Wijziging diverse regelingen Ministerie van Justitie

Regeling van de Minister van Justitie van 12 mei 2006, nr. 5413136/06/DJI, houdende wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden, de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, de Erkenningsregeling penitentiair programma 2004 en de Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen in verband met de tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis na veroordeling in eerste aanleg

De Minister van Justitie,

Gelet op artikel 13, derde lid, artikel 15, zesde lid, artikel 25, vierde lid en artikel 52, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 26, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet en artikel 570b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, artikel 4, derde en vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet en artikel 5, vierde lid, van de Penitentiaire maatregel, en artikel 5, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet;

Besluit:

Artikel I

De Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1a

Indien de veroordeling tot een vrijheidsstraf nog niet onherroepelijk is, wordt het strafrestant voor de toepassing van deze regeling berekend op grond van de veroordeling waartegen het rechtsmiddel is aangewend.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel c, komt te luiden: die, ingeval de veroordeling onherroepelijk is, ten minste de helft van de opgelegde vrijheidsstraf hebben ondergaan, dan wel, ingeval de veroordeling nog niet onherroepelijk is, een tijd in voorlopige hechtenis hebben doorgebracht waarvan de duur ten minste gelijk is aan de helft van de opgelegde vrijheidsstraf,.

2. Het eerste lid, onderdeel d, komt te luiden: die geen veroordelingen tot betaling van een geldboete of geldbedrag van meer dan € 226,– hebben openstaan,.

3. In het eerste lid wordt onderdeel d geletterd e en wordt onderdeel e geletterd f.

4. In het tweede lid, onderdeel a, wordt na de komma ingevoegd: of.

5. In het tweede lid vervalt onderdeel b en wordt onderdeel c geletterd b.

6. In het vierde lid wordt ‘onderdelen b tot en met e’ vervangen door: onderdelen b tot en met f.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘geplaatst’ ingevoegd: die onherroepelijk zijn veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van minder dan twee jaar.

2. In het derde lid wordt in onderdeel a na de komma ingevoegd: of.

3. In het derde lid vervalt onderdeel b en wordt onderdeel c geletterd b.

D

In artikel 7, aanhef, wordt vóór ‘veroordeelde gedetineerden’ ingevoegd: al dan niet onherroepelijk.

E

In artikel 16, onderdeel a, wordt na ‘meerderjarigen’ ingevoegd: , al dan niet onherroepelijk,.

F

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift van artikel 24 komt te luiden:

Artikel 24 Selectie en plaatsing van gedetineerden vóór veroordeling in eerste aanleg.

2. In het eerste lid, wordt na de zinsnede ‘De eerste plaatsing van een voorlopig gehechte gedetineerde’ ingevoegd: die in afwachting is van berechting in eerste aanleg.

G

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift van artikel 25 komt te luiden:

Artikel 25 Selectie en plaatsing van al dan niet onherroepelijk veroordeelden

2. In het eerste lid wordt na ‘zelfmelder’ ingevoegd: die onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van minder dan twee jaar.

3. In het tweede lid, eerste volzin, vervalt: onherroepelijk veroordeelde.

4. In het tweede lid wordt ‘gedetineerde’ telkens vervangen door: veroordeelde.

5. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien de directeur voornemens is aan de selectiefunctionaris een voorstel te doen tot plaatsing van een nog niet onherroepelijk veroordeelde, dan wel van een onherroepelijk veroordeelde bij wiens vonnis een executie-indicator is afgegeven, in een zeer beperkt beveiligde inrichting of afdeling als bedoeld in artikel 2, of in een beperkt beveiligde inrichting of afdeling als bedoeld in artikel 3, dan vraagt de directeur het Openbaar Ministerie om advies.

6. In het vierde lid, eerste volzin, wordt ‘onherroepelijk veroordeelde gedetineerde’ vervangen door: veroordeelde.

7. In het vijfde lid wordt ‘gedetineerde’ vervangen door: veroordeelde.

8. In het zesde lid wordt ‘gedetineerde’ vervangen door ‘veroordeelde’ en wordt vóór ‘opgelegde vrijheidsstraf’ ingevoegd: al dan niet onherroepelijk.

