Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2006, 110 pagina 17Besluiten van algemene strekking

Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2009

Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 mei 2006, nr. BVE/IenI-2006/22578, houdende regels voor het verstrekken van een aanvullende vergoeding voor de innovatie van het beroepsonderwijs voor de periode 2006–2009 (Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006–2009)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Overwegende dat het wenselijk is om verschillende innovatiebudgetten te bundelen en dat voor het jaar 2006 op grond van artikel 3 van de Wet Fonds economische structuurversterking middelen zijn toegevoegd aan de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor ICES projecten op het terrein van kennisinfrastructuur;

Gelet op de artikelen 2.2.3, derde lid, 2.4.3, 12.3.8, tweede lid en 12.3.9, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

Artikel 1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. WEB: de Wet educatie en beroepsonderwijs;

b. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8, dan wel een hogeschool als bedoeld in artikel 12.3.9 van de WEB dan wel door rechtsopvolgers voor wat betreft de beroepsopleidende leerweg;

c. AOC: een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de WEB;

d. Minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

e. FES-middelen: middelen op de begroting van het Ministerie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die beschikbaar zijn gesteld op grond van artikel 3 van de Wet Fonds economische structuurversterking;

f. Groene kenniscoöperatie: het samenwerkingsverband van de agrarische onderwijscentra, de instellingen voor hoger beroepsonderwijs in het domein Landbouw en natuurlijke omgeving en Wageningen universiteit;

g. Aequor: het kenniscentrum op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving.

Artikel 2

Doelomschrijving

1. Het doel van deze regeling:

a. Het verstrekken van een aanvullende vergoeding op grond van artikel 2.2.3., derde lid, van de WEB aan de instellingen om in samenwerking met relevante partijen uit de regio innovatiedoelstellingen te verwezenlijken, gericht op de kwaliteitsverbetering van het beroepsonderwijs en passend binnen de thema’s van de innovatieagenda, bedoeld in het tweede lid;

b. de verdeling van de FES-middelen die voor het jaar 2006 aan de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn toegevoegd, gericht op de doelen genoemd in het vierde lid;

c. het verstrekken van een aanvullende vergoeding aan kenniscentra voor de volgende doelen:

1. het versterken van de beroepspraktijkvorming;

2. de ontwikkeling van kerncompetenties in de kwalificatiestructuur en

3. het oplossen van knelpunten in de aansluiting binnen de beroepskolom vanuit de kwalificatiestructuur beroepsonderwijs.

2. De Minister stelt na overleg met Het Platform Beroepsonderwijs en de Stichting van de Arbeid een innovatieagenda vast waarin opgenomen de thema’s die richtinggevend zijn voor de innovatie van het beroepsonderwijs. De eerste innovatieagenda omvat de volgende thema’s:

a. het bevorderen van competentiegericht beroepsonderwijs, met als subthema’s:

1. het versterken van de beroepspraktijkvorming;

2. het optimaliseren en flexibiliseren van de schoolorganisatie; en

3. het verbeteren van de begeleiding van de deelnemer tijdens zijn binnen- en buitenschoolse leertrajecten;

b. het verbeteren van de programmatische aansluiting tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs,het beroepsonderwijs en het hoger beroepsonderwijs en de doorstroom van leerlingen in de beroepskolom;

c. het optimaliseren van vernieuwing in het beroepsonderwijs met behulp van het bedrijfsleven en van vernieuwing in het bedrijfsleven, in het bijzonder het midden- en kleinbedrijf, met behulp van het beroepsonderwijs; en

d. het bevorderen van ondernemerschap.

3. Bij de invulling van de vier thema’s van de innovatieagenda, bedoeld in het tweede lid, richten de agrarische onderwijscentra zich mede op een aantoonbare bijdrage aan de ontwikkeling van en benutting van kennis in sectoren waarvoor het beleid van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit relevant is.

