Aanvullend luchthavenreglement Teuge

Regeling houdende aanvullende voorschriften met betrekking tot de orde en veiligheid op het luchtvaartterrein Teuge (Aanvullend luchthavenreglement Teuge)

15 april 2005

Nr. HDJZ/LUV/2005-872

Hoofddirectie Juridische Zaken

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 132, eerste lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart en op de artikelen 10, tweede tot en met vierde lid, 17, derde lid, 22, 23, 25, 26, en 27 van het Algemeen luchthavenreglement;

Besluit:

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. exploitant: de N.V. Luchthaven Teuge;

b. havendienst: het bedrijfsonderdeel van de N.V. Luchthaven Teuge dat belast is met de dagelijkse uitvoering van het toezicht op het luchtvaartterrein en in het bijzonder met het toezicht op de orde en veiligheid;

c. motorvoertuigen: motorvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, van het RVV 1990;

d. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel al, van het RVV 1990, alsmede het rijdend en rollend verplaatsbaar, al dan niet gemotoriseerd, materieel, dat als hulpmiddel bij de afhandeling van vliegtuigen en passagiers wordt gebruikt;

e. wegen: de verharde of onverharde rijstroken met inbegrip van de middenberm of middengeleiding, de parkeerstroken, parkeerhavens en vluchtstroken, alsmede de in die weg gelegen bruggen en naast de rijbaan gelegen paden, bermen en zijkanten.

Artikel 2

Dit reglement is van toepassing op het luchtvaartterrein Teuge.

Artikel 3

Een ieder die zich op het luchtvaartterrein bevindt is verplicht:

a. zich overeenkomstig de bepalingen van dit reglement te gedragen;

b. aan de hem door of namens de exploitant door middel van woorden, gebaren of tekens gegeven aanwijzingen direct gevolg te geven; of

c. de door of namens de exploitant ingevolge dit reglement aan hem gevraagde inlichtingen te verschaffen.

Artikel 4

Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de exploitant op het luchtvaartterrein:

a. bedrijfsactiviteiten uit te oefenen c.q. te doen of laten uitoefenen;

b. te venten, te colporteren of te collecteren;

c. reclame te maken;

d. te kamperen;

e. te fotograferen, filmen en geluid en beeld op te nemen;

f. langer dan 24 uur een motorvoertuig te parkeren;

g. wedstrijden of elke andere vorm van evenement te organiseren en te houden;

h. graafwerkzaamheden te verrichten of op andere wijze veranderingen in de toestand van het terrein aan te brengen; of

i. dieren onaangelijnd te laten lopen.

Artikel 5

De exploitant heeft het recht personen die zich niet aan de bepalingen van dit reglement houden van het luchtvaartterrein te verwijderen of te laten verwijderen.

Hoofdstuk 2

Niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein

Artikel 6

1. Voor de toegang tot het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein is toestemming vereist van de exploitant.

2. De in het eerste lid bedoelde toestemming is niet vereist voor het gaan naar of komen van een geparkeerd luchtvaartuig door de bij dit luchtvaartuig behorende bemanningsleden, passagiers of technici.

Artikel 7

1. Voor de toegang tot het landingsterrein is per keer de toestemming vereist van de dienstdoende functionaris van de havendienst.

2. Voor de toegang tot het havengebouw is toestemming vereist van de in het eerste lid bedoelde functionaris.

3. Personen aan wie toestemming is verleend voor toegang tot het landingsterrein melden zich af, nadat zij het landingsterrein hebben verlaten, bij de in het eerste lid bedoelde functionaris.

4. De in het eerste lid bedoelde functionaris is te allen tijde bevoegd de verleende toestemming in te trekken en personen te gelasten zich van het landingsterrein of uit het havengebouw te verwijderen.

Artikel 8

1. Bij invallende duisternis of bij afnemend zicht en na beëindiging van de werkzaamheden, wordt het landingsterrein onmiddellijk verlaten, tenzij met de dienstdoende functionaris van de havendienst anders is overeengekomen.

2. Het is, behoudens toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst, verboden om brandgevaarlijke werkzaamheden te verrichten binnen een afstand van 20 meter van een luchtvaartuig of van een opslagplaats voor vliegtuig- en andere brandstoffen.

3. Degenen die door de exploitant zijn belast met het toezicht op de goede orde en veiligheid op het luchtvaartterrein kunnen, indien de goede orde of veiligheid dit vereisen, te allen tijde een activiteit laten onderbreken of stopzetten.