9. In het zevende lid wordt ‘zesde en zevende lid’ vervangen door: het vijfde en zesde lid.

H

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift van artikel 27 komt te luiden:

Artikel 27 Plaatsing van onherroepelijk veroordeelden tot een vrijheidsstraf in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, met toepassing van artikel 13, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

2. In het eerste lid, eerste volzin, wordt vóór ‘vrijheidsstraf’ ingevoegd: een onherroepelijke.

3. In het vijfde lid, eerste volzin, wordt vóór ‘vrijheidsstraf’ ingevoegd: een onherroepelijke.

I

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift van artikel 28 komt te luiden:

Artikel 28 Plaatsing van onherroepelijk veroordeelden tot een vrijheidsstraf aan wie tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, met toepassing van artikel 13, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

2. In het vierde lid wordt vóór ‘veroordeelde’ ingevoegd: onherroepelijk.

J

Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, onderdeel c, komt te luiden: een schriftelijke instemming van het Openbaar Ministerie zolang de vrijheidsbeneming is gebaseerd op het bevel tot voorlopige hechtenis dan wel indien bij het vonnis een executie-indicator is gegeven.

2. In het achtste lid wordt ‘vrijheidsstraf’ vervangen door: vrijheidsbeneming.

K

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, eerste volzin, wordt vóór ‘veroordeelde gedetineerde’ ingevoegd: al dan niet onherroepelijk.

2. In het eerste lid komt de tweede volzin als volgt te luiden: Een gedetineerde kan voor plaatsing in aanmerking komen indien het strafrestant maximaal twaalf maanden bedraagt.

3. In het tweede lid wordt vóór de zinsnede ‘indien op het vonnis een executie-indicator is gegeven’ ingevoegd: zolang de vrijheidsbeneming is gebaseerd op het bevel tot voorlopige hechtenis dan wel.

4. In het zesde lid wordt ‘vrijheidsstraf’ vervangen door: vrijheidsbeneming.

L

In artikel 33, tweede lid, tweede volzin, wordt vóór ‘veroordeelde gedetineerde’ ingevoegd: onherroepelijk.

Artikel II

De Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1a

Indien de veroordeling tot een vrijheidsstraf nog niet onherroepelijk is, worden de strafduur en het strafrestant voor de toepassing van deze regeling berekend op grond van de veroordeling waartegen het rechtsmiddel is aangewend.

B

Artikel 3, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin vervallen ‘incidenteel’ en ‘een andere vorm van’.

2. De tweede volzin vervalt.

C

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

Het eerste lid komt te luiden:

1. Een gedetineerde komt eerst voor algemeen verlof in aanmerking wanneer hij, al dan niet onherroepelijk, is veroordeeld tot een vrijheidsstraf en:

a. ingeval de veroordeling onherroepelijk is, hij ten minste een derde deel van de onvoorwaardelijk opgelegde straf heeft ondergaan dan wel, ingeval de veroordeling nog niet onherroepelijk is, de duur van de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd ten minste gelijk is aan een derde deel van de onvoorwaardelijk opgelegde straf; en

b. zijn strafrestant nog ten minste drie maanden en ten hoogste een jaar bedraagt.

D

In artikel 17, eerste lid, onderdeel a, wordt na de zinsnede ‘het een gedetineerde betreft die’ ingevoegd: , al dan niet onherroepelijk,.

E

Artikel 32, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel g wordt ‘Dienst Individuele Beslissingen’ vervangen door: Afdeling Individuele Zaken van de sector Gevangeniswezen.

2. In onderdeel l wordt de zinsnede ‘met een strafrestant van meer dan twee jaar’ vervangen door: die, al dan niet onherroepelijk, zijn veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan twee jaar.

Artikel III

In artikel 5, eerste lid, van de Erkenningsregeling penitentiair programma 2004, wordt na ‘vrijheidsstraf’ ingevoegd: of voorlopige hechtenis.

Artikel IV

De bijlage van de Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 vervalt ‘(alleen verplicht voor HvB)’ en wordt ‘Invoeringswet Wetboek van Strafvordering; art. 222 en art. 225’ vervangen door: Wetboek van Strafvordering; art. 62a en art. 76.