4. Het innovatiebudget dat voortvloeit uit de FES-middelen wordt door een instelling besteed dat elk van de volgende doelen daarbij aan de orde komt:

a. het ontwikkelen van lesmateriaal voor competentiegericht beroepsonderwijs;

b. het investeren in kennis van docenten over het bedrijfsleven door middel van docentstages en

c. het aanjagen van instroom vanuit zwakkere groepen uit de beroepsbevolking tot 23 jaar in maatwerktrajecten die vooral of geheel in de praktijk worden uitgevoerd.

Artikel 3

Aanwending van de aanvullende vergoeding

1. Een instelling, uitgezonderd een AOC, maakt met relevante partijen in de regio afspraken over de concrete doelen en vormgeving van de innovatie en de uit te voeren activiteiten en richt zich daarbij op de thema’s van de innovatieagenda, bedoeld in artikel 2, onderscheidenlijk de doelen beoogd met de FES-middelen.

2. Een AOC maakt met relevante partijen in de regio en met de organisaties die samenwerken in de Groene Kenniscoöperatie de in het eerste lid bedoelde afspraken.

3. Een instelling besteedt de aanvullende vergoeding aan innovatie in overeenstemming met de afspraken, bedoeld in het eerste en tweede lid.

4. De aanvullende vergoeding die voortvloeit uit de FES-middelen wordt uiterlijk in 2007 besteed. De overige middelen worden uiterlijk in 2010 besteed.

5. Een AOC besteedt het innovatiebudget dat voortvloeit uit de FES-middelen alleen voor het beroepsonderwijs. Het AOC mag het overige deel van het innovatiebudget bestemmen voor het beroepsonderwijs en het voorbereidende beroepsonderwijs binnen het AOC.

Artikel 4

Hoogte van het budget

1. Voor het jaar 2006 is voor het verstrekken van een aanvullende vergoeding op grond van deze regeling beschikbaar:

a. voor instellingen, uitgezonderd de AOC: € 41.300.000, vermeerderd met € 76.740.000 uit FES-middelen;

b. voor kenniscentra, uitgezonderd Aequor, € 6.290.000;

c. voor AOC € 4.753.000, vermeerderd met € 4.260.000 uit FES-middelen; en

d. voor Aequor € 330.000.

2. De Minister maakt in de Staatscourant bekend welk bedrag beschikbaar is voor het verstrekken van een aanvullende vergoeding op grond van deze regeling in de jaren 2007 tot en met 2009.

3. De aanvullende vergoeding op basis van deze regeling voor kenniscentra wordt uitsluitend in 2006 en 2007 verstrekt.

Artikel 5

Berekening aanvullende vergoeding instellingen niet zijnde een AOC

1. Voor de instellingen, uitgezonderd de agrarische onderwijscentra, bedraagt de aanvullende vergoeding een evenredig gedeelte van het voor het desbetreffende kalenderjaar voor die instellingen beschikbare budget, welk gedeelte met inachtneming van het tweede lid wordt berekend:

a. voor een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, 1° tot en met 3°, van de WEB, naar rato van de omvang van de rijksbijdrage berekend op grond van artikel 2.2.2, eerste lid, 2.4.1, eerste lid en 6.1.3, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB die de instelling in het desbetreffende jaar ontvangt; en

b. voor een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 en een hogeschool als bedoeld in artikel 12.3.9 van de WEB, naar rato van de omvang van de rijksbijdrage berekend op grond van artikel 2.1.1 respectievelijk artikel 2.2.1 van de Uitvoeringsregeling WEB die de instelling in het desbetreffende jaar ontvangt.

2. De aanvullende vergoeding bedraagt ten minste € 11.470.

Artikel 6

Berekening aanvullende vergoeding kenniscentra

Voor de kenniscentra, met uitzondering van Aequor, bedraagt de aanvullende vergoeding een evenredig gedeelte van het voor het desbetreffende kalenderjaar voor die kenniscentra beschikbare budget, welk gedeelte wordt berekend naar rato van de omvang van de rijksbijdrage berekend op grond van artikel 4.2.3 van het Uitvoeringsbesluit WEB, die het kenniscentrum over het desbetreffende jaar ontvangt.