4. Beschadiging van het terreinoppervlak, de daarop geplaatste installaties of voorzieningen, waardoor enig gevaar of schade voor luchtvaartuigen kan ontstaan, wordt onverwijld door of vanwege de veroorzaker ter kennis van de dienstdoende functionaris van de havendienst gebracht.

5. Obstakels, gereedschappen, voertuigen of materialen worden niet geplaatst of achtergelaten anders dan op de door de dienstdoende functionaris van de havendienst aangewezen gedeelten van het landingsterrein.

Artikel 9

1. Organisaties, die zich met de afhandeling van passagiers belasten, zien erop toe dat de passagiers zich slechts in aaneengesloten groepen en onder begeleiding van ten minste één employé van 18 jaar of ouder van de betrokken afhandelingsmaatschappij, luchtvaartmaatschappij of het betrokken luchtbedrijf, veilig over het platform bewegen.

2. Passagiers worden onder toezicht van en over de kortst mogelijke afstand door de in het eerste lid bedoelde personen naar of van het vliegtuig begeleid.

3. Tenzij met de betrokken luchtvaartmaatschappij of het betrokken luchtvaartbedrijf een andere regeling is getroffen, meldt de gezagvoerder van een luchtvaartuig zich terstond na aankomst, alsmede voor vertrek en voorts in alle andere gevallen waarin de dienstdoende functionaris van de havendienst dit wenselijk acht, bij deze functionaris.

Artikel 10

1. Voertuigen hebben slechts toegang tot het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein, indien daartoe door de dienstdoende functionaris van de havendienst toestemming is verleend.

2. Voertuigen hebben slechts toegang voor de duur van de werkzaamheden waarbij zij benodigd zijn.

3. Voertuigen zijn voorzien van door de exploitant voorgeschreven markeringstekens.

4. Voertuigen, waarvan de motor in werking is gesteld, worden niet onbeheerd achter gelaten, met uitzondering van voertuigen die dienen om geparkeerde vliegtuigen van spanning of lucht te voorzien.

Artikel 11

1. Alle roerende zaken die bij de afhandeling van een luchtvaartuig zijn betrokken en die niet aanstonds ten behoeve van een luchtvaartuig behoeven te worden gebruikt, worden onverwijld door of vanwege de gebruiker naar de daarvoor door de exploitant aangewezen plaats gebracht.

2. Roerende zaken worden slechts opgeslagen of geplaatst op de daarvoor door of met toestemming van de exploitant bestemde of aangewezen locaties.

Artikel 12

1. Het opstellen, parkeren en stallen van, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen, is slechts toegestaan na van de dienstdoende functionaris van de havendienst verkregen toestemming op of in de daarvoor bestemde of aanwezige locaties.

2. Door de dienstdoende functionaris van de havendienst kan worden gelast dat geparkeerde en gestalde luchtvaartuigen worden verplaatst indien hij dit uit het oogpunt van orde en veiligheid noodzakelijk acht.

3. De afstand tussen geparkeerde luchtvaartuigen en de grens van het voor het publiek toegankelijke terreingedeelte is zodanig, dat nergens op het voor het publiek toegankelijke terreingedeelte de luchtsnelheid, veroorzaakt door in werking zijnde voortstuwingsinstallaties, 50 km/uur (15 m/sec) te boven kan gaan.

Artikel 13

1. Proefdraaien van vliegtuigmotoren geschiedt slechts op door de exploitant aangewezen plaatsen.

2. Het proefdraaien is verboden:

a. gedurende de door de exploitant bepaalde uren of dagen;

b. in strijd met de door de exploitant aan het proefdraaien verbonden voorschriften;

c. op een platform, behoudens tevoren verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst.

3. De exploitant kan nadere bepalingen geven in een ‘Procedure Proefdraaien’; het is verboden in strijd met die bepalingen te handelen.

Hoofdstuk 3

Voertuigen

Artikel 14

1. Voertuigen worden geparkeerd of gestald overeenkomstig de door de exploitant gegeven aanwijzingen.

2. Het parkeren van voertuigen op andere dan op de daarvoor bestemde parkeerplaatsen is verboden, tenzij daarvoor schriftelijke toestemming is verleend door de exploitant.

3. Het is verboden om elders dan op de daartoe door de exploitant aangewezen plaatsen, goederen over te laden, te reinigen en te repareren.

