in Nederland dienen voor de eerste budgetperiode (2008 - 2012) met 6% te worden gereduceerd ten opzichte van 1990. Voor de periode na 2012 zijn verdergaande reducties nodig teneinde de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Energiebesparing levert een belangrijke bijdrage aan het verminderen van de klimaatproblematiek. Daarnaast heeft het een positief effect op de luchtkwaliteit. Het kabinet heeft daarom in 2005 besloten het beleid ten aanzien van energiebesparing te intensiveren. Een ander argument voor deze intensivering is dat uit de handhavingspraktijk blijkt dat veel bedrijven zo’n 20% - 40% van de rendabele maatregelen voor energiebesparing niet nemen. Met name het midden- en kleinbedrijf blijft achter. Tegen de achtergrond dat het energieverbruik de komende jaren nog verder zal toenemen, pleit dit er voor om bij de energievraagkant te blijven sturen op energiebesparing. Het onderhavige besluit stelt dan ook, evenals zijn voorgangers, eisen aan het energiegebruik binnen inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer.

De verruimde reikwijdte, ofwel preventie, is sinds 1993 een wettelijke taak voor het bevoegd gezag en heeft betrekking op duurzaamheid in de bedrijfsvoering van inrichtingen. De invulling van preventie is primair de verantwoordelijkheid van drijvers van inrichtingen. Bedrijven waarbij de preventie-inspanningen achterwege blijven bij datgene wat redelijkerwijs kan worden gevergd, kunnen door het bevoegd gezag gewezen worden op de eigen verantwoordelijkheid. In de regel zal het bevoegd gezag daarbij stimulerend te werk gaan. De Handreiking ‘Wegen naar preventie’ biedt een integrale systematiek voor de toepassing van preventie.

7.8.2 Scheiden van afvalstoffen

Voor elke inrichting geldt de verplichting om enkele specifieke soorten afval te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden af te geven (art. 2.12, eerste lid). Deze verplichting geldt verder altijd indien sprake is van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen. Bij de activiteiten worden geen specifieke voorschriften over het scheiden van afvalstoffen opgenomen. Dit is niet noodzakelijk omdat voor zover de afvalstoffen niet specifiek zijn aangewezen, een generieke verplichting geldt om deze te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden af te geven tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Het criterium voor de beoordeling of van dit laatste sprake is, is vastgelegd in het Landelijk Afvalbeheerplan. Op basis hiervan geldt de verplichting wanneer de extra kosten niet meer bedragen dan € 45 per ton).

7.8.3 Verkeer en vervoer en waterbesparing

Beide onderwerpen zijn opgenomen in de algemene zorgplichtbepaling. In deze bepaling is de algemene zorgplichtbepaling van artikel 1.1a van de Wm verbijzonderd voor de gevolgen voor het milieu van verkeer en vervoer van en naar een inrichting en waterbesparing. Het gaat daarbij alleen om gevolgen (van verkeer en vervoer) die de inrichting voor haar omgeving kan veroorzaken. Andere gevolgen voor het milieu van verkeer en vervoer vallen daar derhalve niet onder.

Tijdens de behandeling van de begroting van Verkeer en Waterstaat voor het jaar 2006 is door de leden Van der Ham en Dijksma een motie ingediend om de toepassing van de Wm ten aanzien van het aspect mobiliteitsmanagement van zijn vrijblijvendheid te ontdoen. De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft deze motie overgenomen en in de brief van 22 november 2005 onder meer gesteld dat in het kader van het project herijking VROM-regelgeving bezien zal worden of de in het kader van de 8.40-AMvB’s te stellen regels ten aanzien van vervoermanagement concreter vorm kunnen worden gegeven. Artikel 2.16 bevat daartoe de grondslag.

Goederenvervoer is noodzakelijk voor het economisch functioneren van bedrijven. Recent zijn twijfels geuit over de toegevoegde waarde van de scans op het gebied van vervoermanagement voor het goederenvervoer. Bedrijven zijn immers altijd al bezig hun goederenvervoer te optimaliseren. Het is zelfs de kernactiviteit van vervoerders. Het bedrijfsleven is beducht voor toename van de administratieve lastendruk. Het bedrijfsleven wijst ook op de regelgeving die juist leidt tot ene toename van het vervoer (bijv. venstertijden).

Ten aanzien van het goederenvervoer zijn recent afspraken gemaakt met het bedrijfsleven om op vrijwillige basis de voor en nadelen van vervoerscans te onderzoeken. Of in de toekomst alsnog een ministeriële regeling van kracht zal worden, zal afhangen van de uitkomsten van dit onderzoek.

1. Het onderzoek bestaat uit het op vrijwillige basis toepassen van vervoersscans op de bedrijfsterreinen die deel uit maken van het Kwaliteitsnet Goederenvervoer. Ook andere acties die bijdragen aan de doelstellingen kunnen ingepast worden. Dit onderzoek zal begeleid worden door decentrale overheden en het betrokken bedrijfsleven. Dit experiment zal op nader te omschrijven criteria geëvalueerd worden.

2. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek zal besloten worden of regelgeving nodig is of niet en zo ja, hoe die er dan uit zal zien.

Voor bezoekersverkeer geldt ook dat het direct raakt aan het economisch functioneren van de betreffende winkels, attracties of andere publiekstrekkers. Voor dit type verkeer zijn nog weinig scans ontwikkeld of ervaringen beschikbaar. Desondanks ligt het wel in de bedoeling om na te gaan of het zinvol is ook hier met een nadere uitwerking te komen die handhaving van dit onderdeel eenvoudiger kan maken.

8. Ondersteuning van de nieuwe wet- en regelgeving door ICT

Ter ondersteuning van de wet- en regelgeving is een ICT-systeem ontwikkeld. Dit ICT-systeem heeft tot doel het Activiteitenbesluit te ontsluiten voor bedrijven en het bevoegde gezag. Het systeem bestaat uit twee hoofdmodules:

- De kenbaarheidsmodule: deze stelt de gebruiker van het ICT-systeem in staat om door het beantwoorden van een aantal vragen die op de betreffende inrichting van toepassing zijn, op eenvoudige wijze kennis te nemen van de relevante voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Op basis van de antwoorden wordt een advies opgesteld dat kan bestaan uit: niet-meldingsplichtig, meldingsplichtig of vergunningplichtig. Daarnaast wordt een overzicht van de geldende voorschriften ingevolge het besluit voor de betreffende inrichting getoond.

- De meldingsmodule: deze maakt het mogelijk om de feitelijke melding voor het bevoegde gezag op te stellen en deze langs elektronische weg te versturen. Daarnaast kan de melding ook worden afgedrukt of opgeslagen om deze per post te versturen. Het bevoegde gezag is verplicht om beide vormen van melding in ontvangst te nemen.

Het ICT-systeem heeft het karakter van een ondersteunend systeem dat de gebruiker helpt bij het maken van keuzes en deze op efficiënte wijze langs de relevante vragen leidt. Het ICT-systeem heeft echter geen juridische status, de gebruiker kan er geen rechten aan ontlenen en blijft daarmee zelf verantwoordelijk voor de juistheid van de melding. Het ministerie van VROM ziet toe op de goede werking van het ICT-systeem. Hierbij is onder meer van belang dat de beschreven wet- en regelgeving juist wordt weergegeven. Het ICT-systeem wordt beschikbaar gesteld via een internetapplicatie en aangeboden via de website van de gemeente waarin de inrichting is gevestigd.

9. Samenhang met andere beleidsterreinen

Het Activiteitenbesluit heeft relatie met een groot aantal andere beleidsterreinen. Hieronder worden de belangrijkste toegelicht.

9.1. Modernisering van de algemene regels voor de landbouw

De bestaande AMvB’s op het gebied van de landbouw zullen gefaseerd worden samengevoegd tot één nieuw Besluit landbouw milieubeheer, waarbij verschillende, thans nog vergunningplichtige inrichtingen onder de werkingssfeer van het nieuwe besluit zullen worden gebracht. In de eerste fase (2004-2005) zijn het Besluit melkveehouderijen milieubeheer en het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer samengevoegd. Ook worden gemechaniseerde loonbedrijven en inrichtingen voor opslag van vaste mest onder de werkingssfeer van het nieuwe besluit gebracht. In de tweede fase (2006-2007) zou het Besluit landbouw milieubeheer worden uitgebreid met regels voor mestbassins ter vervanging van het Besluit mestbassins milieubeheer en zou de Regeling kennisgevingsformulier Besluit mestbassins milieubeheer worden ingetrokken. In de derde fase (na 2007) zouden de kleinere intensieve veehouderijen onder de werkingssfeer van het Besluit landbouw milieubeheer worden gebracht en zou het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij in dat besluit worden geïntegreerd.

Naar aanleiding van de parlementaire behandeling van het voornemen is inmiddels besloten de derde en tweede fase samen te voegen. Dit toekomstige Besluit zal zoveel mogelijk worden afgestemd met het Besluit activiteiten inrichtingen.

Het Besluit landbouw milieubeheer stelt regels aan een breed scala categorieën van inrichtingen. In het besluit zijn niet zozeer homogene categorieën bijeengebracht, als wel onderling vergelijkbare activiteiten, in hetzelfde type omgeving (agrarisch buitengebied) waarvan de effecten voor het milieu niet ver uiteenlopen. Vanuit die invalshoek kan de opslag van vaste mest een plaats vinden in een besluit dat zich ook uitstrekt tot bijvoorbeeld melkrundveehouderijen: de milieueffecten zijn in bepaalde opzichten vergelijkbaar. Omdat de voorschriften hetzelfde doel beogen te beschermen kan in het besluit ook een set identieke bodembeschermende voorschriften worden gesteld aan een aantal categorieën van inrichtingen die geen direct onderling verband kennen, zoals akkerbouw- en tuinbouwbedrijven met open grondteelt, melkrundveehouderijen, paardenhouderijen en gemechaniseerde loonbedrijven Die voorschriften beogen de bodem te beschermen tegen de gevolgen van de opslag van meststoffen, bestrijdingsmiddelen of gevaarlijke stoffen.

De voorschriften van het besluit hebben onder meer betrekking op de technische uitvoering en het onderhoud van de voorgeschreven voorzieningen. Voor sommige categorieën van inrichtingen kan worden volstaan met een beperkt aantal voorschriften (zoals spoelbassins). Daarnaast dient hinder als gevolg van bedrijfsvoering tot een acceptabel niveau te worden teruggebracht. Meer dan voorheen zijn doelvoorschriften geformuleerd, in plaats van middelvoorschriften - die de middelen aangeven die ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast. Soms zijn het voorschriften waaraan voorzieningen, installaties of activiteiten binnen de inrichting moeten voldoen. Voor andere onderdelen zijn concrete voorschriften geformuleerd die handelingen vergen of de handelingsvrijheid beperken.

De voorschriften beogen een beschermingsniveau te realiseren dat ten minste voldoet aan de beste beschikbare technieken als bedoeld in de Wm. De voorschriften zijn vergelijkbaar met de voorschriften die worden gesteld in een adequate milieuvergunning voor een vergelijkbare bedrijfsactiviteit.

De bedrijfsvoering, waarbinnen de voorschriften van het besluit moeten worden ingepast, diende zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid van de ondernemer te blijven. Streven was dit uitgangspunt niet te veel ten koste te laten gaan van de duidelijkheid van de voorschriften, een aspect van regelgeving waaraan vooral kleinere bedrijven waarde hechten.

Het besluit bevat ook een vangnet bepaling. Het vangnet is noodzakelijk omdat een volledig dekkend pakket van maatregelen voor alle denkbare situaties niet mogelijk is. Dit voorschrift fungeert daarnaast als sluitstuk in situaties waarin geen van de voorschriften van het besluit van toepassing is, maar waarbij in redelijkheid moet worden geoordeeld dat de gevolgen van een bepaalde activiteit zodanig zijn, dat zij niet mag worden aanvaard.

Het gemoderniseerde Besluit landbouw milieubeheer, resultaat van de samengevoegde fasen twee en drie uit de eerste alinea van deze paragraaf, wordt opgezet in de vorm en structuur van het Activiteitenbesluit en wordt hiermee zoveel mogelijk in overeenstemming gebracht. Dit gebeurt om in de toekomst het gemoderniseerde besluit landbouw samen te kunnen voegen met dit besluit. Daarbij zullen de algemene delen van het Activiteitenbesluit geïntegreerd worden en worden de landbouwgerelateerde activiteiten hieraan toegevoegd. Bij deze samenvoeging zal rekening gehouden worden met de specifieke aspecten van landbouwinrichtingen, zoals de aard van de inrichtingen en activiteiten en de omgeving waarin deze inrichtingen doorgaans zijn gelegen. Dit betekent dat bij een samenvoeging niet vanzelfsprekend het laagste beschermingsniveau van de twee besluiten zal gelden. Als voorbeeld wordt genoemd dat in het toekomstige Besluit landbouw milieubeheer (fase 1) als geluidsnorm een etmaalwaarde wordt gesteld van 45 dB(A), terwijl de standaard etmaalwaarde in het Activiteitenbesluit 50 dB(A) is. Bij een samenvoeging van de twee besluiten zal onderzocht worden in hoeverre 45 dB(A) als standaard-etmaalwaarde in landelijk gebied kan gelden.

Wat betreft de afstemming tussen beide besluiten kan nog worden gemeld dat de volgende activiteiten wegens hun aard in het toekomstige Besluit landbouw milieubeheer zullen worden geregeld en van toepassing zullen zijn op inrichtingen die onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen:

- het opslaan, overslaan van dierlijke dunne mest in silo’s, bassins;

- het opslaan van kunstmeststoffen;

- het opslaan dierlijke vaste mest;

- agrarische activiteiten.

9.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Begin 2006 heeft de ministerraad ingestemd met het ontwerp-Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarin de omgevingsvergunning is geregeld. Het wetsontwerp is ter advisering aan de Raad van State voorgelegd. Het hoofddoel van de omgevingsvergunning is gelegen in het samenbrengen van verschillende toestemmingsvereisten in één besluit, waarbij de aanvrager te maken krijgt met één vergunning en één en dezelfde weg voor inspraak en beroep. Hierbij is vooralsnog gekozen voor procedurele integratie en inhoudelijke coördinatie. Er is dus nog geen sprake van volledige integratie van de toetsingskaders op de verschillende beleidsterreinen waaronder ruimtelijke ordening en milieu.Het wetsvoorstel Wabo zorgt er wel voor, dat verschillende toestemmingsvereisten tot één vergunning worden geïntegreerd indien op grond van verschillende wetten een afzonderlijke vergunning nodig is.8

Met de integratie van de AMvB’s op grond van hoofdstuk 8 van de Wm, de Wvo en de Wet bodembescherming wordt wat betreft de algemene regels een vergelijkbaar doel nagestreefd, met dien verstande dat de integratie is beperkt tot milieuthema’s. Op basis van het huidige systeem kan een bedrijf op grond van deze wetten met verschillende AMvB’s worden geconfronteerd. Met de voorziene integratie, waarvoor het wetsvoorstel de weg bereidt, worden de milieuvoorschriften zoveel mogelijk in één AMvB opgenomen. Vooralsnog wordt daarbij niet gekozen voor het tevens integreren van AMvB’s op grond van de ruimtelijke- en bouwwetgeving. Wel is gewaarborgd dat geen tegenstrijdigheden voorkomen tussen de verschillende algemene regels. Voor wat betreft het bouwbesluit wordt verwezen naar onderdeel 9.3 van deze toelichting.

In de milieuregelgeving is de vergunningplicht afgelopen decennia in belangrijke mate vervangen door algemene regels. Bovendien is het streven in de toekomst meer bedrijven onder de reikwijdte van de algemene regels te brengen. Voor deze bedrijven zal het veelal zo zijn dat een bedrijf wel een omgevingsvergunning nodig zal hebben vanwege andere aspecten (bijvoorbeeld bouwen), maar dat daarnaast wat betreft de bescherming van het milieu de algemene regels in het Activiteitenbesluit zullen gelden. Wat dit betreft is ook van belang dat de melding in het kader van het onderhavige besluit meegenomen zal worden bij de aanvraag in het kader van de omgevingsvergunning: het doen van een melding zal een indieningsvereiste voor het vragen van een omgevingsvergunning zijn. Gezien het voorgaande zijn de systemen van algemene regels enerzijds en de omgevingsvergunning anderzijds complementair.

In het kader van algemene regulering kan slechts tot op zekere hoogte rekening worden gehouden met de omgeving van de inrichting. Bij de invulling van de algemene regels speelt dan ook de afweging in hoeverre het voor bepaalde activiteiten verantwoord is om te kiezen voor algemene regulering in plaats van vergunningplicht, een cruciale rol. In die afweging worden ook de mogelijkheden betrokken, die binnen algemene regels kunnen worden geboden om rekening te houden met lokale omstandigheden (maatwerk). De algemene regels bieden hiertoe verschillende mogelijkheden. Een voorbeeld hiervan is de instelling van geluidszones. Door middel van een gemeentelijk geluidbeleid kunnen binnen zekere grenzen de geluidnormen uit de algemene regels generiek worden versoepeld dan wel worden aangescherpt. Door de mogelijkheid van maatwerk kunnen de normen van het onderhavige besluit op een redelijk niveau blijven en kan de samenhang met de ruimtelijke ordening worden verbeterd.

9.3. Waterwet

In 2003 is door het kabinet besloten de totstandkoming van één integrale wet voor het waterbeheer te bevorderen. De beoogde wet zal een aantal belangrijke verbeteringen bevatten ten opzichte van de huidige situatie: de wet zal gericht zijn op het bereiken van doelstellingen van watersystemen via een stroomgebiedsgewijze benadering, met een heldere verdeling van verantwoordelijkheden en taken tussen de verschillende betrokken overheden en een adequaat instrumentarium gericht op de uitvoering van het waterbeleid. Daartoe gaan in beginsel alle wetten die betrekking hebben op het waterbeheer op in de Waterwet. Het betreft hierbij onder meer de Wvo, waarop onderhavig besluit, voor zover het lozingen in het oppervlaktewater betreft mede is gebaseerd. Daarbij wordt gestreefd naar een zo licht mogelijke regeldruk. Dit laatste sluit goed aan bij het Programma Andere Overheid van het kabinet en het Programma Beter Geregeld van het ministerie van Verkeer en Waterstaat (Kamerstukken II 2004/05, 29 515, nr. 86). Na integratie van de Wvo in de Waterwet zal laatstgenoemde wet aan onderhavig besluit ten grondslag komen te liggen. Om ook tot aan dat moment te voorzien in een aantal grondslagen om de regeldruk te verlichten wordt vooruitlopend op en zoveel mogelijk in lijn met het ontwerp van de Waterwet in wijziging van de Wvo voorzien (zie nader onderdeel 6.2).

9.4. Bouwbesluit en bouwverordening

9.4.1 Bouwbesluit 2003

Het Bouwbesluit 2003 is een AMvB die is gebaseerd op de Woningwet. In dat besluit zijn landelijk geldende technische voorschriften gegeven voor bestaande en te bouwen bouwwerken. Die voorschriften moeten zijn te herleiden tot veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en het milieu (duurzaam bouwen). De voorschriften die uit het oogpunt van veiligheid zijn gesteld, hebben onder meer betrekking op constructieve en brandveiligheid. Het Bouwbesluit 2003 moet volgens artikel 5 van de Woningwet uiteindelijk alle technische voorschriften bevatten die bij het bouwen en voor bestaande bouwwerken van belang zijn. Dat betekent dat voorschriften van technische aard, die op grond van andere wetten dan de Woningwet zijn gegeven, op den duur deel uit moeten maken van het Bouwbesluit 2003.

Bouwwerken worden in het Bouwbesluit 2003 onderscheiden in gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. De voorschriften voor gebouwen zijn vervolgens onderscheiden in - kort gezegd - tot bewoning bestemde en niet tot bewoning bestemde gebouwen.

De voorschriften van het Bouwbesluit 2003 zijn minimumvoorschriften die de technische kwaliteit van een bouwwerk bepalen. Bouwwerken, zowel gebouwen (niet tot bewoning bestemde gebouwen) en bouwwerken, geen gebouw zijnde, maken ook deel uit van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.

De technische kwaliteit van een bouwwerk is bepalend voor het gebruik van het desbetreffende bouwwerk. Dat betekent dat, wanneer men een bouwwerk of een ruimte binnen een gebouw voor bepaalde doeleinden wil gebruiken, de technische kwaliteit van dat bouwwerk of die ruimte geschikt moet zijn voor dat gebruik.

Het bouwen van een gebouw of een bouwwerk, dat deel uitmaakt van een inrichting, mag volgens artikel 40, eerste lid, van de Woningwet niet zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning plaatshebben. Daartoe moet een aanvraag om bouwvergunning worden ingediend bij de gemeente waar de inrichting zich vestigt of is gevestigd.

9.4.2 Gemeentelijke bouwverordening

Op grond van artikel 8 van de Woningwet moeten de gemeenteraden een gemeentelijke bouwverordening vaststellen. In die verordening mogen alleen voorschriften worden gegeven waartoe artikel 8 van de Woningwet of een krachtens dat artikel gegeven AMvB opdracht geeft. De inhoud van de gemeentelijke bouwverordening is dus limitatief aangegeven. Tot die voorschriften behoren onder meer voorschriften omtrent het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen en stedenbouwkundige voorschriften. Zowel de gebruiksvoorschriften als de stedenbouwkundige voorschriften zijn onder meer gerelateerd aan brandveiligheid. Met het oog op het brandveilig gebruik van met name niet tot bewoning bestemde gebouwen kennen de gemeentelijke bouwverordeningen de zogeheten gebruiksvergunning. Die vergunning dient aangevraagd te worden bij burgemeester en wethouders en wordt ook door hen geweigerd of verleend. Burgemeester en wethouders gaan daarbij af op het advies dat de gemeentelijke of regionale brandweer terzake geeft.

Ten behoeve van haar leden (de gemeenten) heeft de VNG de zogeheten Model-bouwverordening opgesteld. Deze verordening wordt ook regelmatig geactualiseerd.

De voorschriften van het onderhavige besluit zijn aan te merken als gebruiksbepalingen voor inrichtingen. Omdat een inrichting in de regel ook uit bouwwerken (niet tot bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde) en open erven of terreinen bestaan, zijn de voorschriften van het onderhavige besluit, waar nodig, afgestemd op de voorschriften van het Bouwbesluit 2003. Dit kan betekenen dat de technische minimumkwaliteit die de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 biedt, niet toereikend is om het gebruik als voorzien in het onderhavige besluit mogelijk te maken. Het gevolg daarvan is dat de technische kwaliteit van bouwwerken die deel uitmaken van een inrichting, hoger zal moeten zijn. Daartoe zullen dan ook ten opzichte van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 aanvullende bouwkundige voorzieningen moeten worden getroffen, waarvoor volgens artikel 40, eerste lid, van de Woningwet een bouwvergunning is vereist. De indiener van de aanvraag om een bouwvergunning zal dan ook moeten aangeven voor welke doeleinden hij de bouwwerken wil gebruiken, alsmede de met het oog op dat gebruik van belang zijnde gegevens moeten overleggen. Bij het beoordelen van de daartoe strekkende aanvraag om een bouwvergunning zal het bevoegd gezag (burgemeester en wethouders) rekening moeten houden met het voorziene gebruik als onderdeel van een inrichting.

De voorschriften van het Bouwbesluit 2003 zijn aan te merken als producteisen, waaraan een bouwer (eigenaar/verhuurder) moet voldoen, terwijl de gebruiker/huurder de voorschriften omtrent het gebruik ten tijde van het daadwerkelijk gebruik van het bouwwerk zal moeten naleven.

9.4.3 Besluit gebruik bouwwerken

In het kader van de modernisering van de VROM-regelgeving is besloten dat in overleg met de VNG en andere organisaties de voorschriften omtrent het brandveilig gebruik van bouwwerken, zoals die in de Model-bouwverordening zijn gegeven, zullen worden geüniformeerd. Die uniformering zal plaatshebben bij AMvB als bedoeld in artikel 8, zevende lid, van de Woningwet. De werktitel voor dit besluit is: Besluit gebruik bouwwerken. De voornemens met betrekking tot de totstandkoming van dit besluit zijn:

- per 1 januari 2007 landelijke uniformering van de voorschriften over brandveilig gebruik van bouwwerken die in de gemeentelijke bouwverordeningen zijn opgenomen;

- bij die landelijke uniformering zullen de voorschriften zoveel mogelijk de vorm van algemene regels krijgen en zal het aantal gebruiksvergunningplichtige bouwwerken zoveel mogelijk worden beperkt (zo mogelijk tot 20% van het huidige aantal);

- bij de inwerkingtreding van de Wabo wordt de gebruiksvergunning(procedure) vervolgens ingebed in de omgevingsvergunning(procedure);

- in de volgende fase wordt bezien of het mogelijk is om ook voor het gebruik van de resterende gebruiksvergunningplichtige gebouwen algemene regels te formuleren, in welk geval de gebruiksvergunningplicht ook in die gevallen kan komen te vervallen.

Bij het opstellen van het onderhavige besluit is bezien of brandveiligheidsvoorschriften krachtens de ingetrokken 8.40-AMvB’s konden komen te vervallen, omdat het Besluit gebruik bouwwerken daar al in voldoende mate in zal voorzien.

Dit heeft geleid tot het volgende. In het toekomstige Besluit gebruik bouwwerken zullen onder andere regels worden gesteld aan de brandveiligheid voor gebouwen waardoor de gebruiksvergunning kan vervallen. In de voormalige 8.40-AMvB’s stond een aantal voorschriften dat betrekking heeft op brandveiligheid. Bij de totstandkoming van het Besluit gebruik bouwwerken en het onderhavige Activiteitenbesluit is zorgvuldig bekeken waar deze voorschriften thuis horen. In veel gevallen dienen de voorschriften met betrekking tot brandveiligheid meerdere doelen, zoals het voorkomen van gevaarlijke situaties voor omwonenden, en vereisen ze een specifieke expertise bij toezicht en controle hierop. In het nieuwe Activiteitenbesluit zal een aantal voorschriften dan ook niet meer voorkomen, omdat deze in het toekomstige Besluit gebruik bouwwerken gereguleerd worden. De belangrijkste voorschriften betreffen:

- het overhevelen van de voorschriften omtrent de keuring van brandblusmiddelen. Deze zullen niet meer terug komen in de nieuwe algemene regels, maar in het Besluit gebruik bouwwerken. Daarbij zal overigens de keuring van de frequentie worden verminderd van eens per jaar naar eens per twee jaar;

- het overhevelen van de voorschriften omtrent het opslaan van brandbare, niet-gevaarlijke stoffen. Voorschriften hieromtrent zullen niet meer terug komen. De regels omtrent het opslaan van gevaarlijke, brandbare stoffen zullen wel op basis van artikel 8.40 gereguleerd worden.

9.5 Arbo-regelgeving

In de bestaande AMvB’s is een aantal voorschriften opgenomen dat Arbo-gerelateerd is. Laatstgenoemde regelgeving valt feitelijk onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW). Te denken valt aan voorschriften die een direct verband hebben met de arbeidsomstandigheden (welzijn en gezondheid van in de inrichting werkend personeel). Voor zover hierover in reeds bestaande Arbo-regelgeving regels zijn gesteld, zijn deze niet overgenomen. Binnen SZW vindt een moderniseringsoperatie plaats, waarbij wordt overgestapt op een meer doelstellende regelgeving die het bedrijfsleven meer mogelijkheden biedt voor zelfregulering. De generieke Arbo-beleidsregels zouden daarmee op termijn kunnen vervallen. Om deze reden zijn echter toch nog regels gesteld, met name op het terrein van luchtemissies, omdat hiervoor geen wettelijke voorschriften meer zijn of worden gesteld in de Arbo-regelgeving.In dit kader wordt gestreefd naar een juiste afstemming van de regelgeving tussen VROM en SZW. Voorts zijn onderlinge afspraken gemaakt ten aanzien van handhaving, bijvoorbeeld in de sfeer van externe veiligheid, tussen het bevoegd gezag (signaleringsfunctie) en de Arbeidsinspectie.

9.6 Verhouding tot het internationale recht

Wat betreft de verhouding tussen de voorgenomen wijze van regulering en de uit het toepasselijke Europese recht voortvloeiende eisen, die onder meer betrekking hebben op het waarborgen van inspraak en rechtsbescherming op milieugebied, wordt het volgende opgemerkt. De vraag in welke gevallen en voor welke activiteiten een individuele beoordeling is vereist, wordt primair bepaald door de volgende EG-richtlijnen.

Wat betreft de richtlijn nr. 96/61 van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257, hierna: de IPPC-richtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn over inspraak bij milieubesluitvorming (richtlijn nr. 2003/35/EG, PbEG L 156), wordt ingevolge de wet modernisering van de algemene milieuregels voor inrichtingen (zie onderdeel 6.1) expliciet bepaald dat inrichtingen als bedoeld in deze richtlijn vergunningplichtig zijn. Om eventuele strijdigheid met de IPPC-richtlijn op voorhand uit te sluiten, is dit besluit niet van toepassing op IPPC-inrichtingen. Deze inrichtingen vallen derhalve niet onder de begripsbepalingen van inrichting type A, inrichting type B en inrichting type C (zie artikelsgewijze toelichting bij artikel 1.1).

Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG (PbEG L 175, hierna: de MER-richtlijn) vereist dat projecten die nadelige effecten voor het milieu kunnen hebben, aan een individuele beoordeling van de milieu-effecten worden onderworpen. Het Activiteitenbesluit doet ook aan deze richtlijn niets af, omdat bij het bepalen van de reikwijdte van het besluit, evenals voorheen het geval was, de criteria van de MER-richtlijn expliciet zijn meegewogen.

De richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, PbEG L 103 (hierna:de Vogelrichtlijn) respectievelijk richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, PbEG L 206, hierna: de Habitatrichtlijn) vereisen dat voor sommige plannen of projecten onderzoek wordt gedaan naar de gevolgen van het plan of project voor een Natura 2000-gebied. Sinds de inwerkingtreding op 1 oktober 2005 van de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Stb. 195), regelt de Natuurbeschermingswet 1998 dat een vergunning op basis van die wet vereist is voor projecten die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een dergelijk gebied kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zulke projecten zijn in elk geval plannen die de natuurlijke kenmerken van het gebied kunnen aantasten. Voor plannen geldt een vergelijkbare bepaling, waarbij goedkeuring of overeenstemming met de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dient te worden verkregen. Dit betekent dat een plan of project waarvoor een individuele beoordeling op basis van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn is vereist, in ieder geval individueel wordt beoordeeld in het kader van de vergunning of goedkeuring op basis van de Natuurbeschermingswet 1998. Het Activiteitenbesluit bevat derhalve geen aanvullende regeling op dit punt.

Richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L327) (hierna: Kaderrichtlijn water) heeft als doel de bescherming van oppervlaktewater en grondwater. Hiertoe is in de Kaderrichtlijn water bepaald dat de lidstaten - in beginsel in het jaar 2015 - bepaalde milieudoelstellingen moeten bereiken. De milieudoelstellingen van de KRW zijn samen te vatten als: goede toestand van oppervlaktewater en grondwater. Deze doelstellingen zijn vastgelegd in diverse onderdelen van artikel 4 van de Kaderrichtlijn water, met bijbehorende uitzonderingsbepalingen. Dit regime is nog tamelijk abstract; voor de uitwerking wordt verwezen naar met name bijlage V van de Kaderrichtlijn. Uiteindelijk moet de toepassing van de bijlagen van de Kaderrichtlijn water, alsmede de vaststelling van dochterrichtlijnen voor prioritaire stoffen en voor grondwater in het jaar 2009 resulteren in concrete, gekwantificeerde doelstellingen. De ecologische doelstellingen zullen veelal geconcretiseerd worden per waterlichaam; de chemische doelstellingen worden vastgesteld in Europese of nationale regelingen. Op diverse plaatsen in de Kaderrichtlijn water is sprake van een maatschappelijk haalbare en kosteneffectieve aanpak; zonodig kan daartoe voor een of meer waterlichamen verlenging van de streeftermijn tot 2021 of 2026 plaatsvinden, dan wel een minder stringente doelstelling worden bepaald.

Op dit moment is dus nog niet duidelijk welke verplichtingen de Kaderrichtlijn water per waterlichaam nu concreet met zich meebrengt. Hierbij is mede van belang dat nog een aantal kaders nader moeten worden ingevuld, zoals de indeling in waterlichamen, alsmede het maatregelenpakket per stroomgebieddistrict dat - met publieke participatie - zal worden ontwikkeld om de milieudoelstellingen te realiseren en dat eveneens in 2009 zal worden vastgelegd. Mede in verband hiermee is in de Kaderrichtlijn water een aantal overgangsbepalingen opgenomen die erin voorzien dat `oude’ Europese richtlijnen inzake de bescherming van het oppervlaktewater en grondwater voorlopig nog ten dele van kracht blijven.

Ten aanzien van de bescherming van het oppervlaktewater betreft dit richtlijn 76/464 betreffende verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd. (Pb EG L129) (hierna: Richtlijn 76/464). Mede met het oog op Richtlijn 76/464 is in een aantal specifieke voorschriften ten aanzien van het lozen op of in de bodem voorzien.

Ten aanzien van de bescherming van het grondwater betreft dit Richtlijn nr. 1980/68/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PbEG L20) (hierna: Grondwaterrichtlijn). De Grondwaterrichtlijn beoogt de verontreiniging van grondwater te verminderen door middel van harmonisatie van regelgeving van de Lidstaten betreffende lozingen van bepaalde gevaarlijke stoffen in het grondwater en door totstandbrenging van een systematische controle op de grondwaterkwaliteit. Deze richtlijn heeft tot doel verontreiniging van het grondwater door stoffen van Lijst I en II te voorkomen en het zoveel mogelijk beperken of beëindigen van de gevolgen van de bestaande verontreiniging. Mede met het oog op de Grondwaterrichtlijn is in een aantal specifieke voorschriften ten aanzien van het lozen op of in de bodem voorzien.

Aangezien nog niet exact duidelijk is welke verplichtingen de Kaderrichtlijn Water met zich meebrengt is bij de activiteitspecifieke voorschriften in een aantal gevallen voorzien in striktere normering voor oppervlaktewateren die bijzondere bescherming behoeven (dit betreft oppervlaktewateren die niet bij ministeriële regeling zijn aangewezen als oppervlaktewateren die geen bijzondere bescherming behoeven). Ook is, daar waar het bij activiteitspecifieke voorschriften mogelijk wordt geacht dat de verplichtingen van de Kaderrichtlijn in specifieke gevallen tot verdergaande voorschriften zouden kunnen leiden, in mogelijkheid van het stellen van maatwerkvoorschriften voorzien.

Voor de overige lozingen of aspecten van lozingen vormt de zorgplichtbepaling de mogelijkheid om zo nodig lozingen in overeenstemming te brengen met het vereiste van de Kaderrichtlijn.

Daarnaast strekken de genoemde richtlijnen mede ter implementatie van artikel 6 van het Verdrag van Aarhus (Trb. 2001, nr. 73), dat handelt over inspraak in besluiten over het al dan niet toestaan van specifieke activiteiten. Op grond van artikel 6 moet, als (in de nationale wetgeving) een vergunningprocedure in het leven is geroepen voor in bijlage I bij het verdrag vermelde activiteiten, voldaan zijn aan de eisen die in artikel 6 van het verdrag ten aanzien van inspraak zijn opgenomen. Artikel 9, tweede lid, van het verdrag koppelt vervolgens de eis van rechtsbescherming tegen besluiten over specifieke activiteiten direct aan de reikwijdte van artikel 6. In andere gevallen dan de hiervoor bedoelde gevallen staat de tekst van het Verdrag van Aarhus niet aan een overgang naar algemene regels in de weg.

10. Terugdringen van administratieve lasten en de gevolgen voor de bestuurlijke lasten en de burger

Het kabinet Balkenende-II heeft als doelstelling om de administratieve lasten uiterlijk in 2007 met 25% terug te dringen. Tijdens de totstandkoming van het onderhavige besluit zijn de gevolgen van de nieuwe voorschriften bezien op hun gevolgen voor de administratieve en bestuurlijke lasten. Voor wat betreft de administratieve lasten lag hieraan een gedetailleerde nulmeting ten grondslag. Deze ontbrak voor de bestuurlijke lasten en is daarom geschat. Vervolgens is gekeken naar de wijzigingen ten opzichte van de voormalige voorschriften en welke gevolgen deze hebben voor de bestuurlijke lasten. Tot slot wordt ingegaan op de lasten voor burgers.

10.1 De administratieve lasten

In het kader van het voorontwerp van dit besluit is onderzoek gedaan naar de administratieve lasten en de bestuurlijke lasten9. Ten opzichte van het voorontwerp is een aantal wijzigingen doorgevoerd die gevolgen hebben voor de administratieve lasten. Deze wijzigingen zijn tevens onderzocht en in de volgende tekst opgenomen. Wat betreft de administratieve lasten kan het volgende worden geconcludeerd. In de nulmeting zijn de totale lasten als gevolg van de Wm-vergunning en de 8.40-AMvB’s geraamd op € 817 miljoen per jaar. Bij implementatie van het onderhavige besluit zullen deze lasten worden gereduceerd tot € 591,3 miljoen per jaar, hetgeen overeenkomt met een bedrag van € 225,7 miljoen per jaar ofwel een reductie van 27%. Met deze reductie wordt aldus ruimschoots voldaan aan bovengenoemde kabinetsdoelstelling, zoals deze is geprognosticeerd aan de Tweede Kamer10. Hierbij dient bovendien te worden opgemerkt dat reductie van de administratieve lasten als gevolg van de omgevingsvergunning hierbij niet is meegenomen11.

Bovendien worden in dit besluit algemene regels gesteld voor activiteiten op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewater (Wvo). Gevolg hiervan is de bedrijven die onder de reikwijdte van dit besluit vallen niet meer genoodzaakt zijn een vergunning op basis van de Wvo aan te vragen. Deze verandering betekent een additionele vermindering van de administratieve lasten met € 14 miljoen euro. Deze additionele reductie, die wordt toegerekend aan de reductietaakstelling van het van ministerie van Verkeer en Waterstaat, betekent dat de totale reductie als gevolg van dit besluit uitkomt op € 238 miljoen per jaar.

Het hierboven genoemde bedrag van € 225,7 miljoen per jaar kan als volgt worden verbijzonderd:

- een reductie van € 177,5 miljoen als gevolg van (1) het vergroten van de reikwijdte waardoor meer Wm-vergunningplichtige bedrijven onder de werking van het besluit komen te vallen, en (2) het onderscheid tussen het regulier regime (type B-inrichtingen) en het lichte regime (type A-inrichtingen), waardoor 68.000 bedrijven niet meer meldingsplichtig zijn;

- een reductie van € 48,2 miljoen als gevolg van het vereenvoudigen van verschillende informatieverplichtingen zoals het terugbrengen van keuringsfrequenties en het afschaffen van een aantal onderzoeksverplichtingen en voorschiften.

Meer specifiek leiden de volgende zaken in ieder geval tot significante reducties van de administratieve lasten.

- In het kader van een scherpere afbakening tussen de regelgeving op het gebied van milieu, bouwen en brandveiligheid is besloten de algemene regeling met betrekking tot brandblusmiddelen exclusief te regelen in het toekomstige Besluit gebruik bouwwerken. In het activiteitenbesluit zijn hierover geen voorschriften meer opgenomen. In het toekomstige Besluit gebruik bouwwerken zal de keuringsfrequentie worden verlaagd van eens per jaar naar een keer per twee jaar. Dit heeft een reductie van € 33 miljoen tot gevolg.

- Het niet meer laten terugkomen van de regeling omtrent afvalpreventie heeft een reductie van € 4,5 miljoen tot gevolg.

- Het vervallen van de verplichting tot het uitvoeren van voor waterbesparingsonderzoek levert een reductie op van € 2,7 miljoen.

- Verlenging van de keuringsinterval voor stookinstallaties van jaarlijks naar tweejaarlijks levert een reductie op van € 90.000.

- Voor circa 68.000 inrichtingen is de meldingsplicht vervallen. Het betreft hier het grootste gedeelte van de bedrijven die onder het voormalige Besluit woon- en verblijfsgebouwen vielen (kantoren, zorginstellingen, religieuze gebouwen en een deel van de scholen), de minder milieurelevante detailhandel en horeca, de parkeergarages en stallingsbedrijven. Voorts betreft dit een aantal voorzieningen en activiteiten zoals het opslaan van propaan en de rioolpoldergemalen. Hiermee wordt een reductie gerealiseerd van € 17 miljoen.

- Het vervallen van de bodemonderzoeken bij aanpassing van de inrichting. Deze onderzoeken worden thans alleen vereist bij oprichting van de inrichting. Hiermee wordt een reductie gerealiseerd van € 1,4 miljoen.

Als gevolg van het Activiteitenbesluit ontstaan initiële lasten door de noodzakelijke kennisname van de nieuwe regelgeving voor circa 320.000 inrichtingen. Het ministerie van VROM ontwikkelt een ICT-middel om deze inrichtingen daarmee te helpen; momenteel wordt gewerkt aan de operationalisering van dat systeem. Naar verwachting zal dit instrument een belangrijke bijdrage leveren aan de eenvoudige kenbaarheid van het nieuwe systeem, zeker gezien het grote aantal inrichtingen dat onder de reikwijdte van het nieuwe stelsel komt te vallen. Door dit ICT-middel kunnen bedrijven met gerichte vragen in relatief korte tijd de voor hen relevante voorschriften verkrijgen. Dit systeem wordt getest met ondernemers uit het bedrijfsleven en met de bevoegde gezagsinstanties.

Het Adviescollege Administratieve Lasten (ACTAL ) heeft op basis van het voorontwerp geadviseerd het Activiteitenbesluit in te dienen nadat met hun opmerkingen rekening is gehouden. Het College prijst de aanpak en adviseert de eenmalige administratieve lasten zoveel mogelijk te beperken. Bij de ontwikkeling van het ondersteunende ICT-systeem en de voorlichting zal hiermee rekening worden gehouden. ACTAL heeft nog een aantal andere opmerkingen gemaakt die de keuring van de brandblusmiddelen betreffen en de frequentie van de akoestische onderzoeken en de bodemonderzoeken. Op basis van het Activiteitenbesluit is ten opzichte van het voorontwerp en de voormalige 8.40-AMvB’s thans in minder gevallen een nulsituatie-bodemonderzoek nodig. De regeling omtrent de akoestische onderzoeken is gewijzigd waardoor het automatisme van het vragen van een dergelijk onderzoek in een aantal gevallen wordt vervangen door een actief besluit van het bevoegde gezag. Voor wat betreft de mogelijkheden voor het stellen van maatwerkvoorschriften en de gemeentelijke verordening voor geluid, ziet ACTAL een risico voor de administratieve lasten en adviseert het om de wijze waarop de decentrale overheden omgaan met hun bevoegdheden te monitoren en zonodig bij te sturen. Deze suggestie is overgenomen en mede om deze reden is in het onderhavige besluit een evaluatiebepaling opgenomen. Zes jaar na inwerkingtreding zal dit besluit geëvalueerd worden. Deze termijn is gekozen omdat voor de inwerkingtreding een aantal bepalingen voor thans vergunningplichtige bedrijven en nadere eisen een overgangstermijn van drie jaar geldt. Pas na deze drie jaar treedt het besluit in zijn volle omvang in werking. Een zinvolle evaluatie zal na nog eens drie jaar mogelijk zijn.

10.2 Bestuurlijke lasten

Uitgangspunt bij het opstellen van het besluit is geweest dat de bestuurlijke lasten niet mogen toenemen. Tijdens de totstandkoming zijn dan ook niet alleen de gevolgen voor de administratieve, maar ook die voor de bestuurlijke lasten in beeld gebracht. In het kader van het inschatten van de bestuurlijke lasten is een indicatieve berekening gemaakt die de oude 8.40-AMvB’s veroorzaken en de veranderingen die hierin zullen plaats vinden als gevolg van het onderhavige besluit. Voor dit indicatieve onderzoek is een aantal interviews uitgevoerd met gemeenten. De resultaten hiervan zijn geverifieerd. De bestuurlijke lasten zijn voor de huidige situatie geschat op € 127 miljoen per jaar. De reductie als gevolg van het activiteitenbesluit wordt geraamd op ongeveer € 6,3 miljoen per jaar. Kort samengevat is enerzijds sprake van een afname van deze lasten doordat ruim 20.000 inrichtingen geen vergunning meer behoeven aan te vragen en kunnen volstaan met een melding en het vervallen van de meldingplicht voor 68.000 bedrijven (zie hiervoor). Anderzijds leidt het besluit tot een (geringe) toename wegens:

- het bepalen welke voorschriften van toepassing zijn op inrichtingen die voor de eerste maal onder de reikwijdte van het besluit worden gebracht;

- het bepalen of een geluidsonderzoek noodzakelijk is. Anders dan voorheen het geval was, kan het bevoegde gezag pas een geluidsonderzoek eisen indien - bijvoorbeeld met behulp van een korte berekening - aannemelijk is gemaakt dat een overschrijding van de geluidsnormen waarschijnlijk is;

- een groter accent op toezicht wegens het gebruik van doelvoorschriften en de verminderde mogelijkheden voor maatwerk in vergelijking met de aan de vergunningen verbonden voorschriften.

10.3 Gevolgen voor de burger

Onderstaand wordt ten eerste een inschatting gegeven van de administratieve lastenreductie voor burgers. De veranderingen van de regelgeving zijn niet van toepassing op burgers en zullen dan ook geen direct effect hebben op de administratieve lasten voor deze doelgroep. Het is mogelijk dat de lasten voor deze doelgroep iets zullen dalen door de verlaging van het aantal inrichtingen dat een Wm-vergunning aan dient te vragen en de daarmee verband houdende mogelijkheden om tegen deze vergunningen bezwaar en beroep aan te tekenen. In de huidige situatie worden jaarlijks naar schatting 20.000 procedures doorlopen voor de Wm-vergunning12. Naar schatting 45% van deze procedures wordt gestart door een (georganiseerde) burger. Door de het Activiteitenbesluit zal het aantal procedures voor (georganiseerde) burgers dalen van 9.000 naar 7.200 (20% minder Wm-vergunningplichtige bedrijven). De kosten van een procedure kunnen zeer verschillen. Exacte cijfers hierover zijn niet bekend. Aangenomen wordt echter dat deze kosten beperkt zijn omdat de meeste procedures niet tot een beroepszaak leiden. Op basis van eerdere onderzoeken in het kader van administratieve lasten wordt aangenomen dat de kosten gemiddeld circa 10 uur en € 500 per procedure bedragen. De administratieve lastenreductie voor burgers wordt hiermee zeer globaal geschat op 18.000 uur en € 900.000.

Overigens stuit het vervallen van inspraak- en beroepsmogelijkheden bij de overgang van vergunningverlening naar algemene regulering vanuit de bredere optiek van inspraak en rechtsbescherming niet op overwegende bezwaren. Het gaat hier om gevallen en activiteiten die in hoge mate vergelijkbaar zijn, waardoor algemene regulering mogelijk wordt - en ook het meest efficiënt is. Indien een vergunning grotendeels bestaat uit voorschriften die standaard in dergelijke vergunningen worden opgenomen, heeft inspraak op een ontwerpvergunning weinig toegevoegde waarde. Algemene regulering ligt dan voor hand en heeft uit een oogpunt van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid de voorkeur boven een individuele benadering. Deze benadering stuit ook niet op Europeesrechtelijke bezwaren. Voor zover het Europese recht een individuele beoordeling vereist, vallen inrichtingen niet onder de algemene regels. Mocht in voorkomende gevallen overigens behoefte bestaan aan maatwerk, dan kan het bevoegd gezag in een concreet geval nadere, aanvullende of zelfs afwijkende voorschriften stellen. Daarbij staat ingevolge het wetsvoorstel inspraak en rechtsbescherming open. Het stellen van maatwerkvoorschriften is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, dat wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en waartegen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter.

11. Bedrijfs- en milieueffecten

11.1 Bedrijfseffecten

Het Activiteitenbesluit heeft directe invloed op alle 300.000 bedrijven die voorheen te maken hadden met de oude 8.40-AMvB’s en op zo’n 20.000 bedrijven die voorheen Wm-vergunningplichtig waren. Ook zal voor circa 1300 bedrijven de Wvo-vergunning vervallen. Voor de eerste categorie inrichtingen zal er materieel weinig veranderen, met dien verstande dat de hierboven onder punt 10 beschreven vermindering van rapportage- en onderzoeksverplichtingen ook voor deze inrichtingen van toepassing is. Betreffende inrichtingen behoeven ook niet opnieuw te worden gemeld.

De voorschriften voor circa 20.000 bedrijven die voorheen vergunningplichtig waren en die thans onder de werking van het Acitiviteitenbesluit komen te vallen, zijn in nauw overleg met de betrokken sectoren, de brancheorganisaties en de bevoegde gezagsinstanties tot stand gekomen. Dit geldt met name voor de metalectrosector. Door het vervallen van de vergunningplicht hoeven deze bedrijven geen oprichtings-, c.q. veranderingsvergunning meer aan te vragen bij het bevoegd gezag. Het achterwege blijven van de vergunningprocedure betekent behalve een administratieve-lastenvermindering ook een financiële-lastenbesparing, omdat een vergunningprocedure in het algemeen meer kosten met zich meebrengt dan een melding op grond van de algemene regels. Ook levert het vervallen van de procedure van de vergunning tijdswinst op voor een bedrijf dat op korte termijn wil starten of een wijziging wil doorvoeren. Daarnaast zijn voor deze categorie van bedrijven de exploitatiekosten van de algemene regels in vergelijking met de vergunning aanzienlijk lager.

Bij het in werking treden van het activiteitenbesluit in 2007 zullen in totaal circa 320.000 inrichtingen moeten voldoen aan de betreffende voorschriften. Het streven is erop gericht om nog meer bedrijven onder algemene regels te brengen zodat de vergunningplicht vervalt. Dit zal gebeuren in de tweede tranche die vanaf 2010 in werking zal treden (zie hiervoor ook onderdeel 1).

Het activiteitenbesluit heeft geen effect op het totaal aantal bedrijven dat onder de werkingssfeer van de Wm valt. Het Inrichtingen en vergunningbesluit waarin de inrichtingen worden aangewezen ‘die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken’ en waarvoor algemene regels dan wel de vergunningplicht geldt, wordt op dit punt niet gewijzigd. Er is alleen sprake van een verschuiving van vergunningplicht naar algemene regels.

Voor wat betreft de voorheen vergunningplichtige bedrijven die thans door het activiteitenbesluit worden bestreken, gaat het naar schatting om de volgende typen en aantallen van bedrijven:

1. de metalectro-sector waarbij ten minste 8.000 voorheen vergunningplichtige bedrijven onder het besluit komen te vallen;

2. inrichtingen die automatisch onder de werking van het besluit vallen omdat het ‘in hoofdzaak criterium’ vervalt. Bij de voormalige 8.40-AMvB’s was een inrichting vergunningplichtig wanneer deze onder twee of meerdere besluiten viel (zogenaamde combinatiebedrijven). Het betreft ongeveer 6000 bedrijven. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om tandartspraktijken die in een verzamelgebouw gevestigd zijn, garages met een tankstation en bouwbedrijven met een winkel. Dergelijke inrichtingen zijn nu formeel vergunningplichtig maar werden voorheen door gemeenten overigens vaak onder een oude 8.40-AMvB gebracht;

3. door het ophogen van de zogenaamde uitsluitcriteria en door het schrappen van veel irrelevante bovengrenzen zal nog eens een groot aantal bedrijven onder het besluit komen te vallen. Het betreft circa 6000 inrichtingen zoals grond-, weg- en waterbouw en grondverzet, opslagdepots aan het oppervlaktewater, tandtechnische laboratoria, bromfietsherstellers, kattenpensions, dierenwinkels, uitvaartondernemers en zeefdrukkerijen. Ook vervalt hierdoor de vergunningplicht voor veel middelgrote bedrijven, zoals bungalowparken, campings, recreatieparken, sportparken, televisiestudio’s, wasserijen, houtbedrijven, opslag- en transportbedrijven.

11.2 Milieueffecten

Met het Activiteitenbesluit wordt invulling gegeven aan het streven van het kabinet naar minder, eenvoudiger en effectievere regels en naar vermindering van administratieve lasten. Dit streven wordt niet alleen ingegeven door economische motieven maar ook door het besef dat modernisering van de regelgeving noodzakelijk is om het draagvlak voor het milieu te behouden.

Bij het opstellen van het activiteitenbesluit gold als uitgangspunt dat de vereenvoudiging en versobering van de regels niet mag leiden tot een lager niveau van milieubescherming. Dit zowel voor de bedrijven die al eerder onder algemene regels vielen als voor de bedrijven voor wie de vergunningplicht nu wordt vervangen door algemene regels.

Voor de eerst genoemde categorie bedrijven zijn de milieudoelen overgenomen die werden nagestreefd met de voorheen geldende sectorgewijze 8.40-AMvB’s. De wijze waarop deze milieudoelen gehaald moesten worden of de wijze waarop zeker gesteld werd dat het milieudoel werden gehaald, is in een aantal gevallen wel gewijzigd. Kernbegrippen hierbij zijn flexibiliteit en versobering van onderzoeks- en controleverplichtingen. Flexibiliteit wordt bereikt door bedrijven meer mogelijkheden te geven zelf te bepalen hoe zij concrete doelen - bijvoorbeeld een maximale concentratie aan metalen in het afvalwater - bereiken. Een voorbeeld van de versobering van controle verplichtingen is het veralgemeniseren van de beperking van de keuringsfrequentie van vloeistofdichte vloeren van het Besluit Inspectie vloeistofdichte vloeren. Deze verlaging is mogelijk omdat ook bij een lagere keuringsfrequentie het milieudoel, het voorkomen van bodemverontreiniging door het toepassen van vloeistofdichte vloeren, niet in het gedrang komt.

Voorschriften in de bestaande AMvB’s die in de praktijk niet goed uitvoerbaar of handhaafbaar bleken, zijn aangepast of geschrapt. Waar met betrekking tot dezelfde activiteit verschillende voorschriften waren opgenomen, zijn deze geharmoniseerd conform de systematiek van de Wm, hetgeen betekent toepassing van de beste beschikbare technieken betekent. Zoals aangegeven wordt door deze flexibilisering, versobering en stroomlijning van de voorschriften het niveau van milieubescherming niet aangetast. Eerder zal het een positief milieu-effect hebben omdat toezicht en handhaving effectiever kunnen plaatsvinden (meer focus, beter handhaafbaar) en ook omdat het draagvlak voor de regels is vergroot.

Voor de bedrijven in de metalectrosector die niet eerder onder de algemene regels vielen, geldt in grote lijnen hetzelfde als voor de bedrijven waarvoor al eerder een 8.40-AMvB was opgesteld. Bij het verlenen van vergunningen aan metalectrobedrijven geldt als uitgangspunt het toepassen van beste bestaande technieken uitgewerkt in branchedocumenten, zoals het Werkboek milieumaatregelen metalectro, de rapporten van de Commissie Integraal Waterbeheer en de NeR. Bij het opstellen van het Activiteitenbesluit is van dezelfde uitgangspunten en documenten uitgegaan, waardoor voor de onder dit besluit vallende bedrijven eenzelfde niveau van milieubescherming is gegarandeerd in vergelijking met de als vroegere situatie, waarbij de vergunningplicht gold.

Van het schrappen van de verplichting tot melding bij circa 68.000 bedrijven wordt geen negatief milieueffect verwacht. Het betreft hier bedrijven die in de praktijk slechts een zeer beperkte invloed op het milieu hebben zoals kantoren, zorginstellingen, religieuze gebouwen en een deel van de scholen. In de praktijk is gebleken dat de vroegere meldingsplicht in het overgrote deel van de gevallen niet werd nageleefd en dat dit niet aantoonbaar tot (milieu)problemen leidde.

12. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

12.1 Tot wie richt het besluit zich?

Het onderhavige besluit richt zich op inrichtingen die onder de oude 8.40-besluiten vielen en omvat ook een groot aantal bedrijven uit de metalectro-sector en een aantal kleinere bedrijven dat wegens de uitsluitcriteria niet onder de reikwijdte van die oude besluiten vielen en derhalve vergunningplichtig waren. Degene die de inrichting drijft is ervoor verantwoordelijk dat de voorschriften van het onderhavige besluit worden nageleefd. Evenals bij oude 8.40-besluiten blijft de gemeente het bevoegd gezag, en heeft op grond van artikel 18.2, eerste lid van de Wm onder andere tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de voor degene die de inrichting drijft op grond van de Wm geldende voorschriften.

Zoals hiervoor ook is uiteengezet (zie onderdeel 3.5), is dit besluit mede gebaseerd is op de Wvo. In het kader van het onderhavige Activiteitenbesluit betekent dit dat ook met betrekking tot lozingen algemene voorschriften van toepassing zijn in plaats van vergunningvoorschriften. In aansluiting bij de reikwijdte ingevolge de Wvo is voorzien in een verbreding van de normadressaat door deze voor wat betreft het (in)direct lozen in oppervlaktewater als bedoeld in de Wvo niet enkel te beperken tot degene die de inrichting drijft, maar te verbreden tot een ieder die vanuit de desbetreffende inrichting loost. Voor zover sprake is lozingen die onder de Wvo vallen is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag, die op grond van artikel 29 van de Wvo onder andere tot taak heeft zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bij of krachtens de Wvo brengen van stoffen in oppervlaktewateren.

12.2 Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Bij de totstandkoming is veel aandacht besteed aan verbetering van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het onderhavige besluit en de daarin opgenomen voorschriften.

Bij de aanvang van het traject zijn de knel- en verbeterpunten bij de oude 8.40-AMvB’s geïnventariseerd. Met de vertegenwoordigers van zowel het bedrijfsleven als de decentrale overheden is uitvoerig overleg gevoerd over de voorschriften en de uitvoerbaarheid van het besluit. De in dat kader gedane suggesties zijn waar mogelijk meegenomen bij de formulering van de voorschriften. In vergelijking met de oude 8.40-AMvB’s heeft dit geleid tot een grotere toegankelijkheid.

Ook voor wat betreft de lozingen op of in de bodem en lozingen die onder de Wvo vallen, zijn bij de voorbereiding van dit besluit de knel- en verbeterpunten in relatie tot handhaving beschouwd. Met betrekking tot bepaalde categorieën directe lozingen op of in de bodem of in het oppervlaktewater is de handhaafbaarheid van dit besluit verbeterd. Het betreft met name de lozingen van afvloeiend hemelwater en grondwater. Zo was vóór de inwerkingtreding van dit besluit de regelgeving ten aanzien van afvloeiend hemelwater onvoldoende duidelijk. De lozing van niet verontreinigd afvloeiend hemelwater was in beginsel toegestaan; voor verontreinigd afvloeiend hemelwater was een individuele toestemming vereist. Onduidelijk was echter wat onder «niet verontreinigd» moest worden verstaan. Strikt genomen bevat elk geloosd afvloeiend hemelwater en grondwater enige mate van verontreiniging. Het milieuhygiënisch effect van die verontreiniging is echter veelal dusdanig beperkt, dat zowel door bevoegde instanties als burgers de voor de individuele toestemming benodigde procedure niet werd gevolgd. Dat maakte handhaving problematisch. Van het onderscheid tussen ‘verontreinigd’ en ‘niet-verontreinigd’ is daarom in dit besluit afgestapt.

Enkele belangrijke veranderingen als gevolg van de modernisering van algemene regels worden onderstaand expliciet toegelicht.

- meer uniformiteit

Door het Activiteitenbesluit is de handhaafbaarheid eenvoudiger geworden omdat meer inrichtingen onder een uniform systeem van algemene regels vallen. Hierdoor wordt voorkomen dat verschillende ondernemers voor dezelfde activiteiten met verschillende voorschriften worden geconfronteerd zonder dat daarvoor objectieve redenen zijn aan te geven.

- nadere regels bij ministeriële regeling

Bedoeling van de mogelijkheid bij ministeriële regeling regels te stellen is een niet-limitatieve lijst van middelvoorschriften waarmee de ondernemer aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen doelvoorschriften kan voldoen. Door het bedrijfsleven is om dit systeem verzocht in verband met de voorkeur van kleine en middelgrote bedrijven voor middelvoorschriften. Ook gemeenten zijn hier voorstander van in verband met de handhaafbaarheid. Bij dergelijke middelvoorschriften bepaalt het in het besluit opgenomen doelvoorschrift hoofdzakelijk zowel het milieubeschermingsniveau als de inspanningen van de ondernemer. Wegens de voortdurende technische ontwikkelingen betekent deze wijze van regulering dat innovatiemogelijkheden snel en eenduidig door kunnen werken in de nieuwe voorschriften. De aanpassing van de ministeriële regeling zal geschieden na overleg met het betrokken bedrijfsleven en de betrokken overheden. Naar verwachting zal deze wijze van regulering bijdragen aan verbetering van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

- vervallen meldingplicht

Door het vervallen van de meldingplicht is het theoretisch mogelijk dat het bevoegd gezag niet door middel van een melding geattendeerd op het oprichten of veranderen van een inrichting. Toch zal dit negatieve effect zich in de praktijk naar verwachting in zeer beperkte mate voordoen. Zoals hierboven al is opgemerkt bij de beschrijving van de zogenaamde type A-inrichting, betreft het slechts inrichtingen die weinig milieurelevante activiteiten verrichten, zoals kantoorgebouwen en kledingzaken. Voor toezicht op en de handhaving van de milieuvoorschriften zijn deze inrichtingen derhalve minder relevant, terwijl de mogelijkheid om te kunnen optreden in geval van overlast blijft bestaan nu het algemeen deel van het Activiteitenbesluit gewoon van toepassing blijft. Daarbij komt dat bij dit type inrichting handhaving in het verleden veelal plaatsvond naar aanleiding van klachten. Overigens worden gegevensbestanden in toenemende mate gekoppeld, waardoor gemeenten ook langs andere weg eenvoudig van het bestaan van dergelijke inrichtingen op de hoogte kunnen zijn.

- gelijkwaardige maatregelen

Ook de mogelijkheid om gelijkwaardige maatregelen toe te passen is uit het oogpunt van handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid positief. De oude 8.40-AMvB’s bevatten deze mogelijkheid slechts op enkele punten. Het ontbreken van deze mogelijkheid kon soms leiden tot het ontstaan van gedoogsituaties waar een algemeen geformuleerd voorschrift in een specifiek geval onredelijk uitpakte, maar er binnen de regelgeving geen mogelijkheid was om deze te nuanceren. Deze mogelijkheid was bovendien beperkt tot toe te passen middelen. De nu gekozen formulering biedt ook ruimte om bijvoorbeeld gelijkwaardige werkwijzen toe te staan. Hierdoor wordt voorkomen dat een bedrijf in kader van de handhaving formeel aangesproken moet worden op het niet naleven van een bepaald voorschrift, terwijl het bedrijf wel gelijkwaardige maatregelen gebruikt om het milieu adequaat te beschermen.

Voorafgaande toestemming om een dergelijke gelijkwaardige maatregel toe te passen is slechts noodzakelijk voor zover sprake is van een alternatief voor een verplichte maatregel; voor een alternatief voor een erkende maatregel is geen voorafgaande toestemming noodzakelijk (zie onderdelen 6.5 en 6.7).

12.3 Zorgplicht

Wat betreft de handhaving van de zorgplicht wordt verwezen naar de algemene toelichting (onderdeel 6.6), waarin uitgebreid op de zorgplicht in ingegaan. Resumerend kan worden gesteld dat de zorgplicht fungeert als vangnet omdat in het onderhavige besluit geen voorschriften zijn opgenomen voor de minder milieurelevante activiteiten of aspecten of de meer theoretische handelingen. In dergelijke gevallen heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om direct met toepassing van de zorgplichtbepaling te handhaven of een maatwerkvoorschrift te stellen. Direct handhavend optreden is aan de orde wanneer het belang van de bescherming van het milieu wordt geschaad als gevolg van handelen, waarbij degene die de inrichting drijft in redelijkheid had kunnen overzien dat er sprake is van strijd met de in de zorgplichtbepaling verwoordde belangen van de bescherming van het milieu.

Indien degene die de inrichting drijft in redelijkheid niet had kunnen weten dat door zijn handelen het belang van bescherming van het milieu wordt geschaad, ligt direct handhavend optreden met gebruik van de zorgplichtbepaling minder voor de hand. Het stellen van een maatwerkvoorschrift biedt partijen de gelegenheid in overleg te treden en om een grens te stellen die alle partijen duidelijkheid biedt.