Artikel 7

Berekening aanvullende vergoeding AOC

Voor een AOC bedraagt de aanvullende vergoeding een evenredig gedeelte van het voor het desbetreffende kalenderjaar voor de agrarische onderwijscentra beschikbare budget welk gedeelte wordt berekend:

a. voor wat betreft de FES-middelen naar rato van de omvang van de rijksbijdrage berekend op grond van de artikelen 2.2.2, eerste lid, 2.4.1, eerste lid, en 6.1.3, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB die het AOC in het desbetreffende jaar ontvangt;

b. voor wat betreft de overige middelen: naar rato van de omvang van de rijksbijdrage berekend op grond van de artikelen 2.2.2, eerste lid, 2.3.2, eerste lid, 2.4.1, eerste en derde lid, en 6.1.3, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB die het AOC in het desbetreffende jaar ontvangt.

Artikel 8

Betaling

1. De betaling van de aanvullende vergoeding vindt in het jaar 2006 plaats binnen zes weken na plaatsing van deze regeling in de Staatscourant.

2. De betaling van de aanvullende vergoeding vindt in de jaren 2007 tot en met 2009 in het eerste kwartaal plaats.

Artikel 9

Financiële verantwoording

1. De aanvullende vergoeding wordt verstrekt als tegemoetkoming in de uitgaven die zijn verbonden aan de in deze regeling omschreven doelen.

2. Middelen die op 1 januari 2011 niet zijn besteed, of wat betreft de FES-middelen, niet op 1 januari 2008, worden teruggevorderd.

3. De aanvullende vergoeding wordt verantwoord in de jaarrekening die betrekking heeft op het jaar of de jaarrekeningen die betrekking hebben op de jaren waarin de aanvullende vergoeding wordt ontvangen of besteed.

4. De jaarrekening omvat een helder onderscheid tussen de besteding van de FES-middelen en de overige bestedingen.

5. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de aanvullende vergoeding.

Artikel 10

Inhoudelijke verantwoording aan de regio

Instellingen en kenniscentra leggen jaarlijks in ieder geval via het jaarverslag aan de partijen in de regio verantwoording af over de samenwerking, de inzet van de aanvullende vergoeding en de behaalde resultaten in relatie tot de afspraken en doelen, bedoeld in artikel 3. De agrarische onderwijscentra en Aequor leggen het jaarverslag tevens over aan de partners in de Groene kenniscoöperatie.

Artikel 11

Monitor

De instellingen en de kenniscentra werken mee aan een monitor van de effecten van deze regeling.

Artikel 12

Intrekking regeling

De Regeling Kennisuitwisseling Beroepsonderwijs Bedrijfsleven wordt ingetrokken.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 14

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2009.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Rutte.

Toelichting

Algemeen

Inleiding

De kenniseconomie vraagt om slimme, ondernemende, vaardige, competente en nieuwsgierige mensen, die zich ten volle bewust zijn van hun eigen talent. Dit stelt hoge eisen aan de wijze waarop jongeren en volwassenen deze competenties en kwaliteiten verwerven, onderhouden en optimaliseren. Het beroepsonderwijs draagt daar direct, door het overbrengen van kennis, dan wel indirect, door het onderhouden en optimaliseren van competenties van mensen, zorg voor. Vernieuwing van het onderwijs gericht op het functioneren, onderhouden en optimaliseren van het primaire proces, is namelijk een reguliere taak en primaire verantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen. Om dit te realiseren ontvangen onderwijsinstellingen reguliere bekostiging (lumpsum). Naast de reguliere middelen hebben de onderwijsinstellingen de afgelopen jaren impulsmiddelen ontvangen om innovatieresultaten te verspreiden en te verankeren op instellingsniveau ter versterking van het gehele beroepsonderwijs. Ook zijn vanuit de landelijke overheid de afgelopen jaren diverse onderwijsinnovatiemiddelen via afzonderlijke regelingen beschikbaar gesteld aan de onderwijsinstellingen om in gezamenlijkheid met het bedrijfsleven innovatieprojecten te realiseren. Dit impliceert een sterke synergie tussen werken en leren op alle niveaus van het beroepsonderwijs. De versnippering van onderwijsinnovatiemiddelen draagt echter niet optimaal bij tot het bereiken van integratie van de werelden van het leren en het werken. Dit vraagt om vernieuwing van het innovatiebeleid in het beroepsonderwijs: een innovatiebeleid waarbij de eigen verantwoordelijkheid van de sector voorop staat, waarbij samenwerking plaatsvindt tussen onderwijsinstellingen en hun samenwerkingspartners in de regio (waaronder het bedrijfsleven) en waarbij innovatie integraal onderdeel is van de ‘core business’ van de onderwijsinstellingen. Hierbij hoort dan ook een andere inzet van onderwijsinnovatiemiddelen. Zowel het rapport ‘Beroepswijs Beroepsonderwijs’ van de heer Leijnse als de adviezen van de SER ‘Opleiden is netwerken’ en van de Onderwijsraad ‘Bijdragen van onderwijs aan het Nederlandse innovatiesysteem’ hebben hiertoe een eerste aanzet gedaan.