4. Zonder toestemming van de exploitant is het gebruik van voertuigen in gebouwen verboden.

5. In geval van overtreding van het eerste, tweede, derde of vierde lid, dan wel wanneer de orde of veiligheid dit vereist, kan het betreffende voertuig door of namens de exploitant worden verplaatst naar een daartoe aangewezen terreingedeelte.

Artikel 15

1. De bestuurder van een voertuig gedraagt zich op het luchtvaartterrein overeenkomstig het RVV 1990.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geldt op de niet voor het publiek opengestelde gedeelten van het luchtvaartterrein een maximumsnelheid van 30 km per uur.

3. Het gestelde in het tweede lid geldt niet voor voertuigen van de havendienst en hulpdiensten, voor zover dit in het belang is van de dienstuitvoering.

4. Op de niet voor het publiek toegankelijke gedeelten van het luchtvaartterrein worden de verkeersbesluiten genomen door de exploitant.

5. Het is een ieder verboden zich op de niet voor het publiek toegankelijk gestelde gedeelten van het luchtvaartterrein zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Artikel 16

1. De bestuurder van een voertuig die aan het verkeer op de niet voor het publiek toegankelijke gedeelten van het luchtvaartterrein deelneemt, voldoet aan de door de exploitant te stellen eisen van terreinkennis, radiotelefonieprocedures en rijvaardigheid.

2. De bestuurder van een voertuig die aan het verkeer op de niet voor het publiek toegankelijke gedeelten van het luchtvaartterrein deelneemt, houdt zich aan door de exploitant vastgestelde rijroutes.

Artikel 17

1. De exploitant kan verplicht stellen dat bestuurders van voertuigen die worden gebruikt in het landingsterrein, voorzien zijn van verbindingsmiddelen.

2. Een bestuurder van een voertuig brengt, voordat het landingsterrein wordt ingereden, een tweezijdige verbinding tot stand met de havendienst en luistert in het landingsterrein voortdurend op de toegewezen frequentie uit.

Hoofdstuk 4

Tanken en aanverwante handelingen

Artikel 18

1. Alle direct met het tanken verband houdende werkzaamheden worden uitgevoerd door een ter zake kundig persoon.

2. Een ieder die het leveren, vervoeren en tanken van vliegtuigbrandstoffen verricht ziet erop toe dat de bepalingen van dit hoofdstuk worden nageleefd.

Artikel 19

Het is verboden:

a. te tanken met passagiers aan boord;

b. hefschroefvliegtuigen met draaiende rotor te tanken;

c. te tanken met draaiende motor, behoudens verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst;

d. tijdens het tanken werkzaamheden te verrichten of elektrische schakelaars te bedienen, met uitzondering van die schakelaars die behoren bij de voor het tanken benodigde installatie en de daarbij noodzakelijke verlichting.

Artikel 20

1. Bij het tanken wordt elke handeling nagelaten die brand kan veroorzaken of het gevaar daarvoor kan vergroten.

2. Het tanken geschiedt op zodanige wijze dat geen brandstof wordt gemorst.

3. Van het lekken of morsen van olie of brandstof wordt onmiddellijk de dienstdoende functionaris van de havendienst in kennis gesteld.

4. Gemorste olie en brandstof wordt onmiddellijk, in overleg met de dienstdoende functionaris van de havendienst, verwijderd.

5. Wanneer bij of uit een vliegtuig brandstoflekkage wordt geconstateerd, vindt het (opnieuw) starten van de motoren niet eerder plaats, dan na verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst.

6. Drainmonsters van brandstof uit motoren en vleugels van luchtvaartuigen dienen te worden opgevangen en te worden gedeponeerd in daarvoor bestemde vaten of jerrycans.

Hoofdstuk 5

Gebruik van het luchtvaartterrein

Artikel 21

De exploitant kan luchtvaartbedrijven verplichten gegevens te verschaffen met betrekking tot:

a. schematijden en van tevoren bekende afwijkingen daarvan;

b. type vliegtuig en configuratie;

c. vluchtnummers en vliegtuigregistratie van aankomende en vertrekkende vluchten;

d. bemanning, aantallen passagiers en aard van de vlucht;

e. eventuele bijzonderheden voortkomend uit de aard van een vlucht; of

f. gegevens over gevaarlijke stoffen aan boord van het luchtvaartuig.