B

In artikel 3.2 wordt vóór ‘onherroepelijke’ en ‘onherroepelijk’ telkens ingevoegd: al dan niet.

C

In artikel 13.3 vervalt ‘(alleen verplicht voor HvB)’ en wordt ‘de artikelen 222 en 225 van de Invoeringswet van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 62a en 76 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel V

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Justitie, J.P.H. Donner.

Toelichting

Algemeen

Deze regeling wijzigt de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden, de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, de Erkenningsregeling penitentiair programma 2004 en de Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen. Deze wijzigingen vloeien voort uit de wet van 26 mei 2005 tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet in verband met de tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis na veroordeling in eerste aanleg (Stb. 2005, 280).

De genoemde wet bepaalt dat gedetineerden na veroordeling in eerste aanleg worden overgeplaatst van het huis van bewaring naar een gevangenis, ook al is de rechterlijke uitspraak nog niet onherroepelijk. Deze wetswijziging beoogt een flexibelere en efficiëntere inzet van detentiecapaciteit en het verbeteren van de mogelijkheden voor gedetineerden om aan hun resocialisatie te werken.1 Om de implementatie van de wet mogelijk te maken zijn aanpassingen in de genoemde ministeriële regelgeving noodzakelijk.

De voorgestelde wijzigingen van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden moeten de bovengenoemde doorplaatsing naar een gevangenis mogelijk maken na veroordeling in eerste aanleg. De regeling is zodanig aangepast dat deze veroordeelden geplaatst kunnen worden in alle bestaande inrichtingen en afdelingen die tot nu toe alleen bestemd waren voor onherroepelijk veroordeelden. Alleen dan is het mogelijk hen te plaatsen in een inrichting en afdeling met een passend beveiligingsniveau en hen in aanmerking te laten komen voor detentiefasering en maatschappelijke reïntegratie-programma’s, zoals bedoeld door de wetswijziging.2

In lijn met de beoogde resocialisatie van de gedetineerde, zorgen de voorgestelde wijzigingen van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting ervoor dat gedetineerden die nog niet onherroepelijk zijn veroordeeld in aanmerking kunnen komen voor alle vormen van verlof. Volgens de huidige verlofregeling komen deze gedetineerden, die de status van voorlopig gehechten hebben, uitsluitend in aanmerking voor incidenteel verlof, en moet voorafgaand aan de beslissing op een verzoek daartoe advies worden gevraagd aan het Openbaar Ministerie. Ingevolge de voorgestelde regeling moet, voorafgaand aan het verlenen van andere vormen van verlof aan deze gedetineerden, het Openbaar Ministerie eveneens worden geraadpleegd. Dit ligt in de rede, omdat de vrijheidsbeneming van de nog niet onherroepelijk veroordeelde berust op het bevel tot voorlopige hechtenis en het verlenen van vrijheden de strafvorderlijke verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie raakt. Voor wat betreft het regimesgebonden verlof is ervoor gekozen om het Openbaar Ministerie om advies te vragen voorafgaand aan de beslissing tot plaatsing in een inrichting waar dat verlof deel uitmaakt van het regime. Hiertoe is derhalve ook een wijziging in de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden voorgesteld.

De voorgestelde wijziging van de Erkenningsregeling penitentiair programma 2004 is een gevolg van de wijziging van artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet en de daaruit voortvloeiende wijziging van de Penitentiaire maatregel, die het mogelijk maken dat een persoon die nog niet onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsstraf, deelneemt aan een penitentiair programma.

Via de voorgestelde wijzigingen in de bijlage van de Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen moeten enkele bepalingen worden opgenomen in de huisregels van gevangenissen die voorheen alleen in huizen van bewaring golden.

In deze wijzigingsregeling is tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt om de regelgeving aan te passen aan een wijziging in het beleid met ingang van 1 januari 2006 met betrekking tot de plaatsing van zogeheten ‘zelfmelders’. Ook is een enkele technische aanpassing gedaan.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Het voorgestelde artikel geeft aan dat in deze regeling het criterium strafrestant voor de categorie gedetineerden die nog niet onherroepelijk is veroordeeld, wordt berekend op grond van de nog niet onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

Onderdeel B

De voorgestelde wijzigingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zorgen ervoor dat ook nog niet onherroepelijk veroordeelde gedetineerden in beginsel kunnen worden doorgeplaatst naar zeer beperkt beveiligde inrichtingen. Met inachtneming van het voorgestelde artikel 1a in onderdeel A, kunnen deze gedetineerden, overeenkomstig hun risicoprofiel, in aanmerking komen voor plaatsing in deze inrichtingen naarmate zij langer zijn gedetineerd en het vermoedelijke einde van de detentie nadert.