Overigens is het uiteraard ook zeer wel mogelijk dat de lozer na overleg met het bevoegd gezag zelf vrijwillig besluit om bepaalde maatregelen te treffen, zodat het stellen van een maatwerkvoorschrift niet nodig is. Wanneer wel een maatwerkvoorschrift wordt gesteld, kan deze vervolgens op dezelfde manier gehandhaafd worden als de overige voorschriften uit het besluit. Het bedrijf heeft in de procedure van het maatwerkvoorschrift de gebruikelijke middelen om tegen de eisen in te gaan, wanneer deze in zijn ogen onredelijk zouden zijn.

12.4 Omvang en mogelijkheden tot controle

De mate waarin dit besluit wordt nageleefd is deels afhankelijk van de relatie tussen enerzijds de gemeente en de waterkwaliteitsbeheerder en anderzijds het bedrijf, de frequentie van de contacten en de wijze van toezicht. De gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders blijven zelf verantwoordelijk voor de toezicht en controle op de naleving van het onderhavige besluit. Veelal wordt gewerkt met stappenschema’s met een getrapte aanpak bij de handhaving van de 8.40-inrichtingen. De mate van controle is primair afhankelijk van de prioritering van de milieutaken van gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders.

Naast de bestuurlijke aanpak kan ook via het strafrecht worden opgetreden op grond van de Wet op de economische delicten (zie artt. 1a en 2). Indien sprake is van een reële keuze tussen beide stelsels, zal per individueel geval in overleg met de betrokken instanties moeten worden bepaald welke weg het meest aangewezen is.

13. Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure

[PM]

14. Notificatie

Het ontwerpbesluit is op [PM] gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer .../.../NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

De volgende bepalingen bevatten vermoedelijk technische voorschriften: PM

Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; ze zijn evenredig en, daar waar nodig, voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning.

Het ontwerpbesluit is niet aan de WTO gemeld, omdat het in dat kader geen significante gevolgen heeft.

1 PM TK 2005-2006, 30 483, nr. 5.

2 PM TK 2005-2006, ...

3 Hiertoe is het Ontwerpbesluit inzake efficiënter gebruik geluidsruimte op gezoneerde industrieterreinen voorgepubliceerd (Staatscourant 9 maart 2006, nr. 49).

4 Nr. 200403885/1 van 18 mei 2005.

5 Zie bijvoorbeeld de beleidsbrief bodem, TK 2003/04, nr. 28 663, nr. 13, p. 5.

6 Dit beginsel van het milieubeleid geeft aan dat de milieukwaliteit (in dit geval de bodemkwaliteit) als gevolg van menselijk handelen niet mag verslechteren.

7 Besluit van 19 februari 2005, Staatsblad 2005, nr. 99.

8 Het zogenaamde model 3, zie Kamerstukken II, 2004-2005, 29 383, nr.18, p.6 e.v.

9 Rapportage SIRA Consulting ten behoeve van ACTAL-toets.

10 Tweede Kamer, 2003-2004, 28 383 nr. 11.

11 Deze resultaten zijn weergegeven in de rapportage ‘Administratieve Lasten Omgevingsvergunning’, SIRA Consulting, januari 2006.

12 Zie SIRA-rapportage omgevingsvergunning.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk I Algemeen

Afdeling 1.1 Begripsbepalingen, reikwijdte en procedurele bepalingen

§ 1.1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1

In dit artikel zijn de algemene begripsbepalingen opgenomen. Hieronder wordt een aantal van deze nog verder toegelicht.

Bevoegd gezag

Voor inrichtingen die onder dit besluit vallen zijn in beginsel burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting is gelegen, in de regel het bevoegd gezag. Voor lozingen die onder de Wvo vallen is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag. Op de bevoegdheidsverdeling tussen de Wm en de Wvo met betrekking tot lozingen wordt ingegaan in paragraaf 3.4.1.

Inrichting type A, inrichting type B en inrichting type C

Het begrip inrichting is in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedefinieerd als elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Om onder de werking van dit besluit te vallen, moet de inrichting behoren tot een in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer genoemde categorie.

Drie typen inrichtingen vallen onder dit besluit (zie ook de algemene toelichting, paragraaf 3.4). Om te voorkomen dat er onduidelijkheid bestaat over welke voorschriften op welke inrichting van toepassing zijn, is onderscheid gemaakt tussen inrichtingen van het type A, B en C. In artikel 1.2 wordt vervolgens aangegeven aan welke voorschriften degene die een van deze typen inrichtingen drijft dient te voldoen.

Inrichtingen met een gpbv-installatie (ook wel IPPC-inrichtingen) vallen buiten de reikwijdte van dit besluit (zie voor de relatie tussen dit besluit en de IPPC-richtlijn de algemene toelichting). Op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de wet is het verboden een dergelijke inrichting op te richten, te veranderen (of de werking daarvan te veranderen) en in werking te hebben zonder een vergunning. Inrichtingen met een gpbv-installatie worden uitgesloten in de begripsbepaling van zowel inrichting type A, B als C. Dit betekent dat de AMvB niet van toepassing is op IPPC-inrichtingen.

Onder een inrichting type A wordt verstaan een inrichting die, behalve de in de begripsbepaling genoemde activiteiten, geen andere (deel)activiteiten, genoemd in hoofdstuk 3 en 4 van dit besluit of in de ministeriële regeling, verricht. Wanneer de inrichting geen andere dan de in de begripsbepaling genoemde activiteiten verricht, bestaat de verwachting dat de inrichting dusdanig weinig milieurelevant is dat het niet nodig is dat deze inrichting zich meldt bij het bevoegd gezag. Zie hierover de toelichting bij artikel 1.2.

Een inrichting type B betreft een inrichting waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de wet geldt. Hieronder vallen de inrichtingen die voorheen volledig vielen onder één van de 8.40-AMvB (oude stijl), die in dit besluit zijn opgenomen. Maar ook inrichtingen die bijvoorbeeld activiteiten met betrekking tot metaal verrichten, welke nieuw in deze AMvB zijn gereguleerd, zijn een inrichting type B, voor zover ze geen IPPC-inrichtingen zijn en niet genoemd worden in bijlage 2 bij deze AMvB. Op inrichtingen type B is geen andere 8.40-AMvB van toepassing, behalve het Vuurwerkbesluit, voor zover het gaat om het opslaan en herverpakken van minder dan 1000 kg consumentenvuurwerk. Het Vuurwerkbesluit is bijzonder omdat het niet de gehele inrichting reguleert maar slechts één deelaspect. Op een inrichting type B kan dus zowel dit besluit van toepassing zijn als de voorschriften uit het Vuurwerkbesluit, voor zover deze betrekking hebben op het opslaan en herverpakken van minder dan 1000 kg consumentenvuurwerk.

In de begripsbepaling van inrichting type B is expliciet aangegeven dat een dergelijke inrichting niet ook een inrichting type A of inrichting C kan zijn. Het is derhalve niet mogelijk dat een inrichting tegelijkertijd een inrichting van meerdere types is.

De inrichtingen type C betreffen de inrichtingen die activiteiten verrichten waarvoor dit besluit voorschriften bevat, maar waarop eveneens hetzij een vergunning, hetzij het Besluit landbouw milieubeheer of (een deel van) het Besluit glastuinbouw van toepassing is. Op deze inrichtingen zijn de voorschriften uit hoofdstuk 3 van dit besluit van toepassing. Tevens is hoofdstuk 4 van toepassing voorzover dit betrekking heeft op lozen in het oppervlaktewater. De voorschriften uit de hoofdstukken 1, 2 en 5 zijn slechts van toepassing, voor zover deze betrekking hebben op een activiteit waarvoor in hoofdstuk 3 voorschriften zijn gesteld, of een lozing in oppervlaktewater waarvoor voorschriften zijn gesteld in hoofdstuk 4. Wel is artikel 1.5 onder b van het besluit van toepassing omdat dit de delegatie naar de ministeriële regeling betreft van het stellen van voorschriften ten aanzien van de activiteiten die niet in het besluit zijn opgenomen.

In het Besluit landbouw milieubeheer zijn algemene regels opgenomen voor agrarische inrichtingen. Het Besluit landbouw milieubeheer zal tezijnertijd in dit besluit worden opgenomen (zie paragraaf 1.9 van dit besluit). Tot die tijd geldt voor inrichtingen die onder dat besluit vallen, dat ook de voorschriften uit hoofdstuk 3 van toepassing zijn op deze inrichtingen. Dit betekent bijvoorbeeld dat een argrarische inrichting die een windturbine aanwezig heeft, voor het aanwezig hebben daarvan moet voldoen aan de voorschriften van dit besluit. Voor het overige valt deze inrichting onder het Besluit landbouw milieubeheer.

Ook op de inrichtingen die onder het Besluit glastuinbouw vallen zijn de voorschriften uit hoofdstuk 3 van toepassing. Dit geldt zowel voor de vergunningplichtige (glastuinbouwbedrijf type A, zie artikel 2, onder b, van het Besluit glastuinbouw) als voor de niet-vergunningplichtige (glastuinbouwbedrijven type B, zie artikel 2, onder c, van het Besluit glastuinbouw) glastuinbouwbedrijven. De vergunningplichtige glastuinbouwbedrijven vallen onder de beschrijving ‘inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de wet’. Om ook de glastuinbouwbedrijven type B onder dit besluit te laten vallen is in de begripsbepaling opgenomen dat deze inrichtingen behoren tot inrichting type C.

Vergunning

Vergunning is gedefinieerd als de vergunning op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de wet. In het besluit wordt ook van vergunning gesproken indien sprake is van een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Indien van het laatste sprake is, is dit expliciet in de betreffende artikelen vermeld.

Tweede lid

Naast de in het eerste lid opgenomen begripsbepalingen, gelden nog meer begripsbepalingen bij de toepassing van dit besluit. Dit betreft de begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage 2. Vanwege de lengte van de lijst met deze meer technische begripsbepalingen is ervoor gekozen deze begripsbepalingen op te nemen in een bijlage. Dit komt de leesbaarheid van hoofdstuk 1 zeer ten goede. Zie voor de toelichting op deze begrippen de artikelsgewijze toelichting op bijlage 1.

§ 1.1.2 Reikwijdte en andere procedurele bepalingen

Artikel 1.2

Inrichtingen type A zijn inrichtingen die dusdanig weinig milieurelevant zijn dat het niet nodig is dat deze inrichtingen zich melden. Afdeling 1.2 is dan ook niet van toepassing op deze inrichtingen. Daarnaast volgt uit de begripsbepaling van inrichtingen type A dat hoofdstuk 3, 4 en artikel 1.5, onder b in beginsel niet van toepassing zijn, omdat indien sprake is van de daarin gereguleerde activiteiten geen sprake kan zijn van een dergelijke inrichting. Voor een aantal expliciet in de begripsbepaling genoemde activiteiten is echter een uitzondering gemaakt. Dit brengt met zich mee de voorschriften van hoofdstuk 3, 4 en artikel 1.5, onder b die betrekking hebben op (het deel van) de genoemde activiteitenwel op een inrichtingen type A van toepassing zijn.

Op inrichtingen type B is in principe het gehele besluit van toepassing. Het spreekt voor zich dat de voorschriften uit hoofdstuk 3 en 4 voor activiteiten die de inrichting niet verricht, niet relevant zijn voor de inrichting.

Voor een inrichting type C is allereerst artikel 1.3 van belang, om te bepalen of de inrichting vergunningplichtig is of niet. Van hoofdstuk 1, afdeling 1.1 en 1.2, hoofdstuk 2, afdeling 2.1 en 2.2, en hoofdstuk 5 van het besluit zijn alleen de voorschriften van toepassing die betrekking hebben op een activiteit uit hoofdstuk 3. In hoofdstuk 3 staan de voorschriften ten aanzien van de activiteiten die voorheen in het Besluit tandartspraktijken milieubeheer, in bijlage 1 van het Besluit voorzieningen en installaties en in bijlage I van het Besluit tankstations milieubeheer waren opgenomen. Deze besluiten waren gebaseerd op artikel 8.44 van de wet, waardoor de daarin opgenomen voorschriften ook van toepassing waren op vergunningplichtige inrichtingen. In navolging daarvan zijn deze voorschriften ook van toepassing op een inrichting type C. Hoofdstuk 3 is bovendien aangevuld met voorschriften ten aanzien van een aantal activiteiten met betrekking tot water die bij vele inrichtingen plaatsvinden (lozen van huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater) en waarvoor het wenselijk wordt geacht dat deze voorschriften ook bij inrichtingen type C gelden.

Voor inrichtingen type C geldt dat de overige voorschriften van dit besluit slechts van toepassing zijn, voor zover deze voorschriften betrekking hebben op een activiteit uit hoofdstuk 3, of een lozing in het oppervlaktewater in hoofdstuk 4. In het geval een inrichting onder het Besluit landbouw milieubeheer valt en een windturbine in werking heeft, dan geldt bijvoorbeeld de definitie van langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ook voor deze activiteit. Daarnaast zal het oprichten van een windturbine of de verandering van de werking daarvan, aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld overeenkomstig afdeling 1.2. Daarnaast is ook de delegatiebepaling met betrekking tot activiteiten die niet in het besluit geregeld worden van toepassing. Datzelfde geldt voor de zorgplicht uit artikel 2.1. Tot slot geldt het overgangsrecht van hoofdstuk 5 voor deze activiteit.

Voor het overige wordt de inrichting gereguleerd door de vergunning, het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit glastuinbouw.

Dit betekent dat, ook al verricht een inrichting type C een activiteit waarvoor in hoofdstuk 4 voorschriften zijn opgenomen, die voorschriften niet van toepassing zijn op de inrichting. Voor deze activiteit zullen voorschriften in de vergunning moeten worden opgenomen. Hierop bestaat één uitzondering: voorschriften met betrekking tot het lozen in het oppervlaktewater die in hoofdstuk 4 zijn opgenomen, gelden ook voor dergelijk lozen in het oppervlaktewater vanuit een inrichting type C. Hiervoor is gekozen omdat, wanneer dergelijke lozingen de enige lozingen in het oppervlaktewater vanuit de desbetreffende inrichting zouden zijn, hiervoor een afzonderlijke Wvo vergunning verleend zou moeten worden. Dit is uit oogpunt van administratieve lasten onwenselijk. De voorschriften die met betrekking tot het lozen in het oppervlaktewater in hoofdstuk 4 zijn opgenomen waarborgen ook bij inrichtingen type C een adequate bescherming van het milieu, zodat deze uitzondering op de hoofdregel dat de voorschriften van hoofdstuk 4 niet van toepassing zijn op een inrichting type C milieuhygiënisch verantwoord is.

Een en ander kan in het volgende schema worden weergegeven. Een X staat voor volledig van toepassing. Een (X) staat voor slechts van toepassing met betrekking tot een activiteit uit hoofdstuk 3, of een lozing in oppervlaktewater in hoofdstuk 4. X° staat voor activiteiten genoemd in de begripsbepaling van inrichting type A. Een (O) staat voor van toepassing op lozingen in het oppervlaktewater. Voor de volledigheid zijn ook de inrichtingen met een gpbv-installatie opgenomen in het schema. Op deze inrichtingen is het besluit niet van toepassing (zie paragraaf 3.1).

 

Hfdst. 1, Afd. 1.1

Hfdst. 1, Afd. 1.2

Hfdst. 2

Hfdst. 3

Hfdst. 4

Hfdst.5

Inrichting type A

X

-

X

X

Inrichting type B

X

X

X

X

X

X

Inrichting type C

(X)

(X)

(X)

X

(O)

(X)

IPPC-inrichtingen

-

-

-

-

-

-

Uit dit artikel kan naast de reikwijdte van het besluit voor elk type inrichting tevens worden afgeleid dat degene die de inrichting van het betreffende type inrichting drijft, de normadressaat van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften is. Binnen het stelsel van de milieuwetgeving wordt degene die de inrichting drijft, primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de voorschriften of de beperkingen die aan de inrichting zijn gesteld. In artikel 8.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer is dat expliciet verwoord in het kader van de vergunning. Ook in artikel 1.2 bewerkstelligt dat geen discussie behoeft te ontstaan over het feit dat degene die de inrichting drijft, ervoor zorg draagt dat de voorschriften worden nageleefd. Dat betekent dat degene die de eindverantwoordelijkheid voor het functioneren van de inrichting draagt, bouwkundige, technische of organisatorische maatregelen treft om te waarborgen dat de voorschriften worden nageleefd en dat milieubedreigende of -schadelijke situaties worden voorkomen. Een en ander laat onverlet dat zonodig ook tegen andere personen, zoals werknemers, strafrechtelijk kan worden opgetreden.

Het vierde lid heeft tot doel de meer beperkte reikwijdte ingevolge de Wet milieubeheer te verbreden tot de reikwijdte ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, zoals deze ook bij vigerende AMvB’s op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren wordt aangehouden. In die AMvB’s richten de algemene regels zich tot een ieder die `stoffen’ in het oppervlaktewater brengt.

Artikel 1.3

In de wet is in artikel 8.1, tweede lid, de mogelijkheid gegeven om naast de IPPC-inrichtingen ook andere categorieën van inrichtingen als vergunningplichtig aan te wijzen. Tot nu toe werkte het systeem andersom. In de 8.40 AMvB’s werd aangegeven of een inrichting onder de algemene regels viel. Doordat het systeem is omgekeerd is een lijst met categorieën van inrichtingen die vergunningplichtig zijn gemaakt. Deze lijst is in bijlage 1 opgenomen. Zie verder toelichting bij Bijlage 1.

Artikel 1.4

Met betrekking voor het reguleren van lozingen is er in dit besluit voor gekozen om bij inrichtingen die voor wat betreft de Wm onder dit besluit vallen in beginsel ook alle lozingen op grond van de Wvo middels dit besluit te reguleren. Conform de Wm wordt hierbij de vergunningplicht vervangen door algemene regels. Hiervoor moet op grond van artikel 2a, tweede lid, van de Wvo in het besluit worden bepaald dat de verboden ingevolge artikel 1 van die wet niet langer voor de aan te wijzen categorieën gelden. Dit is in artikel 1.4 in de eerste plaats gedaan voor lozingen vanuit inrichtingen type A en B die daardoor volledig door middel van dit besluit zijn gereguleerd. Voor deze lozingen kan dus ook geen sprake zijn van een Wvo-vergunningplicht. Daarnaast is hieraan deels uitvoering gegeven voor inrichtingen type C. Bij inrichtingen type C heeft dit besluit betrekking op alle lozingen die het gevolg zijn van activiteiten waarvoor regels zijn gesteld in hoofdstuk 3, artikel 1.5, onder b, en op lozingen in het oppervlaktewater die het gevolg zijn van activiteiten waarvoor regels zijn gesteld in hoofdstuk 4. De werking van het hierna te bespreken artikel 2.2 brengt daarnaast met zich mee dat het besluit ook van toepassing is op lozingen waar weliswaar geen expliciete voorschriften voor zijn opgenomen, maar die wel betrekking hebben op een van de activiteiten genoemd in hoofdstuk 3, 4 en artikel 1.5, onder b. Voor lozingen vanuit inrichtingen type C die betrekking hebben op activiteiten die niet onder de reikwijdte van dit besluit vallen geldt onverkort de vergunningplicht op grond van artikel 1, van de Wvo.

Voor een aantal categorieën lozingen in het oppervlaktewater vanuit onder dit besluit vallende inrichtingen is dit besluit niet van toepassing. Het betreft lozingen die gereguleerd zijn door middel van het Besluit bodemkwaliteit, het Lozingenbesluit Wvo vaste objecten, het Besluit glastuinbouw en het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Besloten is om deze besluiten niet met onderhavig besluit te integreren, mede omdat ze naast lozingen vanuit inrichtingen ook betrekking hebben op lozingen buiten inrichtingen.

Artikel 1.5

Artikel 8.40, eerste lid, en artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer en artikel 2a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren maken het mogelijk om op het niveau van de ministeriële regeling regels te stellen. Het voordeel hiervan is dat, gelet op de korte proceduretijd, veel sneller wijzigingen kunnen worden doorgevoerd dan in het geval van een algemene maatregel van bestuur. In de ministeriële regeling zal het merendeel van de middelvoorschriften worden opgenomen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen verplichte en erkende maatregelen (zie paragraaf 6.4). De ministeriële regeling bevat allereerst regels die de voorschriften ten aanzien van de in het Activiteitenbesluit opgenomen activiteiten uitwerken. Hierbij kan worden gedacht aan middelvoorschriften ter uitwerking van de doelvoorschriften uit het Activiteitenbesluit, maar ook een nadere uitwerking van keuringen of de uitvoering van bepaalde in het besluit genoemde maatregelen (onder a). Juist met betrekking tot de middelvoorschriften bestaat de behoefte aan het snel doorvoeren van wijzigingen, bijvoorbeeld wanneer door innovatie nieuwe technieken beschikbaar komen, die als erkende maatregelen kunnen dienen. Daarnaast bevat de ministeriële regeling voorschriften ten aanzien van een aantal activiteiten, waarvoor uitsluitend middelvoorschriften gelden, waardoor in het Activiteitenbesluit zelf met betrekking tot deze activiteiten geen voorschriften zijn opgenomen. Deze categorie betreft de voorschriften voor rioolgemalen, het inwendig reinigen van tanks, het opslaan van nitraathoudende kunstmeststoffen, electrolyse, het aanwezig hebben van een noodstroomaggrgaat en acculaders (onder b). Deze lijst van activiteiten is limitatief. Dit betekent dat in de ministeriële regeling geen andere activiteiten zullen worden geregeld. In de gevallen onder a en b wordt de bevoegdheid tot het stellen van regels beperkt door de zinsnede ‘ter bescherming van het milieu’. Anders dan om deze reden mogen dus geen regels worden gesteld.

In artikel 8.42 van de wet biedt de grondslag om in de regeling mogelijk te maken dat het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften (vergelijkbaar met artikel 1.8) stelt met betrekking tot de in de regeling opgenomen voorschriften ten aanzien van activiteiten (onder c).

Onder d is voorts geregeld dat bij ministeriële regeling oppervlaktewateren kunnen worden aangewezen die met het oog op lozingen geen bijzondere bescherming behoeven. Voor dergelijke oppervlaktewateren gelden bij bepaalde lozingen andere regels dan voor oppervlaktewateren, waarvoor juist wel een bijzondere bescherming vereist is.

In dit besluit en de regeling wordt op verschillende plekken verwezen naar niet-publiekrechtelijke regelingen, zoals PGS en NEN-normen. Dergelijke normen blijken in de praktijk geregeld te worden aangepast. In de voorgaande 8.40-AMvB’s werd in de besluiten aangewezen welke uitgave van toepassing was. Dit had tot gevolg dat de verwijzing in die besluiten geregeld moesten worden aangepast. In dit artikel wordt het mogelijk gemaakt om bij ministeriële regeling aan te geven welke uitgave van dergelijke niet-publiekrechtelijke normen van toepassing is. De aanpassing van een ministeriële regeling vergt veel minder tijd dan de aanpassing van dit besluit (onder e).

Daarnaast wordt de mogelijkheid geboden om bij ministeriële regeling bepaalde activiteiten aan te wijzen die volgens de begripsomschrijving bodembedreigend zijn, maar waarvoor afdeling 2.4 toch niet van toepassing is (onder f). Er rust op de drijver van de inrichting dus geen verplichting om voorzieningen en maatregelen te treffen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt bereikt. Bovendien bestaat er geen verplichting tot het verrichten van een nul- en een eindsituatiebodemonderzoek. Aanwijzing van activiteiten vindt alleen plaats indien deze, gelet op de aard of de hoeveelheid van de daarbij gebruikte of vrijkomende stoffen, geen risico op verontreiniging of aantasting van de bodem opleveren.

Artikel 1.6

In dit artikel is het zogenaamde gelijkwaardigheidsbeginsel neergelegd. Het gelijkwaardigheidsbeginsel houdt in dat degene die de inrichting drijft andere, gelijkwaardige maatregelen kan treffen dan de in het besluit of de ministeriële regeling opgenomen verplichte maatregelen. Degene die een alternatieve maatregel wil toepassen, dient dit vóór toepassing tijdig te melden aan het bevoegd gezag, onder overlegging van de benodigde gegevens. Daardoor hebben zowel het bevoegd gezag als de ondernemer tijd voor een verantwoorde afweging en keuze van de alternatieve maatregel. Het bevoegd gezag besluit naar aanleiding van de overlegde gegevens of het bedrijf de andere maatregelen mag toepassen. Als criterium voor toestemming geldt, dat met de alternatieve maatregel een ten minste gelijkwaardige bescherming van het milieu wordt gerealiseerd, vergeleken met de verplichte maatregel.

Bij de verplichte maatregelen is daarvoor de in dit artikel en artikel 8.40a van de Wet milieubeheer

beschreven procedure van toepassing.

Een voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag van erkende maatregelen is niet noodzakelijk. Voor de erkende maatregelen geldt dat degene die de inrichting drijft direct andere maatregelen kan treffen dan in het betreffende voorschrift zijn opgenomen, mits met die maatregelen aan het doelvoorschrift waaraan de erkende maatregel is gekoppeld wordt voldaan. Dergelijke erkende maatregelen zijn opgenomen in de ministeriële regeling en komen niet voor in dit besluit.

Artikel 1.7

Ten behoeve van het vrij verkeer van goederen en diensten binnen de Europese Unie regelt dit artikel de wederzijdse erkenning van goederen die elders op rechtmatige wijze zijn vervaardigd en in de handel gebracht, en de wederzijdse erkenning van keuringsverklaringen en beroepseisen.

Zo is in een aantal voorschriften van het Activiteitenbesluit bepaald dat een onderzoek moet worden uitgevoerd door een gecertificeerde instantie. Mede in het kader van de wederzijdse erkenning van instellingen, is in deze voorschriften ruimte geboden dat het onderzoek wordt uitgevoerd door een ten minste gelijkwaardige instelling, een instelling die aantoonbaar over ten minste gelijkwaardige vaardigheden beschikt, of door een geaccepteerd deskundige.

Van de wederzijdse erkenning moet worden onderscheiden het gelijkwaardigheidsbeginsel uit artikel 1.6. Het gelijkwaardigheidsbeginsel beoogt de toepassing van alternatieve middelen mogelijk te maken. De wederzijdse erkenning daarentegen beoogt de ongehinderde toepassing van buiten Nederland vervaardigde producten te garanderen.

Artikel 1.8

Dit artikel regelt een aantal procedurele zaken met betrekking tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Het stellen van maatwerkvoorschriften is een besluit in de zin van artikel 1.3 van de Algemene wet bestuursrecht. In titel 8.2 van de wet is niet bepaald dat afdeling 3.4 Uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van een maatwerkvoorschrift. Dit betekent dat op de voorbereiding van de maatwerkvoorschriften hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Bij de nadere eisen, zoals die waren opgenomen in de besluiten die zijn opgenomen in dit besluit, was dat eveneens het geval.

Eerste lid

In het eerste lid wordt verwezen naar het afwegingskader van artikel 8.40, tweede en derde lid van de wet, om de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften algemeen in te perken. Deze verwijzing ligt voor de hand: wanneer voor een bepaald onderwerp een voorschrift in het besluit wordt opgenomen, vormt dit artikel het kader waarbinnen het voorschrift wordt opgesteld. Wanneer een bevoegdheid tot het stellen van een maatwerkvoorschrift aan het bevoegd gezag wordt gegeven is het logisch dat daarbij naar datzelfde kader wordt verwezen. Daarnaast is van belang dat slechts maatwerkvoorschriften mogen worden gesteld, voor zover daartoe in de hoofdstukken 2, 3 en 4 van het besluit expliciet de mogelijkheid wordt geboden.

Tweede lid

In het tweede lid is bepaald dat het maatwerkvoorschrift slecht in het belang van de bescherming van het milieu kan worden gewijzigd of aangevuld, dan wel kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Dit betreft een algemene beperking van het gebruik van maatwerkvoorschriften. De bij of krachtens dit besluit geboden mogelijkheiden kunnen slechts in dit licht worden toegepast.

Derde lid

Het derde lid betreft een algemene invulling van de in de derde volzin van artikel 8.42, eerste lid, van de wet opgenomen mogelijkheid om te bepalen dat van de beschikking waarbij het maatwerkvoorschrift wordt gesteld, wordt kennisgegeven in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. De reden voor een algemene invulling van die mogelijkheid ligt in het belang van derde-belanghebbenden om bezwaar te maken tegen een dergelijke beschikking. Om bezwaar te kunnen maken, is bovenal van belang dat kennis kan worden genomen van de beschikking. Het derde lid regelt dit in algemene zin.

Afdeling 1.2 Melding

Artikel 1.9

Op basis van de oude systematiek moesten alle bedrijven die onder algemene regels vielen, zich vier weken voor de aanvang van de activiteiten melden. De melding, maar dient om het bevoegd gezag op de hoogte te stellen van het oprichten of het veranderen van de inrichting (signaleringsfunctie) en bekendheid van gegevens van de inrichting bij het bevoegd gezag met het oog op handhaving (controle-functie). Het onderhavige besluit zal hierin geen verandering brengen. Op de melding volgt geen besluit en deze heeft dus niet rechtstreeks rechtsgevolgen. Het niet doen van een melding blijft wel strafbaar op basis van de Wet op de economische delicten.

Inrichtingen type A zullen onder het Activiteitenbesluit niet meer hoeven te melden. Het betreft hier in beginsel bedrijven waar geen van de in hoofdstuk 3, 4 en artikel 1.5, onder b genoemde activiteiten plaatsvinden, maar wel een of meerdere van de in de begripsbepaling expliciet opgesomde minder milieurelevante activiteiten uit hoofdstuk 3, 4 en artikel 1.5, onder b worden verricht. Dit hangt samen met het feit dat het hier minder milieurelevante bedrijven betreft. Vanaf de invoering van het instrument van de melding, zijn er zowel voor- als tegenstanders van de meldingsplicht. Dezelfde discussie is naar voren gekomen nu met dit besluit een deel van de meldingsplicht weer wordt afgeschaft.

Verder zal in het kader van de voorbereiding van de Invoeringswet van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden bezien op welke wijze het doen van de melding gekoppeld kan worden aan de aanvraag om omgevingsvergunning op het moment dat er sprake is van samenloop (er moet zowel gemeld worden als een omgevingsverguning worden aangevraagd).

Tweede lid

Voor het milieu niet relevante of relatief geringe veranderingen hoeven niet gemeld te worden.

Veranderingen van de inrichting of de werking daarvan, die niet in overeenstemming zijn met de gegevens die eerder zijn gemeld (of gemeld hadden moeten worden), worden wel gemeld.

Derde lid

Zoals reeds in de oude 8.40-AMvB’s is bepaald, hoort bij de melding een plattegrond. Deze plattegrond is onder andere bedoeld om te bepalen of een akoestisch onderzoek noodzakelijk is. Met de controlefunctie van de melding aan de ene kant en de wens om de melding zo eenvoudig mogelijk te maken aan de andere kant, zijn slechts die gegevens vereist die noodzakelijk zijn om een inschatting te krijgen van de aard en omvang van de inrichting en de eventuele belasting op de omgeving. Ten behoeve van toezicht kan het handig zijn als de inrichtinghouder de ligging van de bedrijfsriolering, alsmede de plaats van de lozingspunten aan geeft, omdat deze veelal niet met het blote oog zijn waar te nemen. Dit kan relevant zijn met het oog op eventuele foutieve aansluitingen, bijvoorbeeld van huishoudelijk afvalwater op een hemelwaterstelsel. Met name geluid kan hinder veroorzaken voor de omgeving. Indien achteraf geconstateerd wordt dat de geluidsnorm wordt overschreden, kan de inrichting genoodzaakt zijn om maatregelen te nemen. Voor een aantal bedrijven kan het om die reden handig zijn als de inrichtinghouder aangeeft waar de de locatie van de relevante geluidsbronnen zich bevinden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan rijroutes van vrachtwagens, de locatie van laden en lossen, de rijroutes van voertuigen binnen de inrichting, de aard, omvang en frequentie van transportactiviteiten en de de aard en gebruiksfrequentie van relevante geluidsbronnen. Indien het bevoegd gezag vooraf bekend is met deze informatie, kan een betere inschatting gemaakt worden of aan de geluidsnorm zal worden voldaan of welke maatregelen (vooraf) genomen kunnen worden om overschrijding te voorkomen.

Artikel 1.10

Een belangrijk aspect waar het bevoegd gezag bij de ontvangst van een melding aandacht zal moeten besteden is geluidhinder. Voor een aantal inrichtingen is op grond van de meldinggegevens al duidelijk dat de kans op geluidhinder niet reëel is. Voor dergelijke inrichtingen is het voor beoordeling van de geluidsaspecten niet noodzakelijk om ook een akoestisch onderzoek te verlangen. Naast deze inrichtingen zijn er echter ook inrichtingen waar, vanwege een aantal kenmerken, de kans op geluidhinder zeer reëel is. In artikel 1.10 wordt bij een aantal activiteiten bepaald dat bij de melding tevens een akoestisch rapport moet worden ingediend. Het gaat daarbij onder meer om het onder bepaalde omstandigheden ten gehore brengen van muziekgeluid en transportactiviteiten in de avond- en nachtperiode. Met betrekking tot de gevallen waarvoor bij de specifieke bepalingen een verplichting is opgenomen tot het indienen van een akoestisch rapport, leert de ervaring dat doorgaans problemen te verwachten zijn bij toetsing aan de geluidsnormen. Als het bevoegd gezag ook in deze gevallen een besluit zou moeten nemen tot het eisen van een akoestisch rapport, zou dit een onevenredige verzwaring van bestuurlijke lasten als gevolg hebben.

Eerste lid

Inrichtingen die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein moeten in beginsel een akoestisch rapport indienen. AMvB-bedrijven op gezoneerde industrieterreinen kunnen van invloed zijn op het zonebeheer, omdat zij op grond van de AMvB over een bepaalde geluidsruimte beschikken. Deze ruimte wordt in veel gevallen niet benut, maar moet wel worden meegenomen bij het zonebeheer. Dit kan tot gevolg hebben dat de normen op de zonegrens worden overschreden en dat andere inrichtingen op het industrieterrein onnodig in hun mogelijkheden worden beperkt. Een akoestisch rapport kan helpen adequaat zonebeheer mogelijk te maken. Onnodige geluidsruimte kan zonodig worden weggenomen door middel van maatwerk. In het vierde lid is bepaald dat het bevoegd gezag kan bepalen dat geen akoestisch rapport hoeft te worden ingediend. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als geen problemen met betrekking tot zonebeheer te verwachten zijn, of als naar verwachting niet veel winst te behalen valt door het toepassen van maatwerk. Bij inrichtingen die gelegen zijn op een gezoneerd industrieterrein moet uit het rapport van het akoestisch onderzoek tevens het langetijgemiddelde geluidsniveau veroorzaakt door de inrichting bij de representatieve bedrijfssituatie blijken. Op deze manier kan het bevoegd gezag maatwerk toepassen in het kader van zonebeheer. De geluidsnormen kunnen gesteld worden op de benodigde ruimte die uit het akoestisch onderzoek blijkt.

Tweede lid

Transportbewegingen kunnen geluidhinder veroorzaken. Geluidhinder is met name te verwachten als er transportbewegingen buiten de dagperiode plaatsvinden en er in de nabijheid van de inrichting woningen van derden of andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen liggen. Om problemen te voorkomen dienen inrichtingen waar transportbewegingen in de periode 19.00 tot 07.00 uur plaatsvinden en waarbij binnen een afstand van 50 meter woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn gelegen, een akoestisch rapport over te leggen. Met name vrachtwagenbewegingen kunnen geluidsoverlast opleveren. De verplichting een akoestisch onderzoek te overleggen bij de melding geldt daarom alleen als tussen 19.00 en 07.00 uur transportbewegingen met vrachtwagens plaatsvinden. Tankstations zijn vanwege het feit dat deze doorgaans aan een doorgaande weg zijn gelegen uitgesloten van deze bepaling. Als vanwege de specifieke situatie van een bepaald tankstation problemen verwacht worden, kan het bevoegd gezag op grond van het zesde lid van dit artikel besluiten een akoestisch rapport te vragen. Hetzelfde geldt als bijvoorbeeld problemen worden verwacht vanwege verkeersbewegingen met personenauto’s.

Indien uit het akoestisch rapport blijkt dat het bedrijf niet aan de in artikel 2.17 gestelde geluidsnormen kan voldoen, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om maatwerk toe te passen op basis van artikel 2.20. Het maatwerk met betrekking tot geluid moet voldoen aan het gestelde in artikel 2.20. Dit kan betekenen dat de toegestane geluidsniveaus verhoogd worden of voorzieningen of gedragsregels getroffen moeten worden teneinde aan de geluidsnormen te kunnen voldoen. In gevallen waar het stellen van maatwerk geen oplossing biedt, zal bestuursdwang toegepast moeten worden met als doel het sluiten van de inrichting op die locatie.

Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om in voorkomende gevallen van de verplichting tot het overleggen van een akoestisch rapport af te zien. Met name de aard en de ligging van de inrichting kunnen duidelijk maken dat geen overlast te verwachten is, bijvoorbeeld als ook buiten de dagperiode transportbewegingen plaatsvinden, maar er geen woningen van derden in de nabije omgeving zijn gelegen.

Derde lid

Bij inrichtingen waar muziek ten gehore wordt gebracht is de kans op hinder reëel en dient vooraf extra aandacht te worden besteed aan de geluidsaspecten. Het gaat daarbij om inrichtingen waarbij het ten gehore brengen van muziek structureel deel uitmaakt van de bedrijfsvoering en uit de aard van het bedrijf onmisbaar is. Vanzelfsprekend speelt het bronniveau daarbij een belangrijke rol. Het heeft immers weinig zin een akoestisch onderzoek te verlangen indien de akoestische gevolgen nihil zijn, bijvoorbeeld bij het uitsluitend ten gehore brengen van achtergrondmuziek of een incidentele muzikale noot. De akoestische relevantie staat dus centraal. Voor wat betreft locaties waar in de buitenlucht muziek wordt geproduceerd wordt met name gedacht aan het in de open lucht vertonen van films, houden van muziek-, toneel- of daarmee verwante uitvoeringen. Daarnaast kan het tevens gaan om bijvoorbeeld luidruchtige muziek op terrassen e.d. Ten einde problemen te voorkomen, dienen dergelijke inrichtingen bij de melding een akoestisch rapport te overleggen.

Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om in voorkomende gevallen van deze verplichting af te zien. Het tweede lid maakt het mogelijk dat het bevoegd gezag besluit dat een akoestisch onderzoek niet nodig is indien het aannemelijk is dat de inrichting de waarden van de artikelen 2.17 en 2.19 niet zal overschrijden. Of dat aan de orde is, is ter beoordeling van het bevoegd gezag. Met name de aard en de ligging van de inrichting zullen hiervoor de aanleiding kunnen zijn. Het kan daarbij gaan om locaties waarbij woningen buiten de akoestische invloedssfeer van een inrichting zijn gelegen, zoals bijvoorbeeld afgelegen locaties of gunstig gesitueerde bedrijfsterreinen.

Zesde lid

Indien uit de meldinggegevens blijkt dat de kans op geluidhinder toch zeer reëel is, maar het indienen van een akoestisch onderzoek niet verplicht is, kan het bevoegd gezag een akoestisch onderzoek eisen. Hiervoor moet het bevoegd gezag aannemelijk maken dat het geluidsniveau en/of het maximale geluidsniveau meer bedraagt dan de waarden bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19. Het gaat om gevallen waarin gelet op de te verwachten bronvermogens en afstanden tot geluidsgevoelige objecten de normen zullen worden overschreden. Deze beoordeling is afhankelijk van de aard van het bedrijf en de omgeving en kan derhalve het beste op lokaal niveau plaatsvinden. De beslissing van het bevoegd gezag betreft een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaan.

Door het initiatief bij het bevoegd gezag te leggen, waarbij sprake moet zijn van een goede onderbouwing, wordt een drempel opgeworpen voor het vragen van een akoestisch rapport. Alleen in die gevallen waarbij problemen zijn te verwachten bij het voldoen aan de geluidsnormen, kan een akoestisch rapport gevraagd worden. Er zal vanwege deze drempel niet te pas en te onpas van deze bevoegdheid gebruik gemaakt worden, hetgeen van belang is in verband met verlaging van administratieve lasten. In het geval dat een inrichting zich niet gemeld heeft, kan het bevoegd gezag eerst eisen dat alsnog gemeld wordt.

Zevende lid

Het bevoegd gezag kan eisen stellen aan het akoestisch onderzoek.

Artikelen 1.11 en 1.12

Bij een aantal onder dit besluit gereguleerde lozingen is het gewenst dat het bevoegd gezag tevens over een aantal gegevens met betrekking tot die lozingen beschikt. In deze artikelen is voor lozingen vanuit een bodemsanering of een proefbronnering en voor lozingen van grondwater bepaald, welke gegevens bij een melding als bedoeld in artikel 1.9 aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld.

Hoofdstuk 2 Inrichtingsgerelateerde aspecten

Afdeling 2.1 Zorgplicht

Artikel 2.1

In paragraaf 6.5 van het algemene deel van de toelichting is reeds uitgebreid op artikel 2.1 ingegaan. Daarbij is ook aangegeven dat de zorgplichtbepaling slechts relevant is, wanneer voor een bepaald aspect geen concrete voorschriften zijn uitgewerkt in de vorm van kwantitatieve doelvoorschriften en evenmin is bepaald dat met betrekking tot dat aspect bij of krachtens dit besluit aangegeven middelen ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast of als erkende maatregel kunnen worden toegepast.

In het navolgende wordt dit met een aantal voorbeelden geïllustreerd.

Lozingen

In navolging van de voorafgaand aan dit besluit geldende regels voor lozingen in rioolstelsels is er ook in het onderhavige besluit van afgezien om met betrekking tot een aantal parameters doelvoorschriften te stellen die op de totale lozing vanuit een inrichting betrekking hebben, zoals de temperatuur, zuurgraad en sulfaatconcentratie. Voor deze aspecten van het lozen van afvalwater zijn dus in het besluit geen concrete voorschriften uitgewerkt, waardoor de lozing getoetst wordt aan de zorgplichtbepaling.

Over het algemeen kunnen nadelige gevolgen voor het milieu optreden indien afvalwater wordt geloosd:

- met een temperatuur die hoger is dan 30°C;

- waarvan de zuurgraad, uitgedrukt in waterstofionenexponent (pH), lager dan 6,5 of hoger dan 10 is;

- waarvan de sulfaatconcentratie hoger is dan 300 mg/l;

- dat brand- of explosiegevaar kan veroorzaken, of

- dat door een beerput, rottingsput of septictank is geleid.

Bij de inbouw van voorschriften voor lozen op de riolering is er in 1996 voor gekozen om deze parameters niet als doelvoorschriften op te nemen. Dit omdat in de praktijk situaties kunnen voorkomen waarbij de duur of de omvang van de lozing zo beperkt is dat van een belemmering van de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater of nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater geen sprake is, ook niet wanneer bedrijfsafvalwater met een of meer van de genoemde kenmerken in een riolering wordt gebracht. Een voorbehandeling van het bedrijfsafvalwater zou in die situaties buitenproportioneel zij. Deze keuze is in dit besluit overgenomen. Het verdient uiteraard wel aanbeveling om indien een bedrijf bijvoorbeeld afvalwater met een lage pH zou willen lozen, hierover overleg met het bevoegd gezag te hebben, om zeker te zijn dat het belang van de bescherming van het milieu niet wordt geschaad. Indien in en specifiek geval behoefte zou bestaan om met betrekking tot bovenbedoelde parameters een grens vast te leggen, kan daartoe een maatwerkvoorschrift worden gesteld.

Een maatwerkvoorschrift betreffende lozingen kan overigens ook betrekking hebben op de hoeveelheid afvalwater, omdat ook met betrekking tot dit aspect geen concrete voorschriften in het besluit zijn uitgewerkt. Maatwerkvoorschriften kunnen zo nodig gebruikt worden om de hoeveelheid afvalwater te reguleren daar waar het geloosde volume afvalwater de doelmatige werking van het openbaar riool of de zuiveringstechnische werken belemmert. Zo kan wanneer dat in geval van een gescheiden rioolstelsel noodzakelijk is, worden bewerkstelligd dat naast hemelwater ook andere afvalwaterstromen (zoals koelwater en bemalingswater) in het hemelwaterriool worden gebracht, of dat de lozing van zogeheten dun water op een vuilwaterriool wordt tegengegaan of beperkt. Wanneer een bedrijf bijvoorbeeld een omvangrijke lozing op een openbaar riool met beperkte capaciteit uitvoert kan de doelmatige werking daarvan verstoord worden (rioolwater op straat, overstorten, ed.). Dit probleem is in veel gevallen op te lossen met een lozingsregime, waarbij de omvangrijke lozingen op de daluren plaatsvinden. In de praktijk zal de gemeente dit probleem signaleren en het bedrijf hierop attenderen. Het heeft dan de voorkeur dat in overleg tussen gemeente en bedrijf het lozingsregime wordt aangepast waardoor problemen worden voorkomen. Mocht dit overleg niet slagen, dan is er de mogelijkheid tot het stellen van een maatwerkvoorschrift waarin het lozingsregime concreet is geregeld en waarop ook kan worden gehandhaafd.

Ten slotte kan de mogelijkheid om een maatwerkvoorschrift te stellen ook betrekking hebben op de plaats van het lozingspunt. Vooral bij lozingen van afvalwater in het oppervlaktewater of op of in de bodem kan de plaats van de lozing mede bepalend zijn voor de milieuhygiënische gevolgen. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift dient op grond van de Algemene wet bestuursrecht (met name art. 3:4) de redelijkheid, alsmede proportionaliteit in acht te worden genomen. Ten aanzien van de plaats van het lozen brengt dit bijvoorbeeld met zich mee dat het maatwerkvoorschrift er niet toe mag leiden dat het afvalwater over grote afstand dient te worden getransporteerd.

Een ander voorbeeld waarin de zorgplichtbepaling bij lozingen aan de orde is vormt de problematiek van lozingen bij toepassing van watergedragen verven. Vanwege de gevolgen voor de (volk)gezondheid en het milieu is het gebruik van vluchtige oplosmiddelen in verven en lijmen sterk gereduceerd ten gunste van watergedragen verven. Onder praktijkomstandigheden kan bij gebruik van watergedragen verven in enige mate afvalwater ontstaan. Dit kan zowel zeer kleinschalig aan de orde zijn (bijvoorbeeld in kader van onderhoud binnen een inrichting), maar ook op grotere schaal, in inrichtingen waar het aanbrengen van verflagen een substantiële activiteit vormt. Bij laatstgenoemde inrichtingen is lozing ongewenst. Watergedragen verven bevatten, in geringe concentraties, diverse toxische componenten, die dus ook in het afvalwater zullen geraken en bovendien zullen de vaste bestanddelen zich afzetten en sedimenteren in het rioolstelsel. Onder normale omstandigheden zal er weinig tot geen afvalwater ontstaan dat verontreinigd is met verfbestanddelen. Door professionele schilders worden kwasten en rollers over het algemeen niet uitgespoeld voor herhaald gebruik. Aan het eind van de werkdag worden kwasten en rollers luchtdicht verpakt waardoor ze de volgende dag weer voor dezelfde klus gebruikt kunnen worden. Aan het eind van de klus wordt kwast of roller weggegooid omdat de kostprijs van een nieuwe roller of kwast niet opweegt tegen de loonkosten voor het schoonspoelen. Wanneer toch wel dergelijk afvalwater ontstaat kan met een eenvoudige behandeling dit afvalwater geloosd worden op een vuilwaterriool. Die behandeling bestaat uit flocculatie en vervolgens bezinking en/of filtratie. Dit kan door het afvalwater te verzamelen in een vat en daar het vlokmiddel, onder goed mengen, aan toe te voegen. Na de reactietijd kan het bovenstaande afvalwater geloosd worden en het slib als afvalstof worden afgevoerd. Van belang hierbij is een juiste dosering van het vlokmiddel aangezien dat ook allerlei milieubezwaarlijke stoffen bevat. Bij juiste dosering concentreren deze stoffen zich in het slib. Er is tegenwoordig ook diverse apparatuur op de markt die op basis van dit principe werkt.

In het besluit zijn geen grenzen opgenomen ten aanzien van het lozen van afvalwater verontreinigd met watergedragen verven. Wanneer van een dergelijke lozing sprake zou zijn, vormt daarom de zorgplichtbepaling het kader waaraan die lozing zal worden getoetst.

Met nadruk zij gesteld dat daar waar wel in concrete voorschriften is voorzien, de zorgplichtbepaling en de bevoegdheid om op grond van die bepaling maatwerkvoorschriften te stellen niet aan de orde is. Zo is bijvoorbeeld bij een aantal activiteiten bepaald dat afvalwater met minder dan 20 mgl aan minerale olie op een vuilwaterriool kan worden geloosd. Het bevoegd gezag kan dan niet op grond van de zorgplichtbepaling de ondernemer er op aanspreken, dat een nog lager gehalte moet worden bereikt. Ook het stellen van een maatwerkvoorschrift met die strekking is niet mogelijk.

Geluidhinder veroorzaakt door stemgeluid

In artikel 2.18 van dit besluit wordt het stemgeluid van bezoekers op een open terrein van de inrichting uitgesloten van de geluidnormen zoals gesteld in artikel 2.17 van dit besluit. Er is geen specifieke maatwerkbepaling in het besluit opgenomen om geluidhinder veroorzaakt door stemgeluid nader te reguleren. In de incidentele gevallen waarin door stemgeluid van bezoekers op een openterrein geluidhinder veroorzaakt wordt, kan - in navolging op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State - op basis van de zorgplicht via een maatwerkvoorschrift maatregelen en voorzieningen opgelegd worden die nodig zijn om de hinder te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Het is niet toegestaan aan dit stemgeluid geluidnormen te verbinden.

Lichthinder

Onder de zorgplicht met betrekking tot lichthinder valt het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinderlijke lichtverschijnselen in woon- of slaapvertrekken van woningen als gevolg van lichtinstallaties, toestellen, windturbines, gebouwen of werkzaamheden. Verlichting kan voor omwonenden hinder veroorzaken. Vaak wordt overlast veroorzaakt door schijnwerpers die zijn geplaatst als inbraakpreventie of door lichtbakken voor reclamedoeleinden. Door schijnwerpers of armaturen zorgvuldig af te stellen en te richten kunnen klachten veelal worden verholpen. Naast de intensiteit van directe en indirecte lichtinstraling kan er ook door knipperen, flikkeren of door kleur, hinder door verlichting ontstaan. Voor de vaststelling of er sprake is van hinder is geen universele definitie van het begrip ‘lichthinder’ beschikbaar.

Bij de toepassing van dit voorschrift heeft het bevoegd gezag enige mate van beoordelingsvrijheid. Bij de invulling van die beoordelingsvrijheid kunnen de ‘Algemene Richtlijnen betreffende lichthinder’ van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt worden gehanteerd. De richtlijnen betreffende lichthinder van de NSVV bestaan uit een algemeen deel 1 met grenswaarden voor sportverlichting, en aanvullende delen 2, 3 en 4 voor respectievelijk terreinverlichting, aanstraling gebouwen en reclameverlichting. Andere aanvullingen zijn in voorbereiding bij de Commissie Lichthinder van de NSVV.

Het bevoegd gezag kan een gebruiksafspraak tussen gehinderden en de gebruiker van de installatie treffen.

Windturbines kunnen slagschaduwen en schittering veroorzaken. Door de juiste coating, frequentie en zo nodig stilstandvoorzieningen kan dit voorkomen of in elk geval beperkt worden tot een aanvaardbaar niveau.

Schieten met hand- of kruisbogen in de buitenlucht en schieten met gas- of luchtdrukwapens binnen

In geval van schieten met hand- of kruisbogen in de buitenlucht en schieten met gas- of luchtdrukwapens binnen, kan de veiligheid van mensen buiten de inrichting in het geding zijn als de projectielen buiten de baan, ruimte of inrichting kunnen komen. Bij de opstelling van dit besluit is uitgegaan dat de drijver van inrichting op dit punt zijn verantwoordelijkheid voor de veiligheid van personen op verantwoorde wijze invult. Er zijn geen maatregelen opgenomen ter voorkoming van ongevallen. Indien in een incidenteel geval de veiligheid van mensen in het geding komt, kan er op grond van artikel 2.1, tweede lid, onder k, van dit besluit gehandhaafd worden of kunnen er concrete maatwerkvoorschriften worden opgelegd.

Afdeling 2.2 Lozingen

Artikel 2.2

Bij het lozen in het oppervlaktewater, op of- in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater die geen vuilwaterriool is, is het lozen slechts toegestaan, indien dit bij of krachtens de in hoofdstuk 3 en 4 gestelde voorschriften expliciet is bepaald. Dit betekent echter niet dat vanuit de gereguleerde activiteiten ander lozen nooit toelaatbaar zou kunnen zijn. Om die reden is een bepaling opgenomen die inhoudt dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift ook ander lozen dan genoemd in het besluit toe kan staan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Pas wanneer een dergelijk maatwerkvoorschrift is gesteld, mag met het lozen worden aangevangen. Aan het lozen kunnen door het bevoegd gezag bij het maatwerkvoorschrift voorwaarden worden gesteld. Voor inrichtingen type A en B geldt dit voor alle lozingen vanuit die inrichting. Bij inrichting type C beperkt dit zich tot lozingen met betrekking tot activiteiten in hoofdstuk 3 en artikel 1.5, onder b, en voor lozingen in oppervlaktewater ook nog activiteiten genoemd in hoofdstuk 4. Naar verwachting betreft dit een beperkt aantal lozingen. Voor andere lozingen vanuit een inrichting type C blijft op grond van artikel 1.4 onverkort de vergunningplicht ingevolge artikel 1, van de Wvo gelden.

Afdeling 2.4 Lucht

Artikelen 2.4 en 2.5

De bedoeling van de bepalingen ten aanzien van luchtemissies is het beperken van de omvang van massastromen (, ofwel de vracht van de emissie in gram per uur na eventuele reiniging) van schadelijke stoffen naar de lucht. Stoffen die vanuit de inrichting geëmitteerd kunnen worden, worden overeenkomstig paragraaf 4.5 van de NeR ingedeeld in stofcategorieën en stofklassen.

De NeR gaat uit van zes stofcategorieën, die weer onderverdeeld zijn in klassen op basis van hun chemische, fysische en toxische eigenschappen. De volgende categorieën worden onderscheiden:

MVP: minimalisatieverplichte stoffen,

S: stof (in algemene zin),

sO: organische stoffen stofvormig,

sA: anorganische stoffen stofvormig,

gA:anorganische stoffen gasvormig, en

gO: organische stoffen gasvormig.

Voor de beoordeling van relevante emissies zijn, overeenkomstig de NeR, per stof drempelwaarden van toepassing, aangeduid als grensmassastroom. De relevantie van de emissie, en daarmee de hoogte van de grensmassastroom, hangt af van de schadelijkheid van de stoffen. Massastromen die onder deze grensmassastroom blijven, zijn niet relevant. Omdat massastromen die hoger zijn dan de grensmassastroom relevant zijn, zijn voor deze emissies emissieconcentratie-eisen van toepassing (dan wel geldt hiervoor een te treffen maatregel). In artikel 2.4 en 2.5 zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van het toetsen van emissies aan deze grensmassastroom en de emissieconcentratie-eis.

De omvang van de massastroom moet worden vastgesteld voor de gehele inrichting. Hiertoe moeten de vrachten van de verschillende bronnen binnen de inrichting bij elkaar worden opgeteld. Als sprake is van een inrichting die uit verschillende onderdelen bestaat die onafhankelijke van elkaar zouden kunnen functioneren, kan de totale emissie per bedrijfsonderdeel worden bepaald. Zo kunnen bijvoorbeeld op- en overslag en intern transport gezien worden als separate activiteiten voor zover dit eenduidig, ruimtelijk is gescheiden van proceseenheden en niet onlosmakelijk daaraan zijn verbonden.

Artikel 2.4, vijfde lid

Bij stoffen die zijn ingedeeld in de stofklassen MVP, sA, gO of sO moeten de volgende berekeningen plaatsvinden.

Optellen massastromen binnen de stofklasse

Als de som van de massastromen van verschillende stoffen, die in dezelfde klasse zijn ingedeeld, groter is dan de grensmassastroom van die klasse, dan geldt de emissie-eis van die klasse voor de gezamenlijke emissie van stoffen van die klasse. Dit betekent dat de betreffende emissieconcentratie-eis zowel geldt in de gevallen dat de emissie van één enkele stof de grensmassastroom overschrijdt, als in gevallen dat de emissie van de individuele stoffen onder de grensmassastroom blijft, maar de som van de emissies de grensmassastroom wel overschrijdt. In dit laatste geval moet dan de som van de emissieconcentraties aan de emissieconcentratie-eis voldoen.

Optellen massastromen binnen de stofcategorie

Als de totale massastroom van alle stoffen binnen een klasse de grensmassastroom van de klasse niet overschrijdt, dan moet vervolgens worden getoetst of de totale massastroom van deze klasse samen met de totale massastroom van de in nummer hogere klasse wél de grensmassastroom van deze hogere klasse overschrijdt. Als dit het geval is dan geldt de emissieconcentratie-eis van deze hogere klasse voor het totaal van alle stoffen van de beide beoordeelde klassen. Als dit niet het geval is dan moet vervolgens worden getoetst of de totale massastroom van de beide klassen samen met die van de in nummer hoogste klasse, wél de grensmassastroom van deze hoogste klasse overschrijdt. Als dit het geval is dan geldt de emissie-eis van deze hoogste klasse voor het totaal van alle stoffen van de drie klassen.

Artikel 2.6

Overeenkomstig de systematiek van de NeR worden bronnen die op jaarbasis maar een zeer geringe bijdrage aan de emissie hebben, vrijgesteld van de emissieconcentratie-eisen uit artikel 2.4. Voor deze kleine bronnen gelden dan geen emissieconcentratieeisen ten aanzien van de betreffende stoffen waarvan de jaarvracht onder het 500-voudige van de grensmassastroom blijft. Artikel 2.6 regelt ook dat deze individuele kleine bronnen zijn vrijgesteld van de emissie-eisen bij de activiteiten in de hoofdstukken 3 en 4 van dit besluit op die plekken waar is bepaald dat artikel 2.4 onverminderd van toepassing is.

Overigens tellen deze kleine bronnen wel mee voor wat betreft de toetsing aan de grensmassastroom.

Artikel 2.7

In artikel 2.7 wordt aangegeven dat alleen de massastromen die samenhangen met activiteiten waarvoor in de de hoofdstukken 3 en 4 van dit besluit emissie-eisen zijn gesteld, beschouwd hoeven te worden.

Artikel 2.8

Artikel 2.8, eerste lid, biedt de mogelijkheid voor het bevoegd gezag af te wijken van de emissieconcentratie-eisen als bedoeld in artikel 2.4, indien met een alternatieve maatregel of techniek één of meer grensmassastromen overschreden worden en/of de emissieconcentratie-eisen overschreden worden, terwijl wel een significante emissiereductie gerealiseerd wordt (in kg vermeden emissie per jaar). Ook kan worden afgeweken, indien sprake is van een afwijkend emissieverloop of bijzondere bronnen zoals bedoeld in paragraaf 2.4 van de NeR. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld het toepassing geven aan de middelingsbepaling, piekemissiebepaling, en bepalingen ten aanzien van niet reguliere emissies zoals opgenomen in paragraaf 2.4 van de NeR. Daarnaast zijn afwijkingen mogelijk van grensmassastromen en emissieconcentratie-eisen voor MVP-stoffen, conform het bepaalde onder emissie-eisen van paragraaf 3.2.1 van de NeR.

Het bevoegd gezag neemt bij zijn beslissing ook de kosteneffectiviteit van maatregelen als bedoeld in paragraaf 2.11 van de NeR in acht.

Artikel 2.8, tweede lid, biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid voorschriften stellen ten aanzien van het controleren van emissie door het bedrijf. Dit kan alleen bij die activiteiten waar ook daadwerkelijk in dit besluit luchtemissie-eisen zijn opgenomen.

In veel gevallen zal het niet nodig zijn om extra voorschriften te stellen ten aanzien van het controleren van emissies, omdat de meeste bedrijven door middel van het toepassen van erkende maatregelen worden geacht te hebben voldaan aan de emissie-eisen. Voor deze erkende maatregelen is in de ministeriële regeling vastgelegd waar deze maatregelen aan moeten voldoen om te kunnen spreken van een doelmatige werking van de maatregel.

Er kunnen echter situaties zijn waarbij een aanvullend controleregime nodig is. Hiervan is sprake:

- indien een bedrijf een andere nageschakelde techniek kiest dan die genoemd zijn bij de erkende maatregelen. Een aanvullend controleregime ligt dan meer voor de hand dan in gevallen dat een bedrijf er voor kiest een erkende maatregel te treffen. In de regeling is vastgelegd waaraan een erkende maatregel moet voldoen en hoe deze onderhouden moet worden om de gewenste milieubescherming te realiseren. Dit is niet het geval voor alternatieve technieken;

- indien de toegepaste emissiereducerende techniek in combinatie met de geëmitteerde stoffen leidt tot hoge storinggevoeligheid, er veel onderhoud nodig is, er veel fluctuaties zijn in de aard en grootte van de emissies en afstelling nodig is, etc.;

- indien de grootte en aard van de emissies en/ of storingsemissies daar aanleiding toegeven.

Als hulpmiddel voor het opstellen van een aanvullend controleregime kan gebruik gemaakt worden van paragraaf 3.7 van de NeR. In veel gevallen is een kwantitatieve emissiemeting niet nodig om de goede werking van een emissiereducerende techniek vast te stellen en kan volstaan worden met een controleregime op basis van Emissie Relevante Parameters (ERP’s).

Artikel 2.9

In dit artikel wordt in het eerste lid aangegeven dat wanneer andere maatregelen genomen worden, dan de in de ministeriële regeling genoemde erkende maatregelen, dat dan een eenmalige aantoonplicht rust op de drijver van de inrichting om aan te tonen dat met de genomen maatregelen aan het doelvoorschrift voor emissie-eisen wordt voldaan.

In het tweede lid is aangegeven aan welke voorwaarden een emissiemeting moet voldoen en op welke wijze er getoetst moet worden aan de emissie-eisen indien er een emissiemeting wordt uitgevoerd om aan te tonen dat aan de doelvoorschriften wordt voldaan. Afwijking van een bepalingsmethode zoals genoemd in dit artikel is alleen toegestaan als dit is aangeven door het bevoegd gezag, dan wel op basis van eventueel opgestelde voorschriften met betrekking tot het controleren van de emissies naar de lucht.

In paragraaf 3.7.4 van de NeR wordt onder meer aangegeven uit hoeveel deelmetingen een afzonderlijke emissiemeting dient te bestaan, hoe lang de bemonsteringsduur van de deelmeting dient te zijn en hoe omgegaan moet worden met de onnauwkeurigheid van een meetresultaat.

Emissiemetingen van chroom(VI)-verbindingen kunnen zowel op basis van artikel 2.9, onder b, als op basis van artikel 2.9, onder c, worden uitgevoerd. In de praktijk is het vaak praktischer om gebruik te maken van de bepalingsmethode voor zware metalen, alhoewel daarmee het totaal aan chroomverbindingen (zowel chroom (III) als chroom (VI)) wordt bepaald. Indien het totaal aan chroomverbindingen lager is dan de norm voor chroom(VI)-verbindingen, dan wordt daarmee ook voldaan aan de emissie-eis voor chroom(VI)-verbindingen.