Het nieuwe innovatiebeleid in het beroepsonderwijs ziet er als volgt uit:

De onderwijsinstellingen worden zo weinig mogelijk via aparte subsidiestromen tot innovatie gestimuleerd. De middelen worden rechtstreeks ter beschikking gesteld aan de onderwijsinstellingen (in de vorm van een innovatiebox) om zelf – in overleg met de samenwerkingspartners in de regio – onderwijsvernieuwing vorm te geven. Richtinggevend voor de ontwikkeling van de regionale innovaties zijn de thema’s van de landelijke innovatieagenda, zoals vastgesteld door de landelijke overheid, Het Platform Beroepsonderwijs (HPBO) en de Stichting van de Arbeid (STAR). De onderwijsinstellingen verantwoorden zich achteraf zowel horizontaal (naar de stakeholders in de regio) als verticaal (naar de landelijke overheid) over het innovatieresultaat.

Dit nieuwe innovatiebeleid zal worden ingevoerd per onderwijssector van het beroepsonderwijs (vmbo-mbo-hbo), maar vorm en tempo waarin verschilt. De innovatiebox treedt vanaf 2006 stapsgewijs (wanneer een innovatieregeling afloopt) in werking en uiterlijk in 2008 in zijn geheel. In 2006 wordt gestart met de Bve-sector. Dit betekent ook dat in 2006 de onderwijssectoren vmbo en hbo nog geen deel uit zullen maken van de innovatiebox. Over toetreding van de onderwijssectoren vmbo en hbo tot de innovatiebox in 2007 en verder kan nog geen uitspraak worden gedaan. De onderwijssectoren vmbo en hbo committeren zich wel aan de innovatieagenda. Voor het vmbo wordt in de Regeling doorontwikkeling vmbo met ingang van 2006 expliciet naar de innovatieagenda verwezen. Op het moment dat de onderwijssector vmbo, de onderwijssector hbo of beide toetreden tot de innovatiebox zal de regeling daaraan worden aangepast.

Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2009

Met de Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2009 wordt concreet invulling gegeven aan het nieuwe innovatiebeleid voor het middelbaar beroepsonderwijs.

Innovatieagenda

In overleg tussen OCW, HPBO en STAR is een landelijke innovatieagenda afgesproken. Deze agenda bestaat uit een aantal globale innovatiethema’s, die in onderhavige regeling zijn vastgelegd. Deze thema’s geven onderwijsinstellingen en samenwerkingspartners in de regio de ruimte om onderwijsvernieuwing van onderop vorm te geven. De onderwijsinstellingen dienen in overleg met de samenwerkingspartners in de regio nader invulling te geven aan de thema’s van de innovatieagenda en stellen daarbij hun eigen operationele doelen (en beoogde resultaten) vast.