Tevens wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om het bedrag dat in het eerste lid in guldens staat vermeld, te vervangen door het (naar beneden afgeronde) bedrag in euro’s.

Onderdeel C

De voorgestelde wijziging van het eerste lid van artikel 3 moet worden gelezen in samenhang met de wijziging voorgesteld in het eerste lid van artikel 25 (onderdeel G). Aanleiding voor de wijziging is een verandering in het beleid ten aanzien van zogeheten ‘zelfmelders’. Het wordt niet langer wenselijk geacht dat onherroepelijk veroordeelden tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar of meer, direct in aanmerking komen voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting nadat zij zijn opgeroepen en zichzelf hebben gemeld voor de tenuitvoerlegging van hun straf. Op grond van het nieuwe beleid worden de zelfmelders met een dergelijk lange straf eerst geplaatst in een normaal beveiligde inrichting. Eerst wanneer zij vervolgens voldoen aan de selectiecriteria die zijn genoemd in artikel 3 kunnen zij in aanmerking komen voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting.

Voor de wijzigingen onder de punten 2 en 3 wordt op deze plaats verwezen naar de toelichting bij onderdeel B, met dien verstande dat dit artikel betrekking heeft op de voorwaarden voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting.

Onderdeel D

De voorgestelde wijziging maakt duidelijk dat, in lijn met de wetswijziging, de nog niet onherroepelijk veroordeelden voortaan, evenals de onherroepelijk veroordeelden, geplaatst kunnen worden in een regime van algehele gemeenschap.

Onderdeel E

De voorgestelde wijziging maakt duidelijk dat de categorie nog niet onherroepelijk veroordeelden ook geplaatst kunnen worden in de hier bedoelde inrichtingen of afdelingen voor bijzondere opvang.

Onderdeel F

De voorgestelde wijzigingen moeten duidelijk maken dat dit artikel alleen betrekking heeft op de selectie van gedetineerden die nog niet door de rechter in eerste aanleg zijn veroordeeld.

Onderdeel G

Door de wijziging van het opschrift moet duidelijk zijn dat het artikel niet meer alleen betrekking heeft op de selectie en plaatsing van onherroepelijk veroordeelden, maar dat het van toepassing is zodra iemand, al dan niet onherroepelijk, in eerste aanleg is veroordeeld.

De in het eerste lid voorgestelde wijziging heeft betrekking op onherroepelijk veroordeelden tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van minder dan twee jaar die zichzelf hebben gemeld voor de tenuitvoerlegging van hun straf, na hiertoe te zijn opgeroepen. Deze wijziging is ook toegelicht in onderdeel C.

De wijzigingen genoemd onder de punten 3 tot en met 8 zorgen ervoor dat het in de betreffende artikelleden bepaalde zich uitstrekt zowel tot de onherroepelijk veroordeelden, als tot de niet onherroepelijk veroordeelden, al dan niet gedetineerd.