Afdeling 2.4 Bodem

Artikel 2.11

Eerste en tweede lid

Indien een inrichting wordt opgericht dient er binnen drie maanden na de oprichting van de inrichting een rapport met de resultaten van een nulsituatie-onderzoek te worden toegestuurd aan het bevoegd gezag. In het tweede lid is een maatwerkbepaling opgenomen waarbij het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen met betrekking tot een nulsituatie-onderzoek indien er sprake is van een verandering van de inrichting. Het bevoegd gezag heeft geen beleidsvrijheid om af te zien van het nulsituatieonderzoek indien het gaat om nieuwe inrichtingen. Ook eindsituatieonderzoek moet altijd worden uitgevoerd. Alleen bij bestaande situaties kan het bevoegd gezag eigen afwegingen maken en besluiten om al dan niet over te gaan tot het opleggen van de verplichting tot het verrichten van een nulsituatieonderzoek. Zie verder hiervoor het algemene deel van de Nota van toelichting

Afdeling 2.5 Afvalbeheer

Artikel 2.13

In het oude Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer was een bepaling opgenomen die ertoe strekt dat uit de inrichting afkomstig zwerfafval wordt opgeruimd. In het onderhavige besluit is een vergelijkbare bepaling opgenomen. De reikwijdte is verbreed, omdat etenswaren, verpakkingen, producten en materialen buiten veel meer dan de in genoemd besluit bedoelde inrichtingen als zwerfafval voorkomen. Met dit artikel wordt degene die de inrichting drijft verplicht zwerfafval van welke aard dan ook dat afkomstig is vanuit die inrichting op te ruimen. De straal, waarbinnen de verplichting tot verwijderen geldt, is verruimd naar 100 m, omdat in een aantal situaties het zwerfafval van een inrichting tot zo ver buiten de inrichting terechtkomt. Gelet op het oogmerk van de bepaling is toegevoegd dat de verplichting geldt voor de openbare ruimte.

Artikel 2.14

Zie de toelichting over dit onderwerp bij het onderdeel afvalbeheer van het algemeen deel van deze toelichting.

Afdeling 2.6 Energiebesparing

Artikel 2.15

Eerste lid

In een inrichting met een energieverbruik in enig kalenderjaar van meer dan 200.000 kWh/jr aan elektriciteit of 75.000 m3 equivalenten aan aardgas of andere brandstoffen dienen volgens het eerste lid, energiebesparingsmaatregelen te worden genomen. Dit wil zeggen, dat alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar moeten worden genomen dit komt overeen met een positieve netto contante waarde bij een interne rentevoet van 15%. Bedrijven en instellingen dienen deze maatregelen te nemen met als doel energiebesparing. In principe geldt dat maatregelen die zich in vijf jaar of minder terugverdienen redelijk zijn, tenzij er (niet-financiële) redenen zijn waarom de maatregel niet inpasbaar is in de bedrijfsvoering of de maatregel een onaanvaardbaar effect heeft op een ander milieucompartiment. Energiebesparing draagt bij aan het verminderen van broeikasgasemissies en luchtverontreiniging. Als hulpmiddel zullen zogeheten informatiebladen ter beschikking worden gesteld met voorbeelden van rendabele energiebesparingsmaatregelen. Voorts staat het de drijver van de inrichting vrij andere energiebesparende maatregelen te nemen die een langere terugverdientijd hebben. Deze laatste maatregelen kan het bevoegd gezag echter niet opleggen in het kader van handhaving.

De grens van 200.000 kWh/jr aan elektriciteit of 75.000 m3 equivalenten aan aardgas of andere brandstoffen, waarvoor de terugverdientijd geldt, betekent dat de grens uit de voorgangers van dit besluit met een factor drie tot vier is verhoogd. Bij het omzetten van de voorgangers van dit besluit in het onderhavige besluit is een afweging gemaakt tussen het verminderen van de administratieve lasten en het waarborgen van het milieubeschermingsniveau. De administratieve lasten kunnen fors worden teruggebracht terwijl het milieubeschermingsniveau niet ingrijpend wordt aangetast. De inrichtingen met het grootste energieverbruik vallen onder de werkingssfeer van dit voorschrift. Het verhogen van de energiegrens met een factor drie tot vier is mede ingegeven door het streven van het kabinet om de administratieve lasten te verlagen.

Er wordt gesproken over equivalenten aan aardgas omdat dit een standaard hoeveelheid energie uitdrukt waaraan andere brandstoffen gerelateerd kunnen worden.

Voor inrichtingen met een energieverbruik in enig kalenderjaar van minder dan 200.000 kWh/jr aan elektriciteit of 75.000 m3 equivalenten aan aardgas of andere brandstoffen geldt de zorgplicht tot een doelmatig gebruik van energie (artikel 2.1). Door deze zorgplicht moeten ook deze bedrijven een bijdrage leveren aan het terugdringen van broeikasgasemissies en het beperken van de luchtverontreiniging.

In de brief van 28 april betreffende het Project vereenvoudiging vergunningen (2005-2006 TK 29 515, nr 140) wordt onder andere ingegaan op de algemene regels voor energiebesparing. In deze brief wordt een eerder voorstel uit het voorontwerp van 15 december 2005 naast het huidige artikel gelegd. Naar aanleiding van de reacties van bedrijfsleven en overheden op het voorstel van 15 december 2005 is ervoor gekozen om de grens voor het treffen van rendabele maatregelen te leggen op 200.000 kWh en dit tevens de grens te laten zijn voor eventueel onderzoek. De grens voor eventueel onderzoek lag in het voorontwerp op 600.000 kWh waarbij de grens voor het treffen van rendabele maatregelen op 50.000 kWh lag. Met het huidige artikel 2.15 worden relatief kleine bedrijven ontzien en blijft het aan de andere kant mogelijk om eventueel onderzoek te laten doen bij bedrijven met een groot besparingspotentieel. Deze vergelijking is ook neergelegd in de brief van 28 april.

Tot de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden niet gerekend maatregelen die volgens enig wettelijk voorschrift al zijn vereist. Bijvoorbeeld maatregelen die volgens het Bouwbesluit 2003 al genomen moeten worden om bij nieuwbouw aan de voorgeschreven energieprestatiecoëfficiënt te voldoen. Wanneer men een nieuwe inrichting bouwt (gebouw), dan moeten bepaalde gebouwen volgens het Bouwbesluit 2003 al aan energiebesparingeisen voldoen, zoals de voorgeschreven EPC (energieprestatiecoëfficiënt). Dat is een wettelijk voorschrift. Dat voorschrift heeft betrekking op onder meer verwarming, koeling, verlichting, ventilatie, benutting actieve zonne-energie, isolatie van de schil e.d.. Hoe aan de EPC wordt voldaan, moet worden bepaald volgens een voorgeschreven bepalingsmethode: een NEN-normblad.

Tweede lid

De bevoegdheid om onderzoek te laten verrichten, zoals neergelegd in het tweede lid, geldt alleen voor inrichtingen die een energieverbruik hebben van meer dan 200.000 kWh/jr aan elektriciteit of 75.000 m3 equivalenten aan aardgas of andere brandstoffen. Die bevoegdheid geldt dus niet voor inrichtingen met een geringer energieverbruik dan bedoeld in het eerste lid.

De kosten voor zodanig onderzoek bedragen doorgaans niet meer dan 10% van de jaarlijkse energiekosten. Dit wordt als redelijk gezien voor dit type inrichtingen.

Wanneer het bevoegd gezag onderzoek oplegt, zal dat onderzoek moeten uitwijzen of alle mogelijke energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar door de drijver van de inrichting zijn genomen. Met dit onderzoek krijgt het bevoegd gezag tevens meer inzicht in de technische mogelijkheden, financiële gevolgen zoals terugverdientijden en milieugevolgen van bepaalde maatregelen, activiteiten en faciliteiten.

Derde lid

Het bevoegd gezag kan eisen stellen met betrekking tot het treffen van energiebesparende maatregelen of voorzieningen met een terugverdientijd tot en met vijf jaar indien uit het onderzoek, zoals bedoeld in het tweede lid, blijkt dat deze maatregelen niet genomen zijn. Het bevoegd gezag zal aan de drijver van de inrichting een termijn aangeven waarbinnen deze maatregelen alsnog genomen dienen te worden.

Afdeling 2.7 Verkeer en vervoer

Artikel 2.16

Algemeen

Met artikel 2.16 wordt een verdere invulling gegeven aan de zorgplicht om de nadelige gevolgen van vervoersbewegingen te voorkomen. De nadelige gevolgen kunnen bestaan uit onder andere:

- broeikaseffect door uitstoot CO2 bijdrage verkeer: 30%

- luchtverontreiniging door NOX, bijdrage verkeer: 62%

- luchtverontreiniging door CO bijdrage verkeer: 62%

- luchtverontreiniging door VOS (benzeen) bijdrage verkeer: 40%

- luchtverontreiniging door fijn stof bijdrage verkeer: 36%

- geluidsoverlast;

- congestie.

(Bron: www.cbs.nl; ‘Emissies van wegverkeer’)

Afhankelijk van de aard van de inrichting kan deze te maken hebben met één of meerdere vervoersstromen:

→ verkeer van de eigen medewerkers (woon-werkverkeer en zakelijk verkeer);

→ verkeer van bezoekers;

→ transport van goederen.

De drie typen verkeersbewegingen hebben elk een eigen dynamiek en vereisen dan ook elk een specifieke aanpak.

Eerste lid

Onder medewerkers wordt verstaan ‘het totaal van de bij de inrichting behorende fulltime medewerkers, parttime medewerkers en medewerkers in de buitendienst die een dienstverband voor bepaalde of onbepaalde tijd hebben. Uitgangspunt is dat er een dienstverband dient te zijn. Uitzendkrachten en andere ingehuurde medewerkers hoeven niet te worden meegeteld omdat de invloed van de inrichtingen op deze groep medewerkers gering is. ‘Buitendienstmedewerkers’ horen wel bij het aantal ingeschreven werknemers. Tot de inrichting worden niet gerekend werknemers die meer dan 80% van de diensttijd vanuit huis opereren. Onder ‘personenvervoer’ valt woon-werkverkeer en zakelijk verkeer van eigen medewerkers. Serviceverkeer met structureel veel gereedschap in de auto valt niet onder personenvervoer.

De grens van 500 medewerkers’ is van een andere orde dan de voorheen gehanteerde grens van 100 medewerkers die voorkwam in gepubliceerde en gehanteerde ervaringscijfers, o.a. verwoord in ‘Handleiding De Wet milieubeheer en vervoermanagement’ (VNG, 2000). De huidige bepaling bevat geen ondergrens, waardoor in beginsel alle inrichtingen verkeersbeperkende maatregelen aan het doelvoorschrift dienen te voldoen. Het pakket dat in de bij dit besluit behorende ministeriele regeling is opgenomen, is zodanig gekozen dat ook de kleine bedrijven eenvoudige en doeltreffende maatregelen kunnen treffen, waarbij geen onderzoeksplicht meer geldt. De ervaring leert dat bij bedrijven met 500 of minder medewerkers door concrete, betrekkelijk eenvoudige maatregelen goede resultaten te behalen zijn. Door de grens van 500 medewerkers valt 95% van de inrichtingen onder dit eenvoudige regime.

Voor inrichtingen boven de 500 werknemers gelden aanvullende bepalingen (zie het tweede lid), in de zin dat naast de in de regeling opgenomen maatregelen in bepaalde gevallen verdergaande maatregelen mogelijk zijn. De verwachting is dat circa 1.300 inrichtingen zich boven de grens van 500 medewerkers bevinden. Van deze bedrijven kan worden gevraagd aannemelijk te maken dat met de in de ministeriële regeling opgenomen maatregelen kan worden volstaan. Indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is, kan het bevoegd gezag het bedrijf opdragen hiernaar een onderzoek te doen. Wat betreft het bedoelde onderzoek kan nog worden opgemerkt dat het bevoegd gezag kan bepalen welke aspecten moeten worden beschouwd. Relevant in dat verband zijn de, argumentatie en het plan van aanpak.

Tweede lid

Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers - in grote aantallen - aan een inrichting. In veel gevallen is het bestaan van die inrichting gebaseerd op die bezoekersstromen: een bioscoop, een winkel of een theater, vaak ook per auto (doe-het-zelf-centra). Aanpak van dit bezoekersverkeer raakt direct aan het economisch functioneren. Het gaat daarbij om een type vervoer waar de inrichting geen gezag over heeft (zoals bij personenvervoer - eerste lid - en goederenvoer - derde lid). Gebleken is dat bij bedrijven met meer dan 500 bezoekers per dag mogelijkheden aanwezig zijn om efficiënte en haalbare maatregelen te treffen. Het tweede lid beoogt de huidige situatie van de Handreiking ‘Wegen naar preventie bij bedrijven’ ten aanzien van het aspect bezoekersverkeer ongewijzigd te handhaven.

Derde lid

Goederenvervoer is op dezelfde wijze ingevuld zoals dat nu al in de Handreiking PD09 Preventie, ‘Wegen naar preventie bij bedrijven’ is beschreven. Ten aanzien van de redelijkheid van de maatregel geldt als richtlijn een terugverdientijd van 5 jaar, dan wel hetgeen economisch verantwoord wordt beschouwd in de betreffende sector. De grens van 1.000.000 (eigen) en 2.000.000 (uitbestede) transportkilometers zijn bedoeld om te kleine inrichtingen uit te sluiten. Het criterium ‘transportkilometers’ is vervangbaar door een criterium met een gelijke mate van milieurelevantie als daar in specifieke situaties aanleiding voor is (bijvoorbeeld omdat het bedrijf geen administratie kan bijhouden van transportkilometers).

‘Inrichting gebonden vervoer’ vormt binnen de Wet Milieubeheer één van de onderdelen van de Verruimde Reikwijdte. De wijze waarop ‘vervoer’ in praktijk gehandhaafd wordt is vastgelegd in twee VNG publicaties1 en recentelijk in de Handreiking ‘Wegen naar preventie bij bedrijven’(Infomil 2005). Vervoer blijft desondanks een moeilijk te handhaven onderdeel binnen de Verruimde Reikwijdte. Alleen de criteria en typen vervoer zijn juridisch uitgewerkt en vastgelegd in de Handreiking; de eisen die gesteld kunnen worden zijn vaak onduidelijk.

Door het opnemen van de in de Handreiking vastgelegde criteria en typen vervoer in deze AMvB, en door deze te verbinden aan een ministeriele regeling worden twee doelstellingen bereikt:

1. De juridische basis van ’vervoer’ wordt in deze algemene AMvB vastgelegd en

2. De handhavingpraktijk wordt duidelijker en aanmerkelijk versimpeld.

Dit laatste punt is voor het onderdeel ’personenvervoer’ (eerste lid) uitgewerkt in een ministeriële regeling. Het voorstel voor de regeling werd ontwikkeld in opdracht van het ministerie van Verkeer en Waterstaat en in samenspraak met VNG/IPO. De nieuw ontwikkelde systematiek voor de handhaving - zoals die in de ministeriële regeling is vastgelegd - komt tegemoet aan de motie Van der Ham / Dijksma (24 nov. 2004). Daarin wordt de minister van V&W verzocht om de Wet Milieubeheer t.a.v. vervoer van zijn vrijblijvendheid te ontdoen mede met het oog op het creëren van een level playing field.

’Personenvervoer’ in de ministeriële regeling

De ministeriële regeling heeft betrekking op het eerste lid van dit artikel en op de bedrijven met minder dan 500 werknemers die onder de zorgplicht vallen (artikel 2.1, tweede lid onder f) De ministeriële regeling kent een ondergrens. Kleine bedrijven of inrichtingen zullen moeite hebben om te voldoen aan de systematiek die in de regeling is vastgelegd.

De systematiek onderkent de speciale situatie die rond ’vervoer’ bestaat:

• Inrichtingen kunnen niet worden verplicht te voldoen aan resultaateisen, bijvoorbeeld maximaal 50% van het woon-werkverkeer met de auto. De werkgever heeft geen macht om werknemers verplichtend een vervoerswijze op te leggen. Dit is ook zo uitgesproken in een uitspraak van de Raad van State inzake milieudefensie - B&W Almelo (23/9/97).

• Ook is gebleken dat het moeilijk is om op basis van onderzoek tot goede maatregelen te komen, dat wil zeggen: maatregelen die zowel in het belang van het milieu als de inrichting zijn.

• Houders van inrichtingen verkeren in onzekerheid over de exacte eisen die het bevoegd gezag kan en mag stellen; men voelt zich veelal afhankelijk van het persoonlijke oordeel van de betrokken milieuambtenaar

Keuzelijst erkende maatregelen

De systematiek werkt met een keuzelijst van erkende maatregelen. De houder van de inrichting kiest zelf de maatregelen waar ze baat bij heeft (of heeft die al gekozen en voldoet daarmee aan de eisen). Het belang voor de inrichting kan liggen in lagere kosten, hogere tevredenheid personeel, betere bereikbaarheid of een beter imago. De systematiek is opgezet vanuit een win-win situatie voor bedrijven en handhaver. Voor alle maatregelen geldt dat ze onderdeel kunnen uitmaken van een normale bedrijfsvoering en dat ze voor een handhaver goed zijn te controleren.

Elke maatregel kent een aantal punten dat hoger is naarmate de milieu effectiviteit groter (minder schadelijke stoffen, minder verbruik brandstoffen, minder geluidhinder en ruimtebeslag). Voorbeelden van maatregelen die hoog scoren zijn: regeling thuiswerken of minder reisdagen, volledige vergoeding OV-kosten, lease-auto’s in milieuklassen A en B en ‘de beschikking hebben over weinig parkeerplaatsen’.

De inrichtinghouder wordt geacht maatregelen te hebben genomen om een aantal punten te halen zoals die voor een gemiddeld bedrijf is vastgelegd. Bedrijven die boven dit gemiddelde scoren hoeven niets extra’s te doen.

Voorgesteld wordt om de minister in samenspraak met het bevoegd gezag gebieden te laten aanwijzen waar een lichter regime kan gelden. Het gaat om gebieden met een zeer lage belasting van inrichting gebonden verkeer.

Onderbouwing

De systematiek is getest bij 15 pilot inrichtingen in drie steden (Nijmegen, Haarlem en Amsterdam). De reactie van de bedrijven was laconiek tot licht enthousiast. De betrokken bedrijven stelden wél als voorwaarde dat de maatregelen eenvoudig zijn uit te voeren en geen ingewikkelde bewijslast vergen.

Met gemeentelijke handhavers is een drietal sessies gehouden om de praktische aspecten van de handhaving door te nemen2. De algemene conclusie was dat de systematiek een grote verbetering is t.o.v. de huidige praktijk. Wel stelden ook de handhavers als eis dat de maatregelen eenvoudig aan te tonen moeten zijn en dat het handhavingniveau in takt blijft. Handhavers zien graag een nationaal instituut ontstaan die de lijst met erkende maatregelen bewaakt en dat kan optreden bij geschillen.

Lastendruk

De administratieve lastendruk voor inrichtingen neemt op het onderdeel ‘vervoer’ met 24% af. In de afname is verdisconteerd het gegeven dat dit artikel een grotere groep inrichtingen (de Handreiking gaat uit van een ondergrens van 100 werknemers) en vooral het wegvallen van de onderzoeksplicht en het onderhandelen voor de groep inrichtingen met minder dan 500 werknemers. Bij de afname met 24% dient aangetekend te worden dat deze uitgaat van een praktijk met volledige handhaving.

Per maatregel worden aspecten als out-of-pocket kosten en beheerkosten in de Infomilbladen uitgewekt. Aantoonbaar leveren enkele maatregelen direct financieel voordeel (inzet bedrijfs / poolauto’s), anderen leveren beheerkosten op met baten in de sfeer van ’werknemers tevredenheid’ (‘regeling fiets van de zaak’) of ’bereikbaarheid’ (‘pendeldienst tijdens spits’). Hoe dit voor de niet administratieve onderdelen van de lastendruk uitpakt zal in de praktijk moeten blijken (afhankelijk van de maatregelen die genomen worden en de situatie bij de bedrijven). Voorgesteld wordt de monitoring op dit punt nationaal op te zetten.

Afdeling 2.8 Geluidhinder

Artikel 2.17

Inrichtingen die onder de werking van het besluit vallen verschillen van elkaar, ook in omvang en impact op de omgeving. Dit betekent dat een norm die voor het ene bedrijf passend is, problemen oplevert voor een ander bedrijf. In die gevallen waarbij dit speelt is niet de ruimste, meest vergaande norm voor het grootste bedrijf als standaard opgenomen. Er is gekozen voor een norm waarmee de meeste bedrijven uit de voeten kunnen, waarbij eventueel maatwerk kan worden toegepast voor inrichtingen die meer ruimte nodig hebben.

Zowel voor bestaande als nieuwe bedrijven is in beginsel de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder opgenomen als de standaard geluidnorm LAeq. Voor het buitenniveau betekent dat een etmaalwaarde van 50 dB(A), voor het binnenniveau van in- of aanpandige woningen een etmaalwaarde van 35 dB(A). Voor de toegestane piekniveaus zijn waarden gesteld die overeenkomen met de grenzen zoals opgenomen in de oude AMvB’s alsmede de gangbare praktijk bij vergunningverlening. Uitgangspunt daarbij is dat met deze normen doorgaans een acceptabele geluidskwaliteit in de zin van geluidbeleving en risico’s voor de persoonlijke gezondheid, in de directe omgeving van het bedrijf wordt bereikt. De normen hebben alleen betrekking op de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en in de inrichting verrichte activiteiten en werkzaamheden en zien dus alleen op zogenaamde directe hinder. Ter voorkoming van indirecte hinder kunnen op grond van artikel 2.1, tweede lid, maatwerkvoorschriften gesteld worden.

Van aanpandige woningen is sprake als geluidsoverlast kan ontstaan door contactgeluid, dat wil zeggen als geluidsoverdracht plaatsvindt via een constructieve verbinding. Dit artikel is, op een paar kleine tekstuele wijzigingen na, gelijk aan de voorschriften 1.1.1 uit de oude artikel 8.40-AMvB’s. Sommige begrippen, zoals geluidsgevoelige gebouwen en terreinen, zijn wel gewijzigd.

In de praktijk blijken overschrijdingen van piekwaarden door laad- en losactiviteiten gedurende de dagperiode in het algemeen niet tot hinder te leiden. Onder de laad- en losactiviteiten worden tevens aanverwante activiteiten verstaan zoals het slaan van autoportieren en het starten, aanrijden, manoeuvreren en wegrijden van de voertuigen.

In hoofdstuk 4, bepalingen met betrekking tot andere activiteiten in inrichtingen type B, zijn voor sommige activiteiten afwijkende bepalingen opgenomen. Indien en voor zover dat het geval is, is artikel 2.17 niet van toepassing. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het afleveren van motorbrandstoffen en laden en lossen in de avonduren bij detailhandel- en ambachtsbedrijven.

Derde lid (gezoneerde industrieterreinen)

AMvB-bedrijven die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein oefenen invloed uit op het zonebeheer, doordat zij op grond van de AMvB over geluidsruimte beschikken zonder dat getoetst wordt of deze geluidsruimte binnen de zone past. Indien voor deze inrichtingen de norm uit artikel 2.17 van toepassing zou zijn, waarbij de norm van 50 dB(A) geldt op de gevel van de dichtstbijzijnde woning, ander geluidsgevoelig gebouw of geluidsgevoelig terrein, zou een groot deel van deze inrichtingen over geluidsruimte beschikken die in veel gevallen niet wordt gebruikt. Om deze - vaak alleen papieren - ruimte, die ten koste gaat van de geluidsruimte van andere inrichtingen binnen het industrieterrein, in te perken is in dit artikel bepaald dat de norm van 50 dB(A) geldt op een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting. Als binnen 50 meter van de inrichting een woning, ander geluidsgevoelig gebouw of geluidsgevoelig terrein buiten het industrieterrein is gelegen, geldt de norm op dit object. Naar verwachting hebben de meeste 8.40-inrichtingen genoeg aan 50 dB(A) op 50 meter, zodat met dit artikel meer recht wordt gedaan aan de feitelijke situatie. Wanneer een inrichting meer geluidsruimte nodig heeft kan maatwerk worden toegepast, waarbij het zonebeheer in acht genomen wordt. Met betrekking tot de maximale geluidsniveaus zijn de normen uit artikel 2.17 onverkort van toepassing.

Vierde en vijfde lid

Op grond van het Besluit tankstations milieubeheer waren afwijkende periodes van toepassing voor de geluidnormen. Dit is in dit besluit gehandhaafd.

Door de uniformering van de begrippen woning en geluidsgevoelige objecten zal voor sommige inrichtingen komen te gelden dat nabij gelegen woningen op een bedrijventerrein of bepaalde geluidsgevoelige objecten nu wel bescherming krijgen ten opzichte van geluidhinder veroorzaakt door de inrichting, terwijl deze objecten onder het Besluit tankstations milieubeheer, niet beschermd werden tegen geluidhinder veroorzaakt door betreffende de inrichting. Voor de bestaande situaties die vielen onder de werking van een van de in dit artikellid genoemde besluiten is een overgangsregeling in de AMvB opgenomen.

Zesde lid (specifieke overgangsbepaling)

In de oude situatie werden in sommige besluiten woningen op bepaalde niet gezoneerde industrieterreinen niet als woning aangemerkt. Dit had als gevolg dat de geluidsnormen niet van toepassing waren op deze woningen. De achtergrond van de beschrijving van het begrip woning in de oude 8.40 amvb’s had echter niets met geluid te maken, maar was gebaseerd op redenen van externe veiligheid. Bovendien waren in de verschillende amvb’s verschillende definities van het begrip woning opgenomen. In dit Besluit wordt één begrip woning gehanteerd, dat aansluit bij de Wet geluidhinder. Geluidsgevoelige objecten op niet-gezoneerde industrieterreinen zijn hierdoor akoestisch beschermd. Voor de bestaande situaties die vielen onder de werking van een van de in dit artikellid genoemde besluiten is een overgangsregeling opgenomen van vijf jaar. Nadien kan het bevoegd gezag desgewenst maatwerkvoorschriften vaststellen. Daarbij kan worden aangesloten bij het heersende referentieniveau en bij de handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening.

Artikel 2.18

Deze bepalingen komen overeen met die uit de oude Besluiten woon- en verblijfsgebouwen, detailhandel en ambachtsbedrijven en horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen, maar zijn van toepassing op alle inrichtingen waar de betreffende activiteiten plaatsvinden.

Eerste lid, onder a

Deze bepaling vormt een verbijzondering van de meet- en rekenregels voor de bepaling van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van een inrichting. Met onoverdekt terrein wordt bedoeld een voor publiek toegankelijk onbebouwd deel van de inrichting, dus een buitenterrein zoals een tuin of een terras. Het betrekken van stemgeluid van bezoekers in de beoordeling van de geluidsnormen is problematisch. Geluid afkomstig van terrassen wordt niet of nauwelijks afgeschermd en kan direct omliggende gevels belasten. Rigide toepassing van de geluidsnormen zou het in veel gevallen onmogelijk maken een terras in gebruik te hebben. De uitsluiting van stemgeluid afkomstig van een buitenterrein geldt feitelijk uitsluitend voor situaties waarbij het buitenterrein aan de straat of een andere openbare ruimte is gelegen. In deze gevallen mag worden aangenomen dat het van bijvoorbeeld het terras afkomstige geluid opgaat in het omgevingsgeluid. Echter indien een buitenterrein omsloten is door bebouwing zal het omgevingsgeluid doorgaans veel lager zijn. Stemgeluid van het terras zal dan eerder leiden tot overlast. De beoordeling van dergelijke situaties dient overeenkomstig artikel 2.17 te geschieden. Met een overdekking wordt een vaste overdekking bedoeld en niet een zonnescherm of luifel. Verwarmde of overdekte terrassen noden tot een gebruik in alle jaargetijden en moeten overeenkomstig artikel 2.17 worden beoordeeld.

Eerste lid, onder b

In de Grondwet is bepaald dat ieder het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen vrij te belijden. Wel kunnen volgens de Grondwet regels worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. In de Wet openbare manifestaties is aangegeven dat klokgelui in verband met de godsdienstige, levensbeschouwelijke of lijkplechtigheden is toegestaan en dat de gemeenteraad ter zake regels kan stellen. Het samenstel van beide regelingen wordt geacht het geëigende kader en verdient de voorkeur boven regulering in dit besluit.

Tweede lid

Bij het bepalen van de geluidsniveaus voor muziek mag geen bedrijfsduurcorrectie worden toegepast. Reeds in het Besluit horecabedrijven Hinderwet was in voorschrift 2.9 van de bij dat besluit behorende bijlage bepaald dat, in afwijking van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (IL-HR-13-01), de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid niet mag worden toegepast. De destijds gegeven toelichting op dit voorschrift is ook nu nog actueel. Deze luidde: ‘Bedrijfsduurcorrectie is in deze handleiding geïntroduceerd met het oog op continubedrijven met discontinue geluidsbronnen en niet zozeer met het oog op horecabedrijven. Beoordeling van geluidsniveaus volgens deze handleiding zou inhouden dat ook voor horecabedrijven bedrijfsduurcorrectie toegestaan zou zijn. Wanneer bedrijfsduurcorrectie op horecabedrijven wordt toegepast kan de vreemd aandoende situatie ontstaan, dat voor de openingsduur na 23.00 uur het toegestane geluidsniveau hoger ligt dan het toegestane niveau voor de avondperiode. Uitgangspunt voor de normstelling van geluidsniveaus is dat voor de nachtperiode lagere waarden gelden dan ’s avonds en overdag. Bedrijfsduurcorrectie voor horecabedrijven doet geen recht aan dit uitgangspunt. Gemeenten die het toepassen van bedrijfsduurcorrectie voor horecabedrijven niet redelijk vinden, bepalen nu al nadrukkelijk dat bedrijfsduurcorrectie niet toegepast mag worden.’

Derde lid

Met betrekking tot voorschrift 1.1.3 uit het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, was in voorschrift 1.1.8 van dat besluit overgangsrecht opgenomen. Dit overgangsrecht behelsde dat voor bepaalde horeca-inrichtingen nog bedrijfsduurcorrectie mocht worden toegepast tot 1 december 2002. Het betreft met name horeca-inrichtingen die reeds waren opgericht voor de datum waarop het Besluit horecabedrijven milieubeheer in werking is getreden (dus voor 1 december 1992). In de praktijk is echter gebleken dat het voor een aantal inrichtingen niet mogelijk was voor 1 december 2002 zodanige fysieke en organisatorische maatregelen te nemen dat zij zonder toepassing van de bedrijfsduurcorrectie konden voldoen aan de normstelling, opgenomen in voorschrift 1.1.1 van de bijlage behorende bij het Besluit horeca, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Daarom is in dit besluit opgenomen dat de betreffende horeca-inrichtingen nog tot 1 december 2007 bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid mogen toepassen.

Vierde lid

Uit onderzoek, uitgevoerd in opdracht van NOVEM (2002), naar de geluidemissie van vrachtwagens is gebleken dat een piekniveau maximaal geluidsniveau 65 dB(A) (op een meetpunt van 7,5 meter) het laagst haalbare niveau is voor aandrijfgeluid van deze motorvoertuigen. Hierdoor is het niet altijd haalbaar om in de nachtperiode aan het piekniveau, maximale geluidsniveau uit tabel I van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer te voldoen, namelijk 60 dB(A) op de gevel van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Een overschrijding van het piekniveau, maximaal geluidsniveau wordt daarom toegestaan, mits de houder van de inrichting aantoont dat het geluidsniveau van het aandrijfgeluid van de motorvoertuigen niet meer dan 65 dB(A) bedraagt op een afstand van 7,5 meter van het motorvoertuig. Uiteraard moet eerst worden bekeken of mogelijk op andere manieren aan het piekniveau, maximaal geluidsniveau uit de tabel kan worden voldaan, bijvoorbeeld het kiezen van een andere route.

Vijfde lid: overgang laad- en losactiviteiten

Voor het laden en lossen was in voorschrift 1.1.1. onder b, van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer vastgelegd dat de piekniveau, maximale geluidsniveaus uit tabel 2.17 niet van toepassing waren tussen 19.00 uur en 21.00 uur op het laden en lossen in de onmiddellijke nabijheid van inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer. De werking van deze bepaling was in eerste instantie bedoeld voor een periode van drie jaar, tot 1 december 2001, en is later verlengd tot 1 december 2004.

De reden waarom het laden en lossen in de aangegeven periode niet aan de piekvoorschriften hoeft te voldoen, is dat er op dit moment onvoldoende technische innovaties op de markt verkrijgbaar zijn om de hoge piekgeluiden te voorkomen. In 1999 is daarom door de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Economische Zaken en Verkeer & Waterstaat het Meerjarenprogramma PIEK opgezet. Dit stimuleert de ontwikkeling en toepassing van technische innovaties en gedrag, die het laden en lossen bij detailhandel en ambachtsbedrijven in de bewoonde omgeving stiller maken. Het programma heeft inmiddels onder andere geleid tot een groot aantal direct toepasbare technische innovaties om die activiteiten stiller te maken. Wel is gebleken dat een seriematige productie van een aantal van deze geluidarme technische innovaties nog moet plaatsvinden. Tevens is duidelijk geworden dat bepaalde technische innovaties de gewenste reductie nog niet of alleen in een proefopstelling hebben gehaald. De toepassing van de in het Meerjarenprogramma Piek ontwikkelde nieuwe geluidarme technieken voor vrachtwagens, bestelwagens, aanhangwagens en trailers in de praktijk zal naar verwachting worden gestimuleerd door het Subsidieprogramma piek. Dit in het kader van de Subsidieregeling Milieugerichte Technologie ontwikkelde subsidieprogramma is in werking getreden. Mede in verband hiermee zullen tot 1 december 2007 in de periode tussen 19.00 en 21.00 uur de piekniveau, maximale geluidsniveaus zoals vastgelegd in artikel 2.17 niet van toepassing zijn op het laden en lossen. Dit betreft een laatste verlengingsperiode van 3 jaar. In de toelichting bij artikel 2.17 wordt beschreven wat onder laad- en losactiviteiten wordt verstaan.

Zesde lid

Het verrichten van openlucht-sportactiviteiten en het komen en gaan van bezoekers kan gepaard gaan met piekniveau, maximale geluidsniveaus die hoger liggen dan de toegestane piekniveau, maximale geluidsniveaus. Onder het geluid door het komen en gaan van bezoekers wordt onder meer begrepen het dichtslaan van autoportieren en het starten en gas geven bij het wegrijden van voertuigen. Redelijkerwijs is het niet mogelijk deze pieken te beheersen op basis van een objectieve normstelling. Om eventuele hinder tegen te gaan of zo veel mogelijk te beperken is op een andere wijze voorzien in beheersing van ongewenste gevolgen. In artikel 2.20 is bepaald dat maatregelen of voorzieningen kunnen worden getroffen in de sfeer van de bedrijfsvoering en het houden van toezicht.

Artikel 2.19

In artikel 2.17 is in overeenstemming met de meeste oude 8.40 AMvB’s de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder opgenomen als de standaard geluidsnorm LAeq. Uitgangspunt daarbij is dat met deze normen doorgaans een acceptabele geluidskwaliteit in de zin van geluidsbeleving en risico’s voor de persoonlijke gezondheid, in de directe omgeving van het bedrijf wordt bereikt. Deze norm is echter de grootste gemene deler voor verschillende typen gebieden en verschillende lokale situaties. Geluid is bij uitstek een milieuaspect dat betrekking heeft op de directe leefomgeving en voornamelijk een rol speelt op lokale schaal. Per inrichting of per gebiedstype kan blijken dat de standaardnorm uit artikel 2.17 niet passend is. Dit geldt temeer nu in het kader van de modernisering van de algemene regels verschillende soorten inrichtingen in uiteenlopende typen gebieden onder de werking van het besluit worden gebracht. Van de norm uit artikel 2.17 kan worden afgeweken met individueel maatwerk of op grond van de in artikel 2.19 genoemde gemeentelijke verordening. In die gemeentelijke verordening kan zowel een hogere als een lagere grenswaarde worden vastgesteld.

In de eerste algemene maatregelen van bestuur die gestoeld waren op artikel 8.40 van de Wet milieubeheer gold het - per gebied verschillende - referentieniveau als norm. Ook in de Circulaire Industrielawaai 1979 werd uitgegaan van het referentieniveau. Omdat het ontbreken van andere gebiedsomschrijvingen dan woonomgevingen en het te allen tijde bepalen van het referentieniveau ter plaatse als knelpunt werd ervaren, worden in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (1998) voorstellen gedaan voor gemeentelijk gebiedsgericht geluidsbeleid. De Handreiking industrielawaai en vergunningverlening is in de plaats getreden van de Circulaire Industrielawaai 1979. In deze handreiking worden voorstellen gedaan om in een nieuwe systematiek per gemeente beleid ten aanzien van industrielawaai vast te stellen, bijvoorbeeld als aparte gemeentelijke nota industrielawaai of als onderdeel van een gemeentelijk milieubeleidsplan ex artikel 4.6 Wet milieubeheer. In de handreiking wordt gesteld dat in een dergelijke nota of plan het grondgebied van een gemeente zou kunnen worden verdeeld in gebieden en dat voor de relevante gebieden een geluidsgrenswaarde zou kunnen worden vastgesteld, waarbij de grenswaarde gebaseerd moet zijn op de geluidskwaliteit die de gemeente op langere termijn voor het betreffende gebied nastreeft. Een gemeente zou bijvoorbeeld kunnen overwegen om voor alle inrichtingen die in de binnenstad liggen in de gemeentelijke nota industrielawaai vast te leggen dat de etmaalwaarde voor die bedrijven niet meer mag bedragen dan 55 dB(A), of dat voor inrichtingen in een door de gemeente aan te wijzen landelijk gebied een etmaalwaarde geldt van 45 dB(A). Hiermee verruimt de gemeente de etmaalwaarde uit artikel 2.17, of scherpt deze juist aan. Indien bij een gemeentelijke verordening op basis van de Gemeentewet dergelijke gebieden worden aangewezen, gelden de geluidsnormen van artikel 2.17 niet in dat gebied maar de grenswaarden opgenomen in de verordening.

De mogelijkheid om voor bepaalde gebieden een afwijkende norm vast te stellen was tevens opgenomen in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer en het Besluit glastuinbouw.

In het kader van de modernisering van het Besluit landbouw wordt aan de gebiedsgerichte benadering vorm gegeven door als algemene norm een etmaalwaarde te stellen van 45 dB(A). De inrichtingen die onder de werking van het Besluit landbouw komen te vallen zijn doorgaans gelegen in een landelijke omgeving, alwaar een etmaalwaarde van 45 dB(A) gelet op de aard van het gebied en het referentieniveau passender is dan een norm van 50 dB(A). Indien het Besluit landbouw te zijner tijd mogelijk wordt samengevoegd met het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, zal bekeken worden in hoeverre de etmaalwaarde van 45 dB(A) als standaardnorm voor alle inrichtingen in landelijk gebied kan gelden.

Overigens moet primair het ruimtelijke ordeningsinstrument ingezet worden om per deelgebied binnen de gemeente een bepaalde (akoestische) kwaliteit te bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door door middel van het bestemmingsplan inrichtingen die doorgaans veel geluid produceren te weren uit bepaalde gebieden.

Het feit dat artikel 2.17 niet langer in een dergelijk gebied van toepassing is, mag ook geen gevolgen hebben voor het geluidsniveau binnen woningen van derden. Daarvoor is ongeacht de hoogte van de buitenwaarden een vast beschermingsniveau vastgelegd overeenkomstig de binnenwaarden van tabel 2.19. Vóór de vaststelling van de verordening dient derhalve te worden nagegaan in hoeverre het geluidsniveau binnen woningen van derden die binnen de akoestische invloedssfeer zijn gelegen, wordt beïnvloed. Met de akoestische invloedssfeer wordt hier bedoeld de geluidsbelasting vanwege de inrichtingen op de gevels van omliggende woningen voorzover dat hoger is dan 50 dB(A).

Van groot belang is dat het gemeentelijke geluidsbeleid, dat wordt vastgelegd in een verordening, in akoestische zin wordt afgewogen tegen de belangen van bewoners, bedrijven en overige belanghebbenden in zo’n gebied. De algemene bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht zoals zorgvuldigheid, belangenafweging en motivering moeten hierbij uiteraard in acht genomen worden.

Gemeenten zijn op grond van artikel 150 van de Gemeentewet verplicht een inspraakverordening vast te stellen, waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken. Doorgaans wordt in de inspraakverordening de openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard.

Nadat de verordening is vastgesteld, kan deze aan een gerechtelijke toets worden onderworpen via bijvoorbeeld (een verzoek om) handhaving of een verzoek tot het toepassen van individueel maatwerk.

Met dit voorschrift wordt tegemoet gekomen aan de wens om gemeenten de mogelijkheid te geven maatwerk te verrichten door het vaststellen van eigen, gebiedsgericht geluidsbeleid. In een aantal van de oude 8.40 AMvB’s (horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen, glastuinbouw en detailhandel- en ambachtsbedrijven) was al een gelijksoortige regeling opgenomen.

Deze wens is eerder door het ministerie van VROM neergelegd in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (verder: de Handreiking): ‘Het verdient aanbeveling voor een gemeente om op basis van deze handreiking (...) een beleid vast te stellen ter zake van industrielawaai en vergunningverlening.’ Dit heeft ook betrekking op het stellen van nadere regels bij een inrichting die valt onder een artikel 8.40-AMvB. Het gemeentelijke beleid als beschreven in de Handreiking dient als toetsingkader bij het verlenen van milieuvergunningen en stellen van nadere eisen bij inrichtingen die onder de werking van een artikel 8.40-AMvB vallen.

Geluid is van invloed op de directe leefomgeving, een zaak die het gemeentebestuur aangaat. Het is daarom van belang dat het gemeentebestuur in elk geval de mogelijkheid heeft om na te denken over de akoestische waarden van verschillende delen van het grondgebied. Per deelgebied kan een geluidsnorm worden vastgesteld, gebaseerd op de geluidskwaliteit die de gemeente op langere termijn voor het betreffende gebied nastreeft. Zo kan bijvoorbeeld voor landelijk gebied een lagere norm worden vastgesteld dan de gangbare 50 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woning. In de binnenstad kan juist een hogere norm worden vastgesteld. Bij het opstellen van een verordening kan aansluiting gezocht worden bij de Handreiking.

In de oude situatie bestond de mogelijkheid om gemeentelijk geluidsbeleid vast te stellen, maar niet om in een verordening geluidsnormen vast te leggen. In de oude situatie moest daarom bij 8.40-inrichtingen per inrichting een nadere eis worden opgelegd. In de nieuwe situatie heeft de gemeentelijke norm rechtstreekse werking. Zeker nu meer bedrijven onder de werking van een 8.40-AMvB vallen, levert dit een aanzienlijke vermindering van administratieve lasten op. Het bevoegd gezag hoeft immers niet meer per inrichting door middel van maatwerk een norm op te leggen die past bij het gebied waar de inrichting gevestigd is. In specifieke gevallen waarin de normen uit de gemeentelijke verordening naar het oordeel van het bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, kan maatwerk worden toegepast.

Uit jurisprudentie volgt dat het stellen van een norm in woningen van derden in strijd is met het systeem van de Wet milieubeheer, omdat de drijver van de inrichting voor het voldoen aan de normen afhankelijk is van een derde, namelijk de eigenaar van de geluidsgevoelige bestemming. Om die reden zijn normen op de gevel opgenomen, waarmee een acceptabel niveau in woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen bereikt wordt. De gemiddelde woning heeft een isolerende waarde van 20 dB(A). Bij een norm van 55 dB(A) op de gevel wordt dus in de regel een binnenniveau van 35 dB(A) in de dagperiode niet overschreden.

Artikel 2.20

Maatwerk: Het bevoegd gezag moet bij elk besluit dat zij neemt alle betrokken belangen afwegen en het besluit goed moet motiveren. De Algemene wet bestuursrecht kent een verbod tot willekeur. Indien een inrichtinghouder van mening is dat desondanks sprake is van willekeur, dan kan hij tegen het maatwerkbesluit in bezwaar en beroep. Volgens jurisprudentie moet bij het toepassen van maatwerk (in de oude situatie het opleggen van nadere eisen) sprake zijn van proportionaliteit ten opzichte van het te beschermen belang. Een maatwerkvoorschrift mag er in elk geval niet toe leiden dat de bedrijfsvoering onmogelijk wordt.

Een gelijkluidend voorschrift was in de oude artikel 8.40-AMvB’s opgenomen. De in sommige van deze besluiten opgenomen laatste zin ‘Voor inrichtingen die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn opgericht, mag de etmaalwaarde niet lager zijn dan 40 dB(A)’ is vervallen, omdat het soms wenselijk werd geacht een lagere etmaalwaarde vast te stellen. Dit is met name het geval wanneer inrichtingen zie zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein minder geluidsruimte nodig hebben dan 40 dB(A). Wanneer door het toepassen van maatwerk een lagere norm kan worden vastgesteld, neemt de inrichting niet onnodig geluidsruimte in beslag ten koste van andere inrichtingen op het industrieterrein.

Het bevoegd gezag wordt de mogelijkheid geboden in individuele gevallen van de standaard geluidsnorm af te wijken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt niet voor de geluidsniveaus binnen woningen van derden; daarvoor is ongeacht de hoogte van de afwijking van de buitenwaarde een vast beschermingsniveau vastgelegd overeenkomstig de binnenwaarde uit artikel 2.17. Bij toepassing van de afwijkingsmogelijkheden dient derhalve te worden nagegaan in hoeverre het geluidsniveau binnen woningen van derden die binnen de akoestische invloedssfeer zijn gelegen, wordt beïnvloed. Met de akoestische invloedssfeer wordt hier bedoeld de geluidsbelasting vanwege de inrichting op de gevels van omliggende woningen voorzover dat hoger is dan 50 dB(A). De gemiddelde woning heeft een isolerende waarde van 20 dB(A). Bij een norm van 55 dB(A) op de gevel wordt dus in de regel een binnenniveau van 35 dB(A) in de dagperiode niet overschreden.

Uiteenlopende redenen of argumenten kunnen ten grondslag liggen aan de wens, behoefte of noodzaak tot afwijken. In beginsel zal de hoogte van het heersende referentieniveau bepalend kunnen zijn voor de mate van afwijking van de standaard geluidsnorm. De volgende invulling kan dan aan de orde zijn.

a. Indien het heersende referentieniveau zodanig laag is, dat de in dit voorschrift gestelde standaard geluidsnorm zal leiden tot hinder voor de omgeving, kan een lagere geluidsgrenswaarde aan het bedrijf worden opgelegd. Dit kan zich voordoen in situaties waarbij bedrijven gevestigd zijn in een rustige omgeving zoals bijvoorbeeld een stille woonwijk of landelijk gebied. Bij het in overweging nemen van een lagere geluidsgrenswaarde zal het bevoegd gezag rekening dienen te houden met de rechtszekerheid van gevestigde bedrijven. Alternatieve maatregelen kunnen in de afweging worden betrokken waarbij zonodig aandacht moet worden geschonken aan een evenredige lastenverdeling. Van belang is voorts dat bezien kan worden in hoeverre eventuele maatregelen gefaseerd kunnen worden uitgevoerd.

b. Indien het heersende referentieniveau zodanig hoog is dat redelijkerwijs van het bedrijf niet kan worden verlangd de lagere standaard geluidsnorm na te leven en de handhaving van geluidsnorm een onevenredige beperking van de bedrijfsvoering of zelfs sluiting zou kunnen betekenen, terwijl de lokale situatie een soepeler normstelling toelaat. In een dergelijk geval kan de geluidsgrenswaarde worden verhoogd. Dit kan zich voordoen in drukkere gebieden zoals stadswinkelcentra of bedrijfsterreinen.

c. Niet uitsluitend het heersende referentieniveau behoeft maatgevend te zijn om afwijking van de norm te wensen. Ook maatschappelijke ontwikkelingen en de al of niet hierdoor veranderende regelgeving kan daartoe aanleiding vormen. Het kan daarbij voorkomen dat wellicht in specifieke gevallen meer ruimte geboden moet worden.

d. Ten slotte kunnen eventueel ook geluidsgrenswaarden boven het referentieniveau worden vastgesteld, bijvoorbeeld indien individuele bedrijfseconomische redenen motief zijn om aan de behoeften van het bedrijfsleven tegemoet te komen, en indien is aangetoond dat maatregelen onvoldoende soelaas bieden. In dergelijke gevallen zal het bevoegd gezag een afweging moeten maken tussen de belangen van het bedrijfsleven en de belangen van de woonomgeving rond de inrichting. Met name kan zich deze problematiek voordoen rond laad- en losactiviteiten en waarbij in specifieke situaties extra geluidsruimte moet worden geboden om de bedrijfsvoering niet geheel onmogelijk te maken. In het algemeen moet worden bedacht dat afwijking van het heersende geluidsniveau aanleiding kan zijn voor hinder of het uiten van klachten. Het gebruik maken van de mogelijkheid tot afwijking van de standaardnorm vindt plaats op basis van een plaatselijke afweging met inachtneming van bovengenoemde motieven. Omdat voor het onderwerp geluid een vergaande mate van decentralisatie gewenst wordt geacht, is afgezien van het opnemen van een bandbreedte waarbinnen deze afweging kan plaatsvinden. Deze lokale afweging en besluitvorming is daarbij overigens gebonden aan de opgebouwde praktijk rond de benadering van het onderwerp geluid. Immers geluid is geen nieuw item maar reeds jarenlang een structureel element in de uitvoeringspraktijk van vergunningverlening, de planologie, de rechtspraak en de handhaving, in technische zin gevoed door uitvoeringsbesluiten, circulaires, richtlijnen en handreikingen.

De beslissing tot het afwijken van de standaardnorm dan wel het voorschrijven van voorzieningen, dient expliciet te worden geformaliseerd door middel van het instrument maatwerk. Van belang hierbij is dat aan de beslissing om af te wijken van de standaardnorm een afdoende akoestische motivatie ten grondslag moet liggen, bij voorkeur en voor zover mogelijk, ondersteund door relevante geluidmetingen. Een afwijking van de gestelde norm wordt in gevallen van bezwaar en vervolgens beroep volgens de Wet milieubeheer- en Awb-procedures ter toetsing voorgelegd aan de rechter.

Vierde lid

Om te voorkomen dat een inrichting, die betrekkelijk ver van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen is gesitueerd, geen toepassing hoeft te geven aan het ALARA-principe en daardoor onbeperkt geluid mag produceren, was in de besluiten van voor 1998 een bepaling opgenomen dat het equivalente geluidsniveau, bij afwezigheid van woningen, op een afstand van 50 meter gold.

Maatwerk als bedoeld in artikel 2.20, vierde lid, kan bijvoorbeeld worden toegepast in gevallen waarbij een inrichting ver van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen is gelegen en daardoor onbeperkt geluid mag produceren. Ook kan het bevoegd gezag met deze maatwerkbepaling objecten bescherming bieden die op grond van artikel 2.17 niet beschermd worden. De plaats waarop de geluidsnormen gelden kan bijvoorbeeld worden vastgesteld ter plaatse van een woonboot.

Artikel 2.21

Eerste lid

Voor het kunnen vieren van incidentele festiviteiten en activiteiten met een maatschappelijk belang, kan niet altijd voldaan worden aan de gestelde geluidsvoorschriften. De gemeenteraad kan daarom bij verordening vaststellen dat gedurende bepaalde perioden de geluidsvoorschriften niet gelden. Een bevoegdheid die de gemeente heeft op grond van de Gemeentewet.

Onderdeel a van dit artikel is van toepassing op de zogenaamde collectieve festiviteiten. In de verordening is daartoe een nadere gebiedsdifferentiatie binnen de gemeente mogelijk. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt tijdens carnaval, kermissen of culturele-, sport- en recreatieve- manifestaties die een gemeente aangaan.

Daarnaast is het mogelijk dat een individuele inrichting tot maximaal twaalf maal per jaar voor andere festiviteiten, met een meer individueel karakter, een vrijstelling verkrijgt van de geluidsvoorschriften (onderdeel b). Met dit nieuwe besluit wordt deze mogelijkheid ook aan andere inrichtingen geboden.

Op deze wijze vindt er een gelijke behandeling plaats van horeca-, sport- en recreatie-bedrijven en overige inrichtingen. Daarnaast leidt deze regeling tot een aanzienlijke lastenvermindering voor bedrijven. Immers, indien een bedrijf voornemens is een festiviteit te organiseren behoeft zij hiervoor geen ontheffing meer aan te vragen op grond van de plaatselijke verordening.

Tweede lid

In het tweede lid is bepaald dat bij of krachtens gemeentelijke verordening voorwaarden kunnen worden gesteld aan de festiviteiten en activiteiten. Hierbij valt te denken aan een geluidsnorm van bijvoorbeeld 10 of 20 dB(A) hoger dan de reguliere norm of het treffen van bepaalde maatregelen.

Artikel 2.22

In dit artikel wordt het ook voor andere activiteiten dan festiviteiten als bedoeld in artikel 2.21 mogelijk gemaakt om maximaal 12 keer per jaar door bijzondere omstandigheden de geluidsnormen te overschrijden. Hierbij is aangesloten bij de 12 dagenregeling uit de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening, oktober 1998, Distributiecentrum VROM (hierna: handreiking industrielawaai en vergunningverlening of handreiking). Het moet gaan om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties), welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie. Volgens vaste jurisprudentie in de vergunningenpraktijk en volgens de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening wordt voor deze activiteiten nagegaan in hoeverre de hinder beperkt kan worden. Dit kan bijvoorbeeld door het aantal op minder dan 12 keer per jaar te stellen, door aan de activiteiten andere geluidsnormen te verbinden en door het voorschrijven van voorzieningen. In het tweede lid is aan het bevoegd gezag de mogelijkheid gegeven om hiervoor per inrichting regels te stellen.

Het maximum van twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar geldt voor de som van het aantal dagen gebaseerd op artikel 2.21 en 2.22. Als bij een inrichting bijvoorbeeld een personeelsfeest plaatsvindt dat is aan te merken als festiviteit als bedoeld in artikel 2.21, kunnen daarnaast in hetzelfde jaar maximaal elf keer de normen overschreden worden vanwege andere activiteiten.

Afdeling 2.9 Trillinghinder

Artikel 2.23

Eerste lid

Het uitgangspunt bij trillinghinder is primair dat continue trillingen niet voelbaar mogen zijn. Continue trillingen worden doorgaans veroorzaakt door stationaire installaties zoals compressoren of koelmachines. Niet alle inrichtingen zullen trillinghinder veroorzaken. Te denken valt aan het aan- en afrijden van vrachtwagens voor het bevoorraden van grotere instellingen. Daarnaast kan bij stans- en ponsactiviteiten, die met name worden toegepast in de metaal-elektrobranche, trillinghinder veroorzaakt worden. Er is een mogelijkheid voor het bevoegd gezag om maatwerk toe te passen indien specifieke situaties daartoe aanleiding geven. Naar verwachting zullen trillingsmetingen slechts sporadisch noodzakelijk zijn. Voor het objectief vaststellen van trillingen kan in beginsel gebruik worden gemaakt van indicatieve meetmethodieken.

De bepaling is in bijna alle oude artikel 8.40-AMvB’s opgenomen. In 2002 heeft de Stichting Bouwresearch een nieuwe richtlijn uitgebracht. Dit is in het artikel verwerkt.

Derde lid

Indien discontinue, intermitterende of sporadisch voorkomende trillingen (bijvoorbeeld door transportactiviteiten) problemen opleveren, kan het bevoegd gezag de trillingsterkte daarop aanpassen waarbij de streefwaarden uit de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen » van Stichting Bouwresearch Rotterdam (2002) als ondergrens gelden. Bij het aanpassen van de maximale trillingssterkte kan het bevoegd gezag aansluiten bij het gestelde in de Handreiking lawaai en vergunningverlening en bij de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen» uitgave 2002 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam.

In probleemsituaties dient gebruik te worden gemaakt van de in de richtlijn voorgeschreven methode. Deze methode geeft naar de thans beschikbare kennis, de beste reproduceerbare resultaten.

Afdeling 2.10 Geurhinder

Artikel 2.24

Zie hiervoor het algemene deel van deze toelichting.

Afdeling 2.11 Lichthinder

Artikel 2.25

In de Wet milieubeheer wordt onder de gevolgen voor het milieu onder andere verstaan gevolgen voor het fysieke milieu gezien vanuit het belang van de bescherming van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden.

Indien er een beleidsregel van rijk, provincie of gemeente is ter bescherming van de duisternis en het donkere landschap of een verordening of bestemmingsplan waarin eisen ten aanzien van de bescherming van de de duisternis of het donkere landschap zijn vastgesteld, kan de gemeente door middel van een maatwerkvoorschrift, maatregelen of voorzieningen opleggen ter realisatie van het beleid.

Afdeling 2.12 Financiële zekerheid

Deze bepalingen zijn overgenomen uit het voormalige Besluit tankstations milieubeheer en het voormalige Besluit opslaan ondergrondse tanks 1998.

Artikel 2.26

Dit artikel verlangt financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid voor schade tijdens het gebruik van ondergrondse tanks of het drijven van een tankstation voor het wegverkeer. Daaronder valt ook schade die wordt ontdekt bij beëindiging van het opslaan of het exploiteren van het tankstation. In het algemeen wordt nu reeds de bezitter van een tank of de drijver van een tankstation, in gevallen waarin schade is veroorzaakt, aansprakelijk geacht voor de kosten die samenhangen met deze schade. In het Burgerlijk Wetboek is een risico-aansprakelijkheid gelegd op de bezitter van een gebrekkige roerende zaak of van een opstal (art. 6:173 en art. 6:174 BW). Onder een opstal wordt onder meer een werk verstaan dat rechtstreeks, of via een gebouw of ander werk, duurzaam met de grond is verenigd, zoals een ondergrondse tank. Voorts geldt een risico-aansprakelijkheid voor de bezitter (of de professionele bewaarder) van gevaarlijke stoffen.

Wat de vorm van financiële zekerheid betreft wordt de voorkeur gegeven aan een schadeverzekering. Inmiddels zijn de nodige verzekeringspolissen ontworpen op basis waarvan verzekeraars de mogelijkheid van schadeverzekering bieden. De termijn waarvoor zekerheid moet worden gesteld vangt aan op het moment dat het opslaan in een tank of het drijven van het tankstation begint en eindigt op het moment dat bij beëindiging van het opslaan of het drijven uit een bodemonderzoek (eindsituatiebodemonderzoek) is gebleken dat de bodem als gevolg van dat opslaan of het drijven niet is verontreinigd dan wel bij gebleken verontreiniging de gewenste maatregelen zijn getroffen.

Zekerheid moet in principe voor alle ondergrondse tanks worden gesteld. Er wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen tanks in gebruik bij een particulier of een bedrijf. Van het Rijk mag redelijkerwijs worden verwacht dat het zijn financiële verplichtingen zal nakomen. Dit doet

overigens niets af aan het feit dat het Rijk in voorkomende gevallen aansprakelijk is voor door het Rijk veroorzaakte bodemverontreiniging.

Artikel 2.27

De verplichting een schriftelijk bewijsstuk te overleggen is in dit artikel opgenomen met het oog op een goede controle op de naleving van de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid. Uit het document zelf moet genoegzaam blijken dat aan de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid en de daarmee verband houdende voorschriften is voldaan. Gedacht moet bijvoorbeeld worden aan de overeenkomst die aan de zekerheid ten grondslag ligt, zoals een verzekeringsovereenkomst, een toelatingsovereenkomst of een Certificaat van deelneming tussen degene die de inrichting drijft en de stichting CoFiZe, die het fonds beheert.

Het bevoegd gezag zal niet alleen moeten beoordelen of de geleverde stukken voldoende bewijskracht bezitten, maar ook of de gestelde zekerheid voldoende garanties biedt. De financiële zekerheid moet met name ook voorzien in situaties dat faillissement dreigt of is uitgesproken en in het geval dat degene die de inrichting drijft met de noorderzon is vertrokken.

Artikel 2.28

Indien de financiële zekerheid, bedoeld in artikel 2.26, komt te vervallen anders dan door reguliere bedrijfsbeëindiging, is het van belang dat het bevoegd gezag hiervan zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld. Te denken valt aan situaties als:

- eenzijdige opzegging van de overeenkomst die aan de financiële zekerheid ten grondslag ligt, doordat degene die de inrichting drijft niet voldoet aan zijn verplichtingen jegens de garant (zoals de betaling van de premie);

- situaties waarbij de oorspronkelijke financiële zekerheid vervalt en wordt vervangen door een andere, te weten een wijziging van de vorm van financiële zekerheid of doordat een ander zich garant stelt voor de financiële zekerheid.

Samengevat gaat het om al die zaken die de omvang van de gestelde zekerheid verminderen.

Hoewel de primaire verplichting om deze situaties aan het bevoegd gezag kenbaar te maken, ligt bij degene die de inrichting drijft, zijn er gevallen denkbaar dat hij deze melding achterwege laat. Dit zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen in het geval dat de overeenkomst strekkende tot het verlenen van financiële zekerheid eenzijdig is opgezegd. Omdat financiële zekerheid onder alle omstandigheden aanwezig moet zijn, is het ook in die gevallen noodzakelijk dat het bevoegd gezag geïnformeerd wordt over wijzigingen met betrekking tot de financiële zekerheid. Voor zover sprake is van het drijven van een tankstation voor het wegverkeer wordt - zoals ook in het ingetrokken Besluit tankstations milieubeheer was geregeld - de garant (degene die contractueel instaat voor de financiële dekking van de aansprakelijkheid) verplicht het bevoegd gezag te informeren over opzegging van, en de opneming van uitsluitingen en andere fundamentele wijzigingen in de afgesloten overeenkomst.

De kennisgeving hangt voorts samen met de beperkte uitloopdekking van een jaar, geregeld in het bepaalde onder c. Indien binnen die periode blijkt dat er sprake is van bodemverontreiniging, dient het bevoegd gezag, of een andere schadelijdende partij, binnen de genoemde periode een verzoek tot herstel of tot betaling van schadevergoeding in te (kunnen) dienen bij de garant. De zekerheidsdekking moet dan in stand worden gehouden tot aan alle voorwaarden voor uitkering is voldaan en naar genoegen van gedeputeerde staten herstelmaatregelen zijn genomen. De termijn waarbinnen dit laatste dient te geschieden is niet bepaald.

Artikel 2.29

Indien de financiële zekerheid, bedoeld in artikel 2.26, komt te vervallen anders dan door reguliere bedrijfsbeëindiging, is het van belang dat het bevoegd gezag hiervan zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld. Te denken valt aan situaties als:

- eenzijdige opzegging van de overeenkomst die aan de financiële zekerheid ten grondslag ligt, doordat degene die de inrichting drijft niet voldoet aan zijn verplichtingen jegens de garant (zoals de betaling van de premie);

- situaties waarbij de oorspronkelijke financiële zekerheid vervalt en wordt vervangen door een andere, te weten een wijziging van de vorm van financiële zekerheid of doordat een ander zich garant stelt voor de financiële zekerheid.

Samengevat gaat het om al die zaken die de omvang van de gestelde zekerheid verminderen.

Hoewel de primaire verplichting om deze situaties aan het bevoegd gezag kenbaar te maken, ligt bij degene die de inrichting drijft, zijn er gevallen denkbaar dat hij deze melding achterwege laat. Dit zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen in het geval dat de overeenkomst strekkende tot het verlenen van financiële zekerheid eenzijdig is opgezegd. Omdat financiële zekerheid onder alle omstandigheden aanwezig moet zijn, is het ook in die gevallen noodzakelijk dat het bevoegd gezag geïnformeerd wordt over wijzigingen met betrekking tot de financiële zekerheid. Voor zover sprake is van het drijven van een tankstation voor het wegverkeer wordt - zoals ook in het ingetrokken Besluit tankstations milieubeheer was geregeld - de garant (degene die contractueel instaat voor de financiële dekking van de aansprakelijkheid) verplicht het bevoegd gezag te informeren over opzegging van, en de opneming van uitsluitingen en andere fundamentele wijzigingen in de afgesloten overeenkomst.

De kennisgeving hangt voorts samen met de beperkte uitloopdekking van een jaar, geregeld in het bepaalde onder c. Indien binnen die periode blijkt dat er sprake is van bodemverontreiniging, dient het bevoegd gezag, of een andere schadelijdende partij, binnen de genoemde periode een verzoek tot herstel of tot betaling van schadevergoeding in te (kunnen) dienen bij de garant. De zekerheidsdekking moet dan in stand worden gehouden tot aan alle voorwaarden voor uitkering is voldaan en naar genoegen van gedeputeerde staten herstelmaatregelen zijn genomen. De termijn waarbinnen dit laatste dient te geschieden is niet bepaald.