Omvang innovatiebox

Om bovengenoemde regionale innovaties passend binnen de thema’s van de innovatieagenda te realiseren worden ‘geoormerkte’ middelen voor innovatie – gekoppeld aan de lumpsum – ter beschikking gesteld aan de onderwijstellingen in de vorm van een innovatiebox. Daarmee kunnen zij in gezamenlijkheid met de partners uit de regionale omgeving breedtestrategische innovatieprojecten ontwikkelen. De innovatiebox wordt gevuld met innovatiemiddelen die gekoppeld waren aan innovatieregelingen die in 2005 zijn afgelopen of die vanaf 2006 worden stopgezet (omdat ze opgaan in de innovatiebox). Vanaf 2006 zijn de volgende middelen opgenomen in de innovatiebox: de impulsmiddelen (onderdeel mbo), kenniscirculatie MKB, ondernemerschap, Stimulerende Innovatieve Leeromgeving (SILO), Kennisuitwisseling Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (KeBB), en Cultuur en School. Vanaf 2007 zullen de innovatiemiddelen van Kennisnet en SLOA (budget Cinop, mantel innovatie) hieraan worden toegevoegd.

Verantwoording: horizontaal en verticaal

De onderwijsinstellingen verantwoorden zich zowel horizontaal als verticaal over het behaalde innovatieresultaat. De nadruk ligt op horizontale verantwoording. De inhoudelijke verantwoording vindt horizontaal in ieder geval plaats via het jaarverslag. Dit betekent dat onderwijsinstellingen inhoudelijk verantwoording afleggen aan hun samenwerkingspartners in de regio’s over het beoogde en behaalde innovatieresultaat, met als doel dat de onderwijsinstellingen en hun samenwerkingspartners in de regio elkaar jaarlijks aanspreken bij tevredenheid en ontevredenheid over het bereikte innovatieresultaat. De onderwijsinstellingen en de partners in de regio zijn immers gezamenlijk verantwoordelijk voor het te behalen innovatieresultaat.

De financiële verantwoording vindt plaats in de jaarrekening van de instelling.

Innovatieagenda voor de AOC

Deze regeling geldt ook voor de AOC (voor het vmbo en het mbo). Voor de groene instellingen is naast de horizontale afstemming en verantwoording van de inzet van de middelen in de innovatiebox via de regio ook de sectorale afstemming en verantwoording van belang. Afstemming vindt onder meer plaats met de organisaties die samenwerken in het kader van de Groene Kenniscoöperatie. Zoals afgesproken in de bestuurlijke agenda ‘Ruimte voor ambitie en innovatie in het mbo’ zal de innovatieagenda bedoeld in deze regeling worden geïntegreerd in de Meerjarenafspraak die met de organisaties die samenwerken in de Groene Kenniscoöperatie zal worden gemaakt. Op het moment van vaststelling van deze regeling was de meerjarenafspraak nog niet tot stand gekomen. Daarom is in deze regeling bepaald dat ook voor de AOC de innovatieagenda in deze regeling geldt, met voorlopig als specifiek aandachtspunt daarbij de ontwikkeling en benutting van kennis in de sectoren waarvoor het beleid van LNV relevant is. Dit aandachtpunt stemt overeen met de categorie Kenniscirculatie in het Openstellingsbesluit RIGO 2006.

Bij de verdere uitwerking kunnen de vijf beleidsthema’s in het Openstellingsbesluit richtinggevend zijn:

a. vitale en duurzame land- en tuinbouw;

b. natuur en landschap;

c. voedselkwaliteit;

d. ruimte op het platteland.

e. maatschappelijk groen onderwijs.

Monitoring

In 2005 is tussen de landelijke overheid, de Bve Raad en AOC-Raad de intentieverklaring ‘Ruimte voor ambitie en innovatie in het mbo’ gesloten, waarvan ‘innovatie’ onderdeel uitmaakt. Mede op basis van deze intentieverklaring zullen de Bve Raad en AOC Raad een regierol vervullen bij het uitvoeren van een monitor voor het onderdeel ‘innovatie’ conform de thema’s van de innovatieagenda (en de FES-doelen) en de daarbijbehorende innovatieboxmiddelen (en FES-middelen). Aangezien de verantwoordelijkheid voor het totstandkomen van innovatie van onderop bij de onderwijssector zelf ligt en dit in de regio plaatsvindt, is het een goede ontwikkeling dat de onderwijssector mbo zelf een monitor instelt. Deze monitor wordt gedragen door de landelijke overheid, STAR en HPBO.