De toevoeging van de laatste volzin in het tweede lid ziet op de verplichte raadpleging van het Openbaar Ministerie bij twee categorieën van veroordeelden: veroordeelden met een vonnis dat nog niet onherroepelijk is, alsmede onherroepelijk veroordeelden met een vonnis waarbij een executie-indicator is afgegeven door het Openbaar Ministerie. De raadpleging van het Openbaar Ministerie bij een voorgenomen plaatsing van deze veroordeelden in één van de in deze volzin genoemde inrichtingen houdt verband met het verlof dat in deze inrichtingen deel uitmaakt van het regime: plaatsing in een zeer beperkt beveiligde inrichting houdt in dat aan de gedetineerde ieder weekeinde regimesgebonden verlof wordt verleend; plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting houdt in dat aan de gedetineerde vierwekelijks regimesgebonden verlof kan worden verleend, doch in de praktijk, uit een oogpunt van uniforme regimevoering, in de regel altijd wordt verleend. Bij een afgegeven executie-indicator wordt het Openbaar Ministerie in de praktijk al geraadpleegd. Omdat het Openbaar Ministerie bij een verzoek tot verlof van een voorlopig gehechte moet worden geraadpleegd ingevolge het voorgestelde artikel 3, tweede lid, van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, moet het Openbaar Ministerie thans ook worden geraadpleegd bij het voornemen tot doorplaatsing van een nog niet onherroepelijk veroordeelde, die de status van voorlopig gehechte heeft, naar een inrichting met regimesgebonden verlof. Bij het verzoek om advies wil het Openbaar Ministerie er expliciet op gewezen worden dat wekelijks – respectievelijk vierwekelijks verlof deel uitmaakt van het regime in de betreffende inrichting.

Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in het zevende lid een kennelijke verschrijving te herstellen en naar de juiste artikelleden te verwijzen.

Onderdelen H en I

De voorgestelde wijzigingen dienen ter verheldering; de plaatsingsprocedure ingevolge artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht is immers slechts van toepassing op gedetineerden met een rechterlijke uitspraak die onherroepelijk is.

Onderdeel J

In het tweede en achtste lid is de term vrijheidsbeneming voorgesteld, omdat deze zowel de vrijheidsstraf als de voorlopige hechtenis omvat.

De in het tweede lid voorgestelde wijziging breidt het instemmingsvereiste van het Openbaar Ministerie uit tot alle voorlopig gehechten, met inbegrip van de nog niet onherroepelijk veroordeelden. Dit is in lijn met het bepaalde in het voorgestelde artikel 31, tweede lid, en artikel 33, tweede lid, welke artikelen eveneens de plaatsing in een niet justitiële inrichting betreffen (zie onderdelen K en L).

Onderdeel K

De mogelijkheid tot plaatsing op grond van artikel 43, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet als bedoeld in dit artikel, bestond tot nu toe alleen voor de onherroepelijk veroordeelden in een gevangenis. Nu ingevolge de wetswijziging ook niet onherroepelijk veroordeelden in een gevangenis zullen verblijven, ligt het in de rede dat deze plaatsing ook voor deze gedetineerden mogelijk wordt. De hier voorgestelde wijziging in het eerste lid maakt dit duidelijk. Met betrekking tot de voorgestelde wijziging in het tweede en zesde lid wordt hier verwezen naar de toelichting in onderdeel J.

Onderdeel L

Voor de toelichting op de hier voorgestelde wijziging wordt verwezen naar onderdeel J.

Artikel II

Onderdeel A

Het voorgestelde artikel geeft aan dat in deze regeling de criteria strafduur en strafrestant voor de categorie gedetineerden die nog niet onherroepelijk is veroordeeld, worden berekend op grond van de nog niet onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

Onderdeel B

De voorgestelde wijzigingen in de eerste volzin zijn in lijn met de overige voorgestelde wijzigingen waaruit volgt dat nog niet onherroepelijk veroordeelde gedetineerden behalve voor incidenteel verlof, in het kader van een humane tenuitvoerlegging, ook in aanmerking kunnen komen voor andere vormen van verlof (algemeen verlof en regimesgebonden verlof) in het kader van hun resocialisatie. Aangezien de vrijheidsbeneming van nog niet onherroepelijk veroordeelde gedetineerden nog steeds berust op een bevel tot voorlopige hechtenis, moet bij een verzoek om verlof van deze gedetineerden, die de status van voorlopig gehechte hebben, het Openbaar Ministerie worden geraadpleegd.

Gelet op de voorgestelde wijzigingen in artikel 14 (onderdeel C) wordt de nog niet onherroepelijk veroordeelde gedetineerde in de gelegenheid gesteld om tegen het vermoedelijke einde van zijn gevangenisstraf een aantal malen een verzoek om algemeen verlof te doen. Het maximale aantal van de verloven waarom een gedetineerde kan verzoeken wordt aangegeven in een verlofschema, zoals bepaald in het ongewijzigde artikel 16. Bij een eerste verzoek om algemeen verlof van een nog niet onherroepelijk veroordeelde gedetineerde wordt dit verlofschema aan het Openbaar Ministerie voorgelegd; bij zijn advies op dit verzoek kan het Openbaar Ministerie tevens adviseren over de mogelijke toekomstige verlofverzoeken, en aangeven of bij de toekomstige verzoeken van de gedetineerde het vragen van advies achterwege kan blijven.