Artikel 2.30

Artikel 88 van de Wet bodembescherming stelt dat voor de uitvoering van die onderdelen van de wet die betrekking hebben op de sanering van de bodem de burgemeester en wethouders van de vier grote gemeenten en van de andere aangewezen gemeenten en een regionaal bestuur als bedoeld in de Kaderwet bestuur in verandering worden gelijkgesteld met gedeputeerde staten. Deze gelijkstelling geldt derhalve ook voor de uitvoering van het vierde lid.

Hoofdstuk 3 Bepalingen met betrekking tot activiteiten in inrichtingen, tevens geldend voor inrichtingen type C

In dit hoofdstuk staan de voorschriften voor activiteiten die voorheen in het Besluit tandartspraktijken milieubeheer, in bijlage 1 van het Besluit voorzieningen en installaties en in bijlage I van het Besluit tankstations milieubeheer waren opgenomen. Evenals in die besluiten het geval was, blijven deze voorschriften zowel van toepassing op niet-vergunningplichtige inrichtingen die onder de AMvB vallen (inrichtingen type B), als op vergunningplichtige inrichting en inrichtingen die onder het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit glastuinbouw vallen (oftewel de inrichtingen type C).

Ten opzichte van de situatie onder de verschillende oude branchegerichte 8.40-AMvB’s treedt dus geen verandering op.

Nieuw is daarentegen dat de bovenbedoelde voorschriften zijn aangevuld met voorschriften voor een aantal activiteiten met betrekking tot water die bij vele inrichtingen plaatsvinden (lozen van huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater).

Afdeling 3.1 Afvalwaterbeheer

§ 3.1.1 Reinigen van grond of grondwater

Artikel 3.1

Bij reinigen van grond en grondwater kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering met name met betrekking tot de bodem en het grondwater heeft, ook nadelige gevolgen voor lucht, water en bodem optreden. Ook aspecten als ruimtebeslag, afval en geluid kunnen een rol spelen.

Om de nadelige gevolgen voor het milieu van bij reinigen van grond en grondwater vrijkomend afvalwater te beperken zijn in het besluit voorschriften opgenomen met betrekking tot het lozen daarvan.

Voor de overige milieuaspecten zijn geen voorschriften opgenomen in hoofdstuk 3. Voor zover ook in de op dit besluit gebaseerde regeling geen middelvoorschriften zijn opgenomen, vormt hoofdstuk 2 het kader waaraan de overige nadelige gevolgen voor het milieu moeten worden getoetst. Zo zijn in paragraaf 3.1.1. geen doelvoorschriften opgenomen met betrekking tot de emissies naar de lucht. Deze emissies vinden echter wel plaats, als gevolg van zuivering van verontreinigd water op locatie (bijvoorbeeld in een striptoren), maar ook wanneer afvalwater met daarin vluchtige stoffen op de riolering wordt geloosd. De vluchtige bestanddelen ontsnappen dan tijdens het transport in het riool naar de lucht. Afhankelijk van de aard en totale hoeveelheid vluchtige bestanddelen in het grondwater en de plaats waar de emissie optreedt kunnen zo nodig op grond van artikel 2.1 bij maatwerkvoorschrift maatregelen worden voorgeschreven om de emissies van deze vluchtige bestanddelen naar de lucht te beperken.

Bij het opstellen van de voorschriften voor lozingen van afvalwater is uitgegaan van de CIW-nota ‘Vrijkomend grondwater bij bodemsaneringen’. Bij bodemsaneringen komt naast vervuilde grond vaak verontreinigd grondwater vrij. De meest voorkomende verontreinigingen in het grondwater zijn BTEX, VOCl, minerale olie, en in mindere mate ook PAK en zware metalen. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Een veel toegepaste grondwaterzuiveringstechniek is een striptoren met nabehandeling van de lucht door middel van actieve koolfiltratie. Naast striptorens worden (waterzijdige) actiefkoolfiltratie, biologische technieken (biofilm en bioreactor), oliescheiders en coagulatie/flocculatietechnieken regelmatig toegepast. De technieken worden vrijwel altijd in combinatie gebruikt. Het afvalwater wordt vervolgens afhankelijk van de locatie, hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater in het oppervlaktewater, de bodem of in een rioolstelsel geloosd. Voor lozingen via al deze lozingsroutes zijn in dit besluit regels opgenomen.

Voor wat betreft de Wvo-aspecten van lozingen op de riolering komen deze regels in de plaats van de regels opgenomen in het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering, dat daardoor slechts relevant blijft voor lozingen vanuit bodemsaneringen, die geen inrichting zijn.

In het navolgende wordt kort ingegaan op de regels die bij de verschillende lozingsroutes gelden.

Lozen in oppervlaktewater

Voor lozingen in oppervlaktewater van in het eerste lid genoemde saneringen zijn verschillende lozingseisen geformuleerd voor oppervlaktewater dat met het oog op lozingen geen bijzondere bescherming behoeft, en wateren waarbij een bijzondere bescherming wel aan de orde kan zijn. De lozingeisen voor oppervlaktewater dat geen bijzondere bescherming behoeft zijn afgeleid van de toepassing van best beschikbare technieken. Voor oppervlaktewateren die wel een bijzondere bescherming behoeven zijn soms aanvullende maatregelen nodig om een significante verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen. In die gevallen zullen bij lozing strengere lozingseisen nodig zijn, hetgeen tot hogere kosten kan leiden. Deze hogere kosten zijn te rechtvaardigen omdat anders een significante verslechtering van de waterkwaliteit optreedt. De in het besluit opgenomen lozingseisen zijn zodanig gekozen, dat deze voor de desbetreffende categorie oppervlaktewateren (wel of geen bijzondere bescherming) te allen tijde een adequate bescherming waarborgen. Afhankelijk van de specifieke situatie zijn echter soms ruimere lozingseisen mogelijk. Het bevoegd gezag heeft daarom in het achtste lid de mogelijkheid om, al dan niet op aanvraag van de lozer, bij maatwerkvoorschrift ruimere lozingseisen te stellen.

Lozen in oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, vanuit andere dan in het eerste lid genoemde saneringen is niet expliciet toegestaan. Het kan wel toegestaan worden bij maatwerkvoorschrift op grond van artikel twee, tweede lid.

Lozen in de bodem

Ook bij lozing in de bodem is er voor gekozen doelvoorschriften op te nemen die te allen tijde een adequate bescherming van de bodem waarborgen. Gekozen is daarom voor lozingseisen op het niveau van de streefwaarden in de circulaire Streefwaarden- en interventiewaarden bodemsanering. Evenals bij lozen in het oppervlaktewater heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift ruimere lozingseisen te stellen, en lozingen vanuit andere dan in het eerste lid genoemde saneringen toe te staan.

Lozen in rioolstelsels

Voor lozen in rioolstelsels die niet op een rwzi uitkomen, maar rechtstreeks op het oppervlaktewater of in de bodem (zoals regenwaterriolen en drainagestelsels) gelden dezelfde voorschriften als bij lozen in oppervlaktewater, dat geen bijzondere bescherming behoeft.

Het al dan niet gezuiverde grondwater is in de meeste gevallen qua samenstelling niet geschikt om gezuiverd te worden in een RWZI. Zoals hiervoor aangegeven zal in geval van lozing van vluchtige stoffen een groot deel van deze stoffen reeds tijdens het transport in een vuilwaterriool naar de lucht worden geëmitteerd, zodat van zuivering van deze stoffen in de RWZI nauwelijks sprake zal zijn.

Het lozen van bodemsaneringwater op het vuilwaterriool kan daarnaast leiden tot een verhoogde emissie van verontreinigingen als gevolg van de toename van de overstortfrequentie en -duur. Ook heeft lozing van dergelijk ‘dun water’ (water met weinig verontreinigingen) een nadelig effect op de werking van de RWZI. In beginsel is een lozing van bij reiniging van grond en grondwater vrijkomend afvalwater op het vuilwaterriool milieuhygiënisch geen aantrekkelijke optie. In specifieke gevallen kan het echter de enige of de meest doelmatige optie zijn, vanwege:

- de te grote afstand tot oppervlaktewater of schoonwaterriool, zodat daarop niet geloosd kan worden,

- een te hoge grondwaterstand waardoor bodemlozing niet mogelijk is;

- een beperkte tijdsduur van de lozing, waardoor de kosten voor vergaande zuivering niet in verhouding staan tot de milieuwinst die daarmee kan worden bereikt;

- het feit dat voor de in het grondwater aanwezige verontreinigingen de verontreinigingsgraad in redelijkheid onvoldoende kan worden beperkt, waardoor andere lozingsroutes niet aanvaardbaar zijn. Dit kan zich vooral voordoen bij naftaleen en overige PAK’s.

Gelet op het voorgaande is er in het besluit voor gekozen om lozing in een vuilwaterriool in beginsel niet toe te staan. Indien lozen op oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, niet mogelijk is of milieuhygiënisch niet de voorkeur verdient, kan bij maatwerkvoorschrift worden toegestaan om wel op het vuilwaterriool te lozen. Deze toestemming kan worden gegeven zowel bij saneringen genoemd in het eerste lid als bij andere saneringen. De lozer kan het bevoegd verzoeken om een dergelijk maatwerkvoorschrift te stellen. Tenzij in het maatwerkvoorschrift anders is bepaald gelden bij het lozen de maximale gehalten aan verontreinigingen zoals genoemd in lid 6.

Voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit was een deel van de lozingen in een vuilwaterriool wel algemeen toegestaan op grond van het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering in samenhang met het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer. Met betrekking tot die algemene regeling werden in de praktijk twee bezwaren naar voren gebracht.

Vanuit de zijde van de lozers werd de normering in het besluit als te streng ervaren. Het besluit gaf wel de mogelijkheid om ruimere lozingseisen toe te staan, maar dat kon allleen via een Wvo-vergunning.

Vanuit de zijde van de riool- en zuiveringsbeheerders werd als nadeel gezien, dat lozing van dun water op het vuilwaterriool was toegestaan ook in geval er milieuhygiënisch betere opties mogelijk zijn.

De gekozen regeling waarbij lozing in een vuilwaterriool bij maatwerkvoorschrift kan worden toegestaan biedt de mogelijkheid om zowel het toestaan van ruimere lozingseisen als het aanwezig zijn van alternatieven per geval te beoordelen. De eerdergenoemde CIW nota en het daarbij uitgegeven informatieblad ‘Integrale afweging lozingsvarianten bij bodemsaneringen’ kunnen hiervoor als richtsnoer dienen.

Lozingen in een vuilwaterriool kunnen met name voor naftaleen en de overige PAK aan de orde zijn. Op basis van de stand der techniek is voor naftaleen en voor de overige PAK voor lozing in een vuilwaterriool een lozingsnorm vastgesteld van 40 µg/l respectievelijk 50 µg/l. Anno 2002 is gebleken dat het in de meeste gevallen mogelijk is om lagere effluentwaarden te halen. Het is echter niet mogelijk om tot het VR-niveau van deze verbindingen te zuiveren, zelfs niet met toepassing van zeer goede en geavanceerde zuiveringstechnieken.

Naftaleen kan veelal tot het MTR-niveau (1 µg/l) of zelfs nog wat lager (0,1 µg/l) worden gezuiverd. Voor de overige PAK is het MTR-niveau (0,03-0,9 µg/l) niet haalbaar. Het opstellen van een lozingseis voor naftaleen en overige PAK die van toepassing kan zijn voor oppervlaktewater is op grond van het bovenstaande problematisch. Het blijkt immers niet mogelijk in de buurt van het VR-niveau te komen. Dit geldt het sterkst voor de overige PAK. De lozing op oppervlaktewater zal daarom niet of zelden (bij naftaleen) voldoen aan de opgestelde lozingseisen. De waterkwaliteitsbeheerder moet terdege afwegen of hij de lozing van naftaleen en overige PAK in het beheersgebied zal toestaan bij maatwerkvoorschrift.

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat lozing op oppervlaktewater voor naftaleen en zeker voor overige PAK een niet voor de hand liggende optie is. Wanneer een sanering plaatsvindt op een locatie waar wel oppervlaktewater aanwezig is maar geen mogelijkheden voor herinfiltratie en eveneens geen riolering, dan dient de waterkwaliteitsbeheerder als uitgangspunt te gebruiken dat in ieder geval Stand der Techniek met aanvullende maatregelen wordt toegepast. Wanneer de lozing na verdunning voldoet aan het MTR-niveau in het oppervlaktewater zal de waterkwaliteitsbeheerder de lozing toe kunnen staan. Er vindt dan weliswaar een significante verslechtering van de waterkwaliteit plaats, maar de risico’s voor het aquatisch milieu blijven beperkt.

TRI en PER

In het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering zijn lozingseisen genoemd voor TRI en PER. PER is de afkorting voor perchloorethyleen, de triviale naam voor tetrachlooretheen. TRI is de afkorting voor trichloorethyleen, de triviale naam voor trichlooretheen. In het besluit inrichtingen zijn om verwarring te voorkomen de afkortingen PER en TRI niet meer gebruikt.

Naast regels voor lozing vanuit bodemsaneringen bevat artikel 3.1 ook regels voor lozing vanuit proefbronneringen, die plaatsvinden in kader van een saneringsonderzoek in de zin van de Wbb.

Voor lozingen anders dan in een vuilwaterriool komen de regels overeen met regels voor bodemsaneringen. Voor lozing in een vuilwaterriool is geen toestemming bij maatwerkvoorschrift vereist. Het is primair aan de lozer om te beoordelen of de andere lozingsroutes redelijkerwijs mogelijk zijn. Is dat niet zo, dan mag vanuit een proefbronnering in een vuilwaterriool worden geloosd. Dit geldt zowel voor proefbronneringen genoemd in het eerste lid, als bij andere proefbronneringen die plaatsvinden in kader van een saneringsonderzoek in de zin van de Wbb. Omdat omtrent lozing vanuit een proefbronnering op een vuilwaterriool geen voorschriften zijn gesteld in artikel 3.1, vormt de zorgplichtbepaling het kader waaraan de lozing getoetst wordt.

§ 3.1.2 Lozen van grondwater, niet zijnde verontreinigd grondwater in het kader van een bodemsanering

Artikel 3.2

Het artikel heeft betrekking op grondwater dat vrijkomt bij bronneringen, water uit drain- en drainagebuizen e.d. Bij bronneringen wordt het grondwater weggepompt om werkzaamheden in de bodem onder de grondwaterstand te kunnen uitvoeren. Dit kunnen kleinschalige kortdurende activiteiten betreffen, zoals het uitgraven van een boomstronk of een reparatie aan het riool, die na een paar uur zijn afgerond. Het kan echter ook grootschalige projecten, vooral in de bouw, betreffen die jaren duren en waar (zeer) grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt. Er zijn zelfs (bouw)objecten ten behoeve waarvan voortdurend gebronneerd moet worden. Bronneringen vinden plaats in de openbare ruimte, bijvoorbeeld op bouwlokaties, alsmede binnen inrichtingen in de zin van de Wm. Dit laatste is de reden dat in dit besluit voorschriften voor lozingen van bronneringswater zijn opgenomen. In het aankomende besluit Lozingen vanuit niet-inrichtingen zal een soortgelijk voorschrift worden opgenomen dat van toepassing is op deze lozingen vanuit de openbare ruimte.

Wanneer overigens binnen inrichtingen grondwater in het proces wordt toegepast (bijvoorbeeld voor het koelen) en vervolgens geloosd, gelden de desbetreffende eisen voor het lozen van proceswater (voorbeeld: koelwater).

In het besluit zijn met betrekking tot het lozen van grondwater, niet zijnde verontreinigd grondwater in het kader van een bodemsanering geen doelvoorschriften opgenomen, behoudens de doelvoorschriften voor ijzer, onopgeloste bestanddelen en zuurstof bij sommige lozingsroutes. Over het algemeen is grondwater schoon en kan zonder problemen in het milieu teruggebracht worden. Het is echter niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater verontreinigd kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de bevoegde instanties. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om voor zover daartoe aanleiding is contact te zoeken met het bevoegd gezag over de aanvaardbaarheid van de lozing, en ook om hiervoor tijdens het lozen aandacht te hebben, bijvoorbeeld door te letten op opvallende verkleuring of geur van het water. Deze verantwoordelijkheid vloeit voort uit de zorgplichtbepaling.

De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afvalwater, zoals opgenomen in artikel 10.29a van de wet, als uitgangspunt. In lijn met die voorkeursvolgorde geldt met betrekking tot de verschillende lozingsroutes het volgende:

- Lozen op of in de bodem: schoon grondwater kan zonder probleem teruggebracht worden in de bodem (retourbemaling) of geloosd worden op oppervlaktewater. Lozen in de bodem (retourbemaling) heeft daarbij over het algemeen de voorkeur. Het grondwater wordt weer terug gebracht in de bodem waar het vandaan komt, waardoor de minste verstoring van het milieu plaats vindt. Het lozen van grondwater in de bodem, voor zover dat plaatsvindt in dezelfde laag en het grondwater qua samenstelling niet is verandert, is in het besluit dan ook toegestaan en behoeft niet gemeld te worden.

- lozen in oppervlaktewater: er mag worden geloosd, waarbij met betrekking tot een aantal basisparameters emissiegrenswaarden gelden. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift andere waarden vaststellen, en ook emissiegrenswaarden stellen voor in het artikellid niet genoemde stoffen (zie toelichting zorgplicht - niet gereguleerde aspecten). De kwantiteitsaspecten bij lozen in oppervlaktewater vallen niet onder het besluit. Deze worden gereguleerd op grond van de Wet op de waterhuishouding;

- lozen in ontwateringsstelsel of hemelwaterstelsel: wat kwaliteit betreft komt regeling overeen met die voor lozingen in oppervlaktewater, alleen kunnen andere emissiegrenswaarden ook bij gemeentelijke verordening worden vastgesteld. Ook kunnen bij die verordening zo nodig voor andere parameters en het volume grenswaarden worden vastgesteld. Dit is in het besluit niet expliciet bepaald, omdat dit uit de wet volgt (artikel 10.32a). Een grens aan het te lozen volume per tijdseenheid (=debiet) kan eventueel ook bij maatwerkvoorschrift op grond van het zorgplichtartikel worden gesteld. Er is voor gekozen om geen grens in het besluit op te nemen, dit omdat de aanvaardbaarheid lokaal zeer sterk kan verschillen afhankelijk van het stelsel. Zo zal het stellen van een grens aan het volume per tijdseenheid bij een verbeterd gescheiden stelsel eerder aan de orde zijn, omdat een belangrijk deel van het op een dergelijk stelsel geloosd grondwater alsnog op de rioolwaterzuiveringsinstallatie aankomt.

- lozingen op of in de bodem, in het oppervlaktewater of in een hemelwaterstelsel of een grondwaterstelsel van grondwater dat niet niet voldoet aan de omschrijving in het artikel kunnen bij maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.2, tweede lid, worden toegestaan.

- conform de voorkeursvolgorde zijn lozingen van grondwater op een vuilwaterriool slechts in beperkte mate toegestaan. Lozing van het relatief schone grondwater op het vuilwaterriool veroorzaakt een onnodige hydraulische belasting, die bij een gemengd stelsel bovendien het aantal overstortingen kan doen toenemen. Daarnaast kan een grote hoeveelheid schoon water nadelig zijn voor de doelmatige werking van de zuivering. Bij maatwerkvoorschrift kunnen eventueel omvangrijkere lozingen of lozingen van langere duur worden toegestaan, indien er redelijkerwijs geen andere mogelijkheid bestaat om het grondwater te lozen, en het lozen niet kan worden voorkomen.

§ 3.1.3 Lozen van afvloeiend hemelwater

Artikel 3.3

Bij het lozen van afvloeiend hemelwater bestaat een voorkeur voor het zo mogelijk lokaal in het milieu terugbrengen van afvloeiend hemelwater. In de huidige praktijk wordt afvloeiend hemelwater nog veelal door middel van een gemengd stelsel afgevoerd, samen met huishoudelijk afvalwater. In de op 21 juni 2004 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal toegezonden brief van de Staatssecretaris van VROM over de herijking van het hemelwaterbeleid is het toekomstig hemelwaterbeleid uiteengezet en zijn aanpassingen in regelgeving in het vooruitzicht gesteld, waardoor die regelgeving beter dan in het verleden de benodigde omslag in het omgaan met afvloeiend hemelwater ondersteunt.

Uitgangspunt van de regelgeving is dat afvloeiend hemelwater lokaal in het milieu wordt gebracht door lozing in het oppervlaktewater of op of in de bodem, of op een hemelwaterstelsel wordt geloosd, van waaruit lozing op- of in de bodem of in het oppervlaktewater plaatsvindt. In lijn met dit uitgangspunt is het formele vereiste van een vergunning of ontheffing voor het direct lozen van afvloeiend hemelwater vanuit een inrichting op of in de bodem of in het oppervlaktewater, zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit in gevallen waarin het hemelwater bij het afvloeien in enige mate verontreinigd raakte, in dit besluit vervangen door een stelsel van algemene regels. Op grond van het eerste lid mag het afvloeiend hemelwater in de meeste situaties zonder verdere restricties in het oppervlaktewater, op of in de bodem of op een hemelwaterstelsel worden geloosd. Bij het zonder restricties toestaan van het lozen van afvloeiend hemelwater is er van uitgegaan, dat in de praktijk tijdens het afvloeien van het hemelwater enige verontreiniging bijna onontkoombaar is. De oppervlakken waarover het hemelwater afvloeit zijn immers niet volledig schoon, en afhankelijk van het materiaal waarmee het hemelwater in aanraking komt vindt veelal enige mate van uitloging plaats. Tevens is er echter van uitgegaan dat het mogelijk is om door het treffen van preventieve maatregelen te voorkomen dat het afvloeiend hemelwater dusdanig verontreinigd raakt, dat het niet rechtstreeks in het milieu gebracht zou kunnen worden. De beheerder van het terrein/oppervlak waar het hemelwater is neergekomen is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens in kader van de zorgplichtbepaling worden aangesproken op het nemen daarvan De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden het schoonhouden van de inrichting, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het rekening houden met uitloging bijde keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld, of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In het besluit is er voor gekozen deze preventieve maatregelen over het algemeen niet in concrete voorschriften te vertalen. Slechts bij een aantal activiteiten zijn concrete voorschriften opgenomen. Voor het overige worden preventieve maatregelen als onderdeel gezien van de algemene zorgplicht zoals die in dit besluit is verwoord.

Conform de uitgangspunten van het herijkte regenwaterbeleid wordt lozing van afvloeiend hemelwater op een vuilwaterriool als een minder gewenste optie gezien. Het leidt tot transporteren van ‘schoon’ water over grote afstanden, waarbij dit water door vermenging met ander afvalwater in het vuilwaterriool sterk verontreinigd raakt. Tijdens het transport kunnen overstortingen plaatsvinden wanneer het stelsel de hoeveelheden niet kan verwerken, en op het zuiveringstechnisch werk heeft het hemelwater ook negatieve effecten op het zuiveringsproces. In de praktijk is het hemelwater op het moment dat het vanuit het zuiveringstechnisch werk in het oppervlaktewater wordt geloosd veelal meer verontreinigd dan het in het riool kwam.

Voor nieuwe lozingen van afstromend hemelwater is dan ook in het tweede lid bepaald dat deze lozingen slechts dan op een vuilwaterriool mogen plaatsvinden, als er redelijkerwijs geen andere mogelijkheid tot lozen is. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een bedrijf dat gevestigd is op een locatie met een dusdanig hoge grondwaterstand dat bodemlozingen niet in redelijkheid mogelijk zijn, geen oppervlaktewater in de buurt is waarop geloosd kan worden en ook geen hemelwaterstelsel aanwezig is.

Voor de voorafgaand aan het in werking treden van dit besluit reeds bestaande lozingen van afvloeiend hemelwater bevat het besluit deze verplichting niet. Dit heeft er mee te maken dat in bestaande situaties een dergelijke verplichting tot ingrijpende aanpassingen binnen de inrichting kan leiden. Door gebruikmaken van het hieronder beschreven lokaal beleid kan ook bij deze bestaande lozingen zo nodig het afkoppelen van het vuilwaterriool worden bewerkstelligd. Het niet opnemen van deze verplichting heeft er dus niet mee te maken, dat bij bestaande activiteiten de verontreiniging van het hemelwater groter zou mogen zijn, waardoor lozing op het vuilwaterriool nodig zou zijn. In het besluit is er aldus niet voor gekozen om lozing op het vuilwaterriool toe te staan om de minder milieubewuste ondernemer de mogelijkheid te bieden om van de preventieve maatregelen af te zien. Ook het voor de zekerheid lozen op het vuilwaterriool, voor het geval er bij de activiteit iets fout zou gaan, waardoor verontreiniging van het oppervlaktewater zou kunnen optreden, wordt bij de meeste activiteiten niet noodzakelijk en wenselijk geacht.

Slecht bij een beperkt aantal activiteiten, waarbij risico’s op de verontreiniging van het hemelwater groot zijn, is voor een verplichting van lozen op een vuilwaterriool gekozen, als doelbewuste uitzondering op de regel dat afstromend hemelwater niet thuis hoort in een vuilwaterriool. Dit is bij de specifieke activiteiten bepaald.

Lokaal beleid

Zoals hierboven gesteld wordt er van uitgegaan dat bij de meeste activiteiten door preventieve maatregelen verontreiniging van het hemelwater in voldoende mate kan worden voorkomen.

Om welke maatregelen het gaat spreekt over het algemeen voor zich.

Soms kan het echter gewenst zijn om, rekening houdend met de specifieke situatie, deze maatregelen te concretiseren, of zelfs - aanvullend op de preventieve maatregelen - enige mate van behandeling van het hemelwater voor te schrijven. Ook kan het zijn dat het kwantiteitsaspect bij lozen van afvloeiend hemelwater aandacht verdient en in concrete voorschriften moet worden vertaald.

Dit lokaal beleid kan op verschillende manieren gestalte krijgen. Allereerst kan overleg met degene die de inrichting drijft leiden tot de gewenste concretisering van de preventieve maatregelen, of het treffen van maatregelen voorafgaand aan het lozen, zoals het realiseren van enige mate van berging. Er is ook een tweetal mogelijkheden om dit lokaal beleid te formaliseren.

Allereerst kan dat in de vorm van een maatwerkvoorschrift bij de zorgplichtbepaling. Hierbij kunnen bijvoorbeeld specifieke voorschriften gericht op het voorkomen van bovenmatige verontreiniging van het hemelwater worden gesteld. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien bij een bouwwerk gekozen is voor toepassing van grote oppervlakken uitlogende materialen. Slechts in die gevallen waar in bestaande situaties redelijke maatregelen geen soelaas bieden om milieuverontreiniging ten gevolge van de lozing van afstromend hemelwater te voorkomen zou het maatwerkvoorschrift de verplichting kunnen inhouden het afvloeiend hemelwater te lozen op het vuilwaterriool. Ook kunnen bij maatwerkvoorschrift voorschriften worden gesteld die nodig zijn met het oog op de capaciteit van het stelsel waarop het hemelwater geloosd wordt. Dit kan zowel aan de orde zijn bij het lozen op een hemelwaterstelsel als op een vuilwaterriool. Ook bij het lozen in het oppervlaktewater of op of in de bodem kunnen voorschriften m.b.t. de hoeveelheid nodig zijn.

Tenslotte biedt de verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wm mogelijkheid om aan het lozen van afvloeiend hemelwater regels te stellen. Artikel 10.32a wordt in de Wm opgenomen bij de Wet gemeentelijke watertaken. De gemeente krijgt daarmee het instrumentarium om de doelstellingen van het lokale hemelwaterbeleid te verwezenlijken.

Deze verordening biedt de gemeente ondermeer de mogelijkheid om te bepalen dat bestaande lozingen van afvloeiend hemelwater op een vuilwaterriool binnen een in de verordening genoemde termijn moet worden beëindigd. Van deze mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt wanneer lokaal overgeschakeld wordt naar een gescheiden inzameling van het afvalwater. Maar er kan ook van gebruik worden gemaakt om een bestaand gemengd stelsel te ontlasten in situaties dat lozing direct in het oppervlaktewater of op of in de bodem in het desbetreffende gebied tot de mogelijkheden behoort.

De verordeningsmogelijkheid van de gemeente geldt voor lozingen op of in de bodem en lozingen in een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater, zoals een openbaar vuilwaterriool of een openbaar hemelwaterstelsel, en kan met name relevant zijn daar waar het afvloeiend hemelwater door middel van een openbaar hemelwaterstelsel op of in de bodem of in het oppervlaktewater wordt gebracht. Die mogelijkheid heeft geen betrekking op directe lozingen vanuit inrichtingen in het oppervlaktewater. Die lozingen vallen namelijk niet onder de Wm, maar onder de Wvo.

§ 3.1.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikelen 3.4 en 3.5

Met de in voorbereiding zijnde wijziging van onder andere de Wm (Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken), wordt de definitie van huishoudelijk afvalwater herzien. Voorheen was huishoudelijk afvalwater per definitie afkomstig van particuliere huishoudens. Huishoudelijk afvalwater dat ontstond bij inrichtingen in de zin van de Wm was onderdeel van het bedrijfsafvalwater. Met de genoemde wetswijziging wordt huishoudelijk afvalwater gedefinieerd als ‘afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden’. Daarmee kan bij elke inrichting huishoudelijk afvalwater ontstaan. In de praktijk zullen zelfs zeer weinig inrichtingen zijn waar geen huishoudelijk afvalwater ontstaat, want er is altijd wel een toilet, wastafeltje of gootsteentje aanwezig.

In de praktijk zijn de meeste inrichtingen aangesloten op de openbare gemeentelijke riolering. Overeenkomstig de regeling in het Ontwerp-Besluit lozing afvalwater huishoudens (Staatscourant 25 januari 2005, nr. 17) stelt dit besluit voor deze lozingen geen concrete voorschriften; de lozingen mogen derhalve in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1, voorkomen worden dat lozingen plaatsvinden die de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater zouden belemmeren of onnodige nadelige gevolgen voor de milieukwaliteit, in casu de kwaliteit van het oppervlaktewater of de bodem, zouden veroorzaken. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het Besluit lozing afvalwater huishoudens (§ 5.1).

De artikelen 3.4 en 3.5 zijn bedoeld voor het beperkt aantal bedrijfsmatige situaties waar geen aansluiting op het gemeentelijk riool aanwezig is. Binnen de in het eerste lid van artikel 3.4 aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal i.e. dat geloosd wordt is het verboden direct in het oppervlaktewater of op of in de bodem te lozen. Aansluiting op de riolering ligt dan voor de hand. Deze regeling is onveranderd overgenomen uit het Lozingenbesluit bodembescherming (artikel 14) en het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar deze besluiten.

In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op het oppervlaktewater of op of in de bodem worden op grond van artikel 3.5 in de regeling voorschriften gesteld ten aanzien van die lozingen. Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater (minder dan 3 i.e.) zijn dit dezelfde voorschriften die van toepassing zijn voor particuliere huishoudens op grond van het Besluit lozing afvalwater huishoudens. Kortweg betekent dat een septic tank van 6 m3, waarbij in geval van lozing in de bodem tevens een infiltratievoorziening vereist is. Voor omvangrijke lozingen (< 3 i.e.) zijn de voorschriften overeenkomstig de bepalingen die nu van toepassing zijn voor directe lozingen van huishoudelijk afvalwater op grond van het Lozingenbesluit bodembescherming en het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, dan wel voorschriften die in vergunningen of ontheffingen op grond van de Wvo of het lozingenbesluit Bodembescherming in de praktijk worden verleend.

In een aankomend ‘Besluit lozing afvalwater niet-inrichtingen’ zal een gelijksoortig voorschrift opgenomen worden voor lozingen van huishoudelijk afvalwater die niet plaatsvinden vanuit inrichtingen of particuliere huishoudens.

§ 3.1.5 Lozen van koelwater

Artikel 3.6

Voor de beoordeling van lozingen van koelwater is in CIW-verband (nu LBOW) een beoordelingssystematiek ontwikkeld om warmtelozingen te beoordelen. Na toepassing van BBT kan hiermee de impact van de warmtelozing op het ontvangende oppervlaktewater worden ingeschat. Dit resulteert in een berekening van de maximaal toegestane warmtevracht.

Met dit besluit worden naar schatting 80% van de koelwaterlozingen afkomstig van activiteiten die onder dit besluit vallen gereguleerd. Voor de overige 20% is lozing m.n. op de grotere oppervlaktewateren op voorhand niet uit te sluiten, maar blijft een individuele afweging (maatwerk) gewenst. De onttrekking van koelwater uit het oppervlaktewater of uit het grondwater is niet opgenomen in dit besluit. Daarvoor is een vergunning nodig op grond van respectievelijk de Wet op de Waterhuishouding en de Grondwaterwet.

Ondergrens

Uit eenvoudige modelberekeningen is gebleken dat als gevolg van een warmtelozing van maximaal 10 kW op oppervlaktewater de mengzone waarbinnen de temperatuursverhoging als gevolg van de lozing meer is dan 3 graden Celsius beperkt blijft tot een gebied met een straal van enkele meters. Om die reden wordt het acceptabel geacht om voor koelwaterlozingen een ondergrens te hanteren van 10 kW.

Ontvangende oppervlaktewater

Er is een limitatieve lijst opgesteld van wateren die met het oog op lozingen geen bijzondere bescherming behoeven. Veelal gaat het om wateren met een relatief grote afvoer. Voor de wateren die in deze lijst genoemd staan wordt een warmtevracht van 1 MW acceptabel geacht.

Handhaving

Het bevoegd gezag kan met de in artikel 3.6 genoemde rekenregel de warmtevracht berekenen uit meetgegevens en vaststellen of lozing geschied binnen de voorwaarden van dit besluit.

Maatwerk

Bij het opstellen van de maximaal toegestane warmtevracht zijn een aantal conservatieve uitgangspunten gehanteerd. Indien de te lozen warmtevracht meer bedraagt dan bij dit besluit is toegestaan kan de lozer een meer gedetailleerde berekening uitvoeren voor een beoordeling van de warmtelozing op maat. In deze berekening kunnen dan de lokale gegevens van het ontvangende oppervlaktewater gebruikt worden en kan er bijvoorbeeld rekening gehouden worden met seizoensinvloeden. Voor het uitvoeren van deze beoordeling van de warmtelozing op maat kan de beoordelingssystematiek voor warmtelozingen zoals deze in opgesteld in opdracht van het Nationaal Bestuursakkoord Water gehanteerd worden.

Indien blijkt dat een grotere warmtelozing dan is toegestaan bij dit besluit acceptabel is, kan het bevoegd gezag na een hiertoe strekkende aanvraag deze met behulp van een maatwerkvoorschrift toestaan.

Chemicaliën

Gangbare behandelingschemicaliën voor koelwater vereisen een individuele afweging. Het gebruik van chemicaliën behoeft daarom instemming van het bevoegde gezag. Voor de beschrijving van het effect van de chemicaliën lozing kan een immissietoets uitgevoerd worden.

Afdeling 3.2 Installaties

§ 3.2.1 In werking hebben van een warmtekrachtinstallatie

In het Besluit voorzieningen en installaties stond reeds een rendementseis voor warmtekrachtinstallaties. Deze was gebaseerd op de energie-investeringsaftrek (EIA). De eis van de EIA is inmiddels aangescherpt. Die aanscherping is opgenomen in dit besluit. De strekking van de rendementseis is om te waarborgen dat het rendement bij gebruik gelijk is aan het rendement bij installatie. Gebruik van een noodkoeler kan het rendement van de warmtekrachtinstallatie verlagen.

Registratie van het warmtegebruik is versimpeld voor installaties zonder noodkoelers.

De veiligheidseisen worden opgenomen in de ministeriële regeling. Eisen ten aanzien van het vegen van de schoorsteen, het niet combineren met opslag en de bescherming tegen vandalisme, zijn geschrapt.

§ 3.2.2 Reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit

Artikel 3.9

Dit besluit is van toepassing op aardgasmeet- en/of regelstations en op aardgasdrukregelinstallaties, die noodzakelijk zijn voor aardgasverbruiktoestellen. In vergelijking met het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer is het toepassingsgebied verruimd. De algemene regels komen in beginsel te gelden voor alle gasdrukmeet- en regelstations met een inlaatdruk lager dan 100 bar.

Het is mogelijk dat een station een zelfstandige inrichting vormt, waar geen andere activiteiten worden verricht. Een gasdrukmeet- en regelstation dat niet boven de grenzen van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit uit komt, valt niet onder het regime van de wet en zodoende ook niet onder de werking van dit besluit.

Wanneer een dergelijk gasdrukmeet- en regelstation onderdeel uitmaakt van een grotere inrichting die als gevolg van de andere activiteiten in de inrichting, onder het regime van de wet valt, dan is het besluit wel van toepassing op deze installatie. Er zijn echter geen specifieke voorschriften voor deze installatie in dit besluit opgenomen.

Uit jurisprudentie (AGRS 26-4-1989, nr. G05.87 130) blijkt dat bij of binnen inrichtingen geplaatste gasdrukregel- en meetstations in bepaalde situaties als aparte inrichtingen moeten worden beschouwd. Het gaat dan vooral om situaties waarin het beheer van het gasdrukregel- en meetstation valt onder het beheer en de verantwoordelijkheid van het aardgastransportbedrijf. Dit besluit is ook op die situaties van toepassing.

Het geleiden van gas door gasreinigers (cyclonenfilters) die ervoor zorgen dat het condensaat en/of stof uit gas worden afgevangen, maakt onderdeel uit van deze activiteit. Gasbehandeling, bijvoorbeeld het reinigen van gas bij de gasproductie waarbij het gas gereinigd (ontdaan van condensaat) wordt door toevoeging van andere stoffen (bijvoorbeeld glycol), valt niet onder deze activiteit.

Het aanwezig hebben van meetapparatuur t.b.v. kwaliteitsmetingen, het met elkaar mengen van twee of meer gassoorten, en het aanwezig hebben van een expansieturbine valt binnen de werkingsfeer van dit besluit.

De in dit besluit genoemde norm NEN 1059 (of gelijkwaardig hieraan) waarborgt dat wordt uitgegaan van de laatste stand der techniek van gasdrukregelinstallaties, drukbeheerssystemen, buisleidingen, drukbeproeving en brandpreventie. In het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer stond de eis dat installaties opgericht na 1 mei 1994 moesten voldoen aan NEN 1059, 1994. Voor installaties opgericht voor 1 mei 1994 werd verwezen naar de eisen zoals gesteld in het besluit gasdrukmeet- en regelstations Hinderwet.

In dit besluit is geen algemene verwijzing naar dergelijke normen opgenomen, maar zijn slechts die voorschriften die betrekking hebben op de bescherming van het milieu opgenomen in het besluit en daaronder hangende ministeriële regeling.

Indien een gasdrukmeet- en regelstations is opgenomen in een regionaal bedrijfsnoodplan, of een bedrijfsnoodplan per rayon - ter informatie aan het bevoegd gezag of de (regionale) brandweer is gestuurd - dan is aan de verplichting van het eerste lid van deze bepaling voldaan. Een bedrijfsnoodplan per inrichting is in die gevallen niet vereist. De verplichting voor het opstellen van een bedrijfsnoodplan is opgenomen aangezien een gasdrukregelinstallatie is te beschouwen als secundaire gevarenbron. Dit betekent dat een gasdrukregel- en meetstation milieubelasting kan veroorzaken als gevolg van een incident elders in of buiten de inrichting. De effecten die dan optreden, kunnen effecten hebben buiten de inrichting. Een belangrijk aspect van het bedrijfsnoodplan is dat gegarandeerd moet worden dat de inrichting en de aanwezige installaties te allen tijde goed bereikbaar dienen te zijn.

Het overgangsrecht zoals opgenomen in het vijfde lid, onder a, is bestemd voor bestaande installaties die voor de inwerkingtreding van dit besluit vielen onder de werkingssfeer van het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer en die voor 1 december 2001 beschikte over een vergunning. Deze overgangsbepaling is een voorzetting van de overgangsbepaling zoals reeds was opgenomen in voorschrift 1.1.3, bijlage 1 van het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.

Het overgangsrecht zoals opgenomen in het vijfde lid , onder b is bestemd voor die installaties die door de uitbreiding van de reikwijdte van dit besluit ten opzichte van het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer, onder de werking van dit Besluit komen te vallen en een vergunning hadden ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit. Indien deze inrichtingen niet kunnen voldoen aan de afstandeisen zoals opgenomen in het vierde lid van deze bepaling, zijn de afstanden niet van toepassing. De afstanden tot kwetsbare- en beperkt kwetsbare objecten mag in deze gevallen echter niet verkleinen ten opzichte van de bij oprichting vergunde situatie.

In die gevallen dat de afstanden van het gasdrukmeet- en regelstation kleiner is dan de afstanden zoals opgenomen in het vierde lid van deze bepaling, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om extra maatregelen op te leggen die nodig zijn in verband met de bescherming van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

In de ministeriële regeling onderliggend aan dit besluit worden maatregelen ten aanzien van onder andere externe veiligheid en onderhoud gesteld. De maatregelen hebben de volgende strekking:

• De installatie moet bij in bedrijfstelling en tijdens bedrijf technisch gasdicht zijn.

• Het drukbeheerssysteem moet de druk in het systeem stroomafwaarts van de aardgasdrukregelinstallatie binnen de vereiste grenzen houden en moet garanderen dat deze druk de toegelaten grenzen niet overschrijdt.

• Buisleidingen, fittingen en mechanische verbindingselementen anders dan voor instrumentatieleidingen in aardgasmeet en/of regelinstallaties moeten van voldoende sterkte zijn.

• Na realisatie en voor ingebruikname van de installatie, ook na aanpassingen tussentijds, dient de installatie beproefd te worden op druk. Van toepassing op drukbeheersing is het gestelde in paragraaf 8 van de norm NEN 1059 of daaraan gelijkwaardig.

• Er is een brandblusser en gasdetectie-apparatuur aanwezig tijdens werkzaamheden aan installaties binnen de inrichting.

• Aardgasmeet- en/of regelstations vallend binnen de ontwerpcapaciteit groter van categorie C en gelegen op voor publiek toegankelijk terrein dienen ontoegankelijk te zijn voor onbevoegden.

• De opstellingsruimte dient te voldoen aan de eisen die hiervoor zijn opgenomen in de norm NEN 1059 of daaraan gelijkwaardig te zijn.

• Opslageisen odorant en gascondensaat: Voorschriften voor de opslag van odorant in bovengrondse tanks en gascondensaat in ondergrondsetanks dient te voldoen aan de stand der techniek. Concrete voorschriften staan nog ter discussie. Een voorstel van de Gasunie is om de eisen voor opslag te koppelen aan de door tankinstallateurs, tankbouwers en KIWA gezamenlijk opgestelde ‘richtlijn tankinstallaties voor vloeistoffen en dampen ondergronds en bovengronds’ hebben (KIWA Rapport P 107776 2004-01-12). Dit houdt in dat er op de wijze zoals omschreven in die richtlijn per tank(typen) een analyse uitgevoerd moet worden en dat aan de hand daarvan maatregelen uit de richtlijn van toepassing worden.

• Documentatie: de drijver van de inrichting heeft op inzichtelijke wijze de volgende documentatie digitaal, dan wel schriftelijk beschikbaar: een actueel bedrijfsnoodplan, een actueel schema voor onderhoud, keuringen en metingen en de resultaten ervan een schema van de in- en uitgaande leidingen met hun afsluiters en een schema van de gasdrukregel- en meetinstallatie.

• Onderhoud: het onderhoud aan de installatie dient conform norm NEN 1059 of daaraan gelijkwaardig te worden uitgevoerd. Door wie het onderhoud uitgevoerd moet worden staat nog ter discussie.

§ 3.2.3 In werking hebben van een windturbine

Artikel 3.10

In het besluit is geen specifiek doelvoorschrift opgenomen omtrent het voorkomen van lichthinder, veroorzaakt door slagschaduw en lichtschittering. Voorschriften hieromtrent zijn te vinden in hoofdstuk 2 (zorgplicht) en in de ministeriële regeling. De maatregelen en voorzieningen met betrekking tot hinder veroorzaakt door slagschaduw en lichtschittering, zoals opgenomen zullen worden in de ministeriële regeling, komen overeen met de voorschriften zoals gesteld in het oude Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer. De mogelijkheid voor het bevoegd gezag om een onderzoek naar de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeven het voorkomen of het beperken van hinder door slagschaduw of lichtschittering komt te vervallen. Het bevoegd gezag heeft wel de mogelijkheid om concrete maatwerkvoorschriften op te leggen die nodig zijn om de hinder te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Ter voorkoming of beperking van lichthinder, hinder door slagschaduw of lichtschittering kunnen maatregelen en voorzieningen zoals gebruiksafspraken, maximale lichtsterkten ter plaatsen van slaap- en woonvertrekken en de wijze waarop lichtinstallaties moeten worden uitgevoerd, in de vorm van een nadere eis worden vastgelegd.

Artikel 3.11

Indien een windturbine voldoet aan IEC 61400-2 ( 2nd edition 1999, Wind turbine generator systems - Part 1: Safety requirements)respectievelijk NVN 11400-0 (Windturbines - Deel 0: Voorschriften voor typecertificatie - Technische eisen),worden de gevaarsaspecten zoveel mogelijk beheerst. Gevaarsaspecten kunnen verband houden met de constructie van de turbine zelf; het voldoen aan genoemde richtlijnen biedt onder normale omstandigheden een afdoende garantie. Ook kan de locatie van de turbine nabij andere activiteiten of installaties bepalend zijn voor omgevingsrisico’s. Hierbij wordt opgemerkt dat in het kader van de ruimtelijke ordening rekening kan worden gehouden met de aard van een omgeving of gebied en het gewenste dan wel feitelijke gebruik daarvan. Windturbines met een rotoroppervlak groter dan 40 m2 worden gecertificeerd op basis van NVN 11400‐0. Windturbines met een rotoroppervlak kleiner dan 40 m2 kunnen worden getoetst aan de hand van het rapport ECN-R-95‐020 «Regulations for the Type Certification of small windturbines». De NVN vervangt de door het ECN uitgegeven Voorontwerp NEN 6096, tweede deel. Op basis van deze NEN 6096, tweede deel, is een groot aantal windturbines gecertificeerd. Inmiddels is het praktijk dat op basis van NVN 11400‐0 typecertificaten voor windturbines worden uitgegeven. Voor alle nieuw op te richten windturbines kunnen dan de in dit artikel opgenomen normen onverkort van toepassing zijn. Voor bestaande windturbines opgericht voor 1 december 2001 en waarvoor een vergunning in werking en onherroepelijk was blijven echter de voorschriften met betrekking tot veiligheid gelden die zijn opgenomen in die desbetreffende vergunning.

Artikel 3.12

De gestandaardiseerde windsnelheden gelden op 10 m hoogte en op een terrein met een ruwheidslengte van 0,05. In IEC 61400-11 «Wind turbine generator systems - Part 11: Acoustic noise measurements techniques, uitgave 1998»wordt behalve de bronsterktemeting ook de meting van de tonaliteit en richtingsafhankelijkheid van het windturbinegeluid beschreven. Voor het meten van de tonaliteit is echter nog geen goed gevalideerde meetmethode beschikbaar. Hetzelfde geldt voor het overdrachtsmodel en de criteria voor het «’bestraffen’» van de tonaliteit. Tonaliteitsmetingen zijn derhalve niet voorgeschreven. In gevallen waar een tonaliteitsmeting toch wenselijk is wordt uitsluitend de aanvullende meetmethode voor tonaliteit uit IEC 61400-11 toegepast, aangevuld met de procedures beschreven in «Measnet acoustic noise measurements procedure version 1», van het Eurec-Agency te Leuven in België, uitgave oktober 1997. Voor het beoordelen van de toon kan gebruik worden gemaakt van de criteriacurve uit Annex 4 van de «Recommended practices for wind turbine testing and evaluation no 4. Acoustic measurements of noise emission from windturbines, 3rd edition 1994». Dit is een handreiking uitgegeven door International Energy Agency Wind R&D Implementing Agreement, onder Annex XI Base Technology Information Exchange. Daar metingen in benedenwindse richting in het algemeen de grootste gemeten bronsterkte opleveren, is het meten van de richtingsafhankelijkheid niet noodzakelijk. Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan een andere methode worden gebruikt, mits deze meetmethode ten minste als gelijkwaardig kan worden aangemerkt. Voorbeelden van gelijkwaardige meetmethoden zijn de Duitse VDI-norm 2058 of de Deense regels van het Dept. of Environment (nr. 304, 14 mei 1991).

Inrichtingen, zoals solitaire windturbines en windparken, kenmerken zich doordat een duidelijke relatie aanwezig is tussen de windsnelheid en de hoogte van de geluidemissie. Normaliter worden vergunningplichtige bedrijven en bedrijven waarvoor een artikel 8.40-besluit geldt, beoordeeld onder representatieve condities, waarbij de omgeving rustig, de geluidoverdracht optimaal, en de bedrijfsomstandigheden maximaal zijn. Aangezien windturbines alleen in bedrijf zijn onder condities waarbij de omgeving eveneens een duidelijk rumoeriger karakter heeft (veel windgeruis), dient dit ook in de wijze van beoordelen van geluid door windturbines tot uiting te komen. Van belang hierbij is de relatie tussen de windsnelheid en het optredende geluidsniveau. In Grafiek 3.12 is deze relatie in de vorm van de op praktijkmetingen gebaseerde windnormcurves (WNC) weergegeven. Indien er géén relatie zou worden gelegd tussen de op te leggen grenswaarden en de windsnelheid, zal zich voor elke windturbine of elk windpark een situatie voordoen waarbij de van toepassing zijnde standaardnorm wordt overschreden. Vanwege het toenemen van geluid bij hoge windsnelheden van windturbines, zal deze overschrijding zich dan met name voor kunnen doen bij zeer hoge windsnelheden, bijvoorbeeld 10 m/s of hoger. Bij dergelijke windcondities is het omgevingsgeluid, ten gevolge van windgeruis echter dermate hoog, dat de kans op geluidhinder dan nagenoeg nihil is. De berekende of gemeten immissieniveaus moeten dan ook worden geprojecteerd op de in grafiek 3.12 opgenomen WNC.

Grafiek 3.12 is gebaseerd op een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) van 40 dB(A). Als op de inrichting een andere waarde van toepassing is, moeten de waarden van de grafiek daarop worden aangepast. Dit betekent bijvoorbeeld voor een inrichting waarvoor een waarde van 50 dB(A) geldt, dat de waarden in de grafiek oplopen van 50 dB(A) tot 60 dB(A).

Bij de bepaling van het te beoordelen geluidsniveau komt een aantal complicerende factoren naar boven met betrekking tot met name de toepassing van de bedrijfsduurcorrectie. Er zullen gedurende één beoordelingsperiode vanwege het altijd fluctuerende karakter van de windsnelheid namelijk meerdere representatieve bedrijfssituaties optreden. Zo kan elke windsnelheid aangemerkt worden als zijnde een afzonderlijk te beoordelen bedrijfssituatie met een aparte normwaarde en een apart te beoordelen geluidsniveau. Mede vanwege de complexiteit hiervan is dan ook gekozen voor genoemde WNC die bij de lage windsnelheden tot ongeveer 5 m/s (ofwel de representatieve bedrijfssituatie voor nagenoeg alle andersoortige inrichtingen) een grenswaarde voor het geluidsniveau geeft voor de nachtperiode conform de standaardgeluidnorm, dan wel de bij nadere eis of in de geldende vergunning vastgestelde specifieke waarde. Meer specifiek is de wijze van geluid meten beschreven in de serie Recommended Practices for Wind Turbine Testing and Evaluation, nummer 10 «Measurements of Noise Immission from Wind Turbines at Noise receptor Locations, first edition 1997». Deze handreiking is uitgegeven door International Energy Agency Wind R&D Implementing Agreement en biedt waardevolle technische informatie voor degenen die belast zijn met het meten van geluid door windturbines.

Grafiek 3.12 gebruikt de windsnelheid in m/s. Hieronder wordt aangegeven hoe zich dat verhoudt tot andere eenheden:

Windkracht volgens Beaufort

Windsnelheid in m/s

Windsnelheid in km/uur

0 – geen wind

0 – 0,2

0 – 0,7

1 – zeer zwakke wind

0,3 – 1,5

1 – 5,4

2 – zwakke wind

1,6 – 3,3

5,8 – 12

3 – matige wind

3,4 – 5,4

12 – 19,5

4 – matige wind

5,5 – 7,9

19,5 – 29

5 – vrij krachtige wind

8,0 – 10,7

29 – 38,5

6 – krachtige wind

10,8 – 13,8

38,5 – 49,7

7 – harde wind

13,9 – 17,1

50 – 61,6

8 – stormachtige wind

17,2 – 20,7

62 – 74

9 – storm

20,8 – 24,2

75 – 87,4

10 – zware storm

24,3 – 28,4

88 – 102

Ter verduidelijking wordt verwezen naar het Infomil informatieblad met betrekking tot windturbines (R19). Dit blad is echter gebaseerd op de voorschriften uit het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer. Veel van de daarin genoemde informatie is nog steeds relevant voor dit besluit.

Afdeling 3.3 Voorzieningen

§ 3.3.1 Afleveren en opslaan van motorbrandstoffen ten behoeve van openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer: vaste en mobiele installaties

In deze paragraaf is de activiteit: ‘Afleveren en opslaan van motorbrandstoffen: ten behoeve van verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer; vaste en mobiele installaties’ geregeld.

De voorschriften zijn gebaseerd op het oude Besluit tankstations milieubeheer. Gelijk aan de werking van het Besluit tankstations milieubeheer zijn de hier genoemde voorschriften zowel van toepassing op bedrijven die volledig onder deze AMvB worden geregeld (inrichting type B) als ook op de vergunningplichtige bedrijven die deze activiteit uitvoeren (inrichting type C). Welke bedrijven vergunninglichtig blijven, is vastgelegd in bijlage 1 bij dit besluit. In aanvulling op de werkingssfeer-bepaling van het Besluit tankstations milieubeheer zijn afleverstations van gecomprimeerd aardgas ook onder dit besluit gebracht en zijn er eisen opgenomen ten aanzien van het afleveren van gecomprimeerd aardgas. In deze afstandsbepaling is aansluiting gezocht bij de de objecten die t.a.v. externe veiligheid in het Besluit LPG-tankstations milieubeheer in vergelijkbare situaties beschermd worden. Voorschriften ten aanzien van het afleveren van LPG zijn (nog) niet in dit besluit opgenomen. Deze voorschriften zijn opgenomen in het besluit LPG-tankstations. De activiteit: ‘het afleveren van motorbrandstoffen ten behoeve van eigen gebruik’ wordt niet in de deze module geregeld, maar in een aparte module ‘Afleveren van motorbrandstoffen ten behoeve van eigen gebruik’ in hoofdstuk 4. Dit betekent dat de voorschriften voor deze activiteit niet van toepassing zijn op bedrijven die vergunningplichtig blijven.

Ten aanzien van de in deze paragraaf genoemde activiteit worden zowel in dit besluit als in de (nog te publiceren) bijbehorende regeling regels gesteld ten aanzien van zowel het opslaan van motorbrandstoffen in tanks, het vullen van de tanks en het afleveren van motorbrandstoffen.

Deze voorschriften in dit besluit en in de bijbehorende regeling zijn gebaseerd op de eisen uit het oude Besluit tankstations milieubeheer.

In het besluit zelf zijn zaken opgenomen als gekwantificeerde doelvoorschriften, meet- en registratieverplichtingen en verbodsbepalingen.

In de ministeriële regeling worden de maatregelen opgenomen, zoals technische maatregelen om aan de doelen te voldoen en de gebruikseisen.

In dit besluit zijn daarom de eisen ten aanzien van de aanwezigheid, uitzonderingsbepalingen, het rendement en het keuringsregime van dampretour stage II-voorzieningen wel in het besluit opgenomen. De stage I-maatregelen bijvoorbeeld zijn niet opgenomen in dit besluit maar zullen worden opgenomen in de regeling omdat hier geen rendementseis is gesteld, maar alleen de verplichting tot het aanwezig hebben van een voorziening stage I en de verplichting tot het gebruik van deze voorziening.

Het leeuwendeel van de voorschriften betreft technische maatregelen en gebruiksvoorschriften die zullen worden opgenomen in de bij dit besluit behorende ministeriële regeling.

In de ministeriële regeling zullen worden opgenomen:

- dat een aardgas-afleverstation voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas aan voertuigen die aardgas als motorbrandstof gebruiken, moet voldoen aan de hoofdstukken 7 tot en met 14 van PGS 25, met uitzondering van de paragrafen 7.3.8 tot en met 7.3.11, 7.9, 8.6, 9.2 en 10.8.

- eisen met betrekking tot het gebruik van de maatregelen ten aanzien van dampretour stage II-installaties;

- eisen ten aanzien van de aanwezigheid van een voorziening voor dampretour stage I;

- een verplichting tot het gebruik van de voorziening dampretour stage I bij het vullen van benzinetanks door middel van tankwagens;

- technische maatregelen en gebruikseisen ten aanzien van afleverinstallaties (zowel vast als mobiel) ten aanzien van veiligheid, en ter voorkoming van emissies naar bodem en water, zoals

- de aanwezigheid van een noodstopvoorziening;

- de aanwezigheid van een schakelaar voor het in- en uitschakelen van afleverzuilen;

- ligging van de afleverinstallatie;

- eisen aan het vulpistool, zoals de aanwezigheid van een automatisch afslagmechanisme;

- eisen ten aanzien van het toezicht op het gebruik van de afleverinstallatie;

- eisen ten aanzien van afleverinstallaties, zonder toezicht.

- eisen ten aanzien van het opslaan van brandstoffen en afgewerkte olie in ondergrondse tanks; onder andere op het gebied van installatie, keuring, gebruik en controle. Daarnaast zijn er eisen opgenomen ten aanzien van de constructie en de ligging van de tanks, het vulpunt en het opstelpunt van de tankauto.

Artikel 3.15

Motorbrandstoffen moeten op grond van de AMvB afgeleverd worden boven een vloeistofdichte vloer of verharding. Het afstromende afvalwater van deze verharding wordt door een olieafscheider gecombineerd met een slibvangput geleid. Dit heeft een tweeledig doel. Bij het afleveren van brandstoffen vinden vaak kleinere morsingen van de brandstoffen plaats, dat zich vermengd met het afstromende (hemel)water. De olieafscheider heeft tot doel te voorkomen dat deze olie geloosd wordt. Daarnaast is het altijd mogelijk dat er een calamiteit optreedt waardoor er grotere hoeveelheden brandstof uitstromen. De olieafscheider dient dan als calamiteitenvoorziening. De bulk van die brandstof zal in de afscheider opgevangen worden en zal zich niet verder verspreiden. Naast het voorkomen van milieuverontreiniging wordt daarmee ook het veiligheidsrisico ingeperkt.

§ 3.3.2 Het wassen van motorvoertuigen

Artikel 3.16

Voor een algemene toelichting op het olievoorschrift wordt verwezen naar § 4.6.1.

In voorgaande AMvB’s werd een uitzondering gemaakt op de norm van 20 mg/l aan olie voor het afvalwater afkomstig van het wassen van uitsluitend de carrosserie van motorvoertuigen, caravans, aanhangwagens of opleggers. Vanwege stroomlijning van de regelgeving, maar ook vanwege veranderde bouw van motorvoertuigen, is die uitzondering komen te vervallen.

Het begrip carrosserie, dat in het voorgaande voorschrift centraal stond, blijkt bij nieuwe auto’s tot misverstanden te leiden. Bij het voorgaande voorschrift was het uitgangspunt dat de onderkant van de auto, inclusief de wielkasten, niet tot de carrosserie behoorden en dus ook de uitzondering op de norm van 20 mg/l niet van toepassing was. Bij nieuwere automodellen vormt de onder- en bovenkant van het voertuig een geheel waardoor niet meer duidelijk is wat tot de carrosserie behoort en wat niet. Er is daarom voor gekozen deze uitzondering te laten vervallen.

Ook onder dit besluit blijft echter de mogelijkheid om voertuigen te wassen zonder dat een olieafscheider nodig is. De lozing zal dan getoetst worden op 20 mg/l. Dit zal niet tot problemen leiden zolang het te wassen object niet met olie verontreinigd is. Als er wel olieverontreiniging is aanwezig zal het afvalwater via een olieafscheider geloosd moeten worden, waarbij getoetst wordt aan 200 mg/l. Het afvalwater dusdanig verdunnen dat aan de norm van 20 mg/l wordt voldaan is niet toegestaan.

De ondernemer heeft dus de verantwoordelijkheid om voorafgaande aan de reiniging te beoordelen of het voertuig dermate olievrij is dat deze gewassen kan worden zonder dat het afvalwater meer dan 20 mg/l gaat bevatten. Is dat niet het geval dan zal de wassing uitgevoerd moeten worden op een wasplaats waar het afvalwater ten aanzien van olie gezuiverd wordt.

In vrijwel alle gevallen zal een slibvangput noodzakelijk zijn om te voldoen aan norm van 300 mg/l aan onopgeloste bestanddelen zoals zand. In de praktijk zijn de meeste autowasinstallaties uitgerust met uitgebreidere voorzieningen waar bijvoorbeeld ook waterhergebruik plaats vindt. De olieafscheider en slibvangput maakt dan onderdeel uit van deze installatie. De grenswaarde van 200 mg/l aan olie is hier van toepassing.

§ 3.3.3 Tandheelkunde en tandtechnische bewerkingen

Artikel 3.17

Dit voorschrift is inhoudelijk hetzelfde als in het Besluit tandartspraktijken milieubeheer. De verwijdering van amalgaam (kwik) uit het afvalwater is niet volledig (minimaal 95%), waardoor het te lozen afvalwater nog enig kwik zal bevatten. Hierdoor is een directe lozing ongewenst.

§ 3.2.4 Opslaan van propaan

Artikel 3.18

De afstanden voor propaantanks zijn overgenomen uit het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer. Binnenkort worden deze afstanden geëvalueerd. Op dat moment zal ook worden nagegaan of de begrippen zoals die nu in het artikel worden gebruikt, kunnen worden gewijzigd in kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

Hoofdstuk IV Bepalingen met betrekking tot overige activiteiten in inrichtingen; niet geldend voor inrichtingen type C met uitzondering van het lozen op oppervlaktewater

Afdeling 4.1 Op- en overslaan van (gevaarlijke) stoffen en gassen en het vullen van gasflessen

Deze afdeling bevat de activiteiten opslaan en overslaan van alle stoffen. Naast de activiteiten zoals omschreven in onderstaande paragrafen, wordt ook het vullen vanuit een gasfles van andere gasflessen met een inhoud kleiner dan 12 liter, geregeld in deze paragraaf. Wanneer sprake is van het vullen van flesjes boven de 12 liter of het vullen van flessen vanuit een tank is er sprake van vergunningplicht. Voor deze activiteit zullen geen artikelen in dit besluit worden opgenomen, maar er zullen indien nodig bepalingen, zoals technische maatregelen om aan de doelen te voldoen en de gebruikseisen, in de ministeriële regeling worden opgenomen.

Tevens valt de opslag van verpakte niet gevaarlijke stoffen onder deze afdeling. Deze stoffen kunnen in bepaalde gevallen wel bodemverontreinigend zijn. Voor deze activiteit zullen geen artikelen in dit besluit worden opgenomen. In de ministeriële regeling zullen maatregelen opgenomen worden waaraan de opslag van verpakte niet-gevaarlijke stoffen dient te voldoen.

Aan de opslag van nitraathoudende kunstmeststoffen - ook een activiteit die onder deze afdeling valt - zullen in de ministeriële regeling maatregelen verbonden worden.

§ 4.1.1 Opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen (niet zijnde vuurwerk en andere ontplofbare stoffen)

Artikel 4.1

Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen zal in de ministeriële regeling verwezen worden naar de relevante maatregelen zoals deze staan in de PGS 15.

In de 8.40-besluiten was vastgelegd dat voor de opslag van gevaarlijke stoffen meer dan 2.500 kg en minder dan 10.000 kg een veiligheidsafstand geldt van ten minste 20 meter. Deze afstand was gebaseerd op het voorkomen van brandoverslag en met het oog op bereikbaarheid van de opslagvoorziening ingeval van brand. Op basis van onderzoek van TNO en RIVM is vastgesteld dat de betreffende afstand van 20 meter voldoende groot is om risicovolle situaties t.g.v. het ontstaan van toxische verbrandingsproducten te voorkomen. Ook constateren TNO en RIVM dat deze veiligheidsafstand kan worden gereduceerd tot 8 meter indien voor de opslagvoorziening een WBDBO geldt van 60 minuten of een daaraan gelijkwaardige voorziening (bijvoorbeeld een sprinklerinstallatie).