De monitor wordt ingesteld om de regionale resultaten op de thema’s van de innovatieagenda (en de FES-doelen) landelijk in kaart te brengen. De monitor is onafhankelijk, narekenbaar en transparant. Door middel van de monitor worden effectieve onderwijsvernieuwingen zichtbaar die als ‘good practices’ breder verspreid kunnen worden.

De monitor geeft inzicht in:

– de gestelde en de gerealiseerde innovatiedoelen (ook de FES-doelen);

– de samenwerking met de regionale partijen;

– de resultaten en effecten;

– de aanspraak op de innovatieboxmiddelen en de eventuele inzet van lumpsum en financiële inbreng bedrijfsleven.

De resultaten van de monitoractiviteiten worden samengebracht en breder verspreid via Het Platform Beroepsonderwijs.

De monitor start in 2006, dus de (eerste) resultaten zijn in 2007 zichtbaar.

Gekoppeld aan de resultaten van de landelijke monitor, wordt jaarlijks een feedback conferentie gehouden met alle belanghebbenden uit het onderwijs en het bedrijfsleven om te leren van de ‘wat’ en ‘hoe’ vragen van de gerealiseerde regionale innovatieresultaten.

Na vijf jaar wordt de balans opgemaakt. Als blijkt dat de onderwijsinstellingen (met hun samenwerkingspartners in de regio) het ontwikkelen van innovatie op de thema’s van de innovatieagenda als kerntaak voldoende gerealiseerd hebben is het voornemen de middelen zonder meer toe te voegen aan de lumpsum. Indien blijkt dat de onderwijsinstellingen het ontwikkelen van innovatie op de thema’s van de innovatieagenda nog niet voldoende als kerntaak hebben gerealiseerd wordt bezien of de systematiek van de innovatiebox wordt gehandhaafd of dat meer landelijke sturing nodig is.

Verantwoording aanvullende vergoeding

Het is moeilijk harde inhoudelijke criteria te formuleren waarop Innovatie kan worden afgerekend, mede omdat innovatie ook mag mislukken. De onderwijsinstellingen en hun samenwerkingspartners in de regio krijgen dan ook de tijd voor de ontwikkeling van hun innovatie binnen de gegeven thema’s van de innovatieagenda. Ook voor de besteding van de middelen krijgen de instellingen de tijd. Na vijf jaar, in 2011, gelijk aan de looptijd van de monitor, zal de afrekening met de onderwijsinstellingen plaatsvinden: dan nog niet bestede middelen moeten worden terugbetaald.

Dit neemt niet weg dat met de monitor en m.n. het jaarverslag de innovatieontwikkeling van de onderwijsinstellingen en hun samenwerkingspartners in de regio wordt gevolgd – en indien nodig bijgestuurd.

FES-doelen en middelen

De eenmalige investering van € 81 miljoen in 2006 uit de FES-middelen maakt onderdeel uit van onderhavige regeling, met dit verschil dat deze middelen moeten worden besteed in de jaren 2006–2007.

Deze middelen worden beschikbaar gesteld voor elk van de volgende drie doelen:

1. het ontwikkelen van lesmateriaal voor competentiegericht beroepsonderwijs;

2. investeren in kennis van docenten over het bedrijfsleven d.m.v. docentstages;

3. aanjagen van instroom vanuit zwakkere groepen uit de beroepsbevolking tot 23 jaar in maatwerktrajecten die vooral of geheel in de praktijk worden uitgevoerd.

Dit betekent dat de thema’s van de innovatieagenda niet van toepassing zijn op bovengenoemde FES-middelen.

De FES-middelen moeten op dezelfde wijze worden verantwoord als de innovatieboxmiddelen.

De uitwerking van de FES-doelstellingen in de regio loopt mee in de monitor voor de innovatiebox. De monitor geeft in ieder geval inzicht in het realiseren van de 2000 docentstages en 2000 maatwerktrajecten. Ook hier geldt dezelfde mate van toezicht op de uitvoering en besteding van middelen als bij de innovatieboxmiddelen.