Met betrekking tot regimesgebonden verlof is er geen sprake van aparte verzoeken tot verlof van gedetineerden, maar van periodieke toekenning van (wekelijks of vierwekelijks) verlof aan gedetineerden die in een inrichting zijn geplaatst waar het verlof deel uitmaakt van het regime. Derhalve voorziet het voorgestelde artikel 25, tweede lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (artikel I, onderdeel G) in een procedure waarbij het Openbaar Ministerie reeds moet worden geraadpleegd bij het voornemen tot plaatsing in een dergelijke inrichting.

Van deze gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om de laatste, tamelijk onduidelijke volzin te schrappen.

Onderdeel C

Zouden de gedetineerden die nog niet onherroepelijk zijn veroordeeld op grond van de huidige regeling alleen in aanmerking komen voor incidenteel verlof, door de voorgestelde wijzigingen kunnen zij ook in aanmerking komen voor algemeen verlof. Daar de criteria strafduur en strafrestant een rol spelen bij het verlenen van dit verlof, zullen deze, wanneer het gaat om nog niet onherroepelijk veroordeelde gedetineerden, worden berekend op basis van de nog niet onherroepelijke uitspraak. Het Openbaar Ministerie moet worden geraadpleegd voorafgaand aan de beslissing op een verzoek tot verlof, eerder toegelicht onder ‘Algemeen’ en onderdeel B. Bij het advies speelt de inschatting van het Openbaar Ministerie van de kans dat in hoger beroep een beduidend hogere of lagere straf zal worden opgelegd uiteraard een rol.

Onderdeel D

De toevoeging dient ter verheldering van de verdeling van de beslissingsbevoegdheid tussen directeur en minister met betrekking tot de toekenning van algemeen verlof aan niet onherroepelijk veroordeelden.

Onderdeel E

In de praktijk doet zich een enkele keer de ongewenste situatie voor dat de minister moet beslissen over een verzoek tot ‘algemeen verlof’, op grond van artikel 17, eerste lid, terwijl het onderhavige artikel er niet aan in de weg staat dat de directeur beslist over de toekenning van ‘incidenteel verlof’ aan dezelfde gedetineerde. Door de voorgestelde wijziging in onderdeel l wordt de verdeling van de beslissingsbevoegdheid tussen directeur en minister wat betreft de toekenning van incidenteel verlof in overeenstemming gebracht met de verdeling van die beslissingsbevoegd zoals die is geregeld in artikel 17, eerste lid, aangaande algemeen verlof.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in onderdeel g de juiste benaming van de daar genoemde afdeling te vermelden.

Artikel III

De voorgestelde wijziging vloeit voort uit de wijziging van artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet; aan een penitentiair programma kan voortaan ook door niet onherroepelijk veroordeelde gedetineerden worden deelgenomen. Nu de vrijheidsbeneming van die gedetineerden berust op een bevel tot voorlopige hechtenis, geeft het programma van het penitentiair programma waaraan die gedetineerde deelneemt, in dat geval invulling aan de verdere tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis.

Artikel IV

Onderdelen A en C

Ingevolge de wetswijziging kan zich de situatie voordoen in een gevangenis dat er maatregelen ten aanzien van een niet onherroepelijk veroordeelde gedetineerde worden getroffen in het belang van het nog lopende strafrechtelijk onderzoek. Door de voorgestelde wijzigingen worden niet alleen de directeuren van de huizen van bewaring, maar ook de directeuren van gevangenissen verplicht de bedoelde dwingende bepalingen inzake deze zogenaamde beperkingen in de huisregels op te nemen.

Onderdeel B

De voorgestelde wijziging geeft gevolg aan de wijziging van artikel 47, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet.

De Minister van Justitie,

J.P.H. Donner

Naar boven