De afstand geldt alleen indien brandbare gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. In dit opzicht is het van belang om conform PGS 15 de opslag te beperken tot gevaarlijke stoffen en aanverwante stoffen. Indien andere brandbare goederen in een opslagvoorziening aanwezig zijn bestaat de mogelijkheid op een brand in de betreffende ruimte waardoor de gevaarlijke stoffen of verbrandingsproducten daarvan toch in de buitenlucht terecht kan komen. In deze afstandsbepaling is afgeweken van de formulering kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten (zoals die normaliter bij veiligheidsafstanden worden gebezigd), omdat ook in de 8.40-besluiten het begrip woning van derden werd gehanteerd. Om te voorkomen dat allerlei saneringssituaties ontstaan door een begripswijziging, is ook in het huidige besluit het begrip woning van derden gebruikt als formulering voor het te beschermen object.

Vanwege het feit dat de hierboven genoemde veiligheidsafstand gebaseerd is op de bereikbaarheid van het pand door de brandweer bestaat er geen aanleiding om voor deze stofcategorie een kritische bevolkingsdichtheid (in het kader van het groepsrisico) te definiëren.

Onder het opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen valt ook de opslag van spuitbussen.

In de ministeriële regeling zal worden aangegeven aan welke eisen uit de PGS 15 voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen moet worden voldaan. Daarbij zal ook per type gevaarlijke stof worden aangegeven boven welke drempelwaarde de eisen aan de opslag van toepassing zijn.

Naast maatregelen voor permanente opslag van gevaarlijke stoffen zullen in de ministeriële regeling maatregelen opgenomen worden met betrekking tot de tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen, in de lijn van het huidige Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer.

Tevens valt onder deze paragraaf de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen in een verkoopruimte. Voor deze activiteit zullen geen artikelen in dit besluit worden opgenomen, maar er zullen bepalingen, zoals technische maatregelen om aan de doelen te voldoen en de gebruikseisen, in de ministeriële regeling worden opgenomen.

Het voornemen is om de bepalingen voor de opslag van gevaarlijke stoffen in de winkelruimte te baseren op de bepalingen voor deze opslag zoals gesteld in het huidige Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer. De huidige bepalingen zijn op sommige aspecten voor verschillende interpretaties vatbaar. De bepalingen zullen in de ministeriële regeling verduidelijkt worden. De formulering van de bepalingen worden zo aangepast dat duidelijk is dat in de verkoopruimte 1000 liter gevaarlijke stoffen (niet brandbaar) aanwezig mag zijn, daarnaast nog 300 liter aan stoffen die vallen onder ADR klasse 3 ((zeer licht) ontvlambare stoffen) en daarnaast nog 8000 liter verfproducten in metalen blikken. Verfproducten in spuitbussen vallen niet onder de omschrijving van verfproducten in metalen blikken. Door het in de spuitbus aanwezige drijfgas en het feit dat spuitbussen drukhouders zijn met voor de opslag een bijzonder risicoaspect (zie ook PGS 15), bestaat er een hoger veiligheidsrisico bij het opslaan van spuitbussen, dan bij verfproducten in metalen blikken. De hoeveelheid spuitbussen die in de winkelruimte toegestaan zal worden staat nog ter discussie. De hierboven genoemde hoeveelheid gevaarlijke stoffen (niet brandbaar) mag worden verhoogd tot 1500 liter en de hoeveelheid van 300 liter ADR klasse 3 mag worden verhoogd tot 800 liter, indien elke winkelstelling waar brandbare vloeistoffen of stoffen als bedoeld in ADR klasse 3 zijn opgeslagen, is voorzien van een afzonderlijke lekbakconstructie met 100% opvangcapaciteit. Dit geldt niet indien er boven de verkoopruimte een woning aanwezig is. In dat geval mogen er, onafhankelijk van de aanwezigheid van een lekbak slechts 500 liter gevaarlijke stoffen (niet brandbaar) en daarnaast 150 liter stoffen als bedoeld in klasse 3 ADR aanwezig zijn. De opslag van verfproducten in metalen blikken mag in dit geval de hoeveelheid van 8000 liter niet overschrijden.

Vijfde lid

Dit voorschrift is in lijn met het Besluit LPG-tankstations milieubeheer dat voorschrijft dat uitsluitend LPG aan motorvoertuigen en LPG-vorkheftrucks afgeleverd mag worden. Met dit voorschrift wordt voorkomen dat (eigenhandig) omgebouwde LPG tanks voor bijvoorbeeld frietkramen worden gebruikt.

§ 4.1.2 Opslaan van vuurwerk en andere ontplofbare stoffen

Artikel 4.2

Eerste lid

Het Vuurwerkbesluit maakt geen onderdeel uit van dit besluit. Met uitzondering van de in dit artikel genoemde soorten en hoeveelheden is het Vuurwerkbesluit eveneens van toepassing op de opslag van consumentenvuurwerk. Indien meer dan 1.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, is dit besluit niet meer van toepassing maar valt de inrichting volledig onder het Vuurwerkbesluit.

Tweede lid

Tot een hoeveelheid van 25 kg kan theatervuurwerk aanwezig zijn zonder dat daarvoor de voorschriften uit het Vuurwerkbesluit van toepassing zijn.

Artikel 4.3 en 4.4

Op basis van TNO-onderzoek is vastgesteld dat voor dergelijke stoffen rekening moet worden gehouden met effectafstanden van circa 8 meter.

§ 4.1.3 Opslaan van stoffen in tanks

Artikel 4.5

Onder deze paragraaf ‘Opslaan van stoffen in tanks ‘ wordt de opslag van gevaarlijke en van niet gevaarlijke vloeistoffen en gassen in tanks geregeld. De maatregelen voor de opslag van (gevaarlijke) vloeistoffen in tanks staan niet opgenomen in dit besluit, maar zullen worden opgenomen in de onderliggende ministeriële regeling. De maatregelen voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen zullen bepaald worden in lijn met de PGS 30.

Onder deze paragraaf zal in de ministeriële regeling ook de opslag van niet gevaarlijke vloeistoffen in tanks worden geregeld. Deze stoffen kunnen in bepaalde gevallen wel bodembedreigend zijn. In de Ministeriële regeling zullen maatregelen opgenomen worden waaraan de opslag van niet gevaarlijke vloeistoffen in tanks dient te voldoen.

Op basis van onderzoek van RIVM en TNO is aangetoond dat de afstand tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten bij genoemde hoeveelheden ten minste 20 m moet bedragen.

§ 4.1.4 Parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen

Artikel 4.6

Zie toelichting bij artikel 4.1.

§ 4.1.5 Opslaan van bulkgoederen en stuksgoederen

Artikel 4.7

Onder bulkgoederen wordt verstaan goederen die niet in een bepaalde verpakking maar als stortgoed worden opgeslagen. Hierbij kan worden gedacht aan losse stenen, hopen grind of kolen. Het kan dus ook gaan om stuifgevoelige goederen, zoals zand.

In het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer was alleen de opslag van zand, grond en grind toegestaan. Voor de opslag van andere stuifgevoelige goederen was een vergunning vereist. Bovendien was zowel een Wm- als een Wvo-vergunning vereist als de opslag plaatsvond in combinatie met een laad- en loswal. In dit besluit is het opslaan van bulkgoederen in het algemeen gereguleerd, waardoor de voorheen uitgesloten goederen nu onder het besluit vallen. Daarnaast zijn voorschriften gesteld voor de bescherming van het oppervlaktewater bij bulkopslag, waardoor ook de opslag die bij een laad- en loswal plaatsvindt door dit besluit is gereguleerd.

De voorschriften voor deze activiteit zijn een doorvertaling van paragraaf 3.8.1 van NeR, aangevuld met eisen ter bescherming van het oppervlaktewater.

De betekenis van de klassen S1 tot en met S5 is als volgt:

S1: sterk stuifgevoelig niet bevochtigbaar

S2: sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar

S3: licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar

S4: licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar

S5: nauwelijks of niet stuifgevoelig.

In bijlage 4.6 van de NeR is een lijst opgenomen met de indeling in stuifklassen van de stuifgevoelige goederen

Artikelen 4.10 en 4.12

Voor zowel de overslag boven oppervlaktewater en de op- of overslag van stuifgevoelige goederen, worden in de ministeriële regeling voorschriften opgenomen.

Aan de hand van visuele waarneming kan worden gecontroleerd of aan het gestelde in artikel 4.10 wordt voldaan. Indien geen stofpluim zichtbaar is, wordt in principe aan het voorschrift voldaan. In de ministeriële regeling worden maatregelen beschreven om stofverspreiding tegen te gaan. Dit betreft voorschriften zoals het bevochtigen van de bulkgoederen uit de klassen S2 en S4, het afdekken van de goederen of het aanleggen van windreductieschermen

Voor de overslag worden in een ministeriële regeling maatregelen beschreven zoals een maximale storthoogte van een meter, maatregelen bij strottrechters en maatregelen bij continu mechanisch transport overeenkomstig hetgeen nu in paragraaf 3.8.1 van de NeR is geregeld.

Aandachtspunt is op- en overslag van bulkgoederen langs oppervlaktewateren. Voorkomen moet worden dat de goederen afvloeien in het oppervlaktewater (bijvoorbeeld zand of grind op de oever). Dit kan gebeuren doordat te dicht aan het water wordt opgeslagen maar ook onder invloed van neerslag (afvloeiend hemelwater). Ook hier wordt een mogelijkheid geboden voor maatwerkvoorschriften. Hierbij kan worden gedacht aan het plaatsen van een drempel tussen de opgeslagen goederen en het oppervlaktewater.

Onder binnenopslag wordt verstaan opslag in een gebouw of in een silo of gesloten container. Aan de binnenopslag van niet-stuifgevoelige bulkgoederen, zoals bijvoorbeeld stenen, hoeven geen voorschriften te worden gesteld. Het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer en het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer stelden eisen aan de opslag van meel en houtmot. De reikwijdte is uitgebreid ten opzichte van de hiervoor genoemde besluiten, zodat alle opslag waarbij stof vrijkomt is gereguleerd. De voorschriften van deze besluiten waren licht verschillend en zijn nu geüniformeerd. De term ‘fijnkorrelig’ is vervangen door ‘stuifgevoelig’ om aan te sluiten bij de terminologie van de NeR.

Voorschriften voor de overvulsignalering, de aarding, beveiliging tegen blikseminslag en het voorkomen van stofexplosies zijn verplicht op grond van ARBO, en daarom hier verwijderd.

De voorschriften ten aanzien van de stofemissies vanwege het vullen van het transportmiddel zijn verduidelijkt. Deze eisen kunnen soepeler zijn dan voor de opslag, omdat het hier gaat om een incidentele emissie. De stof-emissienorm is aangepast aan de nieuwe waarde in de NeR met een overgangstermijn voor bestaande installaties. Het aanscherpen van de norm heeft weinig financiële gevolgen voor bedrijven, de filtrerende afscheiders op de markt halen bijna allemaal dit rendement. Hierbij is aansluiting gezocht bij de uitgezette lijn bij de metalelektro-activiteiten.

Afdeling 4.2 Installaties

§ 4.2.1 Het in werking hebben van een stookinstallatie (incl. spuien)

Artikel 4.13

De voorschriften bij deze activiteit uit het Besluit voorzieningen en installaties golden uitsluitend voor stookinstallaties die een zelfstandige inrichting vormen, bijvoorbeeld ketelhuizen. Op stookinstallaties binnen vergunningplichtige inrichtingen of inrichtingen die onder een andere 8.40-AMvB vielen, waren deze voorschriften niet van toepassing. Hierin is geen wijziging aangebracht.

§ 4.2.2 Het in werking hebben van een koelinstallatie

Artikel 4.14

Ammoniakkoelinstallaties die voldoen aan de stand der techniek, kunnen tot een inhoud van 1.500 kg ammoniak onder dit besluit vallen. In PGS 13 is de stand der techniek voor ammoniakkoelinstallaties (zowel voor installaties kleiner als groter dan 1.500 kg) vastgelegd. PGS 13 bevat voorschriften op het gebied van brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid. In dit voorschrift wordt uitsluitend verwezen naar de hoofdstukken die betrekking hebben op milieuveiligheid.

PGS 13 wordt op korte termijn geactualiseerd. Op dat moment zal ook dit voorschrift worden herzien. Mogelijk dat in de toekomst ook installaties met een grotere capaciteit onder dit besluit komen te vallen, echter met behoud van de vergunningplicht t.b.v. de beoordeling van de ruimtelijke inpassing.

Bij directe koelsystemen kan in geval van een lekkage ammoniak rechtstreeks in contact komen met het te koelen product, opgenomen worden in de ventilatielucht die in een ruimte wordt ingeblazen of direct uitstromen in een ruimte. Bij een indirect koelsysteem is er altijd een tussenmedium waardoor een extra barrière aanwezig is tussen de ammoniak en de het product of de lucht. Voor ijsbanen worden indirecte koelsystemen als stand der techniek beschouwd; voor nieuwe situaties zijn directe koelsystemen dus niet meer toegestaan.

Afdeling 4.3 tot en met afdeling 4.8

Omwille van de uniformiteit zijn alle voorschriften met betrekking tot de opslag van de hieronder genoemde materialen onder afdeling 4.3 e.v. opgenomen. Zo is het opslaan van hout dan ook niet te vinden onder ‘activiteiten met betrekking tot hout’, maar onder ‘opslag van bulkgoederen’.

Afdeling 4.3 Activiteiten met betrekking tot hout

§ 4.3.1 Mechanische bewerkingen van hout, kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen

De stof-emissienorm is aangepast aan de nieuwe waarde in de NeR met een overgangstermijn voor installaties die al in werking waren op het moment van inwerkingtreding van dit besluit.

Voor de normering en de wijze van formulering is aansluiting gezocht bij de uitgezette lijn bij de metalelektro-activiteiten.

Korte doorkijk naar de maatregelen:

Hieronder wordt een beeld gegeven van de maatregelen waarvan het voornemen bestaat deze voor mechanische bewerkingen van hout, kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen op te nemen in de ministeriële regeling.

Verplichte maatregelen lucht

Om te voldoen aan de algemene zorgplichtbepaling (doelmatige verspreiding) worden stofvormige emissies zo doelmatig mogelijk bij de bron afgezogen. Dit geldt niet indien artikel 2.6 van toepassing is, Indien de afgezogen stofvormige emissies naar de buitenlucht worden afgevoerd, én indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig object, niet zijnde een gevoelig object op een gezoneerd industrieterrein, is gelegen, worden deze bovendaks en verticaal omhoog gericht afgevoerd.

Emissies van stoffen boven de grensmassastroom worden al beperkt vanwege de emissieconcentratie-eisen die elders zijn voorgeschreven. Dit voorschrift is echter opgenomen voor het geval dat gevoelige objecten zijn gelegen in de nabijheid van het emissiepunt. Als dit het geval is moet worden voorkomen dat de restemissies onvoldoende verspreid worden in de buitenlucht.

Erkende maatregelen lucht

Aan het gestelde in artikel 4.21 wordt geacht te zijn voldaan als:

a. de emissies die vrijkomen bij mechanische bewerkingen van hout, kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen worden afgezogen en gevoerd door een filtrerende afscheider die geschikt is om aan het gestelde in artikel 4.21 te voldoen voordat de afgezogen lucht wordt afgevoerd.

b. de filterinstallatie in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Met een filtrerende afscheider wordt bedoeld: een installatie of een deel van een installatie bedoeld om deeltjes in vaste vorm te verwijderen uit een gasstroom door gebruik te maken van een filter, een deels doorlaatbaar materiaal. Afscheiding van de deeltjes vindt plaats door zeefwerking, directe botsing en aantrekkingskracht

Voor het verwijderen van vaste deeltjes uit een gasstroom kan onder filtrerende afscheider ten minste worden verstaan:

• doekfilter (ook wel slangenfilter of zakkenfilter)

• compactfilter (ook wel cassettefilter of enveloppenfilter)

• verbeterde compactfilter (ook wel sintamatic, sinterlamellenfilter of spirot tubes)

• keramisch filter

• twee-traps stoffilter (ook wel metaalgaas filter)

• absoluutfilter (oppervlakte filter, patronenfilter, microfilter, HEPA filter).

§ 4.3.2 Reinigen, coaten en lijmen van hout, kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen

In deze paragraaf wordt het reinigen, coaten en lijmen van hout, kurk dan wel op houten, kurken of houtachtige voorwerpen geregeld. Reinigen betreft het schoonmaken en ontdoen van vetten (ontvetten) met behulp van reinigingsmiddelen. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen:

• reinigen met organische oplosmiddelen: het reinigen (voornamelijk ontvetten) met behulp van organische oplosmiddelen: Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: reinigen in open systemen, reinigen in halfgesloten systemen, reinigen in gesloten systemen;

• reinigen met waterige reinigingsmiddelen: Dit kan zowel met een zure, neutrale en alkalische middelen, waar al naar gelang de toepassing surfactanten, dispergatoren, emulgatoren, complexvormers, schuimremmers en corosie-inhibitoren in voorkomen;

• chemisch ontlakken: het verwijderen van lakken met behulp van chemicaliën.

Coaten betreft het aanbrengen van organische deklagen/het aanbrengen van een verfraaiende en/of beschermende laag van organisch materiaal (verf/lak). Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: kwast of rollermethoden, spuitmethoden, gieten, dompelen.

Lijmen betreft het verbinden met hulp van lijm en/of kit. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: verbinden door het toepassen van dispersielijm of -kit, verbinden door het toepassen van oplosmiddellijm of -kit, verbinden door het toepassen van smeltlijm of -kit, verbinden door het toepassen van chemisch-hardende lijm of kit.

Luchtemissie

Ten aanzien van de VOS-voorschriften is aangesloten bij de eisen uit het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer en deels bijzondere VOS-regelingen uit de Nederlandse Emissie Richtlijn lucht (NeR). De term ‘verven’ is vervangen door ‘coaten’ om aan te sluiten bij de terminologie van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer.

Artikel 4.16 en 4.17

Voorkomen moet worden dat verf- en lijmdeeltjes e.d. geëmitteerd worden. In de ministeriële regeling zal als erkende maatregel worden opgenomen dat aan dit voorschrift wordt voldaan indien gebruik gemaakt wordt van een doelmatige verf- of lijmvangfilter. Artikel 4.16, tweede lid, ziet toe op situaties waarbij niet inpandig kan worden gewerkt. Ook bij het in de buitenlucht coaten of lijmen zullen voorzieningen nodig zijn om stofemissies en hinder voor de omgeving te beperken. Via de in de ministeriële regeling opgenomen verplichte maatregel, op basis van de algemene zorgplichtbepaling in de AMvB worden separate eisen gesteld aan het voorkomen van emissies van verf- en lijmdeeltjes buiten de inrichting.

De noodzaak van activiteiten in de buitenlucht kan zich voordoen bij bijvoorbeeld constructiebedrijven waar aan grote constructies wordt gewerkt. Bedrijven zullen meestal zoveel mogelijk reinigings- en coatingwerkzaamheden binnen het bebouwde delen van de inrichting willen uitvoeren onder meer vanwege de betere kwaliteit van het werk die dan kan worden bereikt. In de open lucht reinigen, coaten of lijmen zal naar verwachting dan ook alleen gebeuren als het onmogelijk is vanwege de omvang van het werkstuk om inpandig te werken, dan wel indien er op incidentele basis kortdurende kleinschalige activiteiten moeten worden verricht. Onder kleinschalige activiteiten worden incidenteel voorkomende werkzaamheden verstaan die geen deel uitmaken van structurele productiewerkzaamheden. Deze noodzakelijke activiteiten in de buitenlucht worden uitgezonderd van artikel 4.17 waarin kwantitatieve doelen gesteld worden aan de emissie van stof (verf/lijmdeeltjes). Het reinigen waarbij geen vluchtige organische stoffen kunnen vrijkomen zijn uitgezonderd van het verbod. Dit geldt ook voor het coaten en lijmen dat niet met spuitapparatuur geschiedt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook werkzaamheden aan panden of apparatuur behorend tot de inrichting is uitgezonderd.

Artikel 4.18

De verplichte boekhouding uit het Besluit bouw- en houtbedrijven is vereenvoudigd en richt zich alleen op die producten die binnen de inrichting worden toegepast. Het werken op locatie valt hier dus buiten. Ook producten die worden toegepast ten behoeve voor onderhoud aan apparatuur, panden e.d. die tot de inrichting zelf behoren vallen hier buiten. Het betreft alleen de bedrijfsmatige activiteit van de inrichting waarop deze AMvB van toepassing is. Inzicht in het jaarlijks VOS-verbruik per activiteit is nodig om te kunnen beoordelen of de betreffende activiteit onder het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer valt. Anders dan het in het Besluit bouw en houtbedrijven wordt er nu een ondergrens van 500 kg per jaar aan VOS verbruik gesteld waarboven de registratie meer gegevens moet bevatten. Met de grens is aangesloten bij de onderste grens uit het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer (0,5 ton). Pas indien blijkt dat het VOS-verbruik meer is dan 500 kg per jaar, en er producten gebruikt worden waaraan geen eisen zijn gesteld in het Besluit organsiche oplosmiddelen in verven en vernissen Wms, dient de registratie meer gegevens te bevatten dan alleen het totale VOS-verbruik. Deze extra gegevens zijn nodig om te kunnen beoordelen of er producten worden gebruikt met significante VOS-gehalten.

Derde lid

Zodra er meer dan 500 kg VOS per jaar wordt verbruikt bij de genoemde activiteiten, en andere producten gebruikt worden dan waaraan het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen eisen stelt, die meer VOS in gebruiksklare vorm bevatten dan 150 gram per liter of 30%, worden VOS-reducerende inspanningen van bedrijven verwacht. Niet alleen is er hiervoor ten opzichte van het Besluit bouw- en houtbedrijven, een ondergrens opgenomen, ook is het gehalte van 100 gram VOS per liter verhoogd naar 150 gram VOS per liter gebruiksklaar product. Dit sluit aan bij artikel 4.32g van de Arbeidsomstandighedenregeling (Arbovervangingsregeling) ‘Coating van timmerwerk in binnensituaties’. Voor reinigingsmiddelen is een grens van 30% VOS geïntroduceerd. In andere gevalen zijn geen verdere VOS-reductie inspanningen nodig aangezien het resultaat hiervan gering zal zijn en veel administratieve lasten met zich meebrengt. Er zijn verder geen inspanningen nodig in geval er producten worden toegepast waaraan op basis van het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen Wms eisen zijn gesteld.

Vierde lid

Bepaald is dat voor activiteiten die onder het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer vallen, de eisen uit het tweede en derde lid van toepassing zijn. Dit omdat het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer een directe werking heeft zodra een activiteit de drempelwaarde van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer overschrijdt.

Doorkijk naar ministeriële regeling

In de bij deze AMvB behorende ministeriële regeling zullen zogenaamde erkende maatregelen worden opgenomen. Indien een bedrijf een erkende maatregel toepast op de wijze waarop deze is beschreven in de regeling, wordt het bedrijf geacht daarmee aan gestelde emissie-eisen in de AMvB te hebben voldaan. In de ministeriële regeling zal worden aangegeven met behulp van welke maatregelen aan de emissie-eisen voldaan kan worden. Ten aanzien van de emissies van totaal stofvormige emissies zullen voornamelijk filtrerende afscheiders worden ingezet om een voldoende emissiereductie te behalen. In de regeling zal een verdere invulling worden gegeven waaraan een doelmatige filtrerende afscheider moet voldoen.

Naast erkende maatregelen zullen in de ministeriële regeling ook zogenaamde verplichte maatregelen worden opgenomen. Emissies naar de lucht zullen zoveel mogelijk bij de bron moeten worden afgezogen. In overeenstemming met de doelstellingen van de NeR moeten diffuse emissies namelijk zoveel mogelijk worden voorkomen en volgens artikel 8.12 van de wet is verdunnen om aan de emissiegrenswaarden te voldoen niet toegestaan.

Dit betekent dat emissies die vrijkomen zoveel mogelijk via gerichte bronafzuiging en zo doelmatig mogelijk, moeten worden gekanaliseerd. Alleen indien gerichte bronafzuiging technisch niet toepasbaar is (bijvoorbeeld bij handmatige processen waarbij vaak van werklocatie moet worden gewisseld) kan van gerichte bronafzuiging worden afgezien en dient bekeken te worden op welke wijze de emissies zo doelmatig mogelijk kunnen worden afgezogen. Per activiteit zal daarvoor in de toelichting bij de ministeriële regeling nader op in worden gegaan.

Indien de afgezogen lucht naar de buitenlucht wordt afgevoerd, moeten, indien gevoelige objecten in de nabijheid van de inrichting zijn gelegen, maatregelen worden getroffen om de afgezogen lucht voldoende te verspreiden.

Indien de bij de bron afgezogen lucht niet naar de buitenlucht wordt afgevoerd, maar na passeren van een emissiereducerende techniek, in de ruimte wordt teruggevoerd moet worden voldaan aan de eisen vanwege arbo-wetgeving. In deze AMvB gaan we ervan uit dat bij terugbrengen van afgezogen lucht in de werkruimte de maatregelen die moeten worden getroffen vanwege de arbo-regelgeving tot voldoende emissiereductie leiden en het ontstaan van diffuse emissie al zoveel mogelijk is beperkt. Indien een bedrijf activiteiten verricht waarvoor emissie-eisen zijn opgenomen, maar alleen kleinschalige bronnen heeft waarvan de emissievracht op jaarbasis lager is dan de in artikel 2.6 genoemde drempels, behoeft niet aan de emissie-eisen te worden voldaan en zijn de verplichte maatregelen in de regeling niet van toepassing.

Bij ministeriële regeling zullen ten aanzien van de algemene zorgplichtbepaling in de AMvB, verplichte maatregelen worden gesteld om geurhinder te voorkomen en emissies van ver- en lijmdeeltjes buiten de inrichting, bij noodzakelijke activiteiten in de buitenlucht, zoveel mogelijk te beperken. Verder zal ten aanzien van artikel 4.18 een verplichte maatregel opgenomen worden waarin aangegeven wordt welke zaken concreet moeten worden beschouwd. Ten aanzien van reinigen worden verder concrete maatregelen opgenomen waaraan voldaan moet worden. Tevens zal er een erkende maatregel worden opgenomen waarmee geacht wordt aan artikel 4.17 te zijn voldaan.

Artikel 4.19

Houtreiniging

Voor de reiniging van hout, dat wil zeggen het verwijderen van oude verflagen, wordt natronloog of dichloormethaan (methyleenchloride) toegepast. Bij loogbedrijven gaat het om de emissie van zware metalen, met name zink en lood. Methyleenchloridebedrijven lozen naast genoemde zware metalen ook dichloormethaan.

De beperking van de emissie van zware metalen kan qua effectiviteit en kosten het beste geschieden door toepassing van flocculatie/sedimentatie. Hiervoor zijn in principe twee uitvoeringsvormen beschikbaar. De beperking van de emissie van dichloormethaan kan het beste worden bewerkstelligd door het beluchten of luchtstrippen van het afvalwater. De behandeling van met dichloormethaan verontreinigde lucht kan plaatsvinden met behulp van actieve kool.

Afdeling 4.4 Activiteiten met betrekking tot kunststof

§ 4.4.1 Mechanische bewerkingen van kunststof of kunststofproducten

De stof-emissienorm is aangepast aan de nieuwe waarde in de NeR met een overgangstermijn voor installaties die al in werking waren op het moment van inwerkingtreding van dit besluit.

Voor de normering en de wijze van formulering is aansluiting gezocht bij de uitgezette lijn bij de metalelektro-activiteiten.

Korte doorkijk naar de maatregelen:

Hieronder wordt een beeld gegeven van de maatregelen waarvan het voornemen bestaat deze voor mechanische bewerkingen van kunststof of kunststofproducten op te nemen in de ministeriële regeling.

Verplichte maatregelen lucht

Om te voldoen aan de algemene zorgplichtbepaling (doelmatige verspreiding) worden stofvormige emissies zo doelmatig mogelijk bij de bron afgezogen. Dit geldt niet indien artikel 2.6 van toepassing is, Indien de afgezogen stofvormige emissies naar de buitenlucht worden afgevoerd, én indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig object, niet zijnde een gevoelig object op een gezoneerd industrieterrein, is gelegen, worden deze bovendaks en verticaal omhoog gericht afgevoerd.

Emissies van stoffen boven de grensmassastroom worden al beperkt vanwege de emissieconcentratie-eisen die elders zijn voorgeschreven. Dit voorschrift is echter opgenomen voor het geval dat gevoelige objecten zijn gelegen in de nabijheid van het emissiepunt. Als dit het geval is moet worden voorkomen dat de restemissies onvoldoende verspreid worden in de buitenlucht.

Erkende maatregelen lucht

Aan het gestelde in artikel 4.20 wordt geacht te zijn voldaan als:

a. de emissies die vrijkomen bij mechanische bewerkingen van kunststof of kunststofproducten worden afgezogen en gevoerd door een filtrerende afscheider die geschikt is om aan het gestelde in artikel 4.20 te voldoen voordat de afgezogen lucht wordt afgevoerd;

b. de filterinstallatie in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Met een filtrerende afscheider wordt bedoeld: een installatie of een deel van een installatie bedoeld om deeltjes in vaste vorm te verwijderen uit een gasstroom door gebruik te maken van een filter, een deels doorlaatbaar materiaal. Afscheiding van de deeltjes vindt plaats door zeefwerking, directe botsing en aantrekkingskracht

Voor het verwijderen van vaste deeltjes uit een gasstroom kan onder filtrerende afscheider ten minste worden verstaan:

• doekfilter (ook wel slangenfilter of zakkenfilter)

• compactfilter (ook wel cassettefilter of enveloppenfilter)

• verbeterde compactfilter (ook wel sintamatic, sinterlamellenfilter of spirot tubes)

• keramisch filter

• twee-traps stoffilter (ook wel metaalgaas filter)

• absoluutfilter (oppervlakte filter, patronenfilter, microfilter, HEPA filter).

§ 4.4.2 Reinigen, coaten en lijmen van kunststof of kunststofproducten

In deze paragraaf wordt het reinigen, coaten en lijmen van kunststof of kunststofproducten geregeld.

Onder reinigen wordt verstaan het schoonmaken en ontdoen van vetten (ontvetten) met behulp van reinigingsmiddelen. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen:

• reinigen met organische oplosmiddelen: het reinigen (voornamelijk ontvetten) met behulp van organische oplosmiddelen: Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: reinigen in open systemen, reinigen in halfgesloten systemen, reinigen in gesloten systemen;

• reinigen met waterige reinigingsmiddelen: Dit kan zowel met een zure, neutrale en alkalische middelen, waar al naar gelang de toepassing surfactanten, dispergatoren, emulgatoren, complexvormers, schuimremmers en corosie-inhibitoren in voorkomen;

• chemisch ontlakken: het verwijderen van lakken met behulp van chemicaliën.

Onder coaten wordt verstaan het aanbrengen van organische deklagen of het aanbrengen van een verfraaiende en/of beschermende laag van organisch materiaal (verf/lak). Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: kwast of rollermethoden, spuitmethoden, gieten, dompelen.

Het lijmen betreft het verbinden met hulp van lijm en/of kit. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: verbinden door het toepassen van dispersielijm of -kit, verbinden door het toepassen van oplosmiddellijm of -kit, verbinden door het toepassen van smeltlijm of -kit, verbinden door het toepassen van chemisch-hardende lijm of kit.

Luchtemissie

Ten aanzien van de VOS-voorschriften is aangesloten bij de eisen uit het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer en deels bijzondere VOS regelingen uit de Nederlandse Emissie Richtlijn lucht (NeR). De term ‘verven’ is vervangen door ‘coaten’ om aan te sluiten bij de terminologie van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer.

Artikel 4.21 en 4.22

Voorkomen moet worden dat verf- en lijmdeeltjes e.d. geëmitteerd worden. In de ministeriële regeling zal als erkende maatregel worden opgenomen dat aan dit voorschrift wordt voldaan indien gebruik gemaakt wordt van een doelmatige verf- of lijmvangfilter. Artikel 4.21, tweede lid, ziet toe op de situatie dat de activiteit vanwege de omvang van het te bewerken object, niet inpandig kan plaatsvinden. Ook bij het in de buitenlucht coaten of lijmen zullen voorzieningen nodig zijn om stofemissies en hinder voor de omgeving te beperken. Via de in de ministeriële regeling opgenomen verplichte maatregel, op basis van het algemene zorgplichtartikel (artikel 2.1), worden separate eisen gesteld aan het voorkomen van emissies van verf- en lijmdeeltjes buiten de inrichting.

De noodzaak van activiteiten in de buitenlucht kan zich voordoen bij bijvoorbeeld constructiebedrijven waar aan grote constructies wordt gewerkt. Bedrijven zullen meestal zoveel mogelijk reinigings- en coatingwerkzaamheden binnen het bebouwde delen van de inrichting willen uitvoeren onder meer vanwege de betere kwaliteit van het werk die dan kan worden bereikt. In de open lucht reinigen, coaten of lijmen zal naar verwachting dan ook alleen gebeuren als het onmogelijk is vanwege de omvang van het werkstuk om inpandig te werken, dan wel indien er op incidentele basis kortdurende kleinschalige activiteiten moeten worden verricht. Onder kleinschalige activiteiten worden incidenteel voorkomende werkzaamheden verstaan die geen deel uitmaken van structurele productiewerkzaamheden. Deze noodzakelijke activiteiten in de buitenlucht worden uitgezonderd van artikel 4.22 waarin kwantitatieve doelen gesteld worden aan de emissie van stof (verf/lijmdeeltjes). Het reinigen waarbij geen vluchtige organische stoffen kunnen vrijkomen zijn uitgezonderd van het verbod. Dit geldt ook voor het coaten en lijmen dat niet met spuitapparatuur geschiedt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook werkzaamheden aan panden of apparatuur behorend tot de inrichting is uitgezonderd.

Artikel 4.23

De verplichte boekhouding uit het oude Besluit bouw- en houtbedrijven is vereenvoudigd en richt zich alleen op die producten die binnen de inrichting worden toegepast. Het werken op locatie valt hier dus buiten. Ook producten die worden toegepast ten behoeve voor onderhoud aan apparatuur, panden e.d. die tot de inrichting zelf behoren vallen hier buiten. Het betreft alleen de bedrijfsmatige activiteit van de inrichting waarop deze AMvB van toepassing is.

Inzicht in het jaarlijks VOS-verbruik per activiteit is nodig om te kunnen beoordelen of de betreffende activiteit onder het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer valt. Anders dan het in het Besluit bouw en houtbedrijven wordt er nu een ondergrens van 500 kg per jaar aan VOS verbruik gesteld waarboven de registratie meer gegevens moet bevatten. Met de grens is aangesloten bij de onderste grens uit het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer (0,5 ton). Pas indien blijkt dat het VOS verbruik meer is dan 500 kg per jaar, en er producten gebruikt worden waaraan geen eisen zijn gesteld in het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen Wms, dient de registratie meer gegevens te bevatten dan alleen het totale VOS-verbruik. Deze extra gegevens zijn nodig om te kunnen beoordelen of er producten worden gebruikt met significante VOS-gehalten.

Derde lid

Zodra er meer dan 500 kg VOS per jaar wordt verbruikt bij de genoemde activiteiten, en andere producten gebruikt worden dan waaraan het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen eisen stelt, die meer VOS in gebruiksklare vorm bevatten dan 150 gram per liter of 30%, worden VOS-reducerende inspanningen van bedrijven verwacht. Niet alleen is er hiervoor ten opzichte van het Besluit bouw- en houtbedrijven, een ondergrens opgenomen, ook is het gehalte van 100 gram VOS per liter verhoogd naar 150 gram VOS per liter gebruiksklaar product. Dit sluit aan bij artikel 4.32g van de Arbeidsomstandighedenregeling (Arbovervangingsregeling) ‘Coating van timmerwerk in binnensituaties’. Voor reinigingsmiddelen is een grens van 30% VOS geïntroduceerd. In andere gevallen zijn geen verdere VOS-reductie inspanningen nodig aangezien het resultaat hiervan gering zal zijn en veel administratieve lasten met zich meebrengt. Volgens voorschrift 5 zijn er verder geen inspanningen nodig in geval er producten worden toegepast waaraan op basis van het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen Wms eisen zijn gesteld.

Vierde lid

In het vierde lid is bepaald dat voor activiteiten die onder het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer vallen, de eisen uit het tweede en derde lid niet van toepassing zijn. Dit omdat het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer een directe werking heeft zodra een activiteit de drempelwaarde van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer overschrijdt.

Doorkijk naar ministeriële regeling

In de bij deze AMvB behorende ministeriële regeling zullen zogenaamde erkende maatregelen worden opgenomen. Indien een bedrijf een erkende maatregel toepast op de wijze waarop deze is beschreven in de regeling, wordt het bedrijf geacht daarmee aan gestelde emissie-eisen in de AMvB te hebben voldaan. In de ministeriële regeling zal worden aangegeven met behulp van welke maatregelen aan de emissie-eisen voldaan kan worden. Ten aanzien van de emissies van totaal stofvormige emissies zullen voornamelijk filtrerende afscheiders worden ingezet om een voldoende emissiereductie te behalen. In de regeling zal een verdere invulling worden gegeven waaraan een doelmatige filtrerende afscheider moet voldoen.

Naast erkende maatregelen zullen in de ministeriële regeling ook zogenaamde verplichte maatregelen worden opgenomen. Emissies naar de lucht zullen zoveel mogelijk bij de bron moeten worden afgezogen. In overeenstemming met de doelstellingen van de NeR moeten diffuse emissies namelijk zoveel mogelijk worden voorkomen en volgens artikel 8.12 van de wet is verdunnen om aan de emissiegrenswaarden te voldoen niet toegestaan. Dit betekent dat emissies die vrijkomen zoveel mogelijk via gerichte bronafzuiging en zo doelmatig mogelijk, moeten worden gekanaliseerd. Alleen indien gerichte bronafzuiging technisch niet toepasbaar is (bijvoorbeeld bij handmatige processen waarbij vaak van werklocatie moet worden gewisseld) kan van gerichte bronafzuiging worden afgezien en dient bekeken te worden op welke wijze de emissies zo doelmatig mogelijk kunnen worden afgezogen. Per activiteit zal daarvoor in de toelichting bij de ministeriële regeling nader op in worden gegaan. Indien de afgezogen lucht naar de buitenlucht wordt afgevoerd, moeten, indien gevoelige objecten in de nabijheid van de inrichting zijn gelegen, maatregelen worden getroffen om de afgezogen lucht voldoende te verspreiden.

Indien de bij de bron afgezogen lucht niet naar de buitenlucht wordt afgevoerd, maar na passeren van een emissiereducerende techniek, in de ruimte wordt teruggevoerd moet worden voldaan aan de eisen vanwege arbo-wetgeving. In deze AMvB gaan we ervan uit dat bij terugbrengen van afgezogen lucht in de werkruimte de maatregelen die moeten worden getroffen vanwege de arbo-regelgeving tot voldoende emissiereductie leiden en het ontstaan van diffuse emissie al zoveel mogelijk is beperkt.

Indien een bedrijf activiteiten verricht waarvoor emissie-eisen zijn opgenomen, maar alleen kleinschalige bronnen heeft waarvan de emissievracht op jaarbasis lager is dan de in artikel 2.7 genoemde drempels, behoeft niet aan de emissie-eisen te worden voldaan en zijn de verplichte maatregelen in de regeling niet van toepassing.

Bij ministeriële regeling zullen ten aanzien van de algemene zorgplichtbepaling in de AMvB, verplichte maatregelen worden gesteld om geurhinder te voorkomen en emissies van ver- en lijmdeeltjes buiten de inrichting, bij noodzakelijke activiteiten in de buitenlucht, zoveel mogelijk te beperken. Veder zal ten aanzien van het derde lid een verplichte maatregel opgenomen worden waarin aangegeven wordt welke zaken concreet moeten worden beschouwd. Ten aanzien van reinigen worden verder concrete maatregelen opgenomen waaraan voldaan moet worden. Tevens zal er een erkende maatregel worden opgenomen waarmee geacht wordt aan artikel 4.22 te zijn voldaan.

Afdeling 4.5 Activiteiten met betrekking tot metaal

In de toelichting op de verschillende artikelen die betrekking hebben metaal, wordt een doorkijk gegeven naar hetgeen naar alle waarschijnlijkheid in de ministeriële regeling wordt opgenomen. Dit is gedaan om een betere beoordeling van de artikelen mogelijk te maken.

De voorschriften ten aanzien van emissies van metalen via het afvalwater vertonen bij activiteiten met betrekking metaal grote overeenkomsten. Daarom is er voor gekozen deze afvalwatervoorschriften niet bij de diverse activiteiten te herhalen, maar in één paragraaf (§ 4.5.12) onder te brengen. Specifieke afvalwatervoorschriften die slechts voor één of enkele activiteiten van toepassing zijn worden bij de activiteit genoemd.

Voor wat betreft de emissies van totaal stof en chroom(VI)-verbindingen, berylliumverbindingen en loodverbindingen zullen in de ministeriële regeling voornamelijk filtrerende afscheiders of elektrostatische filters worden ingezet om de emissiereductie te behalen. Daarbij zal aangegeven waaraan een doelmatige filtrerende afscheider elektrostatische filter of moet voldoen.

Verplichte maatregelen zijn gekoppeld aan emissies naar de lucht waarbij zoveel mogelijk bij de bron moeten worden afgezogen. In overeenstemming met de doelstellingen van de NeR moeten diffuse emissies zoveel mogelijk worden voorkomen en volgens artikel 8.12 van de wet is verdunnen om aan de emissiegrenswaarden te voldoen niet toegestaan.

Dit betekent dat emissies die vrijkomen zoveel mogelijk via gerichte bronafzuiging en zo doelmatig mogelijk, moeten worden gekanaliseerd. Alleen indien gerichte bronafzuiging technisch niet toepasbaar is (bijvoorbeeld bij handmatige processen waarbij vaak van werklocatie moet worden gewisseld) kan van gerichte bronafzuiging worden afgezien en dient bekeken te worden op welke wijze de emissies zo doelmatig mogelijk kunnen worden afgezogen. Per activiteit zal daarvoor in de toelichting bij de ministeriële regeling nader op in worden gegaan.

Indien de afgezogen lucht naar de buitenlucht wordt afgevoerd, moeten, indien gevoelige objecten in de nabijheid van de inrichting zijn gelegen, maatregelen worden getroffen om de afgezogen lucht voldoende te verspreiden.

Indien de bij de bron afgezogen lucht niet naar de buitenlucht wordt afgevoerd, maar na passeren van een emissiereducerende techniek, in de ruimte wordt teruggevoerd, moet natuurlijk wel worden voldaan aan de eisen van de arbo-wetgeving. In een aantal specifieke situaties is recirculatie zelfs verboden. Bij het opstellen van de voorschriften voor het terugbrengen van afgezogen lucht in de werkruimte is ervan uitgegaan dat de maatregelen die moeten worden getroffen vanwege de arbo-regelgeving tot voldoende emissiereductie leiden en het ontstaan van diffuse emissie al zoveel mogelijk is beperkt.

§ 4.5.1 Spaanloze, verspanende, thermische bewerking en mechanische iendafwerking van metalen

Onder spaanloze bewerkingen wordt verstaan het vervormen of scheiden van het materiaal zonder dat verspaning optreedt. Hieronder worden in ieder geval begrepen: knippen, knabbelen, uithoeken, ponsen, stansen, kanten, zetten, buigen, felsen, kralen, persen, extruderen, trekken, dieptrekken, duntrekken, navormen, flessen, strekken, forceren, vloeidraaien, smeden, warmpersen en interen. Onder grof verspanende bewerkingen wordt verstaan het wegnemen van een deel van het materiaal (spanen) met verspanend gereedschap (beitels, boren, frezen, zagen en dergelijke). Onder grof verspanende bewerkingen worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: zagen, boren, tappen, draaien, frezen, kotteren, schaven, steken en brootsen.

Fijn verspanende bewerkingen betreffen het wegnemen van een deel van het materiaal met fijn verspanend gereedschap (schuurmachine, slijptol etc). Onder fijn verspanende bewerkingen worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: schuren, slijpen, graveren en vonkverspanen.

Thermische bewerkingen betreffen het door zeer plaatselijk te verwarmen scheiden van materiaal. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: snijbranden en gutsen. Plasmasnijden, lasersnijden en watersnijden zijn geen thermische bewerkingen, maar ze zijn hiermee wel vergelijkbaar. Om die reden worden deze bewerkingen wel onder deze activiteit geregeld.

Onder mechanische eindafwerking wordt verstaan een bewerking waarbij het materiaal glad wordt gemaakt. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: Mechanisch polijsten, honen, leppen, superfijnen, (staal)borstelen.

Emissie-eisen

Significante emissies naar de lucht zullen naar verwachting niet optreden bij spaanloze bewerkingen, met uitzondering van het smeden.

Onder smeden wordt verstaan: het door handmatig hameren bewerken van gloeiend metaal, waarbij het metaal gloeiend wordt gemaakt door het te verhitten in een kolenvuur. Wanneer in een inrichting twee of minder smidse vuren aanwezig zijn die elk minder dan 1040 uur per jaar gebruikt worden (gemiddeld vier uur per dag) of gezamenlijk minder dan 2080 uur per jaar gebruikt worden dan kan worden aangenomen dat de stof-emissie onder de vrijstellingsbepaling van de NeR valt (dit is 100 kg/jaar) en zijn specifieke maatregelen niet nodig.

Onder droogverspanende bewerkingen worden de grof en fijn verspanende bewerkingen verstaan waarbij niet gewerkt wordt met metaalbewerkingsvloeistoffen. Bij gebruik van metaalbewerkingsvloeistoffen zullen naar verwachting geen significante emissies van totaal stof en chroom(VI)-verbindingen naar de lucht optreden.

Bij verspanende bewerkingen zullen significante emissies, emissies die groter zijn de grensmassastroom, vooral optreden bij de fijnverspanende bewerkingen schuren en slijpen.

Bij het thermisch bewerken van metaal, zoals snijbranden en gutsen en bij mechanische eindafwerking, kunnen significante emissies optreden.

Hierbij zullen hoofdzakelijk stoffen vrijkomen uit de categorie S (stof algemeen). Bij het verwerken van roestvaststaal kan mogelijk zeswaardig chroom vrijkomen. Daarom zijn hier ten aanzien van deze stoffen emissie-eisen gesteld, die gelden op het moment dat de massastroom (de vracht van de emissie in gram per tijdseenheid) de genoemde (die van het Besluit) grens overschrijdt.

Met de verwijzing naar de artikelen 2.4 tot en met 2.6 wordt voorkomen dat bij de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom en de beoordeling van de emissieconcentratie. Zie verder de artikelen 2.4 tot en met 2.6 en de toelichting daarop.

Emissies kunnen optreden bij processen waarbij verneveling en verdamping van metaalbewerkingsvloeistoffen voorkomt. Het artikel bevat geen duidelijk kwantificeerbare norm, omdat de NeR dat ten aanzien van deze stoffen ook niet kent.

In de meeste gevallen zullen bij werkzaamheden met metaalbewerkingsvloeistoffen geen emissies naar de lucht optreden.

In een aantal gevallen kan dit wel het geval zijn. Dan kan het noodzakelijk zijn om de afgezogen lucht na te behandelen met een druppelafscheider en/of een filter voordat deze naar de buitenlucht wordt afgevoerd. De olie- of emulsiedeeltjes kunnen van de afgezogen lucht gescheiden worden door demisters of gelijkaardige druppelafscheiders en filters. De druppels, afgescheiden in een demister, kunnen teruggevoerd worden naar het olie- of emulsievoorraadreservoir van de machine.

Korte doorkijk naar de maatregelen:

Hieronder wordt een beeld gegeven van de maatregelen waarvan het voornemen bestaat deze voor spaanloze, grof- en fijnverspanende bewerkingen, thermische bewerkingen, mechanische eindafwerking van metalen of metalen voorwerpen verspanende, thermische stralen op te nemen in de ministeriële regeling. Voor wat betreft metaalbewerking van metalen en metalen voorwerpen kan gezegd worden dat ten aanzien van de emissies van totaal stof en chroom(VI)-verbindingen in de ministeriele regeling voornamelijk filtrerende afscheiders zullen worden ingezet om voldoende emissiereductie te behalen.

Verplichte maatregelen lucht

Om te voldoen aan de algemene zorgplichtbepaling (doelmatige verspreiding) worden stofvormige emissies die vrijkomen bij smeden, droogverspanende bewerkingen, thermische bewerkingen en bij mechanische eindafwerking, indien dit technisch uitvoerbaar is, zo doelmatig mogelijk bij de bron afgezogen. Dit geldt niet indien artikel 2.7 van toepassing is.

Indien de afgezogen stofvormige emissies naar de buitenlucht worden afgevoerd, én indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig object, niet zijnde een gevoelig object op een gezoneerd industrieterrein, is gelegen, worden deze bovendaks en verticaal omhoog gericht afgevoerd.

Emissies van stoffen boven de grensmassastroom worden al beperkt vanwege de emissieconcentratie-eisen die elders zijn voorgeschreven. Dit voorschrift is echter opgenomen voor het geval dat gevoelige objecten zijn gelegen in de nabijheid van het emissiepunt. Als dit het geval is moet worden voorkomen dat de restemissies onvoldoende verspreid worden in de buitenlucht.

Erkende maatregelen lucht

Aan het gestelde in de artikelen 4.24 en 4.25 wordt geacht te zijn voldaan als:

a. de emissies die vrijkomen bij smeden, droogverspanende bewerkingen, thermische bewerkingen en bij mechanische eindafwerking van metalen worden afgezogen en gevoerd door een filtrerende afscheider die geschikt is om aan het gestelde in artikel 4.24 en 4.25 te voldoen voordat de afgezogen lucht wordt afgevoerd.

b. de filterinstallatie in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Met een filtrerende afscheider wordt bedoeld: een installatie of een deel van een installatie bedoeld om deeltjes in vaste of vloeibare vorm (met in begrip van aerosolen) te verwijderen uit een vloeistof- of gasstroom door gebruik te maken van een filter, een deels doorlaatbaar materiaal. Afscheiding van de deeltjes vindt plaats door zeefwerking, directe botsing en aantrekkingskracht

Voor het verwijderen van vaste deeltjes uit een gasstroom kan onder filtrerende afscheider ten minste worden verstaan:

• doekfilter (ook wel slangenfilter of zakkenfilter)

• compactfilter (ook wel cassettefilter of enveloppenfilter)

• verbeterde compactfilter (ook wel sintamatic, sinterlamellenfilter of spirot tubes)

• keramisch filter

• twee-traps stoffilter (ook wel metaalgaas filter)

• absoluutfilter (oppervlakte filter, patronenfilter, microfilter, HEPA filter).

§ 4.5.2 Lassen van metalen

Het lassen is een verbindingstechniek waarbij metaaldelen verbonden worden door gebruik te maken van warmte en/of druk. Bij lassen liggen de smeltpunten van het de basismaterialen en de eventuele toevoegmaterialen dicht bij elkaar.

Emissie-eisen

Afhankelijk van het lasproces, soort en hoeveelheid lastoevoegmateriaal, elektrode en het te lassen materiaal zullen er significante emissies naar de lucht optreden.

Hierbij zullen hoofdzakelijk stoffen vrijkomen uit de categorie S (stof algemeen). Bij het lassen van roestvaststaal kan zeswaardig chroom vrijkomen. Bij het lassen van Beryllium kan Beryllium vrijkomen. Bij het lassen van materialen die geverfd zijn met loodmenie kan lood vrijkomen.

Daarom zijn hier ten aanzien van deze stoffen emissie-eisen gesteld, die gelden op het moment dat de massastroom (de vracht van de emissie in gram per tijdseenheid) de genoemde grens overschrijdt.

Met de verwijzing naar de artikelen 2.4 tot en met 2.6 wordt voorkomen dat bij de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom en de beoordeling van de emissieconcentratie.

De verschillende lasprocessen zijn opgedeeld in de klassen I tot en met VII waarbij de lasprocessen van klasse I het minst milieubelastend zijn en de lasprocessen van klasse VII het meest milieubelastend. De klasse-indeling is afhankelijk van het toegepaste lasproces, soort en hoeveelheid lastoevoegmateriaal, electrode en het te lassen materiaal.

Aan de lasprocessen van de klasse I en II zijn geen emissie-eisen gesteld, omdat bij deze lasprocessen geen significante emissies naar de lucht zullen optreden.

Korte doorkijk naar de maatregelen

In de ministeriële regeling zal per klasse worden aangegeven met behulp van welke maatregelen aan de emissie-eisen voldaan kan worden. In de regeling wordt ook per klasse aangegeven bij welke ondergrenzen (uitgedrukt in per jaar gebruikt lastoevoegmateriaal) er geen maatregelen behoeven te worden getroffen om aan de emissie-eisen te voldoen.

Ten aanzien van de emissies van totaal stof, chroom(VI)-verbindingen, berylliumverbindingen en loodverbindingen zullen voornamelijk filtrerende afscheiders of elektrostatische filters worden ingezet om een voldoende emissiereductie te behalen.

Bij het opstellen van maatregelen voor de ministeriële regeling lassen is aangesloten bij de aanpak en de indeling in klassen van de verschillende lasprocessen, zoals deze is toegepast in de ‘Praktijkrichtlijn Lasrook, Beschrijving doeltreffende maatregelen bij blootstelling aan rook en/of gassen afkomstig van lassen en/of verwante processen’. Deze Praktijkrichtlijn is geënt op beleidsregels die zijn opgesteld in het kader van de Arbo-regelgeving.

Bij het opstellen van maatregelen is tevens aangesloten bij de module Lassen C.3.1 in het werkboek milieumaatregelen Metalektro.

Met de verschillende klassen wordt verstaan:

Klasse I en II:

TIG-lassen, plasmalassen, druklassen, autogeen lassen en onder poederlassen van alle materialen met uitzondering van geverfde materialen.

Klasse III:

• Lassen met beklede electroden van alle materialen met uitzondering van roestvast staal, Beryllium- en vanadium-legeringen en m.u.v. geverfde materialen,

• Lassen met MAG gevulde draad van alle materialen met uitzondering van roestvast staal en geverfde materialen;

• Lassen met gelegeerde electrode of met gevulde gelegeerde draad;

• Lassen met MIG/MAG massieve draad van alle materialen met uitzondering van koper-, Beryllium- en Vanadium-legeringen en met uitzondering van geverfde materialen.

Klasse IV:

Het lassen van geverfde materialen (m.u.v. loodmenie) met behulp van één van de volgende technieken:

• TIG-lassen, plasmalassen, druklassen, autogeenlassen, onder poeder lassen;

• Lassen met beklede electroden, lassen met MAG gevulde draad en lassen met MIG/MAG massieve draad.

Klasse V, VI en VII:

• Lassen met beklede elektroden, van de materialen: roestvast staal, Vanadium-legeringen en Beryllium-legeringen

• Lassen met MAG gevulde draad van de materialen: roestvast staal

• Lassen met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad

• Lassen met MIG gevulde draad of massieve draad van de materialen: koperlegeringen en Beryllium- en Vanadium-legeringen,

• Lassen met gevulde draad van de materialen: ongelegeerd en gelegeerd staal

• Lassen van de materialen: geverfd staal met loodmenie.

Verplichte maatregelen:

• Om te voldoen aan het in artikel 2.1 gestelde worden stofvormige emissies die vrijkomen bij het lassen, indien dit technisch uitvoerbaar is, zo doelmatig mogelijk bij de bron afgezogen. Dit geldt niet indien artikel 2.7 van toepassing is.

• Indien de afgezogen stofvormige emissies naar de buitenlucht worden afgevoerd, én indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig object, niet zijnde een gevoelig object op een gezoneerd industrieterrein, is gelegen, worden deze bovendaks en verticaal omhoog gericht afgevoerd.

Erkende maatregelen:

• Aan het gestelde in de artikelen 4.27 tot en met 4.30 wordt geacht te zijn voldaan als de afgezogen lucht afkomstig van (alle klassen) laswerkzaamheden wordt gerecirculeerd.

• Aan het gestelde in artikel 4.28 wordt geacht te zijn voldaan als bij laswerkzaamheden klasse III per jaar niet meer dan 6500 kg lastoevoegmateriaal en -electroden wordt verbruikt.

• Aan het gestelde in artikel 4.28 wordt geacht te zijn voldaan als bij laswerkzaamheden klasse III de stofemissies die vrijkomen bij het lassen worden afgezogen en voordat de afgezogen lucht wordt afgevoerd, gevoerd door een filtrerende afscheider of electrostatisch filter, die geschikt is om aan het gestelde in het doelvoorschrift te voldoen.

• Aan het gestelde in artikel 4.28 wordt geacht te zijn voldaan als bij laswerkzaamheden klasse IV de stofemissies die vrijkomen bij het lassen worden afgezogen en voordat de afgezogen lucht wordt afgevoerd, gevoerd door een filtrerende afscheider of electrostatisch filter, die geschikt is om aan het gestelde in het doelvoorschrift te voldoen.

• Aan het gestelde in de artikelen 4.28 en 4.29 wordt geacht te zijn voldaan als bij laswerkzaamheden klasse V, VI en VII in het geval er roestvast staal gelast wordt met beklede electroden en/of met MAG gevulde draad of indien andere materialen gelast worden met gelegeerde electrode en/of met gelegeerde gevulde draad, per jaar niet meer dan 200 kg lastoevoegmateriaal en -electroden worden gebruikt. Om aan te tonen dat het jaarlijks verbruik van lastoevoegmateriaal en -electroden ten behoeve van het roestvast staal -lassen niet meer bedraagt dan 200 kg registreert de houder van de inrichting het verbruik van het toevoegmateriaal en electroden.

• Aan het gestelde in het artikel 4.28 wordt geacht te zijn voldaan als bij laswerkzaamheden klasse V, VI en VII de stofemissies die vrijkomen bij het lassen worden afgezogen en voordat de afgezogen lucht wordt afgevoerd, gevoerd door een filtrerende afscheider of electrostatisch filter, die geschikt is om aan het gestelde in het doelvoorschrift te voldoen.

• Aan het gestelde in het artikel 4.29 wordt geacht te zijn voldaan als bij laswerkzaamheden klasse V, VI en VII de emissies van chroom(VI)-verbindingen die vrijkomen bij het lassen worden afgezogen en voordat de afgezogen lucht wordt afgevoerd, gevoerd door een filtrerende afscheider of electrostatisch filter, die geschikt is om aan het gestelde in het doelvoorschrift te voldoen.

• Aan het gestelde in het artikel 4.30 wordt geacht te zijn voldaan als bij laswerkzaamheden klasse V, VI en VII de emissies van lood- en loodverbindingen die vrijkomen bij het lassen van met loodmenie geverfd staal worden afgezogen en voordat de afgezogen lucht wordt afgevoerd, gevoerd door een filtrerende afscheider, die geschikt is om aan het gestelde in het doelvoorschrift te voldoen.

Vrijstellingsbepaling

Emissies, waarvoor emissie-eisen zijn opgenomen, vanuit kleine bronnen die op jaarbasis minder emitteren dan de in artikel 2.7 genoemde drempel, zijn vrijgesteld van de emissie-eisen en eventuele verplichte maatregelen in de regeling.

§ 4.5.3 Solderen van metalen

Solderen is een verbindingstechniek waarbij de metaaldelen onder verhitting met elkaar verbonden worden met behulp van een toevoegmateriaal. Bij solderen is de temperatuur van toevoegmateriaal lager dan die van de te verbinden materialen. Hierdoor wordt de verbinding tot stand gebracht zonder dat de te verbinden materialen smelten. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: zachtsolderen, hardsolderen en hoogtemperatuursolderen.

Emissie-eisen

Bij een groot aantal bedrijven waar solderen slechts in kleinschalige toepassing gebeurt, zullen geen significante emissies naar de lucht optreden. In ieder geval bedrijven die op jaarbasis niet meer dan 10 kg aan soldeermiddelen toepassen, zullen met zekerheid een lagere massastroom hebben dan de grensmassastroom. Bedrijven die slechts kleinschalige bronnen hebben die op jaarbasis lager zijn dan de in artikel 2.7 genoemde drempel, behoeven dan ook niet aan de emissie-eisen te voldoen.

Emissies die kunnen optreden bij de verschillende vormen van solderen zijn zeer divers. Er worden diverse processen (bout, golf, vlam, inductief, oven, etc.) toegepast die bij verschillende temperatuur werken (zacht-, hard- en hoogftemperatuursolderen). Er worden diverse soldeermaterialen en vloeimiddelen (niet bij hoogtemperatuursolderen) gebruikt. Loodhoudend soldeer, dat werd toegepast door zachtsoldeerders, mag vanaf juli 2006 niet meer worden toegepast vanwege andere regelgeving. Onduidelijk is nog welke emissies er zullen vrijkomen bij de alternatieven die toegepast gaan worden. Mogelijke alternatieven zijn onder andere soldeer met tinkoper, tinzilver en tinzilverkoper. Daarnaast zullen ook andere vloeimiddelen gebruikt gaan worden, waarvan nog onduidelijk is welke vloeimiddelen tot significante emissies naar de lucht leiden.

Omdat niet duidelijk is welke emissies relevant zijn, worden artikel 2.4 tot en met 2.6 ook van toepassing op emissies die vrijkomen bij solderen. Dit betekent dat voldaan moet worden aan de per stofklassen en -categorieën gestelde emissie-eisen indien de massastroom groter is dan de grensmassastroom voor die betreffende stofklasse. Daarmee wordt voorkomen dat bij de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom en de beoordeling van de emissieconcentratie.

Korte doorkijk naar de maatregelen

Ten aanzien van de emissies van totaal stof zullen voornamelijk filtrerende afscheiders worden ingezet om een voldoende emissiereductie te behalen.

Vrijstellingsbepaling

Indien een bedrijf activiteiten verricht waarvoor emissie-eisen zijn opgenomen, maar alleen kleinschalige bronnen heeft die op jaarbasis lager zijn dan de in artikel 2.7 genoemde drempel, behoeft niet aan de emissie-eisen te worden voldaan en zijn de verplichte maatregelen in de regeling niet van toepassing.

§ 4.5.4 Stralen van metalen

Het stralen van metalen en metalen voorwerpen betreft het verwijderen van roest, wals, gloei en giethuid, oude verflagen en vuil door kleine harde delen (straalmiddel) tegen het te reinigen object te laten botsen. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen:

• pneumatisch stralen: bij pneumatisch stralen wordt de benodigde energie om het straalmiddel met hoge snelheid tegen het te bewerken oppervlak te laten botsen, opgewekt door perslucht;

• werpstralen: bij werpstralen wordt het straalmiddel met behulp van turbines door centrifugaalkracht op het te bewerken oppervlak geslingerd;

• natstralen: alle straaltechnieken bedoeld waarbij water wordt gebruikt;

• koolzuurstralen: bij koolzuurstralen worden koolzuurkorrels (circa -80° C) met behulp van zeer droge perslucht via een straalpijp op het te bewerken oppervlak geblazen.

Emissie-eisen

De emissie-eisen hebben betrekking op de emissie van stoffen naar de lucht. De emissies zijn afhankelijk van het gebruikte straalmiddel en de staat van het te stralen object. Omdat bij onderhoudswerkzaamheden vaak bestaande (an)organische deklagen worden verwijderd, kunnen de geëmitteerde stoffen zeer divers zijn. Daarom worden in artikel 4.34 eisen gesteld aan alle mogelijke typen stofemissies, die gelden op het moment dat de massastroom (de vracht van de emissie in gram per tijdseenheid) de genoemde grens overschrijdt.

Met de verwijzing naar artikel 2.4 tot en met 2.6 wordt voorkomen dat bij de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom en de beoordeling van de emissieconcentratie. Zie verder artikel 2.4 tot en met 2.6 en de toelichting daarop.

Korte doorkijk naar de maatregelen

Ten aanzien van de stofvormige emissies zullen voornamelijk filtrerende afscheiders worden ingezet om een voldoende emissiereductie te behalen. Hieronder wordt een beeld gegeven van de maatregelen waarvan het voornemen bestaat deze voor stralen op te nemen in de ministeriële regeling.