Artikel 22

1. Het gebruik van het luchtvaartterrein is uitsluitend toegestaan aan luchtvaartterreinverkeer, indien het voorgenomen gebruik voor aanvang van de vlucht is gecoördineerd met de exploitant.

2. Het luchtvaartterreinverkeer onderhoudt voortdurend tweezijdige radioverbinding met de dienstdoende functionaris van de havendienst op de daartoe aangewezen frequenties, zoals deze zijn gepubliceerd in de luchtvaartpublicaties A.I.P. of NOTAM.

3. Voor het uitvoeren van circuit- en oefenvluchten is toestemming vereist van de dienstdoende functionaris van de havendienst.

Artikel 23

1. Gezagvoerders van niet op het luchtvaartterrein gestationeerde luchtvaartuigen verplaatsen en parkeren hun luchtvaartuig overeenkomstig de aanwijzingen van de dienstdoende functionaris van de havendienst.

2. Het taxiën met en slepen van luchtvaartuigen is verboden, tenzij per keer uitdrukkelijk toestemming is verleend door de dienstdoende functionaris van de havendienst.

3. Het landen op en opstijgen van het luchtvaartterrein geschiedt op en van de daartoe bestemde en als zodanig door de exploitant beschikbaar gestelde baan of banen, gelegen binnen het in gebruik zijnde deel van het landingsterrein.

4. Luchtvaartuigen taxiën op daarvoor bestemde rijbanen of daartoe bestemde gedeelten van het landingsterrein, zoals deze zijn gepubliceerd in de luchtvaartpublicaties A.I.P. of NOTAM.

5. Het opstijgen of landen vindt slechts plaats als de gehele baan vrij is van andere luchtvaartuigen, voertuigen of andere obstakels.

6. Het opstijgen of landen in een formatie van meerdere vliegtuigen is verboden, tenzij hiervoor toestemming is verleend door de dienstdoende functionaris van de havendienst.

Artikel 24

1. Het landen op en opstijgen van het luchtvaartterrein met hefschroefvliegtuigen geschiedt op en van de daartoe door de dienstdoende functionaris van de havendienst beschikbaar gestelde baan of (gras)gedeelten daarvan, gelegen binnen het in gebruik zijnde deel van het landingsterrein.

2. Hefschroefvliegtuigen taxiën op de daarvoor bestemde rijbanen of daartoe door de dienstdoende functionaris van de havendienst aangewezen gedeelten van het landingsterrein.

3. Het opstijgen of landen vindt slechts plaats als de gehele baan, dan wel het aangewezen (gras)gedeelte van het landingsterrein vrij is van andere luchtvaartuigen, voertuigen of andere obstakels.

4. Het zogenoemde hoveren met hefschroefvliegtuigen geschiedt alleen met toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst op het daartoe aangewezen gedeelte van het landingsterrein.

5. Het is verboden zonder toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst met hefschroefvliegtuigen zogenoemde quick stops of andere oefeningen uit te voeren. Deze oefeningen vinden uitsluitend plaats binnen de obstakelvrije zone in de richting van de in gebruik zijnde start- en landingsbaan. Na de gemaakte stop of nadering wordt eerst een normaal circuit gevlogen of via de in gebruik zijnde taxibaan terug getaxied naar het begin van de in gebruik zijnde start- en landingsbaan.

Hoofdstuk 6

Reclameslepen; oplieren of opslepen van zweefvliegtuigen

Artikel 25

1. Het is verboden om zonder toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst zich in het landingsterrein te begeven om voorbereidingen te treffen ten behoeve van het aanhaken of afwerpen van een reclamesleepnet.

2. Tijdens het aanhaken of afwerpen van een reclamesleepnet mag het overige vliegverkeer, inclusief het zweefvliegen en parachutespringen, niet in gevaar worden gebracht.

3. Na het afwerpen van een reclamesleepnet wordt deze onmiddellijk door het betrokken luchtvaartreclamebedrijf opgenomen en uit het landingsterrein verwijderd.

4. Het betreffende luchtvaartreclamebedrijf verricht met maximaal twee personen en één voertuig voorbereidende werkzaamheden in het landingsterrein.

5. De in het vierde lid bedoelde personen en het voertuig bevinden zich bij het afwerpen van een reclamesleepnet ten minste 50 meter buiten de vliegbaan van het sleepvliegtuig.

6. Voordat een reclamesleepnet wordt afgeworpen overtuigt de vlieger zich ervan dat dit kan geschieden zonder personen in gevaar te brengen of eigendommen van derden te beschadigen.