Innovatiearrangement

Naast de innovatieboxmiddelen die worden verstrekt op grond van deze regeling, bestaat de Regeling innovatiearrangement beroepsonderwijs. Deze regeling die in 2003 tot stand is gekomen, is bedoeld om experimentele innovatie projecten op regionaal dan wel sectoraal niveau in financiële zin te ondersteunen die zonder deze aanvullende middelen onvoldoende kans zouden krijgen. De Regeling innovatiearrangement blijft, mede op verzoek van het veld, vooralsnog als afzonderlijke regeling gehandhaafd en zal niet opgaan in de innovatiebox, aangezien met het innovatiearrangement een andere aard van innovatie wordt bediend dan met de innovatiebox.

Artikelsgewijs

Artikel 2, eerste lid en artikel 3

De algemene toelichting op de regeling gaat al in op het belang van samenwerking tussen de onderwijsinstellingen en partijen in de regio. In de regeling wordt niet bepaald welke organisaties onder ‘partijen in de regio’ kunnen worden begrepen en welke partijen, zoals aanpalend onderwijs, bedrijfsleven, gemeenten et cetera, in ieder geval moeten meedoen. Ook wordt het begrip regio niet nader gedefinieerd. Elke instelling heeft haar eigen netwerk en is er uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor dat er afspraken gemaakt worden over de keuze van de operationele innovatiedoelen van de instelling en dat er brede samenwerking tot stand komt, afgestemd op die operationele innovatiedoelen. Ook over de wijze van samenwerking zal de instelling verantwoording moeten afleggen in het jaarverslag (zie ook artikel 10).

Artikel 2, tweede en derde lid

Instellingen bepalen zelf in samenspraak met hun partijen in de regio welke concrete innovatiedoelen zij stellen. Deze moeten wél passen binnen de thema’s die zijn opgenomen in de ‘innovatieagenda’. Die innovatieagenda komt tot stand in overleg met Het Platform Beroepsonderwijs en de Stichting van de Arbeid. Het Platform Beroepsonderwijs is gevestigd te Driebergen. De Stichting van de Arbeid is gevestigd te Den Haag. De innovatieagenda wordt voor onbepaalde tijd vastgesteld. Jaarlijks zal worden bezien of bijstelling nodig is.

De AOC houden bij de invulling van hun doelen mede rekening met het aandachtspunt Kenniscirculatie, dat voortvloeit uit de specifieke vakdepartementale verantwoordelijkheid van het Ministerie van LNV.

Artikel 2, vierde lid

De FES-middelen mogen uitsluitend worden besteed aan de doelstellingen van artikel 2, vierde lid, en moeten aan elk van die doelstellingen worden besteed. Uit de verantwoording zal dat ook moeten blijken (zie ook artikel 9).

Ten aanzien van de docentstages, genoemd onder c, geldt dat het streven erop is gericht dat uiterlijk in 2007 landelijk gezien minimaal 2000 stages zijn ingevuld. Ten aanzien van de maatwerktrajecten, genoemd onder d, is de bedoeling dat uiterlijk in 2007 minimaal 2000 maatwerktrajecten zijn opgestart. Elke instelling moet in het jaarverslag aangeven welke resultaten zij hebben geboekt op deze doelen.

Artikel 4 tot en met 7

Er zijn afzonderlijke budgetten voor de instellingen en de kenniscentra die ressorteren onder de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap enerzijds en voor de AOC en het kenniscentrum Aequor anderzijds. De budgetten worden elk verdeeld over de instellingen en AOC naar rato van de reguliere rijksbijdrage die deze organisaties ontvangen met dien verstande dat de innovatiebox voor instellingen, niet zijnde een AOC, altijd tenminste € 11.470 bedraagt. Dit is met name relevant voor de instituten voor doven. Voor het kenniscentrum Aequor is er een vast bedrag.

De aanvullende vergoeding bestaat voor de instellingen uit 2 componenten: de FES-middelen en de overige innovatiegelden. De aanvullende vergoeding voor de AOC is bestemd voor zowel MBO als VBO, behalve de FES-middelen; die zijn alleen bestemd voor het MBO binnen het AOC.