In de buitenlucht stralen: verplichte maatregelen

De noodzaak om buiten te kunnen stralen kan zich voordoen bij bijvoorbeeld constructiebedrijven waar aan grote constructies wordt gewerkt. Bedrijven zullen straalwerkzaamheden meestal zoveel mogelijk binnen de bebouwde delen van de inrichting willen uitvoeren om corrosie van het gereinigde oppervlak tegen te gaan. In de open lucht stralen zal naar verwachting dan ook alleen plaatsvinden als het vanwege de omvang van het werkstuk onmogelijk is om inpandig te stralen, of er op incidentele basis kortdurende kleine reparaties moeten worden verricht aan in de buitenlucht opgestelde werkstukken. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat bedrijven die omdat ze een te kleine loods hebben grotere constructies in de buitenlucht gaan stralen.

Onder kleine reparaties worden incidenteel voorkomende werkzaamheden verstaan die geen deel uitmaken van structurele productiewerkzaamheden.

Om te voldoen aan artikel 4.34 worden de emissies van stof naar de buitenlucht tijdens straalwerkzaamheden die in de buitenlucht plaatsvinden gereduceerd door het toepassen van stofvrije of stofarme straalmethodes zoals vacuümstralen of pneumatisch natstralen.

Indien het bovenstaande voorschrift technisch niet mogelijk is, wordt om te kunnen voldoen aan artikel 4.34:

a. de emissie van stof naar de buitenlucht tijdens open straalwerkzaamheden gereduceerd door het plaatsen van een tijdelijke omkapping, of

b. de emissie van stof naar de buitenlucht tijdens open straalwerkzaamheden gereduceerd door gebruik te maken van een waterscherm.

Op grotere, nagenoeg vlakke metaaloppervlakken is het mogelijk stofvrije of stofarme straaltechnieken toe te passen. Indien dit technisch mogelijk is heeft dit de voorkeur boven de genoemde technieken, omdat de stoffemissies met stofvrije of stofarme technieken effectiever worden bestreden.

Ook bij niet-afgesloten straalruimten kan met behulp van een fijnmazige omkapping de hoeveelheid geëmitteerd stof worden beperkt. Als over- en/of omkapping zijn verschillende materialen beschikbaar zoals netten, zeilen, doeken en dergelijke. De mogelijke emissiebeperking hangt sterk af van de mate waarin de omkapping afgesloten is. Indien netten gebruikt worden, dienen deze zeer fijnmazig te zijn.

Deze techniek wordt voornamelijk toegepast bij het stralen van grote objecten in de open lucht. Bij de constructie moet rekening gehouden worden met de invloed van de wind. Bij hoge windsnelheden bestaat het gevaar dat de constructie kapot waait en dient men de omkapping te laten zakken. Er kan dan niet gestraald worden.

Het stof wordt door het waterscherm weggevangen. Een goede opvang van het gebruikte water is noodzakelijk. Bij een te groot hoogteverschil kan gebruik gemaakt worden van meerdere waterschermen op verschillende hoogten, waardoor overlapping plaatsvindt. Enkelvoudige sproeischermen van 10 meter hoog worden toegepast. Het waterscherm wordt altijd benedenwinds geplaatst, zodat de kans op nat worden van het werkstuk klein is. Hierdoor wordt snelle corrosie van het werkstuk vermeden. Het gebruik van een waterscherm vindt plaats bij het stralen van grote objecten in de open lucht. De windsterkte mag niet te hoog zijn (niet meer dan windkracht 4) aangezien het waterscherm anders verwaait.

Inpandig stralen: verplichte maatregelen

Om te voldoen aan artikel 2.1:

a. vindt het stralen plaats in een daarvoor bestemde en ingerichte gesloten kast, cabine of ruimte, waar een optimale afzuiging plaatsvindt;

b. vindt het stralen plaats met gesloten deuren en ramen, indien het technisch niet mogelijk is te stralen in een daarvoor bestemde en ingerichte gesloten kast, cabine of ruimte.

Dit voorschrift is opgenomen om diffuse emissies ten gevolge van het stralen van uit gebouwen zoveel mogelijk te beperken.

Om te voldoen aan de algemene zorgplichtbepaling (artikel 2.1) worden stofvormige emissies die vrijkomen bij het stralen, indien dit technisch uitvoerbaar is, zo doelmatig mogelijk bij de bron afgezogen. Dit geldt niet indien artikel 2.7 van toepassing is.

Indien de afgezogen stofvormige emissies naar de buitenlucht worden afgevoerd, én indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig object, niet zijnde een gevoelig object op een gezoneerd industrieterrein, is gelegen, worden deze bovendaks en verticaal omhoog gericht afgevoerd.

Inpandig stralen: erkende maatregelen

Aan het gestelde in artikel 4.34 wordt geacht te zijn voldaan als:

a. de emissies die vrijkomen bij straalwerkzaamheden die inpandig worden uitgevoerd worden afgezogen en gevoerd door een filtrerende afscheider die geschikt is om aan het gestelde in artikel 4.34 te voldoen voordat de afgezogen lucht wordt afgevoerd.

b. de filterinstallatie in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Met een filtrerende afscheider wordt bedoeld: een installatie of een deel van een installatie bedoeld om deeltjes in vaste of vloeibare vorm (met in begrip van aerosolen) te verwijderen uit een vloeistof- of gasstroom door gebruik te maken van een filter, een deels doorlaatbaar materiaal. Afscheiding van de deeltjes vindt plaats door zeefwerking, directe botsing en aantrekkingskracht

Voor het verwijderen van vaste deeltjes uit een gasstroom kan onder filtrerende afscheider ten minste worden verstaan:

• doekfilter (ook wel slangenfilter of zakkenfilter)

• compactfilter (ook wel cassettefilter of enveloppenfilter)

• verbeterde compactfilter (ook wel sintamatic, sinterlamellenfilter of spirot tubes)

• keramisch filter

• twee-traps stoffilter (ook wel metaalgaas filter)

• absoluutfilter (oppervlakte filter, patronenfilter, microfilter, HEPA filter).

Vrijstellingsbepaling

Emissies, waarvoor emissie-eisen zijn opgenomen, vanuit kleine bronnen die op jaarbasis minder emitteren dan de in artikel 2.7 genoemde drempel, zijn vrijgesteld van de emissie-eisen en eventuele verplichte maatregelen in de regeling.

§ 4.5.5 Reinigen, lijmen en coaten van metalen (inclusief (delen van) mortorvoertuigen)

In deze paragraaf wordt het reinigen, lijmen en coaten van metalen en metalen voorwerpen toegelicht. Onder metalen voorwerpen worden hier tevens voertuigen begrepen. Alleen het wassen van voertuigen is voor de duidelijkheid als aparte activiteit opgenomen. Onder voertuigen wordt verstaan voertuigen als gedefinieerd in de Richtlijn 70/156/EEG.

Met reinigen wordt hier bedoeld het schoonmaken en ontdoen van vetten (ontvetten) van metalen met behulp van reinigingsmiddelen. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen:

• reinigen met organische oplosmiddelen: het reinigen (voornamelijk ontvetten) met behulp van organische oplosmiddelen. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: reinigen in open systemen, reinigen in halfgesloten systemen, reinigen in gesloten systemen;

• reinigen met waterige reinigingsmiddelen. Dit kan zowel met een zure, neutrale en alkalische middelen, waar al naar gelang de toepassing surfactanten, dispergatoren, emulgatoren, complexvormers, schuimremmers en corosie-inhibitoren in voorkomen;

• vlamstralen/vlamreinigen: het reinigen van materialen (staal) door middel van hitte. Door de hete vlam zal een verschil in uitzetting plaatsvinden tussen het staal en de walshuid of roest. Het vuil zal daardoor van het oppervlak afspringen, waarna het losse vuil weggeborsteld wordt. Hieronder wordt nadrukkelijk niet begrepen het verbranden van verontreinigingen, coatings of andere materialen;

• elektrolytisch ontvetten van metalen: het ontvetten van metalen met behulp van elektrolyse. De gasontwikkeling die aan het werkstuk ontstaat, oefent een vetafsleurende en daardoor intensief reinigende werking uit;

• chemisch ontlakken: het verwijderen van lakken met behulp van chemicaliën.

Coaten betreft het aanbrengen van organische deklagen op metalen/ het aanbrengen van een verfraaiende en/of beschermende laag van organisch materiaal (verf/lak) op metalen. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: kwast of rollermethoden, spuitmethoden, gieten, lakwalsen, dompelen, wervelsinteren/poederdompelen, poederspuiten, spatelen.

Met lijmen wordt hier bedoeld het verbinden van metalen met hulp van lijm en/of kit. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: verbinden door het toepassen van dispersielijm of -kit, verbinden door het toepassen van oplosmiddellijm of -kit, verbinden door het toepassen van smeltlijm of -kit, verbinden door het toepassen van chemisch-hardende lijm of kit.

Emissie-eisen

In lijn met de NeR en het werkboek Milieumaatregelen Metalektro-industrie worden geen emissie-eisen opgenomen voor activiteiten met een VOS-verbruik dat lager is dan de drempel van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer. Wel dienen de emissies van VOS zovel mogelijk worden beperkt. De algemene zorgplichtbepaling in de AMvB heeft een vangnetfunctie waarmee onder meer wordt beoogd dat verpakking met VOS-houdende producten niet onnodig geopend blijft staan of gedroogd wordt om als bedrijfsafval afgevoerd te kunnen worden.

Artikel 4.35

De noodzaak van activiteiten in de buitenlucht kan zich voordoen bij bijvoorbeeld constructiebedrijven waar aan grote constructies wordt gewerkt. Bedrijven zullen meestal zoveel mogelijk coatingwerkzaamheden binnen de bebouwde delen van de inrichting willen uitvoeren onder meer vanwege de betere kwaliteit van het werk die dan kan worden bereikt. In de open lucht reinigen of coaten zal naar verwachting dan ook alleen gebeuren als het onmogelijk is vanwege de omvang van het werkstuk om inpandig te werken, dan wel indien er op incidentele basis kortdurende kleinschalige activiteiten moeten worden verricht. Onder kleinschalige activiteiten worden incidenteel voorkomende werkzaamheden verstaan die geen deel uitmaken van structurele productiewerkzaamheden. Deze noodzakelijke activiteiten in de buitenlucht worden uitgezonderd van artikel 4.36 waarin kwantitatieve doelen gesteld worden aan de emissie van stof (verf/lijmdeeltjes). Via de in de ministeriële regeling opgenomen verplichte maatregel, op basis van de algemene zorgplichtbepaling in de AMvB worden separate eisen gesteld aan het voorkomen van emissies van verf- en lijmdeeltjes buiten de inrichting. Het reinigen waarbij geen vluchtige organische stoffen kunnen vrijkomen zijn uitgezonderd van het verbod. Dit geldt ook voor het coaten dat niet met spuitapparatuur geschiedt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook werkzaamheden aan panden of apparatuur behorend tot de inrichting is uitgezonderd.

Artikel 4.36

Voorkomen moet worden dat verf- en lijmdeeltjes e.d. geëmitteerd worden. Daarom worden in artikel 4.36 eisen gesteld aan de emissie van stof, die gelden op het moment dat de massastroom (de vracht van de emissie in gram per tijdseenheid) de genoemde grens overschrijdt. Met de verwijzing naar artikel 2.4 tot en met 2.6 wordt voorkomen dat bij de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom en de beoordeling van de emissieconcentratie. In de ministeriële regeling zal als erkende maatregel worden opgenomen dat aan dit artikel wordt voldaan indien gebruik gemaakt wordt van een doelmatige verf- of lijmvangfilter.

Artikelen 4.37 en 4.38

Inzicht in het jaarlijks VOS-verbruik per activiteit is nodig om te kunnen beoordelen of de betreffende activiteit onder het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer valt. Producten voor het overspuiten van voertuigen (schadeherstel), vallen onder de werkingssfeer van het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen. Omdat deze activiteit niet meer onder het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer valt, hoeft conform artikel 4.38 alleen inzicht gegeven te worden in het VOS-verbruik ten behoeve van het aanbrengen van laklagen op aanhangwagens en het aanbrengen van laklagen, niet zijnde schadeherstel (gedacht moet worden aan carrosseriebouw e.d.). Deze activiteiten vallen namelijk wel nog onder het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer.

Artikel 4.39

Eerste lid

Voor het voeren van een gedetailleerdere oplosmiddelboekhouding wordt in artikel 4.39 een ondergrens van 500 kg per jaar aan VOS-verbruik opgenomen. Deze grens moet zodanig gezien worden dat voor het reinigen, coaten en lijmen van metaal (niet voertuigen) een grens van totaal 500 kg geldt en voor het reinigen, coaten en lijmen van voertuigen in totaal een grens van 500 kg geldt. Met de grens is aangesloten bij de onderste grens uit het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer (0,5 ton). Pas indien blijkt dat het VOS-verbruik meer is dan 500 kg per jaar, en er producten gebruikt worden waaraan geen eisen zijn gesteld in het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen Wms, dient de registratie meer gegevens te bevatten dan alleen het totale VOS-verbruik. Deze extra gegevens zijn nodig om te kunnen beoordelen of er producten worden gebruikt met significante VOS-gehalten.

Tweede lid

Zodra er meer dan 500 kg VOS per jaar wordt verbruikt bij de genoemde activiteiten, en andere producten gebruikt worden dan waaraan het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen eisen stelt, en die tevens meer VOS in gebruiksklare vorm bevatten dan 150 gram per liter of 30%, worden VOS-reducerende inspanningen van bedrijven verwacht.

In andere gevallen zijn geen verdere VOS-reductie inspanningen nodig aangezien het resultaat hiervan gering zal zijn en veel administratieve lasten met zich meebrengt. Volgens artikel 4.39 zijn er verder geen inspanningen nodig in geval er producten worden toegepast waaraan op basis van het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen Wms eisen zijn gesteld.

Kosteneffectief worden die maatregelen geacht die, na berekening van de kosteneffectiviteit conform paragraaf 2.11 van de NeR, en toetsing aan de aldaar opgenomen indicatieve referentiewaarden, als kosteneffectief zijn aan te merken, rekening houdend met de in paragraaf 2.11 van de NeR genoemde bedrijfs- en situatiespecifieke omstandigheden.

Derde lid

In het derde lid is bepaald dat voor activiteiten die onder het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer vallen, de eisen uit het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn. Dit omdat het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer een directe werking heeft zodra een activiteit de drempelwaarde van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer overschrijdt.

Samen met het tweede lid betekent dit dat voor het reinigen en coaten van voertuigen, geen verdere eisen worden gesteld. De activiteiten worden namelijk geregeld via het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen Wms, of het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer. Met de ondergrens van 500 kg is aangesloten bij de ondergrens in het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer voor het aanbrengen van coatings op voertuigen en het herstellen van voertuigen, zijn er ten aanzien van emissies van vluchtige stoffen, geen verdere eisen gesteld dan een eenvoudige registratie.

Doorkijk naar de maatregelen

Ten aanzien van de emissies van totaal stofvormige emissies zullen voornamelijk filtrerende afscheiders worden ingezet om een voldoende emissiereductie te behalen.

Indien een bedrijf activiteiten verricht waarvoor emissie-eisen zijn opgenomen, maar alleen kleinschalige bronnen heeft waarvan de emissievracht op jaarbasis lager is dan de in artikel 2.7 genoemde drempels, behoeft niet aan de emissie-eisen te worden voldaan en zijn de verplichte maatregelen in de regeling niet van toepassing.

Bij ministeriële regeling zullen verplichte maatregelen worden gesteld om geurhinder te voorkomen en emissies van verf- en lijmdeeltjes buiten de inrichting, Bij noodzakelijke activiteiten in de buitenlucht, zoveel mogelijk te beperken. Verder zal een verplichte maatregel opgenomen worden waarin aangegeven wordt welke zaken concreet moeten worden beschouwd. Ten aanzien van reinigen, worden verder concrete maatregelen opgenomen waaraan voldaan moet worden.

Tevens zal er een erkende maatregel worden opgenomen waarmee geacht wordt aan artikel 4.36 te zijn voldaan.

Verplichte maatregelen:

1. Om te voldoen aan artikel 2.1 worden gassen en dampen die vrijkomen bij onderstaande activiteiten, afgezogen, zonder dat zij zich binnen de inrichting kunnen verspreiden. Het gaat hierbij om:

- reinigen, coaten en lijmen met vluchtige organische stoffen (VOS) door middel van vernevelen met een vernevelspuit;

- reinigen, coaten en lijmen met vluchtige organische stoffen (VOS), uitgezonderd hoogkokende stoffen, door middel van dompeling in open of halfgesloten baden;

- het aansluitend aan voornoemde activiteiten, drogen van behandelde materialen.

2. De afgezogen dampen als bedoeld in voorschrift 1:

a. worden ten minste 2 meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd, of

b. passeren een doelmatige ontgeuringsinstallatie voor zij naar de buitenlucht worden afgevoerd.

3. Voorschrift 2 is niet van toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gebied dat in een bestemmingsplan is aangewezen als gezoneerd industrieterrein.

4. Voorschrift 2 is niet van toepassing indien van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie geen geurhinder kan worden ondervonden dan wel indien de afvoerleiding zodanig is gesitueerd dat een afdoende verspreiding van de dampen in de buitenlucht is gewaarborgd en geurhinder wordt voorkomen.

5. Het bevoegd gezag kan voorschriften stellen met betrekking tot:

a. de aanwezigheid, de uitvoering en het onderhoud van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in voorschrift 2;

b. het verlagen van de geurbelasting door middel van het verhogen van de afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen, of het beperken van de geurbelasting tot specifieke tijdstippen, in afwijking van voorschrift 2.

6. Om te voldoen aan artikel 4.39 worden in ieder geval de volgende maatregelen in beschouwing genomen:

- oplosmiddelarme alternatieven en efficiënte applicatiemethoden;

- maatregelen ten aanzien van de bedrijfsvoering (good-housekeeping);

- overige VOS-emissiereducerende maatregelen.

7. Om te voldoen aan artikel 4.39 worden in geval van reiniging de volgende maatregelen getroffen:

- bij reiniging worden de verontreinigingen, vetten of lakken niet verbrand

- reiniging gebeurt zoveel mogelijk droog (mechanisch), indien reiniging niet op een droge (mechanische) manier kan plaatsvinden dient gebruik gemaakt te worden van waterige middelen;

- indien reiniging met waterige middelen technisch niet uitvoerbaar is, of niet kosteneffectief is, vindt het reinigen met organische oplosmiddelen plaats in procesbaden die zijn uitgevoerd als een zogenaamd gesloten systeem. Indien gesloten systemen worden toegepast, wordt de in- en uitneemzone ten minste 1 minuut gesloten gehouden na beëindiging van het gebruik van de pomp- of persluchtinstallatie, ter beperking van de emissie naar de lucht;

- indien reiniging niet mogelijk is in een gesloten systeem, om redenen van technische uitvoerbaarheid of kosteneffectiviteit, wordt gebruik gemaakt van hoogkokende niet-gehalogeneerde oplosmiddelen.

- indien door de inrichtinghouder geen invulling is gegeven aan de hier genoemde maatregelen,dan:

- geeft de inrichtinghouder op verzoek van het bevoegd gezag aan binnen welke termijn ten minste een van de in middelvoorschrift 1 genoemde maatregelen kan worden uitgevoerd, dan wel; overlegt de inrichtinghouder, op verzoek van het bevoegd gezag een onderbouwing waarin wordt aangegeven dat de in voorschrift LM01 genoemde maatregelen niet kunnen worden uitgevoerd omdat deze niet technisch uitvoerbaar zijn dan wel niet kosteneffectief;

- voert de inrichtinghouder alle overige technisch uitvoerbare, kosteneffectieve maatregelen ter bestrijding van VOS-emissies uit. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt aangegeven welke maatregelen getroffen zijn of gaan worden.

8. Om te voldoen aan artikel 2.1 worden bij werkzaamheden in de buitenlucht emissies van stof (verf- en lijmdeeltjes) voorkomen dan wel beperkt door het treffen van afschermingen

Erkende maatregelen:

1. Aan het gestelde in artikel 4.36 wordt geacht te zijn voldaan als:

a. de emissies die vrijkomen bij het inpandig spuiten van lijm of coating, worden afgezogen en gevoerd door een verf- of lijmvangfilter die geschikt is om aan het gestelde in artikel 4.36 van de AMvB te voldoen voordat de afgezogen lucht wordt afgevoerd.

b. de filter in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

2. Bij het overspuiten en daarmee samenhangende reinigingsactiviteiten, van landbouwvoertuigen en dergelijke (de voertuigen die niet onder de stricte definitie van voertuigen vallen) wordt geacht aan artikel 4.39 te zijn voldaan indien de gebruikte producten voldoen aan de VOS-gehaltes zoals genoemd in het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen.

§ 4.5.6 Aanbrengen anorganische deklagen op metalen

Het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen betreft het aanbrengen van een verfraaiende en/of beschermende laag van anorganisch materiaal (keramiek, emaille, metaallagen) op metalen. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen:

• het vlamspuiten, waaronder het autogeen draadspuiten (waaronder schooperen), het autogeen poederspuiten en het High Velocity Oxy Fuel (HVOF) spuiten;

• het thermisch spuiten, waaronder het elektrisch draadspuiten, het plasmaspuiten;

• het emailleren.

Emissie-eisen

De emissie eisen hebben betrekking op de emissie van stoffen naar de lucht. De emissies zijn afhankelijk van de gebruikte techniek en de toegepaste deklaag. De geëmitteerde stoffen kunnen zeer divers zijn. Daarom worden in artikel 4.52 eisen gesteld aan alle mogelijke typen stofemissies, die gelden op het moment dat de massastroom (de vracht van de emissie in gram per tijdseenheid) de genoemde grens overschrijdt.

Met de verwijzing naar artikel 2.4 tot en met 2.6 wordt voorkomen dat bij de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom en de beoordeling van de emissieconcentratie.

Artikel 4.41 is ook van toepassing op schoopeerwerkzaamheden in de buitenlucht die binnen de inrichting, buitenpandig maar binnen een omkapping worden uitgevoerd zoals omschreven bij de verplichte maatregelen. Wanneer de lucht vanuit deze omkapping wordt afgezogen, moet voldaan worden aan de emissie-eisen, voordat de lucht naar de buitenlucht wordt afgevoerd.

Vrijstellingsbepaling

Emissies, waarvoor emissie-eisen zijn opgenomen, vanuit kleine bronnen die op jaarbasis minder emitteren dan de in artikel 2.7 genoemde drempel, zijn vrijgesteld van de emissie-eisen en eventuele verplichte maatregelen in de regeling.

Korte doorkijk naar de maatregelen

Ten aanzien van de emissies van stofvormige emissies zullen voornamelijk filtrerende afscheiders worden ingezet om een voldoende emissiereductie te behalen.

Hieronder wordt een beeld gegeven van de maatregelen waarvan het voornemen bestaat deze voor anorganische deklagen op te nemen in de ministeriële regeling.

Schooperen in de buitenlucht: verplichte maatregelen

Schooperen is het aanbrengen van een metaallaag (bijvoorbeeld zink) door spuiten. De noodzaak om buiten te kunnen werken kan zich voordoen bij bijvoorbeeld constructiebedrijven waar aan grote constructies wordt gewerkt. Bedrijven zullen schoopeerwerkzaamheden meestal zoveel mogelijk binnen inpandig willen uitvoeren om corrosie van gereinigde oppervlakken tegen te gaan. Buiten het pand schooperen zal naar verwachting dan ook alleen plaatsvinden als het vanwege de omvang van het werkstuk onmogelijk is om inpandig te schooperen, of er op incidentele basis kortdurende kleine reparaties moeten worden verricht aan in de buitenlucht opgestelde werkstukken. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat bedrijven die omdat ze een te kleine loods hebben grotere constructies in de buitenlucht gaan schooperen.

Onder kleine reparaties worden incidenteel voorkomende werkzaamheden verstaan die geen deel uitmaken van structurele productiewerkzaamheden.

Om te voldoen aan artikel 4.40 wordt tijdens het aanbrengen van metaallagen in de open lucht door middel van schooperen tijdelijke doelmatige, geheel gesloten, omkappingen geplaatst.

De omkapping wordt om het te behandelen werkstuk aangebracht en kan bestaan uit doek, zeil of een ander stofdicht materiaal. De omkapping dient om het te behandelen werkstuk droog te houden en om de diffuse stofemissie ten gevolge van het vlamspuiten of thermisch spuiten tegen te gaan.

Emailleren geurhinder: verplichte maatregelen

Om te voldoen aan het artikel 2.1 met betrekking tot geurhinder worden gassen, nevels en dampen die vrijkomen bij het inbranden van emaille afgezogen zonder dat zij zich binnen de inrichting kunnen verspreiden. De afvoerleiding voor de dampen is gasdicht uitgevoerd.

De afgezogen dampen zoals bedoeld in de ministeriele regeling:

a. worden ten minste 2 meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd, of

b. passeren een doelmatige ontgeuringsinstallatie voor zij naar de buitenlucht worden afgevoerd.

Bovenstaande is niet van toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gebied dat in een bestemmingsplan is aangewezen als gezoneerd industrieterrein.

Eveneens is bovenstaande is niet van toepassing indien van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie geen geurhinder kan worden ondervonden dan wel indien de afvoerleiding zodanig is gesitueerd dat een afdoende verspreiding van de dampen in de buitenlucht is gewaarborgd en geurhinder wordt voorkomen.

Bij het inbranden van emaille is geurhinder te verwachten. Dit gebeurt in ovens onder hoge temperatuur. Met een doelmatige ontgeuringsinstallatie wordt bedoeld een ontgeuringsinstallatie die voldoende groot gedimensioneerd is, geschikt is om de betreffende geurcomponenten te reduceren, De ontgeuringsinstalltie wordt zo vaak als voor een goede werking nodig is, vervangen, gereinigd dan wel geregenereerd.

Woningen op gezoneerd industrieterreinen worden niet beschermd tegen geurhinder. Hierdoor worden bedrijven op een gezoneerd industrieterrein niet beperkt in hun activiteiten vanwege de aanwezigheid van bedrijfswoningen op het gezoneerd industrieterrein. Dit betekent dat gemeenten bij het opstellen van plannen in het kader van de ruimtelijke ordening hier terdege rekening moeten houden. Indien bedrijfswoningen worden toegestaan op een gezoneerd industrieterrein moet goed overdacht worden welke type inrichtingen op een dergelijke locatie wenselijk is.

In de ministeriële regeling wordt opgenomen dat in het geval dat er, ondanks dat niet voldaan is aan het voorschrift in de ministeriële regeling, er toch geen sprake is van geurhinder, geen maatregelen hoeven te worden getroffen. Dit voorschrift moet goed overwogen worden toegepast en is slechts van toepassing indien vaststaat dat geen geurhinder kan optreden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in situaties dat er slechts sprake is van kleinschalige toepassing van een activiteit waarbij geuremissies kunnen optreden.

Om te voldoen aan het artikel 2.1 (zorgplicht m.b.t. doelmatige verspreiding) van de AMvB worden stofvormige emissies die vrijkomen bij het vlamspuiten en thermisch spuiten, indien dit technisch uitvoerbaar is, zo doelmatig mogelijk bij de bron afgezogen. Dit geldt niet indien artikel 2.7 van toepassing is. Indien de afgezogen stofvormige emissies naar de buitenlucht worden afgevoerd, én indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig object, niet zijnde een gevoelig object op een gezoneerd industrieterrein, is gelegen, worden deze bovendaks en verticaal omhoog gericht afgevoerd.

Het bevoegd gezag kan voorschriften stellen om de nadelige effecten ten gevolge van de emissies naar de lucht, ter plaatse van gevoelige objecten te beperken.

Stofemissies naar de lucht: Erkende maatregelen:

Aan het gestelde in artikelen 4.40 en 4.41 wordt geacht te zijn voldaan als:

a. de stofemissies die vrijkomen bij het aanbrengen van anorganische deklagen worden afgezogen en voordat de afgezogen lucht wordt afgevoerd, worden gevoerd door een filtrerende afscheider die geschikt is om aan het gestelde in het doelvoorschrift te voldoen;

b. de filterinstallatie in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Procesbaden, ed. externe veiligheid: verplichte maatregel

Om te voldoen aan artikel 2.1 (externe veiligheid):

a. zijn procesbaden, lekbakken, leidingen, appendages en dergelijke van een zodanig samenstelling en constructie dat zij bestand zijn tegen de producten die er in worden opgeslagen en erdoor worden getransporteerd;

b. mogen procesbaden alleen onder toezicht worden gevuld;

c. zijn verwarmde procesbaden thermisch beveiligd. De maximumtemperatuur van de badvloeistof mag niet hoger zijn dan voor het proces of de behandeling noodzakelijk is.

§ 4.5.7 Beitsen en etsen van metaal

Het beitsen en etsen van metalen is het behandelen van metalen met een agressief middel waarbij het metaaloppervlak wordt aangetast met het doel dit te reinigen (beitsen). Bij een langere blootstelling aan het middel vindt een diepere inwerking plaats en wordt meer materiaal weggenomen (etsen). Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: kwastbeitsen, dompelbeitsen/-etsen, sproeibeitsen en circulatiebeitsen.

Bij het elektrolytisch beitsen en etsen wordt het werkstuk aangesloten op een stroombron en in een beits/etsvloeistof gedompeld. De gasontwikkeling die aan het werkstuk ontstaat, zorgt ervoor dat de oxidehuid op het materiaal beter loslaat.

Emissie-eisen

Relevante emissies naar de lucht bij bedrijven waar metalen en metalen voorwerpen worden gebeitst en geëtst zullen hoofdzakelijk bestaan uit de meer ‘vluchtige’ zuren zoals HCl en HF en nitreuze dampen die ontstaan door reductie van HNO3.

Of deze emissies de grensmassastroom zullen overschrijden, is onder meer afhankelijk van de grootte van de procesbaden, de procestemperatuur en de concentraties van de gebruikte vloeistoffen.

Voor wat betreft de emissie-eis ten aanzien van stikstofoxiden geeft de NeR aan dat BBT moet worden toegepast. Afhankelijk van wat BBT is, moet een emissieconcentratie-eis worden vastgelegd. Nitreuze dampen kunnen worden afgevangen met nageschakelde technieken waarmee een concentratie van 200 mg/m3 haalbaar is.

Met de verwijzing naar 2.4 tot en met 2.6 wordt voorkomen dat bij de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom en de beoordeling van de emissieconcentratie.

Uit de geraadpleegde literatuur, waaronder de BREF, Surface treatment with metals, blijkt dat hoofdzakelijk van de hierboven genoemde stoffen relevante emissies zijn te verwachten. Volgens de BREF worden gaswassers ook veelvuldig toegepast om de emissies van deze stoffen te beperken.

Een bedrijf zal echter altijd eerst bekijken of er bron- en/of procesgeïntegreerde maatregelen kunnen worden getroffen. Dit kan bijvoorbeeld door additieven aan de beits- of etsvloeistof toe te voegen die de formatie van nitriet-ionen voorkomen, en de emissies van waterstoffluoride (HF) en stikstofoxiden (NOx) reduceren. Een andere mogelijke bronmaatregel die getroffen kan worden, is het verlagen van de temperatuur waarop gebeitst en geëtst wordt.

Mogelijke andere (minder vluchtige) beits- en etsmiddelen zullen naar verwachting bij normale bedrijfsvoering de grensmassastroom niet overschrijden. Om die reden zijn er ten aanzien van deze middelen geen emissie-eisen opgenomen.

Mocht uit aanvullend onderzoek blijken dat emissies van stoffen hoger of lager zijn dan bij het opstellen van dit besluit werd verwacht, kan dat reden zijn om dit besluit daarop aan te passen.

Korte doorkijk naar de maatregelen

Bij beitsen en etsen kunnen giftige, schadelijke en hinderlijke gassen ontwijken.

Om deze gasvormige emissies zoveel mogelijk af te vangen, zullen voornamelijk gaswassers worden toegepast.

Met een gaswasser wordt bedoeld: een installatie of een deel van een installatie waarbij door intensief contact tussen gas en vloeistof, verontreinigingen uit het gas in de wasvloeistof worden geabsorbeerd.

In de regeling zullen deze als erkende maatregelen worden opgenomen en zal er een verdere invulling worden gegeven waaraan een doelmatige gaswasser moet voldoen.

Vrijstellingsbepaling

Emissies, waarvoor emissie-eisen zijn opgenomen, vanuit kleine bronnen die op jaarbasis minder emitteren dan de in artikel 2.7 genoemde drempel, zijn vrijgesteld van de emissie-eisen en eventuele verplichte maatregelen in de regeling. Hieronder wordt een beeld gegeven van de maatregelen waarvan het voornemen bestaat deze voor beitsen en etsen op te nemen in de ministeriële regeling.

Alternatieve maatregelen

Als een bedrijf dat de activiteit beitsen en etsen van metalen toepast, ervoor kiest om op een andere manier aan de emissie-eisen van dit Besluit te voldoen dan door het toepassen van een erkende maatregel, dan kan het bevoegd gezag verzoeken dat éénmalig wordt aangetoond dat óf de grensmassastroom niet wordt overschreden dan wel door middel van een emissiemeting (of een berekening indien het bevoegd gezag hiermee akkoord gaat) wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de emissie-eisen.

In sommige situaties is het denkbaar dat door het toepassen van enkel en alleen bron- en/of procesmaatregelen, of zelfs zonder maatregelen al voldaan wordt aan de emissie-eisen.

In het kader van het opstellen van de ministeriële regeling zal er nog nader onderzoek moeten komen in hoeverre er ondergrenzen kunnen worden vastgelegd waaronder er geen emissiereducerende maatregelen getroffen hoeven te worden omdat de grensmassastroom niet overschreden zal worden. Daarbij wordt gedacht aan de omvang van onder andere procesbaden, temperatuur van het proces en de concentratie van gebruikte beits- en etsmiddelen.

In situaties dat een bedrijf door toepassen van enkel en alleen bron- en/of procesmaatregelen een voldoende substantiële emissiereductie kan bereiken, ter beoordeling van het bevoegd gezag dan kan het bevoegd gezag besluiten op basis van artikel 2.8 dat van de emissie-eisen mag worden afgeweken én dat kan worden afgezien van de verplichte maatregel om bij de bron af te zuigen.

In een dergelijke situatie is het namelijk vanuit oogpunt van beperking van de emissies naar de lucht beter om niet af te zuigen.

Geurhinder: verplichte maatregel

I. Om te voldoen aan het artikel 2.1 met betrekking tot geurhinder van dit Besluit worden gassen, nevels en dampen die vrijkomen bij het beitsen en etsen afgezogen zonder dat zij zich binnen de inrichting kunnen verspreiden. De afvoerleiding voor de dampen is gasdicht uitgevoerd.

II. De afgezogen dampen zoals bedoeld in de ministeriële regeling:

a. worden ten minste 2 meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd, of

b. passeren een doelmatige ontgeuringsinstallatie voor zij naar de buitenlucht worden afgevoerd.

III. Voorschrift II is niet van toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gebied dat in een bestemmingsplan is aangewezen als gezoneerd industrieterrein.

IV. Voorschrift II is niet van toepassing indien van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie geen geurhinder kan worden ondervonden dan wel indien de afvoerleiding zodanig is gesitueerd dat een afdoende verspreiding van de dampen in de buitenlucht is gewaarborgd en geurhinder wordt voorkomen.

V. Het bevoegd gezag kan voorschriften stellen met betrekking tot:

a. de aanwezigheid, de uitvoering en het onderhoud van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in artikel II;

b. het verlagen van de geurbelasting door middel van het verhogen van de afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen, of het beperken van de geurbelasting tot specifieke tijdstippen, in afwijking van artikel II.

Luchtemissies: erkende maatregelen

VI Aan het gestelde in Artikel 4.42 wordt geacht te zijn voldaan als:

a. de emissies die vrijkomen bij de beits- en/of etsbaden worden afgezogen en gevoerd door een doelmatige gaswasser die geschikt is om aan het gestelde in het doelvoorschrift te voldoen.

b. de gaswasser in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en de wasvloeistof zo vaak als nodig wordt vervangen.

Procesbaden, ed. externe veiligheid: verplichte maatregel

VII. Om te voldoen aan artikel 2.1 (externe veiligheid):

a. zijn procesbaden, lekbakken, leidingen, appendages en dergelijke van een zodanig samenstelling en constructie dat zij bestand zijn tegen de producten die er in worden opgeslagen en erdoor worden getransporteerd

b. mogen procesbaden alleen onder toezicht worden gevuld

c. zijn verwarmde procesbaden thermisch beveiligd. De maximumtemperatuur van de badvloeistof mag niet hoger zijn dan voor het proces of de behandeling noodzakelijk is.

§ 4.5.8 Elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van metaallagen op metaal

In deze paragraaf wordt het elektrolytisch beitsen en ontvetten, het elektrolytisch aanbrengen van metaallagen en het stroomloos aanbrengen van metaallagen op metalen en metalen voorwerpen geregeld.

Bij het elektrolytisch aanbrengen van een metaallaag op een voorwerp (ook wel galvaniseren genoemd) wordt gebruik gemaakt van een elektrische stroom en een waterige oplossing met daarin opgeloste metaalverbindingen (elektrolyt). Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: hangwerk, trommelwerk, continu galvaniseren, tampongalvaniseren.

Het stroomloos aanbrengen van metaallagen door een chemisch proces, waarbij geen uitwendige stroomvoorziening nodig is. Hieronder worden in ieder geval de volgende processen verstaan: autokatalytische metaalafscheiding, dompelneerslag en het contactproces.

Autokatalytisch metaalafscheiding betreft de afscheiding van een metaallaag door gecontroleerde chemische reductie, die door het afgescheiden metaal of de afgescheiden legering gekatalyseerd wordt.

Dompelneerslag is de vorming van een metallische deklaag op het werkstuk door een verdringingsproces, waarbij één metaal een ander metaal uit een oplossing verdringt.

Het contactproces betreft een afscheiding van een metaalneerslag door de galvanische werking op een metaalsubstraat, waarbij dit metaalsubstraat in contact met een ander metaal in een oplossing wordt gedompeld die een verbinding van het af te scheiden metaal bevat.

Emissie-eisen

Onder de werkingssfeer van dit Besluit vallen niet de galvanobedrijven met een capaciteit die groter is de drempelwaarde van activiteit 2.6 van de IPPC-richtlijn en ook niet de bedrijven waar gewerkt wordt met cyanidehoudende baden.

Onder de werkingssfeer vallen derhalve de ‘kleinere’ galvanobedrijven waar het volume van de procesbaden niet meer bedraagt dan 30 m3.

Emissies naar de lucht bij bedrijven met een dergelijke omvang zijn voornamelijk te verwachten bij processen waar een zodanige gas/dampontwikkeling optreedt dat dampen vrijkomen of aerosolen gevormd worden die toxische/gevaarlijke componenten mee kunnen voeren. Dit kan het geval zijn bij elektrolytisch aanbrengen van metaallagen maar ook bij het inbrengen van lucht in het bad om het contact te bevorderen tussen de badvloeistof en het werkstuk. Uit geraadpleegde literatuur zoals de BREF Surface treatment with metals en twee EPA-rapportages (Verenigde Staten, EPA/626/R-98/002, december 1998 en EPA-450/2-89-002, augustus 1989) blijkt dat bij het aanbrengen van chroomlagen (hard- en sierverchromen) een overschrijding van de grensmassastroom (0,5 gram/uur) voor Chroom IV al bij gebruik van vrij kleine badoppervlakken te verwachten valt.

Daarnaast zijn ook bij het elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van nikkellagen, emissies van nikkel naar de lucht te verwachten. Onbekend is of deze de grensmassastroom doorgaans overschrijden. Bekend is dat emissiereducerende maatregelen als wassers en diepbedfilters bij het aanbrengen van nikkellagen in de praktijk worden toegepast.

Met de verwijzing naar artikel 2.4 t/m 2.6 wordt voorkomen dat bij de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom en de beoordeling van de emissieconcentratie. Zie verder artikel 2.4 t/m 2.6 en de toelichting daarop.

Uit beperkt beschikbare emissiemeetgegevens en de geraadpleegde literatuur, waaronder de BREF, Surface treatment with metals blijkt dat emissies van onder andere koper zodanig laag zijn dat bij normale bedrijfsvoering en vanwege het toepassen van arbomaatregelen (zoals bronmaatregelen als het toepassen van een schuimdeken en het toevoegen van oppervlaktespanningverlangende stoffen waardoor de emissies naar de lucht worden verminderd) voldaan wordt aan de emissieconcentratie-eis uit de NeR. In de BREF wordt aangegeven dat zonder end of pipe-maatregelen voldaan kan worden aan emissie-eisen conform BBT, waardoor het ook onwaarschijnlijk is dat de emissieconcentratie-eis zoals die is opgenomen in de NeR wordt overschreden. Om die reden zijn er ten aanzien van deze metalen geen emissie-eisen opgenomen in dit Besluit.

Mocht uit aanvullend onderzoek blijken dat emissies van stoffen hoger of lager zijn dan bij het opstellen van dit besluit werd verwacht, kan dat reden zijn om dit besluit daarop aan te passen.

Korte doorkijk naar de maatregelen

Bij het aanbrengen van chroom- en nikkellagen kunnen CrVI- en Ni-deeltjes als kleine druppeltjes (aerosolen), vanwege het ontstaan van gasontwikkeling, vrijkomen.

Om deze vloeistofemissies zoveel mogelijk af te vangen, zullen voornamelijk filtrerende (zoals aerosolen- en mistfilters) en druppelvangers worden ingezet. In de regeling zullen deze technieken als erkende maatregelen worden opgenomen en zal er een verdere invulling worden gegeven waaraan een doelmatige filtrerende afscheider en druppelvanger moet voldoen.

In de praktijk zal het vaak zo zijn dat deze technieken in combinatie met bronmaatregelen, zoals het toevoegen van oppervlaktespanningverlagende stoffen aan de procesbaden, worden toegepast.

Emissies die vrijkomen moeten zoveel mogelijk via gerichte bronafzuiging en zo doelmatig mogelijk, worden gekanaliseerd. Bij het toepassen van baden is het niet altijd mogelijk om op de meest doelmatige wijze af te zuigen. In de toelichting bij de ministeriële regeling zal worden aangegeven welke voorkeursvolgorde voor de wijze van afzuiging van toepassing is.

Hieronder wordt een beeld gegeven van de maatregelen waarvan het voornemen bestaat deze voor stralen op te nemen in de ministeriële regeling.

Vrijstellingsbepaling

Emissies, waarvoor emissie-eisen zijn opgenomen, vanuit kleine bronnen die op jaarbasis minder emitteren dan de in artikel 2.7 genoemde drempel, zijn vrijgesteld van de emissie-eisen en eventuele verplichte maatregelen in de regeling.

Alternatieve maatregelen

Als een bedrijf dat chroom- en nikkellagen aanbrengt ervoor kiest om op een ander manier aan de emissie-eisen van dit besluit te voldoen dan door het toepassen van een erkende maatregel, dan kan het bevoegd gezag verzoeken dat éénmalig wordt aangetoond dat óf de grensmassastroom niet wordt overschreden dan wel door middel van een emissiemeting (of een berekening indien het bevoegd gezag hiermee akkoord gaat) wordt aangetoond dat voldaan wordt aan doelvoorschrift.

In sommige situaties is het denkbaar dat door het toepassen van enkel en alleen bron- en/of procesmaatregelen al voldaan wordt aan de emissie-eisen. Of dit het geval zal zijn, is onder meer afhankelijk van, naast de effectiviteit van de ingezette bron- en procesmaatregelen, diverse procesparameters, zoals de temperatuur van de baden, het rendement van het procesbad, etc. Er zijn zoveel relevante parameters dat een maatwerkbeoordeling nodig zal zijn.

Om die reden is het tot nu toe ook niet mogelijk gebleken om generieke een erkende maatregel te formuleren van bron- en procesmaatregelen waarvan kan worden vastgesteld dat daarmee altijd een zodanig substantiële emissiereductie kan worden behaald dat ze kunnen worden opgenomen in de lijst van erkende maatregelen.

Bij bron- of procesmaatregelen kan gedacht worden aan:

- het afdekken van de procesbaden;

- het toevoegen van oppervlaktespanningverlagende stoffen aan de procesbaden;

- het vloeistofoppervlak afdekken met een laag drijvende balletjes;

- substitutie van CrVI door CrIII of door een chroomvrije techniek;

- diverse goodhousekeeping-maatregelen

Afhankelijk van de optredende emissies zijn deze maatregelen toepasbaar op procesbaden waarbij gasontwikkeling in enige omvang plaatsvindt.

In situaties dat een bedrijf door toepassen van enkel en alleen bron- en/of procesmaatregelen een voldoende substantiële emissiereductie kan bereiken, ter beoordeling van het bevoegd gezag dan kan het bevoegd gezag besluiten op basis van artikel 2.8 dat van de emissie-eisen mag worden afgeweken én dat kan worden afgezien van de verplichte maatregel om bij de bron af te zuigen.

In een dergelijke situatie is het namelijk vanuit oogpunt van beperking van de emissies naar de lucht beter om niet af te zuigen.

Luchtemissies: verplichte maatregelen

I. Om te voldoen aan het artikel 2.1 in de AMvB worden dampen en gassen die vrijkomen bij het aanbrengen van chroom- en nikkellagen, indien dit technisch uitvoerbaar is, zo doelmatig mogelijk bij de bron afgezogen. Dit geldt niet indien artikel 2.7 van toepassing is,

Indien de afgezogen dampen en gassen naar de buitenlucht worden afgevoerd, én indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig object, niet zijnde een gevoelig object op een gezoneerd industrieterrein, is gelegen, worden deze bovendaks en verticaal omhoog gericht afgevoerd.

II. Het bevoegd gezag kan voorschriften stellen om de nadelige effecten ten gevolge van de emissies van gassen en dampen naar de lucht, zoals bedoeld in artikel I, ter plaatse van gevoelige objecten te beperken.

Luchtemissies: Erkende maatregelen

III. Aan het gestelde in artikel 4.43 en 4.44 van de AMVB wordt geacht te zijn voldaan als:

a. de vloeistofemissies die vrijkomen bij het aanbrengen van chroom- en nikkellagen worden afgezogen en gevoerd door een druppelvanger of een filtrerende afscheider die geschikt is om aan het gestelde in het doelvoorschrift te voldoen;

b. de druppelvanger of filtrerende afscheider in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Procesbaden, ed. externe veiligheid: verplichte maatregel

IV. Om te voldoen aan artikel 2.1 (externe veiligheid):

a. zijn procesbaden, lekbakken, leidingen, appendages en dergelijke van een zodanig samenstelling en constructie dat zij bestand zijn tegen de producten die er in worden opgeslagen en erdoor worden getransporteerd

b. mogen procesbaden alleen onder toezicht worden gevuld

c. zijn verwarmde procesbaden thermisch beveiligd. De maximumtemperatuur van de badvloeistof mag niet hoger zijn dan voor het proces of de behandeling noodzakelijk is.

§ 4.5.9 Drogen van metalen

Het drogen van metalen betreft het verwijderen van vocht van het oppervlakte van het metaal of de laag die op het metaal is aangebracht. Drogen kan op verschillende manieren plaatsvinden, al dan niet gecombineerd en/of geïntegreerd in andere behandelingen van het oppervlak

Drogen van metalen vindt plaats na bewerkingen zoals lakken, reinigen en ontvetten, maar ook na het electrolytisch aanbrengen van metaallagen, fosfateren/chromateren e.d.

Bij het drogen van metalen - na welke bewerking dan ook - is het drogen met gebruik van oplosmiddelen (door middel van waterverdringing) niet toegestaan. Het WBM (1998) geeft aan dat vlekvrije droging zonder gebruik van oplosmiddelen tot de stand der techniek (BBT) kan worden gerekend. Allereerst dient te worden nagegaan of vlekvrije droging wel noodzakelijk is. Indien dit het geval is, dan is het bijvoorbeeld mogelijk demiwater bij de laatste spoelstap te gebruiken, drogen met lucht, drogen met absorberende materialen en centrifugatie.

§ 4.5.10 Aanbrengen van conversielagen op metalen

Het aanbrengen van een hechtende anorganische deklaag op een metaaloppervlak betekent dat een laag wordt gevormd door een chemische of electrochemische reactie tussen bestanddelen van de badvloeistof en het metaaloppervlak zelf. Het metaal van het te behandelen werkstuk werkt zelf mee aan de vorming van de deklaag.

Emissie-eisen

Veel voorkomende processen waarbij conversielagen op metalen worden aangebracht zijn: anodiseren, fosfateren en chromateren. In dit besluit worden alleen eisen gesteld aan het chromateren met chroomzuur omdat hierbij emissies van chroomVI-verbindingen kunnen optreden die de grensmassastroom overschrijden. Bij de overige processen waarbij conversielagen worden aangebracht zijn de emissies naar verwachting dermate klein van omvang dat de grensmassastroom voor de geëmitteerde stoffen niet wordt overschreden.

Met de verwijzing naar artikel 2.4 t/m 2.6 wordt voorkomen dat bij de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom en de beoordeling van de emissieconcentratie. Zie verder artikel 2.4 tot en met 2.6 en de toelichting daarop. Mocht uit aanvullend onderzoek blijken dat emissies van stoffen hoger of lager zijn dan bij het opstellen van dit besluit werd verwacht, kan dat reden zijn om dit besluit daarop aan te passen.

Uit de geraadpleegde literatuur en een beperkt aantal emissiemeetgegevens, waaronder de BREF, Surface treatment with metals, blijkt dat hoofdzakelijk van de hierboven genoemde stoffen relevante emissies zijn te verwachten.

Mogelijke andere emissies zullen naar verwachting bij normale bedrijfsvoering de grensmassastroom niet overschrijden. Om die reden zijn er ten aanzien van deze processen geen emissie-eisen opgenomen in dit Besluit.

Mocht uit aanvullend onderzoek blijken dat emissies van stoffen hoger of lager zijn dan bij het opstellen van dit besluit werd verwacht, kan dat reden zijn om dit besluit daarop aan te passen.

Korte doorkijk naar de maatregelen

Bij het chroomzuuranodiseren kunnen CrVI-deeltjes als kleine druppeltjes (zure aerosolen), vanwege het ontstaan van gasontwikkeling, vrijkomen.

Om deze vloeistofemissies zoveel mogelijk af te vangen, zullen voornamelijk filtrerende (zoals aerosolen- en mistfilters) afscheiders en druppelvangers worden ingezet. In de regeling zullen deze technieken als erkende maatregelen worden opgenomen en zal er een verdere invulling worden gegeven waaraan een doelmatige filtrerende afscheider en druppelvanger moet voldoen.

Emissies die vrijkomen moeten zoveel mogelijk via gerichte bronafzuiging en zo doelmatig mogelijk, worden gekanaliseerd. Bij het toepassen van baden is het niet altijd mogelijk om op de meest doelmatige wijze af te zuigen. In de toelichting bij de ministeriële regeling zal worden aangegeven welke voorkeursvolgorde voor de wijze van afzuiging van toepassing is.

Hieronder wordt een beeld gegeven van de maatregelen waarvan het voornemen bestaat deze voor stralen op te nemen in de ministeriële regeling.

Vrijstellingsbepaling

Emissies, waarvoor emissie-eisen zijn opgenomen, vanuit kleine bronnen die op jaarbasis minder emitteren dan de in artikel 2.7 genoemde drempel, zijn vrijgesteld van de emissie-eisen en eventuele verplichte maatregelen in de regeling.

Alternatieve maatregelen

Als een bedrijf dat chroomzuuranodiseert, ervoor kiest om op een ander manier aan de emissie-eisen van dit Besluit te voldoen dan door het toepassen van een erkende maatregel, dan kan het bevoegd gezag verzoeken dat éénmalig wordt aangetoond dat óf de grensmassastroom niet wordt overschreden dan wel door middel van een emissiemeting (of een berekening indien het bevoegd gezag hiermee akkoord gaat) wordt aangetoond dat voldaan wordt aan artikel 4.46.

In sommige situaties is het denkbaar dat door het toepassen van enkel en alleen bron- en/of procesmaatregelen al voldaan wordt aan de emissie-eisen. Of dit het geval zal zijn, is onder meer afhankelijk van, naast de effectiviteit van de ingezette bron- en procesmaatregelen, diverse procesparameters, zoals de temperatuur van de baden, het rendement van het procesbad, etc. Er zijn zoveel relevante parameters dat een maatwerkbeoordeling nodig zal zijn.

Om die reden is het tot nu toe ook niet mogelijk gebleken om generieke een erkende maatregel te formuleren van bron- en procesmaatregelen waarvan kan worden vastgesteld dat daarmee altijd een zodanig substantiële emissiereductie kan worden behaald dat ze kunnen worden opgenomen in de lijst van erkende maatregelen.

Bij bron- of procesmaatregelen kan gedacht worden aan:

- het afdekken van de procesbaden;

- het vloeistofoppervlak afdekken met een laag drijvende balletjes;

- substitutie van CrVI door CrIII of door een chroomvrije techniek;

- diverse goodhousekeeping-maatregelen

Afhankelijk van de optredende emissies zijn deze maatregelen toepasbaar op procesbaden waarbij gasontwikkeling in enige omvang plaatsvindt.

In situaties dat een bedrijf door toepassen van enkel en alleen bron- en/of procesmaatregelen een voldoende substantiële emissiereductie kan bereiken, ter beoordeling van het bevoegd gezag dan kan het bevoegd gezag besluiten op basis van artikel 2.8 dat van de emissie-eisen mag worden afgeweken én dat kan worden afgezien van de verplichte maatregel om bij de bron af te zuigen.

In een dergelijke situatie is het namelijk vanuit oogpunt van beperking van de emissies naar de lucht beter om niet af te zuigen.

Emissies naar de lucht: Verplichte maatregelen

I. Om te voldoen aan het artikel 2.1 van het Besluit worden dampen en gassen die vrijkomen bij het chroomzuuranodiseren, indien dit technisch uitvoerbaar is, zo doelmatig mogelijk bij de bron afgezogen. Dit geldt niet indien artikel 2.7 van toepassing is,

Indien de afgezogen dampen en gassen naar de buitenlucht worden afgevoerd, én indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig object, niet zijnde een gevoelig object op een industrieterrein, is gelegen, worden deze bovendaks en verticaal omhoog gericht afgevoerd.

II. Het bevoegd gezag kan voorschriften stellen om de nadelige effecten ten gevolge van de emissies van gassen en dampen naar de lucht, zoals bedoeld in artikel I, ter plaatse van gevoelige objecten te beperken.

Vloeistofemissies: Erkende maatregelen

III. Aan het gestelde in artikel 4.46 van dit besluit wordt geacht te zijn voldaan als:

a. de vloeistofemissies die vrijkomen bij het aanbrengen van chroomlagen worden afgezogen en gevoerd door een druppelvanger of een filtrerende afscheider die geschikt is om aan het gestelde in artikel 4.46 te voldoen;

b. de druppelvanger of filtrerende afscheider in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Procesbaden, ed. externe veiligheid: verplichte maatregel

IV. Om te voldoen aan artikel 2.1 (externe veiligheid):

a. zijn procesbaden, lekbakken, leidingen, appendages en dergelijke van een zodanig samenstelling en constructie dat zij bestand zijn tegen de producten die er in worden opgeslagen en erdoor worden getransporteerd.

b. mogen procesbaden alleen onder toezicht worden gevuld

c. zijn verwarmde procesbaden thermisch beveiligd. De maximumtemperatuur van de badvloeistof mag niet hoger zijn dan voor het proces of de behandeling noodzakelijk is.

§ 4.5.11 Thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen

Bij het thermisch aanbrengen van zinklagen op metalen ( verzinken) wordt het te behandelen werkstuk wordt ondergedompeld in een laag vloeibaar zink dat na stolling een deklaag vormt.

Emissie-eisen

Ten gevolge van het vloeimiddel dat wordt gebruikt ontstaan gasvormige emissies van chloriden en amoniumverbindingen naar lucht. Daarnaast komt stofvormige emissies vrij die zinkoxide en zinkchloride bevatten.

Met de verwijzing naar artikel 2.4 tot en met 2.6 wordt voorkomen dat bij de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom en de beoordeling van de emissieconcentratie. Zie verder artikel 2.4 tot en met 2.6 en de toelichting daarop.

Korte doorkijk naar de maatregelen

Ten aanzien van de emissies van stofvormige emissies zullen voornamelijk filtrerende afscheiders en scrubbers worden ingezet om een voldoende emissiereductie te behalen. Ten aanzien van de gasvormige emissies zullen gaswassers en scrubbers worden ingezet om een voldoende emissiereductie te behalen. In de regeling zal een verdere invulling worden gegeven waaraan een doelmatige filtrerende afscheiders, gaswassers en scrubbers moeten voldoen.

Hieronder wordt een beeld gegeven van de maatregelen waarvan het voornemen bestaat deze voor stralen op te nemen in de ministeriële regeling.

Vrijstellingsbepaling

Emissies, waarvoor emissie-eisen zijn opgenomen, vanuit kleine bronnen die op jaarbasis minder emitteren dan de in artikel 2.7 genoemde drempel, zijn vrijgesteld van de emissie-eisen en eventuele verplichte maatregelen in de regeling.

Emissies naar lucht: verplichte maatregelen

I. Om te voldoen aan het artikel 2.1 van dit Besluit worden stofvormige emissies, dampen en gassen die vrijkomen bij het thermisch verzinken, indien dit technisch uitvoerbaar is, zo doelmatig mogelijk bij de bron afgezogen. Dit geldt niet indien artikel 2.7 van toepassing is,

Indien de afgezogen stofvormige emissies, dampen en gassen naar de buitenlucht worden afgevoerd, én indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig object, niet zijnde een gevoelig object op een gezoneerd industrieterrein, is gelegen, worden deze bovendaks en verticaal omhoog gericht afgevoerd.

Emissies van stoffen boven de grensmassastroom worden al beperkt vanwege de emissieconcentratie-eisen die elders in de AMvB worden voorgeschreven. Dit voorschrift is echter opgenomen voor het geval dat gevoelige objecten zijn gelegen in de nabijheid van het emissiepunt. Als dit het geval is moet worden voorkomen dat de restemissies onvoldoende verspreid worden in de buitenlucht.

Emissies naar lucht: maatwerk

II. Het bevoegd gezag kan voorschriften stellen om de nadelige effecten ten gevolge van de emissies van gassen en dampen naar de lucht, zoals bedoeld in artikel (MR I), ter plaatse van gevoelige objecten te beperken.

Externe veiligheid: verplichte maatregelen

III. Om te voldoen aan artikel 2.1 (externe veiligheid):

a. zijn procesbaden, lekbakken, leidingen, appendages en dergelijke van een zodanig samenstelling en constructie dat zij bestand zijn tegen de producten die er in worden opgeslagen en erdoor worden getransporteerd

b. mogen procesbaden alleen onder toezicht worden gevuld

c. zijn verwarmde procesbaden thermisch beveiligd. De maximumtemperatuur van de badvloeistof mag niet hoger zijn dan voor het proces of de behandeling noodzakelijk is.

Dit voorschrift heeft betrekking op het procesbaden en leidingen die worden gebruikt bij het thermisch aanbrengen van zinklagen. Hiertoe behoren in ieder geval de dompelbaden die worden gebruikt om zink aan te brengen, baden waarmee vloeimiddel wordt aangebracht en baden waarin wordt gespoeld allsmeden al de aan deze baden gekoppelde leidingen.

Emissies naar lucht: erkende maatregelen

IV. Aan het gestelde in artikel 4.48, onder a en b, wordt geacht te zijn voldaan als:

a. de stofemissies, dampen en gassen die vrijkomen bij het thermisch aanbrengen van zinklagen worden afgezogen en voordat de afgezogen lucht wordt afgevoerd, worden gevoerd door een filtrerende afscheider, gaswasser, scrubber die geschikt is om aan het gestelde in artikel 4.48 te voldoen;

b. de filterinstallatie, gaswasser, scrubber in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Indien een bedrijf voldoet aan het gestelde in een erkende maatregel voldoet het bedrijf hiermee aan artikel 4.48 zoals opgenomen in de AMvB

Met een filtrerende afscheider wordt bedoeld een installatie of een deel van een installatie bedoeld om deeltjes in vaste of vloeibare vorm (met in begrip van aerosolen) te verwijderen uit een vloeistof- of gasstroom door gebruik te maken van een filter, een deels doorlaatbaar materiaal. Afscheiding van de deeltjes vindt plaats door zeefwerking, directe botsing en aantrekkingskracht

Voor het verwijderen van vaste deeltjes uit een gasstroom kan onder filtrerende afscheider ten minste worden verstaan:

• doekfilter (ook wel slangenfilter of zakkenfilter)

• compactfilter (ook wel cassettefilter of enveloppenfilter)

• verbeterde compactfilter (ook wel sintamatic, sinterlamellenfilter of spirot tubes)

• keramisch filter

• twee-traps stoffilter (ook wel metaalgaas filter)

• absoluutfilter (oppervlakte filter, patronenfilter, microfilter, HEPA filter).

Met een gaswasser wordt bedoeld: een installatie of een deel van een installatie waarbij door intensief contact tussen gas en vloeistof, verontreinigingen uit het gas in de wasvloeistof worden geabsorbeerd.

In de regeling zullen deze als erkende maatregelen worden opgenomen en zal er een verdere invulling worden gegeven waaraan een doelmatige gaswasser moet voldoen.

§ 4.5.12 Lozen van afvalwater afkomstig van activiteiten in § 4.5.1 tot en met § 4.5.11

De emissies van metalen naar het water vormen bij metaalbe- en verwerkende industrie een belangrijk milieuaspect. Afgelopen decennia zijn deze emissies aanzienlijk gereduceerd, enerzijds door procesgeïntegreerde maatregelen en anderzijds door behandeling van het afvalwater met end-of-pipe zuiveringen zoals een ONO-installatie. Bij veel bedrijven is er geen sprake van een continue afvalwaterstroom, maar vinden de lozingen batchgewijs plaats. Zowel nationaal als internationaal wordt de voorkeur gegeven aan procesgeïntegreerde maatregelen boven end-of-pipe maatregelen. Het doorvoeren van procesgeïntegreerde maatregelen heeft vaak tot gevolg dat de hoeveelheden vrijkomend afvalwater verminderen en de concentraties aan metalen daarin stijgen. Cascadespoelen en sproeispoelen zijn hier voorbeelden van. In deze gevallen zullen concentratie-eisen belemmerend werken op het treffen van procesgeïntegreerde maatregelen. Door de na te streven restvracht aan te geven, wordt bedrijven een keuzevrijheid gegeven ten aanzien van de te nemen maatregelen. Hiermee wordt het nemen van procesgeïntegreerde maatregelen mogelijk. Het uiteindelijke na te streven doel is een zoveel mogelijk gesloten kringloop voor de procesbaden met een minimale emissie naar water.

Deze aanpak is in het verleden uitgewerkt in het CIW-rapport ‘Afvalwaterproblematiek bij oppervlaktebehandeling van materialen’ van juni 1997 en is in overeenkomstige vorm opgenomen in het werkboek metaalelektro. In onderhavig besluit is deze aanpak uitgewerkt in algemene regels.

Preventieve aanpak

De onderhavige bedrijfstak is zeer divers zowel qua omvang van de bedrijven als de aard van de processen, die bij diverse bedrijven bovendien wisselend plaatsvinden. Tevens is algemeen aanvaard dat de metaalemissies via het afvalwater het beste met procesgeïntegreerde en goodhouse-keeping maatregelen beperkt kunnen worden. Het binnen deze randvoorwaarden uitwerken van concrete doelvoorschriften voor de verschillende activiteiten onder alle in de praktijk voorkomende omstandigheden is dan ook niet mogelijk. Daarom is gekozen voor een algemeen voorschrift dat de emissies van metalen en hulpstoffen zoveel mogelijk moeten worden beperkt. In de ministeriële regeling is hier als verplichte maatregel aan gekoppeld dat het bedrijf een gedragsvoorschrift opstelt waarin wordt aangegeven welke maatregelen genomen worden om de emissies te beperken. In de ministeriële regeling wordt aangegeven welke informatie dit gedragsvoorschrift ten minste moet bevatten.

Artikel 4.49

Gezien de aard van het afvalwater dat bij deze bedrijfstak vrijkomt is het uitgangspunt dat geloosd wordt op het vuilwaterriool. Op grond van artikel 2.2 kan het bevoegd bij maatwerkvoorschrift, onder voorwaarden, lozing op oppervlaktewater of op- of in de bodem toestaan.