7. Het afwerpen van een reclamesleepnet geschiedt op zodanige plaats dat de vlieger van het sleepvliegtuig te allen tijde in staat is het luchtvaartterreinverkeer in het circuit volkomen te overzien, alsmede de plaats waar het reclamesleepnet moet worden afgeworpen.

8. Letsel aan personen of schade aan eigendommen veroorzaakt door reclamesleepactiviteiten wordt onmiddellijk gemeld aan de dienstdoende functionaris van de havendienst.

Artikel 26

1. Het is verboden om zonder toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst zweefvliegactiviteiten uit te oefenen.

2. Zweefvliegactiviteiten mogen uitsluitend plaatsvinden op het daartoe aangewezen gedeelte van het luchtvaartterrein.

3. Zweefvliegactiviteiten met behulp van een sleepvliegtuig mogen uitsluitend plaatsvinden binnen de openstellingsuren van het luchtvaartterrein.

4. Buiten de voertuigen, die direct verband houden met zweefvliegactiviteiten, is maximaal één voertuig op het landingsterrein toegestaan. Voor het gebruik van meerdere voertuigen is voorafgaande toestemming vereist van de exploitant of de dienstdoende functionaris van de havendienst.

5. Het landingsterrein mag slechts worden betreden door leden van de zweefvliegclub of door introducés onder begeleiding van een lid van deze club.

6. Bij het zich begeven naar de startplaats wordt de grens van het landingsterrein gevolgd, tenzij door of namens de exploitant een andere route wordt voorgeschreven.

7. Tijdens de zweefvliegactiviteiten is een directe radioverbinding met de havendienst verplicht.

8. Het afwerpen van de sleepkabel geschiedt op zodanige wijze dat er geen gevaar voor personen bestaat en geen schade wordt toegebracht aan eigendommen van de exploitant.

9. Tijdens het oplieren van zweefvliegtuigen op baan 09 wordt de voor het publiek toegankelijke weg naast het zweefvliegterrein afgesloten.

10. Letsel aan personen of schade aan eigendommen veroorzaakt door zweefvliegactiviteiten wordt onmiddellijk gemeld aan de dienstdoende functionaris van de havendienst.

Hoofdstuk 7

Opstijgen van een vrije ballon

Artikel 27

1. Het is verboden om zonder toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst een vrije ballon van het luchtvaartterrein te laten opstijgen.

2. Het laten opstijgen van een vrije ballon geschiedt uitsluitend op het daartoe aangewezen gedeelte van het luchtvaartterrein.

3. Buiten het voertuig en een eventueel daarbij behorende aanhangwagen voor het vervoer van een vrije ballon en overige benodigdheden zijn geen voertuigen op het landingsterrein toegestaan.

4. Het landingsterrein wordt ten behoeve van het opstijgen van een vrije ballon slechts betreden door ballonvaarders, het voor het opstijgen van de ballon benodigd personeel en passagiers onder begeleiding en verantwoordelijkheid van de gezagvoerder.

5. Bij het laten opstijgen van een vrije ballon met een vulling van brandbaar gas is het verboden te roken of vuurverwekkende voorwerpen of middelen voorhanden te hebben of aanwezig te laten zijn.

6. Letsel aan personen of schade aan eigendommen veroorzaakt door het laten opstijgen van een vrije ballon wordt onmiddellijk gemeld aan de dienstdoende functionaris van de havendienst.

Hoofdstuk 8

Uitvoeren van valschermsprongen

Artikel 28

1. Het is verboden om zonder toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst het valschermspringen uit te oefenen.

2. Het valschermspringen geschiedt uitsluitend op het daartoe aangewezen gedeelte van het luchtvaartterrein.

3. Het uitvoeren van valschermsprongen geschiedt uitsluitend tijdens zichtweersomstandigheden, waarbij in ieder geval zowel het betrokken vliegtuig als de valschermspringers vanaf de grond duidelijk zichtbaar moeten zijn.

4. De dienstdoende functionaris van de havendienst is te allen tijde bevoegd het valschermspringen te stoppen, indien dit naar zijn oordeel om veiligheidsredenen is vereist.

5. Tijdens de klim- en daalvluchten en tijdens het afspringen wordt het overige verkeer in het circuitgebied niet in gevaar gebracht.