Artikel 4, derde lid

De aanvullende vergoeding uit de impul⁠smiddelen die aan de kenniscentra wordt verstrekt in de jaren 2006 en 2007 is bestemd voor de doelstellingen zoals geformuleerd in artikel 2, eerst lid, onder c, voortvloeiend uit de Regeling impuls beroepsonderwijs 2002–2005 voor vbo, mbo en landelijke organen voor beroepsonderwijs, Gele katern 2005, nr. 13.

Artikelen 9, 10 en 11

De aanvullende vergoeding die wordt verstrekt op grond van deze regeling is een geoormerkte projectsubsidie. Dat betekent dat de middelen moeten worden aangewend voor de aangegeven doelen en dat de niet bestede middelen of overschotten moeten worden terugbetaald. Wat FES-middelen betreft geldt dat deze op 1 januari 2008 moeten zijn besteed; voor de overige middelen wordt per 1 januari 2011 de balans opgemaakt.

De verantwoording vindt plaats:

– inhoudelijk (horizontaal) aan de regionale partijen; in ieder geval ook via het jaarverslag; De prestatiegegevens vermeld in het jaarverslag moeten in een reproduceerbaar proces worden verzameld.

– financieel (verticaal) via de jaarrekening.

De instellingen en kenniscentra hebben een grote mate van vrijheid in de besteding van de vergoeding. Die vrijheid wordt beperkt door de regel dat over de te ondernemen innovatieactiviteiten en de daarmee beoogde resultaten jaarlijks afspraken moeten worden gemaakt met partijen in de regio. De wijze waarop afspraken worden gemaakt is aan de regionale partijen. Wel dient de inbreng van regionale partijen aantoonbaar terug te vinden zijn in de gemaakte afspraken. Bovendien moet een inhoudelijke verantwoording worden gegeven in het jaarverslag (zie artikel 10). Als slotstuk is bepaald dat instellingen en kenniscentra moeten meewerken aan een monitor. Deze zal zowel zijn gericht op de vraag welke projecten zijn geëntameerd en wat daarvan de opbrengsten zijn, als op de vraag in hoeverre instellingen werk maken van de totstandkoming van afspraken en samenwerking in de regio.

Het is niet de bedoeling om de innovatieactiviteiten zelf achteraf te beoordelen met het oog op eventuele terugvordering, noch de resultaten van die activiteiten. Immers, kenmerk van innovatie projecten is, dat ze kunnen mislukken – waarbij er ook dán leereffecten zullen zijn. Belangrijk is of de regionale partijen vinden dat de gemaakte afspraken zijn nagekomen en of ze tevreden zijn over de inzet van de instelling. Tot terugvordering zal dat oordeel echter niet leiden; wel zal dat meespelen bij het bepalen van het vervolg van deze regeling.

Overeenkomstig de OcenW-Richtlijnen jaarverslaggeving wordt in de jaarrekening de aan het verslagjaar toe te rekenen subsidie herkenbaar als bate verantwoord en worden de lasten verwerkt binnen de daartoe bestemde posten. De subsidie wordt opgenomen in bijlage D2 bij de jaarrekening onder het onderdeel: Geoormerkte subsidies. Bijlage D2 bij de jaarrekening betreft een cijfermatig overzicht van de geoormerkte subsidies van het boekjaar en de overlopende subsidies van voorgaand jaar en naar het komende jaar. De nog niet bestede subsidies moeten worden opgenomen in een overlopende passiva en gespecificeerd in de jaarrekening. De accountant stelt op grond van de subsidievoorwaarden vast dat de geoormerkte subsidies rechtmatig zijn besteed. De FES-middelen moeten afzonderlijk worden verantwoord in bijlage D2.

De reikwijdte van de accountantsverklaring betreft de totale (inclusief FES-middelen) subsidie.

Artikel 12

De Regeling Kennisuitwisseling Beroepsonderwijs Bedrijfsleven gold voor onbepaalde tijd. De middelen die via die regeling werden ingezet zijn nu beschikbaar voor de innovatiebox. De regeling kan daarom nu worden ingetrokken. Andere regelingen die opgaan in de innovatiebox hoeven niet te worden ingetrokken, omdat zij slechts voor beperkte tijd golden.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. Rutte