Artikel 4.50

Binnen de bedrijfstak worden op diverse plaatsen oliën gebruikt waardoor oliehoudend afvalwater kan ontstaan. Daartoe is het standaard voorschrift voor oliehoudend afvalwater opgenomen.

Artikel 4.51

Bij de diverse metaalbewerkende activiteiten worden verschillende hulpstoffen gebruikt die schadelijk zijn voor het watermilieu. Hierbij kan gedacht worden aan stoffen als PFOS, EDTA, etc. Deze stoffen worden in kleine hoeveelheden in diverse fasen van het proces toegepast en zullen in zekere mate ook in het te lozen afvalwater geraken. Gezien de wisselende toepassing van deze stoffen, afhankelijk van het proces, is het niet mogelijk doelvoorschriften voor deze stoffen te formuleren. Door zorgvuldig handelen kunnen de emissies van deze stoffen naar het afvalwater echter wel beperkt blijven. Van het bedrijf wordt vereist dat in het gedragsvoorschrift dat gekoppeld is aan artikel 4.51 wordt aangegeven waarom bepaalde stoffen, ondanks hun schadelijkheid voor het watermilieu, toegepast worden en welke maatregelen vervolgens worden genomen om de emissies zoveel mogelijk te beperken.

Verbod van gebruik van kwik

Kwik is een zwartelijststof waarvan de emissies naar het milieu maximaal moeten worden beperkt. Het streven is naar een nul-emissie. Omdat in Nederland geen kwik in de oppervlaktebehandeling wordt toegepast is in dit besluit een verbod op het gebruik van kwik bij metaalbe- en verwerkende processen opgenomen. Hiermee wordt maximaal aan de beoogde doelstelling voldaan.

Sulfaat

In het rioolstelsel kan onder anaerobe omstandigheden uit sulfaat zwavelzuur ontstaan. Dit zwavelzuur tast het beton aan waar het rioolstelsel van is gemaakt, hetgeen de reden is waarom eisen kunnen worden gesteld aan de lozing van sulfaat (zie toelichting bij de zorgplichtbepaling). Een gangbare norm voor sulfaat is 300 mg/l. Vooral oudere betonnen rioolstelsels kunnen door zwavelzuur danig aangetast worden. Bij nieuwere rioolstelsels speelt dit probleem minder omdat het huidige beton waar rioolbuizen van gemaakt worden beter bestand is tegen zwavelzuuraantasting. Rioolbuizen met een levensduur langer dan 50 jaar is echter geen uitzondering. Indien in het rioolstelsel geen beton is verwerkt speelt het probleem in het geheel niet. Wel moet bedacht worden dat aantasting op grote afstand van de lozing plaats kan vinden. Het feit dat het rioolstelsel ter plaatse van de lozing bestand is tegen de sulfaatlozing wil niet zeggen dat de lozing ook toelaatbaar is met het oog op het gehele traject dat het afvalwater moet doorlopen tot de zuivering.

In dit besluit is er geen lozingseis opgenomen voor sulfaat. Op basis van artikel 2.1 van de AMvB kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen voor het lozen van sulfaat indien de bescherming van het riool dat noodzakelijk maakt.

Lozen van PFOS

PFOS is een bio-accumulerende en persistente stof, die tevens toxisch is voor zoogdieren, en dus ook de mens. Het wordt met name in chromateringsbaden gebruikt om de emissies van Cr VI-verbindingen uit de baden naar de lucht te beperken. Dit in eerste instantie ten behoeve van gezondheidsomstandigheden op de werkvloer. PFOS wordt slechts in geringe hoeveelheden aan de baden toegevoegd. De uiteindelijke lozing naar het milieu is dan ook beperkt, maar gezien de aard van de stof ongewenst. Er ligt een voorstel bij de Europeese Commissie om de verkoop en het gebruik van PFOS op grond van richtlijn 76/769/EEC te reguleren. In de afweging tussen de schadelijke effecten van PFOS op gezondheid en milieu en schadelijke effecten van de Cr VI emissies die door het gebruik gereduceerd worden bij de processen in de metaalverwerkende industrie wordt de voorkeur gegeven aan het gebruik van PFOS. Hierbij is het wel van belang dat zeer terughoudend met deze stof wordt omgegaan en alles in het werk wordt gesteld om de emissies zoveel mogelijk te beperken. PFOS behoeft dan ook de nodige aandacht bij de invulling van artikel 4.51 en de daarop berustende verplichte maatregel.

Bij anodiseren blijkt PFOS goed vervangbaar door alternatieve middelen hetgeen aanleiding is om voor deze toepassing het gebruik van PFOS te verbieden. Hiervoor wordt verwezen naar de BREF ‘Surface Treatment of Metals and Plastics’ paragraaf 5.2.5.2.

Artikel 4.52

Categorieën van lozers

Metaalbe- en verwerking wordt op verschillende schaalgroottes uitgevoerd; van grotere bedrijven die continu een veelvoud van dit soort, vaak wisselende, activiteiten uitvoeren tot bedrijven die slechts af en toe op kleine schaal zo’n activiteit uitvoeren. Mede naar aanleiding van internationale afspraken (PARCOM) worden metaalbe- en verwerkende bedrijven op grond van de potentiële metaallozingen in ingedeeld in drie categorieën:

1. De relatief grotere lozers hebben gemiddeld per dag een vracht van meer dan 200 g metalen in het afvalwater dat het proces verlaat. Dit betreft het afvalwater dat nog geen eindzuivering heeft gepasseerd. Deze bedrijven beschikken in het algemeen over een eindzuivering in de vorm van een ONO-installatie (Ontgiften, Neutraliseren, Ontwateren). Op deze bedrijven zijn de grenswaarden van kolom A van toepassing.

2. Bedrijven waarbij het afvalwater dat het proces verlaat voor eindzuivering gemiddeld per dag minder dan 200 g maar meer dan 80 g aan metalen bevat. Voor deze bedrijven zijn hogere concentraties aan metalen in het te lozen afvalwater toegestaan. Met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel D kunnen concentraties tot de waarden genoemd in kolom B worden toegestaan.

3. Bedrijven die per dag gemiddeld minder dan 80 g metalen in het afvalwater hebben voordat eindzuivering heeft plaats gevonden worden gezien als kleine lozers. Deze bedrijven kunnen volstaan met procesgeïntegreerde maatregelen en goodhousekeeping om aan de lozingseisen voor metalen te voldoen. Dit betreft een lozingseis voor de som van de metalen (chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver) van 15 mg/l.

Het lozen van metalen die niet genoemd zijn in artikel 4.52

Voor de metalen die niet genoemd zijn in artikel 4.52 zijn in dit besluit geen lozingseisen opgenomen. Hiervoor geldt artikel 4.51, hetgeen inhoud dat de lozing van metalen zoveel mogelijk moet worden beperkt. Dat biedt voldoende aanknopingspunten voor het bevoegd gezag om te kunnen ingrijpen en om de emissies te beheersen. Op basis van de AMvB kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen voor het lozen van niet in artikel 4.52 genoemde metalen. Zo kan een waterkwaliteitsbeheerder een maatwerkvoorschrift stellen voor het lozen van aluminium of Zirkoon indien daartoe een gerede aanleiding is.

Indien een bedrijf toestemming heeft om te werken met Cd op basis van het Cadmiumbesluit is het voor de handhaving wenselijk dat er middels het hiervoor genoemde maatwerkvoorschrift een lozingseis wordt geformuleerd voor Cadmium. Dit maatwerkvoorschrift dient dan een tijdelijk karakter te hebben om te voldoen aan de ‘Regeling tijdelijke vergunning voor lozing zwartelijststoffen’ (Staatscourant 184, 2003).

Het toestaan van hogere lozingseisen op grond van artikel 4.53

Er wordt nadrukkelijk naar gestreefd de emissies zoveel mogelijk te beperken door procesgeïntegreerde en good-housekeeping maatregelen. Bedrijven die deze maatregelen in vergaande mate hebben doorgevoerd zullen in bepaalde gevallen moeilijk aan de grenswaarden volgens kolom A kunnen voldoen. Daartoe wordt met artikel 4.53 de mogelijkheid geboden om in een tweetal situaties hogere grenswaarden toe te staan bij maatwerkvoorschrift.

Als eerste wordt gesteld dat als door middel van procesgeïntegreerde maatregelen de vracht voldoende wordt beperkt, ruimere concentratie-eisen kunnen worden toegestaan tot maximaal de waarden die genoemd zijn in kolom B. Voor de beoordeling of de vracht in voldoende mate wordt beperkt wordt de gemiddelde dagvracht na het proces voorafgaand aan de eindzuivering van 200 gram, hetgeen genoemd is in de PARCOM 92/4 aanbeveling, als de referentie beschouwd. Indien de vracht na het proces minder dan 200 gram per dag bedraagt, kan worden gesteld dat de vracht in voldoende mate wordt beperkt. Indien de gemiddelde dagvracht boven de 200 gram uitstijgt is het van belang te weten in hoeverre de vracht nog verder beperkt kan worden met behulp van de best beschikbare technieken. Daarbij speelt het kostenaspect een rol. Daarvoor is een tweede mogelijkheid geopend tot verruiming van de lozingseisen onder lid b.

Onder lid b van artikel 4.53 wordt gesteld dat indien de concentratie-eisen in kolom A niet door toepassing van best beschikbare technieken behaald kunnen worden er verruiming mogelijk is tot maximaal de waarden die genoemd zijn in kolom B. Aspecten die veelal een rol kunnen spelen bij het niet behalen van de concentratie-eisen zijn de discontinuïteit van de lozing en de aanwezigheid van meerdere metalen in het afvalwater. Voor deze twee aspecten zijn de aanbevelingen vanuit PARCOM, CIW of de BREF duidelijk. In geval van discontinuïteit dient er voldoende buffercapaciteit geïnstalleerd te worden om de zuivering van het afvalwater voldoende beheersbaar te maken. Dit kan resulteren in het afvlakken van de pieken in de belasting van de zuivering tot het batchgewijs opereren van de zuivering. Ten aan zien van het tweede genoemde aspect, de aanwezigheid van meerdere metalen in het afvalwater, wordt de aanbeveling gedaan om afvalstromen gesegregeerd te behandelen. Dit komt voort uit het feit dat de optimale pH waarbij de metaalhydroxiden neerslaan in een ONO te veel verschillen zodat gelijktijdige behandeling tot een suboptimaal resultaat leidt.

Het installeren van voldoende buffercapaciteit en het gesegregeerd behandelen van afvalwater resulteert in een significante kostenpost. Bij bestaande bedrijven met een reeds geconfigureerde afvalwaterbehandeling leidt deze investering veelal tot slecht een marginale verbetering van het zuiveringsrendement. Om dit voldoende inzichtelijk te maken dienen in dit verband de jaarlijkse kosten van de zuivering afgezet te worden tegen de emissiereductie die hiermee wordt bereikt. De jaarlijkse kosten omvatten onder andere de interest kosten wegens het vastleggen van kapitaal, de operationele kosten zoals water, elektriciteit en grondstoffen en de daarop in mindering gebrachte kostenbesparingen.

Dit was op soortgelijke wijze vastgelegd in het CUWVO-rapport en het werkboek Metalelektro, waarbij als kosteneffectiviteitdrempel een bedrag van fl. 300,- gulden per kg emissiereductie aan zware metalen (genoemd in artikel 4.52) is aangehouden (prijspijl 1985, zou anno 2006 overeenkomen met ongeveer 200 Euro). Op deze wijze wordt gewaarborgd dat de vracht aan metalen die geloosd wordt maximaal zijn beperkt en stringente grenswaarden hier niet belemmerend op werken.

Het toestaan van hogere lozingseisen middels artikel 4.54

Indien de vracht aan metalen na het proces, voor eindzuivering, is teruggebracht naar het niveau van 80 gram per dag worden aanvullende maatregelen niet kosteneffectief haalbaar geacht. Dit kan het geval zijn bij bedrijven die op vergaande wijze de afvalwaterbehandeling hebben geoptimaliseerd of bij hele kleine bedrijven.

Indien met behulp van metingen en berekeningen of schattingen aannemelijk gemaakt kan worden dat de vracht minder is dan 80 gram per dag kan het bevoegde gezag instemmen met het hanteren van een somparameter als lozingseis.

Afdeling 4.6 Activiteiten met betrekking tot motoren, motorvoer- en vaartuigen en andere gemotoriseerde apparaten

§ 4.6.1 Lozen van afvalwater (algemeen)

Artikel 4.55

Olievoorschrift

Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 mg/l minerale olie in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze binnen het bedrijf, dat het gehalte van 20 mg/l ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden. Een werkwijze die hier in extremo aan voldoet zijn de ‘droge’ reinigingsmethoden, die steeds meer ingang vinden binnen de branche. Hierbij wordt het ontstaat van oliehoudend afvalwater voorkomen hetgeen uiteraard een betere optie is dan het naderhand zuiveren.

De Minister van VROM is, naar aanleiding van kamervragen, per brief d.d. 10 oktober 2000 (vrom000823) ingegaan op de normstelling voor de lozing van oliehoudend afvalwater, die met deze AMvB niet gewijzigd wordt.

Op de norm van 20 mg/l wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleidt wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gedimensioneerd, geplaatst, gebruikt en onderhouden overeenkomstig NEN-EN 858. Voorwaarde is wel, dat de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het olie-gehalte van het geloosde water. Gebleken is dat bij een goed gebruikte en gedimensioneerde afscheider en slibvangput de concentratie minerale olie onder de waarde van 200 mg/l zal blijven. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze binnen de inrichting ten aanzien van keuze reinigingsmiddel en wijze toepassing hogedrukreiniger, zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. De norm van 200 mg/l dient dus ter controle van de goede werking van de afscheider, en geeft niet het te allen tijde milieuhygiënisch aanvaardbare gehalte aan minerale olie aan.

Het gemiddelde oliegehalte zal bij het voldoen aan deze norm aanzienlijk lager zal liggen. De reden waarom bij toepassing van een goed gedimensioneerde, geplaatste, onderhouden en gebruikte combinatie van slibvangput en olie-afscheider getoetst wordt aan hogere concentratiewaarde in enig monster ligt in het feit, dat tegenover het nadeel van een iets hogere vracht aan minerale olie in het afvalwater het voordeel staat, dat een goed gedimensioneerde, geplaatste, onderhouden en gebruikte combinatie van slibvangput en olie-afscheider wat betreft het geheel aan nadelige gevolgen voor het milieu goed scoort. Dit heeft vooral te maken met de betrekkelijk geringe productie aan slib (er worden geen chemicaliën aan het water toegevoegd). In de praktijk zal dus het verschil tussen de geloosde vracht aan minerale olie lager zijn dan het verschil tussen de 200 en 20 mg/l norm suggereert.

§ 4.6.2 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

Relatie met het besluit luchtkwaliteit

Bij parkeergarages is vooral de verkeersaantrekkende werking van invloed op de uitvoering van het besluit luchtkwaliteit. Hiermee moet al bij de bestemmingsplanfase rekening worden gehouden. Hiervoor is in deze AMvB niets geregeld. Wanneer de parkeergarage zelf een probleem oplevert voor het besluit luchtkwaliteit dan kan met behulp van het maatwerkvoorschrift verdergaande eisen worden opgenomen ten aanzien van de beperking van emissie van benzeen en ten aanzien van de situering van de uitblaasopening. Ten aanzien van parkeergarages zullen in de ministeriële regeling voorschriften worden opgenomen die sterk overeen komen met de bepalingen uit de oude ex. artikel 8.40 Wet milieubeheer besluiten.

In de regeling zullen de volgende voorwaarden worden opgenomen:

1. Bij een mechanische ventilatie in een parkeergarage, die deel uitmaakt van de inrichting, met tenminste 20 parkeerplaatsen

a. zijn de aanzuigopeningen ten behoeve van de ventilatie aangebracht:

in een verkeersluwe omgeving of, indien dat niet mogelijk is, op ten minste 5 meter boven het straatniveau, en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen;

b. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 meter boven het straatniveau of, indien binnen 25 meter van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan 5 meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste 1 meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw;

c. bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste 10 m/s en ten hoogste 15 m/s.

2. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen om de geurbelasting als gevolg van het in werking zijn van de inrichting te verlagen, of te beperken tot specifieke tijdstippen.

Ten opzichte van de oude AMvB’s zal in de regeling de bepaling die luidde:

‘Onderdeel 1b is niet van toepassing indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de uitblaasopening zodanig is gesitueerd dat een afdoende verspreiding van verontreinigde lucht in de buitenlucht is gewaarborgd en schadelijke imissies worden voorkomen’ niet worden opgenomen omdat deze mogelijkheid om af te wijken van artikel 1b al via het systeem van de gelijkwaardige voorziening (artikel 1.7) al kan worden bereikt.

§ 4.6.3 Afleveren van motorbrandstoffen aan vaartuigen

In deze paragraaf is de activiteit: ‘Afleveren van motorbrandstoffen aan vaartuigen’ geregeld.

De voorschriften zijn gebaseerd op het Besluit jachthavens. Inrichtingen waar motorbrandstoffen aan beroepsvaartuigen worden afgeleverd, vallen niet onder dit besluit.

De activiteit stelt derhalve, in overeenstemming met de werkingssfeer van het besluit jachthavens alleen eisen aan het afleveren van motorbrandstoffen voor de pleziervaart. Ten aanzien van de in deze paragraaf genoemde activiteit worden zowel in dit besluit als in de (nog te publiceren) bijbehorende regeling regels gesteld ten aanzien van het afleveren van motorbrandstoffen aan vaartuigen. Ten aanzien van de opslag van motorbrandstoffen (en ook het vullen) in ondergrondse dan wel bovengrondse tanks worden in een aparte module regels gesteld.

Het leeuwendeel van de voorschriften betreft technische maatregelen en gebruiksvoorschriften die zullen worden opgenomen in de bij dit besluit behorende ministeriële regeling.

In de ministeriële regeling zullen worden opgenomen:

- technische maatregelen en gebruikseisen ten aanzien van afleverinstallaties (zowel vast als mobiel) ten aanzien van veiligheid, en ter voorkoming van emissies naar bodem en water, zoals

• de aanwezigheid van een schakelaar voor het in- en uitschakelen van afleverzuilen;

• ligging van de afleverinstallatie;

• eisen aan het vulpistool, zoals de aanwezigheid van een automatisch afslagmechanisme;

• het afleveren van brandstoffen vindt uitsluitend plaats door of onder toezicht van deskundig personeel;

• eisen ten aanzien van het toezicht op het gebruik van de afleverinstallatie;

- eisen ten aanzien van bescherming van de bodem,

- nadere uitwerking van de maatregelen die nodig zijn ter voorkoming en bestrijding van verontreiniging van het afvalwater.

Artikel 4.58

In dit artikel worden hulpmiddelen bedoeld om de gevolgen van bijvoorbeeld een oliemorsing op het oppervlaktewater te beperken. Gedacht kan worden aan absorptiemateriaal, oliebooms, enzovoort.

Afleverinstallaties voor benzine of gasolie in jachthavens die in rivier- en getijdengebieden zijn gelegen, moeten zijn uitgevoerd met voorzieningen die de werking van de installatie waarborgen bij hoge waterstanden. Het gaat hierbij om voorzieningen, zoals een langere ontluchtingsleiding om te voorkomen dat de tank volstroomt met water, een klep in de zuigleiding, het aanbrengen van betonfundatie tegen opdrijven, enzovoort.

§ 4.6.4 Afleveren van motorbrandstoffen: voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer

In deze paragraaf is de activiteit: ‘Afleveren van motorbrandstoffen: voor eigen gebruik’ geregeld.

De voorschriften zijn gebaseerd op de voorschriften zoals opgenomen in een aantal besluiten milieubeheer, zoals bouw- en houtbedrijven, opslag en transportbedrijven en op een aantal punten aangevuld uit het besluit tankstations, en vervolgens waar nodig geüniformeerd. Daar waar dat relevant is, is onderscheid gemaakt tussen grootschalig en kleinschalig afleveren van motorbrandstoffen voor eigen gebruik. Zo zijn in lijn met het besluit tankstations voor het afleveren van benzine boven een doorzet van 500 m3 per jaar dampretour stage II-voorzieningen verplicht gesteld. Voor bestaande installaties is een overgangstermijn van 5 jaar opgenomen.

In deze paragraaf is ook de activiteit afleverstations van gecomprimeerd aardgas opgenomen. Deze activiteit is ook onder dit besluit gebracht en er zijn eisen opgenomen. De verwachting is dat het gebruik van aardgas voor eigen gebruik bij bijvoorbeeld busmaatschappijen in de toekomst zal toenemen. In deze afstandsbepaling is aansluiting gezocht bij de objecten die t.a.v. externe veiligheid in het besluit LPG-tankstations milieubeheer in vergelijkbare situaties beschermd worden.

Ten aanzien van de in deze paragraaf genoemde activiteit worden zowel in dit besluit als in de (nog te publiceren) bijbehorende regeling regels gesteld ten aanzien van het afleveren van motorbrandstoffen voor eigen gebruik.

Ten aanzien van de opslag van motorbrandstoffen (en ook het vullen) in ondergrondse dan wel bovengrondse tanks worden in een aparte module regels gesteld.

In het besluit zelf zijn zaken opgenomen als gekwantificeerde doelvoorschriften, meet- en registratieverplichtingen en verbodsbepalingen. In de ministeriële regeling worden de maatregelen opgenomen, zoals technische maatregelen om aan de doelen te voldoen en de gebruikseisen. In dit besluit zijn daarom de eisen ten aanzien van de aanwezigheid, uitzonderingsbepalingen, het rendement en het keuringsregime van dampretour stage II-voorzieningen wel in het besluit opgenomen.

Het leeuwendeel van de voorschriften betreft technische maatregelen en gebruiksvoorschriften die zullen worden opgenomen in de bij dit besluit behorende ministeriële regeling.

In de ministeriële regeling zullen worden opgenomen:

- dat een aardgas-afleverstation voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas aan voertuigen die aardgas als motorbrandstof gebruiken, moet voldoen aan de hoofdstukken 7 tot en met 14 van PGS 25, met uitzondering van de paragrafen 7.3.8 tot en met 7.3.11, 7.9, 8.6, 9.2 en 10.8.

- eisen met betrekking tot het gebruik van de maatregelen ten aanzien van dampretour stage II-installaties;

- technische maatregelen en gebruikseisen ten aanzien van afleverinstallaties (zowel vast als mobiel) ten aanzien van veiligheid, en ter voorkoming van emissies naar bodem en water, zoals

• de aanwezigheid van een schakelaar voor het in- en uitschakelen van afleverzuilen;

• ligging van de afleverinstallatie;

• eisen aan het vulpistool, zoals de aanwezigheid van een automatisch afslagmechanisme;

• eisen ten aanzien van het toezicht op het gebruik van de afleverinstallatie;

•eisen ten aanzien van afleverinstallaties, zonder toezicht.

§ 4.6.5 Onderhouden en repareren van motoren, motorvoertuigen en andere gemotoriseerde apparaten en proefdraaien van motoren

Artikel 4.62

Duidelijk moet zijn dat opslag van autowrakken en verwijderen van accessoires alleen in combinatie met het onderhouden/herstellen van motorvoertuigen plaats mag vinden. Verwijderen van accessoires is een bewerking van een afvalstof.

§ 4.6.6 Onderhouden en repareren van pleziervaartuigen

Artikel 4.63

Ter voorkoming van bodemverontreiniging door schadelijke stoffen die kunnen vrijkomen bij onderhoud en reparatie van motoren van pleziervaartuigen, dienen deze werkzaamheden plaats te vinden boven een vloeistofdichte voorziening. Voor zover die werkzaamheden binnenin het vaartuig worden verricht, kan het vaartuig zelf als een voldoende vloeistofdichte voorziening worden aangemerkt.

In de praktijk vinden onderhoud en reparatie veelal plaats door booteigenaren zelf, terwijl de boot op het droge staat (op het winterstallingterrein). Deze werkzaamheden bestaan hoofdzakelijk uit het afspuiten, afkrabben of schuren en het opnieuw voorzien van een verflaag van de romp van de pleziervaartuigen. In uitzonderlijke gevallen zullen er delen van het vaartuig vernieuwd moeten worden, maar dergelijk groot onderhoud vindt vaak op een jachtwerf plaats. Het afspuiten van pleziervaartuigen, moet plaatsvinden boven een vloeistofdichte voorziening. Een groot aantal jachthavens beschikt daartoe inmiddels over een speciaal ingerichte afspuitplaats. Om te voorkomen dat de omringende bodem of het oppervlaktewater met afspuitwater wordt verontreinigd, moeten windafschermende maatregelen worden getroffen of werkbeperkingen bij ongunstige wind worden ingevoerd. Ook mogen de pleziervaartuigen bij het afspuiten niet (gedeeltelijk) boven het oppervlaktewater hangen.

De verfstoffen («gewone» verf en aangroeiwerende verf (antifouling)) die bij het onderhoud vrijkomen dienen opgevangen te worden, zodat ze niet op of in de bodem kunnen raken of via verwaaien of afspoelen in het aanliggende oppervlaktewater terecht kunnen komen.

Naast de hiervoor genoemde artikelen is de algemene zorgplicht van artikel 2.1 van toepassing. Voor deze activiteit wordt daar op volgende manier invulling aan gegeven.

Met het oog op het eventueel morsen van (gevaarlijke) afvalstoffen, zoals afgewerkte olie of koelvloeistof, tijdens onderhoud en reparatie, dienen absorberende materialen voorhanden te zijn. In dit verband is een milieu verantwoorde bedrijfsvoering («good housekeeping») in een jachthaven van groot belang. Netjes en zorgvuldig werken kan milieuverontreiniging voorkomen.

Bij het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden zal ook rekening moeten worden gehouden met windkracht en windrichting, bijvoorbeeld door het spannen van zeilen of door schuren alleen nat of met afzuiging uit te voeren. Indien verwaaien niet met behulp van voorzieningen kan worden voorkomen, dient bij ongunstige windomstandigheden geen onderhoud en reparatie in de buitenlucht plaats te vinden.

Gedragsregels gericht tot de booteigenaren, bijvoorbeeld in het havenreglement, en het uitoefenen van toezicht daarop door de havenmeester kunnen daarbij een belangrijke rol spelen, evenals voorlichting door de branche aan de leden.

§ 4.6.7 Uitrukken motorvoertuigen bij ongevallenbestrijding en brandbestrijding

Artikel 4.65

Deze activiteit was niet eerder als zodanig geregeld in de oude 8.40 AMvB’s, maar was uitgesloten. Dit uitsluitcriterium is vervallen waardoor er een nieuwe activiteit is ontstaan. Onder de AMvB vallen brandweerkazernes bestaande uit stalling van materieel, inclusief instructie-lokaal en kantoren. Het onderhoud van het materieel is geregeld onder de activiteit repareren van motorvoertuigen. Wat met deze AMvB verandert, is het buiten beschouwing laten van Lmax van het geluid als gevolg van het uitrukken van motorvoertuigen ten behoeve van ongevallenbestrijding en brandbestrijding.

Veiligheid

Brandweerkazernes waar brandoefeningen plaatsvinden blijven uitgesloten van de AMvB in verband met de onvoorspelbaarheid van de activiteiten die bij deze inrichtingen zullen plaatsvinden. Daarnaast zullen de maatregelen die aan de activiteiten verbonden dienen te worden sterk afhankelijk zijn van de locale omstandigheden. Vanuit een brede kijk op brand en brandveiligheid dient een pakket van maatregelen opgesteld worden, waarin niet alleen bouwkundige en technische maatregelen, maar ook organisatorische en planologische maatregelen opgenomen worden. Op www.brandweer.nl, de internetsite van ‘Brandweer Nederland’, wordt gemeld dat er zo’n 1000 brandweerposten in Nederland zijn. Grotendeels zullen dit brandweerkazernes betreffen bestaande uit stalling van materieel, inclusief instructie-lokaal en kantoren.

Geluid

De specifieke hinderproblematiek bij het uitrukken van brandweerwagens speelt (in mindere mate) ook bij het uitrukken van ambulances en politiewagens en is dus niet specifiek kenmerkend voor brandweerkazernes. Het is voor ambulances, politiewagens en brandweerwagens in de meeste gevallen niet mogelijk om aan de algemeen geaccepteerde geluideisen voor directe en indirecte geluidhinder te voldoen. Op basis van het algemeen belang is het noodzakelijk dat ongevallenbestrijding plaats kan vinden.

Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften opleggen. Aangezien er geen invloed kan worden uitgeoefend op de frequentie van het uitrukken van materieel, zullen deze maatwerkbepalingen van organisatorische of technische aard zijn, die de nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk voorkomen. Voorbeelden zijn:

- het bij de locatiekeuze voor een betreffende inrichting rekening houden met de maximale geluidsniveaus (Lmax) die inherent zijn aan dit soort inrichtingen;

- het zorgvuldig plannen of wijzigen van rijroutes;

- het koppelen van verkeerssignalen aan het uitrukken van de betreffende diensten waardoor minder van de geluidssignalering van de voertuigen gebruik behoeft te worden gemaakt;

- het inzetten van zo stil mogelijk materieel;

- het treffen van rederlijkerwijs mogelijke technische voorzieningen aan de woningen van de omwonenden, dat het equivalente geluidsniveau in de slaapkamer ’s nachts bij gesloten ramen ten hoogste 25 dB(A) bedraagt.

Afdeling 4.7 Activiteiten met betrekking tot papier en textiel

§ 4.7.1 Ontwikkelen en afdrukken van foto’s

Artikel 4.66

Dit voorschrift wijkt in één opzicht af van de van het voorschrift in de AMvB detailhandel. De lozingseis van 1 mg/l aan zilver bij een gebruik van minder 700 liter fixeer per jaar is vervallen. Dit voorschrift is in overeenstemming met de maatregelen, die in het Werkboek voor de grafische industrie zijn opgenomen. Daarin is geconcludeerd dat bij gebruik van waterbesparende maatregelen de lozingseis van 1 mg/l niet altijd kosteneffectief gerealiseerd worden.

§ 4.7.2 Bedrukken van papier

Artikel 4.67

Voorschriften zijn onveranderd overgenomen uit vorige AMvB’s. Ten opzichte van de voorgaande AMvB die op deze activiteit van toepassing was, het besluit Detailhandel en ambachtsbedrijven, is het volgende voorschrift geschrapt:

‘Bedrijfsafvalwater dat afkomstig is van een ruimte waar grafische processen plaatsvinden, en dat het door een filter is geleid dat deeltjes groter dan 75 micron daaruit verwijdert dat vrijkomt bij het reinigen van vochtrollen, wordt slechts in een openbaar riool gebracht nat.’

De stoffen die met genoemd filter worden verwijderd zijn vooral kleurstoffen die in voorkomende (zeer geringe) hoeveelheden nauwelijks tot geen milieueffecten hebben, maar wel intensieve verkleuring van het afvalwater veroorzaken. Deze verkleuring wekt de indruk van sterke verontreiniging, maar rechtvaardigt geen regelgeving.

§ 4.7.3 Zeefdrukken

Artikel 4.68

Met deze voorschriften zijn de belangrijkste maatregelen uit module 120 Zeefdruk van het Handboek grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen overgenomen. Niet alle maatregelen uit het Handboek lenen zich voor opname in een AMvB.

Een aantal maatregelen is opgenomen in de Arbeidsomstandighedenregeling. Het gaat dan met name om het verbod op schoonmaak- en verdunningsmiddelen met di- of trichloormethaan of vluchtige mono-aromaten (120.1) en K1-reinigingsmiddelen (120.1a), en om de verplichting om voor het bedrukken van papier of karton met een gewicht van 135 g/m2 of meer en bestemd voor binnentoepassingen inkten toe te passen met een maximaal VOS-gehalte van 150 g/kg product (120.2a). Stoffen zoals di- of trichloormethaan houdende of monoaromaathoudende schoonmaak- en verdunningsmiddelen die vanwege hun giftigheid niet gebruikt mogen worden mogen overigens ook niet naar de lucht worden uitgestoten of geloosd op grond van artikel 4.70 en de algemene zorgplicht.

Een aantal maatregelen is komen te vervallen, maar kan wel een goede invulling zijn van de algemene zorgplichtbepaling geschaard kunnen worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om aanbevelingen zoals het niet gebruiken van emulsies met chroomzouten (120.9), het gebruik van biologisch afbreekbare ontvettingsmiddelen (120.10), het gebruik van ontvettingsmiddelen zonder organisch oplosmiddel (120.11) en voorzieningen voor het goed leegmaken van inktblikken (120.13-14).

Maatregelen die zich alleen richten op afvalpreventie (120.12, 120.15-17) zijn niet overgenomen.

Maatregel 120.2/120.3 (Waar mogelijk verder toepassen van oplosmiddelarme inkten) leent zich niet voor deze AMvB. Bij maatwerk in geval van geurhinder kan naar oplosmiddelarme inkten gekeken worden. In het algemeen is geregeld dat zeefdrukkerijen met een VOS-emissie groter dan 10 ton vergunningplichtig blijven. Bij bedrijven met een groot VOS-verbruik ligt het voor de hand dat naar verdere VOS-maatregelen gekeken wordt. Bij een jaarlijkse emissie kleiner dan 10 ton hoeft alleen naar zijn maatregelen voor VOS uit inkten gekeken te worden als er sprake is van geurhinder.

Eerste en tweede lid

Deze voorschriften komen komt overeen met maatregel 120.1b en 120.21 uit het handboek. Voor de kleinschalige tussenreiniging of spookbeeldverwijdering mogen nog wel vluchtige koolwaterstoffen worden gebruikt. Het Handboek noemt nog de mogelijkheid reinigingsmiddelen te gebruiken met een vlampunt groter dan 100°C. Deze voorwaardelijke maatregel is niet algemeen verplicht te stellen.

Overigens is het uitgangspunt dat plantaardige reinigingsmiddelen in verpakking worden opgeslagen. Bij opslag in verpakkingen of tanks van meer dan 300 l gaan voorschriften bij andere activiteiten gelden.

Derde en vierde lid

Voor registratie van VOS wordt aangesloten bij de grenzen bij andere activiteiten; meestal is dit 500 kg VOS per jaar, maar voor de eenvoud is hier een grens in inktverbruik opgenomen. Alleen de totale hoeveelheid VOS hoeft te worden bijgehouden. Doel van de registratie is vooral controle van de bovengrens. Daarnaast kan hier bij geurproblemen gebruik van worden gemaakt.

Maatregelen ter voorkoming van geurhinder bij zeefdruk zijn te vinden in de regeling.

Artikel 4.69 en 4.70

De zeefdrukvorm bestaat uit een gaas dat gedeeltelijk is afgedicht met behulp van een uitgeharde emulsie. De niet-afgedichte delen laten inkt door. Zeefdrukramen worden meestal meermalen gebruikt. Na het drukken wordt de inkt met oplosmiddelen verwijderd. Om de vorm weer voor een volgende drukgang te kunnen gebruiken wordt het zeefdruksjabloon gestript door de emulsie te verwijderen met natriumperjodaat en water. Vervolgens wordt het zeefdrukraam vaak nabehandeld voor de verwijdering van hardnekkige inktresten en ‘spookbeelden’ en daarna met behulp van water nagespoeld. Als het scheiden van de inktverwijdering en het strippen van het sjabloon onzorgvuldig gebeurt, kunnen inkt en oplosmiddelen in het afvalwater terechtkomen. Dit moet worden voorkomen.

Het lozen van waterige en UV-inkten moet net zo goed worden voorkomen als dat van oplosmiddelhoudende inkten. Voor reiniging van de zeefdrukramen die vervuild zijn met waterige en UV-inkten gelden daarom dezelfde regels als voor degene, die vervuild zijn met oplosmiddelhoudende inkten.

Indien bij het vervaardigen van het zeefdruksjabloon fotografische filmen worden gebruikt zijn voor het ontwikkelen van de fotografische film de bepalingen uit de gelijknamige activiteit van toepassing.

Emissiebeperkende maatregelen

Emissies naar water tijdens het reinigen van zeefdrukramen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen door het verwijderen van inkt en het strippen van de sjabloon procesmatig te scheiden.

Minimaliseren vracht

Dit is mogelijk door het uitvoeren van eenvoudige technische en organisatorische maatregelen. De meest voor de hand liggende maatregel is: schoonmaken in stappen. Dat wil zeggen:

1) zoveel mogelijk inkt wegschrapen;

2) met weinig water spoelen; het sterk verontreinigde water dat hierbij ontstaat mag niet worden geloosd, maar moet worden verwijderd als gevaarlijk afval;

3) met veel water spoelen, het nu vrijkomende spoelwater:

lozen;

voor zover mogelijk gebruiken voor de activiteiten onder stap 2 of

voor zover mogelijk gebruiken voor het aanlengen van nieuwe inkt; dit is alleen mogelijk als het spoelwater geen zeepresten bevat.

Het algemene zorgplichtartikel van dit besluit wordt als afdoende beschouwd om het minimaliseren van de vracht door de drijver van de inrichting voor te schijven. Tevens wordt verondersteld dat dit zorgplichtartikel het handhavend optreden mogelijk maakt bij handelen in strijd met dit zorgplichtartikel.

Lozing van spoelwater

Bij schoonmaakwerkzaamheden komt spoelwater vrij met mogelijk daarin waterige inkt. De stoffen in de inkt zijn meestal milieubezwaarlijk voor water. Vooral vanwege de slechte afbreekbaarheid, meestal niet vanwege de toxiciteit ofwel giftigheid. Lozen van deze restanten kan daarom meestal niet worden toegestaan. Tegen het lozen van spoelwater met slechts geringe hoeveelheden inkt bestaat veelal geen bezwaar. Er zijn echter uitzonderingen hierop. Leveranciers kunnen dit op productniveau toetsen met behulp van het Toetsingsschema voor water.

Milieu-informatie

Leveranciers zijn verplicht bij hun producten productveiligheidsbladen met milieu-informatie te leveren. Deze informatie moet duidelijk maken of een stof geloosd mag worden en op welke wijze een stof in de afvalfase verwijderd moet worden (als bedrijfsafval of als gevaarlijk afval).

Voor deze laatste vraag kunnen bedrijven ook uitgaan van de Eural-lijst. Leveranciers zijn meestal niet zelf fabrikant. Toepassing van het toetsingsschema voor water (zie verderop) vraagt alle informatie, die zij van hun veelal buitenlandse toeleveranciers kunnen verlangen. Dit zijn informatiebladen die door de leveranciers aan afnemers moeten worden verstrekt. De EG heeft in 1991 de richtlijn 91/155/EEG gepubliceerd met eisen Productveiligheidsbladen voor de uitgifte en samenstelling van productveiligheidsbladen. Deze richtlijn is aangepast conform de nieuwe EG-richtlijn (2001/58/EG). De Produktveiligheidsbladen bevatten onder meer informatie over de samenstelling en de fysische eigenschappen van hulpstoffen zoals kookpunt, zuurgraad en vlampunt. Tevens wordt op deze bladen veel informatie over arbeidshygiëne gegeven.

Leveranciers voor grafische hulpstoffen zullen op deze bladen uitgebreide milieu-informatie verstrekken.

Toetsingsschema voor water

De noodzaak om informatie over stoffen te leveren is wettelijk verplicht. In mei 2000 is door de Commissie Integraal Waterbeheer (CIW) de Algemene Beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten in het kader van de uitvoering van het emissiebeleid water vastgesteld (ABM). Deze ABM sluit aan op de Europese Preparatenrichtlijn (1999/45/EG). Hiermee wordt de informatieverschaffing, met name uit het buitenland gemakkelijker. Met de ABM kunnen leveranciers elke hulpstof op loosbaarheid beoordelen.

Aan de hand van de eigenschappen van de stof kan het potentiële milieugevaar worden ingeschat. Naarmate het potentiële milieugevaar hoger is, moet een zwaardere inspanning worden getroffen om emissies te voorkomen of te verminderen. De milieubezwaarlijkheid van preparaten wordt afgeleid aan de hand van de eigenschappen van de in het preparaat voorkomende componenten (stoffen). Dit betekent dat voor de componenten waaruit een preparaat is samengesteld de ABM afzonderlijk moet worden uitgevoerd. De beoordeling van het preparaat wordt bepaald op grond van de beoordeling van de verschillende componenten van het preparaat en de hoeveelheid van deze componenten in het preparaat. De systematiek hiervoor is ontleend aan de conventionele methode uit de Preparatenrichtlijn, waarbij gebruik wordt gemaakt van concentratiegrenzen.

De ABM deelt stoffen/preparaten in drie categorieën in. Aan elke categorie is een ‘gewenste saneringsinspanning’ (A, B of C) gekoppeld. Saneringsinspanning A wil zeggen: in principe niet lozen; zo ja, dan toepassen van beste bestaande technieken. Voor B geldt: lozing minimaliseren; toepassen van best uitvoerbare technieken. Voor C geldt: lozing minimaliseren.

Voor de zeefdrukkerijen kunnen stoffen en preparaten met een saneringsinspanningen B of C, met in acht neming van de voorschriften die volgen uit dit besluit, ‘loosbaar’ worden verondersteld.

Toepassing van de ABM vereist grondige kennis van receptuur en stofeigenschappen. Van leveranciers wordt verlangd deze kennis middels de veiligheidsinformatiebladen door te geven aan de gebruikers.

In sommige gevallen zou het toetsingsschema onterecht tot het oordeel ‘loosbaar’ kunnen leiden. Tot een verbod op lozing leiden in elk geval de aanwezigheid van carcinogene (kankerverwekkende) of mutagene (genetische veranderingen aanbrengende) componenten. In de leveranciersinformatie blijven concentraties kleiner dan 0,1% echter buiten beschouwing. Van leveranciers en gebruikers behoort niet geëist te worden dat zij informatie verschaffen over componenten die in kleinere concentraties dan 0,1% in de hulpstof aanwezig kunnen zijn. Dergelijke informatie is in de regel bij hen niet beschikbaar en kan dus niet als voorwaarde voor het toestaan van lozing dienen. Het eventueel in afwijking van het toetsingsschema verbieden van lozing zal door het bevoegd gezag dan ook op andere bronnen van informatie moeten worden gestoeld.

Maatwerk

Het bevoegd gezag kan het lozen van afvalstoffen of spoelwater verbieden of beperken indien dit in het belang is van de bescherming van de zuiveringstechnische werken of het milieu. Hiertoe kan het bevoegd gezag gebruik maken van een maatwerkvoorschrift op basis van het zorgplichtartikel (2.1.). Dit is bijvoorbeeld mogelijk bij lozing van ongebruikelijk grote hoeveelheden, bij een zuiveringsinstallatie die om technische redenen afwijking van de regels nodig maakt of als het toetsingsschema aantoonbaar onterecht tot oordeel ‘loosbaar’ leidt.

Hulpstoffen:

Dit zijn stoffen die in de productie worden gebruikt, in het bijzonder de niet te bedrukken materialen. Het betreffen hier alleen grondstoffen die worden gebruikt in de productie en niet die welke in kantoor, kantine, laboratorium of technische dienst worden toegepast.

Spoelen emballage

Emballage van sommige chemicaliën kan gespoeld worden. Deze gespoelde emballage kan dan zonder bezwaar als bedrijfsafval worden afgevoerd. Het spoelwater dat hierbij vrijkomt dient volgens de in de Milieu-informatie leveranciers aangegeven methode behandeld te worden. Als het de emballage betreft van hoofdzakelijk fotovloeistoffen en plaatontwikkelaar, dan is spoelen van emballage alleen zinvol als het vrijkomende spoelwater óf gebruikt wordt voor verdunnen, óf volgens de Milieu-informatie leveranciers geloosd mag worden.

§ 4.7.4 Reinigen en wassen van textiel

Artikel 4.71

Met het reinigen van textiel wordt gedoeld op het reinigen met chemische middelen. Uit nieuwe wetenschappelijke gegevens (onder andere een rapport van de Wereld Gezondheids Organisatie uit 1995) heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) eind 1996 voor PER een nieuwe MTR-waarde afgeleid. De meest kritische effecten bij de afleiding van deze waarde betreffen de effecten op de nieren en het centrale zenuwstelsel van de mens. Voor de afleiding van de nieuwe MTR-waarde zijn vele (vooral buitenlandse) onderzoekgegevens geanalyseerd. Vooral een studie bij werknemers in stomerijen naar beginnende nierschade en een studie bij vrijwilligers naar de neurotoxiciteit van PER (duizeligheid, verminderde visuele vermogens en verminderde controle over bewegingen) waren daarbij belangrijk. Het RIVM heeft op basis van deze gegevens een waarde van 0,25 mg/m3 als MTR gerapporteerd. Deze waarde wordt ook door de Wereld Gezondheids Organisatie gehanteerd als veilige waarde. Volgens het RIVM kunnen effecten bij langdurende concentratieniveaus van PER van meer dan 0,25 mg/m3 niet uitgesloten worden. Boven 1,1 mg/m3 kunnen ernstige effecten op gaan treden. Reden waarom in het voorheen geldende Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer een aan het MTR gerelateerde eis was gesteld.

Indien PER wordt gebruikt voor de reiniging van textiel, is het aan degene die de inrichting drijft, om aan te tonen dat de immissie van PER in naastgelegen besloten ruimten van bijvoorbeeld een woning en van andere gevoelige objecten, zoals tuinen en balkons de daarvoor gegeven normstelling niet overschrijdt. Om te bepalen of aan die normstelling wordt voldaan, zijn meetmethoden gegeven voor het meten in de binnen- en in de buitenlucht. De keuze welke methode voor de binnen- of buitenlucht wordt gehanteerd, is aan de drijver van de inrichting.

Artikel 4.72 tot en met 4.81

Om een bedrijf aan te kunnen laten tonen dat de gestelde norm niet wordt overschreden is het noodzakelijk te beschikken over betrouwbare meetmethoden. De in bijlage 2 opgenomen methoden zijn daarbij het uitgangspunt. Ten opzichte van de voor de inwerkingtreding van dit besluit geldende bijlage, waarin meetmethoden waren gegeven, is nu ook voor het meten in de buitenlucht een vereenvoudigde methode gegeven. Deze methode is in nauwe samenwerking tussen het ministerie van VROM en de brancheorganisatie (NETEX) tot stand gebracht. De vereenvoudigde meetmethode leidt tot een aanmerkelijke lastenvermindering voor de betrokken inrichtingen.

Artikel 4.82

Bij bedrijven die reinigen met oplosmiddelen in conventionele reinigingsmachines, zal tijdens de reiniging van kleding en textiel een kleine hoeveelheid PER in het bedrijfsafvalwater terecht komen en op het openbaar riool worden geloosd. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in de volgende situaties:

• bij het reinigingsproces wordt water in de trommel toegevoegd, of

• bij conventionele machines waar leidingwater als koelmedium wordt gebruikt.

Een dergelijke lozing van PER op het openbaar riool is toegestaan wanneer de concentratie van PER in het bedrijfsafvalwater niet hoger is dan 0.1 mg/l in enig steekmonster.

Bij bedrijven waar (wit)wasgoed wordt gebleekt met chloor of met

chloorhoudende bleekmiddelen, kunnen organochloorverbindingen worden gevormd. Dit manifesteert zich onder meer in het ontstaan van chloroform. Gegeven de noodzaak tot bescherming van riolering en zuiveringsinstallatie is het noodzakelijk een maximale lozingsnorm voor chloroform op te nemen.

Afdeling 4.8 Overige activiteiten

§ 4.8.1 Inwendig reinigen van tanks en tankwagens

Artikel 4.83

Het inwendig reinigen van tanks en tankwagens is, binnen de reikwijdte van dit besluit uitsluitend toegestaan bij inrichtingen waar de tank(wagen)s geladen en/of gelost worden. Bij deze inrichtingen vinden dus reeds handelingen met deze produkten plaats, waardoor er ook afvalwater verontreinigd met deze produkten ontstaat, bijvoorbeeld van reinigingsactiviteiten. Indien relevant, en dat is het geval als het milieurelevante stoffen betreft, zijn in dit besluit voorschriften opgenomen met betrekking tot de lozing van dit afvalwater. Daar waar dit niet expliciet het geval is de zorgplicht (artikel 2.1) van toepassing en kan basis daarvan een maatwerkvoorschrift opgesteld worden.

Het afvalwater dat ontstaat bij het uitwendig reinigen van de tanks en tankwagens kan bij dat reeds aanwezige afvalwater van soortgelijke samenstelling gevoegd worden en via hetzelfde traject gezuiverd en geloosd worden. De eventuele zuiveringsvoorzieningen voor dit afvalwater dienen wel zodanig gedimesioneerd te worden dat dit extra afvalwtaer daar ook adequaat gezuiverd kan worden.

Veelal kan het eerste spoelwater van de tanks en tankwagens, dat in feite bestaat uit met water verdund produkt, toegevoegd worden aan deze produktstroom binnen het bedrijf. Bijvoorbeeld als het gaat om produkten die in geconcentreerde vorm worden aangeleverd en verdund worden toegepast. Het spoelwater kan dan dienen als verdunningswater, waarmee dan voorkomen wordt dat waardevol produkt geloosd wordt. Het daaropvolgende reinigingswater zal vervolgens weinig produkt meer bevatten, maar mogelijk wel reinigingsmiddelen ed. Hiervoor dienen vanzelfsprekend niet-schadelijke stoffen te worden gebruikt, eventueel nadere te regelen met maatwerk op grond van de zorgplicht (artikel 2.1). Deze mogelijkheid tot het reinigen van eigen tanks en tankwagens was ook reeds aanwezig in het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer.

§ 4.8.2 Bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen

Artikel 4.84

Afhankelijk van de grootte moeten jachthavens gefaseerd in de tijd beschikken over voorzieningen om afvalwater en de inhoud van chemische toiletten in de zamelen. Standaard manier om dit afvalwater te verwijderen is lozing op het vuilwaterriool.

Jachten gelegen in een jachthaven zijn onderdeel van deze inrichting. De inrichtinghouder van de jachthaven is verantwoordelijk voor alle activiteiten die binnen de jachthaven plaats vinden. Dit betreft ook de gedragingen van de individuele booteigenaren binnen de jachthaven. Gedragsregels gericht tot de booteigenaren, bijvoorbeeld in het havenreglement, en het uitoefenen van toezicht daarop door de havenmeester kunnen daarbij een belangrijke rol spelen, evenals voorlichting door de branche aan de leden.

§ 4.8.3 Vervaardigen van voedingsmiddelen

Artikel 4.87

Het voorschrift ten aanzien van vethoudend afvalwater is gewijzigd ten opzichte van het voorschrift in de voorgaande 8.40 AMvB’s. Naast de norm (NEN) waarnaar wordt verwezen voor de vetafscheider is ook de wijze van regulering aangepast.

NEN-EN 1825

In de voorgaande 8.40 AMvB werd verwezen naar NEN 7087, uitgave 1990 voor de eisen waar een slibvangput en vetafscheider aan moet voldoen. Deze NEN is op europees niveau vervangen door NEN-EN 1825-1 en 2. Vanaf juni 2004 mocht de NEN 7087 niet meer toegepast worden als nationale standaard. Slechts op detailniveau stellen deze onderscheidelijke NEN’s verschillende eisen aan de vetafscheider/slibvangput.

Regulering

In de voorgaande 8.40 AMvB’s was het plaatsen van een vetafscheider/slibvangput slechts verplicht als het bevoegd gezag had aangetoond dat geloosde afvalwater meer dan 300 mg/l aan vet bevatte in enig steekmonster en tevens werd aangetoond dat ten gevolge van die lozing de doelmatige werking van de riolering nadelig werd beïnvloed. Vooral het aantonen door het bevoegd gezag van dit laatste aspect leverde in de praktijk veel problemen.

Rioolverstoppingen door gestold vet is een veel voorkomend verschijnsel, dat aanleiding kan geven tot hinder, overlast en milieuverontreiniging. Door de verstopping wordt het rioolwater niet afgevoerd en kan het riool overlopen. Dat kan leiden tot (riool)water op straat en extremere gevallen tot rioolwater in de kelder, of andere lager gelegen delen van (particuliere) woningen. Ook kunnen ten gevolge van verstoppingen riooloverstorten ontstaan waardoor ongezuiverd rioolwater op het oppervlaktewater wordt geloosd. Maar zelfs al is er nog geen sprake van verstopping kan gestold vet al de afvoer capaciteit van de riolering nadelig beïnvloeden. Het voorkomen dat vet in het riool geraakt is dus van het grootste belang.

Genoemde verschijnselen kunnen optreden op grote afstand van de locatie waar de lozing, die hiervan de oorzaak is, plaats vindt. Hierdoor is een directe relatie tussen het effect (vetafzetting/verstopping) en de veroorzaker daarvan moeilijk te leggen is. Daarnaast komt het vaak voor dat verschillende bedrijven op hetzelfde gedeelte van het riool vethoudend afvalwater lozen. Als er dan een verstopping ten gevolge van vet optreedt is het vrijwel onmogelijk één individuele veroorzaker aan te wijzen, hetgeen noodzakelijk is om handhavend op te treden. Het vet van de verstopping is immers afkomstig van de diverse bedrijven en het is niet achterhaalbaar van welke bedrijf de overmatige hoeveelheid vet afkomstig is waardoor de verstopping is ontstaan.

Met het nieuwe voorschrift is iedere inrichting waar voedingsmiddelen bereid worden en waarbij vethoudend afvalwater vrijkomt in eerste instantie verplicht een vetafscheider gecombineerd met een slibvangput te plaatsen. Het vijfde lid van dit artikel biedt echter de mogelijkheid om daarvan in bepaalde situaties van af te zien met instemming van het bevoegd gezag.

De beperkte omvang van de activiteit vervaardigen van voedingsmiddelen binnen de inrichting, of omdat bij de voedselbereiding geen vetten worden gebruikt, kan een reden zijn om geen afscheider te plaatsen. Naarmate er echter meer bedrijven vethoudend afvalwater op hetzelfde gedeelte van het rioolstelsel lozen zal het probleem door vetafzetting in dat riool toenemen en de aanleiding om af te zien van een afscheider reduceren.

De beoordeling is aan het bevoegd gezag. Het is van de wetgever uitdrukkelijk de bedoeling dat van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, zodat niet onnodig vetafscheiders geplaatst worden. In deze gevallen kan van de ondernemer speciale aandacht gevraagd worden om te voorkomen dat er toch vet in het afvalwater geraakt, omdat dit ongehinderd in het riool geraakt.

Daar waar een vetafscheider vereist is wordt als enige voorwaarde gesteld dat deze goed wordt gedimensioneerd, conform NEN-EN 1825-2, en goed wordt onderhouden. Er bestaat in het veld een sterke wens om getalsmatige emissiegrenswaarde voor vet in het te lozen afvalwater te stellen. Het idee is dat dit de handhaving van een adequaat beheer, inclusief onderhoud, zou vereenvoudigen. In de praktijk blijkt dit echter niet goed mogelijk, omdat het vetgehalte in het effluent van een vetafscheider in de praktijk sterk blijkt te fluctueren. Zelfs als de vetafscheider/slibvangput goed is gedimensioneerd en recent is schoongemaakt kunnen de vetgehaltes in twee direct na elkaar genomen monsters sterk van elkaar verschillen, waardoor een steekmonster geen juist beeld geeft. Het nemen van een representatief monster zou echter onevenredige inspanningen vergen.

Gebruik en onderhoud

Zoals hiervoor reeds aangegeven is er alle aanleiding om te voorkomen dat vet in het riool geraakt. De aanwezigheid van een goed gedimensioneerd vetafscheider, die bovendien goed wordt onderhouden is geen garantie dat geen overtollig vet wordt geloosd op het openbaar riool. De ondernemer zal de nodige preventieve maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat vet in het afvalwater geraakt. Maaltijdrestanten dienen zoveel mogelijk droog van het servies verwijderd te worden alvorens gespoeld wordt. Het gebruik van een voedselrestvermaler in de afvoer is expliciet verboden in het eerste lid van dit artikel.

Ook met reinigingsmiddelen dient zorgvuldig omgegaan te worden. Aanhouden van de gebruiksvoorschriften van de fabrikant is hierbij geboden. Overdosering leidt ertoe dat vet emulgeert en als emulsie met het effluent van de vetafscheider in het riool wordt geloosd, waar het, vanwege de andere condities die daar heersen, weer tot stolling komt en vetafzetting veroorzaakt hetgeen weer aanleiding kan geven tot rioolverstopping.

Het regelmatig grondig reinigen van de vetafscheider is zowel van belang voor de duurzaamheid als de prestaties van de vetafscheider. Door (bio)chemische reacties worden vetten omgezet in vetzuren, die agressief zijn ten aanzien van de materialen waar de afscheider van is gemaakt. Dit is natuurlijk afhankelijk van het desbetreffende materiaal, maar vrijwel alle materialen worden in meer of minder mate door deze vetzuren aangetast. Die aantasting kan er aanleiding toe geven dat de afscheider vervangen moet worden met alle kosten voor de ondernemer van dien. Een slecht onderhouden vetafscheider heeft ook tot gevolg dat het vet minder goed wordt afgescheiden, waardoor grotere vetemissies optreden.

Goed onderhoud van de afscheider omvat in elk geval het tijdig ledigen van de afscheider. Dit betreft het vetopslaggedeelte, dat maximaal voor 80% gevuld mag zijn met vet, hetgeen in het algemeen overeenkomt met een vetlaagdikte van 16 cm. Daarnaast moet ook de slibvangruimte geleegd worden voordat deze voor meer dan 50% gevuld is met slib. Daarnaast moet de afscheider regelmatig (jaarlijks) volledig geleegd worden en onderzocht worden op aantasting. Gebleken gebreken dienen direct opgelost te worden.

De lozing

Ook in geval een goed gedimensioneerde vetafscheider met slibvangput is geplaatst, die bovendien goed wordt onderhouden, zal er een zekere hoeveelheid vet geloosd worden. Het heeft daarom de voorkeur dit afvalwater te lozen op het vuilwaterriool. In sommige gevallen zal de inrichting niet aangesloten zijn op het vuilwaterriool, bijvoorbeeld omdat deze is gevestigd in het buitengebied waar geen riolering aanwezig is. In de inrichting zal vrijwel altijd ook huishoudelijk afvalwater ontstaan door de aanwezigheid van toiletten en wasbakjes. Dit afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden van activiteit ‘lozen van huishoudelijk afvalwater’. Het vierde lid bepaalt dat het vethoudend afvalwater samen met het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en dat de voorzieningen voor die lozing daarop gedimensioneerd moeten zijn.

Indien op grond van het zesde lid geen vetafscheider geplaatst hoeft te worden geeft het bevoegd gezag naast de instemming geen afscheider te plaatsen tevens aan waar de lozing dient plaats te vinden. Gezien de aard van de afvalwater zal het vuilwaterriool over het algemeen de meest voor de hand liggende lozingsroute zijn.

Voedselvermaler

In het eerste lid van dit artikel is het verbod op het gebruik van voedselrestvermalers opgenomen. Naar aanleiding van het ontwerpbesluit lozing afvalwater huishoudens, waar dit verbod ook is opgenomen, heeft de staatssecretaris van VROM de Tweede Kamer desgevraagd ingelicht waarom dit verbod in stand dient te blijven (kamerstukken 27 664, nr. 40 en 42). De belangrijkste argumenten zijn:

- Toelaten van lozing op de riolering via de voedselrestvermaler staat haaks op de uitgangspunten van het Nederlandse afval(scheidings)-beleid. Het biedt namelijk de mogelijkheid om vaste afvalstoffen via de «natte route» af te voeren. De Nederlandse regering acht het verlaten van dit uitgangspunt, dat vast en nat afval gescheiden worden afgevoerd en verwerkt, niet in het belang van de afvalverwerking en van het milieu.

- Het afvalwatersysteem wordt met de lozing van vermalen voedselresten extra belast. Elke verhoging van de belasting van dit systeem zal leiden tot een verhoging van de emissies vanuit dit systeem zowel via de overstorten als via de effluentlozingen. Dit is vanuit het «stand still» beginsel ongewenst.

- De huidige wetgeving en uitgangspunten op het gebied van afval(water)verwerking laten geen ruimte voor lozing van vaste afvalstoffen via de natte stroom. Verkoop van de voedselrestvermaler is op zich in Nederland niet verboden. Het beleid vormt als zodanig geen handelsbelemmering in de zin van concurrentievervalsing. Het resultaat van gebruik van de voedselrestvermaler - namelijk vaste afvalstoffen in de natte afvalverwerking - verhoudt zich niet met de uitgangspunten van het afvalbeleid met bewuste scheiding en hergebruik van afvalstromen en verhoudt zich evenmin met het afvalwaterbeleid waarbij onnodige verhoging van de belasting en onnodige verhoging van de emissies van de afvalwaterketen dient te worden voorkomen. De Regering acht het daarom niet wenselijk om omwille van de verkoop van het product voedselrestvermaler de uitgangspunten van het afvalstoffenbeleid en het afvalwaterbeleid te verlaten.

§ 4.8.4 Ambachtelijk slachten van dieren

Artikel 4.88

Het betreft het kleinschalig slachten waarbij de dieren ‘met de hand’ worden gedood en uitgesneden, zoals dit bijvoorbeeld bij slagers voorkomt. De hygiëneregelgeving sprak tot voor kort van slachthuizen met een erkenning geringe capaciteit; hiervoor gold een maximum van 20 grootvee-eenheden per week. Over het algemeen is bij zelfslachtende slagers de capaciteit aanzienlijk lager. Het ritueel slachten voor het islamitisch offerfeest valt ook onder de definitie van ambachtelijk slachten, maar is grootschaliger. Vaak worden hier speciale locaties voor ingericht, waarvoor speciale ontheffingen of voorschriften in de milieuvergunning gelden. Deze locaties waar één week per jaar meer dan 20 grootvee-eenheden worden geslacht vallen niet onder deze activiteit.

Onder het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer was het ambachtelijk slachten van konijnen of kippen reeds toegestaan, het ambachtelijk slachten van hoefdieren was een uitsluitcriterium. Een inrichting waarin deze activiteit plaatsvond, was dus vergunningplichtig. Het betrof ongeveer 200 van dergelijke inrichtingen (bron: Structuuronderzoek zelfstandige slagersbedrijven 2004, HBA 2004). In dit besluit is het ambachtelijk slachten van hoefdieren opgenomen als activiteit. Hiervoor zijn echter weinig aanvullende voorschriften nodig.

Voor het ambachtelijk slachten gelden strenge hygiëneregels (HACCP), die de milieubelasting ook verminderen. Relevante documenten op dit gebied zijn:

- Code voor hygiënisch werken in het slagersbedrijf

- Hygiënecode voor het poeliersbedrijf

- Hygiënecode voor slachthuizen met een erkenning geringe capaciteit.

Eisen die vanuit de hygiëneregels gesteld worden zijn bijvoorbeeld:

- het gekoeld opslaan van destructiemateriaal

- waterdichte uitvoering van de vloer

- het zoveel mogelijk schoon opvangen van bloed.

- het zoveel mogelijk voorkomen dat bloed in het schoonmaakwater terecht komt (dit is een belangrijke good housekeeping maatregel).

Geluid

De geluidpiek bij het slachten van vee (hoefdieren) is kort, maar kan wel bijzonder hinderlijk zijn. Zelfs als voldaan wordt aan de norm voor pieklawaai kan nog steeds hinder optreden. Bij deze activiteit kan het dus voorkomen dat het bevoegd gezag voorschriften stelt voor geluid.

Bovendien zijn bloed en slachtafval geurbronnen. Door de hygiëneregels zal geurhinder meestal worden voorkomen, omdat bloed en slachtafval gesloten moet worden opgeslagen. Er is geen voorschrift over opslag van dierlijk afval omdat dit reeds in de regelgeving omtrent hygiëne wordt geregeld. Een andere mogelijke bron van geurhinder is het schoonmaakwater (van ruimte, gereedschap en voorschoten). Als dit water via putjes in de ruimte zelf of met een schrobmachine wordt afgevoerd zal hierdoor in het algemeen geen geurhinder optreden. Bij ongebruikelijke afvoer (bijvoorbeeld via goten of een putje in de buitenlucht) kan wel geurhinder ontstaan.

§ 4.8.5 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport op sportterreinen

Artikel 4.89

Eerste lid

Lichthinder dient beperkt te worden door de lichten direct na beëindiging van de activiteiten uit te doen. Naast deze specifieke voorschriften m.b.t. sportverlichtingsinstallaties, gelden voor sportinrichtingen de algemene voorschriften met betrekking tot lichthinder en duisterte en de daaraan gekoppelde nadere eis mogelijkheden.