6. Het is valschermspringers toegestaan het daarvoor gebruikte vliegtuig met in werking gestelde motor in te stappen, mits dit geschiedt onder begeleiding van deskundige leiding en volgens een bij de gezagvoerder van het vliegtuig bekende procedure. De procedure voorziet erin dat het vliegtuig zoveel mogelijk van achteren wordt benaderd.

7. Na de landing begeven valschermspringers zich onmiddellijk naar een plaats, die minimaal 50 meter van de markering van de landingsbaan is gelegen.

8. Letsel aan personen of schade aan eigendommen veroorzaakt door de valschermactiviteiten wordt onmiddellijk gemeld aan de dienstdoende functionaris van de havendienst.

Hoofdstuk 9

Slotbepalingen

Artikel 29

Overtreding van de artikelen 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27 of 28 is een strafbaar feit.

Artikel 30

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 31

Deze regeling wordt aangehaald als: Aanvullend luchthavenreglement Teuge.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, M.H. Schultz van Haegen.

Toelichting

Het Algemeen luchthavenreglement geeft voor alle luchthavens regels met betrekking tot de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het veilig gebruik van de luchthavens. Voor de specifieke situaties van de verschillende luchthavens is het meestal nodig nadere regels te stellen. Het aanvullend luchthavenreglement voorziet daarin. Zo bevat ook het Aanvullend luchthavenreglement Teuge dergelijke nadere regels in aanvulling op het Algemeen luchthavenreglement en geeft voor de luchthaven Teuge praktische voorschriften ten aanzien van orde en veiligheid. Zo zijn er hoofdstuksgewijs regels gegeven met betrekking tot

a. het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein; hierin zijn onder meer bepalingen opgenomen inzake de toegang tot dat gedeelte, de afhandeling van luchtvaartuigen en het opstellen en repareren van luchtvaartuigen;

b. het gedrag van bestuurders van voertuigen;

c. het tanken en wat daarmee verband houdt; en

d. het gebruik van het luchtvaartterrein.

Tenslotte is nog een aantal artikelen opgenomen met betrekking tot speciale categorieën, zoals slepen van vliegtuigen, het opstijgen van ballonnen en het verrichten van valschermsprongen.

Voor zover nodig is hieronder een en ander artikelsgewijs nader toegelicht.

Artikelsgewijs

Artikel 3, 4

Deze artikelen geven de verplichtingen voor degenen, die zich op het luchtvaartterrein bevinden. In algemene zin is dit in artikel 3 opgenomen en voor een aantal specifieke onderwerpen in artikel 4 verder uitgewerkt.

Daarnaast geeft artikel 3 in onderdeel b de mogelijkheden en bevoegdheden voor de exploitant en de dienstdoende functionaris van de havendienst om door het geven van aanwijzingen te zorgen dat de orde en veiligheid gehandhaafd blijven.

Artikel 5

Aangezien op het landingsterrein en de platformen activiteiten met luchtvaartuigen plaats vinden is het noodzakelijk het aantal daar aanwezige personen te reguleren en te zorgen dat zij zich gedragen overeenkomstig de toepasselijke veiligheidsvoorschriften. In voorkomend geval geeft dit artikel de basis voor de exploitant en de dienstdoende functionaris van de havendienst om op te treden.

Artikel 7

De reden, dat voor het betreden van het landingsterrein per keer toestemming is vereist, is gelegen in het feit, dat er in het landingsterrein extra gevaren aanwezig zijn in verband met het starten, landen en taxiën van luchtvaartuigen.

Artikel 13

Dit artikel geeft de exploitant de bevoegdheid voorschriften te stellen aan het proefdraaien in verband met de geluidsoverlast die hiermee kan samenhangen.

Artikel 19

Het tanken met passagiers aan boord is een activiteit waaraan extra risico’s kleven. Derhalve bepaalt dit artikel dat het niet toegestaan is te tanken met passagiers aan boord.

Artikel 22

Omdat het uitvoeren van circuit- en oefenvluchten overlast voor de omwonenden van het luchtvaartterrein kan betekenen geeft dit artikel de exploitant de bevoegdheid langs de weg van de toestemming beperkingen op te leggen aan het uitvoeren van circuit- en oefenvluchten.

De in het tweede lid bedoelde frequenties worden gepubliceerd in de luchtvaartgids als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onder 1°, van het Luchtverkeersreglement (A.I.P.) en in de notice to airmen als bedoel in artikel 1 van de Regeling burgerluchtvaartinlichtingen (NOTAM).

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

M.H. Schultz van Haegen

Naar boven