Tweede lid

Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen, gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij het houden van een veteranentoernooi of een «vroege vogels» -toernooi.

Naast deze ontheffingsmogelijkheid m.b.t. sportverlichtingsinstallaties, blijven de algemene voorschriften met betrekking tot lichthinder en duisterte voor de sportinrichtingen gelden. Enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. Het bevoegd gedag zal bij de beoordeling of er sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit, steeds een belangenafweging moeten maken, aan de hand van onder andere het tijdstip en de duur van de activiteit, de frequentie van voorkomen, het karakter van de lichtverschijnselen en de redelijkerwijs te treffen maatregelen.

Hoofdstuk 5 Overgangs-en slotbepalingen

Artikel 5.1

Eerste lid

Dit artikellid is van toepassing op inrichtingen die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit vergunningplichtig waren, maar als gevolg van de inwerkingtreding van dit besluit niet meer vergunningplichtig zijn. Voor die inrichtingen bepaalt dit artikellid dat bepaalde vergunningvoorschriften gedurende drie jaar blijven gelden als maatwerkvoorschrift. Daarna vervallen deze voorschriften, tenzij het bevoegd gezag deze maatwerkvoorschriften heeft aangepast. Dit artikellid laat namelijk onverlet de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om in deze periode van drie jaar het maatwerkvoorschrift te wijzigen dan wel in te trekken.

Dit geldt slechts indien de inhoud van het vergunningvoorschrift valt binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en bovendien betrekking heeft op één van de onderwerpen genoemd in het eerste lid. Is dat niet het geval, dan vervalt het vergunningvoorschrift reeds zodra de voorschriften van het besluit op de inrichting van toepassing worden. Het voorgaande geldt voor alle vergunningvoorschriften ongeacht de vraag of zij strenger dan wel soepeler zijn dan de voorschriften van het besluit.

Het komt niet zelden voor, dat vergunningvoorschriften slechts kunnen worden verstaan in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag om de vergunning. Ook zijn gevallen bekend waarin die gegevens hoewel niet opgenomen als voorschrift, bepalend zijn voor de vaststelling of de inrichting binnen de grenzen van hetgeen is vergund in werking is. In zo’n geval gaat het meestal om de omvang van de activiteiten waarbij het bevoegd gezag ervoor heeft gekozen de aanvraag deel te laten uitmaken van de vergunning, in plaats van een uitdrukkelijke vermelding van de aangevraagde activiteiten in de voorschriften. Doet zich het eerste geval voor, dan zou in het geheel geen maatwerkvoorschrift blijven gelden, hoewel dit wel nodig kan zijn. Om hieraan tegemoet te komen is tot uitdrukking gebracht dat voorschriften worden geacht aan de vergunning te zijn verbonden, indien in de aanvraag gegevens staan die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften.

Tweede lid

In het tweede lid is bepaald dat de op basis van de in artikel 5.9 genoemde besluiten gestelde nadere eisen gelden als maatwerkvoorschriften, gesteld krachtens dit besluit. Ook het tweede lid geldt slechts indien, voor het onderwerp waarop de nadere eisen, gesteld krachtens de in artikel 5.9 genoemde besluiten, betrekking hebben, in dit besluit de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften door het bevoegd gezag is opgenomen, en de nadere eisen bovendien betrekking hebben op één van de onderwerpen genoemd in het eerste lid. Als deze bevoegdheid er niet is, vervallen de oorspronkelijk gestelde nadere eisen. Het voorgaande geldt voor alle gestelde nadere eisen ongeacht de vraag of zij strenger dan wel soepeler zijn dan de voorschriften van het besluit. Ook hier geldt dat het bevoegd gezag te allen tijde de mogelijkheid heeft om de oude nadere eisen dan wel de nieuwe maatwerkvoorschriften te wijzigen of in te trekken.

Artikel 5.2

Met dit artikel wordt hetgeen in artikel 5.1 is geregeld met betrekking tot inrichtingen die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit vergunningplichtig waren, maar als gevolg van de inwerkingtreding van dit besluit niet meer vergunningplichtig zijn, op een vergelijkbare wijze geregeld voor lozingen die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit vergunningplichtig waren, maar als gevolg van de inwerkingtreding van dit besluit niet meer vergunningplichtig zijn.

Artikel 5.3

Het besluit biedt in artikel 2.2, tweede lid, de mogelijkheid om het lozen in het oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, die geen vuilwaterriool is, die bij of krachtens dit besluit niet expliciet zijn toegestaan, bij maatwerkvoorschrift alsnog toe te staan. Wanneer voor dergelijke lozingen voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit reeds een vergunning op grond van de Wvo of een ontheffing van het Lozingenbesluit bodembescherming gold, wordt deze vergunning of ontheffing gelijkgesteld met bovenbedoeld maatwerkvoorschrift, zodat niet opnieuw een toestemming behoeft te worden verleend.

Artikel 5.4

Eerste en tweede lid

Deze leden, alsmede het derde lid, gelden voor inrichtingen, reeds opgericht voordat dit besluit op die inrichtingen van toepassing wordt, die niet vielen onder een van de oude 8.40-AMvB’s, maar niet beschikken over een geldige vergunning. Degene die een dergelijk inrichting drijft, dient ten hoogste vier weken na de inwerkingtreding van dit besluit overeenkomstig artikel 1.9 aan het bevoegd gezag te melden dat hij de inrichting in werking heeft.

Derde lid

Indien een vergunningaanvraag op grond van het oude recht is ingediend, maar de vergunning daarop ten tijde van de inwerkingtreding van het besluit nog niet in werking én onherroepelijk was, is ten aanzien van de aanvraag het derde lid van toepassing. In die gevallen is het niet nodig de aanvraag in te trekken en vervolgens een melding overeenkomstig artikel 1.9 te doen, waarbij wederom dezelfde gegevens worden verstrekt. In dit lid is namelijk bepaald dat zo’n aanvraag wordt aangemerkt als een melding in de zin van dit besluit.

Artikel 5.5

Met dit artikel wordt hetgeen in artikel 5.4, derde lid, is geregeld met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor het oprichten van de inrichting, op een vergelijkbare wijze geregeld voor een aanvraag voor het lozen op grond van artikel 1 van de Wvo.

Artikel 5.6

In verschillende van de oude 8.40-AMvB’s stonden verplichtingen tot regelmatige keuring van bepaalde zaken, zoals ondergrondse tanks. Zonder deze bepaling zou het kunnen lijken alsof de verplichting tot regelmatige keuring pas met de inwerkingtreding van dit besluit is ingegaan. In werkelijkheid gaat het echter om een al bestaande keuringsverplichting. Bedoeling van dit artikel is dan ook om lopende termijnen te respecteren.

Artikel 5.7

In dit artikel is bepaald dat wijzigingen van niet-publiekrechtelijke regelingen waarnaar dit besluit verwijst (zoals NEN-normen of PGS), direct na de dag waarop de wijziging van de geldende versie in de ministeriële regeling wordt gepubliceerd voor de toepassing van dit besluit gaan gelden. Dit artikel sluit aan bij artikel 1.5, onder e. Dat artikel maakt het mogelijk bij ministeriële regeling aan te geven welke uitgave van een niet-publiekrechtelijke normen van toepassing is. Als een nieuwe versie wordt gepubliceerd, zal de ministeriële regeling hierop in principe worden aangepast. Er zal dan ook overgangsrecht worden geformuleerd. Artikel 5.7 bepaalt dat deze nieuwe versie direct na de publicatie van de ministeriële regeling van toepassing is.

Bijlage 1

Bijlage 1 geeft een overzicht van categorieën van inrichtingen waarvoor in principe de vergunningplicht blijft gelden. In principe, want er blijven nog enkele andere AMvB’s op grond van art 8.40 Wm bestaan, het Besluit landbouw milieubeheer en het Besluit glastuinbouw, die de vergunningplicht opheffen en die apart hun werkingssfeer bepalen.

Zo worden veehouderijen in deze bijlage genoemd, waardoor deze in principe vergunningplichtig worden, maar wordt voor veel veehouderijen de vergunningplicht door het Besluit landbouw milieubeheer opgeheven. Dit is een overgangssituatie; op termijn moet er één lijst komen die bepaalt welke categorieën van inrichtingen vergunningplichtig zijn.

Naast deze categorieën blijft de vergunningplicht ook gehandhaafd voor bedrijven die onder de reikwijdte van de IPPC-richtlijn vallen. Dit is niet geregeld in deze AMvB maar bij wet, namelijk door art 8.1, eerste lid, van de Wm.

Categorie a-e

Bijlage 1 begint met enkele algemene categorieën.

Categorie a) Inrichtingen waarvoor de Rijksoverheid bevoegd gezag is

De minister van VROM of van EZ zijn bevoegd gezag voor speciale inrichtingen, bijvoorbeeld inrichtingen met een bijzonder nationaal belang zoals defensieterreinen of kerncentrales of inrichtingen waarop de Mijnbouwwet van toepassing is. Voor deze bijzondere gevallen blijft de vergunningplicht gelden. Verbindings- en commandocentra van de krijgsmacht (categorie 5 van bijlage II) vielen vaak al onder het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, en worden om die reden ook hier uitgezonderd, zodat ze onder deze AMvB kunnen vallen.

Categorie b) Inrichtingen waarop een andere 8.40-AMvB van toepassing is

Naast de activiteiten-AMvB blijven er nog een aantal andere AMvB’s op grond van art 8.40 (v/h art 8.40 en 8.44 Wm) bestaan. De hier opgesomde besluiten en regelingen stellen speciale eisen aan zwaardere klassen van inrichtingen (zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen of het Besluit risico’s zware ongevallen). Het ligt voor de hand dat deze inrichtingen vergunningplichtig blijven.

Naast de opgesomde besluiten en regelingen is er nog een groep van AMvB’s (vooral de ‘oude’ 8.44-AMvB’s) die eisen stellen aan een onderdeel van een inrichting. Dit zijn het Besluit emissie eisen stookinstallaties B, het Asbestverwijderingsbesluit 2005, het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer en de Regeling scheiden en gescheiden houden van afvalstoffen. Deze besluiten kunnen voor een inrichting gelden naast deze activiteiten AMvB. Het feit dat één van deze besluiten van toepassing is leidt niet tot vergunningplicht.

Categorie c) m.e.r.-plichtige activiteiten

Activiteiten waarvoor de m.e.r.-plicht geldt, zullen vergunningplichtig moeten blijven, gezien de eisen van de m.e.r.-procedure. Onder de oude besluiten werden m.e.r.-plichtige activiteiten ook uitgezonderd. Het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen milieubeheer bepaalde dat recreatieinrichtingen met een capaciteit van ten hoogste 500.000 bezoekers per jaar - de grens waarbij de m.e.r.-plicht geldt - onder het besluit konden vallen, en bepaalde daarnaast in de uitsluitcriteria dat inrichtingen waarvoor krachtens hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport dient te worden gemaakt niet onder het besluit konden vallen. Dezelfde benadering werd gevolgd bij het Besluit jachthavens milieubeheer; de werkingssfeer van het besluit werd begrensd tot jachthavens met maximaal 500 ligplaatsen - de grens waarboven de m.e.r.-plicht geldt - en daarnaast werd in de uitsluitcriteria bepaald dat een inrichting waarvoor krachtens hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer een milieu-effectrapport dient te worden gemaakt niet onder het besluit kon vallen.

In het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer werd bepaald dat windmolenparken met een gezamenlijk elektrisch vermogen tot 15 MW onder het besluit konden vallen. Dit sluit aan bij de grens van de m.e.r.-beoordeling. Bij de bedrijven die nieuw onder dit besluit gaan vallen in de metalektro-sector en bij grote houtbedrijven kan de m.e.r.-beoordeling van toepassing zijn. Voor die categorieën wordt aangesloten bij de grens voor de m.e.r.-beoordeling.

Categorie d) deelnemers aan CO2-emissiehandel

Inrichtingen die op grond van hoofdstuk 16 Wm meedoen met CO2-emissiehandel moeten vergunningplichtig blijven. Overigens zijn dit overwegend inrichtingen die al om andere redenen ook vergunningplichtig zijn, bijvoorbeeld omdat het inrichtingen zijn waar één of meer gpbv-installaties voorkomen.

Categorie e) inrichtingen die zich willen vestigen op een gesloten stortplaats

Aan inrichtingen die zich willen vestigen op een gesloten stortplaats moeten speciale eisen gesteld kunnen worden om verstoring van de afgedekte lagen te voorkomen. Om die reden blijven deze ongeacht de activiteit vergunningplichtig.

Categorie f-gg: Relatie met bijlage I Ivb

Of er sprake is van een inrichting wordt bepaald aan de hand van de algemene definitie in de Wm en de categorieën in bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Dat systeem blijft ongewijzigd. Als er sprake is van een inrichting worden er dus één of meer activiteiten uitgevoerd die ervoor zorgen dat de inrichting onder één of meer Ivb-categorieën valt. Sommige van die activiteiten worden onder deze AMvB geregeld, andere niet.

Een simpele benadering zou zijn dat deze AMvB van toepassing is op inrichtingen waar uitsluitend activiteiten plaatsvinden uit hoofdstuk 3 en 4 van dit besluit. Zodra er een activiteit plaatsvindt die niet genoemd wordt, leidt dit tot vergunningplicht. Deze simpele benadering leidt niet tot het gewenste resultaat. Als een activiteit niet genoemd wordt in hoofdstuk 3 of 4, zoals bijvoorbeeld het geven van onderwijs, wil dat nog niet zeggen dat hij milieurelevant is. Wil een niet genoemde activiteit vergunningplicht rechtvaardigen, dan moet het gaan om een activiteit die milieurelevant is. Het moet dus gaan om een activiteit die genoemd wordt in bijlage I van het Ivb.

Helaas is het echter zo dat er in bijlage I van het Ivb enkele activiteiten genoemd worden, waar geen specifieke voorschriften aan gesteld hoeven te worden. Een voorbeeld is het hebben van drie of meer gokkasten, waarvoor over het algemeen de inrichtinggerelateerde voorschriften voor geluid voldoende zijn. Om die reden is het nodig om per Ivb-categorie aan te geven welke activiteiten milieurelevant zijn en (nog) niet in deze activiteiten-AMvB zijn geregeld.

Overigens zal een activiteit binnen een inrichting pas tot vergunningplicht leiden als de activiteit een zekere continuïteit en omvang heeft. In lijn met de huidige jurisprudentie over het in hoofdzaak criterium van de oude 8.40 AMvB’s leidt een activiteit alleen dan tot vergunningplicht als hij zelfstandig ook een inrichting zou vormen.

Een inrichting valt dus alleen dan in categorie f-cc als er binnen de inrichting één of meer van de in de categorieën genoemde activiteiten plaats vindt én deze activiteit een dusdanige aard heeft dat hij zelfstandig een inrichting zou vormen. In de bijlage is dit tot uitdrukking gebracht door aan de categorieën van inrichtingen toe te voegen of het een inrichting is voor de betreffende activiteit of een inrichting waar de betreffende activiteit plaatsvindt. Bij een inrichting waar een activiteit plaatsvindt is de inrichting ten alle tijde vergunningplichtig ook al wordt een activiteit in mindere mate uitgevoerd. Bij deze categorieën is overigens ook vaak sprake van een ondergrens.

Binnen het Ivb bijlage I doet categorie 1 dienst als vangnet: mocht er een nieuwe activiteit opduiken, dan is al vrij snel sprake van een inrichting onder categorie 1, bijvoorbeeld omdat er meer dan 1,5 kW opgesteld motorisch vermogen aanwezig is. In het oude systeem gold dan meteen de vergunningplicht. Deze AMvB heeft dit vangnet niet. Een onvoorziene niet genoemde activiteit die alleen onder categorie 1 van bijlage I van het Ivb valt is dus niet vergunningplichtig. Mocht deze situatie zich voordoen, dan kan het bevoegd gezag via de zorgplichtbepalingen eisen stellen, totdat bezien kan worden of het nodig is voor de nieuwe activiteit vergunningplicht in te voeren.

Specifieke toelichtingen bij categorie f-gg

Categorie f

Categorie f noemt enkele activiteiten die vallen onder categorie 1 van bijlage I van het Ivb. Alleen bekende activiteiten die onder categorie 1 vallen zijn in categorie f overgenomen; categorie f heeft dus niet de vangnetfunctie zoals categorie 1 die wel heeft. In categorie f is aansluiting gezocht bij de gevallen waar volgens categorie 1 van bijlage I van het Ivb GS het bevoegd gezag is. Dit geldt bij een totaal geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer en bij het beproeven van verbrandingsmotoren waarbij voorzieningen aanwezig zijn voor het afremmen met een gezamenlijk motorisch vermogen van 1 MW of meer. Hierdoor kunnen sommige motorrevisiebedrijven ook onder het besluit vallen; overigens kunnen andere activiteiten zoals bijvoorbeeld het schoonbranden van motoronderdelen (pyrolyse) ervoor zorgen dat een motorrevisiebedrijf niet onder dit besluit kan vallen (zie categorie q). Het beproeven van straalmotoren of turbines leidt ongeacht de omvang tot vergunningplicht. In categorie I van het Ivb is GS ook bevoegd gezag bij een stookinstallatie met een vermogen van meer dan 50 MW en een motorisch vermogen van meer dan 1 MW voor het vervaardigen van petrochemische producten of chemicaliën. Aangezien er in die gevallen automatisch sprake is van een gpbv-installatie, zijn deze hier niet overgenomen, omdat die gevallen volgens art 8.1, eerste lid, van de Wm al vergunningplichtig zijn.

Voor warmtekrachtinstallaties die gestookt worden op biobrandstof of diesel moeten andere eisen gesteld kunnen worden aan veiligheid, onderhoud of rendement. Om die reden blijven deze vergunningplichtig.

Voor andere stookinstallaties zijn onder dit besluit alleen aardgas, propaan, butaan, gasolie of biodiesel toegestaan. De Wet op de accijns bepaalt wat onder gasolie verstaan wordt. Naast de brandstoffen die onder de oude besluiten al toegestaan waren is biodiesel toegestaan die is toegelaten voor gebruik als brandstof voor het wegverkeer. Hiervoor gelden in gebruik dezelfde eisen als voor gasolie. Andere biobrandstoffen zullen onder dit besluit gebracht worden als er voldoende garantie over de kwaliteit is. Ook wordt er nog gekeken naar de precieze voorschriften waaronder houtstook onder dit besluit gebracht kan worden. Voor het gebruik van brandstoffen die minder wenselijk zijn zoals kolen of zware stookolie blijft de vergunningplicht gelden. Voor stookinstallaties met een typeplaatje is een grens gesteld ontleend aan de verplichting in het Bouwbesluit om rook af te voeren. Het is toegestaan andere brandstoffen dan de genoemde te gebruiken in een installatie onder die grens. Ook is een kolenvuur of kolenbed voor het ambachtelijk smeden toegestaan waarvoor in paragraaf 4.3.5 voorschriften gesteld zijn.

Overigens geldt wanneer een mogelijke brandstof een afvalstof is zoals bijvoorbeeld afgewerkte olie, is het verbranden tevens uitgesloten op grond van categorie gg.

Crematoria zijn hier opgenomen omdat ze niet genoemd worden in andere Ivb-categorieën.

Categorie g en h

In deze twee categorieën worden allerlei vormen van chemische productie uitgesloten van dit besluit. Het gaat hier om activiteiten die kunnen vallen onder Ivb categorie 2 (gassen), 3 (explosieven), 4 (diverse chemicaliën), 5 (brandbare vloeistoffen) en mogelijk ook 7 (kunstmest) en 10 (bestrijdingsmiddelen). In deze categorie is er een grote overlap met de reikwijdte van de IPPC-richtlijn.

Onder categorie g valt de vervaardiging en verwerking van rubber en kunststoffen. Het gaat hier om het maken van de grondstoffen zoals EPS-parels of polyesterhars, en om de verwerking van deze grondstoffen tot producten via blazen, extrusie, spuitgieten, thermovormen, schuimen, open maltechniek, gesloten maltechniek, vezelspuiten, agglomereren, expanderen, kalanderen, na-condenseren, pull trusion, rotatiegieten of vulkaniseren. Ook loopvlakvernieuwing van autobanden valt hieronder. Mechanische bewerkingen van kunststoffen zoals zagen en breken en het reinigen of lijmen van kunststoffen vallen onder afdeling 4.4 van dit besluit. Hiermee is aangesloten bij de werkingssfeer van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer.

In het algemeen is in dit besluit voor de indeling van gevaarlijke stoffen aangesloten bij de vervoersregelgeving (ADR). Bij categorie h wordt naast de vervoersindeling ook de indeling van de Wms gebruikt. Als een stof in een van beide kaders als gevaarlijk gezien wordt, is de productie ervan vergunningplichtig. Gezien de definitie van gevaarlijke stof in bijlage 2 vallen hieronder niet alleen stoffen maar ook voorwerpen. Door de brede definitie valt hieronder niet alleen de productie van basischemicaliën en producten die als gevaarlijke stoffen zijn ingedeeld, maar ook de productie van halffabrikaten, farmaceutica, en dergelijke. Relevant is dat alleen van vervaardiging gesproken wordt bij een productieproces waarin een chemische omzetting plaats vindt, niet alleen maar mengen, roeren of afvullen.

Categorie i

Voor categorie i, de opslag van gevaarlijke stoffen, bleek het niet mogelijk om aan te geven welke opslag van stoffen moet leiden tot vergunningplicht omdat daarvoor een lange opsomming nodig is; daarom is gezegd dat opslag van gevaarlijke stoffen in principe leidt tot vergunningplicht met uitzondering van wat in de AMvB geregeld is.

Omdat overgeschakeld is voor de indeling van gevaarlijke stoffen van de Wms naar de ADR, is de wijze waarop stoffen worden uitgesloten veranderd ten opzichte van de oude amvb’s. Verder wijken de uitsluitcriteria af van de criteria in de oude amvb’s omdat de branchegerichte aanpak is losgelaten. In de branchegerichte besluiten was het niet nodig om een uitputtende lijst van gevaarlijke stoffen op te nemen waarvoor vergunningplicht moest blijven gelden. Zo was het in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen niet nodig om een ondergrens op te nemen ten aanzien van bijvoorbeeld de opslag van gasflessen met ethyleenoxide. Een horecabedrijf waar dergelijke gassen aanwezig waren, was immers niet meer uitsluitend of in hoofdzaak een horecabedrijf. Onder de nieuwe amvb kunnen in principe alle bedrijven vallen en dat dwingt daarom tot een precieze opsomming van stoffen waarvoor de vergunningplicht kan vervallen.

Er is voor gekozen te spreken over een inrichting waar deze gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Ook een tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen die niet onder dit besluit geregeld is, leidt dus tot vergunningplicht. Als in een inrichting die onder dit besluit viel gevaarlijke stoffen aanwezig blijken te zijn die niet onder dit besluit geregeld zijn, is er sprake van een overtreding van art 8.1 van de wet. De inrichtinghouder kan deze overtreding op twee manieren ongedaan maken, namelijk door een milieuvergunning aan te vragen of door de gevaarlijke stoffen weg te halen, waardoor de vergunningplicht niet meer van toepassing is.

De grenzen in de categorieën I-XXI zijn ontleend aan de werkingssfeer van de voorschriften in afdeling 4.1 van dit besluit. Voor een heleboel stoffen met een gering milieueffect zijn de grenzen verruimd ten opzicht van de oude besluiten. Zo werd in de oude besluiten alle opslag van gassen in tanks uitgesloten, behalve de opslag van propaan volgens het Besluit voorzieningen en installaties en zuurstof volgens het Besluit woon- en verblijfsgebouwen, terwijl nu ook de opslag van koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof (XIII-XV) is toegestaan. Daarnaast wordt de reikwijdte ten opzichte van de oude amvb’s uitgebreid met de opslag van gevaarlijke stoffen in bovengrondse tanks van de ADR-klassen 5.1 en 8, verpakkingsgroep II en III (XXI). Deze opslag kan onder andere voorkomen bij metalectrobedrijven. In de oude besluiten werd de opslag van gevaarlijke stoffen in bovengrondse tanks verboden, behalve voor een klein aantal stoffen die gebruikt werden bij zwembaden en drinkwaterbedrijven.

Voor stoffen met een groot milieu-effect zijn specifiekere grenzen opgenomen. Zo sloten veel oude besluiten in de categorie explosieven alleen vuurwerk uit, terwijl nu grenzen opgenomen zijn voor verschillende klassen van explosieve voorwerpen (I-IX). Voor gasflessen met ammoniak en ethyleenoxide (XI-XII) zijn bovengrenzen ingevoerd, vanwege de verbreding van de werkingssfeer met onder andere middelgrote ammoniakkoelinstallaties en metalektrobedrijven, waardoor opslag van deze gasflessen grootschaliger onder deze AMvB voor gaat komen dan voorheen. Voor opslag van gassen in tanks (XIII-XV) is de werkingssfeer verbreed ten opzichte van de oude besluiten. Voor de opslag van propaan is aangesloten bij de begrenzing uit het Besluit voorzieningen en installaties. Opslag van condensaten (XVI) en van tetrahydrothiofeen (XVII) - de geurstof die aan aardgas wordt toegevoegd - wordt alleen toegestaan bij aardgasdrukmeet- en -regelstations. Voorschriften voor deze opslagen komen in de ministeriële regeling bij dit besluit. Voor opslag in ondergrondse tanks (XVIII) is aangesloten bij de werkingssfeer van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks milieubeheer. De grenzen voor opslag van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks (XIX-XX) zijn ontleend aan PGS 30. In de oude besluiten worden hier veelal geen grenzen aan gesteld, maar kwamen in de praktijk geen opslagen voor die boven deze grenzen uitkomen.

In XXII wordt aangegeven welke verpakte gevaarlijke stoffen onder de amvb zijn toegestaan en geregeld. Hiervoor is aangesloten bij de werkingssfeer van de PGS 15. Ook ten aanzien van enkele specifieke klassen van verpakte gevaarlijke stoffen, waaraan de PGS-15 richtlijn afwijkende grenzen stelt zijn deze grenzen overgenomen.

Categorie j

Opslagplaatsen van meer dan 10 ton gevaarlijke stoffen (de oude CPR 15-2 opslagplaatsen) worden uitgesloten van deze amvb. Ten aanzien van deze opslagplaatsen is een dusdanig maatwerk vereist dat de vergunningplicht gehandhaafd blijft.

Categorie k

Onder deze categorie worden enkele specifieke activiteiten en installaties met gevaarlijke stoffen opgenoemd.

Het vullen van kleine gasflessen is als activiteit opgenomen onder Afdeling 4.1. Het gaat dan bijvoorbeeld om het vullen van zogenaamde karweiflesjes. In de ministeriële regeling worden hier voorschriften aan gesteld. Verder valt hieronder het vullen van duikflessen met perslucht. De grenzen voor de werkingssfeer zijn ontleend aan PGS23.

Het vullen van spuitbussen is als activiteit nog niet geregeld en wordt om die reden uitgezonderd.

Alle inrichtingen waar LPG wordt afgeleverd aan motorvoertuigen voor het wegverkeer zijn vergunningplichtig.

Ammoniakkoelinstallaties waren in de meeste oude besluiten toegestaan tot 200 kg. De grens wordt hier verlegd naar 1.500 kg. Overigens is op dit moment het Besluit externe veiligheid van toepassing vanaf 400 kg ammoniak. In het Bevi zal de grens ook naar 1.500 kg worden verlegd . Propaan en butaan worden gebruikt als koudemiddel in warmtepompen. De grens van 100 kg is ontleend aan de oude besluiten. Grotere warmtepompen komen op dit moment niet voor.

Voor aardgasdrukmeet- en -regelstations is de werkingssfeer verruimd ten opzichte van het oude Besluit voorzieningen en installaties. Alleen nog installaties waar bij grote drukken gewerkt wordt, of waar aardgasdruk wordt vergroot blijven vergunningplichtig.

Tankstations waar de pomp zich onder het vloeistofniveau van de tank bevindt waren uitgesloten van de werkingssfeer van het oude Besluit tankstations. Omdat bij deze stations extra eisen gesteld moeten worden ter bescherming van de bodem is het uitsluitcriterium gehandhaafd.

In het Besluit jachthavens waren voorschriften gesteld aan het afleveren van motorbrandstoffen aan pleziervaartuigen. In dit besluit worden die voorschriften ook gesteld aan tankstations voor de pleziervaart buiten de jachthaven, zodat die ook onder dit besluit kunnen vallen. Tankstations voor de beroepsvaart blijven vergunningplichtig.

Het oude besluit tankstations zonderde tankstations zonder direct toezicht op korte afstand van gevoelige objecten uit van de werkingssfeer. Er is voor gekozen deze uitsluiting te handhaven. De bedoeling van deze bepaling is dat hij dezelfde werking heeft als de bepaling in het oude Besluit tankstations. De begrippen woning en gevoelig object moeten in dat licht worden gelezen.

Praktijkruimtes en laboratoria werden uitgesloten van de werkingssfeer van het oude Besluit woon- en verblijfsgebouwen. Waarschijnlijk zijn hier specifieke voorschriften voor nodig, voor emissies naar lucht en water, bodembescherming en veiligheid. Voorlopig wordt deze categorie dus uitgezonderd. Het gaat dan met name om grote onderzoekslaboratoria bij universiteiten en kennisinstellingen en gespecialiseerde test- en analyselaboratoria. De term laboratorium is echter vrij breed. Om misverstanden te voorkomen is hier aangegeven dat kleinschalige laboratoria voor het testen van producten onder dit besluit kunnen vallen, net als de kleine medische laboratoria ten behoeve van huisartsen. Ook tandtechnische laboratoria gaan onder dit besluit vallen. Het gaat daarbij om laboratoria waar niet of nauwelijks milieurelevante emissies vrijkomen.

Categorie l

Deze categorie is gebaseerd op categorie 6 van bijlage I van het Ivb. Ten opzichte van het Ivb is de term ’verwerken’ verwijderd, omdat daardoor misverstanden kunnen ontstaan; zo is het bijvoorbeeld niet de bedoeling dat het verwerken van lijm op harsbasis of het verwerken van oliën of vetten tot voedingsmiddelen tot vergunningplicht leidt. Onder bewerking wordt hier ook chemische bewerking verstaan. Harsen en plantaardige of dierlijke oliën en vetten zijn geen gevaarlijke stoffen. Opslag van deze stoffen in verpakking kan zonder voorschriften worden toegestaan. Bij opslag van olie in vaten of tanks kunnen voorschriften ter bescherming van de bodem nodig zijn. Om die reden blijft die opslag voorlopig vergunningplichtig.

Categorie m

Dit komt overeen met Ivb-categorie 7. Het vervaardigen of bewerken van anorganische nitraathoudende kunstmest heeft een overlap met categorie h omdat anorganische nitraathoudende kunstmest meestal tevens een gevaarlijke stof is. Omdat met name het ompakken en bewerken van kunstmest kan leiden tot onduidelijkheid over de indeling is gekozen voor het apart benoemen van deze categorie.

Nitraathoudende kunstmest type A en B volgens PGS 7 kan detoneren of deflagreren. In het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer en Opslag en transportbedrijven werd de opslag van deze categorieën ook al uitgezonderd. Overigens komen deze typen normaal gesproken alleen voor bij kunstmestproducenten en -veredelaars.

Het bewerken of verwerken van dierlijke of overige organische meststoffen blijft vergunningplichtig. Overigens wordt hier onder verwerking niet verstaan handelingen die gericht zijn op het gebruik van deze stoffen als meststoffen in het kader van de Meststoffenwet.

Voor het opslaan van vaste meststoffen, overige organische meststoffen en dunne mest worden regels gesteld in het Besluit landbouw milieubeheer. Er wordt nog gekeken of het mogelijk is dat deze regels naast dit besluit kunnen gelden, zodat bijvoorbeeld ook een transportbedrijf onder dit besluit mest in opslag kan hebben.

Categorie n

Deze categorie komt overeen met Ivb-categorie 8. Hieronder vallen allerlei inrichtingen waar dieren worden gehouden. Inrichtingen voor het houden van landbouwhuisdieren worden hier vergunningplichtig verklaard, maar kunnen vervolgens wel onder het Besluit landbouw vallen. Ook wordt er nog gekeken of het mogelijk is dat de eisen uit het Besluit landbouw naast dit besluit kunnen gelden, zodat bijvoorbeeld een recreatie-inrichting onder dit besluit ook pony’s of konijnen kan houden.

Naast de echte landbouwbedrijven worden dieren gehouden in dierentuinen. Door de bepaling dat inrichtingen voor het houden van meer dan 10 diersoorten vergunningplichtig blijven worden dierentuinen buiten dit besluit gehouden. De grens van 10 diersoorten is ontleend aan het Dierentuinenbesluit op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren; vanaf die grens geldt tevens een vergunningplicht op grond van dat besluit.

Tenslotte zijn er nog inrichtingen voor het houden van gezelschapsdieren, zoals dierenwinkels, pensions en asiels. Die kunnen onder dit besluit vallen tenzij er honden of vogels in de open lucht gehouden worden, omdat in dat geval nog naar specifieke geluidvoorschriften gekeken moet worden. Om diezelfde reden is het verladen van landbouwhuisdieren ook nog vergunningplichtig gehouden.

Het ambachtelijk slachten van dieren is toegestaan onder paragraaf 4.8.4 van dit besluit. Tot 1 januari 2006 had de hygiënewetgeving nog een kleine erkenning voor slachthuizen die tot 20 zogenaamde grootvee-eenheden per week slachten; een grootvee-eenheid was één koe, of drie varkens enz. Aangezien deze regeling vervallen is, is simpelweg de grens getrokken bij 20 dieren; dit komt ongeveer overeen met het oude onderscheid. Locaties waar ten behoeve van het islamitisch offerfeest één week per jaar meer dan 20 dieren ambachtelijk geslacht worden blijven voorlopig vergunningplichtig. Ook het verwerken van slachtproducten en van bont en huiden blijft vergunningplichtig.

In het Ivb wordt nog gesproken over de destructie van dieren zoals bedoeld in art 5 van de Destructiewet. Art 5 van de Destructiewet geeft een vergunningplicht voor bepaalde categorieën van inrichtingen en is ondertussen verbreed met activiteiten die buiten het klassieke begrip ’destructie’ vallen. De daar genoemde activiteiten zijn verwerking van hoog- of gespecificeerd hoog-risicomateriaal, opslag of voorbewerking van laag-risicomateriaal, verwerking van laag-risicomateriaal tot diervoeders of vismeel, en een paardencrematorium. De gebruikte termen worden in de Destructiewet gedefinieerd.

Categorie o

Deze categorie komt overeen met Ivb-categorie 9. In dit besluit worden voorschriften gesteld voor het vervaardigen van voedingsmiddelen voor directe consumptie, bijvoorbeeld in horeca, bedrijfskantines of zorginstellingen. Hieronder kan ook de ambachtelijke bereiding van voedingsmiddelen niet voor directe consumptie vallen, die vooral onder het oude Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven voorkwam. Het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven probeerde industriële en ambachtelijke productie van elkaar te onderscheiden. In dit besluit wordt ook uitgegaan van het onderscheid ambachtelijk en industrieel. Voor sommige voedings- en genotmiddelen is dat onderscheid meteen duidelijk, bijvoorbeeld bij het vervaardigen van consumptieijs of sigaren. Het bereiden van voedingsmiddelen voor directe consumptie wordt in principe ook altijd gezien als ambachtelijk. Voor andere gevallen is een beter onderscheid nodig.

In de bakkerijbranche is het onderscheid ambachtelijk en industrieel vooral gekoppeld aan de productiemethode, en dan vooral het toegepaste type oven. De ambachtelijke productie vindt plaats in zogenaamde charge- of inschietovens, terwijl de meer grootschalige productie plaats vindt in continu-ovens, dit zijn meestal tunnel- of bandovens. Het verschil is dat in de charge-ovens de producten chargegewijs in de oven gezet worden, en na het bakken er weer uit gehaald worden, terwijl bij de continu-ovens de producten geautomatiseerd in een continue stroom door de oven heen kunnen gaan. In het oude Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven werden bakkerijen vergunningplichtig vanaf een gezamenlijk bakoppervlak van de ovens van 20 m2. Dit bakoppervlak is lastig vast te stellen, en is niet bepalend voor het onderscheid ambachtelijk-industrieel. Hier is ervoor gekozen de vergunningplicht te laten gelden voor continu-ovens met een gezamenlijke nominale belasting op bovenwaarde van 200 kW of meer. Voor een bakkerij met uitsluitend continu-ovens komt dit ongeveer overeen met de oude grens. Bakkerijen met uitsluitend charge-ovens vallen in principe onder dit besluit. Bij de combinatie geven de continu-ovens de doorslag of er sprake is van vergunningplicht.

Voor andere apparaten dan charge- of continu-ovens is aansluiting gezocht bij de grens waarboven het keuringsregime voor stookinstallaties gaat gelden, dus een nominale belasting op bovenwaarde van 130 kW of meer. De normale apparatuur die gebruikt wordt in een professionele grootkeuken komt niet boven deze grens uit. Als er sprake is van een of meer apparaten die wel boven deze grens uitkomen is er dus zeker sprake van industriële productie. Overigens is dezelfde vermogensgrens ook aangehouden voor elektrische apparatuur, omdat deze eveneens milieubelastend is.

Bij productie met apparatuur boven de vermogensgrenzen is in ieder geval sprake van industriële productie. Er kan ook sprake zijn van industriële productie zonder grote verwarmingsapparaten, bijvoorbeeld bij de industriële verwerking van rauwkost. In die gevallen zal het bevoegd gezag moeten beoordelen of er sprake is van industriële verwerking. Belangrijke factor daarbij is of er meer of andere milieubelasting optreedt dan in dit besluit geregeld is.

De mengvoederindustrie en de opslag van ruwe cacao blijven voorlopig vergunningplichtig.

Categorie p

Deze categorie komt overeen met Ivb-categorie 11. Onder deze categorie vallen het vervaardigen en bewerken van verschillende bouwmaterialen en keramische producten. De opslag van de meeste bouwmaterialen kan onder dit besluit vallen; de voorschriften voor de opslag van bulkgoederen zijn voor de meeste bouwmaterialen afdoende. Alleen de opslag van asbest en ertsen of mineralen blijft voorlopig nog vergunningplichtig. Het gaat dan om structurele opslag. Tijdelijke opslag van asbest, bijvoorbeeld als binnen de inrichting een asbestsanering plaats vindt, leidt niet tot vergunningplicht. In die situatie geldt het Asbestverwijderingsbesluit naast dit besluit.

Voor het vervaardigen of bewerken van porselein of aardewerk en glas of glazen voorwerpen geldt dat alleen de ambachtelijke productie onder dit besluit kan vallen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de traditionele glasblazer of om het repareren van glazen voorwerpen, of glazen onderdelen van producten. Voor porselein en aardewerk is het onderscheid industrieel en ambachtelijk lastiger te maken. Het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven gaf hier ook geen nadere invulling voor. Er wordt nog onderzocht of ook hier aangesloten kan worden bij de grens van 130 kW die bij categorie o gebruikt wordt. De hier genoemde grens van 5 kW is de ondergrens voor het Ivb, en is hier opgenomen om misverstanden te voorkomen; het is niet zo dat bij een thermisch vermogen groter dan 5 kW er direct sprake is van industriële productie.

Het vervaardigen en bewerken van bouwmaterialen blijft verder overwegend vergunningplichtig. Hetzelfde geldt voor handelingen met ertsen, steenkool en mineralen en de winning van steen, mergel, zand en grind. De hier gegeven grenzen zijn zodanig gekozen dat in ieder geval alle inrichtingen waar GS bevoegd gezag is, vergunningplichtig blijven.

Categorie q

Deze categorie komt overeen met Ivb-categorie 12. In deze categorie valt een groot deel van de metalektro-industrie. Voor deze sector zijn voor een groot aantal productieprocessen voorschriften gesteld in hoofdstuk 4 van dit besluit. De reikwijdte van die voorschriften is ook uitgangspunt voor de werkingssfeer van deze amvb voor de metalektro-industrie. Overigens worden een redelijk aantal metalektro-bedrijven vergunningplichtig vanwege andere categorieën. Zo zijn er bijvoorbeeld metalektro-bedrijven met een gpbv-installatie, er zijn metalektro-bedrijven die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, of meedoen aan emissiehandel. In deze lijst zijn daaraan in de eerste 7 bolletjes toegevoegd de gevallen waar volgens categorie 12 van bijlage I van het Ivb GS bevoegd gezag zijn. Hoewel de grenzen voor gpbv, m.e.r.-beoordeling, emissiehandel, en GS bevoegd gezag allemaal net anders geformuleerd zijn, zit er een grote overlap tussen deze categorieën.

De laatste vier bolletjes geven een viertal processen aan waarvoor in dit besluit nog geen voorschriften gesteld zijn, en die om die reden leiden tot vergunningplicht. Het gaat om gieten van zowel ijzer als van non-ferro metalen, het schoonbranden van metalen, het harden of gloeien van metalen of het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak, indien daarbij zouten, oliën of gassen anders dan inerte gassen worden toegepast en het gebruik van cyanidehoudende baden.

Categorie r

Deze categorie komt overeen met Ivb-categorie 13. In categorie 13 worden een heleboel handelingen genoemd met verschillende transportmiddelen en landbouwwerktuigen. Hiervan zijn er nog slechts enkele die tot vergunningplicht leiden. Vooralsnog blijven de luchtvaartsector, de automobielindustrie (waarvoor GS bevoegd gezag is) en de scheepswerven vergunningplichtig. Ook het reinigen van tankschepen en havens voor de beroepsvaart blijven vergunningplichtig. Onder dit besluit kunnen vallen:

• de onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen en verschillende motorvoertuigen,

• het vervaardigen van caravans, landbouwwerktuigen, bromfietsen en motoren,

• het schoonmaken van pleziervaartuigen en verschillende motorvoertuigen,

• het parkeren van motorvoertuigen.

Overigens kunnen inrichtingen waar deze activiteiten plaats vinden vergunningplichtig zijn, omdat bij het vervaardigen ook kunststofverwerking plaats vindt (categorie g). Ook komen er vaak activiteiten voor die vallen onder categorie 12 van het Ivb.

Het parkeren van meer dan 3 vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen leidt tot vergunningplicht. Het moet hierbij gaan om vervoerseenheden zoals een tankwagen bestemd en geschikt voor het vervoer over de weg van gevaarlijke stoffen. Onder dit begrip valt niet een geparkeerd bestelbusje waarin een werkvoorraad verfbussen of andere gevaarlijke stoffen in verpakking liggen. Overigens is het niet de bedoeling dat bestelbusjes structureel gebruikt worden voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen; in dat geval is er namelijk sprake is van opslag van gevaarlijke stoffen en gelden de voorschriften in paragraaf 4.1.1 van dit besluit en de ministeriële regeling.

Voor het parkeren van drie of minder vervoerseenheden voor gevaarlijke stoffen gelden de voorschiften in paragraaf 4.1.4 van dit besluit.

Categorie s en t

Deze twee categorieën komen overeen met Ivb-categorie 14. Deze blijven in hun geheel vergunningplichtig.

Categorie u

Van Ivb-categorie 15 leiden alleen de hier genoemde productieprocessen tot vergunningplicht. Deze processen waren ook al uitgezonderd van de werkingssfeer van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer. Onder houtverduurzaming wordt in het algemeen verstaan het behandelen van hout om het te beschermen tegen micro-organismen en insecten. Het impregneren is het doordrenken van het hout met chemische middelen. Dit leidt niet tot vergunningplicht als het impregneren door kwasten of dompelen plaats vindt. Het verduurzamen van hout door dompelen komt in principe niet meer voor nu in de bouw uitsluitend gecertificeerd hout toegepast wordt.

Categorie v

Deze categorie komt overeen met Ivb-categorie 16. Daaronder vallen handelingen met textiel en papier en grafische technieken.

Voor textiel leidt alleen het industrieel vervaardigen of verwerken tot vergunningplicht. Ambachtelijke vervaardiging of verwerking van textiel viel al onder het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven. Uit bijlage I bij dat besluit volgt dat onder ambachtelijke vervaardiging of verwerking in ieder geval wordt verstaan:

• het vervaardigen of herstellen van maatschoenen of orthopedische schoenen, of het herstellen van schoenen;

• het vervaardigen, herstellen of verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan zadels;

• het vervaardigen of veranderen van hoeden;

• het vervaardigen van appendages voor textielgoederen;

• het anders dan met behulp van automatische weef- of knoopgetouwen vervaardigen of herstellen van textiel, kleden of lopers;

• het vervaardigen van textielgoederen met handbreimachines;

• het vervaardigen naar maat of herstellen van textielgoederen of steuntextiel;

• het bewerken van textielgoederen of het met de hand bedrukken van textielstoffen, anders dan door middel van zeefdruktechnieken;

• het vervaardigen of herstellen van persoonlijke draag- of beschermingsartikelen.

Ook het reinigen van textiel leidt niet tot vergunningplicht. Dit is een verruiming ten opzichte van het Besluit textielreinigingsbedrijven.

Het bewerken van textiel wordt niet genoemd om verwarring rond grafische technieken te voorkomen. Bij grafische technieken bepaalt het toegepaste drukproces of er sprake is van vergunningplicht, de ondergrond waarop gedrukt wordt (papier, textiel, kunststof.e.d.) maakt hiervoor niet uit.

Het vervaardigen of bewerken van papier blijft vergunningplichtig. Onder bewerking vallen activiteiten als coaten, veredelen of voorzien van een lijmlaag (stickerproductie). Het bedrukken van papier is eveneens een bewerking, maar hiervoor bepaalt het drukproces of er sprake is van vergunningplicht.

Voor de genoemde drukprocessen is aangesloten bij het Handboek grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen. Een toelichting op de hier genoemde processen is in dat handboek te vinden. In de oude besluiten werd voor grafische processen een vermogensgrens van 40 kW aangehouden. Daarbij werd het totale motorisch vermogen voor de grafische processen meegenomen. Bepalend voor de milieubelasting is echter de offset; de grens wordt in dit besluit alleen op de offsetpers toegepast. Zeefdruk was uitgezonderd van het oude Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven. Zeefdrukkerijen zijn tevens aangewezen tot de Wvo. In paragraaf 4.7.2 en de ministeriële regeling zijn voorschriften opgenomen voor zeefdruk, waardoor zowel de milieu- als de lozingsvergunning worden opgeheven. De voorschriften gelden voor zeefdruk ongeacht de ondergrond. Verdergaande maatregelen ter bestrijding van de emissie van VOS zijn niet opgenomen, omdat er geen grote emittenten van VOS in de sector voorkomen. Wel wordt voorlopig als bovengrens een emissie van 10 ton VOS aangehouden; op dit moment zijn er geen bedrijven die boven deze grens uitkomen, maar mocht een bedrijf boven deze grens uitgaan, dan kunnen in de vergunning voorschriften voor VOS worden opgenomen.

Categorie w

Deze categorie komt overeen met Ivb-categorie 17. Deze categorie is in zijn geheel vergunningplichtig.

Categorie x

Ivb-categorieën 18 en 19 (horeca, sport en recreatie) kunnen nagenoeg geheel onder dit besluit vallen. Alleen de cross- en paintballterreinen uit categorie 19 blijven vergunningplichtig. Overigens waren deze ook al uitgezonderd van de werkingssfeer van het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen. Voor inrichtingen in de recreatiesector kan de m.e.r.-plicht (categorie c) zorgen voor vergunningplicht.

Categorie y en z

Deze categorieën komen overeen met Ivb-categorie 20. Hieronder vallen verschillende installaties die energie omzetten zoals zendmasten en waterkrachtcentrales. Van Ivb-categorie 20 worden windturbines in paragraaf 3.2.3 van dit besluit geregeld. De uitsluitcriteria van het oude Besluit voorzieningen en installaties zijn hier overgenomen, uitgezonderd de bovengrens van 15 MW; die geldt via categorie c (m.e.r.-beoordeling). De overige categorieën blijven vergunningplichtig. Voor de omschrijving is aangesloten bij de omschrijvingen in het Ivb.

Om misverstanden te voorkomen wordt hier gesproken over een inrichting voor het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie. Het Ivb spreekt over

stralingsenergie in den brede, waardoor ook een straalkachel onder de omschrijving zou vallen. Voor de vergunningplicht is alleen elektromagnetische straling van belang, en dan alleen bij apparaten zoals zendmasten of GSM- of UMTS-antennes die een elektromagnetisch veld of signaal onderhouden. Het gaat er dus om dat er elektriciteit ingaat, en elektromagnetische straling uitkomt. Apparaten waar intern, bijvoorbeeld in een schakeling, een elektromagnetische puls elektrisch wordt opgewekt vallen niet onder deze categorie.

Ook voor het omzetten van thermische in elektrische energie gaat het om installaties waar rest- of aardwarmte ingaat, en dat vervolgens elektriciteit produceert. Ook hier gaat het niet om karakterisering van een deel van een apparaat of installatie.

Categorie aa

Deze categorie komt overeen met Ivb-categorie 21. Deze blijft in zijn geheel vergunningplichtig.

Categorie bb

Deze categorie komt overeen met Ivb-categorie 23. Daarvan blijven alleen de ziekenhuizen vergunningplichtig. Voor de definitie van het begrip ziekenhuis is aangesloten bij de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek en de Wet toelating zorginstellingen. Overige zorginstellingen en medische praktijken kunnen onder dit besluit vallen.

Categorie cc

Deze categorie komt overeen met Ivb-categorie 24. Deze blijft in zijn geheel vergunningplichtig.

Categorie dd

Deze categorie komt overeen met Ivb-categorie 25. Het gaat hier om het inwendig reinigen van vaten en transportmiddelen. Er zijn gespecialiseerde bedrijven die vaten of tankauto’s van derden reinigen. Hierbij kan het zijn dat de residuen in vaten of tanks afval zijn. Bovendien blijkt dat in die gevallen de controle op emissies heel belangrijk is. Deze gespecialiseerde bedrijven worden daarom vooralsnog niet onder dit besluit gebracht.

Het afvalwater van de reiniging van vaten of tanks waarin gevaarlijke stoffen vervoerd zijn kan zelfs gevaarlijk afval zijn. Om die reden blijft ook die reiniging vergunningplichtig.

Onder dit besluit wordt alleen de reiniging van tanks en vaten toegestaan binnen de inrichting waar ze of geladen of gelost zijn, en dan alleen voorzover ze beladen waren met niet-gevaarlijke stoffen.

Categorie ee

Deze categorie komt overeen met Ivb-categorie 26. Deze blijft in zijn geheel vergunningplichtig.

Categorie ff

Deze categorie komt over een met Ivb-categorie 27. De vergunningplicht blijft gelden voor inrichtingen voor zuivering van water uit het riool. Voorzover de individuele behandeling van huishoudelijk afvalwater plaatsvindt binnen een inrichting gelden daarvoor de voorschriften in paragraaf 3.1.4 en leidt dit niet tot vergunningplicht.

Ten aanzien van de behandeling en lozing van bedrijfsafvalwater geldt dat de voorschriften hiervoor gesteld worden bij het proces waar het bedrijfsafvalwater ontstaat. Als het bedrijfsafvalwater wordt gezuiverd in een aparte waterzuivering - al dan niet na inzameling - blijft voor die zelfstandige afvalwaterzuivering de vergunningplicht gelden.

Categorie gg

Bij de vergunningplicht voor activiteiten met afvalstoffen is zoveel mogelijk aangesloten bij categorie 28 van het Ivb. Inhoudelijke wijzigingen zijn niet beoogd. Activiteiten die zelfstandig geen inrichting vormen zijn niet vergunningplichtig. Om deze reden keren de uitzonderingen die zijn opgenomen in de onderdelen 28.2 en 28.3 van het Ivb in de onderhavige lijst niet terug. Bij de omzetting naar de lijst zijn verder enkele redactionele verbeteringen aangebracht.

Nieuw ten opzichte van de situatie voor de inwerkingtreding van dit besluit is het vierde bolletje van onderdeel gg. Deze bepaling is gewenst, omdat voor het omgaan met afvalstoffen uit milieuhygiënisch oogpunt een vergunningplicht niet in alle gevallen noodzakelijk is. Zonder deze voorziening leidt een strikte uitleg van (onderdelen van) categorie 28 van het Ivb ertoe, zo blijkt ook uit jurisprudentie, dat de inrichting vergunningplichtig wordt louter als gevolg van het feit dat daarin afvalstoffen omgaan. De onderhavige vrijstelling voorkomt dit.

De reikwijdte van de vrijstelling geldt voor afvalstoffen van metaal, hout, kunststof en textiel en de daarmee gemaakte produkten, eveneens van metaal, hout, kunststof, hout en papier. Overigens zijn de afvalstof en het daarmee te maken product niet gekoppeld. Zoals uit de redactie blijkt is het mogelijk om bijvoorbeeld een product van metaal te herstellen met afgedankte kunststof. Voor de genoemde materialen is gekozen vanwege hun relatief geringe milieurelevantie. Gevaarlijke afvalstoffen zijn van de vrijstelling uitgezonderd.

Het is niet uitgesloten dat in specifieke situaties de inzet van deze afvalstoffen bij het maken van de hier bedoelde producten leidt tot uit een oogpunt van milieubescherming ongewenste situaties. Dit zou het geval kunnen zijn indien de eigenschappen van de afvalstof afwijken van grondstof die anders voor het productieproces zou zijn gebruikt. Daarom is in artikel 2.14 bepaald, dat het bevoegd gezag in die gevallen voorschriften kan stellen aan deze inzet van afvalstoffen.

Bij de categorieën m, dd en ff kan formeel sprake zijn van verwerking van afvalstoffen. De uitzonderingsbepaling voor mest, afvalwater en tankreiniging is opgenomen om ervoor te zorgen dat voor die categorieën niet naar de grenzen in deze categorie gekeken hoeft te worden.

Bijlage 2

Deze bijlage bevat de meer technische definities. Deze definities zijn een aanvulling op de meer algemene definities van artikel 1.1, eerste lid. Zoveel mogelijk wordt verwezen naar definities in andere wetten en niet-publiekrechtelijke regelingen. Zo wordt voor begrippen met betrekking tot geluid verwezen naar de Wet geluidhinder en begrippen die oplosmiddelen betreffen naar het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer.

Brandcompartiment

Hiermee wordt bedoeld een gedeelte van één of meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand.

Beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten

(Beperkt) kwetsbare objecten die behoren tot een risicoveroorzakende inrichting, worden voor de toepassing van dit besluit, niet beschouwd als (beperkt) kwetsbaar object.

In het beleid inzake externe veiligheid werden tot dusverre uiteenlopende indelingen naar kwetsbaarheid van objecten gehanteerd, al naar gelang van het type risicobron (LPG-tankstation, opslag van propaan, CPR-15 inrichting). In dit besluit zijn die indelingen geharmoniseerd in de lijn van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Een uitgebreide toelichting op de begrippen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten is opgenomen in de nota van toelichting van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

CMR

Het gaat hier alleen om producten die het symbool ‘T’ (Giftig) toegekend hebben gekregen.

Gasdrukmeet-en regelstations

Bij de categorie indeling van de gasdrukmeet- en regelstations is aangesloten bij de indeling zoals deze is opgenomen in de NEN 1059.

Geluidsgevoelige objecten

Bij de begripsbepalingen met betrekking tot geluid wordt op sommige punten verwezen naar de Wet geluidhinder. Hierbij wordt gedoeld op het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet geluidhinder dat nu bij de Eerste Kamer ligt (kamerstukken II 2005-2006 29 879).

Motorvoertuig / voertuig

Zowel het begrip motorvoertuig als voertuig worden gebruikt in dit besluit. Het is nodig om het begrip voertuig apart van het begrip motorvoertuig te definiëren, omdat het begrip voertuig exclusief gebruikt wordt in artikelen die referereren aan emissie-eisen en drempelwaarden die worden gesteld in het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer.

Opslagtank

Verpakkingen, tanks en reservoirs die toegelaten zijn voor transport en dus ook voldoen aan de regels van het ADR worden niet als opslagtank beschouwd.

Voor wat betreft de grens tussen een verpakte gevaarlijke stof en een opslagtank, kan het volgende worden aangehouden.

Verpakkingen, tanks en reservoirs, die niet voldoen aan de regels van het ADR, worden als opslagtank beschouwd:

- indien het een gevaarlijke vloeistof betreft in een verpakking, tank of reservoir van meer dan 300 liter;

- indien het een gas betreft in een tank of reservoir van meer dan 150 liter.

Woning

Ook illegale woningen krijgen door deze definitie bescherming. Jurisprudentie zegt hierover het volgende: het milieurecht is geschreven ter bescherming van het belang van het milieu. Het ruimtelijke ordeningsrecht geeft bevoegdheden in verband met een goede ruimtelijke ordening. Met andere woorden, in het kader van het milieurecht telt alleen het milieubelang.

Indien een gebouw in strijd met het bestemmingsplan wordt bewoond of in die gevallen dat er geen bestemmingsplan is, een gebouw dat niet voor bewoning is bestemd in de ruime zin van het woord (bijvoorbeeld een schuur bij een agrarisch bedrijf) wel feitelijk voor bewoning wordt gebruikt en dit is naar het oordeel van het bevoegd gezag onwenselijk, dan dient het bevoegd gezag de situatie ongedaan te maken door middel van handhaving op basis van de Wet ruimtelijke ordening of eventuele andere relevante regelgeving.

Indien ten aanzien van een illegaal bewoonde bedrijfsruimte waarvoor ten tijde van het nemen van een handhavingsbesluit of het besluit om niet te handhavend op te treden op de voorschriften op dit besluit, reeds een handhavingsprocedure is gestart teneinde de bewoning van de bedrijfsruimte te doen beëindigen, dan kan onder omstandigheden het beëindigen van het illegale gebruik van een bedrijfsruimte worden aangemerkt als een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer (ABRvS, 200500047/1, d.d. 7 september 2005).

Een nog niet aanwezige woning of nog niet aanwezig gebouw, waarvoor het geldende bestemmingsplan verlening van de bouwvergunning toelaat, maar deze nog niet is afgegeven krijgt geen bescherming ten aanzien van geluidhinder.

Met betrekking tot water

De besluiten waarin lozing van afvalwater vanuit inrichtingen vóór de inwerkingtreding van dit besluit was geregeld, hanteerden verschillende begripsomschrijvingen. In dit besluit is zo veel mogelijk aangesloten bij begripsomschrijvingen uit Europese regelgeving, met name bij richtlijn nr. 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater. Omdat voor de artikelen van dit besluit die mede op de Wvo zijn gebaseerd, de begripsomschrijvingen van de Wm niet van toepassing zijn, zijn die ook in artikel 1 opgenomen.

Met betrekking tot de begripsomschrijving van afvalwater wordt nog opgemerkt, dat voorzover het uit inrichtingen in het oppervlaktewater geloosde water geen verontreinigende of schadelijke stoffen of afvalstoffen bevat, dat water gelet op artikel 1, eerste lid, van de Wvo niet onder het bereik van die wet zou vallen, en daarmede derhalve ook niet zou vallen onder de artikelen van dit besluit, die uitsluitend op de Wvo zijn gebaseerd. In de praktijk doet die situatie zich echter niet voor. Al het afvalwater dat wordt geloosd, of het gaat om bedrijfsafvalwater, huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of ander afvalwater, zal enige mate van verontreiniging bevatten. Daarmede is overigens nog niet gezegd dat de mate van verontreiniging zodanig is dat het treffen van maatregelen bij alle inrichtingen nodig is.

In de omschrijving van het begrip lozen worden de verschillende mogelijkheden genoemd om zich van afvalwater te ontdoen. Bij de eerste twee, namelijk het direct brengen in het oppervlaktewater of op of in de bodem, vindt lozing van afvalwater (al dan niet na zuivering) rechtstreeks in het milieu plaats. Bij de overige mogelijkheden wordt geloosd in een voorziening die voor het beheer, zoals inzameling, transport, nuttige toepassing of verwijdering, van afvalwater is bestemd en wordt het afvalwater vervolgens door de beheerder van die voorziening, al dan niet na behandeling, in het milieu gebracht.

Daarbij kan het gaan om verschillende voorzieningen:

1. Een openbaar vuilwaterriool, beheerd door of namens de gemeente, waarmede stedelijk afvalwater wordt ingezameld en naar een zuiveringstechnisch werk wordt getransporteerd. Daarbij kan het gaan om zowel de klassieke grootschalige rioolstelsels, waarmede omvangrijke woongebieden worden gerioleerd, als om kleinschalige voorzieningen, waardoor bijvoorbeeld in het buitengebied het afvalwater van slechts een beperkt lozers naar een kleinschalig zuiveringstechnisch werk wordt getransporteerd. Uit de begripsomschrijvingen van openbaar vuilwaterriool en stedelijk afvalwater volgt dat van een openbaar vuilwaterriool slechts sprake is als daardoor huishoudelijk afvalwater wordt ingezameld en getransporteerd, al dan niet in combinatie met afvloeiend hemelwater en bedrijfsafvalwater. Dat is in overeenstemming met de primaire functie van het openbaar vuilwaterriool, namelijk transport van bezinkbare en biologisch afbreekbare stoffen naar de primair voor verwijdering van die stoffen ontworpen zuiveringsinstallaties.

2. Een openbaar hemelwaterstelsel, bestemd voor het beheer van afvloeiend hemelwater. Daarbij kan het gaan om riolering; een zelfstandig hemelwaterriool of het hemelwatergedeelte van een verbeterd gescheiden stelsel. Het kan ook gaan om een bovengrondse voorziening voor afvoer en in het milieu terugbrengen van afvloeiend hemelwater, zoals de zogenaamde wadi’s. Indien afvloeiend hemelwater wordt ingezameld en getransporteerd door middel van een voorziening die tevens bestemd is voor inzameling en transport van huishoudelijk afvalwater is er geen sprake van een openbaar hemelwaterstelsel, maar van een openbaar vuilwaterriool. Door de vermenging is het relatief schone afvloeiend hemelwater immers verontreinigd geraakt en moet het verder als vuilwater worden behandeld.

3. Een openbaar ontwateringsstelsel, bestemd voor de verwerking van overtollig grondwater. Een dergelijke voorziening kan in de praktijk gecombineerd worden met een voorziening voor het beheer van afvloeiend hemelwater. Gelet op de gehanteerde begripsomschrijvingen is bij een dergelijke gecombineerde voorziening zowel sprake van een openbaar hemelwaterriool als een openbaar ontwateringsstelsel.

4. Een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. Onder die restcategorie vallen enerzijds stelsels die van overheidswege worden beheerd, maar bestemd zijn voor ander afvalwater dan stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of overtollig grondwater, en anderzijds stelsels die niet door of namens de overheid worden beheerd, maar bijvoorbeeld door een stichting die een terrein waar afvalwater vrijkomt, beheert. Veelal zal afvalwater uit dergelijke stelsels uiteindelijk alsnog op een overheidsvoorziening worden geloosd.

5. Zuiveringstechnisch werk, waaronder zowel wordt verstaan de grootschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties als kleinschalige door de overheid beheerde zuiveringstechnische werken die in het buitengebied om redenen van doelmatigheid worden toegepast als alternatief voor aansluiting op het openbaar vuilwaterriool waarmede de bebouwde kom is gerioleerd.

Voor het reguleren van de lozingen is het van belang, of een lozing op een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater vervolgens via die voorziening op een zuiveringstechnisch werk uitkomt. Is dat wel het geval, dan verschillen de eisen voor lozingen voor verschillende parameters van eisen die worden gestel wanneer de lozing vanuit de voorziening rechtstreeks in het milieu plaatsvindt. Om dit onderscheid te maken wordt in dit besluit de omschrijving «vuilwaterriool» gebruikt. Hieronder valt naast een openbaar riool ook een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater die uitkomt op een zuiveringstechnisch werk, of op een zuiveringsvoorziening die blijkens een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wvo, voor het zuiveren van stedelijk afvalwater is bestemd. Dit laatste kan het geval zijn bij die industriële zuiveringen, welke qua prestaties niet verschillen van een zuiveringstechnisch werk.

1 De Wet Milieubeheer en vervoermanagement; VNG milieureeks 13 (1999).

Handleiding de Wet Milieubeheer en de Verruimde Reikwijdte; VNG milieureeks (2001).

2 Handhavers in Amsterdam (bekend met ’vervoer’), handhavers van grote gemeenten in Noord-Holland en beleidsambtenaren in Nijmegen.

Naar boven